|
Centrum met bruggen, te Lemmer.
Sletten blinen, toarre rountjes, kyn-en
klok-en hammerspul, letterlappen, wettermountsjes, idioom
fan anno nul; tipdoek, flodder, sulvren beugel, bredskie,
stove en loderein, folkloredeun fan road-road, en
reugelnimst yn ivichheit gjin ein?
|
1
|
2
| 3 | 4 |



De lange
brug met gezicht op het Turfland, op de achtergrond de oude
pakhuizen uit betere tijden.

LE 30
botter "DE Zeester" van Lambertus Poepjes.

Melkvaarder
Jan van der Meer in gesprek met een visser.


De 'Blokjesbrege' met daarachter de winkel van Schotsman,
die jarenlang in dit pand zat. Tegenwoordig is er een
sportzaak gevestigd. Daarnaast een sigarenwinkel, die
jarenlang door Piet Zwart (o.a. voorzitter van de
voetbalclub en speler in het eerste elftal) werd gedreven.
De naam 'Blokjesbrege' is ontstaan toen de bevloering uit
houten blokjes bestond. Tegenwoordig heeft de brug een
andere bevloering, maar veel Lemsters gebruiken de naam nog
steeds.

Truitjezijlsbrug, ook wel
Hottinga's Bręge genoemd, afgebroken in 1890.

De Langebrug lag tegenover wat nu bardancing Dockside
(voorheen napoleon) is, deze brug is destijds vervangen door
de Flevobrug, welke het waaigat en de Flevostraat met elkaar
verbindt.

Hier
zien we de Plugsbręge, deze is afgebroken in
±
1890.
De
Plugsbręge, deze is afgebroken in
±
1890.

De 'Blokjesbrege'

