|
De unieke schaatstocht
van 1928-1929.
LC-1929- 23-02 -STRENGE WINTERS IN VORIGE
EEUWEN.
Onze winter van 1929 zal met die van 1858
en 1890 ’91 in de annalen der geschiedenis worden opgeteekend. Tochten
per schaats
rijwiel auto en arreslee naar het waddeneiland Ameland naar Urk en
Marken of de overtocht van Enkhuizen naar Stavoren en omgekeerd
zijn waard voor het nageslacht in herinnering gehouden houden te worden.
De dagbladpers doet daarvoor zijn best en het is zeker dat menige
courant tegenwoordig zorgvuldig bewaard wordt om later als bewijsstuk te
dienen.
Zelf te oud geworden om aan die heerlijke sport deel te nemen heb ik de
moeite genomen uit de oude kronieken van Friesland aanteekeningen te
maken van strenge winters in vorige eeuwen. Natuurlijk noem ik ze niet
alle doch van de voornaamste zal ik in dit artikel melding maken en wat
vertellen van de gevolgen. Ik doe dit meest in de taal van nu een eeuw
geleden geschreven
In de jaren 1239 40 en ’41 had men in deze gewesten zoo late vorst en
winterkoude dat men niet tijdig konde zaaien of ploegen daarna heeft een
zware regen omtrent Pinkster in het laatst gemelde jaar al het gezaaide
bijna bedorven waardoor hier en in de naburige gewesten groote duurte
van levensmiddelen ontstond.
In de de 14e eeuw kwamen meer overstroomingen en stormvloeden voor dan
buitengemeen Strenge winters. Daarom volgen nu de strenge
winters van 1432 ’33 en die van 1433 ’34.
Men vindt aangeteekend dat de winter die in November 1482 inviel tot 5
Februari met veel gestrengheid stand hield. Ongeloofelijke
menigten sneeuw bedekten de toegevroren rivieren liggende Rijn, Waal,
IJssel en Maas alle met dik ijs gesloten. Bij den dooi die zeer snel
inviel hadden er de vreeselijkste overstroomingen plaats.
Dijken en dammen werden verbroken langs de IJssel. Al het wintergezaai
ging verloren.
Rivieroverstrooming in de Opper-Betuwe. Nog zwaarder drukte de
volgende winter die van 19 November tot 10 Februari met gestrengheid
voortduurde. Daarna overstroomingen in de Betuwe, Holland, Zeeland en
Friesland. Al het gezaaide verdierf waardoor gebrek en duurte
ontstonden.
De winter van 1479 op ’80 die 26 December
inviel was buitengewoon streng en langdurig, durende voort tot 1 April
waardoor bij dezen
duren tijd en het bestaand gebrek groote ellende onder de schamele
gemeente plaats greep.
1504 -Merkwaardig was dit jaar door de
zeer veranderlijke weersgesteldheid. Na den heeten zomer des vorigen
jaars volgde een zachte en
open winter tot aan het begin van Maart wanneer het zoo geweldig begon
te vriezen dat men het ijs overal met paard en slede veilig kon
gebruiken. Daarop volgde een drooge zomer met volkomen misgewas van hooi
en granen. Tusschen 22 Juli tot na Allerheiligen viel er gansch geen
regen. De winter die in ’1564 den 5 December met een felle koude inviel duurde
zoo lang met gestrengheid voort dat men op St. Matthiasdag, 24 Febr. nog
met paard en sleede over de Schelde trok. Anno 1572 Onder dit alles werd de ellende van vele armen verdrevenen en ellendigen nog eens grooter door eenen fellen vorst die reeds op
10 October begon en tot in het begin van Februari met veel hevigheid
voortduurde dat zelfs de zee en groote wateren bevroren geraakten.
De vloot der bondgenooten raakte op de Zuiderzee bevroren en men vreesde
dat de Spanjaarden de schepen verbranden zouden.
God die alleen wonderen doet gaf ook hier uitkomst.
Als aardige tegenstelling nu over den
winter van 1596 ’97.
Deze winter was zoo zacht en warm dat men om Kerstdag vele boomen zag
bloeien en er reeds jonge vogels als spreeuwen kraaijen en raven
gevonden werden.
1607 "08 -De winter was zoo buitengewoon
fel als bij menschenheugenis nooit plaats had gehad. Het was begonnen te
vriezen 19 December doch op 26 December viel de dooi in tot 1 Januari.
