|
De voorgangers van de
"Lemmerboot"
Door Jaap van der Zwaag.
Inleiding.
Over de geschiedenis van de
eens zo populaire Lemmerboot is bijzonder weinig geschreven,
de "Jan Nieveen" natuurlijk uitgezonderd, die dan ook als
"de" Lemmerboot wordt beschouwd, naar mijn mening ten
onrechte. Dit schip, dat pas in 1928 in de vaart werd
gebracht, heeft namelijk véél voorgangers gehad, en wel
gedurende eeuwen.
Al heel vroeg onderhielden
Lemster beurtschippers met hun zeilschepen (vooral
kofschepen) de verbindingen over de Zuiderzee. Zo is De
Lemmer voor de stad Groningen altijd belangrijk geweest als
uitvalsbasis naar Holland en het is dan ook niet
verwonderlijk dat het Grootschippersgilde in die stad in het
begin van de 17de eeuw octrooi vroeg en kreeg
voor een veer Groningen-De Lemmer-Amsterdam.
De grietman Regnerus van
Andringa, die in het laatste kwart van de 17de en
eerste helft van de 18de eeuw leefde en vanaf
1692 aan het hoofd stond van Lemsterland, bracht sinds 1703
geregelde veerdiensten met "welingerigte" schepen
vanuit De Lemmer op Amsterdam, Zwolle en Kampen tot stand.
Op 13 december 1710 werd aan
de Lemster Albert Hanzes (ook als Haunus geschreven) octrooi
verleend voor een veer tussen De Lemmer en Amsterdam. Er was
concurrentie, want op 18 mei 1758 procedeerde de Lemster
beurtman met zijn collega uit Nijesyl/Ylst, die uit
Amsterdam twee passagiers voor Balk had meegenomen, hetgeen
de Lemster ondernemer als zijn taak zag, omdat de reizigers
in Lemmer waren uitgestapt.

De Lemster Beurtman.
(Tekening van J.C. Greive Jr.)
Dat er al geregelde diensten
vanuit De Lemmer op Amsterdam werden gevaren, blijkt uit dit
bericht in de Leeuwarder Courant van 7 december 1757:
"Een ygelyk wordt door
dezen bekend gemaakt, als dat van de Lemmer op Amsterdam, en
van Amsterdam op de Lemmer in deze Wintertijd ’s Weeks 3
Beurtschepen zullen varen, namentlyk van de Lemmer na
Amsterdam, ’s Woendsdags, Vrijdags en Saturdag, en van
Amsterdam op de Lemmer, ’s Maandags, Woensdags en Vrydags,
zullende dezelve hun aanvang nemen met den 14 December van
de Lemmer, en den 12 Dito van Amsterdam."
In de 18de eeuw kon
men al vanuit De Lemmer, in aansluiting op de beurtman uit
Amsterdam verder Friesland in reizen. Op 2 april 1740 werd
bijvoorbeeld octrooi verleend aan de kerkvoogden van De
Lemmer voor de exploitatie van een "wagenveer" naar
Heerenveen, Leeuwarden en zelfs Groningen. In mei 1761
startte Hendrik Meijer, afkomstig uit Balk, waar hij in 1760
was getrouwd met Trijntje Jans, eveneens uit Balk, vanuit De
Lemmer tweemaal per week met een postwagendienst op
Leeuwarden. En op 6 april 1804 werd begonnen met de
exploitatie van een postwagendienst tussen De Lemmer en
Joure.
Schepen op stoom.
In de loop van de 19de
eeuw ontstond in de wereld een ware stoomschipmanie. Ook in
Nederland en dan vooral in Amsterdam. Door de komst van de
stoommachine kwam nu een definitief einde aan de problemen,
waarmee de zeilende beurtvaart altijd te kampen had gehad,
namelijk de lage snelheid en de onvoorspelbare
aankomsttijden van de zeilschepen. Niet alleen was het nu
mogelijk stoomschepen volgens een van te voren vastgestelde
dienstregeling te laten varen, maar ook waren deze schepen
nauwelijks meer afhankelijk van windrichting en –sterkte.
Zonder problemen verliep de overgang van zeil op stoom
overigens niet. Lange tijd was de stoommachine nog zeer
inefficiënt, duur, en door het hoge brandstofgebruik moest
waardevolle vrachtruimte gebruikt worden voor de mee te
voeren steenkolenvoorraden. Pas na belangrijke technische
verbeteringen werd de zeilvaart in de loop van de 19de
eeuw voorbijgestreefd door de stoomvaart, hoewel het nog tot
ver in de 20ste eeuw heeft geduurd voordat in de
binnenvaart het zeilschip zou verdwijnen.
Vooral in het westen van
Nederland waren er personen, die veel heil zagen in
stoommachines voor schepen. In de zomer van 1823 vroeg
Eduard Taylor, die op de hofstede "Ridderoord"
bij de Vuursche woonde, concessie aan voor stoomvaartlijnen
van Amsterdam op Utrecht en op De Lemmer. Maar nog voordat
die hem zou worden verleend bestelde hij een schip van 36
meter lang bij de werf van Van Swieten.
