|
| 1 |
2 | 3 |
4 |
Verteld door Anna (Onne) Hoekstra.
Inleiding
Op de internetsite van
www.spanvis.nl ontbreekt een samenhangend geheel over een bekende
fabriek in Lemmer, de "houtmolen". Op uitnodiging van Roelie Visser,
maker van de site, heb ik besloten een poging te wagen om iets te
vertellen over de "Houtmolen". Het is uiteraard mijn
visie, wel gevoed door het feit dat ik daar geboren ben en
opgegroeid.
Op de genoemde site wordt
enige malen gerept over de fabriek. Zo is er o.a. een stukje te
lezen over de laatste grote brand op de fabriek in 1953, gemaakt
door de bekende Lemster, Evert de Vries. Ten tijde van die brand was
ik 5 dagen oud en lag te slapen, niets gemerkt.
De schrijver.
Mijn naam is Anne Theo
Hoekstra, de 2e zoon van Andries Hoekstra. 1953 is mijn
geboortejaar. Mijn vader (1921-1989) was de laatste directeur
van de vestiging Lemmer, onderdeel van Halbertsma te Grou. Hij was
begonnen als 12-jarige krullenjongen, in de fabriek van Halbertsma
te Grou. Opgeklommen tot administratief medewerker en boekhouder tot
de oorlog begon. In de oorlog ondergedoken, en kort na de bevrijding
in 1945 als vrijwilliger, lid van Bataljon Friesland, uitgezonden
naar Indonesië. Gerepatrieerd in 1949. Wederom bij Halbertsma in
Grou verder gaan werken.
Werd benoemd in 1949 als
boekhouder, in de vestiging Lemmer van Halbertsma onder leiding van
de toenmalige directeur, Piet van den Bosch. Inmiddels getrouwd,
ging mijn vader wonen in de directeurswoning op het bedrijfsterrein.
Dit was een gedeelte van de onderste helft van het pand. Eind jaren
50 werd de directeur wegens een meningsverschil met de directie in
Grou ontslagen.
Mijn vader werd benoemd
tot directeur. Dit betekende dat we gingen verhuizen naar het
bovenste deel van de woning. Hier was veel meer ruimte. De
benedenwoning werd betrokken door de boekhouder Jan Visser, bij
sommigen beter bekend als Jan Agesz, getrouwd met de vroegere
schooljuffrouw Jopie. Haar vader werkte ook op de fabriek, Jacob de
Slyper. Hij sleep alle zagen en beitels. Hij overleed plotseling na
het eten ’s middags. Zijn vrouw is daar toen zo ondersteboven van
geweest, dat ze daarna niet meer spreken kon, en ook nooit meer
heeft gesproken.
Algemeen.
Om de geschiedenis van de
"Houtmolen te beginnen ben ik eerst gedoken in een archiefpagina via
internet. Hier staat een algemeen stukje over het ontstaan van de
"Houtmolen". Het geeft een algemeen
beeld van de eerste eigenaren en de laatste eigenaar. Ik kom hier
later op terug.
Cornelis Sleeswijk, dy't
ûntfanger fan de gritenij en fan it wetterskip "De Zeven Grietenijen
en de Stad Sloten" die, kocht yn 1849 de houtmoune oan de Rien". De
aankoop van deze houtzaagmolen c.a. aan de Polle te Lemmer, vond
plaats bij gelegenheid van de openbare verkoop van de onroerende
goederen, van de familie Brandsma. Successievelijk werd het bedrijf
in de volgende jaren uitgebreid, door aankoop van aangrenzend
onroerend goed. De feitelijke leiding lag in handen van Johannes
Brandsma, die als bedrijfsleider in dienst was van Cornelis
Sleeswijk, en na diens overlijden in 1857, van zijn weduwe Fettje
Wegener. Nadat laatstgenoemde in 1862 was
overleden, is het bedrijf aanvankelijk voortgezet door Frederik
Wilhelm Wegener Sleeswijk en Johannes
Brandsma, gezamenlijk in een vennootschap onder firma, genaamd "de
Weduwe C. Sleeswijk".
