Bewoners en verhalen van het Achterom

 

| 1 | 2 |

 

 

Een foto van het personeel van Johannes Sterk. Boven zien we v.l.n.r. Petrus de Lange, Iemkje en Akke Jongsma, Jeltje van der Veen, Janna de Vries en Klaas Jongsma. De laatste met dissel voor het dichtmaken van de vaten. Op de tweede rij Antoon Huisman, Steven Sterk, Ferdinant de Vries, Jolt de Hei, Anne de Lange, en Johannes Sterk. Op de voorste rij zitten bewoner van het Achterom, Andries Bergsma ( met speet bokking) en Berend?. Tussen hun ligt een pak stokvis. Op de linkerkant pakken met plankjes die gebruikt werden voor het dichttimmeren van de kistjes. Ook werden hier in slappe tijden wel hele kistjes van getimmerd.

 

Andries Bergsma, een opvallende Lemster.

Door Johannes de Vries.

Een kleurrijk figuur in Lemmer was Andries Bergsma. In Lemmer beter bekend als ‘Reade Okke’. Een man die levenslang vrijgezel gebleven is. Hij woonde alleen en leefde op zijn eigen manier. Niemand tot last. Andries was een man die, als er werk was, alles aanpakte. Naar ik mij herinner werkte hij vaak bij het lossen en laden van schepen. In het werk stond hij zijn mannetje; hij was niet iemand die zijn collega’s voor het zware werk liet opdraaien. Veel Lemster hadden niet zo’n hoge dunk van hem. Die kenden hem het beste van zijn altijd durende dorst. Hij dronk vrij veel en ook vrij geregeld wat te veel. Maar daar deed hij niemand anders dan zichzelf tekort mee. Hij had een vrolijke dronk over zich en liep dan zingend door Lemmer.  

Persoonlijk heb ik een heel andere kant van hem leren kennen. Hij was voor zijn brood altijd klant bij collega bakker Haveman. Toen die zijn winkel sloot was Andries in paniek. ‘Wer moat ik nou hinne frou’, vroeg hij vrouw Haveman. ‘Gean mar nei Evert – dat was mijn vader – ik bepraat it wol’, zei vrouw Haveman. Zij vertelde mij dat Andries, die altijd zoals wij het hier zeggen, ‘pine yn é bûse’ had (altijd platzak was) een maand lang alles wat hij kocht liet opschrijven. Als hij dan zijn AOW ontving kwam hij om te betalen. Zo ging het voortaan bij ons ook. Ongeveer een week voor de uitbetaling gaf hij wat ik dan noemde het tien minuten schot. Zoals bij het skûtsjesilen ook twee keer geschoten wordt voordat het aan het startschot toe is. Een keer tien en een keer vijf minuten. Dat tien minuten schot was dan bij Andries een waarschuwing dat mijn moeder de rekening moest optellen. Een paar dagen Later vroeg hij of het al opgeteld was, het vijf minuten schot. Als de grote dag dan kwam was hij ’s morgens al heel vroeg bij de achterdeur van het postkantoor. Om te vragen of zijn geld al binnen was. Meteen als het kantoor open was haalde hij zijn geld op en liep rechtstreeks door naar ons om te betalen.

Alle keren gaf hij wat extra’s. Als het ƒ 19.50 was zei hij: ‘Rekkenje mar f 20.00’ (Maak er maar 20 van). Of hoe het maar uitkwam. Wij zijn dan ook nooit een cent aan hem tekort gekomen. Toen hij overleden was kwam een nicht van hem die hem altijd wat steunde om wat er nog open stond van de lopende maand te betalen. Andries is op een rare manier aan zijn einde gekomen. Hier op de Nieuwburen werd hij aangereden. Ik meen dat hij nog een paar dagen geleefd heeft. Maar die aanrijding is in ieder geval zijn dood geworden. Bergsma was wel een man met humor. Vaak was het wel een wrange humor. Misschien ook wel om zichzelf te beschermen. Hij was nogal emotioneel. Dat moest iemand anders niet weten en dan moest dat wel eens op een beetje ruwe manier verborgen blijven.

Op een dag werd één van zijn vrienden uit het café begraven. Het was in de tijd dat de bieten werden binnengehaald. Wagens vol bietenkoppen werden door de boeren uit de Noordoostpolder gehaald. Zij reden daar dan mee door Lemmer. Meteen na de begrafenisstoet reed zo’n wagen met groen. ‘Hy hat wol blommen’ (Hij heeft wel veel bloemen) was het commentaar van Andries die aan de kant stond te kijken. Zoiets zeg je gemakkelijker dan woorden van medeleven of gedenken. Andries heeft zijn hele leven in Lemmer gewoond. Hij hield van ons dorp. Net als alle geboren Lemsters. Toen iemand tegen hem zei: ‘Wat is it hjir moai op ‘e Lemmer’ (Wat is het toch mooi in Lemmer) was zijn antwoord: ‘Ik kin wol skrieme as ik der oan tink dat ik hjir in kear wei moat’.(Ik kan wel huilen als ik er aan denk dat ik hier eens weg moet)

Met Sinterklaas was er sjoelen en balgooien in het café van Piet van der Werf. Andries hoorde daar tot de stamgasten. Als vaste klant hielp hij daar dan ook bij. Er was dan ook een soort loterij. Als hij de winnende loten trok riep hij af en toe als winnaar ‘Menear Ant. út Ychten’.(Mijnheer Ant. uit Echten) Die was er natuurlijk niet en de prijs werd dan eerst aan kant gelegd. Zo bleef er dan voor de medewerkers aan het eind van de avond ook nog wat te eten en te drinken over.

 

Oproer.

