Home
De Lemmer
Verhalen, feiten, historie...
Wie zoekt Wie ?
Gastenboek
Contact
Links
Wilt U een
pagina (artikel) of een foto, willen kopiëren voor schoolverslagen - privé
gebruik: neem dan even contact op.
Mijn man Thomas Berends Tijsseling. Geboren 1892
Geschreven door A.Tijsseling Haagsma. Geboren 1891
Tijdens mijn onderzoek ( Durk Hak) ben ik in contact gekomen met een echtpaar, beiden bijna 90 jaar. Zij woonden en werkten in de jaren twintig in Lemmer. Zij waren bereid hun 'levensgeschiedenis' te beschrijven. Deze volgt hieronder, zonder commentaar van mijn kant. Slechts een heel enkele strikt persoonlijke zaak is weggelaten. Hun verhaal is tot stand gekomen door zeer intensieve correspondentie.

Thomas en Aaltje Tijsseling op oudere leeftijd. Met dank aan Gerard Tijsseling.
Thomas Berends Tijsseling en Jacob Visser, zoon van Sake de Rus, hebben de bond van Transportarbeiders in de Lemmer opgericht omstreeks 1919 of 1920. De tram had toen al een bond. De bestuurder daarvan was een Kuipers, afkomstig uit Dedemsvaart, een doordouwer, wij mochten hem graag. Mijn man voer op de Lemmernachtboot op Amsterdam. Voor ƒ 9,— per week, vaak in geen weken een vrije zondag thuis. Nooit volledige nachtrust, om de drie uur aflossen. Storm of geen storm altijd varen. Lemmer 's avonds negen uur. Amsterdam 's avonds acht uur. Vaak weken van over de 100 uren werken. Geen overuren werden betaald. Er werd veel door het personeel gestolen, want met twee huishoudens van zo'n loontje eten ging niet. Ik heb altijd tegen mijn man gezegd, wat jullie aan boord opeten moeten jullie weten, maar niet met wat thuiskomen. Toen de bond was opgericht was er een afspraak gemaakt: 55 uren werken, daarna overuren uitbetalen. Mijn man had op donderdag al zijn 55 vol. Ze wouden niet de overuren betalen. Om vier uur 's middags moest hij de boot komen laden. Hij ging niet, en de twee anderen ook niet. Kapitein Schaafsma is nog geweest. Ze werden toen geschorst. Ze hebben geprobeerd mijn man te bepraten om de bond op te geven, dan zouden ze hem spoedig kapitein maken. Ook kon mijn man terugkomen maar de twee anderen niet. Maar Thomas zei: alle drie terug of anders geen een. Daarop volgde ontslag, 17 weken zonder werk. Wie waren er in de bond, zult u vragen. Wat vissersknechts. De vissers konden bij de hangbazen terecht, een afslag was er niet. De hangbazen werden rijk. Mijn man had eens een gesprek met Jurjen de Rook. Hij betaalde zijn werkvolk een goed loon. Ja, ja, de afspraak was 45 uur werken, maar ze werkten er 90 uur voor 't goede loon. Ook heeft mijn man de ziekenhuisvereniging in de Lemmer opgericht. Daar kan ik ook nog het een en ander over uit de doeken doen. Sinds 1926 wonen we in de Bilt, er was voor ons geen brood meer in de Lemmer. Mijn man is in 1922 of 1923 in Zeist gaan werken op een beurtveer van Zeist op Amsterdam. Nog drie jaar heb ik met de kinderen op de Lemmer gewoond. Altijd hoopte hij nog naar de Lemmer terug te kunnen. Later is hij 28 jaar bij de Amstelbrouwerij geweest als schipper varende op Den Haag, Utrecht, soms ook Den Helder. Ik ben van 1891, mijn man van 1892. Ik heb ze allemaal gekend. Oude Pier de Boer en zijn vrouw. Ook Jelle Calsbeek en zijn vrouw."

