TERUG
Een socialisties propagandist in revolutionaire jaren
Biografie van Tjeerd Stienstra (1859-1935)
door Johan Frieswijk.
![]() |
|
![]() |
||||||
|
![]() |
|
||||||
![]() |
|
![]() |
|
Tjeerd Stienstra, Fries socialistisch propagandist, is geboren te Beetgum (Fr.) op 14 februari 1859 en overleden te St. Louis (USA) op 9 april 1935. Hij was de zoon van Jan Tjeerds Stienstra, kleermaker, en Klaaske Oeges Adema. Op 22 oktober 1881 trad hij in het huwelijk met Grietje Kijlstra, spreekster op socialistische bijeenkomsten, met wie hij een dochter en zes zoons kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 4 september 1902. Daarna hertrouwde hij met Bertha Schaeffer. Dit huwelijk bleef kinderloos. Na 1902 noemde Stienstra zich in de Verenigde Staten George Steenstra. Pseudoniem: Arts. Stienstra volgde een opleiding voor onderwijzer, die hij wegens ziekte niet kon afmaken. Hij werd, zoals zijn vader en twee broers, kleermaker. In Drachten had hij een goedlopende petten- en hoedenwinkel met drie tot vier knechts in dienst. |
De persoon van Tjeerd Stienstra
duikt vrij plotseling op in de Friese arbeidersbeweging. Ineens
is hij er, als spreker, propagandist, leider van stakingen in de
veenderijen. Hij blaast met volle energie zijn partij mee in het
orkest van de socialistiese agitatie in de hongerjaren 1892-'93,
verdwijnt dan voor een jaar in de gevangenis, maar speelt in de
volgende jaren onvervaard opnieuw een rol in de
revolutionair-socialistiese beweging van het begin van de jaren
negentig van de vorige eeuw. Om tenslotte even plotseling als
hij was verschenen in het niets te verdwijnen.
Vliegen noemt hem 'een van die figuren, die een oogenblik op den
voorgrond konden komen tijdens den zonderlingen vloed der
beweging in de woelige jaren 1890-1893, doch de eigenschappen
misten om duurzame aanvoerders te worden in den klassenstrijd.
Degenen die zich met de geschiedenis van de arbeidersbeweging in
Friesland hebben beziggehouden, velden meestal een uiterst
negatief oordeel over de persoon Stienstra. U. D. Hannema noemde
hem zondermeer 'de vurige dweper met zijn opruiende taal. En T.
van der Wal kwam na een uitvoerige en zeer negatieve
beschrijving tot de conclusie: 'Zijn optreden heeft de
volksbeweging in Friesland geen goed gedaan'.
Dergelijke oordelen komen in het algemeen neer op het volgende:
* Stienstra was een dweper, een
demagoog, een fanaticus;
* hij sprak onlogisch, wist zijn gedachten niet te ordenen, op
zijn doen en laten was geen peil te trekken;
* hij was een opruier, een onverantwoordelijk element, een
negatief iets in de beweging;
* hij had een zwak karakter en was uiterst labiel.
Het gaat hier om een verscherpte
weergave van het beeld dat Vliegen in zijn Dageraad der
volksbevrijding van Tjeerd Stienstra schetste: 'Stienstra was,
in den gewonen zin van het woord, een slecht spreker. Hij was
volstrekt niet in staat zijn hoorders eenig onderwerp duidelijk
te maken of een argument op verstaanbare wijze voor te dragen.
Maar hij bezat iets anders: Hij had een fanatieken kop, bleeke
kaken, dweeperige oogen, in stem en gebaren iets van een
boetprediker; iets over zich zooals we ons de monniken
voorstellen die in de middeleeuwen rondtogen om ter kruisvaart
op te wekken. In tegenstelling tot de andere auteurs heeft
Vliegen Stienstra en de periode waarin deze actief was in de
beweging meegemaakt, al kleeft aan deze beschrijving hetzelfde
bezwaar als aan de andere portretten van revolutionaire en Vrije
socialisten bij deze auteur. Vliegen heeft met de beweging in
het noorden van het land bovendien weinig op en spreekt van 'de
quasi-revolutionaire beweging' daar. Toch is zijn beeld
interessant, omdat hij in een andere passage de kern van
Stienstra's grote populariteit weet aan te geven: 'Hij droeg
meestal op larmoyante toon verhalen van geziene ellende voor en
pakte daarmede de vergaderingen. Eenig politiek inzicht, eenig
verstand van Organisatie, eenige gave tot ontwikkeling der
massa, bezat hij niet. Met hevig schelden op de heerschers en
ruwen praat tegen den godsdienst, gaf hij den indruk van zeer
revolutionair te zijn.
Het optreden van Tjeerd Stienstra in de arbeidersbeweging in
Friesland in de jaren 1887-'96 droeg het karakter van de
beweging in die jaren. Het was de periode waarin de arbeiders
toestroomden tot een beweging die tot dan praktisch alleen nog
uit geschoolde werklieden bestond en die daarmee tot een
massabeweging kon worden. De periode waarin de verbinding tussen
de werkliedenbeweging met haar organisatoriese traditie en de
spontane stakingsbeweging van de losse arbeiders tot stand kwam
binnen de Sociaal-democratische Bond. Tjeerd Stienstra werd een
van de leiders van de losse arbeiders - hoewel hij niet tot hen
behoorde - die lijn wist te geven aan deze beweging. Als spreker
verwoordde hij de verlangens en ideeën die onder deze groepen
leefde. Hij was een van de weinigen die zich hun lot aantrokken
en hun levensomstandigheden kenden. Hij heeft zich met zijn
volledige persoonlijkheid ingezet om onder hen in en buiten de
stakingen vakorganisaties tot stand te brengen. In dat opzicht
is het oordeel van Vliegen, dat elke periode - hoe kort ook - in
de ontwikkeling van het socialisme zijn eigen soort leiders
meebrengt juist. Stienstra was een van die revolutionaire
arbeidersleiders.
Wanneer van Stienstra iets positiefs wordt gezegd, gebeurt dit
expliciet. Vliegen maakte reeds duidelijk, dat hij zijn
toehoorders aan zijn lippen wist te kluisteren en T. W. Jeelof
wees op de persoonlijke binding die bestond tussen Tjeerd
Stienstra en de lezers van zijn socialistiese krantje 't
Morgenrood. Hij was een veelgevraagd spreker voor meetingen en
openbare vergaderingen, bij stakingen en propagandatochten. Zijn
aanhang was groot, daarover bestaat geen twijfel. Dat bleek bij
gelegenheid van zijn gevangenschap, de vrijlating, de openbare
verkoping van zijn meubilair en tijdens de veenstakingen van
1890.
Getwist wordt ook niet over zijn muzikaliteit. Stienstra had een
goede stem, maakte teksten en melodieën voor nieuwe
socialistiese liederen en voerde deze zelf uit, wanneer hij voor
de propaganda op pad was.
In deze korte biografie willen we trachten Stienstra te schetsen
in de beweging van die dagen. Stienstra heeft zich voor die
beweging volledig ingezet en alles - zijn maatschappelijke
positie, zijn persoonlijk leven en zijn gezondheid - opgeofferd.
Men mag hem dan karakterslapheid verwijten, waarbij kennelijk
geoordeeld wordt vanuit een kleinburgerlijke moraal, als
strijder voor de verbetering van het lot van de losse arbeiders
was hij een principieel man.
Nog op een ander punt wijzen de feiten in een andere richting
dan de oordelen van geschiedschrijvers. In de weergave van zijn
redevoeringen, in zijn verdedigingsrede voor de rechtbank en in
zijn artikelen is weinig bewijs te vinden voor de stelling dat
hij onsamenhangende verhalen ophing.
In Stienstra's ideeën vindt men de aangehangen theorieën van die
dagen - de verwachting van de grote dag, waarop spontaan de
revolutie zou komen. Het geen oog hebben voor het belang en de
noodzaak van vakorganisatie en Organisatie van stakingen bij die
groepen die tot dan nog geen organisatie hadden gekend, kan men
Stienstra niet verwijten. Integendeel! Onder veenarbeiders,
land- en havenarbeiders bepleitte hij de vakorganisatie en
bracht hij vakverenigingen tot stand. In de socialistische
beweging van rond 1890 was hij een van de weinigen die zich
bezighielden met het vraagstuk van de pachtboeren en de kleine
koemelkers, die hij eerder zag als natuurlijke bondgenoten van
de arbeiders dan als hun klassenvijanden.
Het oordeel van Vliegen over Stienstra moet dan ook gezien
worden in het licht van het afstand nemen van de 'oude' beweging
en haar revolutionaire karakter, en niet zozeer als voortkomend
uit kennis van Stienstra's politieke ideeën.
Optreden als kiesrechtpropagandist
Tjeerd Stienstra werd op '4
februari 1859 te Beetgum, een dorpje in de buurt van Leeuwarden,
geboren als oudste zoon van de dorpskleermaker Jan Stienstra en
Klaasje Adem. Hij was de oudste van zes kinderen, vier jongens
en twee meisjes. Van de vier zoons zouden er drie kleermaker
worden én socialist, de vierde werd beroepsmilitair.
Aanvankelijk lag het niet in de bedoeling dat Tjeerd kleermaker
zou worden. Hij volgde een opleiding voor onderwijzer, waarbij
hij het kleermakers vak uitoefende om zijn studie te kunnen
betalen. Door een twee jaar durende ziekte was hij echter niet
in staat het examen voor hulponderwijzer af te leggen, waarna
hij toch in het kleermakers vak belandde. Later zou hij van
burgerlijke zijde vaak worden uitgemaakt voor 'een voor het
examen van hulponderwijzer gedropen kweekeling'.
Op 1 november 1880 vertrok hij naar Drachten, waar hij als
kleermakersknecht werk vond. Daar trad hij Op 22 oktober 1881 in
het huwelijk met de toen 20-jarige Grietje Kijlstra (Drachten, 6
september 1861 - Harlingen 26 juli 1939), de dochter van een
enkele jaren tevoren overleden mosterdmolenaar. Een jaar later
werd een zoon, Jan, geboren, waarna nog vijf kinderen uit hun
huwelijk werden geregistreerd. Bij zijn huwelijk was Tjeerd
Stienstra reeds zelfstandig kleermaker in Noorderdrachten.
Zakelijk ging het hem uitstekend. Weldra had hij een goed
lopende petten- en hoedenwinkel en drie tot vier knechts in
dienst, waarmee hij een van de grotere winkeliers in het dorp
was.
Drachten telde in de jaren '80 een 5500 inwoners en was het
grootste Friese dorp. De in de 17de eeuw opgekomen veenkolonie
had een centrumfunctie gekregen voor oostelijk Friesland en was
de hoofdplaats van de gemeente Smallingerland. Het dorp had een
kleine elite van notabelen, geen grote maar wel een belangrijke
groep dorpelingen. Ze waren verenigd in een 'Heerensociëteit'
die tenminste zo belangrijk was als de gemeenteraad. In de
sociale hiërarchie vond men onder deze groep de 'burgers van
aanzien', gekenmerkt door een bijzondere gevoeligheid inzake
statusaangelegenheden en door een grote sociale activiteit. Deze
groep speelde de eerste viool in het Nut. Spahr van der Hoek
geeft voor rond 1900 de volgende sociale verdeling van Drachten,
waaruit men een indruk krijgt van de omvang van de verschillende
sociale groepen in die dagen:
|
notabelen.elite |
1 % |
|
burgers van aanzien |
3 % |
|
middenstand: 'betere' |
22 % |
|
middenstand: 'kleine' |
30 % |
|
arbeiders |
40 % |
|
onderlaag |
4 % |
(Hoewel veel Drachtster arbeiders
werkzaam waren in de landbouw, woonden in het dorp zelf geen
boeren.)
