|
De vroegere
autobusverbindingen met De Lemmer.
Door Jaap van der Zwaag.

Inleiding
Kort na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918)
leek het erop, dat de ontwikkeling van het personenvervoer in Friesland
in een stadium was aangekomen, waarin weinig nieuws meer was te
verwachten. Voor het streekvervoer was door de NTM en de vele
stoombootdiensten op de kanalen en meren was een vrij dicht net van
lijnen en beurtvaarten ontstaan en er leek geen wolkje aan de lucht. Dat
alles was maar schijn, want al heel snel kregen de spoor- en tramwegen
te maken met een geduchte concurrent: de autobus.
Het stond iedereen vrij een autobusdienst
te openen. Aan bepaalde eisen behoefden de bussen (nog) niet te voldoen.
Wie een rijbewijs en voldoende geld bezat kocht een autobus en begon een
busonderneming. Enige kennis op het gebied van vervoer van personen was
niet nodig, althans werd niet gevraagd. En zo startte in elk dorp de
plaatselijke garagehouder een busdienst naar de omliggende plaatsen,
waar uiteraard hetzelfde gebeurde, maar dan in omgekeerde richting.
De eerste busondernemer in Friesland
schijnt Frans Kimp in Leeuwarden te zijn geweest. Kimp kocht in 1920 op
een veiling in Groningen een Duitse Opel-legerbus waarmee hij een
lijndienst opzette. Deze bus reed op spaakwielen met massieve (!) banden
en had twee banken “met heerlijke veeren”, welke in de lengte langs de
wanden waren geplaatst. Met zijn halfbroer Eetje de Waard richtte Kimp
het Leeuwarder Autobusbedrijf (LAB) op. Op 1 april 1920 vond een
proefrit plaats met de autobus die vanaf 1 mei een geregelde dienst zou
gaan rijden tussen Leeuwarden en Quatrebras, via Zwartewegsend en
Hardegarijp. Tot dat tijdstip zou de bus, waarin plaats was voor
ongeveer 30 personen (6 staanplaatsen meegerekend) worden gebruikt om
liefhebbers van de vliegsport van en naar het vliegveld bij het Tolhuis
te brengen. De bus was grijs geschilderd met op het dak een rek voor
bagage. De halte Zwartewegsend was interessant voor degenen die in het
zwembad “De Groote Wielen” wilden gaan zwemmen.
Kimp kreeg er al gauw een collega bij,
namelijk Marten de Boer in Balk. Op 27 september 1921 deed de eerste
autobus in de streek rondom Balk zijn intrede met als exploitant de
beurtschipper Marten de Boer. Dat het jaar 1921 daarvoor werd gekozen
lag voornamelijk aan het feit dat de zomer toen erg droog was en de
waterstand laag, waardoor de boten (met passagiers) niet op tijd of soms
helemaal niet konden varen. Marten kocht een tweedehands bus, een
“Spijker”, en reed daarmee twee keer per dag op en neer van Balk naar
Sneek. Het voorbeeld van De Boer werd snel opgevolgd en overal rezen de
busondernemingen als paddestoelen uit de grond; er ontstond een ware
wildgroei in de autobusbranche met een daarbij behorende felle
concurrentiestrijd. In die jaren waren er zeker 25 busondernemingen in
de Zuid-Westhoek werkzaam. Balk had bijvoorbeeld een directe lijn op
Workum zonder dat er sprake was van een intensieve relatie tussen beide
plaatsen.
De meeste autobusondernemingen waren
eenmansbedrijfjes met één bus. In 1927 waren er in Friesland al meer dan
honderd busondernemingen. Dat werd niet als teveel beschouwd, immers de
bussen ontsloten de talrijke dorpen die géén trein- of tramverbindingen
hadden. Wie met de bus door Friesland wilde reizen, hoefde nooit erg
lang te wachten. Tot zelfs in de meest afgelegen dorpen reden er bussen.
De vele busondernemingen betekenden overigens wel dat men om de
haverklap moest overstappen.
De passagiers waren door de
onvermijdelijke prijzenslag niet duur uit; de Sneker busfirma Van der
Zee en Groenhof bijvoorbeeld vroeg voor de reis Sneek-Drachten één
gulden aan tweedeklasreizigers en één gulden 75 voor de duurdere
plaatsen. Wie een retourtje wilde hebben betaalde slechts 25 cent extra.
Voor 40 cent mocht de kinderwagen mee, tenminste als er nog plaats was.

Joop Bangma, heeft deze foto vergroot
in de gang hangen, het was de eerste bus waar zijn vader de lijn
Lemmer - Sneek mee reed. Die was overgenomen door Melein en van der
Werf, de naam die nog op de zijkant stond.