Na de dood van Brandsma,
in 1883 zette eerst genoemde firmant het bedrijf alleen voort. Nadat
in 1893 zijn zoon André Wegener Sleeswijk, zijn intrede in het
bedrijf had gedaan, volgde in 1895 modernisering van de onderneming.
In dat jaar werd de oude houtzaagmolen vervangen door een
stoomhout-zagerij. In 1905 werd de firma omgezet in een naamloze
vennootschap "N.V. Stoomhoutzagerij en houthandel voorheen de Wed.
C. Sleeswijk" geheten. In 1916 vond een grote uitbreiding plaats,
met een kisten-vaten-en palletfabriek. Na het plotselinge
overlijden, in 1918 van directeur André Wegener Sleeswijk, ging het
snel bergafwaarts met de onderneming en werd de vennootschap in 1925
geliquideerd. De nieuwe eigenaar N.V. De Friesche Bank, bracht het
bedrijf onder in een commanditaire vennootschap "C.V.
Stoomhoutzagerij" genaamd, waarvan B. Corée Lzn, bedrijfsleider
werd. In 1934 vond wederom een omzetting plaats, waarna Halbertsma's
Fabrieken voor Houtbewerking N.V. het bedrijf overnam. Als onderdeel
van het concern werd het betrokken bij de overname door de Swedisch
Match S.T.A.B. uit Zweden. In 1975 werd het bedrijf gesloten. De
arbeiders werden naar Grou en Scheemda overgeplaatst.
Betekenis houtmolen
voor Lemmer.
In de jaren 50, 60 en
begin 70-er jaren was de fabriek de grootste werkgever in Lemmer. Er
werkten meer dan 100 personeelsleden op de fabriek. Het aantal
wisselde nogal in de zomer of wintertijd. ’s-Winters werkten er veel
vissers uit Urk, als de visvangst vrijwel stillag. Dit was voor
velen een meevallertje. Emmers vol vis werden wekelijks op
maandagmorgen meegenomen vanuit Urk, naar liefhebbers op de fabriek.
Ook wij werden regelmatig verrast op een emmertje tong of schol. Het
hele huis stonk ernaar, maar … wat was dat lekker.
In de beginjaren 60
werkten bij ons op de fabriek ook vele Ambonezen. Deze woonden op
een kamp in Gaasterland en waren na de machtsovername in Indonesië
naar Nederland gekomen. Waarschijnlijk had mijn vader een zwak voor
deze mensen. Hij had immers 4 jaar tussen hen geleefd. Deze
Ambon-jongens hebben mij als kleine jongen maleis geleerd. Ik ken
zelfs nu nog de meeste woorden voor etenswaren. Er waren trouwens
meer Indië-gangers op de fabriek. Er was destijds geen spoor te
merken van de huidige allochtonenproblematiek.
Er kwamen met enige
regelmaat allerlei "notabelen" bij ons over de vloer. Dit was in die
tijd vrij normaal. De fabriek werd overal in betrokken. Zo zat mijn
vader in vele besturen, het schippersinternaat, de
woningbouwvereniging, openbare school, regionale omroep noord enz.
De fabriek was in die
jaren vaak geldschieter voor allerlei zaken. Iedere vereniging in
het dorp klopte aan voor een bijdrage. Ook de vrouw van de notaris
(hijgend hert) kwam met enige regelmaat in huis, met weer een of
andere reden voor geld voor iemand of vereniging. Aparte mevrouw!
Ook werd veel (hobby) hout geleverd aan mensen in het dorp. Zeker
als de afvalhoop weer metershoog werd, dan kon iedereen gratis hout
ophalen. Een gamma bestond toen nog niet. Ook de scholen kwamen
langs voor materialen.
In de 50- en begin 60-er
jaren draaide de fabriek nog echt op stoom. Er was een enorme
machinekamer in het hart van de fabriek, genaamd het 'tsjetelhûs'.
Als klein kind was ik behoorlijk onder de indruk van dat enorme
monster, met zijn grote draaiende wielen. Alle machines werden
aangedreven door assen, die verbonden waren met het grote wiel aan
de stoommachine. De assen lagen allemaal onder de grond.
