Visserij algemeen, te Lemmer.

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 |

 

De ijzeren discipline van chroniqueur Evert de Vries.

 

Evert de Vries (midden)

 

Vis en rokersknechten, zittend is Sake Visser (reade Sake) de man met de hand op zijn hoofd is Evert de Vries. In die dagen zijn beschermer in De Hangen.


EVERT DE VRIES uit Lemmer kan nog wel even vooruit. Al een jaar of acht schrijft hij iedere woensdag in de Zuid-Friesland (De Lemsterkrant) zeggen ze in Lemsterland, over zijn belevenissen van de afgelopen week, maar uitverteld is hij nog lang niet Dat komt vooral omdat de 84-jarige De Vries zo’n beetje alles de moeite van het schrijven waard vindt en bovendien in zijn stukjes veel herinneringen ophaalt van zijn arbeidzame verleden.

Och jonge as ik dy fertelle moat wat ik allegearre belibbe ha zegt hij De Vries (Siz mar Evert je) maakt een wijds gebaar waaruit de onmogelijkheid van zijn opmerking moet blijken.

Vroeger kwam je de pennevruchten van de chroniqueurs zoals De Vries er eentje is, in bijna elk nieuws en en advertentieblad tegen. De kroniekschrijvers behoren echter tot een uitstervend ras en Evert de Vries, is nu nog een van de weinigen die met een bijna ijzeren discipline weet vast te houden aan één stuk per week. ?"Ik mei it graach dwaan dat skriuwen" meldt hij. Eigenlijk schrijft hij zijn hele leven al  Stikjes oer it fuotbaljen, yn it Rondje van Friesland dêr is it jierren lyn mei begûn. Dat krantsje waard drukt by Brandenburgh yn Snits.

"Mar ik skriuw ek wol tsjin krantenoan", begint hij over een voorval waarvan overigens niet duidelijk wordt uit welke periode het stamt. "Hjir op ’e Lemmer, hiene wy yn dy tiid wol sa’n tweintich fan ’e allerhurdste riders. Arend Poepjes, Hylke de Vries, Benninga, de De Wrede's en de Dykstra’s. As der iis wie dan wûnen dy oeral alles. Doe skreau de Ljouwerter Krante, dat se yn Grou de hurdste riders hiene. Dat ik pak de pinne en skriuw dêr in stik oer. Noait mear wat fan heard" glimlacht Evert, die eigenlijk pas nadat hij in 1976 was gestopt met werken aan het schrijven over zichzelf toekwam ,,Dat muoit my
no wol. Ik hie der wol boeken oer folskriuwe kriuwe kind".

Vis.

De Vries gaat er even goed voor zitten, alsof hij zijn spijt over dat gemis in een middag van zich af wil praten. De plakboeken met oude foto’s krantenknipsels en andere zaken over het Lemmer van vroeger, liggen binnen handbereik voor hem op tafel. Vis daar draait het om in zijn vertellingen. Tenslotte was Lemmer voor de afsluiting van de Zuiderzee een vissersdorp bij uitstek en belandde ook Evert al op jeugdige leeftijd in een van de vele rokerijen en nettenmakerijen, die het dorp toen rijk was. Een jaar
of zeven veel ouder zal hij niet geweest zijn. Want zo verzekert hij, het was nog ver voordat de eerste wereldoorlog uitbrak, dat hij in de nettenmakerij van omke Jan Pen, duizend knopen legde voor een dubbeltje.

De dagen waren lang vooral in de haringtijd of die keren dat het aanbod van ansjovis groot was. "Wy moasten fjochtsje foar us brea" stelt Evert die weinig begrip kan opbrengen voor het geweeklaag van de tegenwoordige mens die met atv wordt groot gebracht, vast. De tijden mochten dan slecht zijn en het leven hard, het weerhield het arbeidersvolk er niet van om tijdens het werk liederen te zingen. De herinnering aan dat gezang tijdens het werken in 'De Hang' tovert een glimlach op 'De Vries' lippen  "Sa moai as it doedestiids op’e Lemmer wie" Er valt een stilte waaruit mag blijken dat het Lemmer van nu nooit kan tippen aan het Lemmer in de jaren dat Evert nog ’jongfeint’ was.

Maar de klad kwam in de visserij...Door de Afsluitdijk werd de Zuiderzee IJsselmeer en stonden Evert en zijn maten op straat. En dat allemaal aan het begin van de jaren dertig een periode die de geschiedenisboekjes is ingegaan als crisistijd bij uitstek. Evert woonde bij zijn schoonouders in en kon derhalve fluiten naar een uitkering van de Zuiderzeesteunwet.