In het algemeen was men niet
enthousiast over de komst van de stoommachine, Dat
stoombotengedoe, zo redeneerde men, zou tot gevolg hebben,
dat de zeilende beurtschippers, die al eeuwenlang hun beroep
uitoefenden, tot de bedelstaf zouden vervallen. Bovendien
zouden de vrachten stijgen en de armsten zouden geen
reisgelegenheid meer hebben. En, om de schrik er goed in te
krijgen, wisten de pessimisten te vertellen, dat die
stoomboten met al dat vuur aan boord, in brand zouden kunnen
vliegen.
Gemakkelijk hadden de
Amsterdamse stoomvaartpioniers het niet. Taylor, die een
schip bij Van Swieten had besteld, moest de stoommachine uit
Engeland laten komen, omdat in Nederland immers niemand in
staat was een dergelijke machine te bouwen. Hij kreeg veel
tegenwerking, o.m. van het Amsterdamse stadsbestuur.
Desondanks lukte het hem zijn schip, de "Mercurius",
in de vaart te brengen. Het bleef echter bij enige
proefvaarten, want de machine voldeed allerminst. De
stoomvaartverbinding met Utrecht en De Lemmer kwam er dan
ook niet. Althans toen niet.
Omstreeks dezelfde tijd had in
Amsterdam, de op de Herengracht wonende, Leonard de Vijver,
koopman en boekhouder van een aantal rederijen, plannen om
een stoomboot te laten varen van Amsterdam op Harlingen. Nog
voordat hij die plannen kon uitvoeren, was hij overleden.
Maar zijn medestanders, die hem kapitaal hadden verstrekt of
toegezegd, wilden toch de plannen uitvoeren. Zij verzochten
een hunner, de wijnhandelaar Paul van Vlissingen,
de leiding te nemen van hun rederij in oprichting.
Paul van Vlissingen had geen
enkele kennis van de scheepvaart. Hij was eerst
assistent-boekhouder geweest op het departement van Oorlog,
vervolgens officier van administratie van het Oost-Indisch
leger op Java, daarna tweede assistent-resident van
Soerakarta met de bijzondere opdracht het Javaanse schrift
bruikbaar te maken voor de drukpers. In het moederland terug
kreeg hij de opdracht een drukkerij voor de Javaanse taal op
te richten, terwijl hij tevens met zijn broer Frits een
wijnhandel opzette. Deze wijnhandelsfirma Gebroeders Van
Vlissingen had zich financieel geïnteresseerd voor de
plannen van De Vijver. Een aardige bijzonderheid hierbij is,
dat juist de wijnhandel zich sterk heeft verzet tegen de
komst van stoomschepen. Men was namelijk van oordeel, dat
wijn zou bederven aan boord van schepen, waarin vuur werd
gestookt en die zo hevig konden sidderen!
Feitelijk waren beide broers
belast met de leiding van de rederij in wording, maar over
Frits werd hieromtrent niets meer vernomen. Paul had geen
verstand van scheepvaart, maar wel van financiën, want het
lukte hem in korte tijd een kapitaal van een half miljoen
gulden bij elkaar te brengen. Daarmee werd de "Amsterdamsche
Stoomboot Maatschappij" opgericht, welke onderneming
blijkens een verzoekschrift aan de koning (Willem I) het
doel had stoomvaartlijnen te openen van Amsterdam op
Zaandam, Den Helder, Harderwijk, Elburg, Kampen, Zwartsluis,
Hasselt, Zwolle, Hamburg en Londen.
Tevens werd een concessie
aangevraagd voor de dienst van Amsterdam op Harlingen, wat
in 1825 leidde tot oprichting van de "Harlingen
Stoombootreederij" (HSR), niet gevestigd in
Harlingen, maar in Amsterdam.
Bron Rotterdamsche
Courant: 17 april 1856.
Het eerste stoomschip van de
HSR, dat in 1826 de haven van Harlingen binnenstoomde, was
de "Prins Frederik der Nederlanden". Omdat
het schip niet aan de verwachtingen voldeed, werd de dienst
al na een paar reizen gestaakt. De toenmalige gouverneur van
Friesland probeerde toen Friese ondernemers te bewegen een
soortgelijke stoomvaartverbinding tot stand te brengen, maar
toen dat geen resultaat opleverde (de Friezen bleven
wantrouwend en zagen in het uit de vaart nemen van de "Prins
Frederik" een bevestiging van dat wantrouwen), poogde hij de
Amsterdamse rederij nog in 1826 over te halen opnieuw een
stoomboot in de geregelde vaart te brengen tussen Friesland
en Holland. Toen ook in 1827 de stoombootverbinding nog niet
hervat was – gouverneur Van Zuylen van Nievelt liet zich
kwaad als volgt uit:"noch de Amsterdamsche Stoomboot
Maatschappij noch de Harlinger Stoomboot Reederij te
Amsterdam gevestigd voldeden aan de verwachting die men
billijkerwijze koesteren mogt dat de gestaakte vaart door
dezelve afzonderlijk of gezamenlijk weder zoude begonnen
worden" – nam hij initiatief tot de oprichting van de "Friesche
(toen nog als "Vriesche" geschreven)
Stoomboot Maatschappij" te Leeuwarden, waarvan
de statuten al zeer snel koninklijk goedgekeurd werden daar
ook de koning (Willem I) in het kapitaal deelnam.