Onlosmakelijk met een stoommachine is een schoorsteen. Hij was ruim
30 meter hoog en was gezichtsbepalend voor de Lemmer. In de jaren 60
is hij helaas afgebroken. Het was gevaarlijk om hem te laten staan,
en restauratie was in die tijd niet in de mode. Hij is met de hand
van bovenaf afgebroken door twee specialisten. Het puin ligt nu nog
waarschijnlijk onder de grond, op het achterste deel van het
fabriekterrein, genaamd "de Kolk" een destijds gedempt stuk water.
Zoals ergens al op deze
site staat weergegeven had de stoomfluit van de fabriek meer
betekenis, dan alleen het sein voor de arbeiders om aan het werk te
gaan of naar huis te gaan. Hij fungeerde als tijdsbaken voor het
hele dorp. Kinderen moesten naar huis komen als de fluit ging. Hij
was tegelijkertijd ook het horloge voor het hele dorp.
De bediening van de fluit
was simpel, in het 'tsjetelhûs' hing een stuk touw, eraan trekken …
en de fluit ging oorverdovend af. Ik heb dat als kind regelmatig
mogen doen, alleen onder toezicht en niet te vroeg. Later, toen het
stoomtijdperk ter ziele was gegaan, kwam er een sirene. Ook deze had
nog wel enigszins dezelfde functie, maar het was geen stoomfluit.
Ook de stoommachine werd
eruit gesloopt, inclusief de twee ketels. Ik dacht dat ze naar de
schroothoop waren gegaan, maar ik heb recent ontdekt dat ze in het
stoommuseum staan in Hoorn. Op een Duitse internetsite kwam ik de
foto’s tegen van "mijn" stoommachine.

Maschinenfabrik
Buckau R. Wolf AG Lokomobile
Dit is de stoommachine,
gebouwd in 1933 uit de fabriek uit de Lemmer.
De technische details voor
de geïnteresseerden onder ons.
|
Bezeichnung |
Lokomobile |
|
Hersteller |
Maschinenfabrik Buckau R. Wolf AG |
|
Herstellort |
Magdeburg |
|
Bauzeit |
1933 |
|
Fabrik Nummer |
24786 |
|
Beschreibung |
Eine ortsfeste
Lokomobile mit Einzylindertriebwerk, Achsenregler und
Kolbenschieber. Ausziehbarer Flammrohr-Rauchrohrkessel
mit Innenfeuerung |
|
Anmerkungen |
1990: in
Reparatur (teilzerlegt) |
|
Quelle |
Informationen
Stoomtram-Museum Hoorn; Besichtigung 02.08.1991 |
Producten van de
fabriek.
Was de fabriek eerst
vooral de fabrikant van voornamelijk allerlei soorten kisten, later
volgde ook de grote productie van pallets. Elke dag, het hele jaar
rond, gingen 1á 2 grote vrachtwagens vol pallets naar de Hoogovens
in IJmuiden. Dit waren pallets voor hoofdzakelijk éénmalig gebruik
voor transport van, inderdaad, ijzerproducten.
In eerste instantie werden
de pallets met de hand gespijkerd. Twee man maakten één pallet. Er
werden gedraaide spijkers ingeslagen. Volgens mij was dit redelijk
zwaar werk. Later kwamen zogenaamde spijkervuisten, aangedreven op
lucht. Nog later waren er complete spijkermachines, planken erin
leggen, op voetknop drukken, en alle spijkers zaten er in één keer
in.
Ook allerlei soorten
kisten werden machinaal gespijkerd. Zo werden er veel emballage
kisten gemaakt voor de Friesche Vlag, hierin zaten goudband
koffiemelk flessen en allerlei andere melkproducten, zoals o.a.
Rivella. Kratten voor Heineken, Amstel, Grolsch, noem maar op. De
onderdelen van kratten, waar een naam op moest komen, werden
afzonderlijk in een apart gedeelte van de fabriek bedrukt. Hiervoor
was een heuse roldrukpers aanwezig, waarin de koperen, later loden,
letters werden gezet.
Verder werden er ook veel
kratten gemaakt voor de landbouw, kiemkratten voor aardappels,
bedrukt met de naam van de boer, kuubskisten voor allerlei
producten.
