|
De familie Rijpkema, in Lemmer.
Ergens tussen februari 1883 en oktober 1885
kwam mijn overgrootvader Epke Meinderts Rijpkema, met zijn
gezin naar Lemmer. Epke was geboren in St. Nicolaasga op 2
december 1849, zoon van Meindert Epkes Rypkema en Klaaske
Annes de Lange. Hij was in 1875 getrouwd met Gatske Aukes
uit Woudsend, dochter van mastmaker Jan Auke Aukes en Jetske
Piers Huitema.
In de eerste huwelijksjaren woonde het gezin
tussen St. Nicolaasga en Huis-ter-Heide, daar werden de
oudste kinderen geboren: in 1878 Meindert, in 1880 Jetske,
in 1881 Jan en op 31 januari 1883 mijn pake Anne Rijpkema.
Epke verdiende tot dan toe de kost als kasteleinsknecht,
arbeider, dagloner. Het gezin ging bij Lemmer wonen in een
ark aan de Dijksloot.
Epke was niet de eerste Rijpkema die in
Lemmer ging wonen. Zijn zus Akke woonde daar al, zij was
getrouwd met Jacobus Groenendal, en Epkes moeder kwam uit
Lemmer, zij was daar geboren op 17 juli 1819, dochter van
Anne Andries de Lange en Aafke Siebrens Molenaar. Toen zij
in 1844 trouwde met Meindert Epkes Rypkema woonde ze in St.
Nicolaasga, waar ze werkte als dienstmeid.
In het begin had Epke nog werk in St.
Nicolaasga. Daarvoor moest hij heel vroeg opstaan, zo’n 10
km. lopen, dan de hele dag sloten graven en ’s avonds weer
lopend terug naar zijn gezin. Hij kreeg plakken roggebrood
mee, waar Gatske met een kwastje Amerikaans vet op gesmeerd
had, dat was het goedkoopst. Het werk was zwaar, hij kon ’s
morgens koffietijd zijn hele mondvoorraad wel op, maar moest
er nog de hele dag mee doen.
Op 24 oktober 1885 werd in Lemsterland hun
zoon Auke geboren. Auke kreeg van zijn vader te horen hoe de
dag van zijn geboorte was. En Auke heeft op 85-jarige
leeftijd zijn herinneringen opgeschreven. Ik citeer:
"Op de dag van mijn geboorte heeft zich heel
wat afgespeeld.
Moeder zat alleen in de ark, vader was met zijn broer in een
oude schuit over het Tjeukemeer gevaren. Zij hadden een
goede lading turf aan boord om daar iets mee te kunnen
verdienen.
Maar mensen waren in die tijd erg arm en de meeste mensen
hadden geen geld om de turf in te slaan. Mijn vader en mijn
oom maar zoeken, naar mensen, aan wie zij turf zouden
kunnen verkopen. Die mensen woonden echter zover uit elkaar
en gingen er verscheidende dagen overheen tot ze tot handel
kwamen en toen konden zij de turf nog wel kwijt, maar viel
er geen cent meer aan te verdienen.
Tenslotte zei mijn vader tegen zijn broer:”ik heb er meer
dan genoeg van, mijn vrouw zit alleen in die ark, die ver
van het dorp op een dijk staat omdat hij te gammel is om in
het water te liggen, we gaan”.
Toen konden zij niets anders doen dan de turf tegen
inkoopprijs verkopen. Het ergste was dat ze de turfen ook
nog naar de zolders moesten sjouwen. Toen ze los waren zijn
ze zo gauw mogelijk naar huis gegaan, met die oude schuit
over het meer.
Het stormde hard; vader stond aan het roer en elk ogenblik
kon die schuit door midden breken, maar God was met hen in
de narigheid. Toen ze het meer over waren, lieten zij de
schuit in een zijsloot achter en vader kwam gelukkig nog net
bijtijds thuis.
Zo ben ik ter wereld gekomen.
Toen vader uitverteld was, stonden mij de tranen in mijn
ogen.”