Lemmer, de binnenhaven bij de aankomst van de Jan Nieveen.
"De grootouders van mijn man komen uit Gaasterland. Godsdienst: gereformeerd. Ze zijn jong overleden, lieten zes kinderen na. De vader was politie of koddebeier zoals ze het toen noemden. Het had iets met stropers te maken. De kinderen werden toentertijd uitbesteed bij andere gezinnen voor 75 cent per week. De vader van mijn man is toen nog met een jongen uit een ander gezin uitbesteed geweest bij mijn grootouders van moeders zijde. Moeder kwam ook uit Gaasterland. Mijn schoonvader heeft later voor de Oost getekend, is daar acht jaar geweest. Kwam terug met berrie-berrie, zo noemden ze dat daar. Woog 80 pond, kreeg ƒ 4,- pensioen per week, is boerenknecht geworden, op 40-jarige leeftijd getrouwd met mijn schoonmoeder, die toen 25 jaar was en Bergsma heette. Haar tweede moeder was een zuster van haar
man. Mijn man is de oudste van de acht kinderen die ze gekregen hebben. Hij is in Gaasterland geboren, maar later zijn ze naar de Lemmer gekomen, visserknecht was hij toen. Ook ging hij wel naar Duitsland in de stallen werken. Heeft ook wel met mijn vader gras gemaaid bij de boeren in de Lemmer. Twee broertjes van vier en driejaar zijn in een week tijd aan de mazelen overleden. Als de nood erg groot was liep mijn schoonvader wel eens in een dag heen en terug naar Leeuwarden, om zijn drie maanden pensioen te halen, dat scheelde twee dagen bij de Lemmer.
Nu mijn ouders. De vader van mijn moeder werkte in de bossen van jonkheer van Swinderen, ƒ 5,— per week, gezin van negen kinderen. Beppe was van roomse komaf. Is Nederlands Hervormd geworden, een broer van haar was predikant in Amsterdam. Stegenga heette hij, moeder heette Smink. Beppe (grootmoeder) was onbezoldigd vroedvrouw, ze heeft een kleine 200 kinderen ter wereld geholpen. Voor een paar kwartjes hielp ze. Ze verloste de vrouwen op de vloer, op een strozak of een bos stro. Ze hebben op kleine boerderijtjes gewoond, later. Ook aan de Otterweg. Zijn in Kuinre terecht gekomen. Was pake (grootvader) koster en doodgraver en had beppe een kruidenierswinkel. Als kinderen liepen we in de vakantie daar naartoe: drie uur lopen langs de zeedijk. Nu over mijn vader. Hij was negen jaar toen hij zijn vader verloor, de oudste van vijf kinderen. Beppe was toen 29 jaar. Pake Jacob was timmerknecht bij Hendrik Visser, de vader van Hillebrand Visser, die waren verwant aan de familie De Boer van de helling. Pake vatte een kou, dat werd tbc, ruim een jaar heeft hij op een bank voor het raam gelegen. Het jongste kind volgde hem kort daarop. Een jongetje dat op de jongste volgde kwam bij een zuster van zijn vader. Haar man was Pieter Visser en was timmerknecht bij Hendrik Visser. Ze hadden maar één kind, een dochter.
Ringsteken op de Straatweg. Mijn overgrootvader met dezelfde naam als ik zat in de organisatie hiervan (op de foto de man met hoed en baard die in de camera kijkt) Volgens mijn vader zat hij in het bestuur van de toenmalige oranjevereniging of zo. Het spektakel speelde zich af bij de boerderij die op de plaats stond waar nu de hervormde predikant woont (hoek Straatweg/Markerstraat). Foto Hillebrand Visser, Lemmer
Maar Bouwe, zo heette hij, is maar 20 jaar geworden, ook tbc. Beppe kreeg van de gemeente ƒ1,50 ondersteuning per week. Ook wou de hervormde kerk haar f1,50 per week geven maar dan moest mijn vader als negenjarige boerenknechtje worden. Bij de derde boer op de Lemsterstraatweg, hereboer was hij en heette Visser, Bouke of Maarten. Later woonde hij naast Zandbergen op de Nieuwburen. Hij rentenierde en was van de hervormde kerk en ging daarover. Beppe Joltje nam dat niet. Jan, mijn vader ging naar school, al was het toen een armenschooltje. Een onderwijzer, meester Visser, in het latere brandspuithokje bij de hervormde kerk. Beppe nam een houten juk op haar schouders met twee zware broodmanden, brood van bakker Hofman. Ze ging op klompen de boer op, tot drie boeren voorbij het tweede brugje. Schoonmaken deed ze bij Gaastra, ook Gerber genoemd. Kinderen ter wereld helpen. Ze zei wel eens tegen ons: die heb ik het eerste hemd aangedaan en die. Vader had een goed verstand en kon goed leren. Al gauw zei de meester tegen hem: Jongen zou je niet
eens wat voor je moeder gaan verdienen, je weet net zoveel als ik. Vader ging met een aadje, zo noemden ze dat vroeger, dat was een houten bak, met nuchtere kalfsniertjes op stap. Hij kwam bij scheerbaas Iekema en daar zat zijn pake van moederszijde, die voogd over hem was. Hij liet van schrik de bak vallen en rende weg, want er zat een flink pak slaag voor hem op. Vader is toen bij apotheker Hoofdman gekomen die woonde waar later Wafke Koopman woonde, boekhandel en drukkerij. Daar moest hij flesjes spoelen en medicijnen rondbrengen. Een dochter van Hoofdman was de eerste apothekeres van Nederland. Ze ligt begraven in de Lemmer, het stond op haar steen. Later werd vader knecht bij Folkert Verbeek, verver, maar die had zelf drie zonen die in het vak kwamen."
"Nu mijn man zijn jeugd. Geen vak geleerd. Christelijk onderwijs gehad, lager natuurlijk, ook op de knapenvereniging geweest. Als oudste begon hij met hek openen op de Plattedijk. Tuinjongen bij Siemen Visser, in de nettenbaan bij Jan Pen, grasmaaien met z'n vader, lag soms in het gras van vermoeidheid, kind van 14 jaar, bij de boer in de hooibouw gewerkt, in de polder, bij het waterschap, baggermolen, zoetwater visser, Zuiderzeevisser. Toen dan de diensttijd bij de marine, lichting 1912, een prettige tijd. Vier landen aan de Middellandse Zee bezocht. Toen op de nachtboot. Het ging boven zijn krachten. Kreeg een ongeluk: een zak rijst viel uit de takel op zijn been. Zes weken Binnengasthuis. Het been was niet goed gezet en is toen nog weer gebroken en opnieuw gezet. Nog 20 weken. Toen gelukkig herhalingsoefeningen, in augustus 1914 in dienst tot mei 1917. O ja, mijn man heeft als jongen van 16 jaar in Heerenveen in de gevangenis gezeten. Wat had hij gedaan? Dit. Hij was bij Wietze van der Bijl in dienst, die was binnenvisser. Ze hebben in verboden water gevist. Hij had het wel gepacht maar mocht in dat jaargetijde niet met dat soort netten daar vissen. Als je knecht was viste je op deel, dan had je wat en dan weer niks. Het was toen boete betalen of zitten. Moeder had geen geld. En Wietse van der Bijl en zijn 16-jarige zoon Jouke en Thomas gingen het cachot in. Van de Bijl nam kapotte netten mee, het was een slappe tijd. Hij zei toen: de kost hebben we gratis (al is het water en brood), thuis is het ook geen vetpot. ... Nu mijn jeugd: als vierde kind van mijn mem en heit: het zijn er tien geweest: acht meisjes en twee jongens. Vader was 25 jaar toen hij trouwde, moeder was 22. Het was moeten. Vader boerenknecht, had kost en ƒ2,50 in de week.

