|
Lemster skūtsjeschipper
Ale Zwerver:
In
een krantenknipsel, gedateerd vrijdag 4 november 1960, wordt het drama
als volgt omschreven:
"Bietenschip "Aljo"gezonken, opvarenden gered"
Oostermeer: Dat de vaarroute
over het Bergumermeer zeer gevaarlijk is werd woensdagavond weer
eens bewezen, toen de hoge golfslag het bietenschip "Aljo"( 103 ton)
van schipper J. Zwerver uit Leeuwarden overspoelde, tengevolge
waarvan het schip in korte tijd zonk. De schipper zijn echtgenote en
hun achttienjarige zoon Ale konden zich ternauwernood in veiligheid
stellen door in de sloep te gaan. Het schip zonk evenwel zo snel dat
niets kon worden gered." De verraderlijkheid van het Bergumermeer
heeft schipper Zwerver parten gespeeld bij de overtocht. Dinsdag had
het schip bieten geladen in Franeker en het was op weg naar
Groningen. Toen de avond viel weifelde de schipper aanvankelijk of
hij het Bergumermeer wel zou oversteken in verband met de
zuidwesterstorm. Daar het meer nogal rustig leek en de wind iets was
afgenomen, besloot men omstreeks zes uur de overtocht te wagen. "
Dit ging dus fout. Drie
kwartier later sloegen de golven zijwaarts tegen maar ook in het
schip. Het water stroomde bij de luiken naar binnen. Ale en zijn
vader hebben nog geprobeerd de Aljo met pompen boven water te houden
maar dit mislukte. Het schip maakte razendsnel water en zonk, er was
nog nauwelijks tijd De Aljo in elk geval iets buiten de geul te
sturen voor de klipper ten onder ging.
Citaat: "De familie Zwerver
is in de sloep naar Schuilenburg gevaren waar zij voor zover nodig
in café Lans it Wetter van de heer J. Draisma van droge kleren werd
voorzien."
Nadat de schade was hersteld
werd het dagelijkse ritme weer opgepakt. Toen Ale's vader een ander
schip kocht stapte Ale op de klipper. Er werd een VOF gevormd. In
het binnenland werd gevaren met vracht voor de beurs en in het
buitenland opereerde Ale op de vrije markt. Zo werd de kost
verdiend. In de loop der jaren werd geļnvesteerd in grotere en
moderne schepen en nog steeds bevaren Ale en echtgenote Eke de
Nederlandse en Belgisch-Duitse wateren met vracht.
En in de schaarse vrij tijd was
en is er natuurlijk het skūtsjesilen. Dit werd de Zwervers met de
paplepel ingebracht. Het wedstrijdzeilen met skūtsjes hoort er
helemaal bij in de Zwerver familie. Overgrootvader Jacob Zwerver
deed het al in de jaren rond 1880. In die tijd werd er serieus
gestreden om voor schippers zeer interessante prijzen. Een aardige
premie in een tijd dat elke cent moest worden omgedraaid was niet
verkeerd. In een interview met een journalist van het Friesch
Dagblad, anno circa 1955, vertelde de toen 90-jarige dat hij rond
1920 een aardige prijs won met het skūtsjesilen. "Dat wie doe noch
de muoite wurdich, doe gyng it om priis en preemje, mar no kriget
elke meidogger itselde en de winder in medalje of sa" "Neat Wurdich"
Ale's
grootvader (Ale) had een eigen skūtsje de "Vier gebroeders"met als
thuishaven Leeuwarden. De wedstrijden waarover hij in het interview
sprak vonden plaats lang voordat de SKS ( Sintrale Kommisje
Skūtsjesilen) officieel werd opgericht. In die tijd was het winnen
een mooi extraatje en werd moeders de vrouw met het hele huishouden,
inclusief meubilair en kachel, met een dekzeiltje tegen de regen aan
de wal gezet terwijl vader zich met het schip in de strijd wierp. We
maken even een sprong in de tijd. We schrijven de periode rond 1950.
Ale's vader zeilde graag met de familie Brouwer . Ook Ale werd op
een gegeven moment( rond 1960) bemanningslid op het skūtsje Hoop
Doet Leven van Jan Brouwer.
Vanwege zijn
contacten in Lemmer, de kinderen hadden het hier uitstekend naar de
zin op het Lemster Schippersinternaat en Ale was actief in het
bestuur, werden de banden met Lemmer steeds nauwer. Lemmer werd door
Ale en Eke zelfs verkozen als thuishaven.
In 1982 werd Ale
bemanningslid op het Lemster Skūtsje. Zeventien jaar later werd hij
gevraagd om de taak van schipper op zich te nemen. Dit aanbod werd
geaccepteerd. Ale verkocht hierop zijn eigen skūtsje de "Elisabeth.
Z" waarmee hij acht jaar lang succesvol zeilde in de IFKS. Overigens
was de Elisabeth. Z, het skutsje waarop Bene Jongsma jarenlang ( tot
de jaren 70 van de vorige eeuw) woonde in het Dok in hartje Lemmer,
Ane Jamin woonde daar ook.
Dat was destijds nog het
enige SKS skūtsje dat in particuliere handen was. -Leuk detail is
dat hij zo zijn latere echtgenote Eke ( dochter van de schipper,
geboren op een skūtsje) leerde kennen en dat de Hoop Doet Leven ook
nog steeds in het bezit is van Ale en Eke. - Later werd Ale
bemanningslid op het schip van Eernewoude waarop zijn vader, Jacob
Zwerver, schipperde.
1 is
het Skūtsje van Anne Jongstra. 2 is het Skūtsje van Ale Zwerver, de
huidige Raerder Roek.