Een vergunningenstelsel bestond (nog) niet
en zo waren er rond 1925 in Friesland al meer dan 150 ondernemers
actief. Gedeputeerde Staten trachten wat orde op zaken te stellen; in
1926 werd besloten in te grijpen met een vergunningenstelsel. Wie de
gemeentegrens overschreed moest een provinciale vergunning hebben en wie
binnen de gemeente bleef een gemeentelijke vergunning. Regelmatig werden
door de Provinciale Staten van Friesland vergunningen verleend aan
bestaande en potentiële busondernemers. Tegen deze verleende
vergunningen kon beroep worden aangetekend, wat ook bijna steeds
gebeurde. Een voorbeeld:
Tegen de busdienst op het traject
Lemmer-Bolsward van de gebroeders Coehoorn was door de Nederlandsche
Tramweg-Maatschappij bezwaar gemaakt. In februari 1928 (Koninklijk
Besluit van 4 Februari 1928) werd het door de directeur van de NTM
ingestelde beroep ongegrond verklaard uit overweging:”dat mede naar
het oordeel van den hoofd-inspecteur-generaal der spoor- en tramwegen
deze autobusdienst, die een geheel andere route dan de tramweg volgt,
ten aanzien van het locaal verkeer op het door de autobus te volgen
traject tusschen Lemmer en Bolsward in een bestaande behoefte voorziet;
dat daarom voor dezen autobusdienst terecht door Ged. Staten vergunning
is verleend; dat voor het verbinden aan de vergunning van een
voorwaarde, inhoudende een verbod van vervoer van reizigers in direct
verkeer tusschen Lemmer en Bolsward, waartoe de genoemde hoofdambtenaar
heeft geadviseerd, daargelaten de vraag, of een zoodanige voorwaarde in
de praktijk te handhaven is, geen voldoende grond bestaat, aangezien de
tram, wanneer zij een snellere verbinding tusschen de beide
eerstgenoemde plaatsen en een betere aansluiting op de boot van de
Groninger-Lemmer Stoombootmaatschappij geeft, de concurrentie van de
autobus niet behoeft te duchten, terwijl in het tegenovergestelde geval
aan den onderwerpelijken autobusdienst ook ten aanzien van het doorgaand
verkeer recht van bestaan niet kan worden ontzegd.”
De commissie uit Gedeputeerde Staten welke
zich bezighield met de behandeling van aanvragen om vergunningen voor
autobusdiensten had het razend druk in die jaren. Tegen elke aanvraag
van de zijde van de busondernemers (of degenen die dat wilden worden)
werd bezwaar gemaakt door de spoor- en tramwegmaatschappijen. Maar ook
de overheid lag vaak dwars. Neem de concessie die aan Marten de Boer in
Balk was verleend. Hij werd verplicht bij de dienst op Leeuwarden langs
het spoorwegstation te Sneek te rijden en daar te stoppen, zodat
reizigers dan aansluiting hadden op de trein. Verder was het De Boer
verboden in Sneek of Scharnegoutum reizigers voor Leeuwarden en in
Leeuwarden reizigers voor Scharnegoutum of Sneek op te nemen. Bovendien
werd tegen de dienst Balk-Sloten-Sneek-Leeuwarden van De Boer op vrijdag
bezwaar aangetekend met de overweging dat het vervoer op die marktdag
over het traject Sneek-Leeuwarden voldoende was verzorgd, terwijl het
afbraak deed aan de inkomsten van de spoorwegmaatschappijen.
De eerste autobussen
De autobus was een voertuig dat tijdens de
Eerste Wereldoorlog ontwikkeld was om snel militairen naar het front te
kunnen vervoeren. Het waren deze bussen welke in eerste instantie door
de pioniers onder de busexploitanten werden gebruikt. Complete
autobussen werden in de beginjaren nog nauwelijks gemaakt. Men kocht bij
een autofabrikant een chassis en een (vaak plaatselijke)
carrosseriebouwer maakte de bovenbouw, geheel overeenkomstig de wensen
van de opdrachtgever. Zo zaten passagiers in de luxe reiswagen van de
Bildtsche Autobus Onderneming (BABO) van Germ Dijkstra in Sint
Anna-Parochie rond een tafeltje. Een en ander betekende overigens wel,
dat er een allegaartje aan bussen op de weg reed; van standaardisatie
was geen sprake.
De eerste autobussen hadden een
vervoerscapaciteit van 20-34 personen, hadden een zescilinder
benzinemotor van 40-70 pk als krachtbron en een wielbasis van circa 5
meter. Het waren lange, smalle bussen met weinig passagiers. Ze hadden
een zogenaamd torpedofront, d.w.z. met een voor geplaatste motor en een
eveneens ver naar voren liggende vooras. In feite waren de bussen een
kopie van de personenauto in die tijd, zoals het eerste stoomschip een
kopie was van het zeilschip.
Het waren vooral de
Ford-T-modellen, die
in de beginjaren door de busondernemers werden aangeschaft. Deze bussen
konden voor een betrekkelijk lage prijs worden gemaakt. Ze waren
betrouwbaar, goed wendbaar en waren op vrijwel alle wegen bruikbaar.
Later kwamen betere bussen op de weg, dat wil zeggen grotere en met meer
comfort. Na Ford werden Brockway, Berliet, Latil, de Dion-Bouton,
Minerva, Mercedes-Benz, Magirus, Commer, MAN, Federal, Saurer, Panhard &
Levassor, Renault, White, Leyland, Citroën en Dodge bekende
busmerken. Zo gebruikte de Eerste Balkster Autobusdienst van de firma
Marten de Boer autobussen van de merken Dion-Bouton en Renault.
zie foto's van genoemde bussen.
