|
De watervloed van 1825, te Lemmer e.o.
Het zal dezer dagen juist honderd jaar
geleden zijn dat o.m. onze provincie en vooral ook deze
gemeente door een geweldige watervloed werden geteisterd.
Ongetwijfeld zullen er zijn die over dien vloed wel eens
gelezen hebben en het een en ander hiervan zouden weten mede
te deelen; ook zullen velen door hunne grootouders hiervan
wel eens het een en ander hebben laten vertellen en deze
zullen dan, in wat hieronder volgt zeker iets vinden dat hun
reeds bekend is.
Vele andere echter zullen minder goed hier
mede bekend zijn en naar wij vertrouwen met belangstelling
kennis nemen van de gewelddadige gebeurtenissen welke in die
dagen hier voorvielen en waarvan we, in korte trekken, hier
onder enkele wenschen weer geven.
We willen vooraf echter opmerken, dat we dit
artikel schreven aan de hand van het boek Geschiedkundig
tafereel van den watervloed en de overstromingen in de
provinsie Vriesland, voorgevallen in sprokkelmaand MDCCCXXV
door Jan van Leeuwen, Griffier van de rechtbank van
Koophandel te Leeuwarden, welk boek werd uitgegeven ten
voordeelen der door den watervloed getroffen.
www.google.nl/books
Februari 1825.
Hevige stormen hebben het vorig najaar en in
den winter gewoed en nog huiverden de ingezetenen van Lemmer
aan de woedenden orkaan die op 21 december van het vorig
jaar de kusten had geteisterd en met zoo'n geweld de wateren
der Zuiderzee had opgezweept dat groote vrees voor een
doorbraak had bestaan en alleen met groote inspanning en na
veel moeite het gevaar toen kon worden afgewend. Geheele
rijen palen waren uit den grond geslagen, remmingen en
bekrammingen waren verbrijzeld.
Tengevolge een aanhoudende storm uit het
zuidwesten en westen en mede door de toevoer uit het noorden
was het water uit de Noordzee hoogop gestuwd. Toen hierop nu
een N.W. storm volgde, en die groote watermassa's op de
Oostelijke oever der Noordzee en door de zeegaten van
Vlieland en Terschelling met groote kracht op den Friesche
kust werden aangedreven, vulden ze de Zuiderzee, en drongen
met kracht op de zeeweringen van Overijssel en Gelderland
aan.
Verder werkten nog verschillende andere
natuurkrachten er toe mee, dat de vloed nog hoger opsteeg.
Ook werd op verschillende plaatsen in dit gewest een
schudding in de grond waargenomen en was er een geweldige
werking in het water, zodat steenen van honderden ponden,
beneden aan de buitenglooiingen der zeedijken, over de
kruinen werden gesmeten.
Merkwaardig was echter het weer in die dagen.
Als of de zomer reeds in aantocht was, zo zacht en zwoel was
het op de eerste Februari. De zeelieden evenwel bemerkten
een hevige beroering op den bodem der zee ofschoon het
bladstil was, bewogen de schepen merkbaar. Des Woensdags
begon de wind aan te wakkeren en woei, soms met hevige
vlagen, dan weer uit deze, dan weer uit de andere hoek.
Den derde Februari nam de storm in kracht toe
en begon zich tegen de nacht hevig uit het N.W. te
verheffen. Onheilspellend hadden de wolken zich samengepakt,
strak en stijf stond de lucht en de verdikte dampkring
perste sterker nog op de oppervlakte der aarde. Alles wees
er op, dat er een geweldige storm zou losbreken, een storm
welke er zich op voorbereidde een verschrikkelijk onheil te
stichten.
Het was met een bang gemoed dat de Lemster
ingezetenen den nacht van 3 op 4 Februari tegemoet gingen.
