Friesland verdeeld in districten in het jaar 1345-1500. Later werden deze districten verdeeld in Grietenijen.

 

Ontstaan

Omdat Bornego uitelkaar viel in de 14e eeuw, toen het opgesplist werd, was er in het zuiden van Friesland nood aan een nieuw verband. Zevenwouden is omstreeks het midden van de 15e eeuw ontstaan als een verbond van drie grietenijen van Westergo en vier van Oostergo. De naam Zevenwouden wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1446. Het verband werd aan het begin van de 15e eeuw gesloten tussen de Bornegose delen Bornferd en Schoterland en et Westergose Doniawerstal. Dit verband bestond oorspronkelijk uit zeven delen: Bornferd werd Utingeradeel, Aengwirden en Haskerland, van Schoterland werd het kustdeel Oosterzeesterland, en van Doniawerstal werd het kustdeel Mirderland.

Uitbreiding

In de 15e eeuw had dit nieuwe verband niet veel invloed op de Friese politiek, die vooral gericht was op Oostergo en Westergo. Maar toen Gaasterland, Opsterland en de Stellingwerven omstreeks het jaar 1500 zich aansloten bij Zevenwouden werd het een gouw met dezelfde rechten als de andere twee. De laatste veranderingen in de samenstelling waren het samengaan van Mirderland en Oosterzeesterland tot de Lemster Vuufge, later Lemsterland, terwijl andersom de Stellingwerven in de grietenijen Ooststellingwerf en Weststellingwerf verdeeld.

Bron Wikipedia.

 

"De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten"

A. Taconis en Dr. Wumkes.

"De Zeven Grietenijen en Stad Sloten" te Lemmer, is een historisch overzicht van genoemd waterschap over de periode 1614 -1664. Zijnde een uittreksel uit het oud archief. Het historisch overzicht is vervaardigd door volmacht wijlen A. Taconis uit Oranjewoud in 1962.

De heer Albert IJnze Marie Taconis werd te Heerenveen geboren op 11 juli 1900 en overleed hier op 15 juli 1964. Hij had een intense belangstelling voor en kennis van de geschiedenis van de gemeente Heerenveen en heeft in plaatselijke bladen over een lange reeks van jaren talrijke artikelen over de locale historie geschreven en daardoor velen aan zich verplicht. Jarenlang heeft hij zitting gehad in de commissie van advies voor de straatnaamgeving. Daarnaast was hij incidenteel in commissies actief, o.a. in de carilloncommissie.

Archief.

Het allereerste geschreven stuk over het waterschap "De Zeven Grietenijen en Stad Sloten". dat nog in het archief aanwezig is, bevindt zich in één der boeken betrekking hebbende op het onderhoud van de waterschapswerken. Het gaat om de eerste officiële verkiezing van het bestuur van het waterschap op 14 maart 1614. Volgens de heer Taconis bestaat het waterschap al veel langer, maar archiefmateriaal over de periode vóór 1614 is niet meer aanwezig. Waarschijnlijk is dat te wijten aan de diverse verhuizingen en de Duitse bezetting in 1940 -1945.

Verkiezing.

De heer Taconis heeft het eerste geschreven stuk uit het archief gelicht Hij schrijft dat het in het oude Gotische handschrift geschreven stuk niet gemakkelijk te ontcijferen is, daar verschillende letters op drie verschillende wijzen konden worden geschreven. Hier de aanhef van genoemd document: "Op huyden den 14 marti 1614 hebben voor ons in den nadere subscriptie verstrekt (aldaer serieuslycken toe gecomitteerd sijnde) de restende volmagten van de Seven Grietenyen en de de Stadt Sloten, pretendeerende de staat van de contributie schuldigen so haare subt. begrenzinge (of begrootinge) van den 7 marti anni als voren, terfine van de vergelijkinge ende wettelijcke contributie. "
Binnen den Stadt Sloten vergadert synde weer Vicisim (achter dit woord" plaatst Taconis een vraagteken) op den Stadthuyse aldaer, gecomitteert en gerenomineert ende geëligeert ofte anderszins ende geresolveert aldus inbrengen te sullen".

Volgens Taconis betekent bovenstaande, dat de volmachten en andere functionarissen van het waterschap voor het eerst waren bijeengeroepen in het Stadhuis van Sloten, om ten overstaan van een bepaalde commissie een officiële verkiezing van de verschillende functionarissen te houden.
Het schijnt dat tot die tijd deze verkiezingen wel eens wat te wensen heeft overgelaten, omdat duidelijk in de aanhef staat, dat genoemde commissie "serieuslycken" gecommiteerd was. Mogelijk hebben de Staten van Friesland hier de hand in gehad, zo schrijft Taconis.
Het was de schrijver van het onderhavige historisch overzicht een raadsel wie eerdergenoemde commissie vormden, tot hij bij een afrekening, een paar maanden later, vond dat dit waren geweest, Joan Eelis, secretaris van Lemsterland, Michiel Tjaerdts secretaris van Schoterland en Ambrosius Gellius, secretaris van Aengwirden, welke voor het noteren der stemmen hadden ontvangen tesamen 4 Carolus Guldens en 10 Stuiver! Dus f 1,50 per persoon!

 

Kaart van "De Zeven Wolden"

Doniawerstal. (1380: „Dodingwerff"; 1384: „Dodingwerstal".)

Zij is de derde griet. van Zevenwouden, en ontleent haren naam, even als het in het Z. gelegen d. Doniaga, alwaar oudtijds de openbare teregtzittingen werden gehouden, van het adell. geslacht Donia, dat hier vroeger woonde en veel gezag had, en van warstal of werstal, regtstoel of regtsgebied. De grietenij werd in het jaar 1350 gesticht,voorheen was deze griet. met Lemsterland verbonden maar 635 jaar later werd deze historische gemeente Doniawerstal opgedeeld,