Een bakkerij in de Schans te Lemmer.
Ze kwamen bij beppe Joltje in, in een éénkamerwoning. Vaders broer was ook nog thuis. Moeder bij beppe in de bedstee slapen, vader bij zijn broer. Een meisje werd er geboren, ziekelijk, is ruim een jaar geworden. De tweede weer een meisje, heeft enige dagen geleefd, het hoofdje was niet gesloten. Ze hadden intussen een eigen woning gehuurd in de Pietersbuurt bij de Singel. Een gulden huur, een gulden afbetalen bij Koksma voor een kast en een paar stoelen. Vader had de kost en kreeg als er gekarnd werd een emmertje karnemelk met een klontje boter. Er was een roggemolen waar later de gasfabriek kwam. Ze haalden dan voor een kwartje vijf pond roggemeel en aten dan de gehele week roggeneprippe, zo noemden ze dat op zijn Lemsters. Dat andere kwartje was voor het begrafenisfonds en licht en vuur en wasmiddelen. Ze zijn naar de Schans verhuisd want ze konden de huur niet betalen. Kwamen bij Jelle Nijholt voor enige maanden in een klein achterkamertje terecht. Het was een blokje van drie huizen. Jelle Calsbeek heeft daar in een van die huisjes gewoond. Hij was toen visserman. Zijn moeder woonde op de Vissersburen. Annemieke heette ze en had daar een klein lapjeswinkeltje, zo noemden ze dat vroeger. Nijholt had een rijtje huisjes gekocht, de tweede steeg voorbij de oude roomse kerk. Veertig gulden huur per jaar. Het was een goede huisbaas, als je mei maar gelijk was, dan was het in orde. Dat steegje was zo nauw, als kinderen klommen we met de rug tegen de ene en de voeten tegen de andere muur naar de dakgoot. Twee buurvrouwen konden elkaar niet passeren, ze waren altijd in verwachting of hadden een uitgezakte buik van het kinderen krijgen. Als zesjarige zat ik al op een stoof bij beppe sokken te breien voor anderen, om een paar klompjes te sparen.
Ik ben wat lang draderig, maar u vraagt naar vroeger."

De reinigingsdienst te Lemmer 1953: 'de tonnen''.

Reinigingsdienst, 1953 Vuilstorten in de schuit.
"Nu mijn jeugd. Ik weet nog dat mijn zusje dat op mij volgde en ik op een keer moesten bidden: Here zegen deze spijze. Amen. Maar er was geen kruimel brood. Moeder huilde. Het oudste zusje was niet sterk, kreeg wel eens een hapje van beppe. Vader was niet meer bij de boer, werd sjouwerman, altijd de weg op om werk. Dat stukje dam dat van de Spuisluis naar de Kuinderdam loopt, dat toen het Hop heette, Jan Pen had dat aangenomen, en Gerrit Hellendoorn was de uitvoerder. Vader was in de werkverschaffing lag daar in de winter op een oude zak puin te kloppen, dat moest tussen de basaltblokken, hij verdiende ƒ 2,50 in de week. Wij brachten hem in een keteltje wat warm cichoreiwater, moeder had geen geld voor koffie. 's Zomers ging hij gras maaien, kwam op het einde van de week naar huis, sliep dan in zo'n poepetentje,
dat was een tentje waarin Duitse arbeiders ('poepen'), die 's zomers hier gras kwamen maaien sliepen. Woensdags brachten mijn zusje en ik hem dan wat eten, verder leefden ze op een stukje brood en een stukje spek. In een drinkbak van het vee was wat water en de boer bracht wel eens karnemelk. Soms alleen in hun onderbroek stonden ze daar in het zweet huns aanschijn hun brood te verdienen. Dat was nog voor we naar school gingen. Als vader thuis kwam had hij een stukje spek bewaard voor ons. Voor Hette Blok haalde hij wel vee op bij de boeren, soms wel van Schoterzijl af. Been mijn kleine zusje en ik, ik ben Aal, vader noemde ons wel snip en snap, gingen mee om achter het vee aan te drijven. Ook ging hij als het storm was midden in de nacht, als het buitendijksveld volliep, het vee eruit halen. Van alles deden we maar niet schooien. We verbeeldden ons niks maar we waren erg trots. Niet de hand ophouden. Moeder heeft er ook wat afgewerkt bij een ander. Ze is maar 59 jaar geworden. Vader 66 jaar. Wij haalden schillen op, bij iemand de straat schrobben, voor een cent poepluiers uitspoelen in de Rien. Voor drie cent dinsdags een emmer boter halen bij de boterfabriek. Voor beppe brood rondbrengen wel naar de oude helling en naar Turfland. Onze beppe heeft altijd eigen brood verdiend tot ze op 77-jarige leeftijd overleed. De laatste drie maanden was ze bij vader en moeder. Er was toen een ouderdomsrente van drie gulden voor mannen als ze 65 waren. Oude weduwen kregen niks. Vader en zijn broer, de twee die over waren van de vijf, mochten een aandenken uitzoeken, het andere was voor de gemeente omdat ze in die jaren ƒ 1,50 onderstand gehad had. Wij zijn op de openbare school geweest, prima onderwijs. Naar zondagschool, ook vragen lezen op zijn Fries schrijf ik dat, naar meisjesvereniging. Onze ouders waren er erg voor dat we naar school gingen. Want toentertijd was nog maar net de leerplicht ingevoerd. ... Wat liepen er toentertijd oude stakkers rond met een oude versleten kinderwagen. Oude Tet liep met wrak potgoed, er was een pottenbakkerij op het Turfland. 's Winters zaten ze ook wel op het ijs met een theestoof waarop een ketel anijsmelk. Ieder moest maar zien hoe hij aan de kost kwam. Als je jong bent dan is arm erg maar oud en arm is het verschrikkelijkste wat er is. Toen ik 12 jaar was kwam ik van school. Meester Martens haalde de begrafenispremie op bij mijn moeder. De meesters hadden ook geen vetpot. Hij zei tegen mijn moeder dat het zo jammer was dat ik niet doorleerde. Ik moest er voor blokken maar wat ik wist vergat ik nooit meer. Ook had ik graag verpleegster willen worden maar bij de diaconessen moest geld toe worden betaald. Ik kwam bij bakker Zieger Hofman. 's Morgens om zeven uur op stap met oud brood.'s Middags moest ik daar in het huishouden werken. 75 Cent per week.