Na Auke volgden nog meer kinderen. In april
1887 werd Piet geboren, hij overleed na 8 dagen. In juni
1888 kwam dochter Klaaske. In maart 1890 een doodgeboren
kindje. Dochter Akke werd geboren in januari 1892 en de
jongste zoon Piet in januari 1894. Het gezin was intussen
verhuisd naar de helft van een klein dubbel huis, Zeedijk
13, en Epke had beter werk gevonden. Hij werd veeverzorger
voor veehandelaar Blok, die woonde in een boerderij aan de
Rien en stond in de beneden Schans in Lemmer. In de winter
kon hij soms mest uitrijden over het ijs, naar land in
Oosterzee. De koeien werden bijgevoerd met roggebrood, dat
kon je zelf ook eten en als de kinderen in de stal kwamen
kregen ze een stukje.
Melk mocht Epke vrij meenemen voor
zijn gezin. Veehandelaar Blok kocht vrijwel uitsluitend
kalfkoeien op de veemarkt in Leeuwarden om die weer te
verhandelen in Noord-Holland. Epke ging wel mee met veeboten
over naar Amsterdam. Eens, met slecht weer, ging de lading
schuiven en de boot bijna om. Epke bond een lijn om zijn
middel, ging toen de deuren van de verschansing openen en de
bovenlast schoof in zee. Enkele koeien kwamen zwemmend aan
bij de Kuinderse dam en klauterden over de dijk. De koeien
onderin moesten met een takel naar de hoge kant getrokken
worden.
Omstreeks 1895 kocht de firma Blok en zonen
Hertog en Louis een boerderij met veel grasland in Amsterdam
en Epke werd gevraagd om daar zetboer te worden, dat was
voor hem een nieuwe kans om vooruit te komen en zo verhuisde
het gezin naar Amsterdam. Hij verzorgde de koeien, die als
het kalf geboren was een paar dagen werden gemolken en dan
opgepoetst en met volle uier naar de veemarkt. Voor zichzelf
mocht Epke een schaap houden. De firma Blok ging ook koeien
exporteren, ze kwamen in Parijs en zonen van Epke zijn wel
met koeien naar Hongarije geweest als veeverzorgers. Blok
sr., een eerlijke man, heeft verscheidene schillenboeren
geholpen echt boer te worden. Zij mochten een koe uitzoeken,
iedere week wat afbetalen en als ze quitte waren weer een of
twee op krediet mee.
Dat de heer Blok mijn overgrootvader aan een
beter bestaan had geholpen werd hem ook in dank afgenomen.
Ook heeft mijn vader me, als kind, eens meegenomen naar de
Joodse begraafplaats, in mijn herinnering is die heel laag
gelegen, onder aan een dijk en ik zag er veel indrukwekkend
hoge bomen. Dat er in Lemmer na de 2e
Wereldoorlog geen Joden meer woonden kan niet helemaal waar
zijn. Mijn vader had wel eens wat veehandel of contact
daarover met Bennie “de Jood”, zijn achternaam weet ik niet,
deze Bennie woonde in een van de laag gelegen huisjes, aan
het eind van het Waaigat rechtsaf richting de kolk.
In de tijd dat Epke in Lemmer woonde is hij
ernstig ziek geweest. Zijn zoontje Anne werd toen uitbesteed
bij tante Akke. Toen zijn vader weer beter was moest Anne
weer naar huis, maar dat was moeilijk, hij liep telkens
terug naar zijn (kinderloze) oom en tante. Toen Epke en
Gatske naar Amsterdam gingen verhuizen zei Akke: “Laat dat
jongetje maar bij ons, jullie hebben kinderen genoeg”
En zo gebeurde het dat Anne verder opgroeide
bij zijn oom Jacobus Groenendal en tante Akke Rijpkema in
Lemmer.
Jacobus was van de herfst tot het voorjaar
slager, in de zomer maaide hij met de zeis. Anne leerde van
zijn oom het slagersvak en er werd toen ook in de zomer
geslacht. Om 3 á 4 uur in de ochtend slachten en om 7 uur
beginnenmet verkopen. Er werd veel verkocht aan schippers,
en dan verder uitventen in het dorp. De rest ging mee de
boer op waar dan meteen weer ingekocht werd. In een halve
dag was het verse vlees verkocht en het spek werd gezouten.
