|
Bewoners en verhalen van het Achterom
|
1
|
2
|


Een foto van
het personeel van Johannes Sterk. Boven zien we v.l.n.r.
Petrus de Lange, Iemkje en Akke Jongsma, Jeltje van der
Veen, Janna de Vries en Klaas Jongsma. De laatste met dissel
voor het dichtmaken van de vaten. Op de tweede rij Antoon
Huisman, Steven Sterk, Ferdinant de Vries, Jolt de Hei, Anne
de Lange, en Johannes Sterk. Op de voorste rij zitten bewoner van het Achterom, Andries Bergsma
( met speet
bokking) en Berend?. Tussen hun ligt een pak stokvis. Op de
linkerkant pakken met plankjes die gebruikt werden voor het
dichttimmeren van de kistjes. Ook werden hier in slappe
tijden wel hele kistjes van getimmerd.
Andries
Bergsma, een opvallende Lemster.
Door Johannes de Vries.
Een
kleurrijk figuur in Lemmer was Andries Bergsma.
In Lemmer beter bekend als ‘Reade Okke’. Een man
die levenslang vrijgezel gebleven is. Hij woonde
alleen en leefde op zijn eigen manier. Niemand
tot last. Andries was een man die, als er werk
was, alles aanpakte. Naar ik mij herinner werkte
hij vaak bij het lossen en laden van schepen. In
het werk stond hij zijn mannetje; hij was niet
iemand die zijn collega’s voor het zware werk
liet opdraaien. Veel Lemster hadden niet zo’n
hoge dunk van hem. Die kenden hem het beste van
zijn altijd durende dorst. Hij dronk vrij veel
en ook vrij geregeld wat te veel. Maar daar deed
hij niemand anders dan zichzelf tekort mee. Hij
had een vrolijke dronk over zich en liep dan
zingend door Lemmer.
Persoonlijk
heb ik een heel andere kant van hem leren
kennen. Hij was voor zijn brood altijd klant bij
collega bakker Haveman. Toen die zijn winkel
sloot was Andries in paniek. ‘Wer moat ik nou
hinne frou’, vroeg hij vrouw Haveman. ‘Gean mar
nei Evert – dat was mijn vader – ik bepraat it
wol’, zei vrouw Haveman. Zij vertelde mij dat
Andries, die altijd zoals wij het hier zeggen,
‘pine yn é bûse’ had (altijd platzak was) een
maand lang alles wat hij kocht liet opschrijven.
Als hij dan zijn AOW ontving kwam hij om te
betalen. Zo ging het voortaan bij ons ook.
Ongeveer een week voor de uitbetaling gaf hij
wat ik dan noemde het tien minuten schot. Zoals
bij het skûtsjesilen ook twee keer geschoten
wordt voordat het aan het startschot toe is. Een
keer tien en een keer vijf minuten. Dat tien
minuten schot was dan bij Andries een
waarschuwing dat mijn moeder de rekening moest
optellen. Een paar dagen Later vroeg hij of het
al opgeteld was, het vijf minuten schot. Als de
grote dag dan kwam was hij ’s morgens al heel
vroeg bij de achterdeur van het postkantoor. Om
te vragen of zijn geld al binnen was. Meteen als
het kantoor open was haalde hij zijn geld op en
liep rechtstreeks door naar ons om te betalen.
Alle keren
gaf hij wat extra’s. Als het ƒ 19.50 was zei
hij: ‘Rekkenje mar f 20.00’ (Maak er maar 20
van). Of hoe het maar uitkwam. Wij zijn dan ook
nooit een cent aan hem tekort gekomen. Toen hij
overleden was kwam een nicht van hem die hem
altijd wat steunde om wat er nog open stond van
de lopende maand te betalen. Andries is op een
rare manier aan zijn einde gekomen. Hier op de
Nieuwburen werd hij aangereden. Ik meen dat hij
nog een paar dagen geleefd heeft. Maar die
aanrijding is in ieder geval zijn dood geworden.
Bergsma was wel een man met humor. Vaak was het
wel een wrange humor. Misschien ook wel om
zichzelf te beschermen. Hij was nogal
emotioneel. Dat moest iemand anders niet weten
en dan moest dat wel eens op een beetje ruwe
manier verborgen blijven.
Op een dag
werd één van zijn vrienden uit het café
begraven. Het was in de tijd dat de bieten
werden binnengehaald. Wagens vol bietenkoppen
werden door de boeren uit de Noordoostpolder
gehaald. Zij reden daar dan mee door Lemmer.
Meteen na de begrafenisstoet reed zo’n wagen met
groen. ‘Hy hat wol blommen’ (Hij heeft wel veel
bloemen) was het commentaar van Andries die aan
de kant stond te kijken. Zoiets zeg je
gemakkelijker dan woorden van medeleven of
gedenken. Andries heeft zijn hele leven in
Lemmer gewoond. Hij hield van ons dorp. Net als
alle geboren Lemsters. Toen iemand tegen hem
zei: ‘Wat is it hjir moai op ‘e Lemmer’ (Wat is
het toch mooi in Lemmer) was zijn antwoord: ‘Ik
kin wol skrieme as ik der oan tink dat ik hjir
in kear wei moat’.(Ik kan wel huilen als ik er
aan denk dat ik hier eens weg moet)
Met
Sinterklaas was er sjoelen en balgooien in het
café van Piet van der Werf. Andries hoorde daar
tot de stamgasten. Als vaste klant hielp hij
daar dan ook bij. Er was dan ook een soort
loterij. Als hij de winnende loten trok riep hij
af en toe als winnaar ‘Menear Ant. út
Ychten’.(Mijnheer Ant. uit Echten) Die was er
natuurlijk niet en de prijs werd dan eerst aan
kant gelegd. Zo bleef er dan voor de medewerkers
aan het eind van de avond ook nog wat te eten en
te drinken over.
Oproer.
Het
was in de herfst. Het avondeten was op.
De kinderen in het Achterom mogen tot
half acht bij de deur nog wat spelletjes
doen, daarna is het bedtijd. De grotere
jongens van zo'n jaar of vijftien
stonden wat verderop in het Achterom bij
elkaar. In het armenhuis was ook een
bibliotheek. Er was een loket in de muur
waar men boeken kon halen voor een paar
centen per week. Die grote jongens
hadden de gewoonte om aan te kloppen en
om boeken te vragen. Als die boeken dan
klaar lagen, draafden de jongens weg.
