|
Lemsteraken, van visserman tot jacht.
De werven
Mr. Dr.
T. Huitema.
|
1
|
2
|
3
|
4
|
De
Zwolsman werf
Er heeft, zij het
slechts korte tijd, in IJlst een werf onder de naam Zwolsman
bestaan. De oorsprong van de Zwolsman scheepswerf ligt
echter in Makkum. Willem Everts Zwolsman koopt daar een
bestaande werf en begint voor zichzelf. Hij heeft drie
zoons, Ulbe, Evert en Klaas, die alle drie scheepsbouwer
worden. Ulbe Zwolsman vestigt zich in 1892 zelfstandig op de
bestaande werf 'De Hoop' te Workum; Evert en Klaas blijven
vooreerst op de werf in Makkum, waar in 1902 de ijzerbouw
wordt ingevoerd. In 1911 neemt Evert Zwolsman de werf van
Croles in IJlst over, waar zijn broer Klaas zich enige jaren
later bij hem voegt. Deze associatie wordt echter na enkele
jaren ontbonden. Want het hart van zoon Evert, die de werf
in 1936 overneemt, ligt echter niet echt 'bij de bootjes',
maar trekt naar een wereld van motorfietsen, glamour en
glitter. De werf raakt in verval en verandert in "een
bloeiend bordeel voor boktor en houtworm..." ( De oude
scheepsbouwkundige Evert Zwolsman, overleed aan de gevolgen
van zijn verwondingen die hij opliep bij een bombardement.
Zwolsman was geboren op 26 januari 1875). Het voorste deel
van de IJlster werf (aan de Vaart) wordt daarop in 1911 aan
de gebr. Bakker verkocht, die hier hun windmotorenfabriek
vestigen. De achtergelegen loodsen worden in 1920 verkocht
aan houthandel S.O. de Vries.')


Dit gedeelte
werd in 1911 aan de Gebr. Bakker verkocht.

Scheepsbouwtekening van een boeierjacht, door Ulbe Zwolsman.
Eeltje Holtrop
en Auke van der Zee
Een kleine
genealogische benadering:
1. Eeltje Teadzes
Holtrop (1768-1848), scheepsbouwer te IJlst.
Aantekeningen over de periode 1837-1847.
2. Eeltje Holtrop
van der Zee (1823-1901), aanvankelijk werkzaam als
leerling op de scheepswerf van zijn grootvader (nr.1) te
IJlst, na diens overlijden als eigen baas. In 1857 verhuisde
hij naar Joure waar een bestaande scheepswerf werd
overgenomen. Aantekeningen over de periode 1847-1901.
3. Eeltje
Holtrop Sytses Sytze Tjeerds van der Zee (IJlst 1824 -
Joure 12 januari 1901) scheepsbouwer.
Eeltje "Eeltjesbaes"
was de zoon van Sytze Tjeerds Sytze Tjeerds van der Zee en
Klaaske Eeltjes Holtrop en de kleinzoon van Eeltje Taedzes
Holtrop. Hij kwam uit een geslacht van scheepsbouwers te
IJlst. Zijn grootvader werd beschouwd als de eerste grote
Friese boeierbouwer. Aanvankelijk werkte Eeltje als leerling
op de scheepswerf van zijn grootvader, maar na diens
overlijden werd hij eigen baas. Eeltsjesbaes nam in 1848 de
werf van zijn grootvader over en ontwikkelende zich later
tot een zeer bekende en legendarische scheepsbouwer.
In 1849 huwde
Holtrop Sytze Tjeerds van der Zee te IJlst met Wytske Aukes
Rinkema, dochter van Auke Rinkes Rinkema en Antje Willems
van Dijk. In 1857 verhuisde hij naar Joure, waar hij een
bestaande scheepswerf overnam.
Hij legde zich toe
op de bouw van beroepsschepen voor de binnenvaart, snikken
en skûtsjes. En hij begon met de bouw van 'luxe' boten-
Friese jachten, boeiers en tjotters. Boten waarin hij al
zijn vakmanschap kon tonen. Gedurende de periode 1848 en
1894 worden door hem maar liefst 800 vaartuigen als pramen,
snikken, tjalken, visaken, sloepen en punters gebouwd.
Het Friese
Statenjacht "Friso" en de Boeier "Albatros" komen van zijn
werf.

Eeltje Holtrop
van der Zee (1823-1901) scheepsbouwmeester te Joure.