Toen Anne daar de leeftijd voor had ging hij
in militaire dienst bij de cavalerie in Den Haag, en ook
toen kwam hij regelmatig bij zijn ouders in Amsterdam.

Links:
Anne Rijpkema met zijn bakfiets. Rechts: Anne Rijpkema.

Gezin van Epke Rijpkema en Gatske Aukes. Staand rechts
achter, is Anne, in uniform van de cavalerie.
Over het leven in Amsterdam schreef zijn
broer Auke het volgende:
“Toen ik elf jaar was kwam ik al van school.
Mijn vader verdiende maar f.8,- a f.9,- per week en daar
moesten wij het met ons achten van leven, huur, kleding en
de rest.
Mijn ouders wilden dat ik een vak leerde en zo kwam ik bij
een sigarenmaker terecht.
Daar was ik stripjongen, wat betekent, dat ik dekbladen
moest strippen.
Loon: f. 1.- per week, werken van s’ morgens 7 uur tot s’
avonds 7 uur met s ’middags een uur schafttijd. Een uur
lopen per dag hoorde daar ook nog bij.
Daar ben ik een jaar geweest, maar omdat ik
daar niets leerde moest ik naar een andere baas. Daar
verdiende ik f. 0,50 per week en ook de hele dag van s’
morgens 7 uur tot s’ avonds 7 uur, ook de hele dag strippen.
Alleen s’ zaterdags mocht ik 5 sigaren maken.
Het heeft lang geduurd eer ik een goede punt aan zo’n sigaar
kon krijgen.
Het waren de goedkoopste sigaren, die er in die tijd
bestonden, namelijk 1 cent per stuk..
De baas was een echte marktscharrelaar. Zaterdags stond hij
op de Nieuwemarkt en op maandag het Amstelveld (wij woonde
toen al in Amsterdam). Een kistje van honderd sigaren voor
een gulden. Het was natuurlijk geen eerste klas tabak. De
beste sigaren kostten in die tijd 2,5 a 3 cent per stuk.
Goed, ik was al een jaartje bij die baas geweest. Hij woonde
nogal dichtbij. Ik kon dan altijd s’ zaterdagsmorgens koeien
van de Lemsterboot halen.
Ik moest dan om 4 uur op, maar ik verdiende
er f.0,50 per keer mee: dat was net zoveel als bij de baas,
voor een hele week.
Maar toen ging de baas verhuizen, dicht bij de Nieuwemarkt
en ik moest drie kwartier lopen.
Zo gebeurde het, dat toen de boot op een zaterdag wat laat
aankwam, ik een uur later bij de baas kwam. Hij zei niets,
maar toen ik de volgende maandagavond om 7 uur vroeg of ik
naar huis mocht, begon hij ( hij was half dronken ) met
grove stem uit te varen.
Hij zei:”weet je wel hoe laat je zaterdag
gekomen bent? “ en gaf me harde klap tegen mijn hoofd, dat
licht mij uit de ogen sloeg. Ik lag even met mijn hoofd op
mijn armen en huilde, maar stond toen op, pakte mijn jas en
maakte dat ik de deur uitkwam. Hij heeft me natuurlijk nooit
meer terug gezien.
Zo ziet ge , hoe er vroeger misbruik gemaakt werd van jonge
krachten. Ik ben nooit meer in dit vak terug geweest en ben
gelukkig geen sigarenmaker geworden. Ik vond het een
ellendig vak.
Ik ben ook nog op een glasverwerkingsfabriek geweest. Daar
werden glasplaten gemaakt met vergulde letters. Die letters
werden er met zand in geblazen. Wij stonden dan in een hokje
en het was een en al zandstof. Degene die de platen bewerkte
had een kap op, luchtdicht, afgesloten, met een slang, zodat
hij geen last van het stof had. Maar wij jongens werden niet
beschermd, moesten steeds zand van de grond scheppen en in
de machine gooien. Men stikte haast in het stof. Sociale
wetten waren er toen nog niet. Eén jongen mocht dit werk
niet meer doen van zijn ouders. Hij werd meteen zonder geld
ontslagen wegens dienstweigering.
