|
Bevrijding
gevangenis Leeuwarden.
1940-1945
En
meer.....
Varen voor de
Duitsers? Dat nooit. We zijn niet gek!’
Scharnegoutum -
,,Verrek maar. We doen het niet.’’ Vader en zoon
Visserman twijfelden er niet aan. Varen voor de
Duitsers? Dat nooit! Nog liever lieten zij hun
vrachtschepen eigenhandig zinken. Vader Visserman
deed dat op het Koevordermeer, zoon Sierd Visserman
deed dat in de Alde Feanen. Sierd Visserman dook
onder, werd gepakt en gevangengezet, verhoord en
mishandeld, en bevrijd door het verzet tijdens ‘De
overval’ op het huis van bewaring in Leeuwarden. De
inmiddels 88-jarige in Scharnegoutum woonachtige
oud-schipper vertelt zijn verhaal.
Het moet rond Dolle
Dinsdag zijn geweest, 5 september 1944, als Sierd
Visserman en zijn vader Sierd liggen afgemeerd in
Amsterdam. Er is grote paniek onder de Duitsgezinde:
de geallieerden hebben Antwerpen al bevrijd en
trekken op naar het noorden. De Vissermannen willen
eigenlijk naar Fryslân, hun thuishaven is Sneek,
maar de wind komt uit de verkeerde richting en olie
is heel duur. Ze besluiten nog even te blijven
liggen.
Terwijl ze daar
liggen, komen er een paar Duitsers in een bootje
langszij. De soldaten willen de vrachtschepen nader
bekijken. Als vader en zoon over de tweetakt motor
opmerken dat die lang moet voorverwarmen, zegt een
Duitser: ,,Dat hoeft niet meer.’’ De Vissermannen
krijgen het benauwd. Er staat iets te gebeuren. Ze
besluiten niet langer te wachten en gaan direct naar
Fryslân terug. ,,Het duurt toch niet lang meer met
de oorlog’’, denken ze bovendien.
In Fryslân aangekomen,
blijkt dat de bevrijding niet aanstonds is. Een oom
en enkele anderen liggen met hun schepen al
verscholen achter IJlst en Visserman en zijn vader
sluiten zich bij hen aan. Ze liggen er met vier of
vijf schepen. Wanneer bij Nijezijl een locomotief
ontspoort en te water raakt, wordt de schippers
gevraagd de loc uit het water te tillen. ,,Zo’n
locomotief weegt tachtig ton, onze kranen konden
misschien elk een ton aan, dat was onbegonnen
werk’’, zegt Visserman. Op dat moment komt een
Duitse boot eraan. Een Duitser vraagt hun wat ze
daar doen. Als Visserman zegt dat ze de locomotief
uit het water moeten hijsen, verklaart de Duitser
hen voor gek. Die weet wel dat de schepen dat nooit
voor elkaar krijgen. ,,Ik weet wel iets beters voor
jullie te doen’’, zegt hij. Hij neemt de papieren
van de schippers in. Ze krijgen te horen dat ze naar
Harlingen moeten varen. ,,De bedoeling was dat we
tussen Harlingen en Den Helder gingen varen, wanneer
dat nodig was. Wij wisten toen wel hoe laat het was:
we moesten voor de Duitsers varen. We zeiden tegen
elkaar: we zijn niet gek, we smeren ’m!’’
Vader Sierd Visserman
laat zijn schip, Nieuwe Zorg, zinken op het
Koevordermeer, net als een neef. Zoon Sierd
Visserman neemt contact op met zijn schoonouders in
Earnewâld en besluit daar heen te varen. Ze halen
met hulp van dorpsgenoten ’s avonds het schip leeg;
kookgerei, gereedschappen, scheepsonderdelen gaan
van boord. Tussen de Hooidammen bij Oudega (S.) en
Earnewâld draaien ze ’s nachts de kranen van de
machinekamer open en laten ze het schip, de Actief
geheten (voorheen het beurtschip Stad Sneek),
zinken. De onderste helft verdwijnt onder water, het
woongedeelte steekt nog boven water uit.