Voor deze Grietenij verschenen de Grietmannen; Dirk Hankema; (1421 - ?), Buwa Wijbesoon Jollema; (1504 - ?), Yde Hansz; (1510 - 1517), Gijsbert van Schoten; (1517, 7 Febr. officieel benoemd - 1524), (Waarschijnlijk vroeger Houtvester van Holland en alsdan gehuwd met Johanna van Schagen. In Nov. 1517 was deze grietenij Geldersch en denkelijk toen onder het bestuur van den grietman van Hemel. OIdephaert). Pier  Lythiens; (30 Sept. 1524 - 1524), Lyuwe Aedgaertsz Vuyter IJlst; (1524, 11 Oct. - 1531) (Hij werd in 1527 wegens schuld gevangen gezet, terwijl Henno Joukesz, althans in 1528 als substituut voorkomt; maar in een stuk van Juli 1529 komt „Lyuwe" weder als grietman voor). Pieter Visscher; (1531 - 1541), die na den Landsdag, waarvan V. Sm. spreekt en die 21 April 1539 plaats had, afstand schijnt gedaan te hebben. In 1538 of '39 was *Pier Ansckis substituut, later grietman). Pier  Hansckis of Ansckis; (1541 - 1548) (Die kort vóór 21 Sept. 1548 overleed. (Bij brief van 21 Sept. 1548 werd Jancke van Douwama door den Raadsheer Pieter van Dekama aan den Stadhouder Maximiliaan van Egmond aanbevolen, maar blijkbaar zonder gevolg). Gabbe van Andringa; (Waarsch. eind 1548, althans Maart 1550 - 1551) (Vroeger grietman van Utngeradeel; komt ook voor in 1558 en stierf waarschijnlijk 12 Febr. 1561). Hillebrant Entens; (1560 - 1562) (Vermoedelijk een zoon van Barthold, die in 1574 werd vermoord en Emerentiana van Holdinga en alsdan broeder van den bekenden Watergeus). Martinus Hamconius; (1551-1562). Was (substituut-) grietman van Lemsterland en Doniawerstal, koos de zijde van de Spaanse koning en de katholieke kerk en moest daarom, toen de opstandelingen in Friesland de overhand kregen, zijn functies van substituut-grietman van Lemsterland en grietman van Doniawerstal opgeven. Hij vertrok naar het nog door de Spanjaarden beheerste gedeelte der Nederlanden, maar moest met dezen vesting na vesting verlaten (Steenwijk, Groningen, Lingen, Doetinchem). Misschien maakte hij van het Twaalfjarig Bestand gebruik om naar zijn geboorteland terug te keren. Anderzijds heeft hij zijn boek in 1609 opgedragen aan aartshertog Albertus van Oostenrijk en hoopte hij mogelijk zo voor een betrekking in de koninklijke Nederlanden in aanmerking te komen.  Everaert Entens; (1562 - 1572) (Werd in 1572 „wegens rebellie" afgezet. Huwde met Catharina van Rennoy en woonde te Idskenhuizen. Indien hij een broeder van den voorgaande is geweest, dan heeft hij Johanna van Uterwyck tot vrouw gehad).  Joost de Vastaert; (1572 5 Nov. aangesteld - 1577) (Huwde Auck, dochter van Gerlof Sipkes, die evenals hij in 1580 moest vluchten. Komt nog voor in Juli 1576. Zijne weduwe, is later in Friesland teruggekeerd, hertrouwde met Tjaert Siccama, een geleerd man en secretaris van Bolsward). Erasmus van Douma;(1577 - 1581) (Zooals V. Sm. vermeld, in 1580 gevangen genomen , zond een request aan den hove met de vraag, waarom hij eigenlijk van zijn grietmanschap was beroofd. Den 7 Maart van laatstgemeld jaar werd Tiete van Hettinga tot waarnemend grietman benoemd, die kort daarna, waarschijnlijk reeds den 31 sten October daarna, sneuvelde en na wien vrij zeker Marten Hankema eenigen tijd substituut is geweest. Tzialke Meynes; (1581 - 1582), Aucke Edesz Reinalda; (1582 - 1586), (Den 5 Sept. 1582 had er eene opneming van stemmen plaats, waarna werd gekozen: Aucke Edesz Reinalda, die 24 Sept. daarna werd aangesteld. Komt ook voor in 1586). Elardt Reynalda; (1586 - 1610), Eylert Auckes van Reynalda, (1610 -1619) Syds van Osinga; (1619 - 1652), Sybren van Osinga; (1652 - ?), Willem III van Haren; (1679- 1722), Johan Vegilin van Claerbergen; (1722- 1772), Julius Johan van Eysinga; (1773 -1795), Bij de afschaffing der grietenijen in 1795 moest ook hij van zijn ambt afstand doen. Bij de wederinvoering der grietenijen werd hij opnieuw benoemd tot grietman van Doniawerstal doch vroeg en verkreeg in 1819 als zoodanig zijn eervol ontslag. Schelte Hessel Roorda; (1819-?)

Om het eerste archiefstuk wat de rest van de inhoud betreft beter leesbaar te maken, heeft Taconis de uitgebreide 17de eeuwse tekst in tegenwoordig Nederlands "vertaald". De zeer Edele Reynalda, ontvanger van deze Grieteny, gesteund door Solcke Romckes, dorpregter binnen ter Oele en Inne Broers, vertegenwoordigden deze Grieteny. Zij wilden de zittende dijkgraaf Obbe Obbes (van 1604 tot zijn dood in 1632 grietman van Gaasterland, tevens dijkgraaf van Sloten) in zijn functie handhaven. Dijksgecommitteerden bleven Andries Johannes Aesma (misschien Assema uit Oldeouwer?), Hylcke Jouckes en Eele Jans. Dijksopziener werd Sytthe Sytthes (secretaris van Sloten). Boonte Hiddes bleef dijksopzichter en Poppe (of Popcke) Wobbes bleef dijksbode en strandvonder. Hieruit merken we dat er voorheen drie gedeputeerden waren. Jammer genoeg is niet vermeld waar ze woonden. Dijksopziener lijkt me een luxe baan toe, of hij moet ook ontvanger zijn geweest, daar de opzichter het werk deed. De bode en strandvonder was wel een baan typerend voor die tijd. Hiervoor traden op Wobbe Harkes, mederegter (zoiets als wethouder) en Fedde Feddes,secretaris van deze Grieteny. Zij stemden zeer eensgezind als dijkgraaf Obbe Obbes. Ook de andere aftredenden werden door hen gehandhaafd.

 

Gaasterland. (1396: ,Geesterland; 1398: „die Gheesten".)