Bij de werf van Eeltje Holtrop &
Auke van der
Zee.

Bij de werf van Eeltje Holtrop &
Auke van der
Zee.
4. Auke van der
Zee (1854-1939) opvolger op het bedrijf van zijn vader.
Aantekeningen over de periode 1901- 1939. De werf te Joure
werd beroemd vanwege de houten schepen die hier werden
gebouwd: tjalken, palingaken, boeiers en Friese jachten. Het
statenjacht "Friso" is hiervan de bekendste. In de 20ste
eeuw werden ook één of meer motorschepen gebouwd. Voorts
hield men zich bezig met onderhoudswerkzaamheden. De
originele werfboeken zijn op één uitzondering na eigendom
van de Ottema-Kingma Stichting te Leeuwarden en zijn in 1994
in bewaring gegeven aan het Rijksarchief in Friesland.
Over deze twee
bekende Friese bouwers, vader en zoon is reeds zoveel
geschreven dat een herhaling hier geen zin heeft. Op de
Jouster werf zijn heel wat aken gebouwd. Durk Hak geeft een
lijst van 9 houten aken (van 23 tot 40 voet) gebouwd door
Eeltjebaas en 4 aken (van 43 tot 50 voet) gebouwd door Auke
in de periode 1864-1917; alle voor Lemster vissers. Zoals eerder vermeld komt In 1904 bij Auke van der Zee de
naam Lemmersche aak voor het eerst voor, als hij een
opdracht uitvoert voor de Lemster visser Wouter Hoekstra.
Voorzover bekend varen van de Jouster aken nu nog twee
houten aken en 3 ijzeren aken als jacht.
(Harmen U. Hoogeveen
(1891-1970), die als jongeman werkzaam was op de scheepswerf
van Auke van der Zee te Joure. Hij kreeg de kist met inv.nr.
1977-149 met het gereedschap (inv.nrs. 1977-150 t/m
1977-197) van Johannes Cornel (geboren 7 jan. 1838), die
toen al 50 jaar op de werf had gewerkt. Van 1909 tot 1914 op
de werf van Auke van der Zee te Joure. Werkte mee aan de
bouw van de boeier Olga en aan de bouw van de Almeri. In de
Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd geweest. Bij terugkomst in
1918 in dienst van machinefabriek H. Koelstra te Balk. waar
Harmens broer Hans al werkzaam was. Toen ook van Vierhuis
naar Balk verhuisd. In 1934 ging het slecht met het bedrijf
van Koelstra, Het werk verkocht. De gebroeders Hans en
Harmen Hoogeveen kochten het bedrijf. Harmen bleef actief in
het bedrijf tot 1957. De tijd van de scheepsbouw bij Auke
van der Zee had grote indruk gemaakt op Harmen Hoogeveen.
Hij praatte er veel over en er was een wens ooit zelf nog
eens een boeier te maken. Omdat daar geen ruimte voor was,
werd dat een model van een boeier. Uilke Hoogeveen
(1924-1997) is een zoon van Harmen Hoogeveen. Toen hij op
zestienjarige leeftijd de MULO had voltooid, ging hij werken
in het bedrijf van zijn vader. Na het overlijden van Uilke
Hoogeveen in 1997 hebben de erven U. Hoogeveen het bruikleen
gecontinueerd.)