Dat ging zo een paar weken door, totdat
er op een bewuste avond weer werd
gevraagd om het boek "Recht door zee".
Op dat moment kwam Ostende, de
politieagent te voorschijn en begon er
op in te slaan. Hij raakte daarbij een
jongen, die uit de hang kwam, flink. Een
paar vrouwen, die dat zagen, werden zo
kwaad, dat zij Ostende met bezems en
puthaken te lijf gingen. De politieagent
vluchtte het armhuis in. Bij de brug
hoorde men wat er in het Achterom aan de
hand was en in een ommezien was het
zwart van de mensen rondom het armhuis.
De politieagent durfde niet naar buiten
te komen, want hij hoorde de
bedreigingen wel.
Intussen had de andere politieman in
Lemmer gehoord wat er bij het armhuis
gebeurde en even later kwamen politie
Visser en zijn zoon het Achterom in.
Visser zag wel dat de toestand erg
kritiek was. Hij ging terug om hulp te
halen en kwam terug met één van de leden
van de gemeenteraad. Deze sprak de
menigte toe en wist het zo ver te
krijgen dat men Ostende ongedeerd liet.
Het volk ging uiteen en ieder ging weer
huiswaarts, waarmee een einde was
gekomen aan het oproer in het Achterom.
Het was een paar jaar later dat Evert de
Vries lopende van IJmuiden was gekomen
en dat hij met de Velserpont het
Noorzeekanaal over stak. "Daar zag ik
een bekend figuur. Wel twee meter lang.
Het was de vroegere politieagent
Ostende. Hij vertelde mij dat hij
inmiddels oppasser was geworden op de
Velserpont. Even hebben wij het over
Lemmer gehad. "De Lemsters hebben een
grote mond, maar een klein hartje", zei
hij, waar hij nog aan toevoegde: "Toch
mag ik ze wel".
Spinhuispolle.
Op
de Spinhuispolle woonde Dirk Bijlsma met
vrouw en vier jongens, Marten, Jentje,
Jaap en Sjoerd. Het was niet ruim met de
verdiensten want om een gezin van zes
mensen van eten te voorzien viel niet
mee voor één man. Bijlsma moest met
vissen zijn gezin door de tijd heen
helpen. Hij had een roeiboot. Als het
mooi weer was, viste hij op zee en
anders binnen, maar altijd met hoekwant.
Daarvoor moest hij aas hebben. Dat waren
wormen, die hij 's avonds met een
lantaarn zocht. Evert de Vries verteld:
"Wij als buurjongens waren dan graag bij
hem, want hij vertelde ons de mooiste
verhalen. Zo gebeurde het op een avond....
Lees verder voor Jentje
Iets over de
Lemster familie Visser van Jaap van der
Zwaag

Februari 1871.
Het Achterom.
A.E. Klijnsma.
Herinneringen aan het vroegere
armhuis. 1
Hier in werden de besluiten
vastgelegd over beheer,
verpleging en opname van de
kleine man. Tevens geeft dit
boek een indruk van het leven in
dit huis. ook is het een spiegel
van hoe het in de jaren reilde
en zeilde in de toenmalige
maatschappij. Het was hard
werken als er iets te verdienen
viel en men geen invalide was.
De mannen waren doorgaans goed
voor de klusjes: alles was van
hun gading, doch het leven zal
zwaar geweest zijn, want de
armoede vierde hoogtij, niet
alleen voor hen die verpleging
genoten, ook voor de man die een
gezin had te verzorgen.
Het waren zeer moeilijke tijden,
vooral de eerste jaren na de
Franse overheersing. Zoals de
oudere onder ons zich nog wel
kunnen herinneren stond het
armhuis in het Achterom, bij de
Spinhuispolle, slechts enkele
jaren geleden is het af
gebroken. Ik weet niet waneer
dit pand als armhuis werd op
geheven, het heeft nog jaren
dienst gedaan als vergaderruimte
en tevens voor een paar gezinnen
als woonstee.
Na een vergelijking van de
toestanden toen en nu (1973)
gaat Kleinsma verder, het
armhuis in het Achterom werd in
1817 gebouwd. Het werd op 14
november van dat jaar in gebruik
genomen. Er werden obligaties
uit gegeven tot een bedrag van ƒ
9700,- de totale kosten van het
oude gebouw waren ƒ 1200,- zodat
met de bouw en overname een
bedrag van ƒ 10.900,- was
gemoeid. Tot regenten werden
benoemd Nanne Jurjens de Rook.
Jan Mizes en Johannes Hanzes.
Tot regentessen Tetje Sjoerds
Stapert, huisvrouw van R.
Sleeswijk. Dirkje Hendriks,
weduwe van Tjeerd Ages. En
Trijntje Westra huisvrouw van
Jouwerd Sijbrens Stapert. Deze
werden op 5 mei 1817 benoemd.
Voorts maakte deel van het
bestuur uit drie diakens en drie
diakenvrouwen, welk college
eenmaal per week bijeen kwam. De
vergaderingen brachten geen
kosten met zich mee, alleen vuur
en licht werden vergoed. Art. 6
van het reglement hield in, de
belangen van het huis te
bespreken, klachten aan te
horen, de onwillige door gepaste
straffen te beteugelen en
vlijtige en brave kinderen door
kleine beloningen aan te
moedigen, terwijl ook het
toezicht op het onderwijs in de
armenschool werd toegepast.
Op 12 Mei 1817 werden tot Vader
en Moeder benoemd Sijbren Sijbes
Visser en zijn vrouw Antje J.
Koster op een jaar traktement
van ƒ 175,- met vrije armenkost
en 's middags en 's morgens
thee. Een tijdelijk inwonende
zoon werd huisvesting verleend
tegen een kostgeld van 26
stuivers. Jongelieden ontvingen
een opleiding tot een eerlijk
bestaan en leerde zo gauw
mogelijk lezen en schrijven en
rekenen, al dus een verslag van
een vergadering.
Meisjes mochten niet langer dan
tot 18 jaar en Jongens tot 19
jaar in het huis blijven. Ook
kregen deze jongeren Godsdienst
onderricht met de bedoeling voor
hun vertrek belijdenis te doen.
Voorts was het de bedoeling om
kinderen en oude lieden naar de
zelfde smaak te kleden en alle
kleren te merken met een D
(diaconiearmen) en voor de
algemene armen een A.