Nu was het loon niet hoog, 1 gulden per week
en voor het minste geringste kregen we een dubbeltje boete,
zodat we soms met 70 of 80 cent naar huis gingen. Daarvoor
moesten we werken van s’ morgens 8 tot s’ avonds 7, brood
meebrengen; van 12 tot 1 uur schafttijd.
S’ zaterdags ook nog tot 7 uur en geen dag vrij. Toen ik
eens bij mijn ouders klaagde over die stofpartij, die je
longen haast verstikte, moest ik er gauw vandaan.
Mijn volgende baantje was bij een kruidenier. Hele beste
mensen waren dat.
Ik verdiende er F. 1,50 per week en de broodkost. Lekkere
boterhammen kreeg ik daar, die me best smaakten. Maar ja,
ook daar kwam verandering in, zoals dat gaat in het leven.
Ik kon op een biscuitfabriek komen, waar ik 5 cent per uur
verdiende en tot 3 gulden in de week kwam. Dat was op
zichzelf al een verbetering: ik kon daar mooi vooruit komen,
er zat toekomst in en ik had het er best naar mijn zin. Ik
heb daar een paar jaar gewerkt, totdat ook aan deze baan een
einde kwam. Dat ging zo.
Twee van mijn broers waren bekend met
boerenwerk en gingen naar Duitsland. Daar werd niet alleen
beter betaald, maar je had ook een beter leven. Dat was
omstreeks 1904.
Zij zijn daar enkele jaren geweest en bleven voor goed
thuis, toen zij een vaste betrekking aan de Gemeentelijke
Gasfabriek kregen.
Toen ik hoorde dat mijn broers het zo goed maakten in
Duitsland, wilde ik er ook naar toe.
Ik ging vlug melken leren, wat me helemaal niet mee viel,
toen ook naar Duitsland.
De eerste jaren had ik het heel zwaar. Ik heb de dagen wel
geteld, maar op de duur leerde ik het vak beter kennen, ik
werd flinker, zodat tenslotte geheel ingeburgerd was.
Ik heb het een kleine tien jaar vol gehouden, maar steeds
met een doel voor ogen. Ik wilde melkboer worden en daarom
spaarde ik flink.
Toen vader schreef, dat er steeds meer
geruchten de ronde deden, dat het in Duitsland begon te
spoken en dat het wel eens op een oorlog zou kunnen uitlopen
en vader wilde dat ik terug kwam, ben ik huiswaarts gekeerd.
Dat was in 1913, wel nu in 1914 brak de eerste wereld oorlog
uit.
Ik kon voor mij zelf beginnen met de phenningen, die ik in
Duitsland verdiend had, en werd melkboer.”
Anne wilde een eigen slagerij in Lemmer in
liet aan de Polderdijk 4, naast de zeilmakerij, een pand
bouwen dat beneden een winkel, koelruimte, een slachtplaats
en een kelder had. Op de eerste verdieping een voorkamer en
een achterkamer, allebei met bedstee. Naast de voorkamer een
slaapkamer en naast de achterkamer een keuken met een
veranda boven de achter aangebouwde stal. Op de tweede
verdieping ook een woonkamer met bedstee, 2 slaapkamers, een
rookhok en een plat dak waarop je naar buiten kon. Er was
een diepe achtertuin die hij als moestuin gebruikte en hij
hield er kippen. Zijn oom en tante verhuisden met hem mee en
hebben tot hun dood bij hem en zijn vrouw ingewoond.
Hij trouwde op 29 november 1917, 34 jaar oud,
met Catharina Elisabeth Engwerda, 20 jaar oud, oudste
dochter van Frans Engwerda en Johanna Sinnema. Katrine was
geboren in Leeuwarden, de familie Engwerda was in 1909 op
een boerderij in Echten gekomen. Na het overlijden van Frans
Engwerda in 1921 is Johanna Sinnema met de nog thuiswonende
kinderen verder gegaan op de boerderij aan het Westeind.