De Amsterdammers werden
onmiddellijk wakker en brachten snel twee boten in de vaart,
één, de "Onderneming" ging varen op Harlingen
en de ander, de houten raderboot "De IJssel",
op De Lemmer. De "Onderneming" was geen nieuw schip. De ASM
had namelijk in 1825 uit de vaart het Engelse stoomschip
"The Monarch" gekocht, waarmee zij op 25 juli van dat jaar
een dienst op Hamburg was begonnen. Het schip voer over de
Zuiderzee en de Wadden naar Harlingen, ging dan via het Vlie
naar buiten, liep Cuxhaven aan en stoomde vervolgens naar
Hamburg. Het schip werd later "De Onderneming" genoemd en
ging dezelfde route varen. Overigens was het
passagiersvervoer hoofdzaak; voor goederen was er geen
ruimte aan boord. Het vervoer was vrij duur. Een enkele reis
van Amsterdam naar Hamburg kostte 60 (!) gulden.
De eerste Lemmerboten op
stoom.
De stoomboot De IJssel,
vertrok elke zondag, dinsdag en donderdag uit Amsterdam, en
elke maandag, woensdag en vrijdag uit de Lemmer. In De
Lemmer kon men informatie krijgen bij Ane de Graad.
Ane Jans de Graad was in 1795 in De Lemmer geboren en
overleed op 44-jarige leeftijd in 1839. Hij was in 1827
getrouwd met Baukjen Thomas Knoop, eveneens uit De Lemmer.
De tarieven voor de passagiers
bedroegen: Paviljoen 5 gulden vijftig (zéér hoog!); Grote
Kajuit 4 gulden en Voor-Kajuit 2 gulden 50 cent.
Op 29 augustus 1828 werd
bericht dat het schip, "uit hoofde van het reeds ver
gevorderd jaargetijde" (!), de haven van De Lemmer niet
meer zou aandoen. De "Onderneming" stopte in oktober met de
vaart tussen Amsterdam en Harlingen, maar werd opgevolgd
door de "Prins Frederik der Nederlanden". In
de jaren daarop voer dit schip alleen in het voorjaar tot
het in 1835 werd verkocht en de rederij werd geliquideerd.
Later, waarschijnlijk in 1851, werd de rederij weer onder
dezelfde naam heropgericht en liet zij in 1852 het ijzeren
raderstoomschip "Stad Harlingen" bouwen. Een
tweede raderboot, de Willem III, werd in 1865
gebouwd.
De enthousiaste gouverneur van
Friesland liet zich niet van de wijs brengen door de actie
vanuit Amsterdam. Bij de oprichting van de Friesche
Stoomboot Maatschappij had hij de Amsterdamse concurrentie
wel verwacht. Maar door de geringe belangstelling bij Friese
ondernemers kwam er voorlopig niets van de grond en bleven
de Amsterdammers heer en meester op de verbinding tussen
Friesland en Holland. Pas nadat de concessie aan de
Amsterdamse rederij in 1840 werd ingetrokken en een nieuwe
was verleend aan F.D. Fontein, C.H. Harmans en A.J.
Rodenhuis, vertegenwoordigende de te Harlingen opgerichte
Friesche Stoomboot-reederij, lukte het in 1840
een stoomschip in de vaart te brengen, namelijk de "Friso",
welke tussen Amsterdam en Harlingen ging varen.
Na 1840 ontwikkelde de
stoomvaart tussen Friesland en Holland, maar ook binnen de
provincie Friesland, zich snel. De Friesche
Stoomvaartmaatschappij, later opgevolgd door de Friesche
Stoomboot-reederij, begon ook met de vaart op De Lemmer met
het nieuw gebouwde schroefstoomschip "Willem II".
Op 4 juli 1842 werd hiermee begonnen. Het schip voer elke
maandag, donderdag en zaterdag heen en terug. De tarieven
bedroegen 5 gulden in het Paviljoen, 4 gulden in de Grote
Kajuit en 5 gulden in de Voorkajuit.
Voor de binnenlandse
stoomvaartroutes werd in 1839 door mr Coert Lambertus
van Beijma thoe Kingma en W. Willems,
de "Friesche Meer- en Kanaal Stoomboot Maatschappij
(FMKSM) in Joure opgericht, terwijl tal van
particulieren vergunningen vroegen voor het exploiteren van
zogenaamde barge (=trekschuit)diensten.
De FMKSM wilde een
stoomvaartdienst exploiteren tussen Joure, Sneek en De
Lemmer, en eenzelfde dienst tussen Leeuwarden en De Lemmer.
In 1840 werd bekendgemaakt dat tot commissarissen van de
FMKSM waren benoemd Wilco van Andringa de Kempenaer,
jhr Pieter Benjamin Johan Vegilin van Claerbergen
( geboren in Leeuwarden in 1808 en overleden in 1879;
hij was getrouwd met Aurelia van Beyma), G.T.N.
Suringar en G. Andrea. De koning nam
voor 4.000 gulden deel in het kapitaal van 80.000 gulden.
Een jaar later nam hij nog eens voor 2.000 gulden deel. Deze
rederij zou jarenlang varen met de stoomboot "Willem
I". In De Lemmer werd de maatschappij
vertegenwoordigd door de directeur van het postkantoor:
Hielke Molenaar. De "Willem I" werd in 1841
genoemd een "welingerigte" stoomboot, die de reis van
Sneek naar De Lemmer "buitengemeen spoedig" kon afleggen.
Diligencediensten in
aansluiting op de Amsterdammer Beurtman.
