|
Lemsteraken, van visserman tot jacht.
De
werven.
Mr. Dr. T. Huitema.
|
1
|
2
|
3
|
4
|

Het jongetje op de foto is Sake Visser (Reade
Sake) vader van (Roelie-spanvis)
De Zeiltijd?
Het duurt in Lemmer tot halverwege de
twintiger jaren alvorens de eerste motor
door een visserman wordt gebruikt. Het was
Liekele Poepjes die achter in de LE 69, een
botter met de onmogelijke naam 'Schön
wiederein zal nooit de leste zijn', een
ijzeren koker had laten maken waarin hij als
het windstil was een zware Penta
aanhangmotor kon laten zakken. Dit voorbeeld
vond uiteraard navolging en na verloop van
tijd werd bij de bouw van een nieuw schip al
rekening gehouden met een te plaatsen motor.
De echte zeiltijd was daarmee voorlopig
voorbij en voor het doel van ons artikel
leggen we de grens- overigens vrij
willekeurig bij het einde van de twintiger
jaren.
De aak.
In feite kun je in het geheel niet spreken
van 'de' aak. Met dit woord, dat in ieder
geval reeds in de 17e eeuw voorkomt, worden
immers een aantal geheel verschillende
scheepstypen aangeduid, en het woord komt in
allerlei verbindingen voor, zoals visaak,
botaak, mosselaak, palingaak, Wieringer,
Enkhuizer, Workumer, Lemster, Hasselteraak,
IJsselaak, boeieraak, zandaak, stevenaak en
aak zonder meer.
Nu eens worden er ronde schepen mee
aangeduid, dan weer platbodems, vaak zijn
het vissersschepen maar ook vrachtschepen,
meestal zijn het schepen met een kromme, min
of meer gebogen voorsteven, maar uit een
beschrijving van de bij uitstek deskundige
F.N. van Loon, zou kunnen worden afgeleid
dat althans in het begin van de vorige eeuw
ook voor overnaads gebouwde schepen van het
schokkermodel de naam aak werd gebruikt. Met
andere woorden, het woord aak biedt als
zodanig geen enkel houvast als het gaat om
een typebeschrijving.
Lemmer.
Reeds in 1511 lag bij de Lemmer een sluis in
het belangrijkste 'binnen duynse' vaarwater
dat van Amsterdam over de Zuiderzee, door
deze sluis via Sloten, Sneek en Dokkum naar
Hamburg voerde.
Het scheepvaartverkeer en alles wat met de
bouw en onderhoud van schepen te maken heeft
vormde dan ook vanouds het voornaamste
bestaansmiddel van de Lemsters. 'Wee binne
lemster jongens, wee leve fan de see'.
En al in 1719 was er de bekende veerdienst
op Amsterdam. In 1888 wordt een nieuwe
zeesluis en haven, zoals wij die nu kennen,
in gebruik genomen. Het inwoneraantal van
het 'vlek' de Lemmer neemt sedert de 18e
eeuw voortdurend snel toe. In 1714 zijn het
er slechts 1104, in 1850 reeds 4752, in 1930
gestegen tot 7249.
De Friese dichter Fedde Schurer, zelf
Lemster, brengt in zijn 'Liet foar de
Lemmer' de onderlinge verbondenheid van
mens, plaats en zee aldus onder woorden:
|
Dû ynleaf plak fan ús komôf en
berte
Ferneamde haven oan de Sûdersee
Foar dy o Lemmer slacht aloan ûs
herte,
En ta dyn lof en leafde bin' wij
ree. . .
De skippen dy't fersile mei de
weagen
Yn nacht en needtij doarmen her
en der
Oant hja it Ijochtsjen fan dyn
fjûrtoer seagen,
Se fynt ús hert syn Lemster
haven wer.. . |
De visserij was merkwaardig genoeg tot de
tweede helft van de vorige eeuw nauwelijks
van enige betekenis. In een officieel
rapport van 1819 wordt gewag gemaakt van 7
binnen vissers die zich soms op zee wagen om
onder de wal met fuiken op paling te vissen,
terwijl zegge en schrijve 2 personen de
botvisserij beoefenen, maar ook weer vlak
langs het strand op geringe diepte: 'zij