Het was in de herfst. Het avondeten was op. De kinderen in het Achterom mogen tot half acht bij de deur nog wat spelletjes doen, daarna is het bedtijd. De grotere jongens van zo'n jaar of vijftien stonden wat verderop in het Achterom bij elkaar. In het armenhuis was ook een bibliotheek. Er was een loket in de muur waar men boeken kon halen voor een paar centen per week. Die grote jongens hadden de gewoonte om aan te kloppen en om boeken te vragen. Als die boeken dan klaar lagen, draafden de jongens weg. Dat ging zo een paar weken door, totdat er op een bewuste avond weer werd gevraagd om het boek "Recht door zee". Op dat moment kwam Ostende, de politieagent te voorschijn en begon er op in te slaan. Hij raakte daarbij een jongen, die uit de hang kwam, flink. Een paar vrouwen, die dat zagen, werden zo kwaad, dat zij Ostende met bezems en puthaken te lijf gingen. De politieagent vluchtte het armhuis in. Bij de brug hoorde men wat er in het Achterom aan de hand was en in een ommezien was het zwart van de mensen rondom het armhuis. De politieagent durfde niet naar buiten te komen, want hij hoorde de bedreigingen wel.

Intussen had de andere politieman in Lemmer gehoord wat er bij het armhuis gebeurde en even later kwamen politie Visser en zijn zoon het Achterom in. Visser zag wel dat de toestand erg kritiek was. Hij ging terug om hulp te halen en kwam terug met één van de leden van de gemeenteraad. Deze sprak de menigte toe en wist het zo ver te krijgen dat men Ostende ongedeerd liet. Het volk ging uiteen en ieder ging weer huiswaarts, waarmee een einde was gekomen aan het oproer in het Achterom. Het was een paar jaar later dat Evert de Vries lopende van IJmuiden was gekomen en dat hij met de Velserpont het Noorzeekanaal over stak. "Daar zag ik een bekend figuur. Wel twee meter lang. Het was de vroegere politieagent Ostende. Hij vertelde mij dat hij inmiddels oppasser was geworden op de Velserpont. Even hebben wij het over Lemmer gehad. "De Lemsters hebben een grote mond, maar een klein hartje", zei hij, waar hij nog aan toevoegde: "Toch mag ik ze wel".

 

Spinhuispolle.

Op de Spinhuispolle woonde Dirk Bijlsma met vrouw en vier jongens, Marten, Jentje, Jaap en Sjoerd. Het was niet ruim met de verdiensten want om een gezin van zes mensen van eten te voorzien viel niet mee voor één man. Bijlsma moest met vissen zijn gezin door de tijd heen helpen. Hij had een roeiboot. Als het mooi weer was, viste hij op zee en anders binnen, maar altijd met hoekwant. Daarvoor moest hij aas hebben. Dat waren wormen, die hij 's avonds met een lantaarn zocht. Evert de Vries verteld: "Wij als buurjongens waren dan graag bij hem, want hij vertelde ons de mooiste verhalen. Zo gebeurde het op een avond....

Lees verder voor Jentje Iets over de Lemster familie Visser van Jaap van der Zwaag

 

    

Februari 1871.

Het Achterom.

A.E. Klijnsma.

Herinneringen aan het vroegere armhuis. 1

Hier in werden de besluiten vastgelegd over beheer, verpleging en opname van de kleine man. Tevens geeft dit boek een indruk van het leven in dit huis. ook is het een spiegel van hoe het in de jaren reilde en zeilde in de toenmalige maatschappij. Het was hard werken als er iets te verdienen viel en men geen invalide was. De mannen waren doorgaans goed voor de klusjes: alles was van hun gading, doch het leven zal zwaar geweest zijn, want de armoede vierde hoogtij, niet alleen voor hen die verpleging genoten, ook voor de man die een gezin had te verzorgen.

Het waren zeer moeilijke tijden, vooral de eerste jaren na de Franse overheersing. Zoals de oudere onder ons zich nog wel kunnen herinneren stond het armhuis in het Achterom, bij de Spinhuispolle, slechts enkele jaren geleden is het af gebroken. Ik weet niet waneer dit pand als armhuis werd op geheven, het heeft nog jaren dienst gedaan als vergaderruimte en tevens voor een paar gezinnen als woonstee.

Na een vergelijking van de toestanden toen en nu (1973) gaat Kleinsma verder, het armhuis in het Achterom werd in 1817 gebouwd. Het werd op 14 november van dat jaar in gebruik genomen. Er werden obligaties uit gegeven tot een bedrag van ƒ 9700,- de totale kosten van het oude gebouw waren ƒ 1200,- zodat met de bouw en overname een bedrag van ƒ 10.900,- was gemoeid. Tot regenten werden benoemd Nanne Jurjens de Rook. Jan Mizes en Johannes Hanzes. Tot regentessen Tetje Sjoerds Stapert, huisvrouw van R. Sleeswijk. Dirkje Hendriks, weduwe van Tjeerd Ages. En Trijntje Westra huisvrouw van Jouwerd Sijbrens Stapert. Deze werden op 5 mei 1817 benoemd.

Voorts maakte deel van het bestuur uit drie diakens en drie diakenvrouwen, welk college eenmaal per week bijeen kwam. De vergaderingen brachten geen kosten met zich mee, alleen vuur en licht werden vergoed. Art. 6 van het reglement hield in, de belangen van het huis te bespreken, klachten aan te horen, de onwillige door gepaste straffen te beteugelen en vlijtige en brave kinderen door kleine beloningen aan te moedigen, terwijl ook het toezicht op het onderwijs in de armenschool werd toegepast.

Op 12 Mei 1817 werden tot Vader en Moeder benoemd Sijbren Sijbes Visser en zijn vrouw Antje J. Koster op een jaar traktement van ƒ 175,- met vrije armenkost en 's middags en 's morgens thee. Een tijdelijk inwonende zoon werd huisvesting verleend tegen een kostgeld van 26 stuivers. Jongelieden ontvingen een opleiding tot een eerlijk bestaan en leerde zo gauw mogelijk lezen en schrijven en rekenen, al dus een verslag van een vergadering.