In aansluiting op de
"Amsterdammer Beurtman" zoals de boot uit Amsterdam in die
tijd werd genoemd, reden er sinds 1 april 1833 van uit De
Lemmer, door de logementhouder (van het Heeren Logement in
Leeuwarden) Carel Hermanus Wilkeshuis
geëxploiteerde, diligences en postwagens naar Leeuwarden,
over Joure, Akkrum en Eernsum. Het tarief voor één persoon
op de diligence of postwagen bedroeg drie gulden, "alle
tollen en schouwgelden hieronder begrepen"; en in de
kajuit op de beurtman 1 gulden 20, zodat voor 4 gulden 20 de
reis van Amsterdam naar Leeuwarden kon worden gemaakt. De
reis in De Lemmer begon bij De Wildeman, in Leeuwarden bij
"Het Heeren Logement" in het Zaailand.
Op 28 maart 1837 stond er nog
een advertentie van C.H. Wilkeshuis in de
krant welke betrekking had op zijn postwagendienst tussen
Leeuwarden en De Lemmer. Het was zijn laatste advertentie.
Enige maanden later hield hij met deze dienst op.
Onmiddellijk daarop werd aan J. J. Dijkstra
("en deelgenooten"), wonende te Lemmer, een concessie
verleend voor dezelfde postwagendienst naar Leeuwarden.
De barge- en
diligencediensten zouden een tijdlang zeer populair worden.
In 1843 werd concessie verleend aan E. van der Wal
en R. Post te Leeuwarden, voor de exploitatie
van een postwagendienst tussen Leeuwarden en Sneek, in
aansluiting op de stoomboot varende tussen Sneek en De
Lemmer. In datzelfde jaar was ook een concessie verleend aan
de bekende notaris J.L.T. Waubert de Puiseau
te De Lemmer, voor het exploiteren van een postwagendienst
tussen De Lemmer en Leeuwarden, in aansluiting op de
Amsterdammer Beurtman van de Friesche
Stoomboot-Maatschappij. Maar nog voordat deze dienst in
werking trad, trok de notaris zich terug. In 1845 werd
bekendgemaakt dat aan de eerder genoemde E. van der
Wal uit Leeuwarden concessie was verleend voor het
exploiteren van een postwagendienst tussen Groningen en de
Lemmer over Leeuwarden, corresponderende op de "beurtman"
van Amsterdam op De Lemmer.
Een jaar later startten
Andries Tjallings Teitsma en G. de Ruiter
een postwagendienst van De Lemmer over Sneek naar
Leeuwarden,. Uit De Lemmer werd vertrokken op maandag,
woensdag en vrijdag, onmiddellijk na aankomst van de "Willem
II". Het kantoor van deze
postwagendienst was in het "Heerenlogement" van Teitsma aan
de Markt in De Lemmer. In datzelfde jaar vroegen
Gerrit ten Cate te IJlst en S. ten Cate Bz.
te Sneek een concessie aan voor het exploiteren van een
postwagendienst tussen Sneek en De Lemmer. Deze dienst reed
op de dagen, waarop het "gewone beurtschip" naar Amsterdam
voer. Ook in dat jaar werd concessie verleend aan de eerder
genoemde E. van der Wal voor het exploiteren
van een postwagendienst van Leeuwarden langs de straatweg
door de dorpen Buitenpost, Grijpskerk, Noord- en Zuidhorn,
naar Groningen. Tegelijkertijd werd de concessie ingetrokken
van de postwagendienst tussen Groningen en De Lemmer. Het
verzoek van R.J. Buwalda, voor de verlening
van een concessie voor de exploitatie van een
postwagendienst tussen De Lemmer en Groningen over Sneek in
aansluiting op de boot uit Amsterdam werd afgewezen, omdat
er reeds op de door Buwalda voorgestelde tijd van vertrek
een postwagen tussen De Lemmer en Leeuwarden reed, welke
aansloot op de postwagendienst van E. van der Wal,
tussen Leeuwarden en Groningen. Hoewel het aan Buwalda
werd vrijgelaten om andere uren van vertrek te kiezen, ging
de hele zaak niet door, want er is nooit meer iets over deze
Buwalda geschreven.

Goedkoop waren de stoomboten
overigens niet, zoals uit bovenvermelde tarieven blijkt. Nog
in 1852 klaagde iemand er over dat de "mindere man"
geen gelegenheid meer had naar Holland over te steken. De
zeilbeurtschepen die geheel door de stoomschepen waren
verdrongen hadden hem vroeger nog voor een "klein prijsje"
meegenomen, maar dat was al lang niet meer het geval. Dat de
stoomboot aanmerkelijk sneller was dan het zeilschip werd
nauwelijks als een troost beschouwd.
In 1847 voer de Friesche
Stoomboot-Reederij (de naam Friesche
Stoomboot-Maaaatschappij komen we dan niet meer tegen) met
twee schepen, de `Friso` tussen Amsterdam en
Harlingen en de "Willem II" tussen Amsterdam
en De Lemmer. De schepen werden om de haverklap uit de vaart
genomen, bijvoorbeeld voor onderhoud en reparaties. Op dat
moment was de verbinding tussen De Lemmer totaal verbroken.
De diensten werden ook gestaakt in de winter wanneer de
kanalen en meren waren dichtgevroren, maar ook wel eerder.