Vader en moeder van het armhuis,
die de dagelijkse werkzaamheden
regelde, moesten getrouwd zijn
en zonder kleine kinderen. Alle
gelamenteerde moesten Zondags
tweemaal ter kerke, vader voorop
bij de mannen moeder achteraan
bij de vrouwen. Op 25 November
1817 zijn de armen in het huis
opgenomen en Ds Lorgnion hield
daarbij een inwijdingsrede.
De maaltijden bestonden
doorgaans uit aardappelen met
vet of soep bij aardappelen met
vet of mosterdsaus, bonen met
vet of soep als afwisseling bij
het middag eten. 's Avonds kwam
er gekarnde melk met gort op
tafel. Het aantal personen welke
verzorgd werden bedroeg bij
aanvang 61. Eén van de
bepalingen die voor de Vader
gemaakt werden was dat hij geen
toegang had tot de spijskamer.
Hij ziet daarin een blijk van
wantrouwen en zegt zijn functie
op.
Het bestuur zegt echter geen
wantrouwen te hebben, doch het
overleg brengt geen oplossing.
Wel in het bestuur een diep
verschil van mening. Bij
herbenoeming bedanken een
tweetal bestuursleden en een
derde stelt een herbenoeming
afhankelijk van een al of niet
aan te nemen besluit vader toe
te laten tot de spijskamer. De
vergadering neemt met een
meerderheid van stemmen aan dat
Vader en Moeder toe te laten tot
de spijskamer, waarop het
besluit van beëindiging van hun
functie intrekken.
Jan Theodoris Bisschop, wonende
te Amsterdam doch hier geboren,
wil bij overlijden hier begraven
worden, Zijn nalatenschap
vermaken aan het huis als dank
aan de genoten weldaden aan zijn
moeder en zuster besteed, terug
in Amsterdam zou hij het
notarieel regelen, waar bij hij
het bestuur opdroeg voor de
begrafenis te zorgen en alles
wat daarmee in verband zou
staan.
In 1832 was al de schuld van het
armhuis afgelost en de diaconie
onbezwaard eigenaar. Werksters
werden bij besluit van
vergadering beloond met wel
20cent per week en zij die voor
de gehuisveste zaten te naaien
ontvingen 10cent. Ook werd er
een schoenmaker voor het huis
aangesteld Rommert Annes
Dijkstra. Drie weeskinderen
werden voor 40 gulden ieder voor
dat jaar in het huis onder
gebracht.
In het zelfde jaar was aan het
armhuis een Spinhuis verbonden.
De tweede Vader en Moeder waren
Jan Jans de Boer en Afke Ales
Spiekholt. De eerste moeder
overleed in 1834 na 17jaar
dienst.
In 1839 moest er bezuinigd
worden de gelamenteerde mogen
dan alleen 's Morgens bij het
ontbijt thee ontvangen en 's
Middags koffie voor hen die
buitens huis iets verdiende zal
een zesde deel ten eigenbaten
mogen worden aangewend. In 1850
verzoekt het plaatselijk Nuts
departement een kamer voor
leesbibliotheek en spaarbank in
te richten om meer bekendheid en
uitbreiding te aan deze nuttige
instelling te geven hiertoe werd
besloten.
Datzelfde jaar werd de as en
mest hoop bij gesloten briefjes
verkocht, enkele mannen uit het
huis haalde geregeld het vuilnis
op uit de plaats en deponeerde
dit in het Achterom de opbrengst
kwam te goede aan het armhuis.
Bij de inrichting in 1817 werd
een klomp en stoelen
mattenmakerij op gericht en daar
naast een touwpluizerij.
Herinneringen aan het
vroegere armhuis. 2
In veel plaatsen in
Friesland stonden indertijd
armhuizen en ook Lemmer was
een dergelijke inrichting
rijk. Het stond in het
Achterom, waar Later F.
Hornstra heeft gewoond en
een werkplaats heeft gehad.
Mensen die zich niet meer
konden redden wegens
ouderdom en gebrek aan
inkomsten, maar ook zij die
geestelijk minder bedeeld
waren en daar door in het
dagelijks leven bleven
steken, werden in deze
huizen onder gebracht.
Aan het hoofd van zo'n
armhuis stonden meestal een
vader en een moeder, dat
waren meestal mensen die van
begeleiding niet veel af
wisten., al waren er ook wel
bij die aan de bewoners een
even goede begeleiding gaven
als de heden daagse
maatschappelijk werker. Wij
woonde naast het Lemster
armhuis, en als jongen kende
ik verscheiden van deze
mensen. Het waren wel meest
simpele zielen, maar toch
niet uit het dorpsbeeld weg
te denken.
Daar was bijvoorbeeld Jan
Slootheer, een vijftiger,
die bij de reiniging werkte.
Een andere inwoner van het
armhuis was Hielke,
afkomstig uit Gaasterland.
Hij hoestte hier elke dag,
maar als hij weer op de
zandgrond was, was de kwaal
verdwenen. Dan was er
Andries, een goedige vent.
Vlakbij het armhuis, in het
pakhuis waar ik Later vis
bakte, had Bartele Ester een
opslag van talhout voor de
wal liggen, maar er waren
geen mensen om het te
lossen. Hij vroeg aan
Andries of die de volgende
dag kon helpen lossen.
Andries wilde wel maar
voegde er aan toe, ik denk
dat ik morgen ziek ben.
Aan Lammert vroegen we
altijd wat voor weer het zou
worden, Hij had altijd een
vast antwoord we kunnen wel
regen krieg'n, maar het ken
ook wel overdriev'n. Feije
was iemand die nog al gauw
kwaad werd. Het gevolg was
dat wij hem als jongens hem
nog al eens plaagde. Als Jan
Bergsma en ik hem voorbij
liepen zeiden we goed luid
tegen elkaar, ik heb van
middag een heel groot stuk
spek gehad. Als Feije dat
hoorde riep hij spek
koolraap zul je bedoelen,
hij had nog gelijk ook.
De vader en moeder waren
niet gemakkelijk, en als
kinderen liepen we hen ook
voorbij zonder op te zien
voorbij. Van de vrouwen uit
het armhuis kende we niet
veel, ze kwamen niet zoveel
op straat, en hadden hun
onderkomen meestal achter in
het gebouw. In het armhuis
was ook een bibliotheek
gevestigd waar je door een
schuifraam boeken kon huren.
Bij dit raampje begon Later
de oproer van het Achterom.