Meisjes mochten niet langer dan tot 18 jaar en Jongens tot 19 jaar in het huis blijven. Ook kregen deze jongeren Godsdienst onderricht met de bedoeling voor hun vertrek belijdenis te doen. Voorts was het de bedoeling om kinderen en oude lieden naar de zelfde smaak te kleden en alle kleren te merken met een D (diaconiearmen) en voor de algemene armen een A.

Vader en moeder van het armhuis, die de dagelijkse werkzaamheden regelde, moesten getrouwd zijn en zonder kleine kinderen. Alle gelamenteerde moesten Zondags tweemaal ter kerke, vader voorop bij de mannen moeder achteraan bij de vrouwen. Op 25 November 1817 zijn de armen in het huis opgenomen en Ds Lorgnion hield daarbij een inwijdingsrede.

De maaltijden bestonden doorgaans uit aardappelen met vet of soep bij aardappelen met vet of mosterdsaus, bonen met vet of soep als afwisseling bij het middag eten. 's Avonds kwam er gekarnde melk met gort op tafel. Het aantal personen welke verzorgd werden bedroeg bij aanvang 61. Eén van de bepalingen die voor de Vader gemaakt werden was dat hij geen toegang had tot de spijskamer. Hij ziet daarin een blijk van wantrouwen en zegt zijn functie op.

Het bestuur zegt echter geen wantrouwen te hebben, doch het overleg brengt geen oplossing. Wel in het bestuur een diep verschil van mening. Bij herbenoeming bedanken een tweetal bestuursleden en een derde stelt een herbenoeming afhankelijk van een al of niet aan te nemen besluit vader toe te laten tot de spijskamer. De vergadering neemt met een meerderheid van stemmen aan dat Vader en Moeder toe te laten tot de spijskamer, waarop het besluit van beëindiging van hun functie intrekken.

Jan Theodoris Bisschop, wonende te Amsterdam doch hier geboren, wil bij overlijden hier begraven worden, Zijn nalatenschap vermaken aan het huis als dank aan de genoten weldaden aan zijn moeder en zuster besteed, terug in Amsterdam zou hij het notarieel regelen, waar bij hij het bestuur opdroeg voor de begrafenis te zorgen en alles wat daarmee in verband zou staan.

In 1832 was al de schuld van het armhuis afgelost en de diaconie onbezwaard eigenaar. Werksters werden bij besluit van vergadering beloond met wel 20cent per week en zij die voor de gehuisveste zaten te naaien ontvingen 10cent. Ook werd er een schoenmaker voor het huis aangesteld Rommert Annes Dijkstra. Drie weeskinderen werden voor 40 gulden ieder voor dat jaar in het huis onder gebracht.

In het zelfde jaar was aan het armhuis een Spinhuis verbonden. De tweede Vader en Moeder waren Jan Jans de Boer en Afke Ales Spiekholt. De eerste moeder overleed in 1834 na 17jaar dienst.

In 1839 moest er bezuinigd worden de gelamenteerde mogen dan alleen 's Morgens bij het ontbijt thee ontvangen en 's Middags koffie voor hen die buitens huis iets verdiende zal een zesde deel ten eigenbaten mogen worden aangewend. In 1850 verzoekt het plaatselijk Nuts departement een kamer voor leesbibliotheek en spaarbank in te richten om meer bekendheid en uitbreiding te aan deze nuttige instelling te geven hiertoe werd besloten.

Datzelfde jaar werd de as en mest hoop bij gesloten briefjes verkocht, enkele mannen uit het huis haalde geregeld het vuilnis op uit de plaats en deponeerde dit in het Achterom de opbrengst kwam te goede aan het armhuis. Bij de inrichting in 1817 werd een klomp en stoelen mattenmakerij op gericht en daar naast een touwpluizerij.

Herinneringen aan het vroegere armhuis. 2

In veel plaatsen in Friesland stonden indertijd armhuizen en ook Lemmer was een dergelijke inrichting rijk. Het stond in het Achterom, waar Later F. Hornstra heeft gewoond en een werkplaats heeft gehad. Mensen die zich niet meer konden redden wegens ouderdom en gebrek aan inkomsten, maar ook zij die geestelijk minder bedeeld waren en daar door in het dagelijks leven bleven steken, werden in deze huizen onder gebracht.

Aan het hoofd van zo'n armhuis stonden meestal een vader en een moeder, dat waren meestal mensen die van begeleiding niet veel af wisten., al waren er ook wel bij die aan de bewoners een even goede begeleiding gaven als de heden daagse maatschappelijk werker. Wij woonde naast het Lemster armhuis, en als jongen kende ik verscheiden van deze mensen. Het waren wel meest simpele zielen, maar toch niet uit het dorpsbeeld weg te denken.

Daar was bijvoorbeeld Jan Slootheer, een vijftiger, die bij de reiniging werkte. Een andere inwoner van het armhuis was Hielke, afkomstig uit Gaasterland. Hij hoestte hier elke dag, maar als hij weer op de zandgrond was, was de kwaal verdwenen. Dan was er Andries, een goedige vent. Vlakbij het armhuis, in het pakhuis waar ik Later vis bakte, had Bartele Ester een opslag van talhout voor de wal liggen, maar er waren geen mensen om het te lossen. Hij vroeg aan Andries of die de volgende dag kon helpen lossen. Andries wilde wel maar voegde er aan toe, ik denk dat ik morgen ziek ben.