Voor alle zekerheid hield man vaak al al in oktober op met
varen. Dat gold ook voor de binnendiensten met stoomboten en
de diligences en postwagens stopten met rijden wanneer de
toch al slechte wegen onbegaanbaar waren geworden door regen
of sneeuw. Dat vonden sommige mensen niet leuk. Op 23
oktober 1849 werd aangekondigd dat de vaart met de "Willem
II" tussen Amsterdam en Lemmer op 27 oktober "tot nadere
kennisgeving" zou worden gestaakt, en dat daardoor ook de
stoomvaartdienst tussen Lemmer en Strobos gelijktijdig zou
worden gesloten. Onmiddellijk reageerde de
diligence-exploitant E. van der Wal met het
volgende persbericht:
"Het is niet in het belang
van het reizend Publiek, en ook niet de wil van de
Ondernemers der Diligences tusschen De Lemmer, Sneek,
Leeuwarden en Groningen vice versa, dat zij met e.k.
Zaturdag hunne Dienst op dat traject moeten stakeen, maar de
oorzaak dáárvan is, het vroegtijdig en tot veler ongerijf
staken der vaart, met de Stoomboot Willem II, tusschen
Amsterdam en de Lemmer, op dien dag bepaald."
In 1850 bezat de
Friesche Stoomboot Reederij, gevestigd te Harlingen,
vier stoomboten, t.w.
1.
Friso,
varende tussen Amsterdam en Harlingen;
2.
Willem II,
varende tussen Amsterdam en De Lemmer;
3.
Tjerk
Hiddes de Vries, varende tussen De Lemmer en Strobos
en
4.
Willem I,
buiten dienst, liggende in Harlingen
In 1853 werd ook de
"gerenommeerde" stoomboot "Friso" gebruikt
op de lijn De Lemmer-Amsterdam. in aansluiting op de
binnenstoomboot "Tjerk Hiddes" en de
barge (trekschuit) naar Groningen, alsmede op de
diligencedienst op Heerenveen.
Van Gend & Loos
begon in die jaren een sterke concurrent te worden voor de
bestaande diligencediensten. Op 29 februari 1856 werd het
volgende bericht gepubliceerd: "Wegens eene weldra aan te
vangen Diligencedienst tusschen Lemmer en Groningen vice
versa, van de Heeren van Gend en Loos, blijft die der
Ondergeteekenden gestaakt" Die ondergetekenden waren
Teitsma en de Ruiter, die jarenlang
diligencediensten vanuit De Lemmer hadden geëxploiteerd,
maar kennelijk zo beducht waren voor de nieuwe concurrentie,
dat ze er maar mee ophielden. Op 4 maart 1856 lezen we:
"Wij vernemen met genoegen,
meldt het Handelsblad, dat dezer dagen eene vereeniging van
belangen tusschen de Friesche stoomboot-reederij te
Harlingen en de heeren van Gend en Loos, ondernemers van
diligence-diensten, is tot stand gekomen, en wij al zeer
spoedig eene dagelijksche stoomboot-dienst van hier op de
Lemmer in verband met diligences, die van daar over Sneek en
Leeuwarden naar Groningen zullen rijden, te verwachten
hebben. Men zou ’s ochtend ten 10 of 11 ure uit Amsterdam
vertrekken om nog den eigen dag te Leeuwarden en Groningen
aan te komen, en zoo ook omgekeerd. Wij beloven ons van deze
onderneming alles goeds"
In 1856 begon de
Friesche Stoomboot-Reederij te varen met het
stoomschip "Friesland" tussen Amsterdam en De
Lemmer, aansluitend op de diligence van Van Gend & Loos,
tussen De Lemmer en Sneek, Leeuwarden en Groningen, de
binnenboot over Strobos naar Groningen en een
diligencedienst naar Heerenveen..
In 1858 bleken er nog steeds
drie concessies te zijn aangevraagd voor de stoomvaart
tussen De Lemmer en Amsterdam, t.w. 1. van de Friesche
Stoomboot-Reederij; 2. van Wilco van Andringa
de Kempenaer (die daartoe zijn beurtschepen op
Amsterdam van stoomvermogen zou moieten voorzien) en 3. van
J.J. van der Maaden te Amsterdam. In juni van
dat jaar begon laatstgenoemde, Van der Maaden,
met een zomerdienst met het nieuw gebouwde "stoomschroefjagt
De Lemmer". Deze – dagelijkse – vaart begon
vanuit De Lemmer om 4 uur in de middag en vanuit Amsterdam
om half elf in de ochtend.
Vijf maanden later, in
november 1858, startte H.C. Wouda in Sneek met de
"Lemster Stoomboot-Reederij". Doel: een
stoomvaartdienst tussen De Lemmer met het nieuwe stoomschip
"Stad Sneek". Naast Wouda waren als
directeuren benoemd: jhr mr P.B.J. Vegilin van
Claerbergen te Joure; mr E. Jongsma te
Sneek; mr M. van Helema te Heerenveen en
A. Veen te Sneek, maar niemand uit De Lemmer. Bij
beschikking van 14 april 1859 werd door de minister van
binnenlandse zaken de vergunning voor een stoombootdienst
tussen de Lemmer en Amsterdam.op 6 november 1858 aan Wouda
verleend, overgeschreven op naam van de Lemster
Stoombootreederij.
De schepen van de Lemster
Stoombootreederij hadden in Amsterdam hun ligplaats aan de
steiger van de beroemde Nieuwe Stads Herberg aan het IJ.