Sierd Visserman en
zijn echtgenote Trijntje Wester duiken onder in
Earnewâld. Ze zijn tegen de orders van de Duitsers
ingegaan en het zal hen duur komen te staan als ze
worden gepakt. Na enige tijd gaat het geluid door
het dorp dat de Duitsers van plan zijn razzia’s in
Earnewâld te houden. Daarop besluit Visserman onder
te duiken op het nog begaanbare deel van de Actief,
met in totaal zes personen. Het zal verraad zijn
geweest, Visserman weet het nog altijd niet, maar op
een dag komt er een boot met zes Duitsers en een
Nederlander aan varen. Ze worden onder schot
gehouden en gesommeerd het schip te verlaten. De
onderduikers worden naar het hoofdkwartier van de
Sicherheitsdienst (SD) in het Burmaniahuis in
Leeuwarden gebracht.
De dan 28-jarige Sierd
Visserman wordt in een schoolgebouw aan het
Wilhelminaplein diverse keren verhoord en
mishandeld. De bezetters willen weten wie hem de
opdracht heeft gegeven het schip te laten zinken.
Aan het antwoord dat dit op eigen initiatief is
gebeurd, hebben de Duitsers geen boodschap. Naar hun
idee moet het verzet er achter zitten en ze willen
weten wie. ,,Daar hebben ze me goed te pakken
gehad’’, zegt Visserman over de mishandeling. ,,Het
was zo: als je je kleren aan mocht houden, dan
noemden de Duitsers het een ‘licht verhoor’. Als je
je kleren uit moest doen, dan moest je oppassen.’’
Hij mocht zijn kleren aanhouden, maar bij de
verhoren werden wel zijn tanden uit zijn mond
geslagen.
Visserman belandt in
het huis van bewaring De Blokhuispoort in
Leeuwarden. Ondanks de beveiliging slagen gevangenen
erin briefjes naar buiten te smokkelen. Voordat hij
de Actief liet zinken, heeft Visserman belangrijke
onderdelen zoals de oliepomp eruit gehaald en
begraven in een tuin in Earnewâld. Als hij hoort dat
hij hierover zal worden ondervraagd door een hoge
Duitse officier, weet Visserman briefjes naar buiten
te smokkelen met de opdracht de onderdelen op te
graven en in de buurt van het schip neer te leggen.
Komen de onderdelen niet boven water, dan zal
Earnewâld er van lusten, is de verwachting. Familie
en kennissen uit het dorp doen wat hij vraagt,
waarop hij tijdens het verhoor naar eer en geweten
kan vertellen waar de Duitsers de onderdelen kunnen
vinden.
Het loopt tegen het
einde van het jaar 1944. Visserman zit opgesloten in
het huis van bewaring. Hij zit met tien andere
gevangenen in een cel waar normaal vier mensen
zitten opgesloten. Op de avond van 8 december horen
ze veel lawaai in de hal. Even later gaat de celdeur
open en een man zegt: ,,Sierd Visserman. Meekomen.’’
,,In de gevangenis was
inmiddels duidelijk dat als je ’s avonds uit je cel
werd gehaald, je dan niet terugkwam. Ik dacht dus
echt dat het met me was gedaan. Maar toen ik beneden
in de hal kwam, stond Piet Oberman daar.’’ Oberman,
bekend onder de verzetsnaam Piet Kramer, was een
kennis van de schoonouders van Visserman. Hij leidt
de overval op de gevangenis. ,,Hij lachte naar me en
zei: ‘Do komst der út, ouwe seun!’ Nou, dan gaat er
iets door je heen…dat heb ik in mijn leven niet meer
gevoeld.’’
Bij de
gevangeniskraak, die later bekend werd onder de naam
‘De overval’ worden in totaal 51 gevangenen door het
verzet bevrijd. Sierd Visserman is een van hen, zijn
tien celmaten moeten achterblijven.
Als de kraak in volle
gang is, verschijnen er twee SD’ers met echte
gevangenen voor de gevangenispoort. De verzetslieden
laten ze binnen, overmeesteren de Duitsers en zetten
ze in een cel. Visserman herkent een van die
Duitsers als lid van de groep die hem heeft opgepakt
toen hij zat ondergedoken op de Actief. ,,Ik wilde
achter hem aan gaan, maar ik werd tegengehouden. ‘We
willen geen gedonder hier’, werd er gezegd. Ja, dan
heb je jezelf even niet onder controle’’, zegt
Visserman nu bijna verontschuldigend.