Aan Lammert vroegen we altijd wat voor weer het zou worden, Hij had altijd een vast antwoord we kunnen wel regen krieg'n, maar het ken ook wel overdriev'n. Feije was iemand die nog al gauw kwaad werd. Het gevolg was dat wij hem als jongens hem nog al eens plaagde. Als Jan Bergsma en ik hem voorbij liepen zeiden we goed luid tegen elkaar, ik heb van middag een heel groot stuk spek gehad. Als Feije dat hoorde riep hij spek koolraap zul je bedoelen, hij had nog gelijk ook.

De vader en moeder waren niet gemakkelijk, en als kinderen liepen we hen ook voorbij zonder op te zien voorbij. Van de vrouwen uit het armhuis kende we niet veel, ze kwamen niet zoveel op straat, en hadden hun onderkomen meestal achter in het gebouw. In het armhuis was ook een bibliotheek gevestigd waar je door een schuifraam boeken kon huren.

Bij dit raampje begon Later de oproer van het Achterom. Verder was er nog een klas voor jongelingsvereniging, en achter was een kamer, waar Later de zusters Kolk woonden, mensen die altijd bij een ander aan het werk waren. Bij het armhuis hoorde een grote bleek, die er keurig verzorgd bij lag.

In de loop van de jaren en voor al na de tweede wereldoorlog veranderde er veel, de mensen kregen hun eerst uitkering van de noodwet Drees, terwijl er nu via de AOW een goed verzorgde oude dag is. Het armhuis werd op geheven en de woningen opgesplitst. Echt arme mensen zijn er niet meer en met de sanering van het Achterom is ook het armhuis afgebroken. De plaats waar het heeft gestaan, ziet er keurig verzorgd uit.

 

Het Achterom uit de columns van Evert de Vries.

Evert is geboren in het Achterom, het Achterom betekende veel voor hem. Toen hij zijn laatste weken in het ziekenhuis moest doorbrengen, leefde hij in gedachten nog in dat straatje. " ik wol wer nei it Achterom, dêr fiel ik my feilich" kreeg ik (zijn zoon Johannes de Vries) vaak te horen.   

Aan de Spinhuispolle woonde Wiebe Feenstra, in de volksmond Wiebe van Kaat. Hun zoon Jan - voor ons als jongens Jan van Kaat- vond op straat een jonge kraai die uit het nest was gevallen. Die ging mee naar huis waar ze hem voerden met brood en kaas. Hij groeide snel en leerde allerlei kunstjes. Jan werkte bij blokmaker Jan de Vries aan de Vissersburen en als 's middags om twaalf uur de houtzaagmolen de sirene laat loeien voor het middageten dan zat de kraai op stok van de drooglijn. De arbeiders kwamen dan in grote groepen langs de Vissersburen. Als ze onderweg waren en Jan riep "Ka" dan vloog de kraai over de Lemster Rien en tussen al die mensen kwam hij dan bij Jan terecht. Hij ging op zijn schouder zitten en ging mee over de brug, door het Achterom en zo naar huis. Dat duurde net zo lang tot hij goed kon vliegen en met zijn soortgenoten verdween.

Vrijdag trof ik bij de brug Andries, een zoon van Jan Bergsma. We kregen al gauw een gesprek over zijn familie. Wij woonden naast elkaar, moesten door dezelfde deur naar binnen; in de gang ging Jan links en ik rechts de kamerdeur binnen. Andries werd naar zijn Oom vernoemd, en deze vertelde mij eens dat hij Later bij zijn overlijden Andries als zijn erfgenaam zou bedenken. Ik vroeg hoe dat afgelopen was " Best", ik heb een zak vol bierdoppen geërfd. Het is koud en ik ga weer naar huis, en bedenk dat de kinderen van Jan best terecht zijn gekomen.

Dat blikte mij verder in de tijd terug, Als je in de haringtijd 's Zondagsmorgens door het Achterom en de Spinhuispolle liep zag je de vrouwen met een stoel tegen de muur staan, met een tobbe vol kleren, druk aan de was. 's Maandags moesten die kleren weer aan want de meeste hadden maar één werkpak. Ik zie hun nog staan: de mouwen opgestroopt, bij het stap in de Rien om de kleren uit te spoelen en ondertussen het hoogst lied zingend. Hoe stond het er toen voor? laten we eens beginnen met de was van de huisvrouw. Vroeger werd er een zware ketel op het vuur getild en verspreid zich een onaangename, prikkelende geur van chloor door het huis. Voor het drogen werd gebruik gemaakt van bleek en zolder. Ook kwam de waslijn in de huiskamer en als de wind zuidwest was werd er gedroogd aan een lijn op de haven. Was de wind noord dan rookten de rokerijen, en drong de rook in de kleren.

Terug naar de oude tijden, daartoe nodig ik uit om eens mee te lopen naar Spinhuispolle 1 waar mijn vader en moeder en wij met 9 kinderen woonden, twee kinderen waren ongeveer een en twee jaar oud, in dezelfde week overleden aan de mazelen, anders waren we met ons elven als kinderen geweest..  We doen de buitendeur open en komen in de gang. Voorin ligt een matje waarop een paar of acht klompen staan. Aan de muur hangt een trap. Dan volgen twee deuren. Als we de eerst daarvan openen, zien we de tobben en emmers die daarin bewaard worden. Ze drijven nu in de kelder heen en weer. Zulk weer met veel regen als we de laatste dagen hadden, was er toen natuurlijk ook vaak en dan stonden de kelders blank door het water. Door de andere deur komen we in de keuken. Links staan twee rommelkasten en een kachel waar het eten op wordt gekookt met een tafel en twee stoelen. Er is nog een deur als we die open doen komen we in een hokje waarin de regenwaterbak staat. In dat hokje is nog een deur, daardoor komen de buren in dit geval Bram de Jong, (Bram Teut? ) om water uit diezelfde bak te halen. In de gang hangen we de trap aan een ijzer dat aan de zolder is vastgespijkerd en lopen naar boven waar een lijn is gespannen om, als het regent, de was aan te drogen. Er zijn twee bedsteden, in de eerste slapen wij, de oudste jongens, met zijn drieën. In de andere hangen zondagse kleren en in een hoek hangen nog wat spieringnetten.