De verschillende groepen hadden wel omgang met elkaar, maar met
een zekere distantie vanwege de sociale klassenstruktuur.11
In deze omgeving was het onderscheid tussen boer en arbeider
bijna niet te maken. Er was dan ook een matige maar vrij
regelmatige doorstroming van arbeiders naar de middenstand,
doordat veel knechts voor zichzelf begonnen. Voor de losse
arbeiders bestond een dergelijke kans echter niet. Van nabij
maakte Tjeerd Stienstra de ellendige toestanden mee, waarin de
arbeiders van Drachten en omgeving leefden. De woontoestanden
waren erbarmelijk. In 1899 nog woonde in de gemeente
Smallingerland 68,5 % van de bevolking in éénkamerwoningen. De
minst gunstige omstandigheden kende de bevolking van de heide en
de venen. De zeer armen woonden niet in de achteroms en steegjes
van het dorp - daar woonden de arbeiders en kleine zelfstandigen
- maar tamelijk ver buiten de kern van het dorp in
nederzettingen van keten en plaggenhutten. Voor deze buiten de
burgerlijke normen levende groepen bestond in Drachten weinig
begrip. Zij moesten hun inkomen vinden in het verrichten van
toevallige karweitjes, seizoenswerkzaamheden en min of meer
verkapte bedelarij.
'De emancipatie van de arbeiders voltrok zich in Drachten
tamelijk traag, althans in vergelijking met de overigens nogal
verwante veenkolonie Gorredijk, waar ook de bewustwording van de
arbeidersstand veel meer effect had in het dorp', aldus Spahr
van der Hoek. Drachten lag op een grotere afstand van de felle
politieke ontwikkeling, zoals die in het naburige Opsterland
speelde. Er waren minder vooraanstaande socialisten, maar men
had ook minder last van de Beetsterzwaagster adel. Bovendien was
het enige dorp waartegen Drachten zich afzette juist Gorredijk,
waarmee het uit zakelijke overwegingen concurreerde als
verzorgingscentrum.
De landbouwcrisis van de jaren '80 trof Drachten, waar meer dan
de helft van de bevolking werkzaam was in de landbouw, zwaar.
Niet alleen de arbeiders, maar ook de winkeliers,
ambachtslieden, de kleine zelfstandigen en andere groepen werden
slachtoffer van de krisis in de landbouw en de venen. Uit
artikelen die Tjeerd Stienstra schreef, kan men opmaken hoezeer
de ontstane armoede hem getroffen moet hebben. In het midden van
de jaren '80 zal hij actief zijn geworden als spreker voor
algemeen kiesrecht, waarschijnlijk in 1886 of '87.
In 1885 was Domela Nieuwenhuis in Drachten geweest voor Algemeen
Kies- en Stemrecht en een jaar later, in april 1886, was er een
afdeling van de gelijknamige Bond ontstaan. In 1887 was Tjeerd
Stienstra voorzitter van de afdeling. Op een vergadering van het
Friesch Comité voor Algemeen Kies- en Stemrecht bepleitte
Stienstra tezamen met Geert van der Zwaag de colportage met
populaire geschriftjes over punten uit het programma van de
arbeiderspartij.
Vanaf deze tijd trad Stienstra enkele malen in de week als
spreker op en komen we artikelen van zijn hand tegen in het
Friesch Volksblad (het orgaan van de Friese kiesrechtbeweging)
en het socialistiese Recht voor Allen. In het laatste blad
gebruikte hij het pseudoniem 'Arts'. Zijn redevoeringen en
artikelen hielden zich vooral bezig met de toestand van
veenarbeiders, landarbeiders, en pachtboeren tijdens de
landbouwcrisis. Hij was daarbij een van de weinige socialisten
die de kleine boeren en de pachtboeren evenals de kleine
verveners een plaats gaf in de strijd voor het socialisme en die
zich uitvoerig met het plattelandsproletariaat bezighield.
In de boeren zag hij bondgenoten in de strijd voor een andere
maatschappij. De tijd zou immers de boeren leren dat hun
belangen dezelfde waren als die van de landarbeiders. De
landeigenaren zogen toch eerst het landbouwproletariaat uit en
daarna volgden de boeren, aan wie zij het land hadden verhuurd.
Hij bestreed diegenen onder de radicalen die ijverden voor
lagere pacht voor de boeren, omdat daardoor slechts de winst van
de landeigenaar zou worden vergroot. De enige weg tot
verbetering, aldus Stienstra, was voor landarbeiders zowel als
voor pacht-boeren de opheffing van het privaat grondbezit: 'Moge
nu zoveel mogelijk de vreedzame weg worden bewandeld, om tot het
doel te komen. Er is m.i. maar één weg, en dat is die welke
leidt naar opheffing van persoonlijk bezit van de bron van
rijkdom: den bodem. De rest: verbetering van de
pachtvoorwaarden, benoeming van kommissies voor land- of
pachttaxatie, daarin zag hij geen oplossing - 'kool, alles
kool!!!'
In dergelijke denkbeelden vinden we de aanhanger van de
Nederlandsche Bond voor Landnationalisatie terug, die Stienstra
in de jaren 1889-'92 was. Hij zag welk een rijkdom
het landbouwbedrijf in o.a. zijn geboortestreek zou kunnen
opleveren, terwijl daar nu door de arbeiders 'een leven wordt
geleid, zoo niet ellendiger, dan toch even ellendig als dat van
een dier'. Meer dan twaalf uur per dag werkten de arbeiders
tegen een dagloon van 70 centen, terwijl ze een kwart van het
jaar werkloos waren.
In toespraken en artikelen trachtte hij de landarbeiders tot
organisatie te bewegen. 'Welaan mannen van Friesland en ook gij
vrouwen zoo wijd beroemd om uwe eerlijkheid en rondborstigheid,
laat niet langer het juk van slavernij uw Friesche nekken
krommen. Staat op uit uw slaap! schudt af uwe onverschilligheid,
volgt uwe voorvechters, steunt hen in den moeilijken kamp tegen
onrecht en armoede! Prent uwe kinderen met de moedermelk het
Recht voor Allen in.'
Hij voorzag 'dat de boer gedoemd is onder te gaan in den strijd
om het bestaan. De ontwikkeling van het machinewezen en van den
landbouw brengt mede, dat langzamerhand de boer overtollig
wordt. Industrieën zouden hun werk overnemen: de zuivelfabrieken
het werk van de boerin, uit de aardappelen- en bietenteelt zou
de boer steeds meer als onnut voor de productie worden
verdreven.
Maar niet alleen de arbeiders van de landbouwstreken genoten
zijn belangstelling. Vaak was hij onder de arbeiders van de
heidenederzettingen die zijn woonplaats Drachten omgaven. Een
van zijn spreekbeurten werd beschreven door Jelle Dam, een
arbeider van de Surhuisterveensterheide. Het moet in 1886 of
1887 zijn geweest, dat Stienstra sprak in een schuurtje dat
boordevol mensen was. Vanaf een vat of een oude kist sprak hij
de arbeiders toe over hun 'eigen toestand'. Hij wees op hun
plaggenhutten, de ondervoeding, de lange werkdagen. 'Ik heb uw
toestand onderzocht, zonder dat U 't vermoedde, en ik wensch ze
de wereld bekend te maken, want ik heb toestanden ontdekt die
ten hemel schrijen, waar het schrijnendste leed in doffe
berusting haar bijgebragt door Christen leeraars, die de
godsdienst misbruikten, haar hoop in te boezemen, dat God op
zijn tild zou komen, en al haar druk in geluk verwislen zou.
Arbeiders! ik heb de tranen niet kunnen onderdrukken bij 't
aanschouwen van uw leed. En het bloed is mij naar het hoofd
gestegen, dikwijls, als ik hooren moest, hoe de Godsdienst wordt
misbruikt door Godsdienstige huigelaars. Want zij weten wel
beter! Tegenover de berusting stelde Stienstra de strijd, in dit
geval die voor het algemeen kies- en stemrecht, dat toen door de
socialisten werd beschouwd als de weg tot ontvoogding van de
arbeidersklasse. Ofwel als de sleutel tot de brandkast.
Stienstra besloot zijn rede met: 'Mannen en vrouwen over de
gansche aarde verspreid roepen U toe "Proletariërs van alle
landen vereenigt U". Sta hand in hand en schouder aan schouder
want de strijd zal lang zijn en zwaar. Maar ge zult overwinnen,
want menschlikheit en recht is aan Uwe zijde. Jelle Dam
beschreef welk een indruk Stienstra met zijn rede op de
arbeiders had gemaakt, 'dat ik bij't naar huis gaan, tegen mijn
kameraad zei: "Hij heeft de arbeiders, geloof ik, haast gek
gemaakt. Ze beschouwen Stienstra bijna als een Godheid". Ieder
wilde zijn gevoelens luchten, zoodat de een al harder sprak dan
d'ander, en uitroepen als: "Hoe duuvel wiette die kerels alles
sa krekt en wot zei er dot en dot mooi, net. Het is zuuver krekt
sa't er zeit. Hest wol ooit sa wot hjet enz. enz."klonken over
de heide.' Al de aanwezigen, een man of honderd, gaven zich op
als lid en een afdeling van de Bond voor Algemeen Kies-en
Stemrecht (AK & S) was toen gauw opgericht. Jelle Dam werd
voorzitter en voortaan werd elke veertien dagen vergaderd.
Meestal in een plaggenhut, die bijna altijd overvol was.
Reeds vrij snel na zijn intree in de kiesrechtbeweging stond
Stienstra bij zijn optreden in de aandacht van de politie.
Tijdens een vergadering in Oudega (Sm.) was de burgemeester van
Smallingerland persoonlijk aanwezig met een drietal veldwachters
en twee marechaussees uit Beetsterzwaag. De veldwachters hadden
hun 'spuit' meegenomen in de vergadering. Stienstra sprak over 'It
Folksbilang', welk verhaal op een gegeven moment beëindigd werd
toen men toe was gekomen aan het inschrijven van nieuwe leden
voor de Bond. De veldwachter stond op en riep:. 'Sluite folk!
Kwartier nei tsienen'. Dat was in januari 1889.
In maart van datzelfde jaar maakte Stienstra een propagandareis
in Leeuwarderadeel en Menaldumadeel, waarbij hij sprak in
Marssum, Beetgum, Berlikum, Menaldum en Dronrijp. Ook daar was
steeds een delegatie van de politie aanwezig; te Marssum liet de
burgemeester van Leeuwarderadeel zich vergezellen door maar
liefst zeven politieagenten.
Gevreesd was Stienstra in het debat. Vaak werd hij door
partijgenoten of afdelingen uitgenodigd een vergadering bij te
wonen om daar in debat te gaan met een christelijke of liberale
spreker. Zo discussieerde hij op 5 februari 1889 te Drachten met
de Patrimonium-voorman Pieter van der Werf, die door Stienstra
danig moet zijn aangepakt. Het Friesch Volksblad noteerde
tenminste: 'De inleider beantwoordde den heer v. d. Werf zoo
kras, dat het publiek door een luid applaus zijne instemming met
het gesprokene betuigde, hetgeen v. d. Werf weer zoo pijnlijk
aandeed, dat hij Stienstra verzocht, het applaudisseren te
verbieden, hetgeen weer het publiek zoo pijnlijk aandeed dat het
toen in een luid gelach uitbarstte. Sindsdien trachtte Van der
Werf, wanneer hij Stienstra als debater zag binnenkomen en dat
gebeurde nogal eens omdat ze plaatsgenoten waren, het debat te
vermijden door hem slechts enkele minuten het woord te geven.