Voor deze Grietenij verschenen de Grietmannen: Peter Epesz; (1510 - 1517) (Mogelijk een Walta of Jongema). Barthout van Zwolle; (1517 - 1524) (Was overste onder den veldheer Felix van Oostenrijk). Luwe Uyter IJlst; (1524 - 1526) (Hiervoor reeds op Hemel. Oldeph. c.a. en Doniawerstal vermeld). Rudolph van Bunau; (1526 - 1537) (Denkelijk nog 30 Sept. 1532 ; zoon van Heinrich en Agnes von Nothaft von Wernberg, vrij zeker van een Saksisch geslacht. Hij overleed 30 Aug. 1542 te Franeker en werd aldaar in de Martinikerk bijgezet). Gale van Galema; (1537 - 1541) (Ook in 1539 (V. Sm. Testeerde 17 Aug. 1558 op Hoxwier te Mantgum en stierf aldaar 31 Mei 1559). Henno Scholtes; (1541 - 1549) (Komt nog voor 17 Mei 1549 en overleed vóór 26 Maart 1550). Holle Piers; ( 1549 - 1560) (25 Dec. aangest. In 1554 werd geklaagd, dat hij „buyten syne Grietenye" woonde). Hans Holles; (1560 - 1569) (Misschien zoon van den voorgaande;
ook in 1568. Pier Holles, denkelijk zijn broeder, was in 1565 en 1567 substituut
). Abel van Boeymer; ( 1569 - 1572) (In plaats van den
overleden Hans Bolles, broeder van Pieter, grietman van Franekerdeel en van Arent, in 1570 secretaris van O.-Dong.deel. De inval van Enkhuizen uit, waarover V. Sm. spreekt, moet in Juli 1572 hebben plaats gehad. In het begin der volgende maand weigerden die van Sneek hem met eenige gevangene Geuzen door te laten, terwijl hij 10 Sept. bij Galamadam zwaar werd gewond, waarop hij, zooals V, Sm. zegt, naar Sneek in de gevangenis werd gebracht en vrij zeker in datzelfde jaar nog is overleden. Zijne vrouw heette Geis Jans Herckema
). Saekle Suijerdts; (1572 - 1574) (Die in Augustus van 't volgende jaar werd aangesteld tot „capitein" van een der drie grootste galeijen, die toen denkelijk te Harlingen werden uitgerust, om de Watergeuzen te bevechten. Hij zal wel dezelfde zijn als „Saackle Tabbinthies van Boolswaart", door Schotanus omstreeks 1566 vermeld. „Sloten ofte Balck"was zijn verblijfplaats bij zijne vlucht in 1580. Hij was 1 Oct. 1574 nog grietman). Rein IJdsen; (1547 - 1585) (In een brief van 20 Maart 1579 wordt hij genoemd: „een heel jonch man". Er kwamen in Juli 1576 groote klachten over hem in wegens ongeoorloofde afpersingen met dreigementen van Soldaeten selffs executerende" en waaruit tevens blijkt, dat hij toen althans „omtrent twee jaeren" in functie was. Komt ook voor in 1575 en overleed in
1584. (V. Sm.) Wellicht was IJds Reinsz., die zijn vader zal zijn geweest en in 1579 is overleden, eenigen tijd substituut, althans vrij zeker geen grietman
). Sibren Hiddesz; (1585 - 1604) (Gehuwd met Andries Sipkes. Hij komt als „Sybrand Hidtszoon" met den secretaris Jelle Tjêrxzoon in eene attestatie voor van 14 Nov. 1585. In April 1584-werd er geklaagd, dat „die gheene die naeste jaeren Deputeerde
„zijn geweest, al te hoope , off hun kynderen mitte besten Grietenijen, als gevolgen ofte consequentien van Deputeertschap, verzien zijn geweest, blijckende aen Humalda", (O.Dong.deel) „Doecke Aysma" (Ferw.deel), Jancke Oesinga" (Wonseradeel), Aucke Edes, (Doniawerstal), Sybren Idszoon (Gaasterland) ende anderen. Hij deed 11 Januari 1604 afstand van de grietenij. (V. Sm.)
) Obbe Obbes; (1604 - 1632) (Werd in 1610 dijkgraaf). Lambertus Sigma; (1632 - 1637), Hanso van Lycklama; (1637 - 1639) (Zoon van Rinthje Lycklama, behoorde volgens het Stbk. wèl tot het thans levend geslacht dor Lycklama's). Johannes van Scheltinga; (1639 - 1669), Jetze van Sminia; (1669 - 1679), Valerius van Günstra; (1679 - 1693), Eelco van Glinstra; ( 1693 - 1706), Henricus van Wyckel en Lycklama van Wyckel; (1706 - 1710) Ulbo van Aylva Rengers; (1710 - 1785), Lamoraal Albertus en Aermilius Rengers; (1785 - 1816), Johan Petrus van Hylcklama; ( 1816 - 1817), Regnerus Hendrik Sjuck en Gerrold Juckema van Burmania, baron Rengers; (1817 - 1823), Wicher van Swinderen; (1823 - 1835) en tot slot Gerard Reinier Gerlacius van Swinderen.

 

Kaart van de Gemeente Gaasterland.

 

Haskerland. (1466: „Hasckera Vyffgäen.)


Voor deze Grieteny verschenen de Grietman Hobbe Baerdt en de mederegter Baucke Merkx als volmachten. Deze stemden wel op de Edele en Ehrentfeste dijkgraaf Obbe Obbes en de drie dijksgedeputeerden Andries Jochems Aesma, Hylcke Jouckes en Ele Jans, maar voor dijksopziener stemden zij op Michiel Rykoldts, secretaris van Schoterland, terwijl de dijksbode Popke Wobbes en, de dijksopzichter Boonte Hiddes volgens hen er in mochten blijven.


Voor deze Grieteny verschenen de Grietmannen:
Uta Sipkesz; (1466 - 1521). (Misschien dezelfde als Oeds...(-Uta?), die Maandag na O. L. Vrouwendag Annunciatie 1489 een giftbrief teekende van Jacob Saeckens te Rotten, die het Haskerconvent met eenig land begiftigde). Douwe Uninga van Hoytema; (1521 - 1544). (Later schijnt Douwe zich aan de bourgondische zijde begeven te hebben, daar hij als bourg. grietman den 11 October 1524 zijne officieële aanstelling bekwam, terwijl hij dit ambt denkelijk nog in 1541 bekleedde). Jelle Broers Hylckama; (1544 -1545) (ook in 1545; hieruit volgt dus, dat de door V. Sm. genoemde Wybrandt Waltinga, die hierna zal worden vermeld, in 1544 geen grietman is geweest, maar misschien substituut). Hylckama was een Spaansgezinde Nederlands bestuurder en rechter uit de 16e en 17e eeuw, die secretaris en grietman van Haskerland was. Hij was een afstammeling van Juw Juwinga die in 1369 potestaat van Friesland was). Gabbe van Andringa; (1545 - 1548), Wybrant Auckes (Waltinga?); (1548 - 1549), Ulke van Hoytema; (1549, aangesteld 25 Dec.-1558) (Vrij zeker door zekeren Wopke Gerkesz. vermoord, die 21 Maart 1561 veroordeeld werd, om onthoofd te worden, dewijl hij „den grietman van Hasker vijfgae" met een hellebaard had doodgeslagen en daarenboven „for'sen ende gewalden" had gepleegd). Hoijte Uninga van Hoytema; (1558 - 1578) (Bij zijne vlucht in 1580 was de Joure zijne woonplaats. Hoyte stierf in 1582 te Emden). Sijbe Piers; (1578, 14 Aug. - 1582), Asse Obbes; (1582, 24 Febr. - 1601) (Hij behoorde waarschijnlijk tot het geslacht der Assema's. Overleed omstreeks 1601). Dirk van Baerdt; (1601, 7 Sept. benoemd - 1615): wegens overlijden van Asse Obbes; werd 22 Maart 1608 dijkgraaf. Zijn naam komt voor op de kerkklok te Joure (1603). Hobbe van Baerdt; (1615 - 1650), Egbert van Baerdt; (1650 - 1669), Arnold van Viersen; (1669 - 1681), Mathijs van Viersen; (1681 - 1689), Hessel Vegilin van Claerbergen; (1689 - 1707), Philip Frederik Vegilin van Claerbergen; (1707 - 1739), Assuerus Vegilin van Claerbergen; (1739 - 1749), Hessel Vegilin van Claerbergen; (1749 - 1750), Schelte Hessel Roorda van Eysinga; (1750 - 1790), Arent Johan van Glinstra; (1790 - 1795). Tijdens de Franse overheersing (1795 - 1816) waren er geen Grietmannen.