Havenbeeld met vrachtschepen te Lemmer.

Plein bij hotel 'De Wildeman' te Lemmer.

Netten repareren als er even tijd voor is.
Ben er heel kort geweest. Niks dan poffen. Wat ik tekort kwam moest ik bijpassen, ging van mijn loon af. Toen bij slager Koning in de Schans. Vleeshaken schuren. Grote houten emmers met luiers midden in een bijt in de Rien uitspoelen. Beppe heeft me nog een keer geholpen, die woonde daar dichtbij. Het eten was er goed, maar twee jongens aten het midden uit het brood en dan werden de korsten op mijn bord geschoven. Ik lustte ze wel maar ik was een trots kreng. Ik kwam toen weer thuis, was toen 13 jaar. Mevrouw Zoete had toen een dienst voor me bij Frederik Wegener Sleeswijk. Ik kwam daar als tweede dienstmeisje. 50 Cent per week. Er werd bij verteld, dat als je iets brak, dan moest je dat betalen. Het haar op een knotje, strak achterover, geen kuifje, geen kammetje of broche. Had ik ook niet. Katoenen japonnen, witte en bonte schorten, leren pantoffels, behoorlijke lange rokken. Ook zondags moest ik komen."
"Nu over museum en vesting Huize Sleeswijk, daar heb ik een prima opleiding gehad. 50 Cent per week, maar zonder kost. Ik begin bij maandag: half acht beginnen, ook wel zeven uur. Wat heb ik daar moeten werken. Om negen uur een boterham, daar was een kwartier voor. Onderwijl groenten schoonmaken. Dan maar ploeteren tot twaalf uur. Soms kreeg ik een kopje koffie maar lang niet altijd. Het was heel sober wat voor de keuken werd verstrekt, en dan nog van het aller goedkoopste. Dan naar huis voor middageten, half twee terug en dan weer van alles en nog wat. Wel eens stoppen in een oud karpet, dat alleen zondags op de keukenvloer kwam. (Wel een twaalf stoppen), Kippen met kokend water overgieten en dan plukken. Zilver en koper poetsen. Slaapkamers doen, po's schoonmaken. Bad vol pompen, naar de bel lopen, boodschappen doen. Ik heb wat hakken en zolen versleten daar. De ene dag naar de ene bakker, de andere dag naar een andere. Bij de een roggebrood en meel in een vaatje. Bij een ander beschuit in een trommeltje. Daar brood. Bij een ander een klein brood, de een kruidkoek, de ander weer Weesper moppen.

Begin van de Korte Streek.
Ook wel eens een paar eierdooiers halen bij bakker Brouwer. Er werd om vijf uur een warme maaltijd gegeten. Ook de grote meid at dan mee. Ik moest dan opdienen en kleine werkjes doen. Na afloop werd er dan een plakje vlees voor mij afgesneden, een klein schepje groente en een aardappel als dat over was. Anders moest ik Reina maar vragen of er in de keuken nog wat was. Heel vaak niet. Dan weer werken tot half acht. Dinsdags, woensdags en donderdags moest ik drie keer per dag komen opdraven. Half acht beginnen, twaalf uur tot half twee haar huis, dan vier uur weer naar huis, halfzeven tot half acht, soms ook acht uur. Vrijdags en zaterdags weer net als maandag. Maar dan moest ik 's middags het hekwerk aan de voorkant van het huis met water afboenen. Ook moest ik dan tussen de 50 en de 60 houten emmers vol water pompen en sjouwen. De grote meid moest dan schrobben maar vaak ging ze naar de keuken, en ik maar straat schrobben. Voor, opzij en achter het huis. Die twee dagen kreeg ik weer een klein kliekje te eten. Zondags om acht uur beginnen tot een uur. De grote meid ging naar de kerk. Ik ging dan 's middags, mocht dan op de plaats van mevrouw zitten. Zelf ging ze nooit. Ik zat wel deftig naast de gegoede stand, 's Avonds halfzeven terug komen voor kleine karweitjes. Als er loges waren was ik er in de kost, mocht ik met de andere meid mee eten. Maar ik maakte dan ook dagen van morgens zeven uur tot soms 's avonds negen uur. O ja, er was ook bedeling 's winters. Als het water dicht lag dan was er een paar weken (op zaterdagmorgen) bedeling. Ik kreeg dan een lijst om de namen aan te tekenen en f1,- aan stuivers en halve stuivers. Ik moest dan wel 20 keer naar de deur als er gebeld werd. Meestal waren het vrouwen, niet van vissers. En ook niet die stille armoede leden. Maar vrouwen van vissersknechten en van de hangen. Ze gingen naar meer, onder andere de Straatweg bij de boeren, om voor de zondag een snee brood bij elkaar te schooien. Ook moest ik bij een paar weduwen met kerstmis een gulden brengen, ik denk dat ze de adressen van de kerken hadden, want mijn grootmoeder was er niet bij. Toen ik daar diende heeft ze twee keer een gulden gehad. Er was toen ook veel tbc in de Lemmer, ja overal geloof ik. Ik moest eens wat gesneden rollade brengen bij Sake de Rus, waar een dochter en zoon met die ziekte lagen. Ook zijn ze eraan gestorven. Er stierven er toen veel. Ook knechten die op de helling werkten. Twee kinderen en een kleinzoon van Pier de Boer. Trijntje die met smid van der Wolf was getrouwd, en ook Jelte, dat was geloof ik de jongste zoon van Pier de Boer. Ik word er akelig van om ze allemaal op te noemen. Soms drie in een gezin, allemaal van die jonge blommen. Ook is er een tyfus epidemie geweest in 1906 of 1907. Allemaal barakken op de Gedempte Gracht. Er bleven er nog al wat wezen achter.