We gaan naar beneden en doen de kamerdeur open. De kamer heeft een grote van vier bij vier meter. Op de vloer liggen een mat en een vijftal kleedjes. Tussen de beide ramen is een stukje muur waar de tafel tegen aanstaat. Op een kleedje staat een theeblad met kopjes, suikerpot, melkkannetje, en daarnaast een theelichtje. In de la van de tafel vind men van alles voor het breien en stoppen van kousen . Boven de tafel hangt een petroleumlamp. Op de vensterbank staan wat planten. Onder de schoorsteenmantel staat de kachel. Als met het aanzetten van de kachel de wind uit de verkeerd hoek blaast komt de kamer vol rook te staan. Voor de schoorsteen hangt een grote spiegel met een turfbak eronder. Naast de schoorsteen staat een klerenkast met daarin ook een busje met huishoud geld. Daar zit alles in wat onze ouders bezitten en dat is weinig. Dan komen we bij de bedstee waarin de meisjes met hun drieën slapen. Er naast is een porseleinenkast, ook zo goed als leeg. Dan volgt de bedstee van vader en moeder. Het jongste kind sliep bij hen, die daarop volgde sliep in een krib boven het bed. We krijgen nu de oude kast; daar zit ook van alles in wat in tijden van nood gebruikt moet worden. Nu gaan we voor het raam staan waar je door het Achterom tot aan de brug kunt zien. Het eerste gebouw is het armhuis. Wat daarvoor armoede heerst is met geen pen te beschrijven. Ik heb veel met die mensen gesproken. Hele dagen zaten die stumpers een beetje op een stoel te sluimeren en nog zie ik mannen van in de tachtig met een bijltje en een trekhaak naar het werk gaan: steen bikken en straten wieden. Gelukkig is dat verleden tijd.

De sanitaire toestanden in het Achterom waren 80 jaar geleden onder de mensen waar toen veel grote gezinnen woonden, erbarmelijk. Wij woonden met twee gezinnen naast elkaar en hadden buiten een hokje met een ton er in waar zo'n 20 man hun behoefte moesten doen. Die ton werd één keer in de week geleegd. (Nog veel respect voor de mensen die dit onaangename werk deden) Werd hij twee keer in de week geleegd dan koste dat een kwartje en dat konden de meeste mensen niet betalen. Over wat er dan gebeurde hoorde ik in de rokerij het volgende verhaal.

In het Achterom waren veel stegen en de huizen hadden dan meestal een onder- en een bovendeur. Als de vrouwen een buurpraatje maakten dan rusten zij met de armen op die onderdeur, de meeste gekleed in een bonte schort of een rok met een blouse. Er werd niet veel verdiend en overal waar op bezuinigd kon worden werd dat gedaan. Dus ook op het kwartje voor de privaatton. Bij mensen met een groot gezin was die ton nogal vlug vol en dan kwam de po op het appèl. Als die vol was werd hij 's avonds in de Rien geleegd. Zo kwamen op een avond twee vrouwen elkaar tegen met elk een po onder hun bonte schort. Bij het stap werd een praatje over het weer gemaakt en gauw stonden er een stuk of zeven vrouwen met hetzelfde doel, maar wat zij toch een beetje voor elkaar wilden verzwijgen. Tot het een van hun te zwaar werd. Zij haalde de po onder haar schort vandaan en gooide die leeg in het Rien met de woorden " Hwa 't net yt, hwa 't net s....". Toen volgden de anderen ook.

Er waren in de Lemmer, voorzover ik weet nog drie openbare toiletten voor de gaande en de komende man; In het Achterom en aan de Lijnbaan.

Ineens zag ik ook mijn vader weer zoals hij in de kamer stond om leiders te steken en er altijd bij zong. Als het in de zomer te warm was ging hij naar buiten en ging daar verder met het werk en het zingen. Het bedoelde lied ging over een visserzoontje dat naar zee wou. Het begin was ongeveer zo:

Moeder wanneer is het Paasch

Dan ga ik met vader varen

Ik vang dan vis

En ga voor een schuitje varen

Dag Catrien sprak visser Barend

Het is nu tijd, ik ga d'r op uit.

De lucht is blauw, het zicht is helder,

Mooi om te vissen om een goede buit

Dan koop ik een nieuwe schuit.

Volgens het verhaal was de vangst goed maar de lucht betrok en er verschenen regenbogen en water- en windhozen. Onder het binnenhalen van de kor heeft de hoos met regen en wind en een grondzee het schuitje met man en muis de diepte ingetrokken. Aan het eind van het lied luiden dan de klokken. Een dorp in rouw, daar nadert een grote stoet. Het is visser Barend van IJmuiden wiens lijk eerbiedig aan de aarde wordt toevertrouwd.

De dagen worden alweer korter. Je kunt 's avonds niet meer bij daglicht brood eten. In de vele kamers wordt een lichtje aangestoken, Dat is omdat zoveel mensen van schemeren houden. In zulke ogenblikken komt in alle stilte de rust. Vreemd dat een mens dan meestal aan het verleden denkt. Mooi en droevige herinneringen. Bij ons thuis zaten we dan met ons allen in het licht van de lantaarn bij het armhuis dat vlak bij ons stond liedjes te zingen. Het " Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan....." klinkt. Er word op de deur gekopt en vader roept " Wie is daar?" " Zijn er hier ook stoute kindertjes?" wordt er gevraagd. Het antwoord is natuurlijk: " Nee, Sinterklaas!" De deur gaat op een kier open en een hand strooit pepernoten de kamer in. Nog wat lawaai in de gang en als vader geroepen heeft: " Dank je wel Sinterklaas", gaat de buitendeur dicht en gaan wij de pepernoten oprapen. Die komen in een trommeltje en wij krijgen er ieder twee om op te eten. Voor we naar bede gaan wordt er een pet of een schoen onder de schoorsteen gezet. Morgen zit er vast wel een kikker of een muis in.