 

Kaart van de Gemeente Haskerland.

 

Schoterland. (1309: „Scoterwerf", 1384: „Scoterland".)

Als volmachten waren verschenen Tiberius van Oenema (een zoon van de Grietman Tijweko van Oenema); de mederegter Fedde Rouckes (welke in de geschiedenis van Schoterland niet een erg fraai figuur is en meermalen zelf in dronkenschap overtredingen heeft begaan!) en als lasthebber van de andere mederegter Egbert Broers trad op Ale Bouwes (zeker een gewoon ingeland van het waterschap). Zij stemden dijkgraaf Obbe Obbes, als dijksgedeputeerden Andries Jochems, Aesma, Hylcke Jouckes en Eele Jans, maar voor dijksopziener kozen zij Michiel Tjaerdts, "tegenwoordig vigerend dijksopziener".
Deze Michiel Tjaerdts was dus als dijksopziener in functie, maar de meeste leden wilden stellig liever iemand hebben uit het centrum van het waterschap.
(Uit andere notities blijkt dat Michiel Tjaerdts een funktie had 'bij de Dekema Cuyck en Foyts Veencompagnie en dat zijn nageslacht later de naam van Heloma heeft aangenomen). De dijksbode Popke Wobbes en de dijksopzichter Boonte Hiddes wilden ze echter wel handhaven, zodat het alleen tegen die secretaris van Sloten ging!

Vrij zeker in 1514, 6 December aangesteld: Merck Syrxsen, tevens grietman over Stellingwerf. Men vindt hem in zekere oorkonde aangeduid als: Groete Merck Sirkx, in Schoeterlandt, terwijl men verder vindt aangeteekend, dat „groete Marck Syerckx-zoen voorz. bij den Geldersche ende „Bourgonsche tijden, ende daarentusschen, groete stoltheijt ende „vroemheijt voor sijn Vriesen ende Vrieslandt heeft vertoent ende bedreven, als tegens den Swarte Hoep, ende tegens alle anderen, die Vrieslandt ende den Vriesen dochten ofte poechden toe vercrencken, ende sonderlinghe doer den slach toe Unia huys bij Leeuwaerden, alwaer hij met sijn Wold Vriesen omtrent anderhalff duysent Saksensche Knechten weder nae Leeuwaerden dede wijeken ende vluchten, ontsettende ende verlossende alsoe vier Vriesche Heerschappen, als: Jancke Douwema, Jancke Oenema, Jouw Jousma ende Sicke Douwes, met een ijder hondert Vriesche Knechten, die van den Vianden ofte Sassenschen voorz. opt. voorz. Unia huijs al waeren besingelt, belegert, ende op het vuyterste benaut." Het bedoelde Uniahuis lag te Wirdum. Deze omstandigheid had plaats in het laatst der maand Januari 1515, terwijl hij zich in December van 't vorige jaar met vele manschappen uit de Zevenwouden voor Oldeklooster bevond. Daar Frederik van Roorda vóór Oct. 1521 grietman van Schoterland
was van de Geldersche zijde en toen gevangen genomen werd, zoo is het waarschijnlijk, dat Merck Syrcksz. afstand deed van deze grietenij, maar grietman van Stellingwerf bleef.

Voor deze Grietenij verschenen verder de volgende Grietmannen: Lyckle Ebles; (1517, 18 Febr - 1517?) (wiens benoeming 19 Aug.
1525 werd geregistreerd en die tevens de helft van Stellingwerf bestuurde
). Frederik van Roorda; (Waarsch. 1517, Nov. - 1524), (Geld. grietman, althans vóór 1521 en bleef dit vrij zeker tot 1524. Hij overleed in 1539). Ids Tjebbis; (1524 - 1528) (Die eerst 11 Oct. van dit jaar zijne officieele aanstelling bekwam. Hij was tevens grietman van Aengwirden en bestuurde beide grietenijen nog in 1528). Doede Hanses; (1528 - 1529) (Door V. Sm. in 1528 als grietman vermeld, heeft waarschijnlijk na Ids Tjebbis korten tijd provisioneel de grietenij
bestuurd. Indien de naam Doede bij V. Sm. een schrijffout is voor: Heere, dan kan hij dezelfde persoon zijn geweest als Heere Hansz. Hanckema, die  als substituut van Hemel. Oldephaert is vermeld
). Tinco Sakes; (1529, 5 Juli aangesteld - 1546) (Gehuwd met eene vrouw uit het geslacht Oosterzee. Tevens grietman van Aengwirden in 1529. Was nog grietman van Schoterland in Juni 1551 en overleed
in 1554, waarna hij te Oudeschoot werd bijgezet
). Anne Scholtes; (1546 - 1554) (Waarnemend grietman, ook in 1571). Sybrand van Hottinga; (1554, 8 April - 1579) (Vrij zeker kort te voren aangesteld. Was nog grietman in 1575. Waarschijnlijk zoon van Jarich, in 1523 grietman van Hennaarderadeel, en zooals V. Sm. vermeldt, gehuwd met Maaike van Naerden). Jacob Tjebbis; (1579, 7 November - 1591) (Ook in Maart 1586). Tinco van Oenema; (1591 - 1627?) (Zoon van Tjepcke en Sijbrech Tincosdr. van Nijega. Hij werd 14 April 1592 tot dijkgraaf benoemd; overleed 20 Aug. 1631 en word te Oudeschoot begraven. Zijne moeder was vrij zeker eene dochter van den bovengemelden Tinco Sakes.  In 1593 was Ulbe Goyties zijn substituut). Amelius van Oenema; (1627 - 1647) (Die te Oudeschoot werd bijgezet, komt voor, evenals die van een bijzitter op de kerkklok van Mildam). Daniël de Blocq van Scheltinga; (1647 - 1692). Martinus van Scheltinga; (1692 - 1715). Menno Coehoorn van Scheltinga; (1715 - 1777). Martinus van Scheltinga; (1777 - 1795)

 

Kaart van de gemeente Schoterland.