Verder was er nog een klas
voor jongelingsvereniging,
en achter was een kamer,
waar Later de zusters Kolk
woonden, mensen die altijd
bij een ander aan het werk
waren. Bij het armhuis
hoorde een grote bleek, die
er keurig verzorgd bij lag.
In de loop van de jaren en
voor al na de tweede
wereldoorlog veranderde er
veel, de mensen kregen hun
eerst uitkering van de
noodwet Drees, terwijl er nu
via de AOW een goed
verzorgde oude dag is. Het
armhuis werd op geheven en
de woningen opgesplitst.
Echt arme mensen zijn er
niet meer en met de sanering
van het Achterom is ook het
armhuis afgebroken. De
plaats waar het heeft
gestaan, ziet er keurig
verzorgd uit.
Het Achterom uit de columns
van Evert de Vries.
Evert is geboren in het
Achterom, het Achterom
betekende veel voor hem.
Toen hij zijn laatste
weken in het ziekenhuis
moest doorbrengen,
leefde hij in gedachten
nog in dat straatje. "
ik wol wer nei it
Achterom, dêr fiel ik my
feilich" kreeg ik (zijn
zoon Johannes de Vries)
vaak te horen.
Aan de Spinhuispolle
woonde Wiebe Feenstra,
in de volksmond Wiebe
van Kaat. Hun zoon Jan -
voor ons als jongens Jan
van Kaat- vond op straat
een jonge kraai die uit
het nest was gevallen.
Die ging mee naar huis
waar ze hem voerden met
brood en kaas. Hij
groeide snel en leerde
allerlei kunstjes. Jan
werkte bij blokmaker Jan
de Vries aan de
Vissersburen en als 's
middags om twaalf uur de
houtzaagmolen de sirene
laat loeien voor het
middageten dan zat de
kraai op stok van de
drooglijn. De arbeiders
kwamen dan in grote
groepen langs de
Vissersburen. Als ze
onderweg waren en Jan
riep "Ka" dan vloog de
kraai over de Lemster
Rien en tussen al die
mensen kwam hij dan bij
Jan terecht. Hij ging op
zijn schouder zitten en
ging mee over de brug,
door het Achterom en zo
naar huis. Dat duurde
net zo lang tot hij goed
kon vliegen en met zijn
soortgenoten verdween.
Vrijdag trof ik bij de
brug Andries, een zoon
van Jan Bergsma. We
kregen al gauw een
gesprek over zijn
familie. Wij woonden
naast elkaar, moesten
door dezelfde deur naar
binnen; in de gang ging
Jan links en ik rechts
de kamerdeur binnen.
Andries werd naar zijn
Oom vernoemd, en deze
vertelde mij eens dat
hij Later bij zijn
overlijden Andries als
zijn erfgenaam zou
bedenken. Ik vroeg hoe
dat afgelopen was "
Best", ik heb een zak
vol bierdoppen geërfd.
Het is koud en ik ga
weer naar huis, en
bedenk dat de kinderen
van Jan best terecht
zijn gekomen.
Dat blikte mij verder in
de tijd terug, Als je in
de haringtijd 's
Zondagsmorgens door het
Achterom en de
Spinhuispolle liep zag
je de vrouwen met een
stoel tegen de muur
staan, met een tobbe vol
kleren, druk aan de was.
's Maandags moesten die
kleren weer aan want de
meeste hadden maar één
werkpak. Ik zie hun nog
staan: de mouwen
opgestroopt, bij het
stap in de Rien om de
kleren uit te spoelen en
ondertussen het hoogst
lied zingend. Hoe stond
het er toen voor? laten
we eens beginnen met de
was van de huisvrouw.
Vroeger werd er een
zware ketel op het vuur
getild en verspreid zich
een onaangename,
prikkelende geur van
chloor door het huis.
Voor het drogen werd
gebruik gemaakt van
bleek en zolder. Ook
kwam de waslijn in de
huiskamer en als de wind
zuidwest was werd er
gedroogd aan een lijn op
de haven. Was de wind
noord dan rookten de
rokerijen, en drong de
rook in de kleren.
Terug naar de oude
tijden, daartoe nodig ik
uit om eens mee te lopen
naar Spinhuispolle 1
waar mijn vader en
moeder en wij met 9
kinderen woonden, twee
kinderen waren ongeveer
een en twee jaar oud, in
dezelfde week overleden
aan de mazelen, anders
waren we met ons elven
als kinderen geweest..
We doen de buitendeur
open en komen in de
gang. Voorin ligt een
matje waarop een paar of
acht klompen staan. Aan
de muur hangt een trap.
Dan volgen twee deuren.
Als we de eerst daarvan
openen, zien we de
tobben en emmers die
daarin bewaard worden.
Ze drijven nu in de
kelder heen en weer.
Zulk weer met veel regen
als we de laatste dagen
hadden, was er toen
natuurlijk ook vaak en
dan stonden de kelders
blank door het water.
Door de andere deur
komen we in de keuken.
Links staan twee
rommelkasten en een
kachel waar het eten op
wordt gekookt met een
tafel en twee stoelen.
Er is nog een deur als
we die open doen komen
we in een hokje waarin
de regenwaterbak staat.
In dat hokje is nog een
deur, daardoor komen de
buren in dit geval Bram
de Jong, (Bram Teut? )
om water uit diezelfde
bak te halen. In de gang
hangen we de trap aan
een ijzer dat aan de
zolder is vastgespijkerd
en lopen naar boven waar
een lijn is gespannen
om, als het regent, de
was aan te drogen. Er
zijn twee bedsteden, in
de eerste slapen wij, de
oudste jongens, met zijn
drieën. In de andere
hangen zondagse kleren
en in een hoek hangen
nog wat spieringnetten.
We gaan naar beneden en
doen de kamerdeur open.
De kamer heeft een grote
van vier bij vier meter.
Op de vloer liggen een
mat en een vijftal
kleedjes. Tussen de
beide ramen is een
stukje muur waar de
tafel tegen aanstaat. Op
een kleedje staat een
theeblad met kopjes,
suikerpot, melkkannetje,
en daarnaast een
theelichtje. In de la
van de tafel vind men
van alles voor het
breien en stoppen van
kousen . Boven de tafel
hangt een petroleumlamp.
Op de vensterbank staan
wat planten. Onder de
schoorsteenmantel staat
de kachel. Als met het
aanzetten van de kachel
de wind uit de verkeerd
hoek blaast komt de
kamer vol rook te staan.