Lemmer, op 3 februari 1825
wordt Friesland geteisterd door een harde noordwestelijke
storm, gepaard met springvloed. Bij Lemmer breken vier
dijken door. Rechts Andringastate. In het midden "De
Wildeman".
Golven klotsten in het huis
van de grietman. Tekort aan communicatie bij watersnood van
1825.
Watersnood, op 4 en 5 februari
1825
Een extract uit een brief, die de grietman
van Lemsterland Van Andringa de Kempenaar op de avond van 5
februari schreef en die pas de 8ste in Leeuwarden werd
ontvangen. Het relaas laat aan duidelijkheid niets te wensen
over.
"In de loop van de nagt
van den 4 op den 5 Febr rees het water meer dan
3 voet in mijn huis - de wind stak sterk op uit
het westen...die een geweldige massa water meer
dan vijf voeten over het land voerde, drijvende
palen en wrakhout met geweld tegen de gevel van
mijn huis - de deuren sprongen open en de
rollingen van het water maakten een afschuwelijk
geklots in huis - wij hadden den tijd niet gehad
eenig vaartuig bij huis te halen, zoo dat wij
als op eene rots zaten - heeden ochtend wierd
ons uit de Lemmer hulp toegebragt en ofschoon
ieder een die uit de Lemmer het geweld het welk
mijn huis had te verduren ziende, Mij deede
aanraden het zelve te verlaten.. zoude ik zulks
ongaarne gedaan hebben - dan in mijn situatie
was ik zeedert
eergisteren buiten hulp van den doctor gebleeven
en van alle communicatie met de Lemmer
verstoken, daar het zo hard waayde dat het aan
Onno en Reinier, die reeds vroeg na de Lemmer
gevaren waren met een boot en het onmogelijk was
met behulp van de beste schippers van het huis
van den Predikant tot het mijne te varen (NB
eenen afstand van slegts plus minus 3 a 400
treeden). Wij zagen (hen?) in groot gevaar van
omslaan - zy keerden te rug en kwamen met behulp
hulp van tien man met een kaper (beurtschip op
Strobos varend) over den polderdijk tot voor
onze vensters (;) wij zagen onzen gevaarlijken
toestand zoodanig in, dat wij aan het oppakken
gingen en het besluit namen het huis te verlaten
Ik vrees dat zo het water niet
boven verwagting sterk en spoedig valt en wij
niet van verdere hoge vloeden bevrijd worden,
zeker twee derde der koeijen in Lemsterland
verdronken zullen zijn en dat de turf over al
uit de hopen zal wegspoelen en dat de helft der
boeren verdrinken zullen" |
?Uit dit laatste blijkt de betekenis van de
(lage turfgraverij in Lemsterland in die jaren. Een korte
veelzeggende notitie van de heer Reneman lid van het
dijkbestuur der Zeven Grietenijen en stad Sloten, des avonds
6 uur op 4 februari neergepend vult de brief van de Grietman
nog aan:
| "Lings en
regts van de Lemmer tot voorbij Rijs loopt het
zeewater over de dijken - er zijn drie bekende
gaten - veele huizen ter Linker zijde van de
Wildeman (herberg te Lemmer) zijn ingestort en
weggespoeld. Wij hebben de Wildeman uit vrees
voor instorting hedenmiddag drie uren verlaten
en zijn thans in het grietenijhuis. |
Er was niet alleen gebrek aan
communicatie op kleine schaal (waarvan de grietman
gewaagde), maar ook in provinciaal verband duurde het
lang voordat op veilige afstand wonende Friezen het nieuws
over de ramp hoorden. Een typisch bewijs daarvan levert ook
het dagboek van de rijksontvanger ontvanger
D.W. Hellema te Wirdum, dat over de watersnood
het volgende bevat:
"Den 7 Feb.
Het weder is als vooren; doch de wind verminderd
en staat weder in het zuiden, tevens eenigzins
vorstig en het land met sneeuw bedekt.
Men wil, dat er veel zout water over de Dijken
geslagen is en langs de geheele noordkant
dreigende gevaren van doorbraak geweest zijn,
zoo zelfs dat men geduurende den storm aan de
dijken heeft moeten werken onder het aanhoudend
Klokken geklep, evenwel heeft men tot nog toe
van geen doorbraak gehoord. Dat was dus twee tot
drie dagen na de
ramp". |
Pas de 8ste meldt Hellema: de
berichten thans inkoomende zijn ontsettend "zie hier een
uittreksel van een particuliere brief" Die was op 6
februari te Lieve Vrouwenparochie geschreven en al even
triest als het relaas van de grietman in Lemmer
De Watervloed van 1825.
In den middag van Vrijdag, 4 Februari, was het
Zuiderzeewater door sterken wind en spring vloed gepaard met
eene hier ook waargenomen aardschudding, dermate tegen den
zeedijk van de Lemmer tot aan Schoter-Zijl opgestuwd, dat
het eindelijk tengevolge van den buitengewoon krachtigen
golfslag, tot eene hoogte van 11 palmen zich een weg over
den dijk heen baande, waardoor deze op
vele plaatsen tot op het maaiveld weggeslagen werd en zich
weldra een 13-tal gaten, waaronder van geweldige lengte en
diepte daarin vertoonden.
Spoedig hierna was het gansche
Oosterzeesche en Echtener veld overdekt door de met volle
kracht en onder woest geweld aanstormende golven, die zich
daarop vereenigden met het instroomende zeewater uit
Overijsel, - een verschijnsel dat o.a nabij Echtenerbrug
opgemerkt werd, waar het aanvankelijk in N-W. richting zich
bewegende water dra in vliegende vaart N-O. den Tjonger
opgedreven werd.
En toen dan ook den volgenden
Zaterdagochtend het daglicht doorbrak, kon men ontwaren, dat
alle polders ondergeloopen en het vlakke veld tot twee el
diep overstroomd was, zoodat geen droge plek meer te
bekennen viel. Overal zag men op de watervlakte huisraad en