Na de bevrijding uit
de gevangenis, komt Visserman gedurende een week of
zes op een onderduikadres aan de Aagje Dekenstraat
in Leeuwarden, bij de familie Miedema. Daarna komt
hij bij de familie Malda in Blije terecht. Hij gaat
dan door het leven als een vluchteling uit Nijmegen
met de naam Popke de Groot. Zijn vrouw, inmiddels
bevallen van hun eerste dochter, zit al die tijd in
Earnewâld in spanning. Nooit heeft zij geweten waar
haar man was.
Het schip de Actief
belandt nog tijdens de oorlog in Duitsland,
meegenomen door een Lemster aannemer die voor de
Duitsers werkt. Dankzij zijn connecties komt
Visserman aan een Engelse permit waarmee hij naar
Duitsland kan reizen. Het schip, zo heeft iemand
zijn vader verteld, ligt in de Weser bij Stolzenau,
een plaats ten westen van Hannover. De aannemer uit
Lemmer ligt met zijn woonark in de haven even
verderop. Visserman gaat met de man praten. ,,Er is
niets gebeurd, we hebben alleen gepraat. Maar waar
ik ook heen ging, hij ging overal mee naar toe.’’
Visserman wil zijn schip terug, maar met de Lemster
in zijn kielzog krijgt hij niets gedaan. Totdat de
man een tijdje weg is. ,,Ik ben toen naar een
Nederlandse officier gegaan en heb hem verteld wat
die aannemer allemaal heeft gedaan en dat hij in
Nederland werd gezocht. Daarop is de man opgepakt.’’
Als hij laat weten dat
hij zijn schip terug wil, wordt Visserman gezegd dat
hij naar Hamburg moet gaan om het schip vrij te
krijgen. In juni of juli 1945, dat weet hij niet
precies, is de Actief weer van hem. Dankzij zijn
connecties kan hij dit zo snel voor elkaar krijgen,
een paar maanden na de oorlog. ,,Bij schippers die
de officiële weg moesten bewandelen, heeft het veel
langer geduurd.’’
De Actief was er
slecht aan toe. Het moest eerst compleet worden
gerepareerd. Dat gebeurde bij scheepswerf Bijlsma in
Warten. Pas een jaar later voer de Actief weer.
Visserman en echtgenote, die samen drie kinderen
kregen, voeren tot 1956 met het schip. Toen lieten
ze een ander schip bouwen: de Alfosi. De naam is een
samenvoeging van de eerste twee letters van de namen
van de drie kinderen.
Overval van de KP
op het Huis van Bewaring in Leeuwarden. 51
gevangenen bevrijd.
Lange tijd had Tineke Quarré-Spoelstra uit Kollum
niet door welke rol haar vader precies had gespeeld
in de oorlog. Inspecteur van politie Gatze Spoelstra
was niet zo mededeelzaam over die periode; een ware
politieman die zich aan zijn ambtseed hield. Pas op
latere leeftijd kwamen er steeds meer verhalen los.
En toen drong het door dat haar vader in die donkere
oorlogsjaren als politieman een dubbelrol speelde én
welk aandeel hij had in de overval op het Huis van
Bewaring in Leeuwarden op 8 december 1944. Gisteren
stonden zij en haar zuster Janneke de
Schiffart-Spoelstra met zo’n honderd anderen stil
bij de zestigste herdenkingsdag van De Overval met
een bijeenkomst in gevangenis Blokhuispoort.
,,Op latere leeftijd vertelde hij wel iets meer over
zijn werk. Omdat ‘het toch verjaard’ was, zei hij
dan. Maar over de oorlog vertelde hij niet zo
veel’’, zegt Tineke Quarré-Spoelstra. Hij zat
natuurlijk ook in een lastige positie. Een
vaderlandslievende politieman die werkte onder de
Duitse bezetter. Janneke de Schiffart-Spoelstra
beseft dat haar vader in zijn functie als
politie-inspecteur veel hoorde en die informatie kon
doorspelen aan het verzet. ,,Een dubbelrol die hij
zwijgend volbracht, de hele oorlog door. Dat zal
niet gemakkelijk zijn geweest’’, aldus De
Schiffart-Spoelstra.