Voor de schoorsteen
hangt een grote spiegel
met een turfbak eronder.
Naast de schoorsteen
staat een klerenkast met
daarin ook een busje met
huishoud geld. Daar zit
alles in wat onze ouders
bezitten en dat is
weinig. Dan komen we bij
de bedstee waarin de
meisjes met hun drieën
slapen. Er naast is een
porseleinenkast, ook zo
goed als leeg. Dan volgt
de bedstee van vader en
moeder. Het jongste kind
sliep bij hen, die
daarop volgde sliep in
een krib boven het bed.
We krijgen nu de oude
kast; daar zit ook van
alles in wat in tijden
van nood gebruikt moet
worden. Nu gaan we voor
het raam staan waar je
door het Achterom tot
aan de brug kunt zien.
Het eerste gebouw is het
armhuis. Wat daarvoor
armoede heerst is met
geen pen te beschrijven.
Ik heb veel met die
mensen gesproken. Hele
dagen zaten die stumpers
een beetje op een stoel
te sluimeren en nog zie
ik mannen van in de
tachtig met een bijltje
en een trekhaak naar het
werk gaan: steen bikken
en straten wieden.
Gelukkig is dat verleden
tijd.
De sanitaire toestanden
in het Achterom waren 80
jaar geleden onder de
mensen waar toen veel
grote gezinnen woonden,
erbarmelijk. Wij woonden
met twee gezinnen naast
elkaar en hadden buiten
een hokje met een ton er
in waar zo'n 20 man hun
behoefte moesten doen.
Die ton werd één keer in
de week geleegd. (Nog
veel respect voor de
mensen die dit
onaangename werk deden)
Werd hij twee keer in de
week geleegd dan koste
dat een kwartje en dat
konden de meeste mensen
niet betalen. Over wat
er dan gebeurde hoorde
ik in de rokerij het
volgende verhaal.
In het Achterom waren
veel stegen en de huizen
hadden dan meestal een
onder- en een bovendeur.
Als de vrouwen een
buurpraatje maakten dan
rusten zij met de armen
op die onderdeur, de
meeste gekleed in een
bonte schort of een rok
met een blouse. Er werd
niet veel verdiend en
overal waar op bezuinigd
kon worden werd dat
gedaan. Dus ook op het
kwartje voor de
privaatton. Bij mensen
met een groot gezin was
die ton nogal vlug vol
en dan kwam de po op het
appèl. Als die vol was
werd hij 's avonds in de
Rien geleegd. Zo kwamen
op een avond twee
vrouwen elkaar tegen met
elk een po onder hun
bonte schort. Bij het
stap werd een praatje
over het weer gemaakt en
gauw stonden er een stuk
of zeven vrouwen met
hetzelfde doel, maar wat
zij toch een beetje voor
elkaar wilden
verzwijgen. Tot het een
van hun te zwaar werd.
Zij haalde de po onder
haar schort vandaan en
gooide die leeg in het
Rien met de woorden "
Hwa 't net yt, hwa 't
net s....". Toen volgden
de anderen ook.
Er waren in de Lemmer,
voorzover ik weet nog
drie openbare toiletten
voor de gaande en de
komende man; In het
Achterom en aan de
Lijnbaan.
Ineens zag ik ook mijn
vader weer zoals hij in
de kamer stond om
leiders te steken en er
altijd bij zong. Als het
in de zomer te warm was
ging hij naar buiten en
ging daar verder met het
werk en het zingen. Het
bedoelde lied ging over
een visserzoontje dat
naar zee wou. Het begin
was ongeveer zo:
Moeder wanneer is het
Paasch
Dan ga ik met vader
varen
Ik vang dan vis
En ga voor een schuitje
varen
Dag Catrien sprak visser
Barend
Het is nu tijd, ik ga
d'r op uit.
De lucht is blauw, het
zicht is helder,
Mooi om te vissen om een
goede buit
Dan koop ik een nieuwe
schuit.
Volgens het verhaal was
de vangst goed maar de
lucht betrok en er
verschenen regenbogen en
water- en windhozen.
Onder het binnenhalen
van de kor heeft de hoos
met regen en wind en een
grondzee het schuitje
met man en muis de
diepte ingetrokken. Aan
het eind van het lied
luiden dan de klokken.
Een dorp in rouw, daar
nadert een grote stoet.
Het is visser Barend van
IJmuiden wiens lijk
eerbiedig aan de aarde
wordt toevertrouwd.
De dagen worden alweer
korter. Je kunt 's
avonds niet meer bij
daglicht brood eten. In
de vele kamers wordt een
lichtje aangestoken, Dat
is omdat zoveel mensen
van schemeren houden. In
zulke ogenblikken komt
in alle stilte de rust.
Vreemd dat een mens dan
meestal aan het verleden
denkt. Mooi en droevige
herinneringen. Bij ons
thuis zaten we dan met
ons allen in het licht
van de lantaarn bij het
armhuis dat vlak bij ons
stond liedjes te zingen.
Het " Zie ginds komt de
stoomboot uit Spanje
weer aan....." klinkt.
Er word op de deur
gekopt en vader roept "
Wie is daar?" " Zijn er
hier ook stoute
kindertjes?" wordt er
gevraagd. Het antwoord
is natuurlijk: " Nee,
Sinterklaas!" De deur
gaat op een kier open en
een hand strooit
pepernoten de kamer in.
Nog wat lawaai in de
gang en als vader
geroepen heeft: " Dank
je wel Sinterklaas",
gaat de buitendeur dicht
en gaan wij de
pepernoten oprapen. Die
komen in een trommeltje
en wij krijgen er ieder
twee om op te eten. Voor
we naar bede gaan wordt
er een pet of een schoen
onder de schoorsteen
gezet. Morgen zit er
vast wel een kikker of
een muis in.
Tenslotte kwam dan de
grote dag. De jongens
kregen een pet of een
paar sokken met een
taai- of suikerman en
een prentenboek. Voor de
meisjes was er een
schort of een jurkje en
ook taai, pepernoten of
suikergoed. Wat was het
dan 's morgens vroeg een
feest.
Kerstmis 1928.