Maar in de beide eerste maanden van 1608 vroor het allergeweldigst.
Alleen had men in het laatst van Januari enige dooijende dagen doch die
van nog feller koude opgevolgd werden.
Alle binnenwateren rivieren en stroomen ja zelfs de geheele Zuiderzee
lag met dik ijs bezet. Men ging over ijs van Texel naar Wieringen en
reed met paarden en sleden uit Holland naar Friesland waar men maar
wilde. De eilanden Grind Terschelling en Ameland werden bezocht alsof
het vast land ware geweest.
9 Februari reed Adriaan Wierdsz burger van Harlingen met paard en slede
uit de haven der stad en kwam dien dag nog vóór het poortsluiten binnen
Amsterdam.
J.B.

Een bijzondere schaatstocht, ja
uniek, over de voormalige Zuiderzee in het jaar 1929. 2 maart heen
en 3 maart retour.
Bij al de moderne
vervoersmiddelen, zoals de fiets, de auto, de motorfiets, zou men
haast geneigd zijn de aloude schaats te vergeten. Deze winter bood
een goede gelegenheid voor alles wat wilde rollen en glijden. Dat
ook zeldzame tochten op de schaats konden worden gemaakt, had een
bijzonder gezelschap plaats genoten bewezen. Vrijdag mompelde men in
Lemmer, dat een paar naar Amsterdam wilde schaatsen.
Onwillekeurig werden door de oude
Lemsters vissers de schouders op getrokken, want die kende de
gevaren van de Zuiderzee als hun broekzak. Nog nooit was een
dergelijke tocht mogelijk geweest, de zee kon zoveel gevaren op
leveren. Misschien had men ook geen grote verwachtingen van tochten
op de schaats in deze dagen nu het rijwiel en de auto troef waren op
het ijs.
Het was een kranig gezelschap dat
de tocht wilde ondernemen. Met vastberadenheid wilden zij die tot
een goed einde brengen. Wij waren met 7 personen waaronder een
vrouw namelijk mejuffrouw L. de Rook. Verder G. Feenstra, Eelke de
Vries, E. Visser, J. Wijnand, Louwrens de Rook en W. Wouda.

De
historische schaatstocht in de strenge winter van 1929. Die tocht was in
de hele historie van de Zuiderzee nog nooit gemaakt. U moet weten dat de
afsluitdijk er toen niet was, die was er pas in 1932. Dus zo'n tocht kan
nooit meer plaats vinden in de zelfde omstandigheden, want eb en vloed
is er niet meer. De afstand van de Lemmersluis en de Oranjesluizen door
het val van Urk was 73 km, er was geen gladde ijsvloer, maar veel
ijsbergen en schotsen. de 2e maart 's morgens om 7uur ging men van start
met zes mannen en een vrouw en ze waren 's middags om 3uur in Amsterdam.
De twee dames en heer met hoeden horen er niet bij, maar kwamen ze
tegen, die maakte een autotocht vanuit Volendam. De man links met de
witte trui is Eele Visser,Johannes Wijnand (Joffre), Geert Feenstra,
Lies de Rook (dochter van hangbaas Poppe de Rook), met alpinopet op is
Eelke de Vries en dan rechts Louwrens de Rook (broer van Lies).
De nodige voorzorgen moesten snel
worden genomen. Op 1 maart om 19.30 uur stond nog niets vast. De
spiering slee van mijn vader werd van zolder gehaald en uit gerust
met drinken en zakken brood, touw extra schaatsen en wat fruit
(sinaasappels).
In de slee stond het kompas.
Zaterdagmorgen vertrokken wij nadat de schaatsen waren ondergebonden
om 7.30 uur uit de Lemsterhaven. Urk was niet het einddoel.. nee
Amsterdam nota bene!! Het was in de geschiedenis nog nooit voorgekomen. Eelke de Vries was onze gids. Hij voer zomers op de
Zuiderzee, voor de familie de Rook naar Medemblik waar hij ansjovis
haalde, die in Lemmer werd gezouten.