Opsterland. (1395: „Upsaterlant" en oudtijds ook „Haudmare" geheeten).


Hiervoor kwamen Teye Sackes, fungerend secretaris en Anne Piers als volmachten. Zij herkozen de dijkgraaf Obbe Obbes en de dijksgedeputeerden Andries Jochems Aesma, Hylcke Jouckes en Eele Jans.
Tegen Sytthe Sytthes als dijksopziener maakten ze echter bezwaren. Ze wilden hem wel hebben, maar vonden dat Michiel Tjaerdts, secretaris van Schoterland, als aftredende er meer recht op had. Met zeer veel woorden zeggen ze dat Sytthe dan maar het werk moet doen, doch dat een deel van de inkomsten aan Michiel toe moet komen!! De dijksbode Popke Wobbes en de dijksopzichter Boonte Hiddes bleven gehandhaafd.
Hierbij moeten we even vermelden dat de secretaris van dit stuk onder Haskerland als secretaris van Schoterland Michiel Rykoldt vermeld, terwijl dit was Michiel Tjaerdts. Het was echter van geen invloed, want hij kreeg toch te weinig stemmen.

Voor deze Grietenij verschenen verder de volgende Grietmannen: Jorerd Azijnga (1438 -1471). Focke Eesckes; (1471 - 1501) (Zeer bekend in de Friesche Geschiedenis, huwde eene dochter van Wybe Jarichs Jelckama, wier naam onbekend schijnt te zijn; hij overleed omstreeks 1476). Sywart Sappensz (of Sappis); (1501, 14 April - 1518). Sjoerd Feickes; (1518 - 1524) (Een uprecht man", zegt Jancko Douwama; zeer zeker was hij Geldersch Grietman). Jan Bruin; (1524 - 1526). Sieurt Sappis; (1526 - 1545) (Denkelijk dezelfde als de bovengenoemde en vóór Maart 1543 overleden). Focke Teijes; (1545 - 1579) (Ook 2 Juni 1576; gehuwd met Auck Sjuerdtsdr. Boelens. Reijn Idsen, grietman van Gaasterland, schijnt in 1575 waarnemend grietman te zijn geweest). Hepcko Fockens; (1579 - 1614) (Ook in 1585. (V. Sm.) zoon van Focke Teyes, Grietman van Opsterland, en van Auck van Boelens, werd in 1582 Volmagt ten landsdage uit de Zevenwouden en was in 1584 een der zes gecommitteerden tot het opnemen van de rekeningen van de landschaps ontvangers en rentmeesters. In 1585 tot Grietman van Opsterland benoemd, werd hij tevens in meer andere belangrijke zaken, de provincie aangaande, gebruikt. In 1600 was hij lid van Gedeputeerden. Hij was gehuwd met Martien Martini. Zijn zoon volgt).  Martinus Fockens; (1614 - 1623) (Zoon van den voorgaande, werd in 1566 Monstercommissaris, in 1614 Grietman van Opsterland, waarvan hij later afstand deed, en in 1627 lid van de Admiraliteit van Dokkum. Hij was gehuwd met Wiskjen, dochter van Feicke Tetmans, Grietman van Utingeradeel. Zijn zoon volgt). Saco Fockens; (1623 -1650) (zoon van den voorgaande, geboren in 1599, werd in 1623 Grietman van Opsterland, in 1629 Volmagt ten landsdage en in 1647 lid van Gedeputeerden. Hij overleed in 1652 en was gehuwd met Lucia, dochter van Ige Siccama. Zij overleed in 1675. Twee zonen van hen volgen). Martinus Fockens; (1650 - 1693) (Zoon van den voorgaande, geboren in 1633, werd in 1650 Grietman van Opsterland en in 1661 lid van Gedeputeerden. Hij behoorde in 1672 tot de commissie, verkozen tot het beramen van middelen ter verbetering van het politie-, militie- en finantiewezen der provincie. Hij overleed den 12den Maart 1692 en was gehuwd met Anna Kinnema, die den 28sten October 1707 stierf). Agustinus Lijcklama; (1693 - 1718). Livius Suffridus Lijcklama van Nijeholt; (1718 - 1773). (Zoon van voorgaande). Daniël de Blocq Lijcklama a Nijeholt; (1773 - ??) (Broer van voorgaande).

familie Teyens, Beetsterzwaag. Beschrijving van de gebeurtenissen.

 

Kaart van de Gemeente Opsterland.

 

Aengwirden. (1466 en 1473:,Aenwird.")

1466 : misschien was toen TJEPCKE OENEMA grietman van Aengwirden en Utingeradeel. (1509): TJAARD ANDRINGA, dezelfde die grietman was van Utingeradeel; sedert 1511 waarschijnlijk alléén grietman van Aengwirden. Later werd hij Geldersch grietman van Utingeradeel, maar of hij toen ook namens den Hertog van Gelder Aengwirden bestuurde, is onzeker.
1524: YEDT TIEBIS of TJEBBES, ook grietman van Schoterland. Over de waarneming dezer twee grietenijen werd bij doleantie van 21 Februari 1527 geklaagd, waarop het antwoord luidde: „Hyer „aff heeft myn Ghenedyghe Vrouwe den Stadholder last ghegheven", in dien zin, dat hij en anderen, die in hetzelfde geval verkeerden, „één afftreeden zullen," waarna hij toen van beide grietenijen afstand schijnt te hebben gedaan. Hij komt voor op de lijst der edelen in de Zevenwouden in 1505.
1529: THINCKE SAEKES, ook grietman van Schoterland; deed reeds vóór 1531 afstand van Aengwirden.
1532: ABBE JANSZ., ook 21 Oct 1533 en in 1541. Volgens E. M. v. B. was hij vroeger, in 1525 „ondergrietman van Aengwert."
1542: GARBRANTS MYNTHIESZ., woonde te Gersloot; zijne vrouw heette Trijn Glaesdr.
(1576, 29 Dec. aangesteld): JOCHUM GARBRANTSZ., in de plaats van zijn vader; ook nog in 1580.
(1580), 14 Sept. : SJURT TJEBBES; bleef denkelijk grietman tot in 1585, in welk jaar Feycke Tetmans door V. Sm. als grietman
van Utingeradeel vermeld, subst. grietman van Aengwirden zal zijn geweest. (Vóór 1589 waarschijnlijk reeds) : JOHANNES AGRICOLA.
(1605, 26 Juli aangesteld): HIPPOLYTUS CRACK.
Verder valt op te merken, dat JOHANNES CRACK (1636) een broederszoon was van Hippolytus en dat hij werd bijgezet te Oudeschoot, alsmede dat TJAERD VAN HELOMA (1652) te Beetsterzwaag door 't hollen zijner paarden uit den wagen viel en daardoor omkwam.
Zijn broeder Nicolaas dong wel naar 't grietmansambt, maar *Bouricius werd benoemd.