gebruiken daarvoor aakjes die zij alleen
bevaren'.
In de tweede helft van de vorige eeuw
beleefde de visserij echter een opleving. In
1867 zijn er 10 botaken op de Lemmer, in
1870 dertien en in 1882 - als de wettelijk
verplichte registratie van vissersschepen
wordt ingevoerd - blijken op de Lemmer in
totaal 37 schepen (scheepjes) bij de
visserij te zijn betrokken, welk aantal in
1889 is gegroeid tot 53 vaartuigen. De hier
bedoelde wet is die van 21 juni 1881 waar in
artikel 2 en 4 het volgende wordt bepaald:
art. 2 Alle schepen, schuiten of booten, in
Nederland te huis behoorende en die
tijdelijk of voortdurende zeevisserij, van
welken aard ook, hetzij buiten of in de
zeegaten, hetzij in de Zuiderzee,
uitoefenen, moeten het letterteeken voeren
van de gemeente, waar zij te huis behooren,
en het nommer waaronder het vaartuig in het
bij art. 4 bedoelde register is
ingeschreven. art. 4 De burgemeesters der
gemeenten, waar de vaartuigen te huis
behooren, zorgen voor het aanleggen en
geregeld bijhouden van een register, waarin
die vaartuigen onder een doorloopend nommer
worden inschreven, met vermelding van den
naam van het vaartuig en van den eigenaar.
Uit de redactie van het art. 4 blijkt ook
nog dat vissersschepen wel degelijk allemaal
een naam hebben, hoewel een visser bij mijn
weten deze naam nooit aan de buitenkant van
het schip aanbrengt zoals dit bij
binnenvaartuigen en jachten gebruikelijk is.
Het Centraal Visserij Register bij het
Ministerie van Landbouw en Visserij in Den
Haag bevat een compleet overzicht van alle
sinds 1911 geregistreerde vissersschepen. We
vinden daarin het visserij nummer, de
eigenaar, de naam van het schip, maar helaas
zelden bouwjaar, bouwwerf of afmetingen.
In het weekblad Zuid-Friesland van 7
februari 1980 publiceerde D. van Dijk een
uitvoerig overzicht van de namen van de
Lemster vissersschepen.
Gebouwd in de Lemmer.
Het curieuze is nu - hoewel anderzijds ook
weer een logisch gevolg van de geringe
betekenis van de visserij dat volgens de
gemeente verslagen pas in 1877 voor het
eerst vissersschepen in de Lemmer zèlf
worden gebouwd. Het zijn twee aken, waarvan
in ieder geval één is gebouwd door Pier de
Boer: een 36 voets botaak (= 10,20 m). Het
schip werd ontwikkeld uit de kleinere
bot-aak. De Lemsteraak is een rond schip met
kielbalk. De voorsteven is gebogen en
vallend. De achtersteven is recht en licht
vallend. De romp heeft een rond grootspant
en is gladboordig. De kop is volrond. Het
achterschip is iets slanker. Het boeisel
valt sterk in. De romp heeft een matige
zeeg. De tuigage bestaat uit een steekmast
met bezaantuig (grootzeil, stagfok en
kluiverfok). De zwaarden zijn lang en smal.
De lengte varieert van 10.30 meter tot 14.50
meter. De eerste ijzeren Lemsteraak werd in
1898 gebouwd door Croles te IJlst.
In de door Durk Hak in het Rijksarchief te
Leeuwarden teruggevonden snijboeken van
zeilmakerij de Vries in 1871 zelfstandig
gevestigd vinden we nauwkeurige gegevens
over de tuigage van deze nieuwe botaak
uitgehaald bij de scheepsbouwmeester Pier de
Boer te Lemmer door Jan Blou': een grootzeil
en stagfok van 'best Hollands zeildoek 2
draads', alsmede een linnen kluiffok en
bezaan.
Deze snijboeken - ook die van Molenaar
bevinden zich in het Rijksarchief - vormen
een uiterst waardevolle bron van informatie.
Niet alleen staat er duidelijk in welk jaar
een bepaald schip door een bepaalde visser
bij een bepaalde werf is 'uitgehaald', maar