Overigens was niet iedereen tevreden over
het reizen met een bus. Zo kreeg in 1924 de LABO er flink van langs.
Volgens een ingezonden brief in de Leeuwarder Courant van 30 augustus
1924 waren de wagens “niet mooi en schokken geweldig; de zitplaatsen
zijn niet gemakkelijk, de inwendige verlichting bij avond onvoldoende.”
Bovendien vond de briefschrijveer dat de bussen niet van elkaar waren te
onderscheiden, zodat “het goed zou zijn aan de buitenzijde duidelijk
aan te brengen de cijfers I, II enz.” En kankerde hij verder,”zoowel
in de stad als in de buitenwijken verkeert men in het onzekere omtrent
de uren van aankomst en vertrek ter plaatse. Dringend noodig is een
“dienstregeling”, opdat men met eenige juistheid wete de tijden waarop
de bus voorbijkomt.”
Bekende Friese autobusondernemers in de
pionierstijd waren L. de Koe te Wolvega, P. van Veen te Wijckel, de
Gebr. Zwaagstra te Tjerkwerd, Kuipers te Echten, T. Koopmans te Kuinre,
J. Oord te Kuinre, Van der Zee & Groenhof te Sneek, Hoekstra & De Jong
te Oudega, Gebr. Bakker te Langweer, T. Westra te Gaastmeer, firma J.
Slof te Joure, IJ. Fokkinga & Zijlstra te Surhuisterveen.
Gebroeders Coehoorn, Lemmer,
gemeente Lemsterland. Afgegeven: 07-05-1926
De koerierstjinstbus fan de Gebroeders
Coehoorn. "Myn pake Thomas Coehoorn, stiet njonken de autobus. Mei de bus
ferfierden sy alle dagen minsken en guod fan De Lemmer nei Boalsert.
It is in âlde foto dy ik fan myn opoe Sjoeke Coehooorn-Bootsma,
krigen ha".
Bron: Thomas Coehoorn.

De garage van 'De Gebr. Coehoorn'
De Lemmer.
Busondernemers in De Lemmer waren Marten
Bangma. de gebroeders Coehoorn, M. van der Werf en Frederik Molijn.
Marten Bangma was eerst van plan boer te
worden – zijn vader was het ook – en haalde het diploma van de
landbouwwinterschool. Maar omdat de techniek en dus ook auto’s hem meer
interesseerden dan koeien, werd hij chauffeur bij het expeditiebedrijf
van Kuipers in Oosterzee. Later besloot Bangma voor zichzelf te beginnen
en startte een autobusdienst tussen De Lemmer en Sneek, over Follega,
Spannenburg, Hommerts en Jutrijp, dagelijks behalve zondags.
In de loop der jaren ging Bangma
samenwerken met Van der Werf. In juni 1939 werd de aan Bangma de aan de
firma Van der Werf & Bangma verleende vergunnig overgedragen van de
autodienst tussen Lemmer en Sneek. Deze vergunning werd vervolgens als
volgt gewijzigd dat a. de dienst dagelijks zou worden uitgeoefend(tot
dusver werd dagelijks gereden behalve zondags) en b. de vergunning
betrekking had op het traject Follega-Doniaga-St. Nicolaasga-Spannenburg,
met dien verstande, dat de dienst niet verder mocht worden gereden dan
de driesprong, gevormd door de wegen Follega-St. Nicolaasga en
Spannenburg-Joure.
De gebroeders Coehoorn, die een
garagebedrijf hadden aan de Nieuwendijk in De Lemmer, exploiteerden twee
busdiensten: één tussen De Lemmer en Bolsward over Wijckel, Balk,
Hommerts, Heeg, Oudega en Tjerkwerd (hoewel de gemeentebesturen van
Gaasterland en Wymbritseradeel gunstig adviseerden, werden veel bezwaren
gemaakt, o.m. van de zijde van de NTM, die het traject “overbodig”
achtten) en één tussen De Lemmer en Workum over Sloten, Balk en Koudum.
Een reis Workum-Amsterdam (via De Lemmer met bus van Coehoorn en
Lemmerboot) kostte in 1926 twee gulden 25 1e en één gulden 85
2e klasse.
Net als Bangma onderhielden Molijn en Van
der Werf een busdienst tussen De Lemmer en Sneek, maar via een andere
route, namelijk over Spannenburg en station Woudsend.

Hr. Bangma in 1938.
B-10111: Firma Van der Werf en Bangma, Lemmer, gemeente Lemsterland.
Afgegeven: 26-02-1932.
Er waren ook buitenstaanders, die een
busdienst op De Lemmer exploiteerden, zoals de Gebr. Kuipers te
Oosterzee, J. Bralts te Echten, P. van Veen te Wijckel, Jan Slof te
Joure, T. Koopmans te Kuinre, L. de Koe te Wolvega en J. Oord te Kuinre.