We trokken de slee, terwijl
mejuffrouw De Rook de slee achter vast had. Het was een kleine
Noordpool met hoge ijsbergen. Het was een barre tocht met veel
oponthoud, het traject naar Urk leverde geen buitengewone bezwaren
op. Wij pauzeerde even bij Urk en zetten toen koers naar Marken. Het
ijs na Urk was slechter en vaak tussen de ijsbergen door moesten wij
de weg zoeken. Wij raakte een keer 15 min uit de koers.
Het ijs was
één grote vlakte,
waar we vaak in twee uur geen mens tegen kwamen. Er gebeurde een
paar onverwachte dingen, door het stoten van de slee viel de plaat
van de naald van het kompas af, en moest Eelke de Vries met zijn
zakmes de naald slijpen, anders kon geen richting worden bepaald.
Mejuffrouw de Rook liet per ongeluk de slee los en daar vlood die
heen. Slechts met grote moeite kon zij de mannen in halen. Die
hadden van haar angstige avontuur niks gemerkt.
Om ongeveer 15.00 uur arriveerde
wij in Monnickendam, waar een telegram naar Lemmer werd verzonden.
We konden daardoor even uit rusten, maar zetten daarna dadelijk
koers naar de Oranjesluizen, waar we om 17.00 uur arriveerden. We
hadden er 9½ uur op zitten er was reeds belangstelling, wat
betekende dat men niet onwetend was van deze tocht.
Na een flinke nachtrust werd
zondag 3 maart om 7.00 uur de terugtocht aanvaard. De Heer Eelke
Visser bleef achter in Amsterdam, omdat hij er maandag moest zijn.
Via Monnickendam ging het huiswaarts. Het was een zware tocht, omdat het ijs licht was gaan dooien, werd het zee-ijs dat toen nog
zout was, zacht en zwaar te berijden.
Auto′s die omstreeks 16.00 uur in
Lemmer arriveerden hadden ons al gesignaleerd, gaande van Urk naar
Lemmer. Om 16.30 werden de schaatsen afgebonden. Mijn schaatsen
waren totaal uitgesleten, het anker zat los in het hout.
Het muziekkorps hoorden we al
spelen toen wij in Lemmer aankwamen. Alles wat handen en voeten had,
stond op de haven om ons te verwelkomen. Een kranige tocht was volbracht door een zestal Lemsters.
W. Wouda.
LC-1928-13-01 -IJS IN DE ZUIDERZEE.
Na een emotievolle week veroorzaakt door
het binnenkomen van de salonboot "Holland" in de Lemsterhaven gevolgd
door het vastloopen en het bekneld geraken in het ijs eerst van de
salonboot "Friesland" en daarna van den ijsbreker "Daniël Goedkoop", is
thans na hun verlossing uit het ijs door de sleepboot 'Wilhelmina' van
de fa Goedkoop van Amsterdam de rust in onze haven weergekeerd. Een rust
die allerminst weldadig aandoet zoo schrijft men ons uit Lemmer. Behoort
tóch bij onze haven niet de gezellige drukte en bedrijvigheid van
visscherij en scheepvaart. Deze rust is dan ook in bet geheel niet
weldadig zo schrijft men ons uit Lemmer. Behoort bij onze haven niet de
gezellige drukte en bedrijvigheid van visscherij en scheepvaart. Deze
rust is dan ook in het geheel niet weldadig voor onze gemeente en een
groot deel der bewoners. Ieder die zijn brood in beide genoemde takken
van bedrijf moet verdienen ziet zich noodgedwongen met werkloosheid
geslagen en de neringdoenden in onze plaats klagen terecht over de
slapte in hun winkels als onmiddellijk gevolg hiervan.
Was reeds eind November de haven voor de scheepvaart
gedeeltelijk gesloten in het midden
van December werd de zeil zoowel als de stoomvaart geheel onmogelijk en
dat duurt tot heden
voort. Bij meerderen in onze plaats rijst de vraag hoelang nog?.

Toen de bemanning van de ijsvlet,
die Zondag proviand voor de in het ijs beknelde
schepen had gebracht en hedenmiddag met de
autobus uit Stavoren arriveerde was hun oordeel
dat bij blijvende zuidelijke tot westelijke windrichting het de eerste veertien dagen zelfs voor de
stoomschepen niet mogelijk zal blijken een eenigszins geregelde vaart te openen. Geen schoon
vooruitzicht dus.
Onwillekeurig brengt zo’n geschiedenis de
tongen in beweging en wordt vergelijking gemaakt
met andere jaren.