Buitengewoon hoog was de vloed reeds gestegen en nog steeds
wies die aan. Eensklaps, in 't holle van de nacht, werden de
bewoners van de Nieuwedijk opgeschrikt, doordat de golven
reeds het achtergedeelte hunner woningen genaakte. En nog
steeds bleef de vloed almaar aanwassen en steeg het water
elk uur met eenige duimen. Om negen uur in de morgen stond
het water reeds 2 el 67 duimen boven vol zee en al spoedig
stroomde het over de Schulpen naar de Langestreek waar het
in de sluis neer liep.

|
Lemmer, op 3 februari 1825 wordt
Friesland geteisterd door een harde
noordwestelijke storm, gepaard met
springvloed. Bij Lemmer breken vier
dijken door. Rechts Andringastate. In
het midden "De Wildeman". |
|
Het was een bange voormiddag. Het paalwerk
ten westen van de haven werd los gescheurd en dit stoote
weder muur en gevels der huizen stukken, zoodat de bewoners
een veiliger heenkomen moesten zoeken. In het logement "De
Wildeman" stond het water vier palmen hoog; de turfschuur en
het washok waren reeds weggeslagen en men vreesde een
algeheele instorting van het gebouw.
Krachtiger nog woelden de golven; van de
haven was niets meer dan de koppen van enkelen palen
zichtbaar, een losgeslagen kof schokte tegen de
beschoeiingen, terwijl een gedeelte van het hoofd werd
afgerukt en met den stroom meegesleurd. Intusschen was de
toestand der dijken zeer zorgwekkend geworden. Bewesten het
dorp was een gat in de glooiing geslagen en men vreesde een
doorbraak. Met vereende krachten en naar zeer veel moeite
gelukte het echter deze doorbraak te voorkomen.
Ook kwamen nog berichten binnen van een
aantal doorbraken en een gedeeltelijke vernieling van de
Zeedijk ten oosten van het dorp. Het laat dus zich
gemakkelijk indenken in welk een benarde toestand de
bewoners zich bevonden. Een woedende zee ten Zuiden, van
beide zijden een meer dan half weggeslagen dijk en ten
noorden een fel stromend water, dat men elk oogenblik
verbeiden moest. Men was er dan ook nog alleen op bedacht om
zooveel mogelijk lijf en goed en eigendom in veiligheid te
brengen, om zoo een onzekere toekomst af te wachten.
Om negen uur des 's avonds kwam het water,
dat door de doorbraken te oosten van het dorp spoelde, zoo
sterk opzetten, dat spoedig alle straaten van het dorp waren
overspoeld. In den morgen van de vijfde Februari was het zoo
hoog gestegen dat op de Nieuwburen ruim negen palmen water
stond. De wind, welken de vorige avond wat was gaan liggen,
woei nu weer heftiger dan tevoren, terwijl sneeuw en
hageljachten, vergezeld van donder en bliksem, den toestand
nog verergerde.
Toen begon men met personen, wier huizen
dreigde in te storten of die deze moesten verlaten, met
vaartuigen af te halen, daar deze gevolgen niet meer te
overzien waren. Ook de toenmalige Grietman Jhr. A. A. van
Andringa de Kempenaar, wiens huis staande op de Schulpen,
zeer ernstig bedreigd werd, en die ernstig ziek was, werd
uit het huis gehaald. 't Was in dit uur, dat hij voor de
laatste maal Friesland aanschouwde. Naar den Haag vervoerd
overleed hij aldaar 13 Juni van dat jaar (1825).
Intusschen werd met ontzetting gedacht aan
het lot der landbewoners en die der buitendorpen in deze
gemeente, en zooals zal blijken, niet ten onrechte, Schepen
werden uitgezonden om, waarmogelijk hulp te bieden en des
Zondags werden dan ook vele menschen en veel vee hier
aangevoerd om verpleegd en verzorgd te worden. Groot was de
jammer en ellende welke deze menschen hadden doorgemaakt.