Vooral de firma van Wopke Kuipers te
Oosterzee was zeer actief bij het exploiteren van busdiensten van en
naar De Lemmer. Kuipers was een veelzijdig man. Hij hield er een
beurtvaart op na, was boer, handelaar in brandstoffen en aardappelen en
deed nog het een en ander. Omstreeks 1920 zag hij brood in het
personenvervoer en kocht daarom een autobus, waarmee hij diensten op
verschillende plaatsen in Friesland, w.o. De Lemmer, ging onderhouden.
Zo reed hij bijvoorbeeld op dinsdag naar Sneek en op vrijdag naar
Leeuwarden. Kort voor de Tweede Wereldoorlog had de firma een wagenpark
bestaande uit acht bussen. De volgende trajecten werden onderhouden: 1.
Lemmer-Leeuwarden over Joure en Terhorne; 2. Lemmer-Noordwolde over St.
Johannesga, Wolvega en Oldeberkoop; 3. Lemmer-Steenwijk over
Scherpenzeel en Wolvega.
In 1939 werd de aan Bralts verleende
vergunning ingetrokken van de busdienst tussen Lemmer en Heerenveen (zie
hieronder). Tegelijkertijd werd aan Kuipers vergunning verleend voor de
exploitatie van een busdienst over dezelfde route, alsmede een
vergunning voor een dienst tussen Lemmer en Noordwolde, onder
uitsluiting van lokaal vervoer op het traject “Noordwolde-punt van
samenkomst van den grindweg van Rottum en den Rijksweg”. Verder een
vergunning voor een dienst tussen Lemmer en Steenwijk onder uitsluiting
van het lokaal vervoer op het traject Steenwijk-spoorwegovergang in de
Rijksweg te Wolvega en tenslotte een vergunning van twee verschillende
diensten tussen Lemmer en Leeuwarden.
Jelle Bralts te Echten exploiteerde twee
busdiensten, namelijk 1. tussen Lemmer en Drachten over Echten,
Heerenveen en Gorredijk en 2. tussen Lemmer en Leeuwarden over
Oosterzee, St. Johannesga en Heerenveen, overigens onder verplichting
van aansluiting te Heerenveen op treinen naar Leeuwarden en
vervoerverbod voor traject Heerenveen-Leeuwarden van reizigers in
plaatselijk verkeer. In het midden van 1939 werd de aan Bralts verleende
vergunning ingetrokken van de busdienst tussen Lemmer en Heerenveen over
Oosterzee, Echten, Echtenerbrug, Delfstrahuizen, Rohel, St. Johannesga
en Rottum (zie Kuipers hierboven).
Net als de Kuipers en Bralts onderhield
ook Jan Slof uit Joure een busdienst tussen Lemmer en Leeuwarden,
namelijk over Joure, Akmarijp en Irnsum. In 1926 kostte een reis
Joure-Amsterdam (bus van Slof en Lemmerboot) één gulden 60 eerste klas
en één gulden 20 tweede klas.
P. van Veen te Wijckel exploiteerde
een busdienst tussen Lemmer en Sondel.
T. Koopmans te Kuinre exploiteerde
samen met L. de Koe uit Wolvega een busdienst op het traject
Lemmer-Blokzijl over Twee Hekken, Schoterzijl, Slijkenburg, Kuinre en
Blankenham.
Jan Oord te Kuinre onderhield, net
als Kuipers, een busdienst tussen Lemmer en Steenwijk en wel over
dezelfde route.

Bus van de NTM.
Bij het aanvragen van een vergunning voor
bovenvermelde busdiensten werd onmiddellijk bezwaar aangetekend door
vooral de NTM, meestal met het argument dat ze overbodig waren.
Opvallend is het geschil tussen de gebroeders Coehoorn en P. van Veen.
In de loop van 1931 hadden de gebroeders Coehoorn vergunning gevraagd
voor een busdienst tussen Lemmer en Stavoren over Oudemirdum, Hemelum en
Warns. P. van Veen te Wijckel had uitbreiding dienst
Stavoren-Sondel-Wijckel-Balk gevraagd met traject Sondel-Lemmer.
Hiertegen maakten de gebr. Coehoorn bezwaar met het oog op hun eigen
aanvraag voor vergunning Lemmer-Stavoren. Bij de hoorzitting over deze
bezwaren op 4 november 1931 bleek dat Lemsterland de voorkeur gaf aan de
aangevraagde dienst van Coehoorn terwijl Stavoren pleitte voor de dienst
van Van Veen. Eind 1931 hadden Gedeputeerde Staten van Friesland aan Van
Veen uitbreiding geweigerd van de hem verleende vergunning voor een
autobusdienst van Ruigahuizen naar Stavoren met het traject
Sondel-Lemmer. Deze beslissing werd echter bij Koninklijk Besluit
vernietigd onder voorwaarde dat het verboden was in de richting Lemmer
na de brug in de weg Tacozijl-Sondel ter hoogte van de Sondeler Leijen
reizigers in de bussen op te nemen en in de richting van Stavoren te
Lemmer en verder reizigers voor vervoer niet verder dan tot genoemde
brug in de bussen op te nemen. Tegelijkertijd werd aan de gebroeders
Coehoorn gevraagde vergunning voor een autobusdienst op het traject
Lemmer-Stavoren geweigerd.
