|
Ter
nagedachtenis aan mijn moeder, Baukje Visser,
geboren op 24 juni 1911 te Lemmer, overleden op 27
juli 2007 te Amsterdam.

Anneke Koehof.

Lemmerboot "De Jan
Nieveen"
Herinneringen
aan mijn kindertijd: Lemmer en de
LE 64.
We wisten
nooit of we wel of niet zouden gaan. Mijn vader
hield ervan om de spanning erin te houden. Mijn
moeder boos, de kinderen teleurgesteld, tot mijn
vader tegen de avond zei: "Nou ma, zullen we dan
toch maar gaan"? 'Ma' pakte de pan met het net
gebraden vlees en de overige bagage, dat was
niet zo veel, en daar gingen we om negen uur ’s
avonds met lijn 11 naar het Centraal Station.
We
rilden van de slaap en de spanning, maar daar,
aan de De Ruyterkade, lag de nachtboot naar
Lemmer! Het was in onze ogen een groot schip met
achterop een paar reddingsboten en een hoge
zwarte schoorsteen. Behalve passagiers en lading
gingen ook altijd enorme hoeveelheden fietsen
mee. Je kreeg een bonnetje met een nummer, dat
op de plaats van bestemming werd afgeroepen. Dat
was opletten geblazen want het ging in een hoog
tempo.
Je kon de
'Waalstroom' treffen, maar ook de 'Jan Nieveen',
waarop een neef van mijn moeder hofmeester was
en door die familieband waren we altijd
verzekerd van een plaatsje beneden in de
'damessalon'. Daar waren zachte banken, bekleed
met een ooit groen geweest pluche, waar mijn
vader steevast een vlo opliep. Daarboven was een
ruimte waar een kind, met een jas als bed en een
vest als kussen, makkelijk kon liggen en waar
je door de patrijspoorten het water kon zien
klotsen. Je sliep er heerlijk, door de deining
van het schip en de dreunende motoren.
Het kon er
erg benauwd zijn en één maal gooide tante
Annie, zo’n type dat graag de leukste thuis was,
een patrijspoort open, waardoor een golf
water naar binnen sloeg. De hofmeester die
alles moest opruimen was iets minder joviaal dan
gewoonlijk. In de Oranjesluizen schenen felle
lampen en de heen en weer lopende sluismeester
leek een geheimzinnige schaduw. Daarna voeren we
het IJsselmeer op, waar het pikkedonker was, met
hier en daar een geel flakkerde boei. Halverwege
de reis ontmoetten de beide Lemmerboten elkaar,
dan werden er groeten uitgewisseld en soms
ook manden met vis.
Wij kinderen
brachten de reis grotendeels slapend door en we
werden met moeite wakker als de boot ’s morgens
rond 5 uur afmeerde in Lemmer. Een broer van
mijn moeder wachtte ons op, zijn klompen en onze
voetstappen weerklonken over het water als we
over de bruggen het doodstille Lemmer in
klosten.
Wat was ik daar gelukkig. Alles was anders dan
in de grote stad: de geur, de geluiden, de
kleine huizen, de taal. Hoewel ik door
familiebezoek al jong met het Fries vertrouwd
was geraakt, waren de zangerige klanken toch nog
moeilijk te volgen. Het eten vonden we heerlijk.
Veel vis maar ook de typisch Friese gerechten
als pareltjebrij, suikerbrood, trommelkoek met
stroop en de lange repen koek.
Slaapdronken
liepen we naar de Vissersburen, waar mijn oom
woonde. Kleine huizen, waartussen nauwe stegen,
aan een brede vaart, De Rien. Je ging nooit door
de voordeur naar binnen maar door het steegje
'achterom'. Er hing een luchtje van het toen nog
overal gebruikte "hûske", een houten kist met
ronde deksel waaronder een tonnetje stond. In
het steegje was een laag deurtje waardoor de
"tonneman" de volle "hûsketonne" kon weghalen
en omruilen voor een schoon exemplaar.
In het gezin
woonde ook 'Beppe', de moeder van mijn tante,
een klein oud vrouwtje met een muts op en in het
lang zwart gekleed. Ze was tandeloos en had een
wrat op haar neus, ik wist zeker dat het een
heks moest zijn en was een beetje bang voor
haar. Langs een onwaarschijnlijk steile trap
gingen we naar zolder, naar onze slaapplaatsen.
Vaak zat ik
aan de kant van de vaart. Schepen voeren af en
aan en langs de wal lag dikwijls een 'skûtsje',
toen nog dag en nacht in bedrijf als beurtschip.
De hele familie huisde in de kleine roef, er
moest zoveel mogelijk plaats zijn voor lading
en dat ging ten koste van de leefruimte. Het
leek me geweldig om aan boord van zo’n schip te
wonen, alles zag er zo gezellig uit. De
raampjes waren piepklein met geruite gordijntjes
en als je naar binnen keek brandde er een
olielamp, want het was er altijd donker. Wat
wist ik toen van de armoe van deze mensen... Een
parlevinker voer behendig tussen de schepen door
om ze te bevoorraden met wat maar nodig was.
Een varende Winkel van Sinkel.
Ik kan me nog
de verbijstering herinneren toen we na een
nachtelijke boottocht uit Amsterdam ontdekten
dat de zo vertrouwde Rienvaart ineens was
veranderd in een eindeloze zandvlakte. Ze hadden
de vaart gedempt en nog altijd zie ik dat als
een verminking van de ooit zo karakteristieke
Vissersburen in het mooie Lemmer
Meestal
logeerden we echter aan de oude Zeedijk, daar
woonden de ongetrouwde broer en zuster van mijn
moeder in het ouderlijk huis, buiten het dorp,
in een rijtje van drie, naast een scheepswerf,
waar het water blauw zag van de olie maar
milieu-eisen kende men toen niet. Ook hier de
gebruikelijke steeg met het luikje voor de
tonneman. Als kinderen deden we wel eens stiekem
het luikje open als er iemand op het hûske zat.
Slapen deden
we op zolder. Als je door het raampje naar
buiten keek zag je de onafzienbare korenvelden
van de Noord–Oost polder. Emmeloord bestond nog
maar net, vroeger was hier de Zuiderzee. Bij
mistig weer kon je de misthoorn horen, een
spookachtig geluid. Ook voetstappen of het
geluid van een bromfiets hoorde je van ver
aankomen en dan weer wegsterven.
Een douche was er niet, wassen deed je met
ijskoud water aan het kraantje in de bijkeuken,
maar dat was toen heel gewoon. Wij hadden thuis
een doucheruimte, dat werd gezien als een grote
luxe, zelfs in Amsterdam gingen de meeste mensen
naar het Badhuis voor hun wekelijkse wasbeurt.
Wat hebben we
heerlijk gespeeld op die oude zeedijk. We
ravotten er, rolden van boven naar beneden ons
niets aantrekkend van de koeienvlaaien. Er lag
een watertje achter de dijk waar we dikke
palingen vingen, de mooiste vlinders vlogen er
en we lagen op onze rug naar de wolken te
kijken. In mijn herinnering was het altijd mooi
weer!
Moeders
broers waren, net als hun vader vroeger, visser.
Zij hadden een Lemster Aak, de LE 64, met
donkerbruine zeilen en een witte fok. Soms
kwamen ze 'onder zeil' de haven binnen, ik zat
al uren van te voren bij de oude vuurtoren naar
ze uit te kijken. In de haven hing de
karakteristieke geur van vis, palingrokerij en
taanderijen.
Er werd de
hele week gevist, een hard bestaan. Op
zaterdagochtend kwamen de schepen binnen,
Botters, Aken, Schouwen... De vis moest naar de
afslag en het dek werd schoon geschrobd. Wat een
prachtig gezicht was het als de hele
vissersvloot in de haven lag en de netten te
drogen hingen.