Gelukkig bedaarde des Zondags de wind en
werd, het laat zich denken, met groote vreugde waargenomen,
dat het water begon af te zakken. Wel dreigde toen nog een
ander gevaar n.l. dit, dat door de grote kracht waar mede
het water, hier in geholpen door den naar het noordwesten
uit geloopen wind, afstroomde, het muurwerk zou scheuren;
doch ongelukken kwamen hierbij niet meer voor. Is de
toestand hier dus zeer hachelijk geweest en had men hier
veel leed en angst doorstaan, in meerdere mate was dat het
geval nog met de bewoners in het andere deel in de gemeente,
in 't bijzonder in de dorpen Oosterzee en Echten.
Ja, wel was de toestand ook daar zeer
gevaarlijk eb beangstigend. De zeedijk tusschen Lemmer en
Schoterzijl was des vrijdags op niet minder dan dertien
plaatsen doorgebroken, en enkele deze doorbraken waren van
groote lengte en diepte, zoodat binnen zeer korte tijd het
z.g. Oosterzeesche en Echternerveld, overstroomd werd. Met
schrik en beving zag men de steeds wassenden vloed opkomen,
van het zuiden en het westen groeide de watermassa steeds
aan.
Om zeven uur des avonds waren alle polders
van Oosterzee en Echten reeds ondergelopen en vóór de nacht
was aangebroken, was Lemsterland geen droge plek meer
zichtbaar. Nabij Folegasterbrug kwamen de golven met zoo'n
hevigheid aandruischen en was de aanwas van het water zoo
groot, dat het binnen één uur tijds dertien palmen hoog in
de huizen stond en kort daarna al de landen van Follega en
Eesterga met meer dan twee el water overstroomd. Vele huizen
dreigden in te storten en grote stukken land werden uit de
grond gescheurd.
Zoo naderde langzaam de bange nacht; op
zolders en vlieringen gezeten sloeg men den nog steeds
rijzende vloed en werden vele angstige oogenblikken
doorleeft. Vele brachten den nacht daar door terwijl hunne
woningen reeds wankelden en schudden en elk oogenblik de
instorting kon worden verwacht. Nog anderen, en die waren er
het ergst aan toe, waren het huis, vaak met achterlating van
goederen, reeds ontvlucht en dobberden nu in een wankel
bootje of op een vlot op de woelige baren, in een hevige
sneeuwjacht rond, terwijl de dood hen elk oogenblik
aangrijnsde.

Er waren echter ook wien het gelukte voor den
nacht in meer bewoonde streken aan te landen, alwaar ze
liefderlijk werden opgenomen en verzorgd. Onder hen die den
noodruftige tot hulp en steun zijn geweest, behooren in de
eerste plaats genoemd te worden Hendrik Raterman, koopman en
veenbaas, woonachtig bij de Oosterzeesche brug. Des
Vrijdagsavonds werden door hem reeds een honderdtal menschen
gehuisvest en verpleegd, terwijl des Zaterdags dit aantal
nog met ongeveer zeventig hulpbehoevende vermeerderde.
Verscheidende dagen zijn al die menschen, grootendeels op
kosten van genoemden Raterman verzorgd en gevoed. Ook de
naam Jan Mast, kastelein, bij de nieuwebrug onder Echten,
mag met eere genoemd worden. Hij had toch ook de verzorging
van een zeventigtal menschen geheel op zich genomen.
Ook op andere wijze werd veel
menschlievendheid betoond en het waren vooral Jelle Jacobs
Kolk, boer onder Oosterzee en Arjen Jans, schipper aan de
Echtenerbrug, die zooveel zij konden bijdroegen door
leniging der door vele geleden nood en smart. Nog moet
worden genoemd de naam van den predikant Koentz te
Oosterzee, die ook liefderijke verzorging en huisvesting aan
den ongelukkige verleende. Onder andere werden nog bij hem
binnen gebracht een oude vrouw van 75 jaar met hare klein
dochter. Deze vrouw die nog heugenis droeg aan de ramp van
1776 en nu niet verwachtte dat het water hooger dan destijds
zou rijzen, werd in deze zeer teleur gesteld.