Zoals de tramboten van de
Holland-Friesland Lijn in De Lemmer aansluiting hadden op de trams van
de NTM, had de `oude Lemmerboot` van de Groninger-Lemmer-Stoomboot
Maatschappij aansluiting op verschillende busdiensten, die vanuit De
Lemmer naar andere plaatsen in Friesland reden, zoals de volgende vier
diensten, welke in de advertenties van de Groninger-Lemmer-Stoomboot
Maatschappij speciaal werden genoemd:
1. Lemmer-Leeuwarden over Joure, Akmarijp
en Irnsum door J. Slof te Joure;
2. Lemmer-Workum over Sloten, Balk en
Koudum door de gebr. Coehoorn te Lemmer;
3. Lemmer-Sneek over Spannenburg en
station Woudsend door Molijn en v.d. Werf te Lemmer en
4. Lemmer-Drachten over Echten,
Heerenveen en Gorredijk door J. Bralts te Echten.
De NTM als busonderneming.
De trammaatschappij stond nagenoeg
machteloos tegenover de concurrentie en moest toezien hoe de bus steeds
meer passagiers aan zich trok ten koste van het toch al niet florissante
trambedrijf. Ze werd daarbij nog eens extra benadeeld wanneer de bussen
dezelfde routes kozen als de trams. Dat bij de NTM met ingehouden woede
de opkomst van de autobus werd aangezien is niet onbegrijpelijk. Immers
het had veel moeite gekost om de concessies te krijgen voor de vele
tramlijnen die in de loop der jaren waren aangelegd. Er waren veel
ruzies geweest met gemeentebesturen, die niet wilden dat er tramlijnen
over hun grondgebied werden aangelegd. Aparte trambanen moesten dan
worden aangelegd. Het had veel geld gekost om rails, bielzen,
locomotieven en wagons te kopen. Het had ook veel geld gekost om
stations en remises te bouwen. Tussen 1880 en 1916 waren er door de NTM
niet minder dan drie en twintig tramlijnen aangelegd, waarvan de laatste
tussen Hijkersmilde en Meppel. Weinig jaren later moest de directie van
de NTM met verbijstering constateren dat het vervoersbeeld totaal
gewijzigd was door de komst van de autobus. Nu kwamen er
doodgemoedereerd mensen, die pas hun rijbewijs hadden, met
tweedehandsbussen de monopolist, de tramwegmaatschappij, beconcurreren.
Vanuit de trams zagen NTM-bestuurders tandenknarsend oude, opgelapte
vehikels op de weg naast de trambaan rijden, stoppend op elke plaats
waar potentiële passagiers stonden en stoppend op elke plaats waar
passagiers wilden uitstappen. Dat de trammaatschappij niet voor niets
een groot wantrouwen hadden tegen de autobusondernemingen blijkt uit het
feit, dat de bussen eerst alleen op die routes reden waar geen trein of
tram kwam, maar later ook op dezelfde routes van trein en tram gingen
rijden. En geen overheid die daar tegen optrad. Dat leidde uiteraard tot
veel protesten van de railmaatschappijen. Soms liepen de gemoederen hoog
op. Dat het bestuur van de NTM van het begin af met de veranderingen
weinig rekening had gehouden, bleek een grote fout. Terwijl de ene na de
andere busexploitant de weg op ging, bleef de NTM geloven dat dit van
geen enkele betekenis was, kennelijk in de overtuiging dat de stoomtram
altijd zou overwinnen. Het vreemde was de voorkeur voor de autobus. Het
nieuwe vervoermiddel stond nog in de kinderschoenen en vertoonde tal van
gebreken. Dat er bijna dagelijks ongelukken met autobussen waren (ze
vielen soms in scherpe bochten om, gleden van dijken af, vlogen in
brand) scheen niemand te deren. Voor het reizend publiek gold de tram
als een verouderd vervoermiddel, hetgeen in sommige opzichten zeker waar
was. De autobussen waren niet gebonden aan vaste banen en hun gemiddelde
snelheid lag hoger dan die van de tram, waarbij wel moet worden
opgemerkt dat voor de tram een wettelijke snelheidsbeperking gold. Toch
bood (en biedt!) de tram altijd nog veel voordelen. Bepaalde takken van
vervoer bleven behouden, welke de autobus nooit van haar kon (en kan!)
overnemen. Te denken valt aan het massavervoer op hoogtijdagen, voor
speciale festiviteiten, het toeristenvervoer en niet te vergeten het
goederenvervoer. Bovendien kon een tram aanzienlijk meer passagiers
meenemen dan de autobus.
De NTM stond voor een moeilijk vraagstuk:
blijven proberen busondernemingen via beroepsprocedures van de weg te
krijgen of meedoen. Het duurde tot 1930 voordat er een besluit werd
genomen. In dat jaar verving de NTM de paardentram op het traject
Makkum-Harkezijl door de autobus.
De dienst werd uitgeoefend met een bus
die gekocht was uit de opbrengst van de rails van de paardentramweg en
met een bus en vrachtauto, welke in huurkoop van de gemeente Wonseradeel
waren verkregen.
Het duurde overigens tot 1939 voordat de
NTM de verbussing doorzette. Toen ging het hard want in datzelfde jaar
reden er al 34 NTM-bussen door Friesland en al snel behoorde de
maatschappij tot de belangrijkste busondernemingen in de provincie. De
fout was goedgemaakt.