De
LE 64, op de achtergrond de Oude Vuurtoren.
In de
namiddag ging één van de ooms altijd even terug
om wat achtergehouden vis op te halen. Dat was
natuurlijk niet helemaal volgens de regels maar
ze deden het allemaal. Het was voor 'eigen
gebruik'. Nergens heb ik ooit zulke heerlijke
verse vis gegeten! De paling werd zelf gerookt
en we konden ervan eten zoveel we maar wilden.
Op
zondagavond gingen de vissers weer aan boord en
maandag, in alle vroegte, vertrok de vloot om
opnieuw de hele week op zee te verkeren. De
netten werden nog met mankracht binnengehaald en
menig visserman heeft daar zijn heupen op
versleten!
Het
allermooist vond ik de hardzeilerij. Dat waren
onderlinge wedstrijden tussen de vissers. Er
was dan kermisweek, zo’n ouderwetse kermis met
een zweefmolen en een echte rups en ook nog
'vechten met de beer'.
De
vissersschepen werden schoongemaakt, de motor
verzegeld en dan was het hardzeilen geblazen.
Niet altijd, want soms was het bijna windstil
en werden alle zeilen bijgezet. Dan ineens...
een licht zuchtje wind, en daar gingen de
gelukkigen juichend op de overwinning af!
Maar het kon
ook flink spoken en dan werd het uiterste van de
zeemanskunst gevraagd. De vissers konden
behoorlijk driftig zijn en gaven elkaar geen
strobreed toe, een aanvaring was dan nauwelijks
te vermijden en de protestvlag werd gehesen. Met
trots kan ik vertellen dat mijn ooms menig keer
de fel begeerde wisselbeker in ontvangst mochten
nemen.
’s Avonds was
de prijsuitreiking in het Nutsgebouw en het
prachtige Friese volkslied, dat me nog altijd
ontroert als een van de mooiste liederen, werd
uit volle borst gezongen.
Helaas, door
de afsluiting van de Zuiderzee en de ook toen al
strakker wordende regels werd het voor de
vissers steeds moeilijker het hoofd boven water
te houden, waardoor de meesten tenslotte werden
gesaneerd . Hun boot werd voor een luttel bedrag
opgekocht en ze moesten maar zien om aan de wal
aan hun kostje te komen. Velen gingen werken bij
de Houtmolen of werden ingezet bij de aanleg van
de nieuwe Flevopolder.
Anneke
Koehof ©