ook wordt heel vaak door de Vries de lengte
van het betreffende schip aangegeven.
Daardoor is het mogelijk gebleken heel wat
aken nauwkeurig te determineren.
Nieuw model?
Over de vorm van deze eerste door de Boer
gebouwde botaak is niets bekend. Maar, zo
schrijft Durk Hak in zijn 'verslag naar
aanleiding van zijn cultureantropologisch
leeronderzoek naar aspecten van de
Zuiderzeevisserij op de Lemmer' (1980), een
scheepsmodel komt niet uit de lucht vallen.
Met hem lijkt het redelijk aan te nemen dat
de eerste aak die de pas gevestigde, 40 jaar
oude scheepsbouwmeester te water laat, niet
al te veel van de dan gebruikelijke modellen
afwijkt ook al brengt (bracht) iedere bouwer
van houten, op het oog gebouwde schepen
altijd iets eigens in zijn product. Alle
schrijvers over Lemsteraken, zoals van
Waning, Vroom, van der Molen, Petrejus,
Halbertsma, Zwart en Hak, leggen een verband
tussen de tjotterachtige, Friese binnenaken
en de allengs 'groter gegroeide' schepen die
de vissers op de Zuiderzee gingen gebruiken
en die aangepast waren aan het ruimere water
en de zich wijzigende vismethode
(botslepen).
Een verschil vormde daarbij volgens Hak ook
de grootte van de gaten in de bun. Botaken
hebben een bun met grote gaten omdat anders
de bot, een platvis, de gaten van de bun
afdekt. Visaken, met kleinere gaten in de
bun, worden door binnenvissers gebruikt.
De betrekkelijk kleine binnenaken werden
door alle werven in Friesland gebouwd. Vroom
heeft nagerekend dat bijvoorbeeld Eeltjebaes
alleen tussen de jaren 1848 en 1907 in
totaal 67 schepen heeft afgeleverd die met
de naam 'aak' werden aangeduid en in lengte
varieerden van 22 tot 42 voet (6 tot 12
meter). Het verband tussen de binnen-of
visaak en de buiten-of botaak lijkt dus wel
vast te staan. Verschillende werven (Croles,
Bos, de Boer, van der Zee, Zwolsman) bouwden
beide typen, maar Pier de Boer en zijn zonen
bouwden verreweg de meeste en zij hebben aan
dit scheepstype geleidelijk de lijnen en
vormen gegeven die we daaraan zo zeer
bewonderen.
Het is dan ook een compliment aan de
scheepsbouwerfamilie de Boer dat dit
scheepstype tenslotte de naam Lemsteraak
krijgt, zoals met de aanduiding 'Jouster
boeier' Eeltjebaes en zijn zoon Auke worden
geëerd.
In Lemmer zelf sprak men echter uitsluitend
van aken of botaken en het is dan ook In de
snijboeken van Molenaar te Gróuw van 1899
dat Hak de naam 'Lemsteraak' voor het eerst
tegenkomt' Molenaar levert in dat jaar
namelijk een grootzeil en fok - 'van eerste
soort karldoek halve breedte met blinde
naden' - aan Gustaaf Steurbaut te Gent voor
diens 'Lemsteraak of Boeyer'.
Dit schip is in 1898 bij de Boer gebouwd en
in dat jaar levert de Vries reeds de zeilen
er voor, maar hij spreekt van een
'pleziervaartuig'. Deze Steurbaut bestelde
overigens in 1906 al een derde tuig te Grouw,
maar dan noemt Molenaar het scheepstype
niet.
En in 1904 vermeldt Auke van der Zee de bouw
van een ijzeren 'Lemsteraak' voor de Lemster
visser Hoekstra.
Dan is de benaming blijkbaar al ingeburgerd,
hoewel in 1927 de Waterkampioen nog van
botaken spreekt als men het heeft over de
bekende wedstrijden voor de Lemmer.
De werven.
Waar het ons uitsluitend gaat om nu nog als
jacht gebruikte oude aken, beperken we ons
hier dan ook tot die werven waar deze aken
vóór 1930 regelmatig werden gebouwd: de
Boer, Bos, Croles, Holtrop van der Zee en
Stapel in Enkhuizen.