Tweede Wereldoorlog.
Vlak voor het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog heerste er in Friesland op vervoersgebied een chaotische
toestand; er waren een zestigtal busondernemingen, niet allemaal
winstgevend, actief. Zo opereerden er tussen Warga-Wartena en Leeuwarden
niet minder dan drie busondernemingen. De concentratie van busdiensten
was al voor de oorlog begonnen. De Wet Autovervoer Personen (WAP) zorgde
in 1939 voor een verdere sanering. De concentratie werd tijdens de
oorlogsjaren, zonder dat er een beroep kon worden gedaan op een of
andere instantie, van hoger hand (lees de bezetter) doorgezet.
De Noord Oost Friesche Autobusonderneming
(NOF) in Dokkum ontstond in 1939 door het samengaan van zes particuliere
busbedrijven; in 1940 kwamen daar nog eens vier bij.
In 1939 werd aan Bangma te De Lemmer de
aan de firma Van der Werf en Bangma te De Lemmer verleende vergunning
overgedragen van de dienst tussen De Lemmer en Sneek over Follega,
Spannenburg, Hommerts en Jutrijp, dagelijks, behalve zondag.
In datzelfde jaar werd aan L. de Koe te
Wolvega en T. Koopmans te Kuinre een vergunning verleend voor het
exploiteren van een autobusdienst tussen Blokzijl en De Lemmer over
Blankenham, Kuinre, Slijkenburg, Schoterzijl en Twee Hekken, dagelijks,
behalve op zondag. Tegelijkertijd werd de vergunning ingetrokken,
verleend aan dezelfde heren, voor de uitoefening van een dienst tussen
De Lemmer en Kuinre en de aan Koopmans te Kuinre verleende vergunning
voor een autobusdienst Kuinre-Blokzijl.
In september 1940 werd door de Commissie
Vergunningen Personenvervoer de vergunning voor de dienst
Lemmer-Blokzijl van De Koe en Koopmans afgenomen en overgedragen aan de
N.V. Vervoermaatschappij De Noord-Westhoek, voorheen
Spoorwegmaatschappij Zwolle-Blokzijl te Zwolle.
De Zuid-Westhoek (ZWH) ontstond op 1
januari 1941 door het samengaan van de firma M. Bangma & Zn. te De
Lemmer, Marten de Boer & Zn. te Balk en Hoekstra & De Jong te Oudega.
Een jaar later trad Gebr. Kuipers te Oosterzee tot de combinatie toe.
Later volgde overname van Gebr. Bakker te Langweer, T. Westra te
Gaastmeer, Gebr. Zwaagstra te Tjerkwerd en een deel van L. de Koe te
Wolvega. Nadat de trams waren verdwenen onderhield de ZWH in
samenwerking met de Reederij Koppe in de zomer (ongeveer begin juli tot
eind augustus) een gecombineerde boot-busdienst
Amsterdam-Lemmer-Leeuwarden. Hiervoor werden speciale plaatsbewijzen
verkocht. In hetzelfde tijdvak reed er na aankomst van de nachtboot – om
half vijf ’s morgens – via Joure een bus naar Heerenveen, die aansloot
op de busdiensten van de NTM naar Drachten, Assen en Groningen.
De ZWH begon met 12 bussen en 15 man
personeel; in 1969 reden er ruim vijftig ZWH-bussen op de weg en had de
onderneming ongeveer honderd man personeel in dienst.
Wat de vooroorlogse jaren de tram niet
gelukt was, kreeg de bezetter wel voor elkaar: de tram kreeg (weer) het
rijk voor zich alleen. Door gebrek aan benzine en dieselolie konden de
busdiensten slechts zeer beperkt worden uitgevoerd. Om de bussen toch
rijdend te houden werd er gebruik gemaakt van allerlei uitvindingen,
zoals het gebruiken van gasgenerators, welke soms vast op een bus of
anders op een aanhanger achter de bus waren bevestigd. Deze generatoren
werden gestookt met hout, kolen of turf. Op 17 februari 1941 verscheen
de eerste NTM-bus met generator op de weg.
Toen de Duitsers ongezonde belangstelling
begonnen te krijgen voor de autobussen (en auto’s) gingen veel bussen
“onderduiken” en was het feitelijk gedaan met het busvervoer. De
bezetter zat ondertussen niet stil. Op 15 mei 1942 (“Zwarte Vrijdag”)
werd door de landelijke Commissie Vergunningen Personenvervoer (CVP) op
basis van verleende concessies een samenwerking tussen de
streekvervoerbedrijven opgelegd, waarbij veel autobusbedrijven hun
lijnennet geheel of gedeeltelijk zagen verdwijnen. Zo wilde de bezetter
bijvoorbeeld, dat de firma Kuipers zou worden opgenomen in de pas
opgerichte Zuid-Westhoek. In 1943 waren de verschillende
busondernemingen al tot een vijftal middelgrote bedrijven samengevoegd:
de NOF, de LAB, de LABO (Leeuwarder Auto Bus Onderneming), NTM en ZWH.
Na de oorlog.