Anne en Katrine kregen 2 kinderen, een
dochter Johanna in 1919, en een zoon Epke, mijn vader, in
september 1922.

Anne Rijpkema met zijn gezin.
Op 21 juni 1922 werd aan Anne het kenteken,
nummerbewijs B-5541 afgegeven. Hij had een motor
aangeschaft. Dat zal het uitventen van vlees zeker
gemakkelijker gemaakt hebben.
Mijn vader groeide op met het slagersvak en
als kleuter, nog voor hij de R kon zeggen, maakte hij een
teddybeer open om te kijken of er ook jeuzel (reuzel) in
zat.
Dat zijn grootouders Epke en Gatske wel in
Lemmer kwamen logeren blijkt uit onderstaande ansichtkaart:

De voorkant van deze ansichtkaart is een foto
van een dochter en kleinkinderen van Epke en Gatske voor hun
winkel in Amsterdam. Zij was getrouwd met een Hamers.
Op de achterkant van de kaart zie je, dat de
postbode geen straatnaam nodig had om deze kaart te
bezorgen. Je ziet daar ook, dat de kaart gericht is aan
beste broer en zus. Dat komt doordat Anne’s jongste broer
Piet na het verlies van zijn 1e vrouw trouwde met
Beth Engwerda, zusje van Katrine. Piet en Beth kregen 8
kinderen. Later is ook Anne’s broer Jan, die na het verlies
van zijn 1e vrouw achterbleef met 8 kinderen
getrouwd met Monica, zusje van Katrine.

Amsterdamse neven en nichten van mijn vader
heb ik niet gekend, wél heb ik heel gezellige herinneringen
aan hun ouders die ik meemaakte als ze bij mijn grootouders
op bezoek waren. Epke en Gatske zijn overleden in Amsterdam,
Gatske in 1931 en Epke in 1938.
Mijn vader kreeg het slagersvak dus van huis
uit mee en hij heeft in Utrecht aan de slagersvakschool zijn
vakdiploma gehaald. Hij trouwde op 11 augustus 1947 met
Stephanie Sterk, dochter van Steven Sterk (zoon van Johannes
Sterk en Dina Visser) en Dora de Jong (dochter van Jelte de
Jong en Jitske van der Leest).
Zij woonden de eerste jaren van hun huwelijk
boven de slagerij aan de Polderdijk. Daar waren intussen op
de 1e verdieping in voor- en achterkamer de
bedstedes uitgebroken en in die vrijgekomen ruimte was een
keukentje geplaatst dat hoorde bij de voorkant van de
woning.
Mijn ouders woonden aan de voorkant, mijn
grootouders aan de achterkant van die boven-woning. In mei
1948 werd ik geboren, een jaar later mijn oudste broer en
anderhalf jaar later mijn volgende broertje, en toen werd
het wel erg krap in die ene slaapkamer waar een
tweepersoonsbed, een stapelbed en een ledikantje stond.
Toen ik 4 jaar oud was kocht mijn vader de slagerij aan de
Flevostraat 11. Daar kreeg ik nog 2 broertjes en een zusje.
Er werd steeds meer vlees in de winkel verkocht, maar ook
het thuisbezorgen ging lang door. Mijn moeder stond meestal
in de winkel en deed de boekhouding. Het huishouden deed ze
daarvoor en daarna. Mijn grootvader kwam ook regelmatig
helpen en hij ging altijd met mijn vader mee op
dinsdagochtend naar de veemarkt in Sneek, soms als het nodig
was ook nog op vrijdag naar Leeuwarden. Mijn vader kocht er
vee voor de slacht, mijn grootvader nog wel eens voor handel
en vetweiderij. Mijn grootvader is overleden in 1962.

Epke Rijpkema.
Het thuisbezorgen van vlees was toen niet
meer een kwestie van uitventen, maar van levering op
bestelling. Toen ik oud genoeg was om mee te helpen werd ik
daarvoor ingeschakeld, evenals mijn broers. Op donderdag
werd het vlees bezorgd (per fiets) bij klanten in Oosterzee
en Echten, op vrijdag in de Noord Oost Polder, en op
zaterdagochtend in Lemmer. In zomer en winter, door weer en
wind. Er woonde toen op de sluis in Lemmer een familie waar
ik wel eens binnengevraagd werd om bij de kachel mijn handen
te warmen. Reken maar dat dat fijn was!