In 1889 stond Tjeerd Stienstra kandidaat voor de Volkspartij
(waarin bij verkiezingen toen SDB-afdelingen en afdelingen van
de Bond voor AK & S samenwerkten) bij de verkiezingen voor
Provinciale Staten in de districten Heerenveen, Leeuwarden en
Dokkum en was hij tevens kandidaat voor de gemeenteraad van
Smallingerland. In beide gevallen werd hij niet gekozen. De Klok
bevatte wel de volgende advertentie:
'Vermist!
Sinds dinsdag 28 mei.
De hooiwagen van Oom Tjeerd, volgeladen met zelfstandige,
ernstig denkende en zaakkundige kiezers. Daar deze hooiwagen
niet op de plaats zijner bestemming (Gorredijk) is gearriveerd,
verkeeren de liberalen, voor wie het verlies van Oom Tjeerd en
een wagen vol kiezers van zoo voortreffelijke hoedanigheden,
onherstelbaar zou zijn, in groote ongerustheid. Men vreest dat
de wagen en kiezers door socialen gestolen zijn. Wie
inlichtingen kan geven, vervoegen zich op de bureaux van de
Partij van 't onbesmette vaandel.
Met het optreden als socialisties spreker en skribent begon de
winkel te verlopen. Er was sprake van een duidelijke boykot door
de burgerij. Hij adverteerde in deze jaren veel in de
volksbladen met mannen- en jongenskleding. De winkel moest
worden opgeheven. Hij verminderde er zijn activiteiten als
socialisties propagandist echter niet om en ging op pad om te
spreken over 'De rechten van den mensch' of, in begin 1890, 'De
Oproermaker' of 'Wie zijn de oproermakers'. Volgens een van de
verslagen: 'Hij was niet gekomen om oproer, maar om 't vrede en
't gelijke op aarde te prediken. Algem. Stemr. was een der
middelen, die moesten worden aangewend om dien gelukstaat
deelachtig te worden.'28
De grote veenstakingen
Toen het in 1890 opnieuw tot
grootscheepse beweging kwam onder de veenarbeiders in Friesland,
raakte Tjeerd Stienstra daar sterk bij betrokken. Kort nadat in
april in het naburige Beets 1500 arbeiders in staking waren
gegaan, werden hij en nog een andere socialistiese spreker per
hondenkar van huis gehaald om op het eerste appèl van de stakers
het woord te voeren. Vanaf dat moment overlegde hij vele malen
over de gang van zaken met de kommissie die de leiding van de
staking op zich had genomen. Al gauw was hij de centrale figuur
in de ditmaal ook landelijk gevoerde inzameling van gelden om de
stakers te steunen en verzorgde hij de uitkeringen. Soms stonden
de arbeiders al om 5 uur '5 morgens in Drachten aan de deur om
hem om raad te vragen. Alleen al in de laatste week van de
staking in Beets waren dat 300 mensen, hoofdzakelijk vrouwen.
Op bijna alle appèls sprak hij, enkele malen samen met Domela
Nieuwenhuis. Aanvankelijk had hij ook de leiding van deze
vergaderingen. Tjepke Nawijn, de schoolmeester van Beets die
veel voor de veenarbeiders heeft gedaan, beschreef in zijn
herinneringen het optreden van Stienstra als volgt: 'wat kon die
er wat uitsmijten! Een mannetjesputter hoor! Zijn woorden waren
als speldenprikken; het was, als gaf hij met zijn magere
knokkels de verbijsterde toehoorders stompen in de zij om ze te
tergen; hij spoorde ze aan, hij maakte ze opgewonden, hij voerde
hen aan, en toen hij het er uiteindelijk over had dat de
onwillige bazen moesten worden geboycot, toen waren de arbeiders
niet meer te houden.
Stienstra was vaak degene die de veenbazen, die met
tegenvoorstellen kwamen of probeerden hun arbeiders weer aan het
werk te krijgen, tijdens de appèls beantwoordde. Op de kritieke
dag van de staking in Beets, op 5 mei, toen door de honger van
de arbeiders en de activiteiten van de mannen van Patrimonium
afdeling Drachten tweedracht onder de arbeiders begon te
ontstaan, mocht hij van de burgemeester niet meer het woord
voeren. Het was meteen het laatste appèl, want ook die werden
door de overheid verboden verklaard. Daarmee ontnam men de
veenarbeiders hun enige machtsmiddel: het appèl. Dat was immers
de plaats waar de solidariteit bleek, onderhandeld en vergaderd
werd, moed werd ingesproken, informatie gegeven en steun werd
uitgedeeld. Tjeerd Stienstra oordeelde: 'was er betere
Organisatie onder het volk geweest, voorbereide Organisatie, dan
zou het verbieden van het appèl weinig tot de zaak hebben
afgedaan, maar nu was dit de nekslag voor de arbeiders. Enkele
dagen later was de staking dan ook zo goed als geëindigd.
Materieel was deze 'verloren' staking overigens niet zo slecht
gelopen, want de looneisen waren grotendeels ingewilligd, maar
de eis van het liggeld - een bedrag voor iedere dag dat het werk
had stilgelegen - was niet gehaald.
Behalve in Beets sprak Tjeerd Stienstra op de appèls van de
stakers in Terwispel en Oldeouwer. Beets en Terwispel deed hij
vaak op één dag. Eerst met de tram naar Beetsterzwaag, daarna
langs de weg een uur lopen naar Beets, de vergadering met het
comité en het appèl, en dan weer een uur lopen, ditmaal dwars
door de moerassige veenderijen naar Terwispel, waar hij nog eens
op het appèl sprak. Te voet ging hij dan naar Gorredijk om daar
de tram naar Drachten te pakken.
Stienstra trachtte tijdens de stakingen Beets en Terwispel op
één lijn te krijgen en tot een gezamenlijke staking voor heel
Opsterland te komen. In eerste instantie lukte dat. De veenbazen
van Beets en Terwispel vergaderden ook gezamenlijk om hun
antwoord op de eisen van de stakers te formuleren. De stakers
van Terwispel lieten echter de eis van het liggeld op een
gegeven moment vallen, waarna ze het werk konden hervatten omdat
aan de andere eisen was toegegeven. Voor de staking in Beets zou
dit - aldus Van Zinderen Bakker een grote morele klap hebben
betekend.
Van het radicalisme dat Stienstra vaak werd aangewreven is hier
weinig terug te vinden. Mede op aandringen van Stienstra zakte
de eis van het liggeld in Beets en in Terwispel trachtte hij
tezamen met Van Zinderen Bakker alle mogelijke compromissen te
bedenken. Ook voor een ondoordacht optreden vinden we weinig of
geen bewijzen. Eerder het tegendeel, zoals in Oldeouwer. Daar
had Stienstra de leiding van het appèl van de stakende
turfmakers Op 24 april. Van hem kwam het voorstel een kommissie
te benoemen die in onderhandeling zou treden met de op dat
moment in vergadering verzamelde verveners. 'Bedenk wel,' hield
Stienstra de stakers voor, 'dat eene maatschappij niet kan
bestaan door vuistkracht, maar door de kracht van 't gezond
verstand. Stienstra zelf leidde de delegatie, die met een aanbod
van de verveners terugkwam dat de stakers aannamen, omdat een
deel van hun eisen werd ingewilligd.
Zijn optreden bij de veenstakingen had een felle hetze vanuit
burgerlijke en vooral christelijke kring ten gevolge. De Nieuwe
Rotterdamsche Courant beschuldigde Stienstra van exploitatie van
de stakingen ten eigen bate en schreef dat hij, 'nadat hij zijne
redevoering geëindigd had, met zijn pet bij de werkstakers rond
(ging) om giften in te zamelen... voor zich zelven. Het Friesch
Volksblad ontzenuwde dit verhaal snel en merkte snedig op, dat
de NRC kennelijk niet wist dat Stienstra nooit een pet droeg! De
bedoeling om met dergelijke verhalen onrust te stoken in
progressieve kringen mislukte echter niet helemaal.
Ook in eigen kring ontstond kritiek op de soms felle uithalen
van Stienstra tegen de verveners. Zekere W. nam hem daartegen in
bescherming. Hij wees er op, dat Stienstra niet voor zichzelf
streed, maar voor de arbeiders. Hij constateerde: 'de heftige
taal van Stienstra is velen niet bevallen. Wij schrijven het toe
aan zijn goede inborst, zijn jeugdig vuur en den gespannen
toestand waarin hij zich voortdurend bevindt. Stienstra was in
1890 immers steeds daar te vinden, waar de arbeiders in beweging
waren en socialistiese leiding nodig hadden.
Hij was inmiddels de meest actieve socialistiese spreker in
Friesland geworden, die ook op de grote meetingen het woord
voerde. De grote demonstratieve meeting in 't Meer in augustus
1890 zag hem als een van de zes sprekers.
Broederstrijd van de Drachtster socialisten
Naast de kiesrechtbeweging had
sinds 1888 het socialisme voet aan de grond gekregen in
Stienstra's woonplaats Drachten. In december 1888 kon de kort
daarvoor opgerichte SDB-afdeling 7 nieuwe leden inschrijven.
Tjeerd Stienstra was als leider van de socialisten in Drachten
voorzitter van de afdeling van de 5DB geworden. De klub was niet
groot, maar wel bijzonder aktief. Daarvoor zorgden de
sigarenmaker Eise Bos, de fabrieksarbeider H. Geveke, de nog
jonge horlogemakerknecht Jan Jansonius en Stienstra wel. In 1889
besloten ze een Socialistische Propagandaclub op te richten, met
als doel 'het verspreiden van socialistische geschriften, om
hierdoor onze denkbeelden van Vrijheid, Gelijkheid en
Broederschap in ruimeren kring ingang te doen vinden, waardoor
het peil van de ontwikkeling zal worden verhoogd en alzoo
denkende menschen gevormd, die met ons den strijd willen
aanvaarden tegen onrecht en onderdrukking, tegen slaafschheid en
dwingelandij vâôr recht, vrijheid en liefde. De contributie was
vrij hoog, 5 cent per week, reden waarom de propagandaclub maar
weinig leden had onder de Drachtster socialisten; zo'n tien tot
vijftien man.
Sinds 1889 bestond een afdeling van de Sociaal-democratische
Jongelingsbond, waarvan Jan Jansonius de drijvende kracht was.
De vereniging verdween enkele malen maar werd steeds opnieuw tot
leven gebracht. Groot was ook die jongelingsclub niet; in
december 1891 had ze 12 leden. Verder had Drachten een
socialistiese zangvereniging 'Aan de Vrijheid' waarvan
Stienstra's vrouw Grietje Kijistra penningmeesteresse was. In
1890 werd het een zangkoor van AK & S en sloot het koor zich aan
bij de Friesche Volkspartij. In december 1891 had het koor 25
leden. Tjeerd Stienstra, die een goede stem had, zal een
enthousiast lid zijn geweest. Zijn vrouw trad overigens in deze
jaren met sukses als spreekster op. Ze moest dat echter opgeven
'om hare borst, die haar niet toeliet lang achtereen het woord
te voeren'.
Het verloop in het ledental, het beperkt blijven van de
socialistiese clubs en het af en toe te niet gaan daarvan laten
reeds zien, dat de socialisten het in deze jaren in Drachten
niet gemakkelijk hadden. Broodroof kwam daar vaak nog bij.
Jansonius verloor in 1890 zijn betrekking als horlogemaker,
'daar voorwaarden werden gesteld voor een socialist
onaannemelijk' door zijn patroon. Hij begon voor zichzelf als
klokkenreparateur, aanbevolen door Ijeerd Stienstra als
voorzitter van AK & S-afd. Drachten.