 

Kaart van de Gemeente Aengwirden.

 

Lemsterland. (1504: „Lemster Vyffga").


Voor deze Grietenij verschenen de Grietmannen: Agustinus Stijntiema; (1498 - 15??). Jancke Oosterzee; (15?? - 1522). Pieter Visscher; (1522 - 1539). Kerste Piers; (1539 - 1571). Idzard Stijntiema; (1571 - 1580). Pier Anskes; (1580 - 1585) (
Lag in 1580 als Kapitein van een vaandel in de Lemmer, om die plaats te verdedigen; doch moest, doordien zijne manschap onwillig was om te vechten, de schans verlaten, en nam met zijne soldaten, alle krijgsbehoeften en eenige schepen de wijk naar Enkhuizen. Hij was in 1582 volmagt ten landsdage). Jaen Auckes; (1585 - 1609), Christoffel Jochems Oosterzee; (1609 - 1635), Eeko Heeres, mederegter en Johannes Solckes, contribuabele (ingeland), welke zeer eensgezind op de aftredenden stemden, zodat het wel iets op een afgesproken zaak leek! Ciprianus Oosterzee; (1635 - 1641), Frederik van Roorda; (1641 - 1665), Sako Fockens; (1665 - 1666), Tinco van Andringa; (1666 - 1689), Regnerus van Scheltinga; (1689 - 1692), Regnerus van Andringa; (1692 - 1741), Regnerus Lycklama à Nyeholt; (1741 - 1752), Daniël Livius de Kempenaer; (1752 - 1772), Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer; (1772 - 1795) Tijdens de Franse overheersing (1795 - 1816) waren er geen Grietmannen. Antoon Anne van Andringa de Kempenaer; (1816 - 1825), Onno Reint van Andringa de Kempenaer; (1825 - 1836), en Wilco van Andringa de Kempenaer; (1836 - 1851).

De grietmannen van Lemsterland. Door Jaap van der Zwaag.

 

Kaart van de Gemeente Lemsterland.

 

"De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten"

 

Obbe Obbes werd 31 januari 1604 Grietman van Gaasterland; ook was hij Dijkgraaf van de zeven Grietenijen en de stad Sloten, en werd in 1602 lid van Gedeputeerden. In 1620 volgde hij de lijk-statie van graaf Willem Lodewijk als lid der Staten van Friesland.

Uit te voeren werken.

Het volgende belangrijke stuk is het verslag van een vergadering van dijksgedeputeerden en volmachten op 8 april 1614, welke na missive van de dijkgraaf Obbe Obbes van de laatste maart waren samengeroepen ten huize van de mederegter Obbe Obbes te Lemmer. Behalve Aengwirden waren allen aanwezig. Dit was een belangrijke vergadering, want het betrof hier verschillende verbeteringen. aan de zeedijken onder het beheer van het waterschap tussen Veenhuysen en het Roode Klif. Volgens mij lag Veenhuysen in de Kuinderpolder, precies op de grens van Overijssel en Friesland. Op de kaart van Schotanus uit 1718 heet dit gehucht Veenhuizen.
Het blijkt hier te gaan over het gedeelte zeedijken dat moest worden onderhouden door Haskerland, en dat staat opgegeven als de Hasker- Hornster Zeedijken. Verder over de Echtener en Lemster zeedijken op het west van het Polske Gat aan de Hop, zijnde op het west van de nyduicker van 1611 (de nieuw gelegde duiker uit 1611), waar zeven voeten verlegd moesten worden. Idem vanaf de paal die in 1613 bij de Kiendam was geslagen. Idem tussen de langebuitenpaal naar het Oost van de Lemmer, waar 25 voet voor deze paal verlegd moesten worden, naar "divertie" van de dijkgraaf.
Tevens tot de noodzakelijke gronden van de Lemster huissteden (dus het dorp zelf) waar een palenrij hersteld moest worden.
Verder vier en acht voeten paalwerkbij de Oostzee-inger dijken (dus die onder het dorp Oosterzee vielen): Idem de kavel voorde Broekster zeedijken, staande bij de Hop, acht voet te verleggen en aan de Oosterzijde drie voeten, tot "divertie" van de dijkgraaf, ende te "bullen" (vermoedelijk aanvoegen met stenen).
Idem bij de Broek de zeedijken onder Wijckel ter lengte van 5 roeden van nieuwe palen voorzien.
Er werd verklaard dat de andere plaatsen welke door de dijkgraaf en adjuncten voor noodlijken (noodzakelijk) zijn opgegeven, nodig van grondwerken moeten worden voorzien, terwijl verder naar de zuidelijke kust, waar voor enige jaren is gewerkt, de stenen ommegang moet worden hersteld tot divertie van de dijkgraaf en zijn adjuncten. Verder dat de volmachten alsnog insisteren en verifiëren dit opgelezen stuk ende alles onderhouden willen hebben. Zulks doen en belovende dit verslag, in ons respect voor de dijkgraaf en zijn adjuncten, de volmachten beloven alles in hunnen Grietenyen te zullen voorlichten.
Ze beloven dat, als de werken zullen zijn uitgevoerd, zij hun aandeel met de inkomstelijke contributie in november en, december van dit jaar zullen betalen (Het waterschap moet eerst de kosten voorschieten!).
Aldus geteekende met onze handteekening of huismerken anni dies mensa (jaar, dag en maand) alsvoren., Was o.a. getekend
door H.B. van Baerdt, Gerckema en Fedde Rouckes. De andere handtekening waren niet te ontcijferen.

Voorwaarden.

Hierna volgden de voorwaarden waaronder de dijkgraaf en de adjuncten de bovenstaande werken wensten aan te besteden: De gebruikte palen bij de Hasker Hornster Zeedijken, de Echtener en Lemster Zeedijken bij de Hop moesten in het midden 8 duimen breed en 5 duimen dik zijn, geen kleineren zouden worden aangenomen.
De lengte zou moeten bedragen 17 voet. De straf op verkeerde levering was dat ,de aannemer dan een dubbel. aantal moest leveren voor de ingeschreven  prijs! De betaling zou niet geschieden voordat het werk door de dijkgraaf en zijn adjuncten zou zijn goedgekeurd.
Over de kistwerken lezen we nog, dat deze met een ijzeren bout versterkt moesten worden van 8 pond zwaar, welke aan het
ene einde een ring en aan het andere einde een gaat moest hebben en door "rimmen" (dwarsbalken) gestoken konden worden,
terwijl ze van beide kanten met een ijzeren plaat moesten worden vastgezet.
Aan het slot staat nog dat de aannemers van alle genoemde werken moesten beginnen voor St. Odulphus anno 1614 en veertien dagen voor St Lambertus daaraanvolgende het werk volbracht moesten hebben, waarna de dijkgraaf en adjuncten het dan konden bezien en keuren. Indien de aannemer was afgeweken, viel hij in een boete (niet opgegeven hoeveel) en kondende borgen worden aangesproken. De heer Taconis kon niet vinden wanneer St. Odulphus was (Het feest van Odulphus wordt op 12 juni gevierd. Sint-Odulphus (Oirschot - † na 854, Utrecht) is een heilige Benedictijn en missionaris uit het einde van de 8e en begin 9e eeuw, de apostel der Friezen, ),

Maar St. Lambertus was op 17 september, zodat de werken in het zomerseizoen moesten worden uitgevoerd.
 