Zoo hadden wij dezer dagen een gesprek met
een Lemster die in 1891 voor de ouderen onder
ons als buitengewoon strenge winter bekend een
tocht per arreslee had meegemaakt van Lemmer
naar Urk en terug.
Hiervan vertelde hij nagenoeg het volgende "In strengen winter van 1890
op
’91 was de
geheele Zuiderzee met een stevigen ijsvloer
bedekt en naar ik meen waren net
wijlen D. L. Hoogkamp te Follega, E. T.
Bouwhuis te Eesterga en Atse Knol
te Lemmer (de vroegere bewoner en eigenaar van
het thans nog bestaande hotel "De Wildeman")
die het plan opperden om een tocht per arreslee
van Lemmer naar Urk en terug te maken. Er
werd een datum bepaald n.l den 23en Januari
1891. Op den morgen van dezen dag kwam het
op dat ook ik zou meegaan.
Zooals straks zal blijken hadden we het moeilijk slechter kunnen treffen wat het weer aangaat,
doch de reis was vastgesteld en zooals het meer
gaat bij dergelijke ondernemingen ondanks de
slechte weersgesteldheid zou het plan worden volvoerd.
Na ons een paar uur verlaat te hebben werd te
ongeveer 9 uur de tocht aanvaard. Bezijden den
westelijken havendam werden de arresleden opgesteld.
We zouden op kompas onzen tocht
volbrengen. Reeds bij vertrek was het mistig wel trachtte de zon af en
toe door te breken doch zij bleef als een enigszins lichtende schijf
achter het mistgordijn verborgen.
Niet lang nadat wij Lemmer ujt het gezicht hadden verloren was toch de
zon nog onze raadsman. We kwamen tot de ontdekking dat ze aan onze
rechterhand stond terwijl ze wanneer wij in de richting Urk gingen op
dat uur links van ons moest zijn. Het bleek ons dus dat door het
schudden het kompas niet te vertrouwen was. Er werd halt gehouden het
kompas opnieuw gesteld terwijl wij om zeker te zijn steeds in dezelfde
richting te gaan de sleden zoo opstelden dat de voorste en achterste zoo
ver mogelijk uit elkaar gingen. De andere er tusschen. We hadden nu een
rechte lijn die de geheele tocht lang bewaard moest blijven. De voorste
slee kon zich nu richten naar de beide andere.
Na een tocht van ongeveer 4 uren kwam werkelijk Urk in zicht en even
later zochten we over het hobbelige ijs de haven op. Het doel van onzen
tocht werd bereikt en ieder oud en jong spoedde zich naar de haven want
nog nooit had men er een arreslede gezien.
De burgemeester van Urk was spoedig onder de aanwezigen en leidde ons
naar het gemeentehuis waar van den tocht een oorkonde werd opgemaakt,
waarvan het origineel thans nog in het archief van Urk wordt bewaard.
Ieder der deelnemers kreeg later een afschrift thuis gezonden.
Tegen drie uur aanvaardden wij den terugtocht. Een dikke nevel welhaast
in mist overgaande hing om het eiland een stevige wind uit het
Zuidwesten benam al het gezellige wat aan een dergelijken tocht
verbonden kan zijn.
Daar het ijs met een sneeuwlaagje bedekt was werd de terugreis
gemakkelijker wat het zoeken van de goede richting betrof. We zorgden
steeds het spoor te volgen. Af en toe werd even gerust. Niet lang echter
want de mist was tenslotte in een striemenden regen overgegaan terwijl
de krimpende wind tot een storm was aangewakkerd.
Te ongeveer 8 uur ’s avonds bereikten we Lemmer. Van de negen personen
die aan dezen toch deelnamen zijn thans nog twee in leven n.l
Meine Jans Meines en Jan Jans Pen.
Hieronder laten we volgen een afschrift van bovengenoemde oorkonde.
Wij ondergeteekende Hendrik Kagel
burgemeester der gemeente Urk verklaren by dezen dat heden den drie en
twintigsten van louwmaand
maand des jaars één duizend achthonderd en één en negentig des namiddags
omstreeks één uur van de Lemmer op het eiland Urk zijn aangekomen, Drie
Arresleden bespannen met paarden en bevracht met een gezelschap van
negen personen.