Hun verhouding bleef echter niet zo goed. Al vroeg in 1891 kwam
het tot een conflict tussen de socialisten K. L. van der Meer,
Eise Bos en Jan Jansonius aan de ene kant (de latere kern van de
SDAP-afdeling) en Tjeerd Stienstra en aanhangers ter andere
zijde. Voorzitter Stienstra, aldus zijn critici, 'kon maar niet
verdragen, dat iemand onder de leden er eene andere opinie op
nahield dan de zijne'. Het kwam daarbij tot een botsing in de
Socialistische Propagandaclub waar Jansonius c.s. de macht in
handen hadden. Stienstra moest in allerijl bedanken om niet
geroyeerd te worden op beschuldiging dat hij de propagandaclub
zou hebben tegengewerkt. Stienstra nam wraak in de afdeling AK &
S, waar hij de meerderheid van de leden achter zich had staan,
en droeg op zijn beurt het drietal voor royement voor in mei
1891. Als reden werd, volgens Jansonius c.s., aangevoerd 'het
lachen van ons, onder het uitbrengen van een verslag op een
voorgaande vergadering'. Stienstra en enige geïnspireerde leden
zouden dat royement hebben doorgedreven, en de andere leden van
de afdeling zouden daarvan niets afweten, aldus de
beschuldigden. Bos was op de bewuste vergadering waar hij
gelachen zou hebben overigens niet eens aanwezig geweest. Ze
deden een beroep op het hoofdbestuur van de Bond voor AK & S,
maar dat wilde geen uitspraak doen in het konflikt. Stienstra
bedankte daarna als voorzitter en het royement werd later
kennelijk teruggedraaid.
In december 1891 werd de afdeling, toen 120 leden groot, omgezet
in een nieuwe SDB-afdeling. Het gebeurde met algemene stemmen.
De oude afdeling moet begin van dat jaar teniet zijn gegaan.
Tjeerd Stienstra werd opnieuw voorzitter.
In Drachten had Stienstra het niet alleen met partijgenoten aan
de stok, maar minstens zo met liberale medeburgers. Zij waren
verantwoordelijk voor de ondergang van zijn zaak en probeerden
hem op alle mogelijke manieren het leven in het dorp onmogelijk
te maken. De koperslager Hendrik Kijlstra, een bekend Fries
voordrager in die dagen, gebruikte volgens Stienstra zijn
versjeszeggerij om leugenachtige verhalen te vertellen.
Stienstra waarschuwde hem voor herhaling, anders zou hij over
Kijlstra wel eens een boekje opendoen. In een debat met mr.
Sickinga van Wolvega, die voor de liberale kiesvereniging
'Burgerplicht' te Drachten optrad, trappelde het publiek zo hard
op de vloer dat Stienstra zich niet meer verstaanbaar kon maken.
En de mannen van Patrimonium hadden weldra de gewoonte om de
vergadering te sluiten op het moment dat Stienstra in debat
wilde gaan.
Bij de socialistiese arbeiders genoot Tjeerd Stienstra steeds
een zeer grote populariteit. In De Wilp, op de Fries-Groningse
grens, sprak hij in de Nieuwe Kerk vanaf de kansel een
vergadering van 300 man toe met: 'Wie zijn de oproermakers'.
Zijn populariteit nam nog toe, nadat hij met zijn broer Klaas
Stienstra, kleermaker in Beetgum, en zijn nicht H. de Jong in
1891 de 'Socialistische Zang- en Propagandaclub' had gevormd.
Gedrieën trokken ze de provincie door en traden op, meestal met
nieuwe liederen, waarvan Tjeerd Stienstra er een aantal had
geschreven. Klaas Stienstra begeleidde met een gitaar en tussen
de liederen door hield Tjeerd korte propagandaspeeches. Voor
zijn zakelijke activiteiten was dit optreden de doodssteek. Hij
probeerde nog enige tijd als kleermaker zo goed mogelijk rond te
komen. In De Klok adverteerde hij bv. met de volgende tekst:
'Stropers! Daar ik niet twijfel of gij zult U reeds hebben
voorzien van een geweer en hazenstrikdraad waarschuw ik U, om
voor de koude U een warme wintermuts aan te schaffen. Ik ben
ruim van dit artikel voorzien en verkoop ze tegen lage prijzen.
De meeting in Drachten
Nauwelijks was het conflict van de
Drachtster socialisten enigszins toegedekt, of Tjeerd Stienstra
raakte betrokken bij een tweede conflict, dat van betekenis werd
voor de ontwikkeling van het socialisme in Nederland. Het ging
om een meeting van de land nationalistoren in Drachten.
Stienstra was lid van de Bond voor Landnationalisatie. In 1890
schreef hij een artikel voor het orgaan van die bond, De Grond
aan Allen, dat niet geplaatst werd omdat Stienstra niets van de
ideeën van Henry George zou hebben begrepen. Anne Rauwerda
schreef aan Jan Stoffel dat hij niets van het artikel van
Stienstra had begrepen en dat deze moest weten dat schrijven
niet zijn fort was. In het debat roerde Stienstra de
landnationalisatie regelmatig aan. Zo vroeg hij een liberale
kandidaat waarom deze niet kwam 'tot het voorstel, om de
grondbelasting, die door den staat wordt geïnd, aan dè gemeenten
te doen toekomen'.
Zijn ijveren voor de meeting voor de afschaffing van het privaat
grondbezit langs wettige weg in augustus 1891 te Drachten had
echter grote gevolgen. Deze meeting speelde immers in de tijd
dat een conflict was ontstaan tussen Domela Nieuwenhuis en de
'Hollandse' SDB én de leiders van de Volkspartij in Friesland na
de niet-herverkiezing van Domela in Schoterland in juni 1891. In
die tijd pleitte Stienstra er in een bestuursvergadering van de
Volkspartij voor om namens de afdeling Drachten van AK & S een
door de Bond voor Landnationalisatie georganiseerde meeting over
te nemen. Volgens de afdeling Drachten zaten daar voor de
Volkspartij financiële voordelen aan vast. Het bestuur ging met
4 tegen 3 stemmen bij i onthouding op het voorstel in. Tjeerd
Stienstra werd sekretaris van het regelingscomité voor de
meeting.
De meeting zou op 16 augustus plaatsvinden op een weiland in
Drachten. Afspraak was, dat de Volkspartij eventuele tekorten op
zich zou nemen en dat de Bond voor Landnationalisatie hooguit
tot f 200 in een tekort zou bijdragen.
Nog voor de meeting was begonnen was deze al inzet van een
heftige strijd tussen voor- en tegenstanders binnen de SDB en de
kiesrechtbeweging. De aanval werd geopend door Jan Rudolphy uit
Appelscha met een ingezonden stuk in Recht voor Allen. Hij was
van mening dat socialisten niet onder hetzelfde vaandel konden
marcheren als degenen die verbetering wilden bereiken via
landnationalisatie langs wettige weg, d.w.z. op de bestaande
maatschappelijke grondslag. Ook de arbeidsmiddelen dienden
gemeenschapsbezit te worden en men mocht zich niet alleen tot de
grond beperken.
Tjeerd Stienstra verdedigde de meeting in het Friesch Volksblad.
Hij wilde dergelijke activiteiten betrekken in het geheel van de
socialistiese strijd. Hij constateerde dat 'in den boezem van
het vooruittrekkende vrijheidsleger hier en daar punten van
verschil in onderdeelen van ons beginsel aan de dag gekomen'
waren, maar vond dat niet zo erg mits 'allen echter, die het wèl
meenen, erkennen, dat voorwaarts trekken noodzakelijk is en dat
éénheid de voorwaarde is, om tot het doel te komen. Waarom
kunnen socialisten nu niet meelopen onder de leus 'langs wettige
weg', aldus Stienstra. Elk ten dienste staand middel, ook de
wettige, moest immers worden aangepakt om tot vooruitgang te
komen. Het is toch niet zo, schreef hij, dat de socialisten alle
ten dienste staande middelen behalve de wettige wensen te
hanteren?
De hierboven beschreven argumenten geven de standpunten weer in
de discussie tussen radicalere en meer gematigde socialisten in
de discussies van de zomer en het najaar van 1891. Sommigen zal
het misschien verbazen daarbij Stienstra in het gematigde kamp
te vinden. Rond de meeting in Drachten werden nog andere
verwijten in de strijd geworpen: behalve Domela Nieuwenhuis zou
geen andere socialistiese spreker zijn uitgenodigd;
socialistiese colporteurs zouden zijn geweerd; de verkoop van
brochures zou door de Volkspartij zijn gemonopoliseerd; de land
nationalistoren zouden een eksklusief kongres willen houden in
Drachten en de meeting zou zijn belegd zonder raadpleging van de
afdelingen van de Volkspartij. Daar kwam later bij, dat aan het
SDB lid Coltof het woord was geweigerd tijdens de meeting.
De discussies rond de meeting' in Drachten vielen in een hele
reeks van discussies, conflicten en botsingen, waarbij een kloof
zichtbaar werd tussen Volkspartij en 5DB, radicalen en
socialisten, possibilisten en revolutionairen over de tactiek en
de strategie die gevolgd moesten worden. Een aantal persoonlijke
conflicten speelde daar dan nog doorheen. Stienstra nam zoals de
andere vooraanstaande Friese socialisten én de leiders van de
Volkspartij het standpunt in, dat de eenheid op dat moment
belangrijker was dan de zaken die in de discussie aan de orde
waren. De urgentie van de problemen van de landarbeiders en de
kleine boeren maakte acties voor opheffing van het particulier
grondbezit noodzakelijk, juist in een provincie die bijna geheel
moest bestaan van landbouw en veenderij. De Friese leiders wezen
er op dat de strijd van de veenarbeiders in Beets en Appelscha
en die van de landarbeiders in St. Jacobiparochie stuk liepen op
het bezit van de grond en niet zozeer op de veenbazen of boeren,
die op hun beurt als pachters weer afhankelijk waren.
De 'Hollandse' leiders bleven echter bij hun afwijzend oordeel
en beschuldigden de leiding van de Volkspartij ervan 'om de
sociaal-democraten te gebruiken voor de beweging van
landnationalisatie. Ook deze meeting, ofschoon oorspronkelijk
niet aldus bedoeld, is in die richting gebracht. Welnu, wij als
sociaal-democraten, de machtigste arbeiderspartij, zijn niet van
plan ons te laten gebruiken door wien het ook zij. Duidelijke
taal in Recht voor Allen!
In de ontstane strijd tussen de 'Hollandse' SDB-leiding en de
Volkspartij, waarbij werd aangestuurd op een scheuring tussen
parlementaire en revolutionaire socialisten, koos Stienstra de
kant van de Friese SDB-ers en tegen de landelijke partijlijn.
Hij steunde o.a. de pogingen van Troelstra om de Bond voor
Landnationalisatie een socialisties program te geven. In de
discussies over de noodzaak om de eenheid te bewaren kreeg
Stienstra steun van Antje Weijer-Giezen, Geert van der Zwaag,
Rindert van Zinderen Bakker en L. S. ten Cate.
Binnen de Volkspartij gaf de meeting ook de nodige stof tot
diskussie. Het aantal bezoekers, 6000, was tegengevallen en een
financieel debacle was daarvan het gevolg. In plaats van een
financieel voordeel leverde de meeting een fiks tekort op,
waarvoor de Volkspartij voor het grootste deel moest opdraaien.
Stienstra werd door Johannes van der Wijk beschuldigd de meeting
alleen maar op touw te hebben gezet omdat hij zelf financieel
aan de grond zat. Een onterechte beschuldiging, die met de klok
en de klepel te maken had. Het ging immers niet om het
financiële voordeel voor Stienstra maar voor de Volkspartij, die
op dat moment wel enige inkomsten kon gebruiken!