Tenslotte kwam dan de grote dag. De jongens kregen een pet of een paar sokken met een taai- of suikerman en een prentenboek. Voor de meisjes was er een schort of een jurkje en ook taai, pepernoten of suikergoed. Wat was het dan 's morgens vroeg een feest.

 

Kerstmis 1928.

Wij woonden in het Achterom in een klein huisje, op de hoek van wat wij noemden de Wijde steeg en de Weverswal. Voor de deur was een houten bankje van twee treden in plaats van een stoep. Als je naar binnen ging, kwam je in een smalle gang met in de zijkant een deur naar het woonkamertje waarin twee bedsteden waren. Achter in de gang was nog een klein hokje waarin je eten kon koken. Daarin stond ook een grote ton voor het regenwater want waterleiding was er niet. Er was ook geen w.c. en evenmin elektrisch licht. Als je naar de w.c. ging, moest je eerst een stukje langs de Rien, dan kwam je in een smal steegje, daarin stonden 3 houten hûskes" met een ton erin. Het is maar goed dat deze toestanden nu niet meer bestaan al was de saamhorigheid onder de mensen toen veel groter. Maar laten we terugkeren naar het kerstfeest. Die morgen had ik voor moeder een pond meel en een fles raapolie gehaald in de winkel ( helemaal rechts 1e stoepje naast het volkslogement) van Margje van Christiaan de Vries( noot van Roelie in het winkeltje van Margje  hebben wij met ons gezin gewoond) die recht voor de ingang van de wijde steeg stond. Ik kan deze winkel nog zo voor mij krijgen met de koperen bel aan de deur en op de toonbank de grote koffiemolen waarin Margje de onsjes koffie maalde en in een puntzak deed. Ook de suiker en de andere boodschappen werden meestal per ons en per half ons verkocht, want geld was er meestal niet.

In de winter werd vaak op de pof gehaald. Borgen noemden wij dat; als er dan in de zomer weer wat verdiend werd, moest dat weer worden afbetaald, zodat je nooit een stap verder kwam. Vader had in de namiddag oliebollen gebakken en moeder bracht een bord vol naar buurvrouw Akke en buurman Sake die met hun zoon Jelle ( Witte Jelle?) tegenover ons woonden, Jelle was net zo oud als moeder. Ze hadden ook een hond, wit en zwart gevlekt en met krullig haar, die Schipper hete.

Zo zaten wij met die kerstavond gezellig bij elkaar. De hekjeskachel roodgloeiend en een pan met chocolademelk erop . Af en toe kregen we een kommetje melk en een oliebol. Op de tafel stonden 3 schoteltjes met elk een brandend kaarsje erin, dat was onze kerstboom. Tegen acht uur zette moeder de bedstee deurtjes open, dan kon de warmte van de kachel daar mooi intrekken. Als wij daar dan zo bij elkaar zaten zongen vader en moeder vaak een mooi oud Kerstlied wat ik later nergens meer gehoord heb.

Dit lied was als volgt: (klik om te luisteren) Johnny Jordaan - Bibberend loopt langs de straten  (Het eerste couplet werd niet gezongen door Johnny Jordaan) !!

 

Kerstlied


Snerpend loeit de storm daar buiten
Langs de wit besneeuwde aard’
Achter wit bevroren ruiten
Zit een elk bij ‘t knappend vuur der haard
En de kind’ren zingen blij hun liedjes
Om de kerstboom, vol van schitterlicht
En de schoonste kerstmelodietjes
Worden vroom ten hemel steeds gericht
‘Stille nacht, heilige nacht’
Heden is ‘t kerstkind geboren
Herdertjes zacht houden de wacht
Kindje van Bethlemem, sluimer, slaap zacht

Bibberend loopt er langs de straten
Een arme bedelknaap nog rond
Al de wegen zijn verlaten
Niemand waagt zich buiten, zelfs geen hond
Koude sneeuw dringt door z’n lekke klompen
En zijn lege maag die vraagt om brood
En de gure wind snijdt door z’n lompen
Grote tranen flonkeren in z’n oog
‘Stille nacht, heilige nacht’
Richt hij zich smekend ten hemel
En vraagt aan u: “God, laat me nu
Kerstfeest met de engeltjes vieren bij U”

Hong’rend, uitgeput van’t lijden
Valt hij op een stoep terneer
En hij hoort de kinders blijde
Binnen ‘n kerstlied zingen tot de Heer
Zijn bevroren handjes vroom gevouwen
Slaapt hij in en God verhoort hem daar
Als we ’s morgensvroeg het lijkje aanschouwen
Viert hij ‘t Kerstfeest bij de eng’lenschaar
‘Stille nacht, heilige nacht
Gloria in excelsis deo’
Schooiertje klein, zal vol festijn
Eeuwig hier boven bij ‘t Kerstkindje zijn

 

Vader kwam nooit in de kerk maar dat dit zong hij vol overgave mee. Veel ouderen zullen zich dit lied nog wel herinneren . Het zou jammer zijn als het verloren ging, vooral ook om zijn mooie melodie. In deze tijd past het niet meer, maar het sprak mij toen erg aan, vooral omdat ik zelf enkele dagen met lekke klompen gelopen had. Gelukkig had moeder nieuwe voor me gehaald bij  Bernard Hulscher in de Schans voor 40 cent. Met de boodschap erbij er niet mee te voetballen, want je krijgt geen nieuw meer. Zo hadden we toch een mooie Kerstavond en tevreden en met diep medelijden met het schooiertje gingen we naar bed

Andries ?