Lijnentekening van
een "Lemmersche Aak", gebouwd in 1905 bij Auke v.d.Zee in Joure
Stapel.
Het was
voor mij een verrassing in het jubileumboek '75 jaar op
Stapel' , te lezen dat de werf 'Vooruit' in Enkhuizen tussen
1910 en 1926 een vijftiental aken bouwde. Daarvan gingen
vier 'visaken' naar vissers in Enkhuizen en Wieringen,
terwijl de overige 11 'mosselaken' alle naar Philippine in
Zeeuws Vlaanderen - aan de thans afgesloten Braakman -
gingen, met uitzondering van één aak bestemd voor Yerseke. Er was overigens geen verschil tussen deze visaken en
mosselaken. Het zijn grote schepen, groter dan de Lemster
vissers gebruikten. De lengte/breedte verhouding is daardoor
ook wat kleiner, terwijl de grootste breedte en de
achterkant mast wat meer naar voren liggen dan bij andere
aken. Van deze 15 aken varen er thans in ieder geval nog
drie als jacht. Wanneer de aannemer Stapel in 1903 de failliete houtwerf van
Lastdrager koopt - waar onder meer Wieringer bollen werden
gebouwd - is het de bedoeling het terrein voor huizenbouw te
bestemmen. Maar (ook) in die periode lijkt de bouw van
huizen geen perspectieven te bieden, zodat wordt besloten de
werfactiviteiten voort te zetten waarbij snel op ijzer wordt
overgeschakeld. In 1936 stopte de werf in Enkhuizen en werd
verplaatst en voortgezet als Spaarndammer Scheepswerf Stapel
N.V. te Spaarndam. Het onvolledig archief van de werf
'Vooruit' berust bij het Nederlands Scheepvaart Museum te
Amsterdam.
Onderlinge verschillen.
Het is
geen eenvoudige zaak de onderlinge verschillen tussen de
aken, die bij bovengenoemde werven zijn gebouwd, aan te
geven. De visserman ziet het verschil op een afstand maar om
dat wat hij 'ziet' ook onder woorden te brengen valt niet
mee. Lijntekeningen kunnen daarbij helpen. De Stichting
heeft daarom twee aken resp. gebouwd door Croles en door Bos
doen opmeten, terwijl de heer Lucas een tekening van de LE 8
van de Boer beschikbaar stelde en het Zuiderzeemuseum
tekeningen bewaart van schepen gebouwd door A. van der Zee,
vervaardigd door diens zwager E. Romkema. Uitgangspunt voor
de thans volgen. de vergelijking is de in 1908 gebouwde aak
van De Boer. Duidelijk is te zien dat hier, evenals bij de aken van de
andere werven, de bodem werkelijk geheel rond is en de lijn
van de spanten zonder knik van bakboord overgaat naar
stuurboord. Deze vorm heeft de visserman nodig want het
geeft ruimte n de bun. Bij latere jachten wordt vaak van
deze vorm afgeweken. Deze de Boer-aak vertoont de voor een Lemsteraak kenmerkende
vorm van een volle, ronde kop, die bij de steven vrij hoog
is opgetrokken. De hier getekende botteloef hoort niet thuis
op een Lemsteraak en zat ook niet op de oorspronkelijke
visser. mansaak, zoals blijkt op de foto van het model dat
Ige Blom van deze aak maakte. De stuizen zijn krachtig; de waterlijn is vóór rond en
breed: bij een beetje zeegang zal flink wat buiswater over.
komen. De romp is mooi gevormd, naar achteren wat
versmallend, terwijl berghout en boord rand harmonisch met
elkaar meelopen. De lijnen van de berghout en boeisel lopen
zowel bij de voor- als de achtersteven vrijwel zonder knik
van stuurboord naar bak. boord in elkaar over. Dit typische
Lijnenverloop zien we bij de huidige 'Blomaken' nog
duidelijker. Het achterschip is laag, vrij breed en goed
weggesneden.