Wij woonden in het
Achterom in een
klein huisje, op de
hoek van wat wij
noemden de Wijde
steeg en de
Weverswal. Voor de
deur was een houten
bankje van twee
treden in plaats van
een stoep. Als je
naar binnen ging,
kwam je in een
smalle gang met in
de zijkant een deur
naar het
woonkamertje waarin
twee bedsteden
waren. Achter in de
gang was nog een
klein hokje waarin
je eten kon koken.
Daarin stond ook een
grote ton voor het
regenwater want
waterleiding was er
niet. Er was ook
geen w.c. en evenmin
elektrisch licht.
Als je naar de w.c.
ging, moest je eerst
een stukje langs de
Rien, dan kwam je in
een smal steegje,
daarin stonden 3
houten hûskes" met
een ton erin. Het is
maar goed dat deze
toestanden nu niet
meer bestaan al was
de saamhorigheid
onder de mensen toen
veel groter. Maar
laten we terugkeren
naar het kerstfeest.
Die morgen had ik
voor moeder een pond
meel en een fles
raapolie gehaald in
de winkel ( helemaal
rechts 1e stoepje
naast het
volkslogement) van
Margje van
Christiaan de Vries(
noot van Roelie in
het winkeltje van
Margje hebben wij
met ons gezin
gewoond) die recht
voor de ingang van
de wijde steeg
stond. Ik kan deze
winkel nog zo voor
mij krijgen met de
koperen bel aan de
deur en op de
toonbank de grote
koffiemolen waarin
Margje de onsjes
koffie maalde en in
een puntzak deed.
Ook de suiker en de
andere boodschappen
werden meestal per
ons en per half ons
verkocht, want geld
was er meestal niet.
In de winter werd
vaak op de pof
gehaald. Borgen
noemden wij dat; als
er dan in de zomer
weer wat verdiend
werd, moest dat weer
worden afbetaald,
zodat je nooit een
stap verder kwam.
Vader had in de
namiddag oliebollen
gebakken en moeder
bracht een bord vol
naar buurvrouw Akke
en buurman Sake die
met hun zoon Jelle (
Witte Jelle?)
tegenover ons
woonden, Jelle was
net zo oud als
moeder. Ze hadden
ook een hond, wit en
zwart gevlekt en met
krullig haar, die
Schipper hete.
Zo zaten wij met die
kerstavond gezellig
bij elkaar. De
hekjeskachel
roodgloeiend en een
pan met
chocolademelk erop .
Af en toe kregen we
een kommetje melk en
een oliebol. Op de
tafel stonden 3
schoteltjes met elk
een brandend kaarsje
erin, dat was onze
kerstboom. Tegen
acht uur zette
moeder de bedstee
deurtjes open, dan
kon de warmte van de
kachel daar mooi
intrekken. Als wij
daar dan zo bij
elkaar zaten zongen
vader en moeder vaak
een mooi oud
Kerstlied wat ik
later nergens meer
gehoord heb.
Dit lied was als
volgt: (klik om te
luisteren)
Johnny Jordaan -
Bibberend loopt
langs de straten
(Het
eerste couplet werd
niet gezongen door
Johnny Jordaan) !!
|
Kerstlied
Snerpend
loeit de storm daar buiten Langs de wit
besneeuwde aard’ Achter wit bevroren ruiten
Zit een elk bij ‘t knappend vuur der haard En de
kind’ren zingen blij hun liedjes Om de kerstboom,
vol van schitterlicht En de schoonste
kerstmelodietjes Worden vroom ten hemel steeds
gericht ‘Stille nacht, heilige nacht’ Heden is
‘t kerstkind geboren Herdertjes zacht houden de
wacht Kindje van Bethlemem, sluimer, slaap zacht
Bibberend loopt er
langs de straten Een arme bedelknaap nog rond
Al de wegen zijn verlaten Niemand waagt zich
buiten, zelfs geen hond Koude sneeuw dringt door
z’n lekke klompen En zijn lege maag die vraagt om
brood En de gure wind snijdt door z’n lompen
Grote tranen flonkeren in z’n oog ‘Stille nacht,
heilige nacht’ Richt hij zich smekend ten hemel
En vraagt aan u: “God, laat me nu Kerstfeest met
de engeltjes vieren bij U”
Hong’rend, uitgeput
van’t lijden Valt hij op een stoep terneer En
hij hoort de kinders blijde Binnen ‘n kerstlied
zingen tot de Heer Zijn bevroren handjes vroom
gevouwen Slaapt hij in en God verhoort hem daar
Als we ’s morgensvroeg het lijkje aanschouwen
Viert hij ‘t Kerstfeest bij de eng’lenschaar
‘Stille nacht, heilige nacht Gloria in excelsis
deo’ Schooiertje klein, zal vol festijn Eeuwig
hier boven bij ‘t Kerstkindje zijn
|
Vader kwam nooit
in de kerk maar
dat dit zong hij
vol overgave
mee. Veel
ouderen zullen
zich dit lied
nog wel
herinneren . Het
zou jammer zijn
als het verloren
ging, vooral ook
om zijn mooie
melodie. In deze
tijd past het
niet meer, maar
het sprak mij
toen erg aan,
vooral omdat ik
zelf enkele
dagen met lekke
klompen gelopen
had. Gelukkig
had moeder
nieuwe voor me
gehaald bij
Bernard Hulscher
in de Schans
voor 40 cent.
Met de boodschap
erbij er niet
mee te
voetballen, want
je krijgt geen
nieuw meer. Zo
hadden we toch
een mooie
Kerstavond en
tevreden en met
diep medelijden
met het
schooiertje
gingen we naar
bed
Andries ?
•
In een
Zuid-Friesland van 9
December 1981 kwam
ik een leuk stukje
tegen van de hand
van wijlen Teade
Wouda. Het is
een verhaal uit het
begin van de
dertiger jaren dat
ik zo vrij ben om
hier over te nemen.
'Er werd op een
Zondagmiddag een
belangrijke
voetbalwedstrijd in
Sneek gespeeld.
Schoenmaker Jenne
Dijkstra, Marten
Vleer, Jaap Zwart en
ik zouden daar op de
fiets heen, maar het
weer was niet zo
best. Nu had Jenne
net zijn rijbewijs
gehaald. Er werd
besloten om het voor
velen nog bekende
Fordje van Meerding
te huren. 's
Middags om 1 uur
tuften wij uit
Lemmer en in Follega
reed Hidde Visser
ons voorbij. Die was
al weer op weg naar
een groot werk
ergens in Nederland
. Deze aannemers
voerden toen vele
werken uit in
Nederland. Hidde was
een 'bitûfte'
chauffeur en het was
voor Jenne één van
zijn eerste ritten.