Nadat het water in den avond reeds in hare
bedstede, waar zij met haar kleindochter sliep, kwam, greep
ze nog een stoel en plaatste zich daarop in het bed. Zoo
heeft ze, terwijl het water hooger en hooger steeg, den dood
steeds voor oogen, met hare kleindochter den nacht
doorgebracht, tot ze tenslotte uit haar benarde positie door
J. Propsma en eenige helpers werd verlost. In den voormiddag
waren n.l. deze Propsma, S. Herres, E. P. de Jong, S. van
Leeuwen, de zoon van kastelein Breemer en meer anderen, niet
tegenstaande het barre weder, er met een vaartuig op
uitgetrokken om te trachten menschen en vee te redden,
daarbij geen poging onbeproefd te latend.
Aan het doods gevaar ontkwam ook nog
ternauwernood Theunis Visser met zijn gezin. De visser
wonende onder Echten, had toen de watervloed kwam opzetten,
zich met zijn zieke vrouw, zoon, diens vrouw en kind, naar
den zolder zijner woning begeven, alwaar de lange, bange
nacht van Vrijdag op Zaterdag werd doorgebracht. Ofschoon de
nood reeds groot was, werd die tot het uiterste verergerd,
doordat des 's morgens het benedenhuis door een geweldige
golfslag werd weggerukt, waardoor het dak met zolder in
schuine richting op het water neder zakte.
Reeds had men alle hoop op redding opgegeven
en gaf men elkaar een laatste vaarwel. Dan echter greep de
oude man nog eens moed; hij stiet een in het dak geslagen
gat verder open, wist zich op het dak te werken, daarna ook
nog zijn vrouw en dochter en kleindochter tegen de zolder op
te trekken. Nog enkelen minuten echter en het zou gedaan
zijn. Het angstig hulpgeschrei werd niet gehoord en de buren
waren reeds alle naar elders gevlucht. In dit oogenblik van
uiterst doosgevaar, werd het wenken om hulp opgemerkt door
Hendrik Huisman, turfgraver onder Echten en met behulp van
J. T. Slootheer en G. J. Wind, gelukte het hem met een praam
het dak te naderen en allen te redden. De zoon van Visser,
die tusschen den zolder en een turftrekkersvlot bekneld was
geraakt, werd reeds flauw en gewond bevonden, en ontkwam
slechts ternauwernood aan den dood. Kort, nadat men zich van
het dak had verwijderd, begon dit te drijven en spoedig
daarna zonk het weg.
(Ook Harke Koopmans woonde in 1825 tijdens de
grote overstromingsramp in Echten. Hij moest met zijn gezin
vluchten naar het grietenijhuis in Lemsterland waar de
tweeling Auke en Anne op 8 februari werden geboren. Van de
tweeling is Anne op 1 maart gestorven)
Ook genoemde Hendrik Huisman was met zijn
gezin aan een groot gevaar ontkomen, gehuwd met Margjen
Luitjes, woonde hij met hunne vijf kinderen buiten den
polderdijk niet ver van de zee. Des Vrijdagsnamiddags, om
ongeveer half vier sloeg het zeewater met verschrikkelijk
geweld over en door den dijk en storten zich op hunne woning
en die der buren. Al spoedig was het water zes palmen hoog
gestegen. Des avonds klom de nood al meer en meer en storten
de zijmuren van dit en anderen huizen reeds in.
In dien toestand, waar nog bij kwam, dat de
vrouw van Huisman hoog zwanger was, nam zijn toevlucht, met
nog drie anderen gezinnen, tot een praam. Nadat allen zich
hierin bevonden, in totaal tweeëntwintig mannen vrouwen en
kinderen, blootgesteld aan het onweder, felle koude, hevige
sneeuwjachten en de woeste golven, is genoemde Margjen
Luitjes, omstreeks middernacht van een levend kind bevallen.
De ellende waarin deze vrouw met haar kind verkeerde blijkt
voldoende uit het feit, dat voor het kind geen anderen
dekking was dan slechts één doek.