In de vergadering van 27 september sprak de Volkspartij over de
affaire Schoterland (de gebeurtenissen rond de
niet-herverkiezing van Domela Nieuwenhuis) en de meeting in
Drachten. Domela Nieuwenhuis was daarbij aanwezig. De meeting in
Drachten werd verdedigd door Van der Zwaag, Van Zinderen Bakker
en Stienstra. Tijdens de vergadering bleek echter reeds dat het
om veel dieper gaande zaken ging. Domela' Nieuwenhuis stelde
zich daar duidelijk op tegen samenwerking van burgerlijke en
socialistiese democraten: 'Alle partijen, die niet onze
beginselen delen, zijn reactionair. Na een debat van zes en een
half uur leed Domela Nieuwenhuis een nederlaag. Aangenomen werd
een motie -Van Zinderen Bakker, 'dat meetings, in het belang van
opheffing van privaat grondbezit langs wettigen weg wèl liggen
op den weg der Volkspartij, omdat zij dit beschouwt als een
gewichtig onderdeel der sociale kwestie. De stemverhouding was:
voor 53, tegen 2! stemmen en 9 onthoudingen.
In de volgende maanden, waarin de strijd tussen Volkspartij en
landelijke SDB werd voortgezet, trad bij Tjeerd Stienstra een
snelle radicalisering op. Deze had vermoedelijk te maken met
zijn slechte materiële positie, terwijl zijn gezin met een
tweede kind, Egbert, was uitgebreid, en met de ontwikkelingen
binnen de Volkspartij. Hoewel Stienstra in de Volkspartij een
voorstander bleef van het eendrachtig samenwerken, toonde hij
zich opeens wel een tegenstander van het deelnemen aan
verkiezingen, de hoofdactiviteit van de Volkspartij. Hij zei in
een vergadering van afdelingen van de Volkspartij langzamerhand
revolutionair te zijn geworden, omdat de hogere standen doof
bleken voor ieder betoog. Hij vond wel dat de vreedzame weg
voorrang genoot, maar geloofde daarin niet meer. In de
vergadering van de Volkspartij op 6 december 1891 keerde hij
zich tegen een adres tot verbetering van de armenzorg. 'Wij
hebben niet meer te vragen, de philantropie maakt immoreel: wij
zouden ons beginsel verzaaken, door om een aalmoes te vragen;
werk is wat wij willen; verlagen wij ons niet langer. Er is
sedert lang in verkeerde richting gewerkt. Al dat geleidelijke
geeft niets, besteedt liever het geld en den tijd, dien gij gaat
verknoeien aan een adres, aan het verschaffen van revolvers aan
den arbeiders. Dan eerst zal men eenig ontzag krijgen. Noem mij
vrij revolutionair, de ellende maakt ons zo. Een standpunt zoals
in deze tijd bijvoorbeeld in het Bildt onder
Broedertrouw-aanhangers maar ook onder werklozen en
socialistiese jongeren meer aanhang kreeg. Revolvers en dynamiet
(in code aangeduid als Van Houten's cacao!) waren de aangewezen
middelen om de burgerij de schrik om het hart te jagen en tot
productieve werkverschaffing te dwingen.
Stienstra sprak in deze tijd veel voor de socialistiese
jongelingsverenigingen. Op 7 februari 1892 bv. tezamen met
Schaper op een grote meeting tegen de bloedwet in Heerenveen,
waar 700 jongeren aanwezig waren.
In Drachten zou hij het echter niet lang meer uithouden. In
april 1892 was weliswaar met steun van vrienden en
geestverwanten uit andere plaatsen een eigen gebouw aangekocht,
zodat men bevrijd was van de zaalafdrijving ter plaatse, maar
voor Stienstra was in Drachten geen bestaan meer te vinden. Een
maand later vertrok hij naar Harlingen, waar een nieuw bestaan
begon als fulltime socialisties propagandist.
De koninginnen in Friesland
Het werkbezoek dat de
koningin-regentes Emma en de zeer jeugdige koningin Wilhelmina
in 1892 aan de provincie Friesland brachten, werd een van de
hoogtepunten in de socialistiese agitatie en propaganda in die
provincie. De Volkspartij speelde daarin een belangrijke rol en
het hele kader was op de been om inventieve plannen te bedenken
en uit te voeren. Ook Tjeerd Stienstra was present.
Nauwelijks was het hoge bezoek met de trein Friesland
binnengereden, of een groot bord herinnerde hen eraan dat ze het
echte Friesland - Arm Friesland - niet te zien zouden krijgen.
Dicht bij het station van Heerenveen waren zes palen op enige
afstand van elkaar neergezet, waaraan om en om witte en rode
vlaggen wapperden. Deze hadden opschriften als 'Recht voor
Allen', 'Vrijheid, gelijkheid en broederschap' en 'Algemeen
kies- en stemrecht'. Stroken van 5 meter lengte waren tussen de
palen gespannen en daarop stond met reusachtige letters: 'De
Friezen willen algemeen kiesrecht'. Op verschillende plaatsen
hielden arbeiders langs de spoorlijn rode vlaggen of plakkaten
omhoog.
De afdelingen Leeuwarden van de SDB en AK & S hadden een heel
programma opgesteld om het vorstelijk bezoek tot een
onvergetelijk hoogtepunt te maken. De Leeuwarder afdelingen
wilden bij het bezoek aan Leeuwarden een manifestatie, waarbij
duizenden arbeiders in werkpak in Leeuwarden zouden worden
samengebracht. Omdat het Friesch Comité (het provinciaal bestuur
van de Volkspartij) de indruk had dat de actieve Leeuwarder
afdelingen met de ambitieuze Pieter Jelles Troelstra voorop de
gehele aktie wel even buiten de andere afdelingen om zouden
organiseren, nam het zelf de uitvoering ter hand. Vitus Bruinsma,
Tjeerd Stienstra en Lukas Bunt uit Heerenveen werden daarmee
belast. Van hen was het plan voor de vlaggen, de leuzen en de
biljetten langs de route, waarvoor een bedrag van f 400 werd
uitgetrokken. Besloten werd een adresbeweging te organiseren en
de koningin om een gesprek te verzoeken. Het plan van Stienstra
en Willem Giezen om de stoet vanaf Oudeschoot vooraf te laten
gaan door een open rijtuig met daarin onder een ereboog de
Mariannefiguur vond echter geen doorgang.
Het verzoek om een gesprek met de koningin en de regentes werd
afgewezen, maar wel zou een delegatie worden toegelaten tot de
gewone audiëntie en daar het adres mogen aanbieden. Lourens
Zandstra uit Leeuwarden, Ijeerd Stienstra en Antje Weijer-Giezen
uit Wolvega werden daarvoor afgevaardigd. Het plan was de
koningin een aantal pakjes aan te bieden met het voedsel dat de
arbeider at wanneer hij geen aardappelen meer had en met de
gewone gift van de armvoogden: een vijfpondsbrood en een
kwartje. De commissaris van de koningin was echter van mening
dat dat niet iets was wat men hare majesteit kon aanbieden en de
pakjes bleven in de garderobe achter. Tjeerd Stienstra lichtte
het adres toe en wees op de pakjes, waarna Antje Weijer-Giezen
iets over de woontoestanden van de arbeiders vertelde.
Ook andere socialisten waren ter audiëntie aanwezig. Namens de
afdeling Leeuwarden van de SDB overhandigde Jan van Borssum
Waalkes een protest. Hij had eveneens het plan gehad een
pakketje eten te overhandigen en daarover met Domela
gecorrespondeerd, die hem had gesuggereerd het door een kind te
laten aanbieden. Uit Beets kwamen Melle Lageveen en Jouke Posma,
leider van de staking van de turfmakers in 1890, om te
protesteren tegen de pracht en praal waarmee het bezoek gepaard
ging, terwijl het volk tezelfdertijd armoede leed.
De volgende dagen bleven de demonstraties doorgaan. Het geplande
bezoek aan het Bildt ging daarom maar niet door. En de in woede
ontstoken particulier secretaris van koningin Emma gaf als
commentaar: 'Het lijkt hier wel een boeventroep!'
De onstuimige Harlinger jaren
Op 9 mei 1892 vestigde Tjeerd
Stienstra zich in Harlingen, waar hij voor f 200 per jaar
pachter werd van het Volksgebouw van de afdeling voor AK & S.
Van de tienduizend inwoners die het stadje toen telde was een
belangrijk deel direct of indirect afhankelijk van de haven,
waarbij al het andere van ondergeschikt belang was. De haven gaf
de arbeiders werk. Daarbij werd soms veel verdiend, dan weer
heel weinig. Voor de losse arbeiders was de situatie door
seizoenswerkloosheid, onregelmatig aanbod van werk en de
uitbetaling van loon in de kroeg weinig gunstig. Stienstra vond
in Harlingen onder hen zijn aanhang. Hij was betrokken bij de
stichting van een Organisatie van havenarbeiders, die echter
geen lang leven beschoren was.
In juni van dat jaar werd aangekondigd dat voortaan 't
Morgenrood, socialisties weekblad voor Harlingen en omstreken in
een oplaag van 500 exemplaren zou verschijnen. Rond de
oprichting van het blad ontstond enige deining. Feitse Mol,
propagandist van de Volkspartij aan de Friese westkust, stelde
dat gezien de armoede van de bestaande arbeidersbladen aan een
nieuw, waarschijnlijk ook noodlijdend orgaan geen behoefte zou
zijn. Het plan werd daarentegen verdedigd door de onderwijzer K.
Harts uit Midlum. Vooral in de steden was naar zijn mening
behoefte aan een krantje dat zich zou richten op lokale
toestanden en behoeften. Het liberale Dagblad van Friesland was
een fervent tegenstander van de arbeidersbeweging en nam nooit
iets van AK & S op.
't Morgenrood zou daarom in de eerste plaats een lokaal
blad moeten zijn. Het eerste nummer verscheen Op 17 december
1892. Het buro was gevestigd in het Volksgebouw te Harlingen.
Dat Tjeerd Stienstra de redaktie voerde stond overigens niet in
de kop van het blad vermeld. Het was verkrijgbaar in Harlingen,
Franeker, St. Jacobiparochie, Witmarsum, Arum, Achlum en Pingjum.
Naast de traditionele inhoud van dit soort bladen - een
socialisties gedicht, een soort van hoofdartikel, een
feuilleton, sociaal-politiek overzicht van nieuws uit binnen- en
buitenland - was het grootste deel van het blad gevuld met
nieuws uit Friesland en met name uit de omliggende dorpen.
Meerdere plaatselijke correspondenten leverden hun bijdrage voor
de rubriek 'Panorama', die vaak een cronique scandaleuse van de
burgerij van noordwest Friesland was. Schandalen werden
uitvoerig behandeld en de schuldigen werden met naam en toenaam
genoemd. Ook in de ingezonden stukken en artikelen, in de
vermelding van de burgerlijke stand van de Friese Westhoek over
twee kolommen en in het grote aantal advertenties van winkeliers
kwam het lokale karakter van 't Morgenrood naar voren.
De toon van het blad wordt door De Vrankrijker 'naar verhouding
kalm' genoemd, terwijl Jeelof daarentegen Stienstra's pen
'scherp en geladen met haat tegen de zg. burgers' vindt. Zijn
oordeel: 'Het geheel maakt een vrij negatieve indruk. Machteloze
spot en hoon moeten maskeren, dat de redactie dikwijls zelf geen
raad weet met de omstandigheden en geen lijn ziet in de
ontwikkeling der gebeurtenissen.
Politiek volgde het de lijn van de 'oude beweging', al zal men
tevergeefs zoeken naar felle aanvallen op de SDAP en de
parlementaire socialisten.