We zijn nu op de geboortegrond van de
Lemsteraken. De gebroeders De Boer bouwden
er ongeveer tweehonderdvijftig, aanvankelijk
van hout, later van ijzer. Op de voorgrond
is nog een stukje van de sloot te zien die
langs de dijk liep.
Werf "De Boer"
|
Pier de Boer 1837-1904 |
Harm de Boer 1869-1939 |
Klaas de Boer 1873-1950 |
Grondlegger van de werf op de Lemmer is Pier
Klaas de Boer, 1837-1904. Volgens
familieoverlevering werkte hij als knecht op
de werf in zijn geboorteplaats Woudsend, op
de werf van Bos in Echtenerbrug en
waarschijnlijk eveneens op de werf van
Bakker in Lemmer.
In 1867 hertrouwt hij te Lemmer met Sjoerdje
Visser (zijn eerste vrouw is te Woudsend in
het kraambed overleden).
In december 1874 kopen de
scheeps-timmerknechten Pier de Boer en Thijs
van de Vaart een groot stuk land waar Pier
samen met zijn vrouw Sjoerdje een
scheepshelling opzet die in 1876 begint te
draaien. De compagnon van de Vaart blijkt
snel van het toneel verdwenen te zijn.
In 1877 gaat de eerste 'botaak' te water,
volgens familieoverlevering waar Durk Hak
veel uit heeft kunnen putten - 36 voet lang.
Over de vorm is niets bekend.
Daarna wordt tot 1882 merkwaardigerwijs noch
in de gemeenteverslagen noch in de
snijboeken van zeilmaker de Vries melding
gemaakt van bij de Boer gebouwde schepen. In
1882 worden dan twee (bot-)aken gebouwd en
dat gaat vervolgens zonder onderbreking
door, tot 6 schepen per jaar toe. De namen
zijn meestal aak, bot aak en aakschip, met
daartussen een tweetal botters en een boot
of kleine aak.
Van bijna al deze schepen zijn de lengten,
variërende van 35 tot 45 voet, bekend uit de
snijboeken van de zeilmaker.
Volgens mededelingen van vissers aan Durk
Hak zijn de schepen die voor Lemsters
gebouwd werden steeds iets smaller dan de
aken die aan vissers in andere plaatsen
werden geleverd.