andere voorwerpen drijven, hoorde men angstig hulpgeschrei
van menschen en het akelig geloei van stervend vee, terwijl
van verscheidene plaatsen noodvlaggen woeien.
Voor de meeste menschen was
het een ontzettende nacht geweest, verscheidene waren op
zolders en vlieringen gevlucht, anderen zagen zich
genoodzaakt hun toevlucht te zoeken in wankele bootjes of op
in haast samengestelde vlotten, ten prooi aan de losgebroken
elementen van wie het velen gelukte nog voor nacht in de
meer bewoonde streken een onderkomen komen te verkrijgen.
Zoo vonden 3 mensehen onderdak en voedsel bij Jan Mast,
kastelein aan de Nieuwe Brug onder Echten.
Door den veenbaas Hendrik Raterman, aan de
Oosterzeesche Brug, die een schade van omstr 16.000 gld
wegens de overstrooming belopen had - werden een 100-tal
noodlijdenden ’s Vrijdagsavonds gehuisvest en verpleegd welk
aantal den volgenden dag met nog een 70-tal vermeerderd
werd, verscheidene dagen aaneen werden deze ongelukkigen,
aldaar van voedsel en verdere verzorging voorzien.
Op dergelijke wijze doch op
meer bescheiden schaal, onderscheidden zich o.a Jelle
Jacobs Kolk, boer onder Oosterzee en Arjen Jans,
schipper aan de Echtener-Brug, door wien reeds verscheidene
hulpbehoevenden met diens schip gered waren.
Ondanks de weinig aanlokkende omstandigheden en het nog
barre weer, waren in den middag van den 5den Februari een
aantal wakkere Oosterzeeërs onder wie N. Breemer,
S. Herres, E. P. de Jong, J. Propsma en
S. van Leeuwen, er
met een vaartuig op uitgetrokken om te redden
wat aan mensehen en vee te redden viel.
Het
mocht hun gelukken vele ongelukkigen in veiligheid te brengen die daarop een veilig
onderkomen
komen vonden o.m. bij Oosterzee’s
predikant P.C. Koentz. Onder hen bevond zich eene vrouw van 75 jaren, met hare
kleindochter die door den zolder en
het dak heen gered waren. De oude
vrouw die nog heugenis bewaarde aan de
overstrooming van 1776 en niet
verwachtte dat het water ditmaal veel hooger
zou rijzen, was ’s avonds bij het wassen van den
vloed in hare woning gebleven en met haar
kleinkind in de bedstede gevlucht. Toen het
daar niet meer veilig bleek was de zolder niet
meer te bereiken en waren beiden genoodzaakt
op een inmiddels in het bed geplaatsten stoel achttien uren aaneen in
doodsangst door te brengen, tot zij in den namiddag schier van honger en koude bezweken gered werden.
De bejaarde Teunis Visser, onder
Echten was ’s Vrijdagsavonds met zijn zieke vrouw, zoon, diens huisvrouw en kind naar den
zwakken zolder zijner woning gevlucht, waar duizend angsten doorgestaan werden daar
voortdurend het huis dreigde ineen te storten. Eindelijk tegen den morgen, trof hun het telkens
gevreesde onheil, toen met een geweldigen golfslag het geheele benedenhuis weggerukt werd, waardoor zij met dak en zolder in
schuine richting op het water naar beneden zakten. Met den dood voor oogen gaf men elkaar
reeds het laatste vaarwel toen het den ouden man in zijn wanhoop gelukte een flinke opening
in het dak te verkrijgen, waardoor hij zijne verwanten tegen
den zolder wist op te trekken, onbewust dat zijn zoon op dat
oogenblik meer dood dan levend bekneld zat tusschen den
zolder en een turftrekkersvlot.
Nog bijtijds wist men van hiet
dak uit door armgezwaai de aandacht te trekken van een
aantal menschen in eene voorbijdrijvende praam waarin weldra
allen werden opgenomen, ook de
zoon die reeds flauw en gewond haast den
dood nabij was; want even na de redding begonnen zolder en dak te drijven om spoedig in de
diepte weg te zinken
De zooeven genoemde praam was die van Hendrik Huisman, turf graver buiten den
polderdijk nabij de zee onder Echten, getrouwd
met Margjen Luitjes. Toen het water in hunne tent, eene hoogte van zes palmen bereikt
had en de woning gedeeltelijk ineenstortte, werd
van een met turf geladen bok, naast het
huis, de lading in allerijl overboord geworpen en
daarin door beiden met hunne vijf kinderen een
toevlucht gezocht, terwijl dra nog drie andere
gezinnen met elkaar uit 15 personen, bestaande
zich daarbij voegden. Omstreeks middernacht blootgesteld aan een snerpende
koude met hevige sneeuw jacht,
vergezeld van donder en bliksem, beviel de vrouw van Huisman in een open praam
te midden van de woeste golven van een levend
kind, waarvoor geen ander dek dan slechts één linnen doek beschikbaar was.
Men
liet het vaartuig met den wind voortdrijven en
kwam eerst ’s anderen daags in den middag bij
het huis van Harmen Kortland, veenbaas onder Echten aan, waar men kraamvrouw
en kind in de schuur op het hooi
moest neerleggen, daar het vanwege den hoogen
waterstand ondoenlijk was in huis te komen.
’s Nachts werden beiden in een somp, van
de Lemmer opgenomen en derwaarts vervoerd,
waar men ’s Zondagsochtends om 5 uur aanlandde. De moeder was spoedig dermate hersteld, dat zij reeds op den zevenden dag weer
naar Echten kon terugkeeren, doch het kindje is
helaas na enkele weken bezweken.
Vermelden we ten
slotte nog dat in Oosterzee
en Echten samen voor ongeveer een ton
gouds aan turf is weggespoeld en verloren gegaan.







Zo was
de toestand in die dagen in Vierhuizen bij Delfstrahuizen.
Met z'n turfschip redde Karst de Boer een zestigtal mensen
van de verdrinkingsdood.
|
1
|
2
| 3 | 4 |
Home
|