Dat Teitsma en
de Ruiter de hoop toch nog niet hadden opgegeven,
blijkt uit het feit, dat de "Stad Sneek" bij
aankomst in De Lemmer aansluiting had op een diligencedienst
van beide heren, van De Lemmer over Sneek naar Leeuwarden
(duur van de reis: 5 uur en dat in een hobbelende wagen!).
Deze diligence vertrok bij het Heerenlogement van
Teitsma op de Markt. Kosten De Lemmer-Leeuwarden 3
gulden. Maar men kon ook met een diligence van P.H.
Hielkema van De Lemmer over Joure naar Heerenveen
reizen. Vertrekplaats: De Wildeman. Kosten: 1 gulden 85.
Informatie in De Lemmer was te krijgen bij J.
Kleinhouwer.
Regelmatig werd
zeilbeurtschepen verkocht. Op 3 december 1859 was het weer
zover. Op die dag en op 10 december werden door notaris T.S.
van der Leij uit Langweer drie beurtschepen, welke van De
Lemmer op Amsterdam hadden gevaren in het openbaar verkocht
in De Wildeman te De Lemmer. Het betrof een kofschip van 117
ton, genaamd "Beurtschip" (hoe origineel!), van de
beurtschipper Louis Jacobus Koopen;
een kofschip van 106 ton, genaamd "de Jonge Daniël",
van Johannes Sikkes Postma en een
kofschip van 114 ton, genaamd "Johannes Lippis",
van Siebren Johannes van der Veen.
Inmiddels was er weer een
nieuwe onderneming op het toneel verschenen op de
stoomvaartlijn De Lemmer-Amsterdam, namelijk de Rijn-
en IJssel-Stoomboot-Maat-schappij. Deze nieuwe
stoombootdienst werd begonnen in juni 1864 en wel met de
stoomboten "Stad Deventer" en "Admiraal
van Kinsbergen", in aansluiting op de
diligencediensten naar Tjerkgaast, Woudsend, Hommerts, Sneek
en Bolsward, en over Joure naar Heerenveen, Gorredijk,
Beetsterzwaag en Drachten. De ligplaats in Amsterdam was aan
de steiger van de Rijn-en
IJssel-Stoomboot-Maatschappij. Drie maanden later,
op 11 september 1864, werd deze dienst gestaakt ("tot
nadere aankondiging"). Daarna werd niets meer vernomen
van deze onderneming, ook niets van de schepen.


Afdrukken van Piet Boltjes.
Naast de hierboven genoemde
personen en ondernemingen zijn in die jaren nog
verschillende andere beurtschippers actief geweest op de
scheepvaartverbinding tussen De Lemmer en Amsterdam. Om
enkele Lemsters te noemen: Johannes Sikkes Postma,
Johan Georg Warcken, Ruurd Willems van der Wal
en Douwe Harmens Gnodde. Deze vier
beurtschippers exploiteerden een beurtschip van De Lemmer op
Amsterdam. Dat schip werd eind 1864 verkocht, waarschijnlijk
omdat de concurrentie steeds groter was geworden in de loop
der jaren.

Verschillende beurtschepen
in Lemmer.
Epiloog
Dit verhaal nadert zijn einde.
In 1864 werd een stoombootdienst tussen De Lemmer en
Groningen over de binnenwateren geopend. Voor deze dienst
was een concessie verleend aan Jan Nieveen te
Groningen en W & M. Geveke te De Lemmer. De
dienst voldeed zo goed, dat de broers Jan,
Geert en Reint Nieveen besloten met
stoomschepen op Amsterdam te gaan varen. Daartoe werd op 9
juli 1870 de Groninger Stoomboot Maatschappij
opgericht, die een tweetal trajecten ging exploiteren:
tussen Groningen en De Lemmer, de zogenaamde binnendienst,
en tussen De Lemmer en Amsterdam, de zogenaamde
buitendienst. Voor beide trajecten waren afzonderlijke
schepen nodig. De uit 1865 daterende Groningen I
werd ingezet en in 1871 werden de nieuwgebouwde
Groningen II en III in de vaart
gebracht. De dienst bleek zo winstgevend, dat in 1887 werd
besloten de Groningen II te verbouwen en in te
richten voor het vervoer van passagiers. Een luxe reis was
dat in die tijd niet, want het dek werd meestal grotendeels
door deklast of door vee in beslag genomen. Alle vervoerde
goederen werden door de stoomvaartmaatschappij verzekerd,
behalve petroleum en lucifers(!).
De Lemmerboten lagen in
Amsterdam aan het Kamperhoofd bij de Schreierstoren, tussen
de Oudezijds Kolk en de (Oude) Teertuinen. Voor de Zoutsteeg
stond op het water een apart aantekenkantoor, waar de
passagiers zich moesten laten inschrijven. Voor de reis
hoefde men niet meer zoveel te betalen als vroeger: kajuit 1
gulden 75 cent; "kelder" 1 gulden 20 cent; achterroef
80 centen, in de twee voorroefjes 1 gulden 20 cent, in het
ruim 65 centen en in het vooronder 2 gulden 20 centen.
Later zouden de schepen een
vaste ligplaats krijgen op De Ruyterkade, steiger 4, naast
de tramboten, die steiger 5 gebruikten.
De "Stad Sneek"
van de Lemster Stoombootreederij, opgericht in
1858, voer in 1865 nog steeds tussen De Lemmer en Amsterdam.