Nieuwburen te Lemmer.
In een paar gezinnen de vader en de moeder. Nu weer over de bedeling. Ik moest eens een paar koude aardappelen en een kruimeltje vlees bij een paar oude vrouwtjes brengen. Ze likten dan het schaaltje uit. O ja, winters was er ook wel eens soepuitdeling in 't armhuis in het Achterom. Snert of bonensoep, ook wel koolsoep. Dat werd door de vader en de moeder gekookt. Ook was er een meneer van de Juliusstichting daar werd dan met kerstmis roggebrood en ik geloof een bon voor kruidenierswaren uitgereikt... "Een boek zou ik wel kunnen schrijven wat daar aan pronk was. Maar ook hoe daar gewerkt moest worden. Er waren toen nog geen moderne hulpmiddelen. Alles wassen op de hand, mangelen, persen en strijken. Ook op je eerlijkheid werd je onderzocht.

Oude panden te Lemmer aan de Zijlroede

idem maar het pand op de bovenste foto is vervangen
Je werd gewoon in verzoeking gebracht. Nu schiet me te binnen dat met nieuwjaar het personeel van de molen kwam voor een borrel en sigaar. Het zullen wel de voormannen en die in opleiding waren zijn geweest. Dat grote complex winkels op de Schulpen van de Nieuwe Dijk tot de Lange Streek was van Sleeswijk, met een grote tuin erachter die liep tot de Pottebakkerssteeg. Er is toen een stuk afgegaan t.b.v. de Tuinstraat. Boerderijen, die van Roelevink, maar ook in Blokzijl, met een viskolk waar ze karper in uitzetten. Toen ik er driejaar was moest ik eigenlijk plaats maken voor een ander, maar mevrouw vroeg me nog een jaar te blijven voor 75 cent per week. Ik deed dat ook al omdat je als je in zo'n dienst bent geweest je daar verder in wilt gaan. En die diensten waren er niet veel in de Lemmer. Toch ook de trots datje niet in de hang of bij een bakker of slager diende. Maar waar je het van kost vaak beter had. ... Ook mijn oudste broer Jaap kwam van school af voor opleiding houtzager voor 50 cent per week naar de houtmolen. Ik was net voor het achtste jaar verhuurd toen ik zware longontsteking kreeg. De dokter kwam de eerste dagen drie maal per dag. Hij vreesde voor mijn leven. Mijn vader waakte 's nachts bij mijn bed. In januari in een erge kou lag ik in een klein kamertje op een hele grote zolder. Zes weken heb ik daar gelegen. Mijn haar is nooit verzorgd. Toen moest ik voor zes weken naar huis om op te knappen, daar werd toen ƒ2,50 per week voor betaald. Ik was niet genezen, ik had vocht in mijn zij en heb lange tijd met een pleister met zalf erop gelopen. Toen moest ik weer volop aan de slag. De vrouw van Roelevink gaf me als ik melk haalde een kop melk. Tegen de dokter moest ik liegen, ik moest vragen om de rekening en zeggen dat ik het zelf moest betalen. Ik kreeg het dan terug. Ik heb het de dokter verteld en hij rekende hun toen maar f 8,-. Dat was een heer en mens, die ver boven hen stond. Hij is maar heel kort in de Lemmer geweest. Dat was dokter Dillewijn. Maar toen het nieuwjaar was heb ik ze de dienst opgezegd. Geen negende jaar. Ze hebben me nog drie maal gevraagd te blijven. Want dat was hun nog nooit gebeurd dat een dienstbode bij hun de dienst opzei. Ik heb gezegd ik moet het aan de grote klok hangen als jullie een aalmoes weggeven, maar voor een dienstbode hebben jullie niets over. Negen maanden later is meneer overleden. Ze hadden toen al de tweede grote meid en die ging ook met drie maanden weg. Ik ben toen naar Amsterdam vertrokken als keukenmeid en zuster Leen als tweede meisje in dienst van de spoorgod. Die had het hele goederenvervoer van de Hollandse spoorwegen onder zijn beheer. Een goed mens, mevrouw, was een dienstklopper. We moesten op de klok werken. Dat heb ik haar gauw afgeleerd. We hoorden later dat ze voordat wij daar kwamen nog een bellehitje had gehad voor de morgenuren. Daar kreeg ik weer longontsteking, maar ben daar prima verzorgd in de ziekenverpleging op de Prinsengracht.