De kratten werden veelal
ook afgelakt geleverd. Hiervoor was een lakstraat gemaakt die de
halve fabriek rondging. Aan het ene eind werd de krat
ondergedompeld, aan het andere eind werd hij droog van de haak
gepakt en opgestapeld, gereed voor transport.
Eind 60-er jaren kwam de
klad in de krattenfabricage. De kunststof kwam op. Van de ene op de
andere dag werden bestellingen geannuleerd. Ik weet dat er nog jaren
honderden kratten Heineken op de fabriekszolder hebben gestaan, die
niet meer werden afgeleverd en uiteindelijk als brandhout werden
gebruikt.
Transport.
Alle benodigde hoeveelheid
hout werd aangevoerd vanuit Finland en Zweden met zogenaamde
coasters. Dit waren middelgrote zeeschepen, die nog net in de
Riensluis pasten. Later, toen deze schepen steeds groter werden,
werden ze gelost op het nieuwe terrein van de fabriek, tegenover de
fabriek.
Regelmatig kwam het
destijds voor dat bij hout uit Finland, kogels in het hout werden
gevonden, overblijfsel uit de tweede wereldoorlog. Ik heb er nog een
paar liggen. Dit veroorzaakte altijd een hoop trammelant, de zagen
gingen erop kapot. U moet zich voorstellen dat de grote balken,
machinaal door lange meterslange lintzagen werden gezaagd,
plotseling van de geleiders sprongen als er metaal = kogels in het
hout zaten. De zagen spatten dan van de machine af met alle gevaren
van dien.
Het hout uit de schepen
werd overigens voornamelijk met de hand op stapels gezet, en buiten
boord gehesen. Vervolgens op een karretje en naderhand op stapels
gezet, waarbij belangrijk was dat tussen elke balk een dunne stok
zat. Dit om een droogproces goed te laten verlopen.
Zo stonden deze
houtstapels vaak een jaar te drogen of soms nog langer, voordat het
verder verwerkt werd. Voor ons kinderen ideale klimrekken.
Regelmatig kwam je vol splinters thuis, waar je vervolgens op de kop
kreeg, want je mocht er niet op klimmen.
De gerede producten werden
door eigen vrachtwagens afgeleverd aan de kopers. Destijds had de
fabriek twee chauffeurs in dienst, in – jawel – uniform met pet. Dit
waren Tete de Vries en Auke Coehoorn. Er zijn ook nog andere
chauffeurs geweest, o.a. ene Piet. Er waren twee grote vrachtauto’s,
een blauwe Volvo en een blauwe Ford. Ook destijds gingen de meeste
producten op pallets weg.
Ik ben vroeger als kind
regelmatig met de chauffeurs mee geweest naar de klanten toe.
Dit waren o.a. de
Heineken, Amstel en Grolsch fabrieken. Deze waren zeker geliefd bij
de chauffeurs. Als de lading gelost was, stond er meestal in de
cabine van de vrachtauto een aantal volle flessen. Dit was normaal
in die tijd. Ook werden er veel kachelkratten afgeleverd aan
kachelfabrieken in Deventer. Zo kwam je nog eens ergens.
Er werd verder in het
gehele land afgeleverd. Veel in Noord-Holland bij de tuinders en in
de Noord Oost polder bij de boeren.
Uitbetaling loon.
In de jaren 50 en begin 60
werden de lonen nog wekelijks uitbetaald, op vrijdagmorgen om 12.00
uur. Alle personeel verzamelde zich voor de deur van het kantoor aan
de Rienzijde.
De hele vrijdagmorgen was
het kantoorpersoneel bezig om geld in halfdoorzichtige papieren
zakjes te doen, voorzien van een urenbriefje. Vervolgens kwamen alle
zakjes in een houten kistje. De hoofdboekhouder ging voor de deur op
de stoep staan, en riep vervolgens de naam af van iedereen. De
genoemde kreeg een zakje geld overhandigd, en vaak werd dit zakje
onder de pet gestopt, en op huis aan naar moeder de vrouw. Destijds
ging iedereen nog tussen de middag op de fiets naar huis voor de
warme hap.