Gatze Spoelstra en andere verzetslieden hadden één
duidelijke ‘opdracht’: ,,Men diende te zwijgen.
Alles wat je wist, kon tegen je gebruikt worden en
dat kon mensenlevens kosten.’’
Politie-inspecteur Spoelstra speelt in het einde van
1944 een belangrijke rol in de voorbereiding van de
overval op het Huis van Bewaring door het verzet. De
verzetslieden hebben het boude plan om een overval
te plegen op de strafgevangenis, maar nog geen
antwoord op de vraag: op welke manier komen we
geweldloos binnen? Dat antwoord komt van politieman
Spoelstra. Wanneer arrestanten van het politiebureau
naar de gevangenis worden overgebracht, moet een
insluitingbevel worden overhandigd. Spoelstra zorgt
voor een bevel, dat wordt gekopieerd. ,,Maar de
formulieren waren genummerd’’, weet De
Schiffart-Spoelstra, ,,dus na het kopiëren moest het
origineel worden teruggelegd op het bureau. Dat was
ook een taak van mijn vader.’’
Ook is het Spoelstra die zijn blik laat gaan over de
vluchtroute die de mannen van het verzet hebben
opgezet. De gevangenen moeten na hun bevrijding in
een bootje stappen en via de grachten vluchten.
Spoelstra weet dat deze methode veel te veel tijd
gaat kosten en keurt die af. De ontsnapping moet
over land plaatsvinden en voor spertijd zijn
afgerond, vindt hij.
Op 8 december 1944, kwart voor zes, arriveren
politieman Joop Willemse (schuilnaam "Berend") en
een collega met drie ‘gevangenen’ en het
insluitingbevel bij de poort van de gevangenis in
Leeuwarden. Kort daarvoor is de wacht van het Huis
van Bewaring door een handlanger telefonisch gemeld
dat drie zwarthandelaren worden gebracht. De drie
zijn in feite leden van de Knokploeg (KP): Piet
Oberman, Jelle Visser en Wim Stegenga. Eenmaal
binnen overmeesteren ze de wachten, laten ze hun
kompanen binnen en bevrijden ze in totaal 51
gevangenen.
Zestig jaar later wordt nog altijd stilgestaan bij
die dag. Goffe Hoogsteen (84) uit Surhuizum was de
enige verzetsstrijder die deze herdenking kon
meemaken. De twee andere nog levende ‘overvallers’
Hylke Pauw en Hendrikus Rypkema wonen in Canada en
waren niet aanwezig.
Hoogsteen legde gisteren een krans bij de
gedenksteen aan de Keizersgracht. Verder werd de
bijeenkomst bijgewoond door nabestaanden en
notabelen. Het doet Tineke Quarré-Spoelstra
verzuchten: ,,Het zou wel eens de laatste herdenking
kunnen zijn.’’
Dat zal niet gebeuren als het aan burgemeester Dales
van Leeuwarden ligt. ,,Moed tot verzet is ook in ons
land een actueel thema: het verzet tegen de
aantasting van de vrijheid van meningsuiting’’,
aldus Dales. ,,De bedreiging van de vrijheid is niet
weg. Het is goed dat we De Overval jaar in jaar uit
blijven herdenken.’’
Gerben Oppewal
(1919-1998) was werkzaam bij de marechaussee te
Franeker; vanaf 1942 was hij als buitenlid van de
verzetsgroep Lever vooral op K.P.-gebied actief. Hij
was onder meer betrokken bij de eerste overval op
een distributiekantoor in Joure in oktober 1942,
later bij de overval op het kantoor in Workum en ook
bij de bekende overval op de gevangenis in
Leeuwarden. Daarnaast verzorgde hij als chauffeur
van een vluchtauto het transport van neergekomen
piloten. Hij vervulde de functie van Districtsleider
van de Binnenlandse Strijdkrachten. Hieruit is
voortgekomen dat hij een vertrouwensfunctie kreeg
bij de stichting 1940-1945, waarvan hij ook
bestuurslid werd.
