TERUG
De Drachtster vaart.
Door de toenemende welvaart in
West-Friesland en Holland, kwam er meer behoefte aan brandstof.
Op veel plekken-ook in een groot deel van Smallingerland lagen
pakketten veen, waar turf van te maken viel. Het laag gelegen
veen in het westen van de grietenij was moeilijk te ontginnen.
Voor turfwinning in de hoge venen in oosten ontbrak een waterweg
voor de af- en aanvoer.
Daarom sloten op 5 oktober 1641
de ‘ingesetenen van Suider- en Noorderdrachten ende Passchier
Hendriks Bolleman, coopman in ‘s Gravenhage’ een overeenkomst.
Bolleman verplichtte zich tot ‘het graven van een schipsloot van
het Coninxdyept tot in ‘t hoogveen’, met een dwarssloot (de
Noorder- en Zuiderdwarsvaart). In ruil daarvoor mocht
Bolleman turf winnen uit de oostelijke venen. Aan de nieuwe
Drachtstervaart kwamen veenarbeiders te wonen, vestigden zich
neringdoenden en verrezen bedrijfjes.(In 1649 wordt een akte van
verbintenis opgemaakt door Joannes van Crack, Saco Fockens,
Jacob van Runia als man van Amerentia van Oenema, Asswerus van
Vierssen als curator van Catharina van Oenema en Saco Teyens tot
interinement en uitvoering van hun octrooi tot het graven van
een vaart. Passchier Hendriks Bolleman, dacht met de ontsluiting
van de Hoogvenen een goudmijn aan te boren, maar ging er
uiteindelijk aan failliet. Bolleman liet twee verlaten bouwen,
het Buitenst en het Buurtster verlaat (de sluis Noordkade). Over
de doorgravingen van Hogeweg en Lijkweg werden houten bruggen
gelegd. Om het Kerkepad van de Noorder- naar de Zuiderkerk te
behouden, werden deze tegenover de latere Kerkstraat gemaakt.
Het werd in 1778 door een draaibruggetje vervangen dat zo'n jaar
of zestig dienst heeft gedaan.
De oude boerendorpjes
Noorder- en Zuiderdrachten waren al snel overvleugeld. Met de
bouw van een gezamenlijke kerk de huidige N.H. Kerk aan de
Zuidkade werd in 1743 één Drachten werkelijkheid.
Het vaart-contract was dus
eigenlijk tegelijk de geboorteakte van het tegenwoordige
Drachten. Voordat een graverij, de vervening als geheel, kon
beginnen waren meer voorbereidingen nodig. Door het natte
terrein was het niet mogelijk, om de turf langs een laan af te
voeren. Daarom moesten eerst zijtakken vanuit de dwarsvaarten
het veen in worden gegraven: de wijken en de dwarswijken, soms
met een zwaaikom voor de schepen. De wijken waren nodig voor het
ontwateren van het veen en voor de afvoer van de turf. De grond
die overbleef na het weghalen van de veenlaag werd later in
cultuur gebracht met mest en kalk. Van de kalkovens -waarin
schelpen werden verbrand tot kalk voor bemesting en de bouw- die
in Drachten hebben gestaan zijn de twee laatsten, die op
Buitenstvallaat stonden, in 1974 afgebroken.

Reconstructie van de rolbrug
aan het Oosteinde. Die was draaibaar terwille van het rijdend
verkeer. Voetgangers konden, zolang de brug in de (getekende)
ruststand lag, met behulp van de Wytskedraai alle kroegen en de
looierij op dit kruispunt bereiken. (Tekening J.J. Spahr van der
Hoek)
De brug aan het Oosteinde werd in
1693 gebouwd nadat daar aanvankelijk ook een 'heechhout' was
geweest. De nieuwe brug had een unieke constructie, want hij kon
naar twee kanten draaien en beflapte zodoende de noord- en de
zuidkant. De brug dreef op een waterbak. In 1859 ontwierp de
toenmalige gemeentearchitect D.D. Duursma een brug op rollen en
die had ook leuningen. Dat scheelde menige passant in de
avonduren een onvrijwillig bad.