Financieel ging het 't Morgenrood niet slecht. In 1894 kon het
door de opbrengst van de advertenties op groter formaat
verschijnen.
De beweging in en rond Harlingen was door de komst van Stienstra,
de opening van het Volksgebouw en de uitgave van 't Morgenrood
versterkt. Het Volksgebouw was voortaan het centrum van de
beweging in de Friese Westhoek. In de omgeving lagen immers de
'rode dorpen' Arum, Pingjum en Kimswerd. Van Pingjum herinnert
een oude bewoonster zich: 'De gezindheid schijnt zo sterk te
zijn geweest, dat de toren eens rood werd geverfd. Dat was
bepaald niet naar de zin van de lokale gezagsdragers. De kazerne
in Witmarsum schijnt in die jaren speciaal te zijn gebouwd om
desnoods de Pingjumers met harde hand te laten voelen, wie de
baas was en moest blijven. De krisis in de land- en tuinbouw had
de omgeving van Harlingen, waar een groot deel van de bevolking
daar direct of indirect van afhankelijk was, veel ellende
gebracht. De hongerwinter van 1892-'93 bracht grote onrust. De
werklozen kwamen in actie en trokken naar de burgerlijke en
kerkelijke armvoogden, vragend om werk (zoals verbetering van
kanalen, droogmakerijen, vlasbewerking) en eten. Extra
militairen en marechaussees werden aangevraagd en de politie
werd versterkt. De overheid ging scherp letten op wat de
socialistiese voormannen op vergaderingen en propagandatochten
naar voren brachten. De justitie kreeg door deze activiteiten
handenvol werk. Sinds het eind van 1892 was in geheel Friesland
sprake van een groot aantal socialistenprocessen. Politie en
justitie dachten kennelijk zo het oproer te kunnen indammen en
een revolutie te voorkomen. Met de komst van Stienstra naar de
Noordwesthoek en de uitgave van 't Morgenrood meenden de lokale
autoriteiten waarschijnlijk dat de revolutie wel eens in de
Friese Noordwesthoek zou kunnen beginnen.
Daar vonden overigens wel een aantal acties van werklozen
plaats, waarbij de socialisten een belangrijke rol speelden.
Half december 1892 kwam het in Arum tot een loonaktie onder de
arbeiders die werkzaam waren in de vlasbewerking, door de
NH-kerk opgezet om werklozen te helpen in de wintermaanden.
Daarbij liep de voorzitter van de kerkvoogdij een pak rammel op,
waarna wel tot verhoging van het loon werd overgegaan.70 Bij de
acties van de 200 tot 300 arbeiders in Arum en die in andere
dorpen hadden plaatselijke socialisten de leiding. In Harlingen
vond ongeveer tegelijkertijd een hongeroptocht van werklozen
plaats, waarbij 15 ruiten van burgers werden ingegooid. De
arbeiders eisten productieve werkverschaffing van gemeentewege,
zoals het laten uitbaggeren van de grachten en het aanleggen van
een nieuwe bestrating.
Stienstra speelde met zijn blad en als propagandist op deze
beweging in. Van de autoriteiten en de justitie kreeg hij dan
ook de schuld van de beweging in Arum. En in de pers was het al
niet veel beter. De Friesche Courant schreef in januari 1893 na
de onrust in Harlingen: 'Maar zoo gaat het, als petten-makers of
kasteleins optreden als burgemeester no. 2 in de gemeente! Het
zonderlingste van de gansche socialistische beweging hier ter
stede is, dat in Harlinger aangelegenheden juist de
buitenmenschen het meeste praats maken, en van de werkloozen
bestond een zeer groot deel uit volk van de tichelwerken, dus
uit Barradeel en Franekeradeel.
De justitie maakte overuren om de processen verbaal om te zetten
in strafvervolgingen, politieagenten bezochten iedere
socialistiese vergadering en er verschenen huzaren in Harlingen
en omgeving om de orde te bewaren. Theun de Vries heeft deze
spannende Harlinger jaren in een geromantiseerde vorm gegoten:
Anna Casparii, een van de mooiste romans die hij schreef. Daarin
staat de figuur Monne Monsma centraal in de strijd van de
arbeiders. Voor een groot deel is deze Monsma gebaseerd op de
persoon van Tjeerd Stienstra.
Op de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in Harlingen en
omgeving drukten Stienstra en zijn volgelingen een belangrijk
stempel. Hun invloed bleef lange tijd bestaan. 'De
anarchistische neigingen der arbeiders van Harlingen werden hier
niet dan met veel tegenstand overwonnen, hetgeen wel hieruit
blijkt, dat de "moderne" arbeidersbeweging hier later dan elders
vasten voet kreeg', schreef E. van Hinte.
Het proces-Stienstra
Begin 1893 werd snel duidelijk dat
de overheid zou trachten Tjeerd Stienstra tijdelijk buiten
gevecht te stellen. In februari 1893 werd twee maal achter
elkaar proces verbaal opgemaakt, hetgeen later werd gecombineerd
met twee gevallen van 'opruung'. Het begon in feite met een
propagandatocht naar de dorpen in Barradeel Op 15 januari 1893.
De gewapende macht was versterkt, omdat Stienstra in aantocht
was: 4 bereden marechaussees en 5 rijksveldwachters uit
Harlingen waren ter versterking gestuurd. Tijdens de
propagandatocht mocht niet worden gezongen en er mochten geen
ontrolde vaandels worden meegevoerd. In Pietersbierum was dit
door een der veldwachters aan Stienstra meegedeeld en diens
antwoord - aldus later de beschuldiging - zou zijn geweest: 'Wij
hebben den gek met den burgemeester, hij kan verrekken, wij
hebben schijt aan den burgemeester.' Dat werd dan punt 2 van de
te formuleren aanklacht. Verder zou hij de burgemeesters van
Franeker en Harlingen in artikelen in zijn blad hebben beledigd,
te Tzum hebben opgeroepen tot een strafbaar feit (nI. tot het
opruimen van de boeren die toch maar onnutte wezens waren) en
tenslotte zou hij te Harlingen op een vergadering hebben
opgeruid tot een strafbaar feit.
Vanwege dit hele verhaal stond op 3 mei 1893 Tjeerd Stienstra,
toen 33 jaar oud, voor het eerst voor de rechter. Hij had 56
getuigen meegenomen per snelstoomboot vanaf Harlingen, omgord
met een brede rode sjerp waarop de woorden 'Leve het
socialisme'. Het socialistiese muziekkorps Sluit Schiedam!
verzorgde passende muziek. Vanaf de boot wapperde de rode vlag
plus een zwarte met een doodshoofd en gekruiste beenderen.
Duizenden waren gekomen om Stienstra toe te juichen.
De overheid had alle moeite gedaan om de tocht te verhinderen en
hield alle bruggen gesloten, maar daar hadden de socialisten op
gerekend en ze stapten opgeruimd over op een andere boot, die
reeds klaarlag.
Van de meegebrachte getuigen werden er maar 22 binnengelaten en
geen van hen werd gehoord. Wel werden de elf getuigen â charge
uitvoerig aan het woord gelaten. De getuigenissen van de
veldwachters wogen bijzonder zwaar, omdat deze - volgens de
officier van justitie - 'gewoon zijn deze redevoeringen aan te
hooren en daarvan verslag te geven, zij hebben zich dadelijk
rekenschap gegeven van wat op eene vergadering gesproken wordt
of niet'. Van andere getuigen zou dat niet gezegd kunnen worden.
Stienstra had daarover een andere mening. Tijdens het proces
ontkende hij de aangehaalde woorden gesproken te hebben: 'Zij
zijn niets anders dan de vruchten eener ziekelijke of dronken
verbeelding eener politieagent, die pogingen doet om in de pas
te komen bij een burgemeester. Alleen de woorden duiden dit
genoeg aan.
Stienstra noemde het geen moeilijke taak zich te verdedigen 'als
beschuldigde behoort tot dat grote leger van proletariërs, die
zich langzamerhand zijn bewust geworden van hunne rechten. Daar
is geen advocaat ter wereld in staat, met welke wetskennis hij
ook mag bedeeld zijn, om beter de verdediging van zoo iemand op
zich te nemen, dan de beschuldigde zelve. Hij voerde dan ook
zijn eigen verdediging.
Hij meende dat geen rechter het recht had hem te veroordelen, of
welke proletariër ook, zolang deze was buitengesloten van zijn
rechten in de klassenmaatschappij. De overheersende klasse
noemde hij in het algemeen slim, maar dom was dat deel dat zich
ervoor liet lenen voor dat geheel op te treden: rechters,
burgemeesters en politieagenten. Hij waarschuwde: 'Het duurt dan
ook niet lang meer heeren, dat ook uwe daden zullen worden
onderworpen aan de uitspraak des volks, wat ook nu reeds
geschiedt, maar aan welker uitspraak nog geen kracht kan worden
bijgezet, omdat het volk nog niet voldoende is georganiseerd.
Stienstra ontleedde vervolgens heel nauwgezet de verschillende
aanklachten en kwam tot geen andere conclusie dan dat hij de cel
in moest omdat hij gevaarlijk was voor de bestaande orde. 'Ik
gevoelde, door dergelijke beschuldigingen tegen mij ingebracht,
dat men erkende dat ik in staat was op een wijze te propageeren,
waardoor de macht der tegenpartij schade werd aangedaan', aldus
Tjeerd Stienstra. Hoewel de officier van justitie bestreed
Stienstra te vervolgen omdat deze socialist was, noemde hij als
reden voor zijn eis dat Stienstra stelselmatig en week aan week
ontevredenheid kweekte. De uitspraak bevestigde de eis: één jaar
gevangenisstraf subsidiair één maand voor de kosten.
Stienstra zei de gevangenis niet te vrezen, hoewel de gevolgen
voor zijn tuberkuleuze lichaam funest konden zijn. 'Wanneer gij
mij zult veroordeelen tot een eenigszins langdurige kerkerstraf
dan zal ik niet levend weer van daaruit te voorschijn komen.
Mijn lichaamsgestel is door den zwaren last van zorgen en de
aanhoudende vermoeienissen, die het leven van een propagandist
mee brengt, dermate verzwakt, dat het onmogelijk zal zijn dat
mijn gestel weerstand zal kunnen bieden aan de invloeden van bet
gevangenisleven', had hij zijn rechters voorgehouden. En ook,
dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is. 'Wij vreezen
de gevangenis niet. Wij weten dat wij er propaganda mee maken en
dat is ons, arme Socialisten, eenig doel. Daarvoor lijden en
strijden wij en daarvoor gaan wij dan ook blijmoedig de kerker
in. De haat in 't volk zal worden vergroot, wanneer ik in de
gevangenis zal moeten gaan.
Hij tekende geen hoger beroep aan.' t Morgenrood schreef kort na
het proces: "t Is toch alles aan dovemansdeuren geklopt om recht
te verkrijgen. Hij gaat de cel in, in de vaste overtuiging, daar
door duizenden oogen te openen en de wakenden mondiger te maken.
Op datzelfde moment lag al weer een nieuwe aanklacht op
Stienstra te wachten: de havenmeester van Harlingen voelde zich
beledigd omdat hij een ex-slavenhandelaar werd genoemd....
Op 15 juli 1893 verscheen een 'Tot weerziens' in 't Morgenrood.