Kopergravure door Pieter Soutman (ca. 1650) van St. Odulphus.


Dijksopziener best betaald.

"Heden den 13 mei 1614 heb ik, Obbe Obbes, dijkgraaf, met mijn adjuncten aanbesteed het onderhoud van de Zeedijken tusschen Veenhuysen (in de Kuinderpolder) en het Roode Klif (Gaasterland)".
De inschrijving geschiedde in prijzen waarvoor de aannemer vijfvoet paalwerk wilden vernieuwen.

Lolle Oeges, burger van Workum, wilde dit doen voor 18 Carolus Guldens en 10 stuivers;

Eyle Bottes, van Cornwerd vroeg hiervoor 20 Carólus Guldens en 15 stuivers

Foeke Feddes, ook van Cornwerd, vroeg 24 Carolus Guldens.

Lolle Oeges had als borg Hans Piers te Idsegahuizen en Eyle Bottes had als borg Bendix Piers te Idsegahuizen.

Of Foeke Feddes ook een borg had, is niet bekend. Vermoed wordt dat de drie aannemers gezamenlijk de werken hebben aangenomen, want bij de betalingen op de afrekening van 23 oktober 1614 ontvangt Lolle Oeges voor verschillende posten onderhoud, 2800 Carolus Guldens, terwijl de anderen niet worden genoemd. De gehele uitgave was 3753 Carolus Guldens, 2 stuivers en 8 penningen.

De voornaamste posten:

Wobbe Merx, mederegter van Gaasterland, voor een dag taxatie: f 1.10.

De Raadhuys dienaren voor hun gedane diensten bij de verkiezing: f 5.-

De keukendienaars voor dezelfde diensten f 4.- (de schrijver van het historisch overzicht, de heer Taconis, vermeldt dat hij vermoedt dat de heren van het waterschap in Sloten enkele zeer aangename dagen met enige goed verzorgde diners hebben gehad.)

De dijksbode Poppe Wobbes, een jaar loon: f 48.-

De dijksopzichter Boonte Hiddes, een jaar loon: f 50.-

De dijksopziener Sytthe Sytthes, een jaar loon: f 68.04.- idem voor extra salaris een schrijfwerk f 83.04.-

(Opmerking van de heer Taconis: "We kunnen hieruit zien dat het baantje van dijksopziener een luxe baan was, want het loon met ongeregelde bijkomende verdiensten was hoger dan wat de dijkgraaf ontving. Het is dus wel te begrijpen dat ook Michiel Tjaerdts (in de vorige aflevering)deze baan probeerde te krijgen".)

De dijkgraaf Obbe Obbes, een jaar salaris: f 68.08.-

De dijksgedeputeerde Hylcke Jouckes, een jaar salaris: f 66.-

De dijksgedeputeerde Andries Johannes Aesma, een jaar salaris: f 67.18.-

De dijksgedeputeerde Eele Jans, een jaar salaris: f 68.04.-

(In de aantekeningen stond vermeld dat Andries en Eele voor het waterschap een paar dagen waren wezen taxeren, waardoor ze meer kregen dan hun collega Aesma).

De omslag.

Op 22 october 1614 werd er een rekendag gehouden.

Voor uitgaven van het waterschap werden genoteerd 3829 Carolus Guldens, "5 stuivers en 8 penningen.

De ontvanger Generaal Dirck Dircks (die dat jaar slechts een salaris genoot van 3 Carolus Guldens) had nog een saldo in kas van  f 70.08.02.-

Door dijkgraaf en Dijksgecommitteerden werd voorgesteld over het, afgelopen jaar de omslag te bepalen op 6 stuivers en 8 penningen van de Floreen. Deze Floreen was een gewone dijksbelasting over geheel Friesland, waar alle landerijen werden aangeslagen in de Floreencohieren. Deze belasting leidde soms tot grote onbillijkheden.
Na een heftige strijd is deze belasting in 1860 opgeheven. In het archief van Schoterland zijn na dat jaar n.l. geen Floreencohieren meer aanwezig.
Tegen bovengenoemde aanslag werd op de vergadering ,geprotesteerd door Anne Piers, volmacht van Opsterland en Hippolytus Roelofs Crack, Grietman van Aengwirden. (
Crack: Hippolytus Roelofs Crack, grietman van Aengwirden, 1612-1615, 1619-1624, 1625-1626 Gedeputeerde voor Zevenwouden, overleden 17 oktober 1626) en de ontvanger van deze Grieteny, Sipke Goffes, welke hiervoor volmacht waren.
Het heeft hen echter niet geholpen, dat ze naar voren brachten, dat dit voor hun Grietenyen onbillijk was, want ze hebben tenslotte moeten toegeven en hun handtekeningen gezet. Op deze bijeenkomst werd de ontvangergeneraal Dirck "gedechargeerd" (= goedkeuren)voor het door hem gevoerde beleid.
Op 14 april 1615 is er weer een vergadering, waarin verschillende onderhoudswerken werden besproken en de condities voor de aanbesteding werden vastgesteld.
Bij de afrekening over 1615 werd de omslag bepaald op 6 stuivers en 12 penningen op de Floreen.

 

Crack-State, wat Hippolytus Roelofs Crack liet bouwen
 

De tweede verkiezing.