Kantine.
Later werd een kantine
gemaakt in het oude 'tjsetelhûs'. Als de fluit ging was er een
kwartier pauze. Iedereen de kantine in voor de koffie. Er was een
kantine medewerker, de laatste was dacht ik Schelte de Vries,
timmerman. Hij zette koffie, schonk hem in porseleinen kopjes en
deelde hem uit. Binnen de kortste keren stond de kantine blauw van
de rook. In de fabriek zelf mocht niet gerookt worden, in verband
met brandgevaar. Overal hingen in de fabriek zinken emmers met
water, voor als er eens brand mocht uitbreken. Overigens werd er ook
op de toiletten gerookt, stiekem, maar iedereen deed het.
Beveiliging.
De fabriek werd in de
avonduren bewaakt door een heuse bewaker. Dit was Age van der Bles,
een bekend figuur uit de Lemmer (. Naast dit werk deed hij ook de
was in het halve dorp, ophalen en schone was terugbrengen, voor
wasserij 'De Blinde' in Heerenveen. Hiervoor had hij de beschikking
over een gemotoriseerde bakfiets, waarin kinderen overigens graag
meereden, waaronder ook natuurlijk zijn kleinzoon Steven van der
Bles. (Zoon van Willem van der Bles (overleden in sept 2007) en Tiny
van der Bles Visser. Hun ouders waren Age van Der Bles en Regina de
Jong en Steven Visser (Slide) en Trijntje Vleeschouwer).
De beveiliging bestond uit
het op gezette tijden in z’n eentje, rondjes lopen in de donkere
fabriek en op het donkere fabrieksterrein. Op speciale plaatsen
moest hij een soort klok opwinden, die hij bij zich droeg, dit ten
bewijze dat hij er op gezette tijden was geweest. Dit had te maken
met de brandverzekering.
Toen ik wat ouder was, heb
ik hele avonden met hem meegelopen, en zijn verhalen over Lemmer
aangehoord. Ik hoorde destijds heel wat lief en leed van het
personeel.
Personeel.
Er werkten op de fabriek
heel wat markante mensen, althans in mijn ogen. Er werd veel gebruik
gemaakt van bijnamen. Op deze site staat daar een aantal van
genoemd. Ook werkten er veel voormalige vissers. Na het sluiten van
de afsluitdijk, en later, is de visvangst in Lemmer sterk achteruit
gegaan. Heden tendage zijn er nog maar twee originele Lemster
kotters.
Zo werkte ook Steven Roet
(Visser) in zijn latere jaren bij ons. Hij heeft mij het nodige
bijgebracht hoe paling te vangen, en hoe palingkistjes te maken. Ik
heb nog jaren in de wateren rond Lemmer gestroopt met een fuik van
hem. Jonkje, zei hij,"must wol even de pjealtjes ûnder wetter slaen,
oars sjogge ze dien fûke".
Er werd veel gepruimd door
de heren. Als kinderen kreeg je dan de vraag van zo’n oudere
zeebonk: Jonkje, wost wat hewve? Hâld dyn hân mar even op.
Vervolgens kreeg je een uitgekauwde natte tabakspruim in je hand
gedrukt. Wat een lol hadden ze dan, de krinkjesspuiers!
Zo was er ook een voorman
Anne Visser, hij woonde tegenover ons aan de rien. Als het in de
winter donker was, riep hij onder mijn slaapkamer, Oane, doch ut
leucht es oan, we sjogge hjir neat. Dan moest ik het bed uit en de
grote lamp onder het kantoor aanmaken, zo konden ze wat zien als ze
aan de voorkant aan het werk waren.
Auke Coehoorn, ook wel in
die tijd genaamd Auke Pot, heeft mij geleerd in een vrachtwagen te
rijden. Dit was een heel oude Bedford, die alleen op het
fabrieksterrein werd gebruikt om wagens te verzetten die geladen
werden. Ook op heftrucks reden wij als kind vaker rond, mocht
meestal niet, maar ja, was wel verleidelijk.