De paarden ter stal gebracht zijnde, kwam
het gezelschap ten Raadhuize zich aan ons voorstellen, met het verzoek
van dezen Zeldzamen IJstocht over de Zuiderzee een oorkonde op te maken
ter bewaring in het archief der Gemeente Urk en een afschrift van dit
stuk aan ieder van 't gezelschap te doen toekomen.
De namen, ouderdom, beroep en woonplaatsen
van de reizigers werden opgegeven en aangeteekend als volgt.
Dubbelt Lubberts Hoogkamp, oud 63
jaar. Aannemer te Vollega.
Pieter Rippen, oud 57 jaar.
Schipper, wonende te Lemmer.
Atse Jans Knol, oud 55 jaar.
Logementhouder 'De Wildeman', wonende te Lemmer.
Egbert Tiemens Bouwhuis, oud 49
jaar. Landbouwer, wonende te Eesterga.
Heine Altus Oosten, oud 44 jaar.
Koopman, wonende te Vollega.
Age Kerkhoff, oud 38 jaar. Kassier,
wonende te Lemmer.
Jan Jans Pen, oud 36 jaar. Koopman,
wonende te Lemmer.
Meine Jans Meines, oud 32 jaar.
Landbouwer, wonende te Vollega.
Tiemen Egberts Bouwhuis, oud 15
jaar, wonende te Eesterga.
Verder werd nog medegedeeld, dat de reis
des voormiddags ten negen ure te Lemmer was aangevangen en 't gezelschap
in de na te melden orde op de Arresleden had plaats genomen, te weten:
Op de Eerste of Voorste Arreslede; Dubbelt
Lubberts Hoogkamp, Meine Jans Meines en Heine Altus Oosten.
Op de Tweede of Middelste Arreslede; Atse
Jans Knol, Age Kerkhoff en Jan Jans Pen.
op de Derde of Achterste Arreslede; Egbert
Tiemens Bouwhuis, Tiemen Egberts Bouwhuis en Pieter Rippen (gids)
Namiddags drie uur werd de terugreis in
dezelfde orde aanvaard, doch niet onder begunstiging van voor een
ijstocht met Arresleden over de Zuiderzee gewenscht goed weer, aangezien
't begon te regenen, vergezeld van een flinke bries uit het Zuiden.
Aldus opgemaakt en geteekend door ons
Burgemeester der Gemeente Urk ten dage, maand en jaar als voren gemeld.
(w.g..) H. Kagel.
Burgemeester.
J.B.


Auto's reden over het ijs van Lemmer naar Urk vice versa: Twee foto's uit de strenge winter van 1929, toen in de eerste week van
maart talrijke auto's over de dichtgevroren Zuiderzee van Lemmer
naar Urk reden. Op vrijdag 1 en zaterdag 2 maart hadden de eerste
auto's al de oversteek gewaagd en toen bleek dat het ijs dik genoeg
was en dus betrouwbaar was, wemelde het daarop volgende zondag 3
maart van auto's en en andere voertuigen, waaronder arrensleden, die
de tocht Lemmer Urk maakten. Bij de eerste oversteek waren ook de
heer Rein Kool, havenmeester, een journalist van de Arnhemse Courant
en ambtenaar van een consulaat. Van burgemeester Gravesteijn van Urk
kregen zij een oorkonde, terwijl de heer Kool in zijn functie als
havenmeester aan de journalist een havenbriefje verstrekte waarin
vermeld stond dat deze in de Lemsterhaven was gearriveerd over het
ijs. Urk, toen nog een eiland, was door de strenge winter geheel
geïsoleerd en was van bevoorrading afhankelijk van toevoer via het
ijs. Dat is eerst met sleden gebeurt in begin maart, toen de over
het besneeuwde ijs getrokken spoor van de eerste auto naar Urk een
veilige weg markeerde, ging o.m. Gosse Wierda met een vrachtauto met
steenkool naar het benarde eiland.
Maar ook een wandeling over de
dijk.
1939 -OVER DEN DIJK VAN LEMMER EN
TERUG.
Men schrijft ons uit Lemmer.
We weten dat deze week het eiland Urk
door den meerdijk aan den
vasten wal verbonden is. Daarvoor bestond er alleen maar een
verbinding over water.
Alleen in zeer strenge winters is het ook wel eens gebeurd dat Urk
per arreslee of per schaats van den vasten wal bezocht werd en in
den winter 192 nog met auto en fiets ook.