Dat het treintijdperk was aangebroken, blijkt uit een
advertentie in de Leeuwarder Courant van 10 november van dat
jaar, waarin wordt medegedeeld, het "Stoomjagt"
De Stad Sneek "in directe verbinding"
stond met de Hollandsche en Rijn-Spoorwegen. De
diligencedienst van Teitsma ging onverminderd
door vanuit De Lemmer ("na aankomst van de Stoomboot Stad
Sneek") naar Sneek en Bolsward. In het midden van 1862
kwam er zelfs een nieuw gebouwde diligence van Teitsma
in dienst op de route De Lemmer-Leeuwarden. Iemand was zelfs
zó enthousiast over deze gebeurtenis, dat hij in de
Leeuwarder Courant van 13 juni het volgende bericht liet
opnemen, waaronder hieruit een deel:
"Lemmer, 10 Junij. Met
genoegen hebben wij dezer dagen bezigtigd eene nieuwe
diligence, in dienst gebragt door A.T. Teitsma, ondernemer
der diligencedienst van Lemmer op Leeuwarden over Sneek, in
verband met de stoomboot "Stad Sneek" van Lemmer op
Amsterdam v.-v.
Deze diligence, gemaakt in
de fabriek van de heeren Hettema en Koning te Leeuwarden,
van binnen zwaar gevoerd en geheel ten gemakke der reizenden
ingerigt.bevat eene coupée vóór en ééne achter, in het
midden 2 ruime banken, in het geheel 12 zitplaatsen, en kan,
wat netheid, soliditeit en gemak betreft, met de beste
diligences in ons land wedijveren."
Op 5
september 1865verscheen in de Leeuwarder Courant het
bericht, dat in Groningen op 2 september de nieuw
gebouwde stoomboot "De Zwaluw" was
gearriveerd, welke met nog met een ander schip (De
Lemmer), dat de volgende dag zou arriveren,
bestemd was om de dienst te onderhouden tussen
Groningen, Sneek en De Lemmer. Inderdaad, op 12
september 1865 verscheen in de kranten een advertentie
dat De Zwaluw en De Lemmer
zouden beginnen met de dienst tussen Groningen en De
Lemmer.
Op 17 en
31 oktober 1868, respectievelijk in het logement Het
Posthuis en het logement De Wildeman, in De Lemmer,
in De Lemmer, werd het hierboven genoemde stoomschip ("ijzeren
schroefstoomboot") De Lemmer, in het
openbaar verkocht. Uit de advertentie weten we, dat het ging
om een schip, gebouwd aan de Kinderdijk in 1865, groot 40
ton, lang 15 el 8 palm, wijd 2 el 6 palm 5 duim en hol 1 el
3 palm 6 duim. Het had een "uitmuntende" machine van
12 paardenkrachten, twee "nette" kajuiten, een groot
laadruim, een "Kapiteinshut", een hofmeestersbuffet
en "Volkslogis", met 2 kleden, een anker, een
ketting, landvasten, haken, bomen en een kompas. Kapitein
van De Lemmer was Wieger Jan Hermanus
Geveke, die het schip waarschijnlijk heeft gekocht,
want op 3 februari meldde hij, nu als ondernemer, dat met
het stoomschip De Lemmer in februari 1869 een
dienst zou worden begonnen tussen De Lemmer en Groningen, in
aansluiting op de nachtboot uit Amsterdam
En hoe liep het af met de
stoomboot- en diligencediensten, welke aansluiting hadden op
de Lemmerboten? In november 1868 begon Jochem Sibles
Lemstra met de stoomboot "Vier Gemeenten"
een stoombootdienst ("Voor passagiers, goederen en vee")
tussen De Lemmer en Joure. Op woensdag voer het schip naar
Balk. Met twee stoombootdiensten kon men van De Lemmer naar
Bolsward v.-v. varen, namelijk met die van voornoemde
Lemstra (sinds 1871) en met die van A.W.
Tieleman (sinds 1889). De stoomboot van Tieleman was
de "Willem III". Waarschijnlijk is dit schip
verkocht, want van dinsdag 26 september 1898 voer de
Willem III op de stoombootdienst Lemmer-Joure van
Harmen Nieveen en D. Gaastra. De
Willem III had plaatsruimte voor 40 passagiers en
een laadvermogen van 20.000 kilo. A. Tieleman
begon op de route Lemmer-Bolsward daarna te varen met de
"Stad Bolsward I". Het "bootje van Tieleman" lag
aan de Langestreek.
Aan W. Tieleman
uit Joure was concessie verleend om met de stoomboot
"Burgemeester Rinkes" vanaf juli 1879 een
stoombootdienst te onderhouden tussen a. De Lemmer en Joure
(op alle dagen, behalve zondag en dinsdag) en b. tussen
Echten en Sneek, op dinsdag. Begin juli was de nieuwe
stoomboot in Joure gearriveerd. De Leeuwarder Courant van 9
juli schreef hierover o.m.: "De gezagvoerder, W.
Tieleman, deed gisteren, tot genoegen van zijne vrienden,
een pleziertogtje naar de stations op zijn weg van Joure
naar Lemmer."
En, laten we dat niet
vergeten, er voer nog een stoombootje "De Telegraaf
op de route De Lemmer-Sneek.