Wilhelm Artur
Albrecht - Duitse SD-chef met tientallen
executies op zijn naam
Wilhelm Artur Albrecht
(roepnaam Artur) werd geboren in het Duitse Penzig,
in 1903. Voor de oorlog werkte hij als
politiecommandant, eerst bij de gewone politie en
vanaf 1935 bij de Gestapo. Als SS-Hauptsturmführer
werkte hij tijdens de oorlog op verschillende
plekken in het almaar uitdijende Duitse Rijk. Via
het Belgische Gent kwam hij in september 1944 in
Nederland terecht, in Leeuwarden. Daar leidde hij
tot vlak voor het einde van de oorlog het zogenaamde
‘Aussenkommando’ van de Sicherheitsdienst en
Sicherheitspolizei. Hij was in die functie
verantwoordelijk voor de handhaving van de orde in
de provincie Friesland. Geen eenvoudige klus, want
in de laatste oorlogsmaanden was het verzet daar in
volle gang.
Zijn zoon Wolfgang
heeft hem in 1943 voor het laatst gezien. Hij
herinnert zich: “Voor ons kinderen was hij lief,
maar streng. Er was geen kwestie van tegenspraak,
zoals nu bij mijn eigen kinderen”. Een autoritaire
man, maar ook “zeer intelligent en zeer
kunstzinnig”. Goffe Hoogsteen, een oud-verzetsman
uit Friesland, is minder genuanceerd over Albrecht:
“Hij was een echte rotmof, laten we het zo maar
zeggen.” Hoogsteen was betrokken bij de
legendarische overval op de Leeuwarder gevangenis in
december 1944 (bekend van de film De Overval). Hij
kent verschillende mannen die door het
Aussenkommando van Albrecht zijn geëxecuteerd. Zelf
is hij mishandeld tijdens een verhoor op het kantoor
van Albrecht. Hoogsteen herinnert zich: “Ik was nog
maar net binnen en er kwam zo’n dikke Belg op me toe
[meegekomen uit Gent] en hij zei tegen me: ‘Jij bent
een terrorist’. Ik zeg: ‘Wat is dat, een terrorist?’
Hij zei: ‘Dat weet je dondersgoed.’ En toen heeft
hij mij heel de strot naar binnen geslagen.” Ruim
zestig jaar later heeft hij er nog steeds last van.
Albrecht zat er bij en
keek er naar. Zelf deelde hij ook geregeld klappen
uit bij verhoren, maar het meeste werk liet hij door
zijn ondergeschikten uitvoeren. Net als bij Pieters
kwam het toebrengen van brandwonden regelmatig voor,
maar ook het bijna verdrinken van gevangenen in een
grote bak water, om hen aan de praat te krijgen. In
de strijd tegen het verzet leidde Albrecht niet
alleen zulke ‘verscherpte verhoren’, maar voerde hij
ook het bevel over represaille-executies. Elke keer
wanneer het verzet een geslaagde actie pleegde
antwoordde de SD met een genadeloze represaille. In
de laatste oorlogsmaanden executeerde het
‘Aussenkommando’ van Albrecht zo tientallen
verzetsstrijders en andere gevangenen, die vaak
betrekkelijk willekeurig uit de gevangenis waren
geplukt. De grootste massa-executie was in Dokkum,
waar Albrecht op 22 januari 1945 twintig man buiten
in de sneeuw liet fusilleren.
Op 14 april 1945 –
Pieters zat net een dag in Loosdrecht – vluchtte
Albrecht weg uit Leeuwarden. Friesland was al voor
de helft bevrijd; de komst van de Canadezen was nog
maar een kwestie van uren. Omdat de weg naar het
oosten was afgesloten, reed Albrecht met een paar
collega’s naar het westen van Nederland waar ze zich
tot het einde van de oorlog schuil hielden. Op 5 mei
werd Albrecht in Aerdenhout gearresteerd. Hij droeg
het uniform van een onderofficier, maar het duurde
niet lang voor hij werd herkend als de beruchte
SD-chef uit Leeuwarden. Vier jaar later begon zijn
proces voor het Bijzonder Gerechtshof van
Leeuwarden.