Drie generaties de Boer voor de oude
houtwerf. Tegen de loods naamplankjes van
schepen.
Het schijnt dat vrouw Sjoerdje, die 'de
broek aan had met een leeren kont', een
belangrijk aandeel had in de bouwen de
vormgeving van de aken. De naam 'Lemsteraak'
komt in de gemeenteverslagen nergens voor,
maar is zoals gezegd door Durk Hak voor het
eerst gevonden in 1898 in de snijboeken van
zeilmaker Molenaar en dan voor een voor
Belgische rekening gebouwd plezierjacht.
In 1899 besluit de Boer ook ijzeren schepen
te gaan bouwen en worden 'op risico' een
tweetal aken opgezet. Ze worden gekocht door
de vissers Willem van der Bijl (LE 28) en
Steven Visser (LE 74).
Het merkwaardige is nu dat deze en alle
volgende ijzeren schepen niet meer op het
oog en met behulp van oude mallen worden
gebouwd, maar volgens tekening.
Arie de Boer vertelt namelijk in een brief
dat zijn vader - Dirk de Boer - in opdracht
van de oude Pier de Boer tekenles moest
nemen, en wel in Papendrecht, de
geboorteplaats van z'n vrouw.
De ongeduldige Pier de Boer vroeg na zo'n 4
weken echter al 'of hij het al kon'. Zoon
Dirk moest terugkomen omdat hij niet langer
op de werf kon worden gemist.
En op basis van deze beperkte kennis werd
toen de eerste ijzeren aak getekend en
gebouwd. Het werd een breed, zwaar schip,
met zoals de vissers zeiden - te veel kop en
te weinig kont. Het tweede schip werd al
iets beter beoordeeld. Beide schepen varen
thans nog als jacht.
In dat zelfde jaar 1900 wordt zelfs een
derde schip te water gelaten, maar dan is er
inmiddels heel wat gebeurd. Niet het minst
als uitvloeisel van drankmisbruik, dat ook
later het trieste levenseinde van Pier de
Boer beïnvloedde, wordt het huwelijk
ontbonden en de werf wordt tussen de
voormalige echtelieden gedeeld. Sjoerdje
laat nog in datzelfde jaar 1900op haar
gedeelte van de werf de derde IJzeren aak te
water. En ook deze LE 56 vaart nog als
jacht.
Al gauw wordt de vader echter door vier van
zijn acht zoons die zich In de scheepsbouw
bekwaamd hadden, uitgekocht en hetzelfde
gebeurt iets later met de moeder, nadat ze
inmiddels nog 3 aken had gebouwd. De
gebroeders beginnen dan in 1901 naast de
oude helling een nieuwe ijzeren werf. Nu is
het Hendrik de Boer die tekenles neemt in
Leidschendam bij zijn zwager Johannes Meyer,
die in die jaren in Leiden een werf had op
het z.g. Waard eiland, naast de vroegere
Kon. Ned. Grofsmederij.
Hendrik heeft kennelijk een goede 'hand'
want als In 1902 vier aken te water worden
gelaten, naar zijn tekeningen, worden ze om
het hardst geprezen.
In het bijzonder de LE 6 voor Auke Bakker,
die nu nog steeds in Lemmer, als jacht met
kajuit, bij de sluis ligt.
Tenslotte, als derde generatie, is het Arie
de Boer die zich bekwaamt in het
scheepstekenen door privé lessen te nemen in
Rotterdam. Daarna werkt hij ook nog een
tijdlang als scheepstekenaar in Groningen en
in Frankrijk. Door de ongunst der
tijdsomstandigheden overweegt hij pas
getrouwd - naar Amerika te emigreren. Zijn
vader, Dirk de Boer weet hem echter over te
halen met hem samen de werf, die na de
eerste wereldoorlog een periode van sterk
verminderde activiteiten door maakte, over
te nemen en voort te zetten.
Klaas en Hendrik de Boer verlaten dan het
oude familiebedrijf.
Wanneer Arie de Boer geen opvolger heeft en
slecht ter been wordt, doet hij de werf in
1960 over aan de firma Poppen.
Het zou overigens onjuist zijn te denken dat
Gebr. de Boer in hun 25-jarig bestaan alleen
maar vissersschepen in allerlei maten
bouwden. Het tegendeel is waar. In de door
Dirk de Boer verzorgde werfboeken, die ik
dank zij de welwillendheid van mevrouw Arie
de Boer uitvoerig kon napluizen, staan vanaf
1904 vele tjalken, klippers, spitsen,
sleepkasten, pramen, vletten, punters en
natuurlijk vischaken en mosselaken vermeld.
De grootste opdracht die werd uitgevoerd was
waarschijnlijk een 32 meter lange 3 mast
motorschoener voor de Zeevaartmij Groningen,
die in December 1918 voor f 685.500,- werd
afgeleverd. De originele tekeningen van Dirk
of Hendrik de Boer heb ik helaas niet kunnen
ontdekken. De laatste houten aak werd bij De
Boer omstreeks 1906 gebouwd voor D. Coehoorn
(LE 23).