Mooie herinneringen zijn ook de keren dat ik
mee mocht met mijn vader “de boer op”. Het gebeurde nogal
eens dat hij aan het eind van de middag, melkerstijd, even
de hectiek van winkel en klanten achter zich liet. Bij de
boeren die hij dan bezocht in de Polder was ik getuige van
zijn belangstelling en handelsgeest. Soms kwamen we terug
met een pasgeboren (stier)kalfje en ik weet nog hoe lekker
de gekookte niertjes van zo’n kalf zijn bij een zondags
ontbijt.
In 1964 haalde ik mijn ULO diploma in Lemmer,
daarna zat ik een jaar op school in Harlingen en vervolgens
4 jaar opleiding in Den Bosch, waar ik nu ook nog woon. Mijn
broers en zus zijn ook geen van allen in Lemmer gebleven,
maar we komen er allemaal nog regelmatig. Omstreeks 1970
moest mijn vader om gezondheidsredenen stoppen met de zaak.
Flevostraat 11 werd verhuurd en mijn ouders
betrokken een boerderijtje aan het Westeind. Dat heeft niet
lang geduurd. Mijn vader had te weinig omhanden en verlangde
terug naar het slagersvak. Die kans nam hij in Heerenveen
aan de Lindegracht. Maar ook daar bleek al binnen enkele
jaren dat het fysiek teveel was en moest hij de zaak
verkopen. Hij heeft daarna nog gewerkt als
toezichthouder/adviseur voor de eigenaar van een aantal
slagerijen. Mijn ouders bleven wonen in Heerenveen, waar
mijn vader in 1996 is overleden.
De Rijpkema’s komen oorspronkelijk uit
Akmaryp.
Klaas Gerrits,
stamvader, trouwde in 1669 met Tjitske Riemers,
dochter van Riemer Haentjes Rijpkema. Zij woonden in
Akmarijp, waar Klaas boer was, ontvanger en dorpsrechter.
Uit dat huwelijk worden 4 kinderen geboren. Na het
overlijden van Tjitske trouwt Klaas met Attie Pieters
en het 1e kind uit dat huwelijk wordt Tjitske
genoemd, geb. in 1686. Dit kindje is jong overleden en zo
krijgt ook het 2e kind de naam Tjitske, Klaas
wilde kennelijk zijn 1e vrouw vernoemen en dat
dit kind een jongetje was, dat weerhield hem daar niet van.
Tjitske kreeg nog 3 broers, Pieter, Jan en Ruurd.
Alle nakomelingen uit dit gezin krijgen de
achternaam Rypkema/Rijpkema.
Tjitske Klazes
trouwde in 1714 met Johantje Pyters met wie hij gaat
wonen op een boerderij in het buurtschapje Jongeburen, aan
de oever van het Sneekermeer. Uit dat huwelijk een zoon
Klaas. In 1719 trouwt Tjitske met Antje Willems,
dochter van Willem Hoytes en Imk Meyes. Uit
dat huwelijk de kinderen Meye en Johanna. Tjitske was
N.Hervormd gedoopt, zijn kinderen werden Katholiek gedoopt,
en zo ook al hun nakomelingen.
Meye Tjitskes,
boer in Goïngaryp, trouwde in 1752 met Hylkje Cornelis.
Zij kregen 8 kinderen waarvan er 2 jong zijn overleden. Hun
zoon:
Tjitske Meyes Rypkema
trouwde in 1785 met Froukje Epkes de Ree uit Heeg.
Aanvankelijk wonen ze in Goïngaryp, in 1799 huren ze een
boerderij in St. Nicolaasga. Uit dit huwelijk worden 6
kinderen geboren die allemaal volwassen worden. Hun zoon:
Epke Tjitskes Rypkema
was van beroep boer, later koopman en bij zijn overlijden op
42-jarige leeftijd staat vermeld dat hij inlands kramer was.