|
Aan het
roer staat oom Andries (de vader van Annie
Meester-Visser) en daarnaast, met de hand op het hoofd
oom Wieb, diens broer. |


Weer een
Lemmer 64!
(Naschrift bij mijn herinneringen)
Ineens zie ik een groot vissersschip,
een trawler, met op de voorsteven LE 64.
Hoe kan dat nu? Er is toch maar één LE
64? Het schip ligt daar als een soort
uitdaging, past totaal niet op deze
plek.

Vroeger was er een kleine scheepswerf,
het Hellinggat, naast de drie
vissershuisjes, waarvan het eerste het
ouderlijk huis van mijn moeder was.
Op
die plek heb ik nog eens een jong
vogeltje uit het water gevist dat daar
hulpeloos in een plas olie lag te
krijsen. Wij hebben het diertje in een
met watten gevulde sigarendoos gelegd,
het gekoesterd en gevoerd met
kruimeltjes die het niet wilde nemen,
totdat het de al gebroken oogjes sloot,
waarna wij het met kinderlijke eerbied
begroeven.
En
daar ligt nu dat schip, het steekt als
een reus boven de huisjes uit. Het is
toch al vreemd op deze manier Lemmer
binnen te komen. Waar eerst een stille
weg langs de oude zeedijk liep heeft men
nu een rondweg gemaakt waardoor je op
een snellere manier de polder in komt,
vroeger een onafzienbaar korenveld en nu
een grote woonwijk.
De
huisjes van vroeger lijken er nu niet
meer te passen, zo wordt al bij voorbaat
de ongetwijfeld op handen zijnde sloop
voorbereid. Wie zal er nog protesteren,
ze staan als een vlag op een
modderschuit nog even stand te houden.
Later horen we hoe het zit. Omdat de
vissers indertijd zijn gesaneerd is het
nummer vrijgekomen en aan een ander
toebedeeld.
Het
blijkt dat de LE 64 vroeger ook een
ander nummer had, LE 58. Na de sanering
dachten de nieuwe eigenaren, die de aak
tot plezierjacht lieten verbouwen, dat
het wel origineel zou zijn om op de éne
kant LE 58 en op de andere kant LE 64 te
laten schilderen.
Toen een van mijn ooms, die vanaf zijn
elfde jaar op het schip had gevist,
later eens aan boord werd uitgenodigd,
weigerde hij daaraan gevolg te geven.
Eerst moest dat LE 58 eraf !

De rozen voor mijn
moeder zijn ter nagedachtenis op het graf gezet van haar ouders.
Home
|