Na het faillissement van Bolleman
in 1656, hadden de heren Jonkheer Feyo van Heemstra, Isbrandus
Ecofeen Berclooster de vaart in eigendom verkregen. Later nam
Ecofeen alle aandelen over. Van de wipbrug aan de Lijkweg maakte
hij meteen een hoge brug, om van de bediening af te zijn. De
burgerij protesteerde, want die hoge brug was een opstakel voor
voertuigen, en er gebeurden bijna dagelijks ongelukken. Men
daagde Ecofeen voor de rechter, maar die liet het niet zo ver
komen en trof een schikking. De overgang werd gemakkelijker
gemaakt en kreeg leuningen.
De bouwput voor de beide
ophaalbruggen, die de rolbrug in 1916 zouden vervangen.
De Wyskedraai kon toen
vervallen. Op de achtergrond de Christelijke Nationale school
van meester Homan.
Het schijnt toch niet zo'n goede
geldbelegging te zijn geweest, want in 1674 werd de vaart met
bruggen en verlaten en al verkocht aan Sjoerd van Aylva. De hoge
en vaste brug in het gebuurte vormde voor het verkeer een
lastige handicap en die werd pas verholpen door de jonge Tjaerd
van Aylva. Er werd een valbrug gebouwd, maar wel 65 duim boven
de begane grond, zodat kleine schepen er ongehinderd onder door
konden. Bij de passage van grote schepen waarvoor de brug open
ging, moest tol worden betaald.
De oplossing bevredigde niet en
het bleef tot 1778 behelpen. De toenmalige eigenaresse Marijke
Gurbus liet zich overhalen tot de bouw van een gewone flapbrug.
De schipper moest voor de bediening betalen, alleen veerschepen
mochten mochten kosteloos passeren. In 1862 werd de brug door
notaris Jan Gelinde van Blom aan het dorp Drachten verkocht, in
1931 aan de rijksoverheid, In 1932 vernieuwd en van elektrische
bediening voorzien en in 1964 bij de demping van de vaart
gesloopt. Hij had nog lang mee gekund, de onderbouw was zo
solide dat er springstof aan te pas moest komen om het te
slopen.
Wat betreft de doorvaart bij de
Heugewei hebben de Drachtsters ook heel wat te stellen gehad met
die Sjoerd van Aylva en zijn nazaten. De eerste had er maar een
pijp van gemaakt ( van daar de naam De Pijp of Pijpbrug), want
dat was voor hem de goedkoopste oplossing. In 1695 gelaste het
hof van Friesland hem de pijp te vervangen door een brug van
gelijke hoogte en breedte als de vorige vaste brug. Hij heeft
het waarschijnlijk weer voor een koopje gedaan, tot ongerief van
de turfvaart zodat de veenbazen in 1702 de kosten van verhoging
maar op zich namen. Van Aylva maakte die verbetering weer
ongedaan en kon op nieuw tol heffen. In 1710 maakte hij er een
valbrug van en toen moest iedereen betalen.
Enfin, als Drachtsers uit die
tijd vandaag de dag een boekje open konden doen over particulier
initiatief, privatisering en dergelijke eigentijdse,
zaligmakende maatregelen dan kregen we waarschijnlijk heel wat
te horen.
Wat de Pijp betreft heeft het
ongerief tot 1866 geduurd, want in dat jaar nam het dorp
Drachten de brug over en kwam het algemeen belang ook eens aan
zijn trekken. Zo is het aan de Bopperein gegaan, waar de
draaibrug in 1885 in overheidseigendom overging. Ondertussen
waren er door de toenemende bebouwing langs de vaart steeds meer
voetgangers bruggen nodig, de zogenaamde draaien. Zolang er
scheepvaart was, en die heeft tot eind van de jaren vijftig, zij
het steeds sporadischer geduurd- hebben die bestaan.