De plaatselijke
politieman, Buitenga, zag dit nog wel eens, en sprak mijn vader daar
wel eens op aan. Buitenga deed dit vroeger wel vaker, als wij in het
dorp iets uitgehaald hadden. Hij wist toch wel wie je was. Als hij
je niet te pakken kon krijgen, kwam ie naar je huis. Werd je
vervolgens door je vader alsnog bestraft. Buitenga was zelf ook niet
vies van een opvoedende tik of schop onder je kont. Er was een zeker
respect voor hem, daar was niets mis mee.
Dan was er nog Reade Okke,
Andries Bergsma. Ook hij werkte onregelmatig op de fabriek. Wel ging
hij steevast mee met het jaarlijkse personeelsuitstapje. Ik hoorde
dan de verhalen naderhand.
Zo zat Reade Okke eens op
een bankje in Amsterdam, samen met een kompaan, met een kratje
Heineken, mijn moeder vroeg hem dan of het goed met hem ging. Reade
Okke zei toen, mevrouw Hoekstra, ik ha ut nog nooit sa goed han. Ik
gean direct wer mai de bus op hûs oan, d’r kin mij niks gebeure. Prachtige man.
Dan was er nog Sjoerd
Brandsma, of te wel Philipshave. Hij had een wat vooruitstekende
kin, die glom als hij pas geschoren was. Hij was de machinale
bankwerker, meester in het bedenken van de meest creatieve
oplossingen. Hij had de beschikking over een heuse smederij, waarin
nog vuur gloeide. Er was daar maar één iemand de baas daar, en dat
was onmiskenbaar Sjoerd. Volgens mij was hij ook nog de laatste
machinist van de stoommachine. Ook hij heeft mij de nodige kneepjes
bijgebracht van het smeden van ijzer.
Voormannen of
ploegbazen en andere markante personen.
Een fabriek als de
Houtmolen, kon alleen maar bestaan dankzij een aantal ploegbazen. Ik
ken er nog een stuk of acht:
Anne Visser,
afdeling houtwerf, waar al het ruwe hout was opgeslagen
Wytze van der Bijl,
afdeling spykerij/drukkerij. Hier werden de kisten en alle andere
materialen machinaal in elkaar gespijkerd, geniet enz. Ook de
drukkerij was hier gevestigd, waar de planken werden bedrukt met
allerlei tekst, logo’s en afbeeldingen. Destijds was alle
drukmateriaal nog uit koper en lood. Zijn dochter kwam ik later in
Limburg tegen, zij was toen Officier van Justitie.
Geert Lammers,
afdeling schaverij. Hier werd ruw hout glad gemaakt
Marten Vlig,
afdeling zagerij. Dikke balken werden hier tot de kleinste benodigde
plankjes gezaagd. Dé duivenmelker van Lemmer.
Siene de Vries,
afdeling zagerij, en deels de houtwerf.
Sjoerd Brandsma, chef van de smederij, machinekamer, onderhoud en ontwerp machines,
tevens trainer, aanvoerder van het bedrijfsvoetbalteam.
Pieter de Boer,
beheerde de garage en de vervoersmiddelen, mogelijk was hij vroeger
ook stoommachinist.
Schelte te Vries,
fabriektimmerman, maakte van alles van hout en verrichte alle
klussen die niemand anders kon. Later was hij werkzaam in de
kantine.
Ate Postma, de
vertegenwoordiger van de houtmolen. Reed in een auto van de zaak,
een heuse VW-kever. Wat kon die man praten.
De chauffeurs, voorzien
van uniform, reeds genoemd: Auke Coehoorn, Tete de Vries en later
Piet Winia. Tete stond eens boven op de vrachtauto, riep naar mij
beneden, stil staan! Ik liep toch door, ondertussen gooide hij een
pallet naar beneden, jawel op m’n kop. Vooruit, even naar dokter
Weber, paar krammen in de kop, Tante Jo verbond je, en terug naar
huis. Tegenwoordig krijg je een trauma team erbij, er wordt een
onderzoek ingesteld door de arbeidsinspectie, en na drie maanden
hoor je niets meer.