Hij trouwde in 1811 met Akke Meinderts de Ree. Zij
krijgen 9 kinderen, het jongste kind is 4 maanden oud als
Epke in 1830 overlijdt. Akke staat dan geregistreerd als “winkeliersche”.
Hun zoon:
Meidert Epkes Rypkema,
beroep: arbeider/dagloner, trouwde in 1844 met Klaaske
Annes de Lange uit Lemmer. Klaaske is een dochter van
Anne Andries de Lange en Afke Sybrens Molenaar.
Uit dat huwelijk 3 kinderen, Akke, Anne en
Epke Meinderts Rijpkema.
Behalve deze Epke hebben er nogal wat andere
nazaten van Klaas Gerrits in Lemmer gewoond of er een
huwelijkspartner gevonden.
Huwelijksgegevens Lemsterland:
Op 26 mei 1844: trouwde Hendrik Jans Meyer
met Froukje Epkes Rypkema. Hun kinderen worden
geboren in Doniawerstal.
Op 29 mei 1846: trouwde Jan Johannes van Asma
met Ymkje Meyes Rypkema. Ymkje is een tante van Epke
Meinderts. Zij kregen in Lemsterland de volgende kinderen:
Johannes (1847), Egbertje (1849), Meye (1850), Egbert
(1852), Elizabeth (1853), Egbert (1855), Egberta (1856),
Egbert (1858), Elizabeth (1863) en Gijsbertus (1865)
Op 24 mei 1850: trouwde Klaas Johannes Atsma,
met Geeske Klazes Rypkema uit Teroele. Zij doen in
Lemsterland aangifte van de geboorte van: Johannes (1851),
Afke (1854), Klaas (1856) en Fedde (1863).
Op 6 aug. 1869: trouwde Egbert Pieters
Rijpkema met Durkje Hornstra. Uit dit huwelijk een
tweeling Pier en Pieter die kort na de geboorte zijn
overleden, en in 1871 een zoon Pieter.
Op 5 mei 1871: trouwde Jan Dijkman met
Attje Rypkema. Zij doen 2 keer aangifte van de geboorte
van een zoon Holke, in 1871 en 1873.
Op 13 mei 1877: trouwde Jacobus Beljon met
Geeske Rypkema. Hun kinderen: Hendrikus (1879), Regina
Maria (1882), Jacobus (1884), Regina Maria (1891) en
Antonius (1895)
Nog meer huwelijken:
Op 24 juni 1836: trouwde Tjebbe Jelles Bosman
in Doniawerstal met Marijke Meyes Rijpkema. Marijke
is een tante van Epke Meinderts. Hun zoon Meye wordt in 1837
geboren in Doniawerstal, alle volgende kinderen in
Lemsterland. Dat zijn: Jelle (1839), Tjitske (1841), Jan
(1843), Berber (1845), Egbert (1847), Janna (1849), Saakje
(1851), Siebe (1852), en Jacobus (1854)
Op 10 februari 1848: trouwde Joseph
Tjitskes Rypkema in Doniawerstal met Rinske Lubbers de
Lange uit Lemsterland, Eesterga, dochter van Lubbert Andries
de Lange en Wietske Sybrens Molenaar. Zij kregen 2 dochters:
Geeske (1848) en Wietske (1850)
Op 8 mei 1853 trouwde Tjitske Pieters
Rypkema (zoon van Pieter Tjitskes Rypkema en Berber
Tjebbes Witteveen) met Sipkje Ulbes Boersma uit Lemmer. Hun
kinderen worden geboren in Doniawerstal.
Op 9 mei 1862 trouwde Meye Bosma, zoon van
Tjebbe Jelles en Marijke Meyes Rypkema met Sjoukje
Vogelvanger uit Lemsterland, dochter van Albert Hessels
Vogelvanger en Fokeltje Lykles Nijholt. Uit dit huwelijk de
in Lemmer geboren kinderen: Tjebbe (1863), Froukje (1864),
Albert (1867), Marijke (1869), Siebe (1871), Johannes (1873)
en Berber (1877).
Den Bosch, mei 2009.
Doorke Rijpkema.
Home
|