Op de voorgrond de helling van Gebr. de
Boer. Volgens de letters in de dakpannen
dateren de gebouwen uit 1902. Op de helling
liggen twee schepen waarvan het kleinste wel
een vissersschip zal zijn. In het Hellinggat
liggen een paar plezier scheepjes aan de
wal. Heel wat anders dan wat we tegenwoordig
in de pleziervaart zien maar in die tijd
toch een kostbaar bezit en een teken van
welstand. Voor de bedrijfsloodsen staat een
rijtje huizen. Daar woonden indertijd leden
van de familie de Boer. Aan de Polderdijk
zien we bedrijf en woning van Willem
Slurink, Slurink had een oliehandel. Later
liet hij een huis bouwen aan de Binnenhaven
waar hij toen dichter bij zijn klanten de
schippers was. In het rechtergedeelte woont
Sake Barelds, later in het linker zijn broer
Dicky. Daarnaast had bootjesbouwer Oorburg
zijn bedrijf. In dat huis woonde Hendrik
Loen later, de houten bedrijfsruimte is
afgebroken. Okke Wabe Coehoorn was toen
eigenaar. Op de linkerkant komen we dan weer
bij de terreinen van de houtmolen terecht.

Naast een houten helling werd er in 1901 ook
een ijzeren helling door de Gebr. De Boer
aangelegd, zodat ze in principe iedere boot
konden maken en repareren. In het begin van
deze eeuw waren er vier broers werkzaam bij
dit bedrijf. Harmen, Klaas, Dirk en Hendrik.
De laatstgenoemde ontwierp in 1904 een aak
die de naam ' De vier Broers' meekreeg.

Dit is de helling sinds 1876, van de Gebr. De
Boer, aan de Zeedijk. De scheepswerf werd
gesticht door Pier en Sjoerdje de Boer, die
eind negentiende eeuw de eerste Lemsteraken
bouwden. Tot aan de Eerste Wereldoorlog
zouden er op die werf zo'n tachtig Lemsteraken worden gebouwd, later werd de
Helling overgenomen door de Fa. Poppen. Hier
liggen de LE 23 van Dirk Coehoorn en STL 8
(Schoterland) van de familie Poepjes voor
reparatie op de helling.

Foto van
Roel
Verhoeff:
Helling Gebr. De Boer.

Foto van
Roel Verhoeff:
Helling Gebr. De Boer.

Foto van
Roel Verhoeff.

Foto
van
Roel Verhoeff.

Foto van
Roel Verhoeff.
Helling Gebr. De Boer.

Personeel de Boer, 1911

Lijnentekening LE 8, gebouwd in 1908 bij De
Boer in Lemmer.
LE8
en
www.fonv.nl

LE 9 -Hierover wat meer duidelijkheid na een
mail van de Heer Jilling Kingma, te Lemmer.
Het is de aak van de vader van de Heer
Kingma, de LE 8 van J. de Blauw is evenals
de LE 88 van de grootvader van de Heer
Kingma, en is in 1913 gebouwd. De Heer
Kingma zijn vader kocht de LE 8 in 1938 en
werd toen de LE 9.


Dit is
een foto van de enigste zeillogger
door Gebr. De Boer, gebouwd in ca.
1916. Hij was ook meteen de snelste
zeiler van IJmuiden. Het was midden
in de Eerste Wereldoorlog, vandaar
dat met grote letters "Holland" op de
stuur- en bakboordzijde staat
geschilderd.