Zelfs toen de Groninger
Stoomboot-Maatschappij al jaren bestond, reden er
nog steeds diligences, die in De Lemmer op de aankomst van
de boot uit Amsterdam wachten om daarna bijvoorbeeld naar
Sneek, Joure en Heerenveen te rijden, ook toen de tram al op
het toneel was verschenen. In oktober 1880 kondigden de
Lemster diligence-ondernemers Hendrik Teitsma
en Jelle Kok aan, dat "hunne bestaande
diligencedienst voortdurend uitgeoefend zal worden met eene
diligence, waarin bij den aanvang van elke reis minstens zes
plaatsen voor reizigers beschikbaar zullen zijn.". Deze
dienst – tussen De Lemmer en Heerenveen – ging via Sint
Nicolaasga en Joure.
Op 12 augustus 1901 reed de
eerste tram op de nieuwe tramlijn Joure-Lemmer. Op deze
eerste dag werden 278 personen vervoerd, op de tweede dag
(13 augustus) 298 en op de derde dag (14 augustus) 449. Vóór
de opening van de tramlijn vervoerde de diligence van Joure
op Lemmer v.-v. per dag hoogstens 20 personen. Daarna was
het snel afgelopen met de diligences, postwagens en
omnibussen. De Lemster logementhouder Harmen van der
Hoff was trouwens al sinds 1875 bezig zijn
diligencedienst af te breken. In april 1875 bood hij een
achtpersoons-diligence aan ("zoo goed als nieuw"),
welke tussen De Lemmer en Sneek had gereden. Zes jaar later,
in 1881, verkocht hij een "solide ligtloopende diligence"
voor negen personen.
De Groninger & Lemmer
Stoomboot-Maatschappij (zoals de Groninger
Stoom-Maatschappij inmiddels heette, hoewel de maatschappij,
merkwaardig genoeg, jarenlang de Lemmer-Groninger
Stoomboot Maatschappij is genoemd) exploiteerde ook
het stoombootje "Sneek", dat een binnendienst
onderhield tussen De Lemmer en Sneek, via Akkrum. In Akkrum
bestond overigens de mogelijkheid de trein naar Leeuwarden
te nemen, een reis van ruim 40 minuten. Het bootje deed 3
uur en 10 minuten over het traject De Lemmer-Sneek. Het
Sneker bootje vertrok om precies drie uur en werd dan ook
"het drie uur bootje" of "theebootje" genoemd.
Tot slot: het accent van de –
weinige – geschiedschrijving over dé Lemmerboot heeft altijd
gelegen op de in het licht van de historie van de
scheepvaart tussen Friesland en Holland toch wel erg jonge
"Jan Nieveen" en de Groninger-Lemmer-Stoombootmaatschappij,
waardoor de sinds 12 augustus 1901 varende "tramboten" van
de Holland-Friesland Lijn, bijna vergeten worden.Toch hebben
ook de tramboten een belangrijke rol gespeeld in de
scheepvaartverbinding tussen De Lemmer en Amsterdam sinds
1900. Natuurlijk "hoed af" voor de "Jan Nieveen", maar ook
voor de andere boten, die zoveel mensen plezier hebben
gegeven op hun reizen van en naar De Lemmer!
Dit verhaal is niet volledig.
Er is nog zoveel onbekend. Het is niet altijd duidelijk wat
er van de verschillende ondernemingen is geworden. Waar zijn
al die oude schepen gebleven: de Stad Sneek, De Lemmer, de
Willem I, II en III, de Friso en de Flevo, de Burgemeester
Rinkes, de Tjerk Hiddes, om maar enkele te noemen.
www.postzegeljournaal.nl
(Zuider-) Zeepost
Namen van personen,
hierboven genoemd.
Andrea, G.
Andringa, Regnerus van
Andringa de Kempenaer,
Wilco van
Beijma
thoe Kingma, mr C.L.
Buwalda,
R.J.
Cate, G. ten
Cate Bz., S. ten
Dijkstra, J.J.
Fontein, F.D.
Geveke, W & M
Geveke, Wieger Jan Hermanus
Gnodde, Douwe Harmens
Graad, Ane de
Hanzes (ook als Haunus
geschreven, Albert
Harmans, C.H.
Helema, mr M. van
Hielkema, P.H.
Hoff, Harmen van der
Jongsma, mr E.
Kleinhouwer, J.
Kok, Jelle
Koopen, Louis Jacobus
Meijer, Hendrik
Molenaar, H.
Nieveen, Geert
Nieveen, Jan
Nieveen, Reint
Post, R.
Postma, Johannes Sikkes
Rodenhuis, A.J.
Ruiter, G. de
Suringar, G.T.N.
Taylor,
Eduard
Teitsma, A.
Veen, Siebren Johannes van
der
Vegilin van Claerbergen,
jhr P.B.J.
Vlissingen, Frits van
Vlissingen, Paul van
Vijver, Leonard de
Wal, E. van der
Wal, Ruurd Willems van der
Warcken, Johan Georg
Waubert de
Puiseau, J.L.T.
Wilkeshuis, C.H.
Willems, W.
Wouda, H.C.
Namen van de schepen,
hierboven genoemd.
Admiraal van Kinsbergen
Beurtschip
De Jonge Daniël
Flevo
Friesland
Friso
Groningen I
Groningen II
Groningen III
Johannes Lippis
Lemmer (De)
Mercurius
Onderneming
Prins Frederik der
Nederlanden
Sneek
Stad Deventer
Stad Harlingen
Stad Sneek
Tjerk Hiddes de Vries
Willem I
Willem II
Willem III
IJssel
Zwaluw
Home
|