Ook kwam regelmatig de
'grote' baas uit Grou op bezoek. Eerst was dit altijd nog een
Halbertsma. Ik herinner me Pieter Goslik Halbertsma, zo doof als een
kwartel en hij sprak als een doofstom iemand. Hij reed destijds een
Jaguar, een grote glimmende auto. Naderhand had hij een
Mercedes-Benz. Altijd netjes een hand geven, zei mijn moeder.
Dit is maar een kleine
bloemlezing uit de vele personeelsleden die op de fabriek werkten of
gewerkt hebben.

Een oude foto
van een personeelsuitje van de houtmolen, daterend uit de jaren 50.
Ik ken lang alle namen
niet meer. Mijn vader, Andries Hoekstra staat ongeveer in het midden
(met de H op zijn colbert). Daarnaast zie ik bekenden zoals Wytze
van der Bijl, Marten Vlig, Tete de Vries, Pieter de Boer, Sjoerd
Brandsma, Schelte de Vries, Ate Postma, Jan Visser, Siene de Vries
en Anne Visser.
Het einde van de
fabriek.
Halverwege de jaren 70
ging het slechter met de fabriek. Hoe het allemaal precies gekomen
is, weet ik niet, maar over het algemeen ging het slecht met de
houten emballage fabrieken. Ook met het moederbedrijf in Grou ging
het steeds slechter. Mijn vader heeft altijd gezegd dat de fabriek
in Lemmer tot het laatst toe winstgevend is geweest, maar het
moederbedrijf niet meer.
Op een beruchte dag in
1974 moest mijn vader naar Grou komen. Er werd hem verteld dat de
fabriek gesloten werd, en dat de productie gecentraliseerd zou
worden.
Mijn vader is direct
diezelfde dag ’s-avonds naar de burgemeester gegaan, Faber was dat
geloof ik. Hij vond dat hij dat moest doen. De fabriek was de
grootste werkgever in het dorp.
Het nieuws moest aan het
personeel verteld worden. De ondernemingsraad werd op een middag in
het kantoor bijeengeroepen. Mijn vader heeft toen het slechte nieuws
moeten vertellen.
Ik heb een gedeelte
gehoord van dat gesprek, ik stond achter een deur. Dat was geen
prettig gehoor. Naderhand werd ook het overige personeel ingelicht
in de kantine. Er werd druk gesproken, er werd gevloekt, er werd
gehuild.
Er was geen ontkomen aan.
Er was een sociaal plan gemaakt. Niemand behoefde ontslagen te
worden. Het personeel kon met een busje naar Grou of naar de andere
vestiging Groningen. Dit was, naar later bleek, een tijdelijke
oplossing. Uiteindelijk is ook het moederbedrijf ter ziele gegaan.
Naderhand heeft Halbertsma een doorstart gemaakt, eerst onder
Russisch bewind en later weer door anderen.
De ontmanteling van de
fabriek heb ik vrijwel niet meer meegemaakt, ik was reeds uit het
ouderlijk huis vertrokken en woonde destijds in het zuiden van het
land.
Mijn vader is in 1975
meegegaan naar de fabriek in Grou en verhuisd naar Heerenveen. De
geest was er bij hem uit. Hij heeft nog tot 1980 in Grou gewerkt.
Toen ging het al niet helemaal goed met hem. Hij werd vergeetachtig.
Enkele jaren later kon hij niet meer alleen op straat, hij
verdwaalde en kon het huis niet meer vinden. Mijn broer had een
briefje in zijn zak gedaan met de tekst: Als deze man u dit laat
zien, breng hem a.u.b naar de Zwette 26 in Heerenveen.
Niet veel later is hij
opgenomen in Beatrixoord te Appelscha. Naderhand kwam hij in
verpleeghuis Anna Schotanus in Heerenveen. Diagnose ziekte van
Alzheimer. Hij is in 1989 op 69-jarige leeftijd gestorven. Mijn
moeder is dit jaar, in mei 2008, overleden op bijna 80-jarige
leeftijd. Opmerkelijk punt is het feit dat enkele weken vóór haar
dood, Jan Agesz. Visser, boekhouder destijds op de houtmolen, werd
opgenomen wegens dementie, bij haar op de afdeling lag, van 'Anna
Schotanus' in Heerenveen.
| 1 |
2 | 3 |
4 |
Home
|