Marius, pseudoniem voor de Bolswarder koopman Jakob 0. Spoelstra,
nam de redactie waar tijdens de gevangenschap van Stienstra en
trok in het Volksgebouw. Reeds twee dagen later werd Tjeerd
Stienstra gearresteerd, toen hij op weg was naar een aantal
spreekbeurten in Groningen. Hij werd op het station Leeuwarden
uit de trein gehaald. Men had hem niet uit Harlingen durven
halen. Hij werd overgebracht naar de gevangenis van Groningen in
het Sterrenbos, waar hij kamer 196 betrok. Er volgde een oproep
hem te schrijven, terwijl van de gestuurde brieven een
verantwoording kwam in 't Morgenrood om te kunnen controleren of
de justitie brieven achterhield. Op 12 augustus liet zijn vrouw
weten: 'Mijn man laat U groeten en U tevens weten, dat hij goed
gezond is en vol goeden moed'. Vanuit de gevangenis schreef hij
voor het blad enkele verhalen en gedichten.
De laatste Harlinger jaren
Op '5 juli 1893 werd hij
vrijgelaten. 's Morgens om vijf uur had zich al een grote
menigte verzameld voor de gevangenis in Groningen, maar de
justitie wachtte zo lang mogelijk. Om 7 uur waren er al
vierduizend mensen bijeen. Pas toen het hard was begonnen te
regenen werd Stienstra om half tien vrijgelaten. Daarna volgde
een huldiging in gebouw De Toekomst, waar Groninger leiders als
Dirk Donia (Zuidhorn), Hendrik Spiekman (Sappemeer), Urban
(Groningen) en daarnaast Jan Giezen uit Leeuwarden en L. M.
Hermans hem huldigden. Grote boeketten bloemen werden
aangeboden.
Daarna volgde de tocht naar Leeuwarden, waar hem in het
Volksgebouw een nieuwe huldiging te wachten stond. De menigte
was daar zo groot dat de meeste op straat moesten blijven staan.
Jan Giezen wilde de mensen vanuit het raam van het Volksgebouw
toespreken, maar de commissaris van politie maakte daar een eind
aan. Marechaussees en politieagenten ontruimden daarop de
Nieuweburen met stok en sabel. Stienstra werd, nadat hij door
Jan Giezen en Hermans was toegesproken onder het motto 'Hulde
aan den boef', met een wagentje naar het station gebracht om
confrontaties met de politie te vermijden.
Daarna viel hem in Harlingen nog een enthousiaste ontvangst ten
deel. Domela Nieuwenhuis, Jan Giezen, Geertje Kleefstra en
Marius spraken hem toe en Sluit Schiedam! speelde.
Politiek was Stienstra in de komende maanden, waarin de
splitsing tussen revolutionairen en parlementairen met de
oprichting van de SDAP een feit was geworden, weinig actief.
Zijn terugkomst uit de gevangenis leidde een periode van veel
ziekte in. Daarnaast zal het feit dat hij in organisatiekwesties
nooit zo'n scherpslijper is geweest de reden zijn dat hij zich
weinig met de oprichting van de SDAP heeft beziggehouden. Net
als Geert van der Zwaag stelde hij de eenheid in de strijd boven
alles en vond hij dat al te principiële denken maar zo zo. Noch
Stienstra noch Van der Zwaag waren denkers, eerder doeners,
socialisten van de daad. In 't Morgenrood verschenen dan ook wel
aankondigingen van de nieuwe SDAP en felle aanvallen zou men er
vergeefs zoeken, al heetten ze wel 'Kamerzetelhengelaars'.
In oktober 1894 was er opnieuw sensatie rond de figuur Stienstra.
Volgens de door A. M. Reens gepropageerde methode had Stienstra
geweigerd belasting te betalen en Op 14 oktober zou zijn
inboedel worden verkocht wegens belastingschuld. Arbeiders uit
Harlingen en omliggende dorpen verhinderden de verkoping. Daarop
werd voor 14 december een nieuwe executoriale verkoop
vastgesteld. Een dag eerder drong een deurwaarder vergezeld van
vier gehuurde arbeiders en gesteund door een aantal agenten de
woning van de Stienstra's binnen om de inboedel weg te halen.
IJlings opgetrommelde arbeiders wisten dit aanvankelijk te
voorkomen, maar later op de dag werd de inboedel naar een
nabijgelegen gymnastieklokaal versleept. Een openbare verkoping
in het Volksgebouw durfde men niet aan. Op de dag van de
verkoping was een massa arbeiders uit Harlingen en dorpen tot
ver in de omtrek naar Harlingen gekomen, maar daar waren ook i6
marechaussees en rijksveldwachters. De marechaussee
patrouilleerde met getrokken sabel tussen de menigte; de politie
had de bajonet op het geweer. Toen de' klok tien uur had
geslagen gingen de deuren open, waarna een ieder werd
gefouilleerd op het bezit van een gulden, het bewijs dat men een
potentiële koper was. Wie geen gulden bezat werd met een duw van
een karabijnkolf verwijderd.
Reens, die als gemachtigde voor de zieke Stienstra optrad,
protesteerde tegen de openbare verkoping en werd vervolgens uit
het gebouw gezet. A. B. Soep, de latere uitgever uit Amsterdam,
sprak daarop het volk toe vanuit de dakgoot van het Volksgebouw.
'Een dikke maréchaussee riep Soep toe: "jij bent 'n kwajongen!"
- waarop deze antwoordde: "daar lijk jij meer op, met je
hobbelpaardje!" - Hoera van 't publiek.
In het Volksgebouw sprak daarna Reens de mensen toe en werd een
collecte gehouden voor nieuw meubilair. De vier arbeiders die de
vorige dag Stienstra's inboedel hadden versleept werden, nadat
medearbeiders met acties hadden gedreigd, ontslagen.
In Amsterdam werd Op 19 december 1894 een protestvergadering
gehouden naar aanleiding van 'den onwettigen gerechtelijken
verkoop bij Stienstra'. Domela Nieuwenhuis was een van de
sprekers en de vergadering nam een motie aan, waarin zij 'brengt
haren dank aan de regeering voor de goede les, door haar aan
allen gegeven in het ondermijnen van wet en gezag en spreekt
haar sympathie uit voor de houding der overheid.
In februari 1895 moest Stienstra opnieuw voor de rechtbank in
Leeuwarden verschijnen. Ditmaal ging het om minder emstige
zaken. Hij had de deur van zijn bierhuis open laten staan. Deze
deur gaf overigens ook toegang tot Stienstra's woning en het
redaktieburo van 't Morgenrood. Het vonnis luidde fi boete of
een dag hechtenis. Stienstra verzuchtte: 'Wat een gedonder om
één deur. Zouden die heeren niet verstandiger doen zulke flauwe
grappen niet uit te halen'.
Een groot deel van zijn activiteiten betrof in de jaren 1894 en
1895 de vakorganisatie. Met name die van de landarbeiders had
zijn volle aandacht. De minder succesvolle afloop van de staking
van Broedertrouw op het Bildt had veel landarbeiders geen andere
keus gelaten dan emigratie. Ze kwamen de eerste jaren bij geen
Friese boer meer aan de slag. De Broedertrouw -afdelingen waren
verdwenen of omgezet in afdelingen van de 5DB of AK & S en van
de uitbouw van de landarbeidersbeweging die in het noorden van
Friesland was ontstaan aan het begin van de jaren '90 was
voorlopig geen sprake meer. De reactie van de landeigenaren en
de boeren ten opzichte van individuele en georganiseerde
arbeiders was zodanig, dat de prille initiatieven die desondanks
ontstonden weinig duurzaam bleken. Tjeerd Stienstra, die zich
steeds met de positie van de landarbeiders had beziggehouden,
benadrukte de noodzaak van organisatie iedere keer weer. 't
Morgenrood was de plaats waar door hem en door anderen een
klimaat voor het totstandkomen van organisatie onder de
landarbeiders werd voorbereid. Een van die artikelen had tot
resultaat dat een klein aantal oudgedienden van Broedertrouw in
St. Jacobiparochie opnieuw de handschoen opnam. Korte tijd later
ontstonden in andere plaatsen verenigingen, mede onder invloed
van de sociale beweging die in de Noordwesthoek in de winter
ontstond en die in Pingjum bv. leidde tot de staat van beleg.
Met die verenigingen was de basis gelegd voor de in 1897
ontstane Nederlandsche Bond van Landarbeîders.
Daarnaast zette Stienstra zich in het 'rustige' jaar 1895 in
voor de organisatie van de havenarbeiders en de arbeiders aan de
tichelwerken in de omgeving van Harlingen.
![]() |
|
![]() |
||||||
|
![]() |
|
||||||
![]() |
|
![]() |
De Hogerhuiszaak
In mei 1895 werd het bureau van 't
Morgenrood tijdelijk overgebracht naar Leeuwarden, waar
Stienstra een kamertje betrok van drukkerij Eisma aan de
Torenstraat, waar het blad toen werd gedrukt. Later had hij een
kamertje in onderhuur bij de socialistiese kleermaker Van der
Veer. Met de boot reisde hij iedere dinsdagmorgen naar
Leeuwarden en vrijdagavond of zaterdagmorgen keerde hij, wanneer
de bladen verzonden waren, naar Harlingen terug. Vanuit
Leeuwarden vervulde hij veel spreekbeurten over de toestand van
boeren en arbeiders en het middel ter genezing, later als
brochure door H. E. Kaspers in Sappemeer uitgegeven. In
datzelfde jaar bepleitte hij overigens de deelname aan de
verkiezingen. Ook in dat opzicht leek hij op Van der Zwaag.
Het jaar 1896 was echter een jaar van onaangename
gebeurtenissen. In februari van dat jaar ontstond een conflict
rond het Volksgebouw. Destijds was het aangekocht door 5
bestuursleden van de toenmalige afdeling AK & S, maar de
afdeling was later omgezet in een afdeling van de SDB en die had
geen rechtspersoonlijkheid. Een van de toenmalige bestuursleden,
de negotiehandelaar D. Andela, weigerde toen uit wraak over zijn
ontslag als agent van het socialisties begrafenisfonds, aan een
overdracht aan een nieuwe afdeling AK & S mee te werken. Veiling
van het gebouw werd daardoor noodzakelijk. Stienstra zou daarbij
het recht van bewoning behouden tot mei 1897. Een van de oude
bestuursleden, de gardenier Germ Tigchelaar, wist echter het
gebouw te kopen en te behouden voor de beweging in Harlingen.108
In deze tijd kwamen ook de problemen tussen Tjeerd Stienstra en
zijn vrouw tot een uitbarsting, bij Stienstra leidend tot veel
slapeloze nachten in tranen doorgebracht.
De Hogerhuis-zaak werd tenslotte voor hem een nieuwe kwelling.
Zelf kwam Stienstra uit Beetgum en hij kende de betrokkenen erg
goed; de drie broers Hogerhuis zowel als de later door Troelstra
aangewezen daders. Paulus van Dijk was al enkele dagen na de
inbraak bij Stienstra in Harlingen geweest en had hem
toevertrouwd dat hij, Sibolt Alberda en Allard Dijkstra de
daders waren. In 't Morgenrood was de affaire naar buiten
gekomen in het verslag dat Wiebren Hogerhuis deed van zijn
eerste arrestatie.
Tjeerd Stienstra raakte verder in de zaak betrokken, toen bleek
dat het lantaarntje dat de inbrekers hadden gebruikt en dat was
achtergebleven, zijn eigendom was. En hij wist natuurlijk
precies aan wie hij het had uitgeleend.