Na afloop van de oorlog kon de aangerichte
schade worden geïnventariseerd. Voor de autobusdiensten in Friesland
waren maar 20 bussen beschikbaar. Slechts enkele diensten konden worden
onderhouden o.a. een op De Lemmer, vanwaar met de boot naar Amsterdam
kon worden overgestoken.
Tijdens de oorlog hadden verschillende
autobusondernemers hun bedrijf overgedragen aan de dochterondernemingen
van de Nederlandsche Spoorwegen of aan een van de streekvervoerders,
omdat de eerder genoemde Commissie Vergunningen Personenvervoer de
concessies op grond van het vierde uitvoeringsbesluit van de Wet
Autovervoer Personen had ingetrokken. De commissie had de ondernemers
voor de keus gesteld hun bedrijf over te doen, zolang er geld voor de
overdracht te verkrijgen was, of de fatale datum van 14 mei 1942 af te
wachten, waarop de vergunningen zouden komen te vervallen en het bedrijf
dus niets meer waard zou zijn. Ten einde raad bezweken verschillende
ondernemers en verkochten hun bedrijven nog vóór mei 1942. Deze
autobusexploitanten vroegen na de oorlog bij de Raad van Rechtsherstel
vernietiging van het concurrentie- en boetebeding, aanvoerende dat een
en ander onder dwang tot stand was gekomen. In april 1947 waren al
twaalf van de zestien door de ondernemers ingediende rekesten inzake
tijdens de bezetting verkochte concessies door de Raad van Rechtsherstel
behandeld. In alle twaalf gevallen stelde de Raad de verzoekers in het
gelijk en werden de concurrentie- en boetebedingen vernietigd waardoor
de aanvraag van een concessie weer mogelijk was geworden. Tot de twaalf
behoorden niet minder dan zeven Friese busondernemingen, namelijk de
firma Fokkinga-Zijlstra-Snijder te Surhuisterveen, die de diensten
Surkuisterveen-Leeuwarden en Buitenpost-Drachten onderhield; Van der Zee
en Groenhof te Sneek (Sneek-Drachten en Gaasterland-Heerenveen); de
gebroeders De Vries te Kollum (Kollum-Leeeuwarden en Kollum-Dokkum);
Palstra te Grouw (Grouw-Leeuwarden); Boekema te Wartena (Eernewoude-Leeuwarden);
gebroeders Slof te Joure (Joure-Leeuwarden); de gebroeders Sprietsma te
Dokkum (Dokkum-Holwerd-Leeuwarden). Tot de degenen waarover nog
uitspraak moest worden gedaan, behoorde Kuipers in Oosterzee
In 1948 werd weer eens gediscussieerd over
de autobusconcessies in Friesland. Van drie fronten werd deze strijd
gevoerd. Door de NS met de dochterondernemingen NTM en NOF; door de drie
particuliere concentraties van busondernemingen, LAB, LABO en ZWH, die
met de NOF en NTM het gehele Friese vervoersgebied beheersten en
tenslotte als derde front een dertiental gedupeerde ondernemers van wie
de concessies tijdens de oorlog waren ontnomen en bij de herverdeling in
1948 het verloren terrein probeerden te herwinnen. Die dertien wisten
wel dat ze niet meer voor de dag konden komen met losse lijntjes, nu
iedereen gewend was geraakt aan streekvervoerondernemingen. Ze wilden
het zoeken in een viertal nog op te richten coöperaties. Zover zou het
echter niet komen.
De NTM was nog steeds druk bezig met de
“verbussing” van haar tramlijnen. Bij de vervanging van de
NTM-tramlijnen probeerde de NTM zoveel mogelijk lijnen te ruilen met
naburige busondernemingen, zoals de LABO, de NOF, de ZWH en de ESA, dit
ter afbakening van de vervoergebieden. Nadat in 1949 een buslijnenruil
met LAB had plaatsgevonden, werd het vervoergebied ven de NTM gevormd,
in het westen begrensd door de lijn Leeuwarden, Sneek, Heerenveen en
Wolvega en in het oosten door de Friese provinciegrens. In 1947 was de
NTM begonnen met het opbreken van de oude trambanen als symbool van de
veranderde tijd. De maatschappij was ondertussen de grootste
busonderneming in Friesland geworden. In 1955 bedroeg de totale lengte
van de NTM-buslijnen 1100 kilometer, waarmee 21 Friese gemeenten (van de
44) werden bediend. De maatschappij had toen 73 bussen, die per jaar
meer dan zes en een half miljoen passagiers vervoerden en 6,7 miljoen
kilometer aflegden, ongeveer 170 maal de omtrek van de aarde. Toch nog
op tijd had de NTM de bakens verzet.
In 1971 fuseerde de NTM met de LAB, LABO
en NOF tot de Friese Autobus Maatschappij (FRAM). Sindsdien bestreek de
FRAM praktisch de gehele provincie en een deel van het aangrenzende
Westerkwartier. In 1973/74 ging de ZWH over naar de FRAM. Niet de gehele
ZWH, want Peke Bangma (zoon van Marten Bangma) splitste zich af en
richtte in Emmeloord zijn eigen toerbedrijf op, dat later deel zou gaan
uitmaken van Connexxion-Tours, maar altijd bekend is gebeleven als “Bangma-Emmeloord”.