De laatste restanten van hoe het
eenmaal langs de Drachster vaart van Oost naar West geweest is,
treft men vandaag aan op Buitenst Vallaat: een stukje vaart, een
sluis en een ophaalbruggetje. Het werkt allemaal nog, maar de
sluiswachter annex brugdraaier is alleen op bestelling
leverbaar.
Het
begin van de Drachtster vaart in de eerste oorlog. Dit is de
eerste sluis, Buitenst Vallaat. Een halve eeuw geleden placht de
oud Drachtster, prof. Andries Verdenius, hier af en toe een
korte vakantie door te brengen.
De pijpbrug in het
draaibrugstadium, rond 1910.
|
Alde Dwarsfeart, wat
ha se mei dy dien?
Wyt Hynder
By de Hege Brêge oer
de Dwarsfeart te Drachten lei eartiids in dobbe. Dêr
spûke it, wie it sizzen. In âld man, dy't 102 jier
wurden is, ferhelle dat der nachts om tolf oere by
ljochtmoannerwaar in wyt hynder mei in brijpôt om e
nekke by dy dobbe kaam te drinken.
S.J. van der Molen,
Der waerd wol sein...Snits, 1952,p.38. |
|
De álde Dwarsfeart
Wêr't eartiids in
ikebeam him spegele yn ûs álde feart Wêr de Hege
Brêge noege, dêr ha ik it boartsjen leard Wêr de
eintsjes nochlik slobberen en ûs angelkoarkjes
dobberen Paradyske, wat ha ik faak fan dy beard.
'k Sil dy
wrychtich wier myn libben nea ferjitte, Alde
Dwarsfeart mei dyn skaadzjend beamtegrien, Want
dêr stiemyn äldershûs, ik wol it wol witte,
Moaier plak hat der foar my noch nea bestien. Sil
ek straks de nije tiid dy likwidearje en sil men
by dy omraak oan it sljochtsjen gean Dy mei
flats, trottoirs dan fiks modernisearje Alde
Dwarsfeart, yn myn herte bliuwst bestean.
Al de gloarje wêr't
Jan Planting him faak oan fernuvere hat Want dyn
hûskes yn it beammegrien dy liken sa apart Mei
dyn strûken en dyn sleatsjes en it feartspaad mei
dyn bertsjes Wêr't men straks allinnich noch in
print fan hat.
'k Sil dy
wrychtich wier myn libben nea ferjitte, Alde
Dwarsfeart mei dyn skaadzjend beamtegrien, Want
dêr stie myn äldershûs, ik wol it wol witte,
Moaier plak hat der foar mynoch nea bestien. Sil
ek straks de nije tiid dy likwidearje en sil men
by dy omraak oan it sljochtsjen gean Dy mei
flats, trottoirs dan fiks modernisearje Alde
Dwarsfeart, yn mynherte bliuwst bestean.
(Tekst: Harm de
Wilde; songen troch Ritske Numan,
orkestbegelieding: Jan Corduwener)
|
Ritske Numan zingt er een lied over met in het
refrein de steeds weerkerende vraag Alde Dwarsfeart, wat ha se
mei dy dien? Wel gedempt en vervolgens geasfalteerd. Men kent en
vindt haar standplaats niet meer, om met de psalmist te spreken.
Alleen de naam is gebleven.
Het lied Alde Dwarsfeart.
De Noorderdwarsvaart is gelijk
met de Drachster vaart gegraven, in 1641 dus, en voor het zelfde
doel : de ontsluiting van het Hoogveen en de afvoer van de daar
gewonnen turf. In oostelijke richting werden dwarswijken
gegraven die kleurrijke namen droegen en vanwaar sommige tot de
dag van vandaag in het landschap terug te vinden zijn. Ten
westen van de Noorderdwarsvaart liep een zandpad vanaf de
Noordkade tot aan de Schwartzenberghlaan. Daar stond aan de
overzijde ook de prachtige boerderij Schwartzenbergh, naar de
stichter Georg Frederick Vrijheer thoe Schwartzenbergh en
Hohelandsbergen, eigenaar van de oostelijk gelegen hoge venen.