Toen na deze bange nacht de dag aanbrak zagen
deze menschen hunne woningen geheel of grootendeels
weggeslagen. Zich daar niet veilig achtend, lieten zij het
vaartuig met den wind meedrijven, waar zij in den middag bij
het huis van Harmen Kortland, veenbaas te Echten aankwamen.
Beproefd werd nu de kraamvrouw en kind in dit huis over te
brengen, doch door het hooge water bleek dit ondoenlijk. Ze
zijn toen in de schuur op het hooi neergelegd. Daarna zijn
ze naar Lemmer overgebracht, waar ze des Zondagsmorgens om
vijf uur aankwamen en toen voor 't eerst kon een behoorlijke
verzorging worden verkregen. Boven verwachting herstelde de
vrouw zeer spoedig van het doorgestane leed en reeds op den
zevende dag keerde ze naar Echten terug. Het kind bleef
echter slechts eenige weken in leven.
Het moet trouwens wel haast als een wonder
worden beschouwd dat in deze gemeente, waar de verwoesting
en vernieling zoo groot was, geen enkel menschen leven is te
betreuren geweest. Aller-bedroevendst was het echter in dit
oord en in Follega en Eesterga gesteld. Overal, waar men het
oog laat gaan, niets dan ingestorte huizen en veel drijvend
vee. Want schoon groote hulpvaardigheid was betoond, was de
nooddruft en ellende zeer hoog gestegen. Alleen al uit het
laatst genoemde dorp, verdronk een honderd stuks vee,
terwijl vele menschen van hunne have en goederen waren
beroofd. De kerken waren dan ook opgevuld met vluchtelingen
en vee, en nog velen waren er, die alles hadden verloren en
niet wisten waar in de toekomst voedsel en onderdak te
zullen vinden.
De in deze gemeente geleden schade werd
behalve de bijna driehonderd geheel of gedeeltelijk
vernielde woningen, de vierhonderd en veertig stuks vee en
een aanzienlijke bedorven hooi op meer dan f 32.000,- aan
diverse goederen geschat, terwijl al op de velden staande
turf ter waarde van ongeveer f 100.000,- weggespoeld was.
Menschen, die door zware arbeid en vleit welgesteld waren
geworden, zagen in deze enkele dagen zich van hunne geheele
bezitting waren beroofd.
Zoals de toestand hier in Lemsterland was,
zoo was hij over een groot gedeelte onzer provincie, op niet
minder dan een dertigtal plaatsen waren de dijken
doorgebroken en acht en twintig gemeente hadden van de storm
vloed te lijden gehad; over een oppervlakte van twee derde
deel van de provincie had het zeewater tot een hoogte van
twee tot zes en dertig palmen gestroomd, ongeveer de helft
van het aantal inwoners, van ruim tweehonderd duizend
zielen, was min of meer bij deze ramp betrokken. Zo spoedig
zulks mogelijk was, werd echter met de herstelling van
zeewering en havenwerken een aanvang genomen, en overal
werden geldinzamelingen gehouden om de nood zoveel mogelijk
te lenigen.
Nog wordt het zeewater vaak hoog opgezweept
en worden onze kusten door zware golfslagen gebeukt. Nog
hooren we dikwijls de wind bulderen en gieren en spreken we
van nood weer. En wel gaan onze gedachten uit naar hen die
mogelijk op die woesten wateren verkeeren en den zware
moeilijke strijd daartegen strijden, doch zelf voelen we ons
thans veilig achter de zware dijken, die nu om het land
a.h.w. hunne armen beschermend gelegd hebben.
Nog eens in 1881 n.l. heeft Lemmer van een
overstroming te lijden gehad. Nadien is er hierin echter een
zoodanige verbetering in de zeeweringen aangebracht, dat
menschelijker gesproken, we mogen aan nemen, hier thans voor
een dergelijke ramp, niet meer bevreesd te hoeve te zijn.

Kaart van de
Zuiderzee, met de in 1825 aan de kusten de overstroomde
landen en dijkbreuken.
www.archieven.nl
Home
|