'Dou litst dy troch
Hidde Visser dochs
net in piek sette,
traepje him op syn
sturt', zeiden wij
tegen Jenne. Op
hetzelfde moment nam
het Fordje een grote
sprong. Visser gaf
ook meer gas en wij
suisden langs de
leuningen van de
smalle brug bij
Spannenburg en
vlogen toen bijna
uit de bocht. Wij
konden Hidde echter
niet te pakken
krijgen, maar toen
hij voor de
kerkgangers in
Jutrijp-Hommerts
moest stoppen, reden
we hem met
zegevierende
gezichten voorbij.
Wij beseften niet
dat wij nauwelijks
aan de dood waren
ontkomen, zoals wij
later hoorden.
Hidde Visser
vertelde later aan
Jaap zijn vader: 'Ik
reed de jongens in
Follega voorbij en
ik gaf meer gas om
te voorkomen dat zij
mij in een drieste
bui zouden inhalen,
want ik wist dat
Jenne net zijn
rijbewijs had
gehaald. Bij
Spannenburg dacht
ik: dit gaat mis
want zij vlogen
vervaarlijk over de
brug en moesten in
de bocht hard
remmen. Ik dacht: nu
zullen ze wel wat
langzamer rijden,
maar bij Woudsend
hadden ze mij alweer
te pakken en toen
heb ik ze bij
Jutrijp-Hommerts
maar laten gaan.'
Wij zijn toen door
Jaap Zwart zijn
vader op het
onverantwoordelijk
rijden gewezen en
dat ons leven aan
een zijden draad had
gehangen.'
Johannes de Vries.
De Schans, het
Achterom en
tussengelegen
gebieden in het
begin van deze
eeuw.
Wij woonden
tot mijn
zevende jaar
in de
Heintjehoeksteeg.
Als dan
zondagsmiddags
tegen enen
de cafés
leeg liepen
omdat er dan
gegeten
moest
worden,
kwamen de
gasten die
in het
Achterom
woonden voor
ons huis
langs. Als
je vroeger
als klein
kind de
straat niet
op mocht
werd er een
hekje tussen
de
deurposten
geschoven en
dan kon het
kind toch
naar buiten
kijken. Op
een keer, ik
was toen
drie jaar
oud, en daar
komt pake
Ferdinand
(Meinzes de
Vries) aan
in een
opgewekte
bui. Hij was
een leuke
prater en
goedlachs.
Hij ziet me
staan, komt
naar mij toe
en zegt,
geef ons
pake eens
een handje.
Het middag
eten stond
op tafel,
hij ruikt
het zeker,
stapt over
het hekje
heen en gaat
bij de tafel
zitten en
pake
Ferdinand at
mee. Ik weet
zelfs nog
dat we
snijboontjes
met
runderlapjes
aten.
Hij woonde
toen in de
steeg tussen
bakker Douma
en Gerrit
Visser, de
hofmeester
van de
nachtboot.
Aan de
linkerkant
achter
Visser
woonden toen
Bloem van de
helling, dan
pake Sake en
oate Jette,
daar naast
Nicolaas en
zwarte Foek,
dan pake
Ferdinand,
dan weer een
Visser met
een
ringbaard,
dan rooie
Jansje en
zwarte
Hendrik aan
het
Achterom. Ze
hielde toen
blijkbaar
wel van
kleurige
benaming.
Dan had je
achter Douma
wonen oude
Willem de
Jong
(bijnaam
Pippie) die
had een
soort
logement.
Dan Jacob
Tijsseling
en daar
naast Hielke
Atsma en
Johanna de
Freule. Dat
was een
vrolijke
oude tante.
Ze had
altijd een
goed humeur
en danste
soms van
vrolijkheid
met de hand
boven haar
hoofd en één
aan haar
achterwerk,
en dan
knipte ze
met haar
vingers en
riep
"Sjanselawie".
Wat het
betekend
weet ik
niet, maar
het was een
uiting van
blijdschap.
In de
Heintjeshoeksteeg
was vooraan
het café van
Jensje Knol.
Ik denk dat
Jensje Knol
in 1904 is
overleden en
hij lag
opgebaard in
de kamer
tegenover
ons huis en
daar stonden
van die hoge
groenen
glazen vazen
voor het
raam met
bloembollen
er op.
Eigenaardig
dat je dat
na 70 jaar
nog voor je
ziet. Jensje
Knol was de
eerste
overledene
die ik
gezien heb
en ik vond
het een
gebeuren wat
ik gewoon
aanvaarde.
Hij had een
vrij lange
baard. Ik
zie nog die
zwarte baar
staan voor
het café op
de dag van
de
begrafenis.
Het pand met
tuin liep de
richting
Achterom
door, tot
het huis
waar Wietse
Postma en
Zwarte Ant
woonden.
Wietse was
beroepsjager
en Antje had
en zocht
klanten voor
geschoten
wild, eenden
enz. 's
Winters zag
je hem met
een grote
ganzenroer (Ganzenroer.
19e eeuw.
Zgn.
'vletbuks'
of 'punt
gun'.
Achtkantige,
in rond
overgaande
gladde loop)
lopen, als
er ijs en
sneeuw was
in een wit
pak om de
ganzen en
zwanen te
benaderen.
Hij liep wel
ver voorbij
Tacozeil
naar de
zwanenbank.
Hij ging 's
winters ook
wel op
otters jagen
op het
Tjeukermeer
en had dan
een zgn.
otterpiek
waarop het
eind een
vlijmscherpe
punt met
weerhaken,
die was
gestoken in
een kurk
voor
bescherming.
Wietse was
een verwoede
pijproker,
toen hij
ouder werd
moest hij
veel
hoesten.
Dokter Nouta
verbood hem
het roken,
maar Wietse
zei, dan
maar dood
dokter, maar
ik blijf
roken en dat
heeft hij
tot zijn
laatste
ademtocht
gedaan. Zo
is haast aan
elk huis een
verhaal
verbonden.
Aan de
andere kant
van de steeg
aan de
Schans
woonde toen
Weduwe
Klein, die
had een
kruideniers
winkel, maar
het was er
niet erg
druk. Juf
Roefstra van
de
bewaarschool
woonde in de
voorkamer.