Advertentie
van Klaas de Boer in "Het volk", dagblad
voor de arbeiderspartij....21-05-1919. Het
Volk werd opgericht in 1900 als orgaan van
de SDAP.
Enkele
artikelen uit de Leeuwarder Courant.
-LC-30-08-1926.
Loonstrijd te Lemmer.
Lemmer 30 Augustus.
Op de scheepswerf van de firma Gebr.
de Boer, is een conflict
uitgebroken, tusschen werkgevers en
werknemers. Reeds lang is de moderne
organisatie van metaalbewerkers
bezig geweest om voor
loonsverhooging te ageeren. Het loon
der vaste arbeiders bedraagt 50,-
dat der losse 40 ct per uur. Ook
heeft de patroon het recht genomen
om in den slappen tijd, zonder te
voorschriften der organisatie te
erkennen de arbeiders te ontslaan.
Het door de organisatie gestelde
ultimatum duurde tot Zaterdag, doch
er is geen antwoord op gekomen,
zoodat heden de staking die het
geheele personeel van ongeveer 30
man omvat zou ingaan.
Daar de patroons dreigden met
ontslag en op straat zetten van de
arbeiders, die huizen van hen
bewonen is echter hedenmorgen op één
man na (die zijn ontslag heeft
-genomen) het geheele personeel op
de oude voorwaarden aan het werk
gegaan.
-LC-16-10-1951. Slapte op de werf.
Op de scheepswerf van de fa Gebr. de
Boer, te Lemmer is de laatste weken
een sterke teruggang in de
werkzaamheden.
Het personeel van acht man is
daardoor teruggebracht op vier man.
Van de vier die ontslag gekregen
hebben was er één
met een diensttijd van 49 jaren. In
de glorietijd van deze werf zijn er
soms 50 werkkrachten geweest.
-LC-28-12-1951. De 'Jan Nieveen'
wordt te Lemmer opgeknapt.
Het stoomschip 'Jan Nieveen' van de
'Groningen Lemmer Stoomboot Mij'. zal
begin Januari 1952 enkele maanden
uit de dienst van Lemmer naar
Amsterdam v.v. over het IJsselmeer
worden genomen.
De 'Jan Nieveen' zal in die maanden
een grondige reparatie ondergaan, op
de Lemster scheepswerf van Gebr. de
Boer.
De oude stoomketel zal dan vervangen
worden, door een zware motor. De
Nieveen is 146 ton en kan 660
passagiers
bergen. Voor de scheepswerf is dit
een mooie opdracht.
LC-06-07-1999. Koninklijk jacht in
Scheepvaart Museum.

De Groene Draeck als schaalmodel
Foto Fries Scheepvaart Museum.
HET LEMSTERAAKJACHT, 'De Groene
Draeck' van koningin Beatrix krijgt
als schaalmodel, een plaatsje in het
Fries Scheepvaart Museum in Sneek.
Andries Bosma uit Scharnegoutum,
bouwde het Koninklijke scheepje na
op de schaal 1:10. Dat leverde een
modelboot op
met een lengte van 149 centimeter en
een hoogte van 196 centimeter.
Beeldhouwer Pieter Atema, kopieerde
voor het model de kajuitranden en de
draakvormige roerversiering van het
schip.
Die snijwerkversierselen werden in
hun oorspronkelijke vorm ontworpen
door Hare Majesteit zelve.
Decoratieschilder Coos Wagenaar, gaf
het model kleur. De bouw van de
kleine 'Groene Draeck' is gesponsord
door de Leeuwarder 'Ottema Kingma'
Stichting, die de nalatenschap
beheert van de notaris
kunstverzamelaar en
scheepsbouwpublicist Nanne Ottema.
De Groene Draeck is een nationaal
geschenk dat prinses Beatrix in 1956
door het Comité Varend Nederland
kreeg aangeboden. Zij werd toen
achttien jaar. In samenspraak met
Beatrix besloot het comité een
Lemsteraakjacht te laten bouwen op
de scheepswerf G. de Vries Lentsch,
in Amsterdam. Het ontwerp was van
scheepsbouwer Ary de Boer, uit
Lemmer. Het scheepje kreeg in juni
1957 water onder de kielbalk.
Een Lemsteraakjacht heeft de romp
van een Lemsteraak en de tuigage en
de opbouw van een boeierjacht. De
oorspronkelijke Lemsteraken werden
sinds 1876 gebouwd in Lemmer, door
Scheepsbouwer Pier de Boer, hij
bouwde in 1876 het eerste
exemplaar.(De Lemster aak is van
oorsprong een vissersschip voor de
Zuiderzee. Nu is dit type schip
populair als pleziervaartuig. De
snelzeilende platbodems met een
lengte tussen 10.30 en 14.50 meter,
kenmerken zich door hun volronde kop
en zwaarden die lang en smal zijn.
De bekendste is de in 1957 gebouwde
GroeneDraeck van koningin Beatrix).
De 'Groene Draeck' die nog steeds in
Koninklijke handen is, doet dienst
als plezierschip. Het fonkelnieuwe
schaalmodel krijgt daarom ook een
plaatsje op de afdeling pleziervaart
van het Sneker museum. In december
moet die zijn vernieuwd. De
heropening wordt opgeluisterd met
een tentoonstelling van modellen van
Andries Bosma.
-LC-11-05-2006. Bouwer Groene Draeck
tachtig jaar vakbondslid.