Over de Heugebrêge voerde het pad aan de oostkant verder naar de
Folgeren
Er heerste veel bedrijvigheid aan
de Noorderdwarsvaart. Ate van de Werff had er zijn
scheepshelling waar houten en later ijzeren tjalkjes werden
gebouwd, de beroemde skûtsjes. De werf van Roorda, later
verplaatst naar het Moleneind, is eveneens aan de
Noorderdwarsvaart begonnen. Schuin tegenover de helling van van
de Werff was de stienpôle, bereikbaar via een barte of draai. Er
stond een blokje van drie woninkjes. Werkelozen werden hier in
de wintermaanden aan het werk gezet. Ze moesten er zwerfkeien
kloppen, het materiaal werd gebruikt voor de verharding van de
wegen. Het was zwaar werk dat slecht betaald werd. Rond 1900
bedroeg het dag loon acht stuivers.
Net voorbij de Vogelzang was de
Vijfhoek, een oude schuur met berghokken. Vijf arbeidersgezinnen
werden er onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest. De
Vijfhoek komt ter sprake in de roman "Stiefmoeder Aarde" van
Teun de Vries. Later bouwde de gemeente helemaal aan het einde
van de dwarsvaarten speciale huizen voor de allerarmsten. Jawel
, degradatie woningen, al was die term toen nog niet uit
gevonden. De volksmond had er meteen een naam voor: De Forten.
Het waren vierkanten blokken met platte daken en met in de
voorgevel twee kleine en hoog aangebrachte vensters die vensters
waren afgezet met kippengaas. De ingang was aan de achterzijde
en men stapte er zo de kamer in. Er huisde vaak kinderrijke
gezinnen. In de jaren twintig zijn de Forten van een kap
voorzien en werden ook de kleine ruiten vervangen door grotere.
De melkpraam van Van der
Brug op de terugweg van de fabriek.
De bewoners van de
Noorderdwarsvaart vormden een gemeenschap op zich zelf. Er
bestond een vereniging voor Plaatselijk Belang, op gericht in
1905 met een eigen bibliotheek, een eigen begrafenisvereniging
en zelfs een voetbalclub, DZD oftewel De Zwarte Duivels. Het
gemeenschapsgevoel was versterkt door de stichting van de
openbare school. Jan van Dijk was hoofd van de school omstreeks
1900 en hij fungeerde tevens als raadgever en bestuurder van het
verenigingsleven. Het schoolfeest compleet met draaimolen, was
een hoogtepunt in het uitgaansleven, en de hardrijderijen op de Skoallewyk waren dat in de winter niet minder.

Foto van Douwe de Graaf:
De Zwarte
Duivels, foto 1932. V.l.n.r.: Roel de Vries, Siete Elzinga,
Fokke
Visser, Lutzen Grupstra, Gauwe Visser,
Lucas Bergsma, Sietse Dootjes, Ietzen Veenstra,
Peter Arendz, Bauke Grupstra en Jasper.
Er
zijn een aantal pogingen ondernomen om aan de Noorderdwarsvaart
een voetbalclub op te richten. Een eerste poging eind jaren 1920
leverde de v.v. de Zwaluwen op. Door een donatie waren er
shirts, doelpalen en een bal; voetbalschoenen waren te duur en
ontbraken. Er werd gespeeld op klompen, die in het vuur van de
strijd regelmatig door de lucht vlogen. Men speelde niet in
competitieverband. Door het ontbreken van een goede
speelaccommodatie moest de club worden opgeheven. De tweede
poging werd ondernomen in 1932 met de oprichting van de Zwarte
Duivels. Gespeeld werd op een smal terreintje achter School 3.
Alle
voetbalmiddelen waren aanwezig, men voetbalde met goed succes in
de FVB, de regionale competitie. Door problemen met het
speelterrein verhuisde men naar een weiland aan de Folgeralaan
tegenover de Noorderdwarsvaart; later werd er een terrein aan de
Klokhuislaan gehuurd. Eind jaren dertig werd ook deze
voetbalvereniging wegens het ontbreken van een goed speelveld
opgeheven. Al na een half jaar kwam een derde poging met de
oprichting van
wwmg-
Wêz Wis Mei Goals, een nogal uitzonderlijke naam. Er werd
gespeeld achter het Drachtster Lyceum, later aan de Klokhuislaan.