Raerder Roek.
|
Stichting skūtsje Raerder Roek
|
Uit de overlevering is gebleken dat het skūtsje de Raerder
Roek inmiddels 100 jaar is. De overeenkomst is destijds
gesloten door Berend Boom uit Eastermar en Jan Oebeles van
der Werff van de werf het Buitenstverlaat uit Drachten. Het
schip werd gemaakt voor de aardappelvaart. Jelle Stoker uit
Sumar, een oomzegger van Berend, verlengde het schip in 1920
van 15,66m naar 18,12m. Hij gebruikte het schip om veel
terpaarde te vervoeren vanuit het noorden van Friesland naar
de arme schrale gronden in het zuiden van Friesland. In het
najaar werden er veel bieten mee vervoerd naar Groningen.
Ook is er veel zand mee vervoerd ten behoeve van de aanleg
van de infrastructuur voor het verkeer over de weg,
bijvoorbeeld in 1938 naar Wiuwert, en grondtransport in 1939
naar de nieuwe fabrieken van Halbesma in Grou. Na de periode
van vracht- en beurtvaart werden er wedstrijden mee gezeild
in de begin jaren van de SKS, 1945-1947, en al lang daarvoor
vanaf 1927 door Ale Zwerver, de pake van de huidig Ale
Zwerver van het Lemster skūtsje. Door de vooruitgang in tijd
en overgang naar het gemotoriseerde tijdperk werd het
skūtsje vanaf 1948 een woonschip en kwam voornamelijk in
Leeuwarden te liggen aan de Oostergrachtswal. Eigenaar Fedde
Akkerman ging zomerdag met het schip het skūtsjesilen
achterna. In 1965 kwam het schip in Spakenburg terecht en
werd het door Gerrit van der Groep omgebouwd naar een
motorjacht waarmee vakanties werden gehouden in Friesland.
Ook werd er mee op het Markermeer gestroopt. Het zou duren
tot 1985 dat het schip in Akkrum weer onder zeil gebracht
werd door zeilmaker Jan de Boer. Hier kwam Michiel Kalsbeek
ook voor het eerst in aanraking met het skūtsje. In de begin
jaren van de IFKS werd er al om de prijzen meegestreden. In
1988 werd het kampioensschap behaald in de A-klasse. Na een
korte periode, van 1990 tot 1995, in het bezit te zijn
geweest van piloot en schipper Philip van der Woude, werd
Michiel Kalsbeek in 1995 zelf de eigenaar van het skūtsje.
Hij verlengde het schip in 2000 naar 20,52 m. Tot op de dag
van vandaag wordt er zo mee gezeild en wedstrijden mee
gewonnen in de hoogste klasse, zoals op 28 juli 2005 in
Lemmer.
Deze hele geschiedenis van het schip
en de mensen die er op leefden is achterhaald. Er is gezocht
naar oud-schippers of de nazaten om gegevens van het schip
boven water te krijgen. Interviews volgden en een ieder was
dol enthousiast en bereidwillig om de meest vertrouwelijke
gegevens op tafel te leggen. Dit heeft geresulteerd in een
volledig beeld over de mensen die op het schip hebben
geleefd in de afgelopen 100 jaar.
Hoezo 100 jaar? Naast het vinden van
het voorgaande is ook bij officiėle instanties
(scheepvaartinspectie, kadaster, enz.) gezocht naar
informatie. In de gevonden oude stukken hebben we het bestek
gevonden, waaruit blijkt dat de overeenkomst tot het bouwen
van het schip in december 1905 is ondertekend. Op welke werf
was dit, hoe is die werf ontstaan, wie werkten er op die
werf, hoe werd zo'n schip nu gebouwd, onder welke
omstandigheden, hoe lang werd er over gedaan, wat is er
vervolgens met het schip gebeurt, kortom tal van vragen waar
antwoord op wordt gegeven in een boekwerk. Het gehele bestek
wordt o.a. hierin onder de loep genomen. Daarnaast wordt een
stuk historie van Fryslān belicht betreffende de
ontwikkeling;van de infrastructuur en welke rol deze
provincie had in de binnenvaart.
Veel meer kan er verteld worden over
het totale verhaal van het skūtsje in een periode van
1906-2006. Echter is dat te lezen in het rijkelijk in
fullcolour met harde kaft geļllustreerd boek Van Zwaluw tot
Roek, het verhaal van een skūtsje van circa 130 pagina's,
geschreven door Frits Jansen uit Grou (bemanningslid aan
boord van de Raerder Roek) en Klaas Jansma (bekend van de
radioverslaggeving bij het skūtsjesilen), waarin veel nog
niet beschreven feiten over dit stukje maritieme historie in
staat beschreven. Dit boek is op 9 november 2005
gepresenteerd in het Skūtsjemuseum De Stripe in Earnewāld.
In aanwezigheid van schipper en bemanning is het boek
overhandigd aan Jo Bosma, secretaris van de Stichting Foar
de Neiteam. Deze stichting is in 2003 opgericht met als
doel het vastleggen, documenteren, verzamelen en overdragen
van alles wat er te vinden is op het gebied van zeilende
vrachtschepen, hun schippers, bouwers en tradities en voorts
al hetgeen hiermee rechtstreeks verband houdt.
Op 11 maart 2006, exact 100 jaar na
de tewaterlating van het schip, vindt er een 100-jarig
jubileumfeest van het skūtsje plaats in het dorpshuis van
Raerd. Indien u donateur wordt van de stichting skūtsje
Raerder Roek kunt u o.a. in het bezit komen van het
verhaal van dit skūtsje, verweven met levensverhalen van
boeiende mensen.
Frits.J.Jansen
Bekijk hier de mooie
website van het Skūtsje.
|
|