Lijnentekening van
bouwnummer 173, gebouwd bij Werf "Vooruit" te Enkhuizen (Stapel)
De aak
van Croles komt het meest overeen met die van de Boer. Ook
bij dit schip zien we de typerende lijnenvoering van de
Lemsters met een brede, oplopende boeg. Hier is de steven
echter wat minder hoog opgetrokken. Wel is de boeg wat
smaller gehouden en loopt de berghoutslijn naar de
voorsteven toe steeds meer omhoog. Bakboord en stuurboord
maken daar dan ook een duidelijke hoek met elkaar. Deze vorm
geeft het schip een fraai en vlot gezicht. Ook bij de
waterlijnen is te zien, dat de boeg wat minder vol is, dan
de Boer-aak. Door die vormgeving is waarschijnlijk
geprobeerd een wat minder buizend schip te verkrijgen. De romp is zeer gestrekt, wat versmallend en vertoont een
rechtere lijn dan de Boer-aak. Ook hier is het achterschip
vrij breed gehouden maar, evenals de boeg, wat toegespitst.
Zeker
is, dat deze lijnen het water achter gemakkelijk loslaten,
zodat een snelzeilend schip kan worden verkregen. Bijzonder
bij deze aak is het hoog opgetrokken achterschip. Hoewel het
vrijboord achter (waar de netten ingehaald werden) de
normale hoogte van ca. 90 cm. heeft, zien we bijna nooit,
dat het schip bij de achtersteven hoger wordt opgebouwd;
hetgeen hier wel het geval is. Ongewoon is de diepstekende scheg voor het roer, daar
meestal de visserman zo gemaakt wordt, dat hij gemakkelijk
op een slede op de helling kan worden getrokken. Met dit
schip zal dat echter wat moeilijker gaan. Opmerkelijk is ook dat bij deze aak een uitgesproken
loefbijter Is aangebracht, die we bij de Boer-aak missen. De loefbijter is wel in goed evenwicht met de diepe scheg
achter. De roervorm is fraai. De aak van Bos vertoont duidelijk eigen kenmerken en doet
enigszins denken aan een botter. Immers, we zien bij dit
schip een hoog oplopende voorsteven en een vrij spitse
boegvorm. De vorm van de boeg is veel 'weker' en met minder
krachtige stuizen, dan bij de Lemster gebruikelijk is. Ook
de waterlijn vertoont niet de sterke ronding als bij de
andere aken. Tevens is de aanwezigheid van een diepe
kielbalk en een loefbijter voor een aak ongewoon. Maar deze
zijn aangebracht, toen de aak tot jacht werd verbouwd ter
verbetering van de koersstabiliteit. Datzelfde geldt voor
roervorm en schroefraam die ongunstig op de snelheid werken,
terwijl de LE 21 als visserman een fameuze wedstrijdzeiler
was! De sterk oplopende lijnen naar de voorsteven van berghout en
boord (verschansing) zijn ongewoon voor een aak. Bij het
achterschip zien we ook een overeenkomst met de botter. Dit
geldt zowel de vormgeving van het bovenaanzicht, als de
onderwatervorm. Een zo sterk opgetrokken achterschip komt daarentegen bij
een botter weer niet voor. Tenslotte het 'model van een
Lemmersche aak' in 1905 gebouwd door Auke van der Zee voor
A. Poepjes en thans nog varende onder de naam Halve Maen. En
dan blijkt opnieuw welk een verscheidenheid van vormgeving
in een en hetzelfde scheepstype - de Lemsteraak -verenigd
is. Eenheid in verscheidenheid geldt zeker hier.

De "Halve Maen"
Het
waterlijnenplan van deze aak, zo schrijft mij J.K. Gipon -
met wie over deze tekeningen uitvoerig overleg werd
gepleegd, evenals met G.W.W.C. Baron van Höevell - en die
beiden veel in de tekeningen lazen geeft een contour van
berghout en boord te zien met voor een aak vrij harde
stuizen. Daardoor en eveneens door het verloop van diezelfde
lijnen van berghout en boord in de spantentekening heeft
deze aak voor een Zuiderzeeschip vrij hoekige vorm en doet
enigszins aan een tjalk denken. Het middendeel van de romp
is duidelijk vlak gehouden met het oog op de 'leefruimte in
de bun', terwijl de spanten in voor- en achterschip
merkwaardig genoeg sterk V-vormig verlopen. Tot slot enkele 'kengetallen' voor de hierboven behandelde
aken:

De
aken
Thans -
te langen leste - een opsomming van de 'thans nog als jacht
in Nederland varende vissermanaken'. Daaromtrent Is met ieder der huidige eigenaren contact
geweest en de beschikbare gegevens werden zoveel mogelijk
nagetrokken en soms aangevuld. Geraadpleegd werden tevens het Centrale Visserijregister,
het Nederlandsch Jachtregister 1924/1925, jaarboekjes van de
K.N.Z. & R.V., Gedenkboek van 'de Maas', de tijdschriften
Ons Element, Watersport en Waterkampioen waaruit F.G. Spits
reeds jaren geleden een uittreksel maakte. Overleg met
Mevrouw de Boer, Mr. Croles, B.A. Kok (achterneef van J.J.
Bos), J. Wouda, D. Hak, H. Klngma, J. Zetzema en anderen
voltooide het geheel. Het was een voorrecht al deze
contacten te leggen en te ervaren hoe intens een leder was
geïnteresseerd in de geschiedenis van deze schepen, hoe veel
er van is uitgezocht en hoe goede relaties worden
onderhouden met soms nog de eerste eigenaar of zijn familie. Met een enkele uitzondering heb ik mij beperkt tot een
opsomming van nuchtere feiten. Er bestaan natuurlijk talloze
anekdotische en smeuïge verhalen met betrekking tot deze
aken, hun eigenaren en hun bemanningen. Maar het zou te ver voeren al die verhalen, belevenissen en
gebeurtenissen weer te geven. Ik wil niet nalaten op te
merken onder de indruk te zijn gekomen van het grote aantal
oude vissermanaken dat nu nog als jacht vaart. Te beginnen
met de bouwers en de eerste eigenaren getuigt de staat
waarin deze schepen verkeren van een solide constructie en
van een zorgvuldig onderhoud. Jan Wouda schrijft daarover dat de vissers er als de kippen
bij waren wanneer er ergens aan de aken - meestal eigen
bezit - ondanks het zoute water een roestplekje ontstond. Onder de plecht en achter de betimmering zat een dikke laag
cilinderolie. Dan kwamen de aken niet minder dan drie keer
per jaar op de helling en werden na te zijn schoongemaakt,
twee keer in de teer gezet en, om geen plekje over te slaan,
werden ze na de eerste toerbeurt met handen vol cement
bestoven. Er zijn verschillende indelingen en rubriceringen mogelijk
maar hieronder is gekozen voor een chronologische volgorde
overeenkomstig de datum van tewaterlating van de schepen.
Aan het slot is een overzicht per bouwer opgenomen.
Ik heb
een schip mij laten maken,
D'een zal
het prijzen, d'ander laken,
Maar wie
het prijst of wie het laakt,
Het schip
is naar mijn zin gemaakt.

De geschiedenis van de Noordzeebotter HD 14
De
geschiedenis van de Noordzeebotter HD 14 De afgebeelde
botter HD 14 werd in 1917 op rekening van Cornelis Dito,
wonende Hoofdgracht 64 te Den Helder bij de werf Vooruit in
Enkhuizen gebouwd. Het was een stalen motorkotter, uit ene
hele serie, lengte 15,88 meter, 5,02 meter breed en het
schip meette 32,2 brt. Het bouwnummer was nr 119 en het werd
ingeschreven als de HD 14, “Sint Antonius”. In de botter
werd en 40 pk motor geplaatst uit de machine Fabriek van H
Versteeg en Zn uit Hardinxveld. De motor voldeed in de
praktijk niet en er moest veel worden gezeild. In 1935 werd
een andere motor geplaatst, een Kromhout van 60 pk Doordat
de motor de kont van schip tijdens het varen nogal naar
beneden trok werd de kotter in 1937 verbouwd en kreeg het
een “kotterkont”. In 1939 nam Harm Kiefte de botter over
Harm was sinds 1929 zetschipper op de HD 14. In 1941 werd
het schip gevorderd door de Duitse bezetter. Na verbouwing
werd het ingezet als Boot 35 bij het Rheinflotille. In 1945
werd het schip weer vrijgegeven in Delfzijl en het werd met
beperkte middelen weer teruggebouwd tot vissersschip waarna
het weer onder haar oude nr en naam ter visserij ging. In
1948 volgde een grote verbouwing, waarbij ene nieuwe motor
werd ingebouwd. Na gereedkomen kreeg de botter een
naamswijziging, HD 14, Twee gebroeders. Zes jaar later
besloot Kieft een nieuwe kotter te laten bouwen bij
Scheepswerf Visser. De botter werd daar ter verkoop
opgelegd. In 1954 werd de botter verkocht aan L. Spuy uit
Ouddorp en deze liet het inschrijven als OD 6, Neptunes. In
1969 werd de botter gesaneerd en opgelegd.

Geschiedenis schip, Bouwjaar 1914. Onder bouwnummer 102 op
scheepswerf "Vooruit" van C. Stapel te Enkhuizen gebouwd
voor oester"baron" C. D. Klos te Yerseke die het onder de
naam "De Slenk" met visserijnummer YE 128 in januari 1915 in
de vaart bracht. De afmetingen van het schip zijn, 15.00 L x
4,40 Br x 1,85 dg De Slenk heeft voor verschillende firma's
en onder vele schippers tot 1963 in de oester visserij
gevaren. In 1963 is het schip gemoderniseerd (de huidige
INDUSTRIE werd
toen geplaatst) met de bedoeling het wederom in de
oestervisserij in te zetten. Echter de winter van 1963 was
zo streng dat bijna alle oesters doodgevroren zijn en de
oester visserij vanuit Yerseke zo goed als verleden tijd
was.
Home |