Maar naar Urk wandelen dat moest wachten op de tot stand gekomen
verbinding.
Lang heeft men niet gewacht Zaterdagmorgen togen om ongeveer 7 uur
drie wandelaars onze plaatsgenooten T. H. de Rook A. E. Klijnsma en
Tj. van der Bijl op stap om over den ringdijk het uitstapje naar Urk
te maken.
Dat lijkt nu wel niet zoo heel moeilijk maar heel gemakkelijk is het
ook niet. In de eerste plaats de afstand is reeds ongeveer 25 km
heen
en terug vooral niet korter.
Dan al spoedig kreeg men een lastig eindje nl het 1e gedeelte dat
tot voor enkele wekenvoor onze haven nog open lag. Het viel niet mee
over het glibberige keileem te komen. Maar daarna had men dan ook
een 14 km door betonblokken goed begaanbaar gedeelte voor den
boeg. Dit gedeelte aldus onze zegsman die den tocht meemaakte werd
in een flink tempo afgelegd.
Tot we, we laten onzen zegsman nu verder aan het woord de voor
enkele weken door de directie van het Syndicaat Noordoostpolder
geplante driekleur hadden bereikt ging alles goed, de weg was goed
begaanbaar. Wel voor en na een regenbuitje.
Maar toen kwam het gedeelte dat pas later en nog deze week gestort
was. Over een afstand van 250 meter moest pas gestorte en nog zeer
versche keileem gepasseerd worden en dat gaf heel wat oponthoud en
ook wel eens moeilijkheden. Een der deelnemers was nl zoo ongelukkig
een paar maal in het keileem weg te zakken.
Dan kon over een afstand van ongeveer een kilometer gebruik worden
gemaakt van de aan den dijk gelegde zinkstukken. Dat was ook nog
niet gemakkelijk maar in elk geval nog beter dan het keileem al
stonden we soms in het water.
In de directiekeet der N.V. Zanen Verstoep, werd even rust gehouden
het ons daar aangeboden kopje koffie smaakte uitstekend.
Nu restte nog de laatste 9 kilometer. Maar dit dijkvak is nog niet
geheel afgewerkt en de weg ging dan ook over de basaltsteenen en dat
is geen gemakkelijke wandelweg.
Ten slotte werd om halféén in den namiddag Urk bereikt. Van den
burgemeester van Lemsterland had men op het gemeentehuis al bericht
ontvangen dat we onderweg waren en we werden daar dan ook door den
burgemeester den heer Keyzer ontvangen. En voorts hebben we
ons van nieuwe sokken voorzien en van een middagmaal.
Nadat elk der deelnemers ter
gedachtenis aan dezen tocht van den Urker burgemeester een oorkonde
had ontvangen werd om twee uur de terugtocht weer aanvaard. Wel had
de directie der N.V. Zanen Verstoep aangeboden om ons met een
motorvlet weer naar Lemmer te brengen maar we vonden het aardiger
den terugtocht ook te wandelen. Deze verliep wat gunstiger dan de
heenreis vooral omdat de weersgesteldheid beter was geworden en men
langs den dijk ook nog weer meer zinkstukken gelegd had zoodat het
gedeelte keileem nu korter was.
Bij den bocht tegenover het stoomgemaal begon het al te donkeren en
toen we bij het sluitgat aankwamen was het daar pikdonker dat was
toen nog weer een lastig eindje. Om twintig minuten voor acht zat ik
weer thuis.
Voor dezen tocht had men een bijzondere vergunning van den
hoofdingenieur verkregen en die werd voor dezen keer afgegeven maar
nu
ook niet meer. Dit even ter waarschuwing voor degenen die het ook
zouden willen probeeren.
We eindigen dit verhaal met in herinnering te brengen dat een der
wandelaars nl de heer de Rook in den winter van 1929 met een groep
andere personen als eerste per schaats een bezoek aan Urk bracht.
We vernamen verder dat er Zaterdagmiddag iemand die naar St
Nicolaasea moest per rijwiel van Urk is gekomen. Dat valt echter wat
het eerste gedeelte van Urk af betreft ook nog niet mee.


Foto van:
www.geheugenvannederland.nl
Dijk Urk-Lemmer, vanaf Lemmer
gezien.

Home
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|