 

In een Zuid-Friesland van 9 December 1981 kwam ik een leuk stukje tegen van de hand van wijlen Teade Wouda. Het is een verhaal uit het begin van de dertiger jaren dat ik zo vrij ben om hier over te nemen. 'Er werd op een Zondagmiddag een belangrijke voetbalwedstrijd in Sneek gespeeld. Schoenmaker Jenne Dijkstra, Marten Vleer, Jaap Zwart en ik zouden daar op de fiets heen, maar het weer was niet zo best. Nu had Jenne net zijn rijbewijs gehaald. Er werd besloten om het voor velen nog bekende Fordje van Meerding te huren.  's Middags om 1 uur tuften wij uit Lemmer en in Follega reed Hidde Visser ons voorbij. Die was al weer op weg naar een groot werk ergens in Nederland . Deze aannemers voerden toen vele werken uit in Nederland. Hidde was een 'bitûfte' chauffeur en het was voor Jenne één van zijn eerste ritten. 'Dou litst dy troch Hidde Visser dochs net in piek sette, traepje him op syn sturt', zeiden wij tegen Jenne. Op hetzelfde moment nam het Fordje een grote sprong. Visser gaf ook meer gas en wij suisden langs de leuningen van de smalle brug bij Spannenburg en vlogen toen bijna uit de bocht. Wij konden Hidde echter niet te pakken krijgen, maar toen hij voor de kerkgangers in Jutrijp-Hommerts moest stoppen, reden we hem met zegevierende gezichten voorbij. Wij beseften niet dat wij nauwelijks aan de dood waren ontkomen, zoals wij later hoorden.

Hidde Visser vertelde later aan Jaap zijn vader: 'Ik reed de jongens in Follega voorbij en ik gaf meer gas om te voorkomen dat zij mij in een drieste bui zouden inhalen, want ik wist dat Jenne net zijn rijbewijs had gehaald. Bij Spannenburg dacht ik: dit gaat mis want zij vlogen vervaarlijk over de brug en moesten in de bocht hard remmen. Ik dacht: nu zullen ze wel wat langzamer rijden, maar bij Woudsend hadden ze mij alweer te pakken en toen heb ik ze bij Jutrijp-Hommerts maar laten gaan.' Wij zijn toen door Jaap Zwart zijn vader op het onverantwoordelijk rijden gewezen en dat ons leven aan een zijden draad had gehangen.' 

Johannes de Vries.

 

De Schans, het Achterom en tussengelegen gebieden in het begin van deze eeuw.

Wij woonden tot mijn zevende jaar in de Heintjehoeksteeg. Als dan zondagsmiddags tegen enen de cafés leeg liepen omdat er dan gegeten moest worden, kwamen de gasten die in het Achterom woonden voor ons huis langs. Als je vroeger als klein kind de straat niet op mocht werd er een hekje tussen de deurposten geschoven en dan kon het kind toch naar buiten kijken. Op een keer, ik was toen drie jaar oud, en daar komt pake Ferdinand (Meinzes de Vries) aan in een opgewekte bui. Hij was een leuke prater en goedlachs. Hij ziet me staan, komt naar mij toe en zegt, geef ons pake eens een handje. Het middag eten stond op tafel, hij ruikt het zeker, stapt over het hekje heen en gaat bij de tafel zitten en pake Ferdinand at mee. Ik weet zelfs nog dat we snijboontjes met runderlapjes aten.

Hij woonde toen in de steeg tussen bakker Douma en Gerrit Visser, de hofmeester van de nachtboot. Aan de linkerkant achter Visser woonden toen Bloem van de helling, dan pake Sake en oate Jette, daar naast Nicolaas en zwarte Foek, dan pake Ferdinand, dan weer een Visser met een ringbaard, dan rooie Jansje en zwarte Hendrik aan het Achterom. Ze hielde toen blijkbaar wel van kleurige benaming. Dan had je achter Douma wonen oude Willem de Jong (bijnaam Pippie) die had een soort logement. Dan Jacob Tijsseling en daar naast Hielke Atsma en Johanna de Freule. Dat was een vrolijke oude tante. Ze had altijd een goed humeur en danste soms van vrolijkheid met de hand boven haar hoofd en één aan haar achterwerk, en dan knipte ze met haar vingers en riep "Sjanselawie". Wat het betekend weet ik niet, maar het was een uiting van blijdschap.

In de Heintjeshoeksteeg was vooraan het café van Jensje Knol. Ik denk dat Jensje Knol in 1904 is overleden en hij lag opgebaard in de kamer tegenover ons huis en daar stonden van die hoge groenen glazen vazen voor het raam met bloembollen er op. Eigenaardig dat je dat na 70 jaar nog voor je ziet. Jensje Knol was de eerste overledene die ik gezien heb en ik vond het een gebeuren wat ik gewoon aanvaarde. Hij had een vrij lange baard. Ik zie nog die zwarte baar staan voor het café op de dag van de begrafenis. Het pand met tuin liep de richting Achterom door, tot het huis waar Wietse Postma en Zwarte Ant woonden.

Wietse was beroepsjager en Antje had en zocht klanten voor geschoten wild, eenden enz. 's Winters zag je hem met een grote ganzenroer (Ganzenroer. 19e eeuw. Zgn. 'vletbuks' of 'punt gun'. Achtkantige, in rond overgaande gladde loop) lopen, als er ijs en sneeuw was in een wit pak om de ganzen en zwanen te benaderen. Hij liep wel ver voorbij Tacozeil naar de zwanenbank. Hij ging 's winters ook wel op otters jagen op het Tjeukermeer en had dan een zgn. otterpiek waarop het eind een vlijmscherpe punt met weerhaken, die was gestoken in een kurk voor bescherming. Wietse was een verwoede pijproker, toen hij ouder werd moest hij veel hoesten. Dokter Nouta verbood hem het roken, maar Wietse zei, dan maar dood dokter, maar ik blijf roken en dat heeft hij tot zijn laatste ademtocht gedaan. Zo is haast aan elk huis een verhaal verbonden.