Jitske van der Laan
werd door de Duitsers in Leeuwarden op gepakt.
Jitske bracht geheime boodschappen rond per fiets
door Noord Fryslân. Met de Overval op de gevangenis
in Leeuwarden, 8 december 1944, werd zij met 50
ander gevangen bevrijd. Ook was er haar broer Jo van
der Laan, hij deed Knokploeg werk en spionage. Met
Gerrit Wondaal en vrienden heeft hij de lood zware
brandkast uit het gemeentehuis van Ternaard gehaald.
In deze brandkast zaten voedselbonnen om eten in de
winkels te kunnen kopen. Het geld en andere dingen
hebben ze nooit gebruikt. Want ze waren geen dieven.
Na de oorlog hebben ze de brandkast weer terug
gebracht. Twee van zijn vrienden waren hier niet
meer bij, zij waren in de oorlog doodgeschoten. Voor
de Rabobank gaat u de Schoolstraat in. In 1945 zou u
hier door het weiland lopen. Als u de Schoolstraat
uit loopt slaat u rechts af de Wânswerterdyk weer
in.
Naam -
Verzetsnaam - Toenmalige woonplaats - Toenmalig
beroep
Gerben Oppewal: Gerard - Franeker -
Marechaussee.
Joop
Willems: Berend -
Leeuwarden - Politie-agent.
Jelle
Visser: Jelle -
Leeuwarden - Chauffeur.
Pieter
Gerke Oberman: Piet
Kramer - Dokkum - Houthandelaar.
www.tresoar.nl
Wim
Stegenga: Wim - Sneek
- Timmerman.
www.tresoar.nl
Christiaan Hofing:
Arie - Alkmaar - Marechaussee
Egbert
Bultsma: Eppie -
Leeuwarden -Vertegenwoordiger.
Gerrit
Jan Niesing: Chris -
Delfstrahuizen - Waterpolitie.
Jan
Gerardus Visser:
Jelle - Sneek - Opperwachtmeester.
Pieter
Jan Stavast: Cor -
Nieuwe Pekela - Marechaussee.
Piet
Schuddeboom: Piet S -
Leeuwarden - Inspecteur R.B.H.
Reeskamp,
Gerard Reeskamp, alias Harry,
verzetsstrijder.
Gerard Adrianus Reeskamp
(Utrecht, 13 augustus 1899- Soest, 26 maart
1970) was een Nederlands verzetsstrijder
tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gerard
Reeskamp was actief in het verzet vanaf 1940
in Naarden en Bussum en vanaf begin 1941 in
(Zuid-West) Friesland. Hij richtte diverse
verzetsgroepen op, waaronder samen met Theo
Dobbe de actiegroep Reeskamp, en was hoofd
dekkingsploeg bij de overval op de
Leeuwarder gevangenis. Dr. Loe de Jong noemt
hem in een brief aan Wybenga één van de
eerste en belangrijke verzetsstrijders van
Nederland. (Bron: Wikipedia)
Eigen
website:
G.A. (Gerard)
Reeskamp (1899 - 1970)
Jantinus
Pieters: Tinus -
Broek in Waterland - Garagehouder.
Ernst
Hendricus Rob: Ab -
Rotterdam - Opperwachtmeester.
Hans
Deinum: Hans - Workum
- Handelaar.
Goffe
Hoogsteen: Theo -
Surhuizum - Meubelmaker.
Ale
IJtsma: Johan -
Stroobos - Schippersknecht.
Hendrikus Rijpkema:
Henkie - Sneek - Boekhouder.
Jan
Barendsma: John -
Huizum - Sportleraar.
Willem
Leijstra: Antoon -
Drachten - Kruidenier.
Hepke
Paauw: Klaas -
Gerkesklooster - Klompenmaker.
Jacob
Abels: Frits -
Gerkesklooster - Bakkersknecht.
Simon
Cuipers: Marten -
Echtenerbrug - Matroos.
Tjitse
van 't Zet: Jaap -
Oosterend - Terpbaas.
Johannes Kolf:
Jodocus - Westmaas - Politie-agent.
|