"Dan mar foar mysels begjinne" dacht De Vries, die nooit te beroerd was zijn handen uit de mouwen
te steken. Zo was hij timmerman werkte hij bij de waterleiding en zat hij ooit op een baggerschuit. Maar met vis heeft hij altijd een speciale band gehad.

Vergunning.

Het was dan ook niet vreemd, dat Evert de Vries in 1933 met een visbakkerij begon. Daarmee verwierf hij in korte tijd een grote vermaardheid in Lemmer en wijde omgeving. De 84-jarige heeft een simpele verklaring voor dat succes.
"Al sis ik it sels ik bakte in lekker fiskje". Dat was niet alleen de cliënten maar ook de collega-viskooplieden niet ontgaan. Evert ziet ze nog staan daar op de brug in het centrum van Lemmer,
Andries Visser, Jan Atsma en Anton Beljon. Woedend waren ze want bij hen was nauwelijks een klant verschenen, terwijl ze bij Evert de hele dag in rijen voor de deur hadden gestaan. "Het is afgelopen met die visbakkerij van jou" zei Visser die zijn beklag had gedaan bij de burgemeester want Evert had geen vergunning.
?"De oare moarn haw ik in gesellich petear mei de boargemaster han" herinnert De Vries zich. Ook de reis naar Den-Haag, waar Evert voor de keuringscommissie moest verschijnen, werd een onverdeeld succes. ?"Der wie fisk by, lykas snoekbears, dy’t ik noch nea sjoen hie. Mar de hearen hienen it al gau sjoen doe’t ik in bot klearmeitsje moast. Se seine "De Vries gaat u maar weer naar huis",  en de oare dei wie ik erkend fisksuteler". Hij zou dat tot en met 1976 blijven toen hij vanwege gordelroos gedwongen was met venten te stoppen. "As ik dat net krigen hie dan hie ik der no noch stien. Net om de sinten want dêr haw ik no dochs neat mear oan, mar gewoan om’t ik it graach dwaan mocht. Jo hawwe kontakt mei sa’n soad minsken no".

De zelfgebakken vis vormde niet het enige handelsmerk van Evert de Vries. Zomers was hij met de ijskar onderweg en om dat te bewijzen diept hij uit een stapeltje paperassen een oud boekje op 'Kasboek', staat er met sierlijke letters opgeschreven. De eerste notities dateren uit 1934.

"Handoeken foar 86 sinten wite petten 2,30 en sân wite jassen foar 35 gûne" leest Evert voor. ?In tuorke wie ien sint, foar in gruttere frege ik twa sinten, in sjokodip wie trije of fiif en by my koene se in potsje iis foar in dûbeltsje krije" lepelt hij de vooroorlogse prijzen uit zijn blote hoofd op.

Evert mag dan meer dan tien jaar geleden opgehouden zijn met venten, verkopen doet hij nog elke dag. Zo nu en dan kan hij het niet laten even bij te springen in de kleine kruidenierswinkel, van zijn zoon Johannes met wie hij samenwoont in de woning achter de winkel. Zijn schoonvader begon het winkeltje in 1912 en diens naam (Schirm prijkt nog altijd op de winkelruit. Daarop valt ook te lezen dat ’skoanheit’
ooit als bakker is begonnen, maar brood wordt er aan de Nieuwburen al lange tijd niet meer gebakken.

Praatjes worden er wel gemaakt en daarvan moet Evert het als stukjesschrijver hebben. Als de winkelbel de binnenkomst van een klant verraadt, gebeurt het niet zelden dat de klant in kwestie niet voor de handelswaar van Johannes, maar juist voor Evert is gekomen. Ze komen overal vandaan meldt
De Vries senior niet zonder trots. "Dan wolle se efkes sjen wa’t no dy man is dy eltse wike in stikje yn’e krante skriuwt" glimt hij. Vaak zijn het kinderen of Kleinkinderen van oude bekenden.

Het is tijd om afscheid te nemen hoewel Evert nogmaals benadrukt nog uren te kunnen doorvertellen. "Moast hearre...Myn heit en mem hienen alve bern dus maklik hiene wy it thus net. Mar ik haw in moai libben hân. Sjonge in soad grappen en laitsje. Ik bin woftefreden. En as it sa bliuwt as it no is, dan wol ik noch wol fierder.

22-10-1987 Door Louis Westhof.

 

Evert de Vries (links) met zijn vaste metgezellen Jelle Bakker (midden) en Wiebren Visser.

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.