Het stoomschip Jan Nieveen van de dienst Lemmer Amsterdam.
Door de huisdokter en ook nog een specialist. Zes weken in het ziekenhuis. Zes weken naar hun buitenhuis Huize 't Huil in Tongeren bij Epe, waar ze huisbewaarders hadden. Dat landgoed Tongeren was net zo groot als Amsterdam. Het was van de familie Rouwenhof, waar wij dienden. De bossen grensden tot Apeldoorn aan de bossen van prins Hendrik..." "In Amsterdam ben in 2 jaar gebleven. Het werd me te zwaar. Ik ben naar een nicht van meneer Rouwenhof gegaan voor een halfjaar, dat was in den Haag. Mei 1915 ging ik naar Amersfoort, huize Endelijck, bij de familie Beijnen. Er waren drie dienstboden voor dag en nacht. Ik was daar keukenmeid. Drie maal per dag koken. Die waren heel goed voor hun personeel, ook voor hun tuinpersoneel. Wij zijn in februari 1917 getrouwd. Ik was bijna 26 en Thomas bijna 25 jaar. Ik had wat gespaard. Thomas moest nog tot mei in dienst blijven. Ik kreeg toen ik tien dagen getrouwd was f 11,-, zo iedere tien dagen. Mijn schoonmoeder met twee kinderen kreeg f 13,- om de tien dagen, een dubbeltje per kind per dag. We woonden in de 3 de Parkstraat, nieuwe huisjes maar niet veel bijzonders, ƒ 1,50 huur per week. Oktober 1918 zijn we naar de 2de Parkstraat verhuisd, waar later ook Jelle Calsbeek kwam te wonen. Hij was toen directeur van de visafslag. Eerst was dat Gerard Platte, de derde was Pier Meier. De vissers moesten toen belasting betalen, van te voren niet. Van Sake de Rus werd de aak aan de ketting gelegd. Hij wou niet betalen. De vissers hadden het over het algemeen niet zo slecht. Altijd hadden ze wel een visje, wel hadden ze een zwaar bestaan. Maar er werd ook veel gedronken. Mijn vader was zo langzamerhand in vaste dienst bij Jan Pen. Voor ƒ 7,- in de week, in de ansjovistijd een paar gulden meer, maar dan werkte hij ook dag en nacht. Jan Pen was erg voor de geheelonthouding, maar vader moest zondagsmorgens naar de kroeg van Boukje Meier in de Schans om het taangeld te beuren. Vader werd dan wel een glaasje aangeboden, maar hij nam nooit meer dan twee. Hij had liever een dubbeltje om huisbrand te sparen voor de winter. Nu over het socialisme op de Lemmer. Dat was al jaren aan de gang, al in de vorige eeuw. Bij Andries de Blauw hing een afbeelding van Domela Nieuwenhuis aan de wand in de huiskamer. De de Rooks, Jan Pen, de gebroeders Visser en nog meer heetten socialisten. Mijn man noemde hen salonsocialisten. In 1918 begon het los te branden. Eerst de Spaanse griep, door ondervoeding zijn er toen meer gestorven dan er in vier jaar gesneuveld zijn. Wij hebben ook de griep gehad, maar we hadden beiden een goed doorvoed lichaam. Eenheidsworst, rotte veen aardappelen, dat was het voedsel van de gewone man. Die wat geld had kocht zwart. Onze regering was de grootste schuldige, alles werd verkwanseld. Toen in 1918 begon het overal los te branden. Ze namen het niet meer. Erop of eronder. In de Lemmer begon het op de boten. Met vervoer van watten dekens die overal opgekocht werden. Die werden dan gezuiverd. Die watten dienden als verbandwatten. Ze zaten vol met vlooien. De bemanning stond 's nachts naakt op het dek om zich van die vluggertjes te ontdoen. Mijn man had een nieuwe Engels leren kiel aan. Daarmee aan kwam hij thuis, vol met vlooien in het ruige aan de binnenkant. Ik had Thomas liever voor ƒ7,- in ander werk gehad, dan ƒ 9,- op de boot, maar hij had geen vak geleerd. Wel heeft hij leren nadenken wat voor een leven Jan Boezeroen had. Een moderne bond moest er komen. Met nog een paar mensen en de meester van de openbare school die hen van advies diende. Nauta uit Leeuwarden een van de hoofdbestuurders is nog een paar keer bij ons geweest. Er kwamen sprekers naar de Lemmer. Ze gingen naar meatingen. Naar Amsterdam. Van heinde en verre. Op pantoffels, gelapte kleding. Er waren er toen over de 80-duizend. Geen wanklank gehoord. Vrijheidsliederen zongen ze.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, dominee, socialist, anarchist, maar voor alles strijder tegen maatschappelijk onrecht. Domela Nieuwenhuis had een bijzondere band met Friesland: hij was in 1870-1871 predikant in Harlingen en sprak regelmatig op propagandabijeenkomsten. Hij had veel aanhang in zuidoost Friesland, waar het kiesdistrict Schoterland hem in 1888 als eerste socialist in de Tweede Kamer koos en de veenarbeiders hem vereerden met de titel 'ús Ferlosser'.
Overal in Friesland. In Beetsterzwaag zijn de Lemsters ook geweest en op nog veel meer plaatsen. Het was vechten tegen kapitaal en kerk. Ik heb al geschreven hoe mijn man zonder werk kwam. 17 Weken lang. Er is toen een staking bij de Lemsterboten geweest. Drie weken lang dat heeft de maatschappij duizenden guldens gekost. Maar zolang ze 40 procent dividend konden betalen was het voor hen niet erg. Voor ons wel, wij hadden niks. Driejaar lang heeft mijn man geprobeerd werk te vinden in de Lemmer. Lemmer en Friesland was hem alles. Volgende week hoop ik te vervolgen. De tranen schieten me soms in de ogen." "Naar aanleiding van uw verzoek om meer informatie betreffende het socialisme en communisme op de Lemmer moet ik u eerst een verhaal schrijven van de tijd dat ik de leeftijd van 20 had bereikt. Ik ben van de lichting 1912 en heb van augustus 1912 tot en met maart 1913 mijn dienstplicht vervuld bij de marine. Nadat ik afzwaaide ben ik bij de lemmerboot in dienst gekomen. Dat was hard werken voor weinig geld, en gemiddeld 100 uren en meer. Een slavenbaan zult u wel begrijpen, maar dat allemaal daargelaten. In april 1914 ben ik voor een maand op herhalingsoefening geweest, en heb toen mijn dienstplicht als vervuld beschouwd. Tot in 1914 de eerste wereldoorlog uitbrak. Ik ben toen tot mei 1917 weer bij de marine geweest. Ik ben toen afgezwaaid en weer bij de lemmerboot in dienst getreden. De toestand was daar nog het zelfde. Ik heb toen met enkele medestanders de afdeling Lemmer van de Centrale Transportarbeiders opgericht. Ik wil geen namen noemen want ik ben bang dat ik er een of twee vergeet. Later heb ik nog de stoot gegeven tot de oprichting van de ziekenvereniging. Ik werkte toen al in Zeist. In die tijd heeft mijn vrouw 17 weken in het Academisch Ziekenhuis in Groningen gelegen. We hebben het zelf moeten betalen, dat was ƒ 90,- per maand. En de ziekenauto kostte ons ƒ 88,-. Later heeft mijn vrouw ƒ 25,- terug gehad van het groene kruis. Van 2 ziekenverenigingen in Friesland had ik de reglementen en statuten opgevraagd. Daar het meeste van overgenomen en aangevuld met enige artikelen zoals ik dacht dat het moest worden. Ook daar kwam ik in conflict met de anderen, met onder andere Esseling, toentertijd in Lemmer. Ik heb nog kranten van de Zuid Friesland met ingezonden stukken van dokter Esseling en anderen, tot zover dit dan eerst maar. De socialisten werden toen vertegenwoordigd door de de Rooken, de Blauwe, gemeentesecretaris Daan en J. H. de Vries, veehandelaar en raadslid voor de partij, en de Vissers, aannemers, en nog wat mindere goden. Toen dan de acht uren dag een feit was kwam ik als voorzitter van de bond in conflict met de socialistische top. De Rook en anderen lieten de mensen werken 80 a 90 uur in de week. Toen ik daar over begon, verklaarden ze dat ze de mensen goed betaalden. Ja maar voor twee maal 48 uur. Toen was de boot aan. Het draaide uit op een knokpartij. Zo dat was het einde van mijn socialist zijn. Ik heb daarna met Jacob de Rook en anderen de afdeling Lemmer van de communistische partij opgericht. Ik ben evenwel niet lang lid geweest, want de partij discipline lag mij niet, dat zodoende."