Op 25 maart 1896 vertrok Tjeerd Stienstra heel plotseling met
zijn 14-jarige zoon Jan naar Amerika. Over de reden van zijn
vertrek is veel gespekuleerd. Het werd in verband gebracht met
de Hogerhuis-zaak en soms werd gesuggereerd dat de grond hem te
heet onder de voeten zou zijn geworden. Duistere mededelingen in
Recht voor Allen en De Klok, ni. dat Stienstra 'wegens
omstandigheden de partij in Nederland en het land zelf moest
verlaten, droegen daartoe bij. De werkelijke reden was, dat het
huwelijk van Stienstra dermate verslechterd was dat ze elkaar
niet meer konden zien of luchten. 'Ik kan niet meer met die
vrouw in het zelfde land ademen', schreef Stienstra aan Domela
Nieuwenhuis heel kort voor zijn vertrek. En: 'Gij zult misschien
mijn daad veroordeelen, maar gij weet niet, wat ik geleden heb.'
Zijn vrouw bleef in het Volksgebouw achter en nam daarvan de
eksploitatie op zich, daarin bijgestaan door trouwe
partijgenoten als Jan Lampe en Jakob Spoelstra die in het gebouw
woonden.
Stienstra ging naar Paterson, dichtbij New York, waar zijn broer
Tjibbe al eerder heen was gegaan en zich als kleermaker had
gevestigd. Daar trof hij meerdere Nederlandse socialisten, onder
wie velen uit Harlingen en omstreken. Van hen was Jan Stap, de
leider van de landarbeiders-staking op het Bildt in 1890 en
volgende jaren, de bekendste. De Nederlandse socialisten hadden
in Paterson net als in Grand Rapids hun eigen vereniging, een
afdeling van de Socialistenbond in Nederland. R. Nakken,
jarenlang voorzitter van de 5DB in Franeker, was ook hier
voorzitter. Daarnaast waren ze aktief in vakbonden en de
Amerikaanse socialistiese partij.
In eerste instantie moet Tjeerd Stienstra net als de anderen
hebben gedacht dat de Hogerhuizen wel bij gebrek aan bewijs
zouden vrijkomen. Dat is waarschijnlijk de reden dat ze, door
niet over de herkomst van het lantaarntje te spreken, de echte
daders hebben willen dekken. Tjeerd had nog voor zijn vertrek
zijn vrouw Grietje bezworen het lantaarntje niet te herkennen.
Toen de Hogerhuizen tot in hoogste instantie veroordeeld waren,
kwamen ongeveer tezelfdertijd Tjeerd Stienstra en zijn vrouw in
actie. Vermoedelijk zal er tussen hen over gecorrespondeerd
zijn. Op 24 oktober 1896 legde Tjeerd voor de notaris in
Paterson een beëdigde verklaring af, waarin hij verklaarde het
lantaarntje aan Paulus van Dijk te hebben geleend en waarin hij
tevens verklaarde dat deze hem had opgebiecht met Albarda en
Dijkstra de inbraak te hebben gepleegd. Dit gebeurde nadat hij
met zeven andere socialisten uit Paterson had vergaderd, die hem
hadden geadviseerd de notarisverklaring te laten opmaken. Deze
verklaring werd later door Troelstra gebruikt en ook
gepubliceerd.
Op 2 december 1897 schreef Stienstra aan de moeder van de
Hogerhuizen dat haar zoons onschuldig waren en dat hij het
lantaarntje aan Paulus van Dijk had geleend. Dat Tjeerd
Stienstra in Van Dijk c.s. de daders zag, daar maakte hij al
direkt na de inbraak in zijn vriendenkring geen geheim van. Hij
vertelde dat Paulus van Dijk hem had gezegd van Wiebren
Hogerhuis te hebben gehoord, waar Haitsma zijn geld bewaarde. En
hij verklaarde tegenover kennissen dat hij ook wel iets aan de
zaak wilde doen.
Tezelfdertijd met Stienstra's notaris-verklaring stapte zijn
vrouw naar de officier van justitie en viel de door de justitie
gerekonstrueerde toedracht fel aan. Ze verklaarde dat het
lantaarntje eigendom van haar man was. Zij noemde echter geen
namen van daders. Ze toonde in de latere verhoren een brief van
Tjeerd Stienstra, waaruit duidelijk wordt dat ze over deze zaak
gecorrespondeerd hebben.
Begin 1897 trachtte de SB-afdeling Paterson geld bijeen te
brengen voor een overtocht van Stienstra naar Nederland, zodat
hij ten gunste van de Hogerhuizen zou kunnen getuigen. De
inzameling mislukte echter. In 1898 zocht Troelstra, inmiddels
advocaat van de Hogerhuizen geworden, contact met de vrouw van
Stienstra. Hij correspondeerde met Tjeerd Stienstra, die toen
als kleermaker in Littie Falls werkte. Het ging Stienstra daar
goed. Hij verdiende uitstekend en verkeerde meer met
buitenlanders dan met Nederlanders. Hij 'denkt liefst zoo weinig
mogelijk aan die oude wereld'.
In augustus 1898 kwamen Grietje Stienstra-Kijlstra en haar zoon
Egbert over naar Amerika. Het Volksgebouw in Harlingen was sinds
1897 het middelpunt van de Hogerhuis -agitatie geworden. Jan
Lampe die er woonde, en D. 0. de Vries, die Stienstra was
opgevolgd als redacteur van 't Morgenrood, waren zeer aktief in
die agitatie. Klaske Wadman, een zuster van de Hogerhuizen,
logeerde er regelmatig. Zij en baar moeder beheerden het
Volk&gebouw tijdens de afwezigheid van Grietje Kijlstra. Het
Hogerhuis -comité bracht daarvoor f 400 op tafel. Het doel van
het bezoek moet met de Hogerhuis-zaak te maken hebben gehad,
want Tjeerd Stienstra en zijn vrouw hadden elkaar niets meer te
zeggen. In maart 1899 keerde ze naar Harlingen terug. Egbert
bleef in Amerika.
In september 1899 trachtte Troelstra Tjeerd Stienstra naar
Nederland te halen, waarschijnlijk als getuige in het proces dat
tegen Troelstra werd gevoerd wegens belediging van de officier
van justitie in een laatste poging tot het bewijs te worden
toegelaten, wie de werkelijke daders waren. Tjeerd Stienstra
vroeg een vergoeding voor 1 maand van 18 dollar per week en de
reiskosten. De overkomst van Stienstra ging echter niet door.
![]() |
|
![]() |
||||||
|
![]() |
|
||||||
![]() |
|
![]() |
De Beaufort Pierson Troelstra v.d. Zwaag.
In de nieuwe wereld
Het ging Tjeerd Stienstra in de
nieuwe wereld uitstekend. Hij had een goede baan gevonden als
kleermaker en verdiende tussen de 15 en 20 dollar per week.
Politiek was hij actief geworden in de socialistiese beweging en
wel in de Socialist Labor Party (SLP). De SLP, die onder leiding
stond van Daniel De Leon, stond in kontakt met Europese
revolutionaire groepen. Het was een marxistiese partij met een
revolutionair perspektief die voornamelijk uit Duitse,
Nederlandse en andere emigranten bestond. De SLP had meer bladen
in buitenlandse talen dan in het Engels.
Stienstra was weer teruggekeerd naar Paterson, maar daar werd
hij vanwege zijn handelingen door de socialistiese kameraden
steeds meer gemeden. Eind 1898 schreef Douwe Boersma, een uit
Assen afkomstige socialist, aan Domela Nieuwenhuis: 'Niemand van
de socialisten hier die zich met hem inlaat. Zelfs niet de
parlementair gezinden. Hij sprak van 'deze zonderlinge figuur
moet of gekrenkte geestvermogens hebben of is 'n laag,
harteloos, individu'. En hij constateerde: 'De trouwste en beste
kameraden hebben hem als gevaarlijk sujet de deur gewezen.
Gevaarlijk dan voor de vrouwen, want Stienstra scheen te hebben
geprobeerd op de vrijerstoer te gaan met de î 8-jarige dochter
van de leider van de vrije socialisten in Paterson, R. Nakken,
en die had hem toen de deur gewezen. In 1900 kwamen zijn broer
Klaas, die kleermaker was geweest in Beetgum en tot over zijn
oren in de Hogerhuis -processen verwikkeld was geraakt, en zijn
moeder naar Paterson.
In 1902 keerde Tjeerd Stienstra tot een oude liefde terug: de
landnationalisatie. In dat jaar schreef hij aan de oude voorman
van de Nederlandse Landnationalisatoren, Jan Stoffel, dat hij
genoeg had van communisme, socialisme en anarchisme. Hij had het
plan opgevat met anderen een stukje grond te kopen en daar
volgens de beginselen van de grondwaardebelasting een kleine
gemeenschap te stichten. Hij had een groot stuk land in Delaware
op het oog en zocht daarvoor de financiële middelen. Die kon ook
Stoffel hem niet verschaffen, want deze had genoeg van
eksperimenten met het kopen van grond in vreemde landen na de
catastrofaal verlopen expedities van de Vrijlanders. Tjeerd
Stienstra zette echter zijn plannen door en hij behoorde in
februari 1902 tot de oprichters van Fair Hope Colony aan de
Mobilebaai van de Golf van Mexico. Eind van dat jaar schreef hij
aan Stoffel dat het goed ging met de bouw en dat hij zich wilde
gaan toeleggen op het verduurzamen van groente en op de
boterbereiding. In februari 1903 vestigde hij zich in Fair Hope.
Deze Single Tax Colony was een klein en begrensd experiment,
gebaseerd op de veronderstelling dat een lokale gemeenschap
welvarender en stabieler zou zijn, wanneer de
gemeenschapsdiensten en -voorzieningen uitsluitend uit de pacht
konden worden betaald. Men werkte er met een 'gesimuleerde
single tax', omdat men zich niet geheel los van de Amerikaanse
samenleving kon en wilde opstellen. De kolonie bleef tot 1968
bestaan en groeide uit tot een stad. Bij het experiment waren,
volgens Stienstra, nog 46 andere Nederlanders betrokken. Het
beviel hem in ieder geval uitstekend. Hij vestigde zich als
kleermaker: George Steenstra, custom tailor voor 'Snits, Coats
and Pants made to measure, in style and workmanship equal to New
York or Chicago and at prices much lower. A fine line of goods
to select from', aldus een advertentie. De kleermakerij was een
van de 84 houten winkels in het Business Centre van Fair Hope in
1904.
Zijn zoon Jan keerde na een aantal jaren naar Harlingen terug,
waar hij een schildersbedrijf begon. Hij was geen
onverdienstelijk kunstschilder en speelde de hoofdrol in
spektakelstukken in Harlingen in de jaren '20. Het artistieke
talent van zijn vader had hij kennelijk geërfd. De tweede zoon,
Egbert ('Albert'), bleef in Amerika. In 1921 vestigden Tjeerd en
Egbert zich in de stad St. Louis. Tjeerd was inmiddels hertrouwd
met Bertha Schaeffer. In St. Louis (Missouri) was hij werkzaam
als ontwerper, patroonmaker, snijder en kleermaker. In 1928
vertrokken de Stienstra's naar de 'county' van St Louis, het
landelijk gebied dat de stad omringde. Daar brachten Tjeerd en
zijn vrouw hun laatste levensjaren door ten huize van zijn zoon
Egbert en diens vrouw Rose Huber DeClue. Hij was toen 69 jaar,
herstelde wel eens wat voor vrienden en kennissen maar werkte
niet meer en was aangewezen op zijn zoon.
Politiek actief was hij al lang niet meer. Een van zijn weinige
activiteiten was een brief in de lokale St. Louis-Post Dispatch
in 1934, waarin hij Spinoza verdedigde.
Tjeerd Stienstra stierf op 9 april 1935 in het huis van zijn
zoon in St. Louis County en werd begraven op Valhalla Chapel of
Memories. Hij was 76 jaar oud geworden, een hoge leeftijd voor
iemand die in 1890 tijdens de staking in Beets voor dood op de
grond had gelegen en die men toen nog maar enkele jaren te leven
gaf.


