De
concurrentie
in de
kruideniersbranche
begon al een
beetje, want
Joost de
Vries had
aan de
Schans een
voor die
tijd grote
winkel
geopend, met
aan twee
kanten een
toonbank,
dat was in
1904 of 1905
dat er was
verbouwd, en
ik er weer
voor het
eerst heen
moest voor
een
boodschap.
Ik vond het
wel een
beetje eng,
want alles
was
veranderd.
Er was een
bediende in
een witte
jas en dat
was een de
Jong. Naar
ik meen
woonde die
in het zgn.
Paleis aan
de
Langestreek.
Ik zie nog
de schilder
bezig op de
brede
kozijnen
naast de
deur want
daar maakte
hij met een
eendenpoot,
waaruit een
pees hing
zwarte en
rode stippen
op de crème
ondergrond.
Aan de ene
kant van de
winkel
woonde Jan
de Blauw, en
aan de
andere kant
was naar ik
meen, de
kleermakerij
van
Molenberg.
We gaan weer
naar de
steeg,
achter
weduwe Klein
woonde Japie
van Kleis en
Klaske.
Japie Visser
is meen ik
overleden op
95 jarige
leeftijd.
Van Japie
alleen kan
ik wel een
krant vol
vertellen.
Toen ik een
paar jaar
geleden in
Lemmer was,
zat Japie
aan het B.K.
Plein v.h.
Bakkershoek.
Ik ga naast
hem zitten
en zeg, zie
je wel wie
ik ben?. Hij
kijkt mij
aan met zijn
scherpe ogen
en zegt de
oudste van
Manus. M'n
naam was hij
vergeten.
Japie had
een houten
aakje dat in
het blik
zat,
overgeijzerd
zoals het
genoemd
werd, was
altijd roze
in de verf
en had Nr.
LE 48.
Jaap was
klein van
stuk, maar
hij was een
venijnig
mannetje en
was voor de
grootste
kerel niet
bang. Zijn
vrouw Klaske
kwam van
Balk. Op een
keer komt
Jaap thuis
van zee en
vindt de
deur op
slot. Klaske
was naar
Balk,
misschien
wel
plotseling
door ziekte.
Maar dat nam
Japie niet,
de deur van
het café van
moeke Knol
was schuin
tegenover
het huis van
Japie, en
hij ging van
balorigheid
maar wat
borrels
drinken.
Even later
springt hij
achterstevoren
dwars door
het raam
heen en
slaat alles
kort en
klein. Ik
hield er een
doos vol
mooie
kruizemunten
aan over van
het kapotte
servicegoed.
Dan volgde
Marten en
Aal. Marten
werkte
altijd bij
het laden en
lossen van
de Lemmer
nachtboot.
Zijn
roepnaam was
"mannetje
met de
kluts". Dan
wij, en er
naast het
huis van
Cornelia
Platte. Ze
had verlamde
benen en
kwam nooit
buiten. Van
haar drie
zoons werkte
er twee in
de Rokerij.
Harmen was
de kok, hij
deed de
huishouding
en ging
zondags
lopend naar
Oosterzee
ter kerke.
Dan woonde
daar Gauke
Bootsma en
Maaike met
een groot
gezin en dan
Age en
Aukje. Je
ziet dat er
in zo'n
steeg heel
wat lief en
leed werd
gedeeld en
doorgaans
meer leed
dan lief.
Ik had het
al over
cafébezoek
op
zondagmorgen,
dan was het
daar altijd
druk. Daar
had je Minke
Vegter bij
de brug, nu
naast
Molenbergs
textielzaak,
Moeke Knol
en in de
bovenschans
Boukje
Meijer alle
drie
weduwen. Het
zwakke
geslacht
bleek toen
al sterk.
Zoals ik al
zei de cafés
liepen tegen
etens tijd
leeg en de
meeste
mannen waren
dan goed
geluimd. Ik
stond weer
eens voor
het hekje en
daar komt
Sake Visser
voorbij, ik
zeg "Dag
Sake de Rus"
hij kijkt
mij aan met
een paar
taxerende
ogen (van
wie durft
mij bij mijn
bijnaam te
noemen), en
ik wordt nog
te licht
bevonden,
anders was
ik ook nog
niet jarig
geweest.
Ook in die
tijd een
bekende
figuur was
Sake
Bergsma,
grote Sake
genoemd. Op
een
zondagmiddag
komt Sake
uit het café
door het
Achterom en
daar staat
Jansje van
zwarte
Henderik in
de deur.
Sake was in
een lollige
bui en pakt
jansje om de
middel en
maakt met de
tegenstribbelende
Jansje
zingend een
rondedans.
In de steeg
van Douma
woonde
Hielke de
freule.
Hielke
werkte in
het huis van
Marcus
Davidson,
handelaar in
afvalproducten
en antiek,
die aan de
Nieuwedijk
woonde. Als
er van een
boer in de
omtrek een
paard was
gestorven.
Haalde
Marcus het
paard op en
werd het
gevild om de
huid. Zo was
er weer eens
een paard,
wat nog goed
vers was en
daar had
Hielke grote
stukken
vlees van de
billen
gesneden, en
mee naar
huis
genomen.
Maar Johanna
had het in
het
vuilnisvat
gegooid,
want die
vertrouwde
het niet
meer. Afijn
Hielke komt
uit het
café, hij
lustte wel
wat hartigs
en begon te
roepen: Hwer
binne myn
kluten
hynsterfleis,
hwer 'k ham
fan meitsje
woe, en
Johanna riep
terug: Se
lizze al
lang yn it
jiskefet,
gjin mins
dy't frette
woe.
Wat later,
we woonde al
op de
Weverswal,
lag schipper
Hof, die met
zijn
beurtschip
op
Leeuwarden
voer, oud
ijzer te
laden van
Heijman
Jacobs, die
had het
pakhuis ook
achter zijn
woonhuis aan
het Achterom
en hij ging
er altijd
met de
hondenkar op
uit om van
alles op te
kopen waar
maar brood
in zat, z'n
vrouw hete
Duifje en
had een zoon
en twee
dochters. De
zoon was al
jong uit
Lemmer, en
was geloof
ik commies
dochter
Mette was
huishoudster
bij Klaas de
Rook op de
Visserburen.
De andere
dochter was
naar ik meen
wijkzuster
in Oosterzee
en omstreken
en ik meen
dat er naar
haar een
straat is
vernoemd in
Echtenerbrug.

|
1
|
2
|
Home
|