J. H. de Vries, veehandelaar en raadslid voor de partij
"Nu ik weer. Mijn man heeft u deze keer het een en ander geschreven. O ja, op de helling waren ook veel socialisten. Onder ander de broers van je overgrootmoeder Grietje de Boer. Harmen en Makke, dat weet ik niet, wel Klaas en Francien, Durk en Annie, die uit Sliedrecht kwam, en Hendrik en Anna Bouma. Ook op de houtmolen waren er. Ze probeerden allemaal met het oprichten van een muziekkorps, voordrachten in het nutsgebouw (het gebouw van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen), door Klaas de Rook en een van de gebroeders Peereboom (kleermaker). Klaas had meer jongens, haast allemaal muzikaal. In September had je vier dagen kermis. 's Woensdags was het hardzeilen op zee en donderdags ringsteken op de Straatweg. Er waren er dan wel eens een paar dronken. Ze waren naar de loggers geweest op de Noordzee en hadden wat geld verdiend. Sietse Luiking zat toen in de gemeenteraad en wou de kermis afschaffen, maar dat ging niet door. Hij zelf mocht wel plezier hebben. Hij was gereformeerd, maar ging met zijn vrouw naar het paarden spul. Jan Pen en Johannes Sterk zaten ook in de raad. Sterk was armmeester, daar werd nogal veel aanmerking op gemaakt. Allemaal hadden ze huizenbezit. Van Doede Gaastra en Pieter Martens de Vries ging het gerucht dat ze geld in de grond gevonden hadden, en het zelf in bezit hadden genomen. Gaastra had een rijtje huizen in de Schans, een steeg met negen grote gezinnen en maar één wc, en die stond vlak bij de deur van het laatste huis. Daar woonde Evert de Vries en Jantje Bergsma met 13 kinderen. Allemaal een kamer met portaaltje, twee bedsteden en zolder. Geen beschoten dak, enkel
pannen. Je hoeft niet naar de onontwikkelde landen te gaan, want wij waren de slaven van kerk en kapitaal. Nog zou ik op de bres staan met mijn 89 jaren. Ik zou het de jongeren toe willen roepen: dat nooit weer. Als ik geen geloof had gehad, had ik het niet kunnen volbrengen. Het geloof van mijn moeder: de weg van Jezus de grote verzetsstrijder."
"Eigenlijk weet ik niet waar ik in mijn laatste brief gebleven ben, maar er komt nog wel wat. Nadat mijn man 17 weken werkeloos is geweest, is hij een jaar bij Flevo geweest aan de wal. Toen die over de kop ging weer drie weken zonder werk. Hij kwam bij de gebroeders Visser als sjouwerman. Er werd mijn man gezegd dat zolang zij werk hadden, hij het ook had. Maar het duurde maar kort. Bij Albert Bosma kreeg het volk vijf cent per uur opslag. Dat wilde het volk bij Visser toen ook. Mijn man als voorzitter van de bond maakte daar toen werk van. Thomas kreeg weer ontslag. Ze hadden geen werk meer voor hem. Ook nog een poosje op de houtmolen gewerkt, daar heeft hij zelf ontslag genomen. Daar hield hij het niet uit.
Nergens geen werk voor hem op de Lemmer. Toen naar Zeist op een beurtveer op Amsterdam. Een kosthuis om de drie weken naar huis. Dat hield hij niet uit. Dan maar om de twee weken, toen om de week. Beter een halve boterham dan niks.
Midden in een strenge winter haalde hij me met de kinderen naar Zeist, naar dat kosthuis. Ons oudste kind heeft er een astmatische bronchitis aan overgehouden, waar we jaren mee getobd hebben. Nog eens een keer in de zomer. Toen nog eens een zomer in Amersfoort. Hij had altijd nog eens hoop om in de Lemmer terug te komen. Ik was vaak ziek. Ons derde kind en vierde kind, een tweeling moest geboren worden. Ik was bed patiënt, een meisje van 13 was mijn hulp. Eén gulden per week en de volle kost. Eén keer een theelichtje in de brand en één keer had ze de kachel zo opgestookt, dat de pijp stond roodgloeiend en de houten schoorsteenmantel stond te verkolen. Zij was naar huis. Ik rook het en kwam mijn bed uit. En ben ik in de kamer in elkaar gezakt. De dokter vond me daar, die heeft me naar bed gedragen en is toen naar mijn vader gegaan. Moeder was het jaar tevoren overleden. Zodra Thomas zaterdags thuiskwam moest hij bij de dokter komen. Ik moest naar het ziekenhuis. We moesten dat zelf betalen. We konden een renteloos voorschot krijgen. Het goedkoopste was Groningen ƒ 75,- per maand. Vervoer ziekenauto ƒ 88.- omdat we in het groene kruis waren kregen we voor de auto 25 procent terug. De twee kinderen moesten ergens onder gebracht worden. Een bij mijn vader en een bij mijn broer. 17 Weken ben ik daar verpleegd. Er was sprake van een drieling. Ik heb op drie verschillende afdelingen gelegen. Ook nog alleen op een kamertje. Wat een zorg hebben ze daar aan mij besteed. Alle edele delen waren zo in mijn lichaam door een grote bloedarmoede aangetast. Ik was 33 jaar, grijs van haar, mijn mooie gebit wat ik altijd zo goed verzorgde. Toen ik thuis kwam is ds Zoete bij mij geweest. Een dominee uit Groningen had hem geschreven. Maar Aaltje dat kan je toch nooit redden zo, met die vier kinderen. Ik zei nee, dat kan ik ook niet, maar ik zal het toch moeten. Je komt ook nooit in de kerk. Ik zei mijn man van huis, hoe kan ik dat dan. Ja maar de familie dan, kan die niet bijspringen. Mijn familie had mijn twee kinderen en man verzorgd die 17 weken. Dominee Zoete is nooit meer geweest. Jouw overgrootmoeder Grietje Calsbeek woonde schuin tegenover ons. Ze riep me eens bij zich. Ze vroeg me of ze me iets mocht geven voor versterkende middelen. Ik huilde toen en zei, voor mij heeft het leven geen zin, maar mijn man en kinderen, wat moet er van hen terecht komen. Als ik er niet meer ben. Ze gaf me toen f 10,-. Meester Molenaar van de roomse school kwam op een avond met tien eieren. En ik kon 14 dagen lang een liter melk nemen bij de melkboer. Meije Bosma, ook rooms, zei tegen zijn vrouw, als we soep eten breng je daar een bord soep, want je kunt dat mens dwars door de oren heenkijken. Mijn man heeft toen zo zijn best gedaan om een ziekenverplegingvereniging op te richten. Alles had hij tot in de puntjes geregeld. Gooitzen van der Laan bemoeide zich er mee. De premie was te hoog.