Foto Noordoost/Alex de Haan:
Freerk Bijl.
Door Wietske Koen.
Freerk Bijl werkt al jaren niet
meer. Maar zijn vakbond blijft hij
trouw. Vandaag wordt de
oud-scheepsbouwer onderscheiden voor
tachtig jaar lidmaatschap.
LEMMER - Zo om de vijf jaar heeft de
familie Bijl, een feestje. Want dan
krijgt Freerk (96) er weer een
speldje bij van de vakbond. En
vanochtend was het dan weer zover.
,,Want ik libje mar troch.’’ Omdat
de Lemster tachtig jaar lid is van
wat uiteindelijk FNV Bondgenoten
werd, kreeg hij een speciale penning
uitgereikt in zijn appartement in
verzorgingshuis Suderigge.
,,Dit komt zelden voor’’, zo laat
Masja Zwart van FNV Bondgenoten
weten. Dit jaar heeft haar bond
slechts twee van dergelijke
jubilarissen. In Friesland is het
acht decennia lange lidmaatschap van
Bijl voor zover zij weet uniek.
Freerk Bijl werd op zijn zestiende
lid van de vakbond. Hij werkte toen
bij scheepswerf Arie de Boer in
Lemmer en al zijn collega’s waren
daarbij aangesloten. Tot aan de
pensioengerechtigde leeftijd zou hij
,,op ’e helling’’ in Lemmer blijven
werken. Daar maakte hij onder meer
het onderstel voor De Groene Draeck,
de Lemsteraak die koningin Beatrix
van het Nederlandse volk cadeau
kreeg voor haar achttiende
verjaardag.
,,Hy hie gouden hannen’’, zo vertelt
Bijls dochter Jannie Schuurman. Hij
leerde het vak in de praktijk, een
vakschool was er niet bij. Na de
lagere school moest de zevende telg
uit een Oosterzeester gezin van acht
werken. Want zijn heit had het zwaar
om als ‘boere-arbeider’ tien monden
te voeden. Aanvankelijk werd Bijl
hulp van een vrachtrijder.
Toen hij in 1939 zijn Meintje
trouwde, verhuisde het paar naar
Lemmer, de plaats waar hij inmiddels
al jaren werkte. Samen kregen ze
twee kinderen. Bijls echtgenote
stierf in 1990. De Lemster verkeert
nog in goede gezondheid, alleen zijn
gehoor laat te wensen over. Bij het
afscheid van zijn werk kreeg hij
overigens een lintje: van de
koningin. Freerk Bijl behoort met
tachtig jaar lidmaatschap tot een
select groepje vakbondsleden.

De oude houten Lemster aak, op de
werf van Zwolsman in Workum gebouwd,
in vroeger dagen, nog in gebruik als
vissersschip op het IJsselmeer.

|
1
|
2
|
3
|
4
|
Home
|