Hoe het afgelopen is met die vele
tientallen busexploitanten in Friesland weten we. Opgeslokt door de
grotere ondernemingen waren er op den duur nog maar vijf over.
FRAM fuseerde op 1 januari 1996 met de DVM/NWH
uit Drenthe en de Noordoostpolder/Noordwest-Overijssel tot Veonn
(Vervoersonderneming Noord-Nederland). Op 30 september 1998 werd de
Veonn overgenomen door het Britse Arriva. De concessie Noord- en
Zuidwest-Friesland ging verder onder de naam NoordNed, een
dochteronderneming van Arriva (50,0%), de NS Reizigers (49,9%) en de ABN
Amro (0,1%). Op 1 januari 2006 kwam NoordNed geheel in handen van Arriva.
|
-Reactie van Florian Senteur: Zelf
woonde ik (en woon nu weer) in Leeuwarden en kan me nog
herinneren, dat aldaar de stadsdienst in handen was van
de NTM, het logootje a/h begin van het artikel, zie ik
nog steeds voor me, eerst in het donkerrood en later in
het goudgeel)
Ik groeide daar op in de prille jaren 50
en heb zelfs nog de Ford stadsbussen gekend, maar deze
bleken een kort dienstleven beschoren. Al heel gauw
werden ze vervangen door de Scania’s-kleine versie. Die
Fords waren nog lang niet versleten en liepen als een
dief, maar ja,.....nog verslindende V8
benzinemotoren,hè. (ook op de buitenlijnen reden er
versies van)
In diezelfde tijd reed ook (naast de
Crossley’s met het fietsendak) de NOF met Scania’s, en
ja,...grote versie. (meer passagierruimte en 6 cyl
motoren ipv 4)
Eind jaren 50 verliet ik Leeuwarden en
omstreeks die tijd werden bij de stadsdienst die
Scaniaatjes vervangen door kleine DAF’s. Ook deze hebben
daar niet lang gelopen, om plaats te maken voor de
Leylands (alweer een kleine versie). Hoe kon dit zo
gauw?
Ik kwam in Den Haag te zitten,ja,...en
dat betekende een ander verhaal. Kromhouts en AEC’s als
stadsdienst en zelfs als streekbus door Maarsse & Kroon
(alleen Kromhout) Maar ook dit werd uiteindelijk door
DAF uitgeroeid, tragisch. En naderhand zou DAF het toch
niet meer gered hebben na een korte 'boom'. Buitenlandse
Maatschappijen zouden hun eigen bussen inzetten, w.o
Dennis e.a. Ook de Duitse bussen kwamen weer terug
(Mercedes en MAN bij Quibuzz)
Nog even terug op de Scania’s, ik heb de
indruk dat dit merk in Nederland toch maar matig
vertegenwoordigd was bij de vele andere Ned.
busmaatschappijen. Ben ik daar mis mee? Naast de NTM en
NOF kan ik slecht één busmaatschappij noemen, die ook
met Scania reed. Dat was de Zuidhollandse Citosa.
Naar mijn bescheiden kennis (ik heb per
slot van rekening niet overal in Nederland gezeten)
scoorde het merk Crossley kort na de oorlog landelijk
het hoogst? Zelfs een kleine maatschappij, nl de WSM
(Westlandse Stoomtram Mij), die toch een totaalnet had
van relatief weinig km’s ,reed vrijwel uitsluitend met
Crossley.
En toen kwam er een grote boeman,....AEC,die
ook Verheul opkocht(?) en daar zou Crossley van deel uit
gaan maken. In die tijd had Kromhout de handdoek al
geworpen, jammer,naast hun bussen een oerdegelijke
trucfabrikant met name voor Nederland, want in het
buitenland hadden ze te weinig versnellingen om in
bergachtige streken een beetje vlot te kunnen klimmen.
Als er hier ergens iets in staat dat
onjuist is, hoop ik op correctie....
Aanvulling van
Rommert v/d Veen,uit Aldemardum:
Voor wat betreft het gebruik van Scania's als autobus
moet de ZWH niet vergeten worden. De ZWH was zelf ook
Scania dealer. Toen ik in 1972 als leerling monteur bij
de ZWH in dienst kwam reden er bij de ZWH meerdere 4 (90
of 100 pk) en 6 cilinder (120 tot 220 pk ?) diesel
Scania bussen met verschillende carrosserieën van onder
andere Smit Joure en Hainje Heerenveen. Ook hadden ze
toen nog Fiat, carrosserie ? en Daf bussen met Smit en
Hainje opbouw en mij onbekende opbouw. Na de overname in
1974 door de FRAM veranderde het wagenpark eerst alleen
door de naam ZWH vervangen door FRAM en later werden nog
een aantal voormalige ZWH bussen geel geverfd. Ook
kwamen in 1974 de eerste Leyland-den Oudsten in Balk en
in begin 80' weer DAF-den Oudsten. (den Oudsten
carrosserie uit Woerden, de fabriek is ook al niet meer)
Rommert v/d Veen, Aldemardum. |
Home
|