Bekende spelers waren destijds Thomas Postma, Gerrit Postma,
Roel de Vries, Jan en Kees de Hei en Walter Wouda. Maar helaas,
ook deze voetbalclub ging wegens een slechte
speelveldaccommodatie ten onder.
Zie
voor meer info het boek: De Noorderdwarsvaart in Drachten, van
Douwe de Graaf.De Dwarsfeartsters waren trots op
hun school en dat hebben de gemeentebestuurders in 1932 geweten.
Ze wilden de nieuwe school aan de Schwartzenberghlaan bouwen,
maar de bevolking koos voor nieuwbouw op de plaats van de oude,
aan de vaart dus. De Dwarsfeartsters wonnen de strijd. Het moet
voor de autoriteiten een hele concessie zijn geweest; inspraak
en medezeggenschap waren in die tijd nog geen populaire
begrippen.
De Noorderdwarsvaart bood wat de
bevolking betreft veel verscheidenheid. Het puikje van de
burgerij woonde er uiteraard niet. maar wel de lokale
beroemdheid "Pake Tosch", die voor koningin en vaderland had
meegedaan aan de Tiendaagse Veldtocht tegen die vermaledijde
Belgen en ook nog honderd jaar werd, bij welke gelegenheid hij
in optocht door Drachten werd gevoerd en twee jaar later nog
eens in het nieuws kwam. De laatste keer overigens want toen
ging hij dood. En Bijsterveld, de moordenaar, woonde na het uit
zitten van een langdurige gevangenisstraf ook aan de
Noorderdwarsvaart, nog wel tegenover de school waar hij het
beroep van scheerbaas uit oefende. Een baan met lugubere
mogelijkheden voor een ex moordenaar, maar hij heeft de
verleiding altijd kunnen weerstaan.
Lommerrijk en gezellig
leek het aan de Noorderdwarsvaart, maar de woningen waren
vaak primitief en het pad was gewoonlijk slecht.
Links in de bomen de
helling van Ate van der Werff, rechts het geboomte dat
de looierij van Spahr van der Hoek verbergt en op de
achtergrond een bult op de "Stienpôlle"
In het sociale waren de
"barten"'over de vele Dwarswijken nog wel eens een belemmering,
vooral in de avonduren en bij nacht. De omstandigheid dat er bij
de Marrewyk een herberg stond zal ook wel eens een rol hebben
gespeeld. Door de duisternis misleid en bijna jammerlijk
verdronken, vermelde de Drachtster Courant dan discreet in de
eerst volgende editie. De Marrewyk zelf had overigens een brede
en vrij veilige "draai ". Het was de scheepvaartverbinding met
Drachster Compagnie. Genoeg over de Noorderdwarsvaart, we gaan
naar de Zuiderdwarsvaart.
De zuiderdwarsvaart, die in
gedeelten is gegraven. Het eerste begin liep van de Zuidkade
naar de Langewyk, later is de vaart langs de Skieppedraai
doorgetrokken naar Selmien en de Olterterpervaart. In de winters
met sterk ijs was een uitje op schaatsen naar de uitspanning Het
Witte Huis een prae.
Ook de Zuiderdwarsvaart kreeg een
aantal wijken ter ontsluiting van het oostelijke hoogveen, maar
de turfmakerij is er niet zo intensief beoefend als aan de
Noorderdwarsvaart. Vanaf de Zuidkade ontstond aan het Oosteinde
een vrij dichte bebouwing. Er vestigden zich veel schippers die
Drachten als thuishaven hadden. Op de plaats van de oude chr.
gereformeerde kerk stond een tolhuis. De laatste tolgaarder was
Klaas van der Sluis. Toen de tol rechten in 1918 werden
afgeschaft werd van der Sluis brugwachter. Even verder verrees
de oudste christelijke school van Drachten, meestal de meester
Kroeseschool genoemd, naar het eerste hoofd en de voorvechter
van het christelijk onderwijs in deze contreien.