Aan de andere kant van de steeg aan de Schans woonde toen Weduwe Klein, die had een kruideniers winkel, maar het was er niet erg druk. Juf Roefstra van de bewaarschool woonde in de voorkamer. De concurrentie in de kruideniersbranche begon al een beetje, want Joost de Vries had aan de Schans een voor die tijd grote winkel geopend, met aan twee kanten een toonbank, dat was in 1904 of 1905 dat er was verbouwd, en ik er weer voor het eerst heen moest voor een boodschap. Ik vond het wel een beetje eng, want alles was veranderd. Er was een bediende in een witte jas en dat was een de Jong. Naar ik meen woonde die in het zgn. Paleis aan de Langestreek.

Ik zie nog de schilder bezig op de brede kozijnen naast de deur want daar maakte hij met een eendenpoot, waaruit een pees hing zwarte en rode stippen op de crème ondergrond. Aan de ene kant van de winkel woonde Jan de Blauw, en aan de andere kant was naar ik meen, de kleermakerij van Molenberg.

We gaan weer naar de steeg, achter weduwe Klein woonde Japie van Kleis en Klaske. Japie Visser is meen ik overleden op 95 jarige leeftijd. Van Japie alleen kan ik wel een krant vol vertellen. Toen ik een paar jaar geleden in Lemmer was, zat Japie aan het B.K. Plein v.h. Bakkershoek. Ik ga naast hem zitten en zeg, zie je wel wie ik ben?. Hij kijkt mij aan met zijn scherpe ogen en zegt de oudste van Manus. M'n naam was hij vergeten. Japie had een houten aakje dat in het blik zat, overgeijzerd zoals het  genoemd werd, was altijd roze in de verf en had Nr. LE 48.

Jaap was klein van stuk, maar hij was een venijnig mannetje en was voor de grootste kerel niet bang. Zijn vrouw Klaske kwam van Balk. Op een keer komt Jaap thuis van zee en vindt de deur op slot. Klaske was naar Balk, misschien wel plotseling door ziekte. Maar dat nam Japie niet, de deur van het café van moeke Knol was schuin tegenover het huis van Japie, en hij ging van balorigheid maar wat borrels drinken. Even later springt hij achterstevoren dwars door het raam heen en slaat alles kort en klein. Ik hield er een doos vol mooie kruizemunten aan over van het kapotte servicegoed.

Dan volgde Marten en Aal. Marten werkte altijd bij het laden en lossen van de Lemmer nachtboot. Zijn roepnaam was "mannetje met de kluts". Dan wij, en er naast het huis van Cornelia Platte. Ze had verlamde benen en kwam nooit buiten. Van haar drie zoons werkte er twee in de Rokerij. Harmen was de kok, hij deed de huishouding en ging zondags lopend naar Oosterzee ter kerke. Dan woonde daar Gauke Bootsma en Maaike met een groot gezin en dan Age en Aukje. Je ziet dat er in zo'n steeg heel wat lief en leed werd gedeeld en doorgaans meer leed dan lief.

Ik had het al over cafébezoek op zondagmorgen, dan was het daar altijd druk. Daar had je Minke Vegter bij de brug, nu naast Molenbergs textielzaak, Moeke Knol en in de bovenschans Boukje Meijer alle drie weduwen. Het zwakke geslacht bleek toen al sterk. Zoals ik al zei de cafés liepen tegen etens tijd leeg en de meeste mannen waren dan goed geluimd. Ik stond weer eens voor het hekje en daar komt Sake Visser voorbij, ik zeg "Dag Sake de Rus" hij kijkt mij aan met een paar taxerende ogen (van wie durft mij bij mijn bijnaam te noemen), en ik wordt nog te licht bevonden, anders was ik ook nog niet jarig geweest.

Ook in die tijd een bekende figuur was Sake Bergsma, grote Sake genoemd. Op een zondagmiddag komt Sake uit het café door het Achterom en daar staat Jansje van zwarte Henderik in de deur. Sake was in een lollige bui en pakt jansje om de middel en maakt met de tegenstribbelende Jansje zingend een rondedans.

In de steeg van Douma woonde Hielke de freule. Hielke werkte in het huis van Marcus Davidson, handelaar in afvalproducten en antiek, die aan de Nieuwedijk woonde. Als er van een boer in de omtrek een paard was gestorven. Haalde Marcus het paard op en werd het gevild om de huid. Zo was er weer eens een paard, wat nog goed vers was en daar had Hielke grote stukken vlees van de billen gesneden, en mee naar huis genomen. Maar Johanna had het in het vuilnisvat gegooid, want die vertrouwde het niet meer. Afijn Hielke komt uit het café, hij lustte wel wat hartigs en begon te roepen: Hwer binne myn kluten hynsterfleis, hwer 'k ham fan meitsje woe, en Johanna riep terug: Se lizze al lang yn it jiskefet, gjin mins dy't frette woe.

Wat later, we woonde al op de Weverswal, lag schipper Hof, die met zijn beurtschip op Leeuwarden voer, oud ijzer te laden van Heijman Jacobs, die had het pakhuis ook achter zijn woonhuis aan het Achterom en hij ging er altijd met de hondenkar op uit om van alles op te kopen waar maar brood in zat, z'n vrouw hete Duifje en had een zoon en twee dochters. De zoon was al jong uit Lemmer, en was geloof ik commies dochter Mette was huishoudster bij Klaas de Rook op de Visserburen. De andere dochter was naar ik meen wijkzuster in Oosterzee en omstreken en ik meen dat er naar haar een straat is vernoemd in Echtenerbrug.


 

| 1 | 2 |

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.