Er is toen een vereniging opgericht zoals zij dachten. Maar het andere jaar moesten ze de premie toch verhogen. Dokter Esseling en mijn man hebben toen nog een poosje in de Lemsterkrant tegen elkaar geschreven. Alles is nog bewaard, ook de postwissels die mijn man iedere maand naar het ziekenhuis stuurde, de terugbetaling van het renteloos voorschot en autovervoer. Wat hebben ze ons uitgeknepen, maar niet op de knieën. Een oprechte Fries knielt alleen voor God. De jeugd zou ik willen toeroepen: steek de handen uit de
mouwen, maar wees geen kruiper, dat nooit meer." 'Nu daar gaan we dan maar weer. Jouw grootmoeder (bedoeld is de grootmoeder van Durk Hak) had een winkeltje in de eerste Parkstraat. Je grootvader die op de houtmolen werkte kwam op straat te staan, want door wanbeheer van een van de kleinzoons van de oude Sleeswijk was het gedaan. Enkele vakbekwame, waaronder ook mijn oudste broer, gingen met Nauta de hoofdklerk over naar Bruinzeel in Zaandam. Enkel de kistjesfabriek bleef. Je opa ging met een kar met manufacturen de straat op. Je grootmoeder woonde in het keukentje met haar gezin, de kamer was haar winkel. Ook naaiwerk deed ze wel, en ook haar zuster Atsje. Dat waren doorzetters. Nu weer over ons gezin. Als ik daar over denk dan huil ik. Zal ik het in de doofpot doen. Ik was altijd ziek. Vier kleine kinderen, de oudste vijfjaar. Die deed 's morgens haar tweelingzus en -broertje een droge luier om. Stil maar memke,
zei ze dan. Kukje, ze heette Lutske, zal de kamer wel wat aanvegen met veger en blik. Ze was zo mager. Haar ruggengraat was net een kettinkje op haar rugje. Ze had bronchitis. Ik had een zware verzakking, twee breuken en galaanvallen. Maart 1926 ben ik in Groningen geopereerd. Een gezwel als een kinderhoofdje aan de galblaas. Het was op het nippertje. Van onderzoek zo op de operatietafel. De ziekenvereniging was er toen. Drie weken werd er voor mij uitbetaald. Eén kind was bij meester de Boer. Eén kind bij Klijnsma, die was bij de Lemsterkrant. Eén kind bij Pier Bijlsma, en één bij mijn vader. In juni 1926 zijn we vertrokken naar de Bilt, op aandringen van dokter Esseling. Het was beter voor ons oudste dochtertje. Mijn man heeft hem wat verwenst, want dat eerste jaar was het kind veel zieker dan ooit tevoren. Maar we zullen maar denken dat hij het met de beste bedoelingen heeft gedaan."