Via het bruggetje van de Mûnewyk
bereikte men de roggemolen van Weis. Gebouwd in 1846 en
afgebroken in 1928. Bij de Langewyk voerde de weg naar
Ureterperverlaat. Bij het Oosteinde, de Bopperein zei men in
Drachten, lag een draaibruggetje, terwijl een grotere en veel
ingenieuzer draaibrug voor de verbinding met Noord en Zuidkade
zorgde. In 1916 zijn er twee klapbruggen gebouwd. Op de hoek van
de Dwarsvaart en Langwyk stonden eerst de kalkovens van
Timmerman Beek. Na de afbraak bouwde hellingbaas van der Werff
er een nieuwe woning en tussen helling en woonhuis een kalkoven.
op de Pôle stond een zestal huizen, de meeste gebouwd van de
afbraak van de kalkovens. In een van de huisjes is in 1898 de
Friese dichter politicus Fedde Schurer geboren. Zij vader was
scheepstimmerman.
Aan de Dwarsvaart stond ook een
cichoreifabriek, waar de wortels werden gesneden, boven turfvuur
gedroogd en daarna in een draaiende oven en onder toevoeging van
stroop gebrand om als surrogaat koffie dienst te doen. Later
werd na verbouwing zeven gezinnen in de fabriek gehuisvest. Waar
nu de grote weg naar Groningen is, lag een barre over de vaart.
Aan het Oostelijk pad stonden ook nog woningen en de al van de
Noorderdwarsvaart bekende forten. Achter de forten is een
woonschepen haven geweest, die weinig gebruikt werd en al
spoedig gedempt is. Harm Wiersma (Harm Rut) lag er met zijn
arkje. Het zandpad naast de Forten voerde naar Selmien en via de
Skieppendraai ook naar de Zuiderheide. En die Suderheide was
weer een wereldje apart. maar dat is een ander verhaal.
|
Bijna 120 jaar
geleden schreef Craandijk in zijn boek 'Wandelingen
door Friesland' over de Noorderdwarsvaart:
Vriendelijk
schemeren de muren van het huis bij de
scheepstimmerwerf tusschen het lommer van een paar
overoude, eerwaardige linden, stellig de patriarchen
dezer streek, die de opkomst en den wasdom van het
vlek Drachten hebben aanschouwd - rijk is de mantel
van klimop, dien den puntgevel van menig
arbeiderswoning omhult en in breede plooijen die met
haar witte trossen zoo goed tegen het groen en bruin
der bemoste daken afsteekt... En in't verschiet
buigen de toppen der boomen zich over de brug
('heugebrêge'), die als een boog den kalmen vliet
overspant, den achtergrond van het liefelijk
tafereel. |
|
Spoekerij
In muoike fan
us heitwenne op 'e Noarderdwarsfeari. Itdoogde
dêwet:. hja hearden guodden by de leider opgean,
hja waarden oan 'e rokken lutsen en mearfandy
nuvere dingen.
Hja seagen wolris
in ald wyfke mei in wite mûtse op nei de feart
rinnen. Dat alde wyfke hie dêryn it foarige yn
harren hûswenne en wie doe al wei. Fan
klearebenaudens binne hja ferfearn nei de
Suderdwarsfeart. It spûkselfolge harren oan de
Hege Brêge ta... S.J. van der Molen, Der
waerd wol sein... Snits, 1952,p.30.
|
Het begin van de
Zuiderdwarsvaart. Op de hoek, waar de Langewijk afslaat,
het woonhuis van de hellingeigenaar Haike van de Werff.
De Zuiderdwarsvaart
was een geliefde schaatsroute (naar Olterterp), zolang
het ijs 'buitenuit' nog onbetrouwbaar was.
www.youtube.com
filmpje van het uitgraven van de oude vaart.
TERUG
Home
|