Op 8 maart 1616 heeft er weer een verkiezing op het stadhuis te Sloten plaats, waaruit blijkt dat alle functionarissen om de 2 jaar moesten worden gekozen. Het was een levendige verkiezing.
Voor Doniawerstal kwam als volmacht Reynalda, welke inmiddels grietman schijnt te zijn geworden, althans hij werd als zodanig, aangegeven. Hij was voor verkiezing van alle aftredenden. Wanneer echter alle andere Grietenijen tegen de ontvangergeneraal zouden zijn ("sekere rekeninge van 20 augustus 1615 bij een samenkomst in Joure was hem lang niet naar de zin geweest!"), dan wilde hij over deze ontvangergeneraal apart gestemd hebben.
Voor Gaasterland kwam mederegter Wobbe Merkx met Fedde Feddes. Zij wilden allen herkiezen, doch over de ontvanger dachten ze net zo als Doniawerstal.
Voor Lemsterland kwamen de grietman Christoffel Johannes Oosterzee, de mederegter Tijs Martens en de secretaris Johannes Gelis. Deze vermeldden er apart bij, dat ze hun volmachten desnoods wilden tonen, wat geen der andere volmachten ooit had gedaan! Ze wilden alle aftredenden herkiezen, behalve de ontvanger.
Voor Haskerland kwamen de grietman Hobbe van Baerdt en Rombert Bauckes. Alle aftredenden waren naar hun genoegen, maar voor de ontvanger Dirck Dircks hadden zij als kandidaat Tiberius van Oenema( Oenema,Tiberius van († 1640); grietman van Utingeradeel en volmacht namens Utingeradeel in de Staten van Friesland, lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland: IV 251, V 124) (zoon van de Grietman van Schoterland en later Grietman van Utingeradeel). Grappig is dat Rombert Bauckes niet met zijn grietman meestemde en een lans brak voor Dirck Dircks!
Voor Schoterland kwamen de grietman Tincko van Oenema en de secretaris Michiel Tjaerdts, welke alle anderen wilden herkiezen, doch voor. ontvanger als kandidaat stelden Tiberius van Oenema.
Voor Opsterland kwam weer Anne Piers, welke alle aftredenden wilde behouden, doch voor de ontvanger Tincko van Oenema wilde (1637, april -- Dr. Tinco van Andringa; getr. 5 nov. 1641 te Sneek met Dedtje Jentckema; zij overleed in 1649. Hij bleef secr. tot 1659, was later nog burgemeester der stad en overleed 28 april 1673 als old-burgemr).Hij had Zich versproken en verklaarde dat hij had bedoeld Tiberius van Oenema. (Taconis: " Stellig had Anne Piers reeds tijdens de vergadering wat spraakwater geproefd!).
Voor Aengwirden kwamen de grietman Hypolithus Crack met de ontvanger Sipke Goffes (of Gosses), welke ook voor de ontvanger hun stem uitbrachten op Tiberius van Oenema, maar de andere aftredenden er weer in wilden hebben.
Als laatste kwam de Stad Sloten met als volmachten de veel omstreden Dirck Dircks en Feyte Wiebes, beide burgers van deze stad, welke. alle aftredenden wilden herkiezen.
"Aldus gedaan ten Raadhuize van Sloten door de verschillende volmachten den 8 marti 1616. Geetekende door Michiel Tjaerds en  Sytthe Sytthes".(De dijksopziener Sytthe Sytthes had zijn naam wat meer aanzien gegeven: Sixtus Sixtii).

 

Stadhuis en kerk te Sloten.
 

Dorpen protesteren.

Op 16 maart 1616 verschenen voor dijkgraaf, dijksgedeputeerden en volmachten de dorpen Oldeouwer, Ouwster Nyega, Oosterhaule en Goingarijp. Zij beweerden dat ze voor te veel roeden (lengtemaat) waren aangeslagen in hun "dijksstuk", omdat hieronder de lange en diepe "Colck" viel bij de Nyduikers dijk.
Daar de Zeven Grietenijen zelf deze dijk hadden aangelegd, voelde het bestuur wel iets voor hun verzoek om het aantal roeden in tekorten. Aldus werd besloten en getekend. Hevig protest van de. volmachten van Opsterland, Anne Piers en Comelis Annes, doch het heeft hen niets geholpen. Toen dit bekend werd, ging het dorp Haskerhome ook protesteren tegen hun aantal roeden in de Hasker Homster Zeedijken. Van dit protest heeft de heer Taconis geen resultaat kunnen vinden.

Hoog water.

In de afrekening van 20 oktober 1616 komen we een paar interessante posten tegen. Zo had Sibble Attes, executeur (politiedienaar) in Lemmer een dijkstuk aangenomen in de Wijckel Zyls Colck voor 165 Carolus Guldens. Dit was dus een bijverdienste van de politie. De wetsdienaar werd bijgestaan door Atte Broers eveneens uit Lemmer, die 60 Carolus Guldens ontving.
De heer Taconis geeft een lijst van een aantal in 1615 uitgevoerde onderhoudswerken aan zeedijken. Er is volgens hem sprake van hoge aannemingssommen. In 1615 zou het hoog water zijn geweest. Mederegter Otte Annes op de Lemmer had aan vier mannen "in tijd des noods" voor arbeidsloon aan de dijk om gaten te herstellen f 3.18.- betaald en de mederegter Haye Martens, ook uit Lemmer, betaalde 18 Carolus Guldens aan "noodgeld" voor herstel van de duiker en f 3.04.- aan bier en jenever voor de arbeiders.

De eigenaars van de buiten bedijkte landen moesten echter voor hun zomerdijken 703.02.08.- opbrengen, wat met pijn en moeite is gebeurd, want eerst in 1618 is dit binnen gekomen.
De ontvangergeneraal Dirck Dircks (die er dus nog steeds was) had aan saldo in kas van f 14.12.10, terwijl de gehele uitgaven de kolossale som van f 7094.10.- beliepen.
De omslag werd bepaald op 12 stuivers en 2 penningen de Floreen, dus bijna twee keer zo hoog als het jaar daarvoor.
(Uit: Historisch Overzicht van het waterschap De Zeven Grietenijen en Stad Sloten over de jaren 1614 - 1664 door wijlen A.IJ.M. Taconis, volmacht van het waterschap).

Dijksbode in de fout.

Op 3 maart 1618 werd de tweejaarlijkse verkiezing gehouden; Er werd meer eensgezindheid dan bij vorige verkiezingen gedemonstreerd. Schoterland was ontevreden over het feit dat "hun" man, Tiberius van Oenema, geen ontvanger was geworden. De vertegenwoordigers van Schoterland verwijten hum grietman dat hij ontvanger Dirck Dircks wil handhaven.
De grietman wordt verzocht een en ander nog eens in overweging te nemen. Tijdens de tweejaarlijkse verkiezing op voornoemde datum (plaats onbekend, maar het zal wel in Sloten zijn geweest) hadden de vertegenwoordigers van Opsterland kritiek op dijksbode Poppe Wobbes, die de bijeenroepingbriefjes voor deze vergadering had rondgebracht Wobbes had de boodschap niet persoonlijk aan de grietman of de secretaris overhandigd, omdat ze ten tijde van het rond brengen niet thuis waren. De dijksbode had daarom het briefje maar aan een willekeurige persoon in Beetsterzwaag gegeven, in de hoop dat die het briefje wel aan de grietman of secretaris zou geven. Zo iets kon volgens Opsterland niet door de beugel. Poppe Wobbes had moeten wachten tot de Grietman en de secretaris weer thuis waren gekomen!
In de vergadering deelde Aengwirden mee, dat men het verzoek van Schoterland om de dijkgraaf in overweging te geven de ontvangergeneraal te ontslaan, steunde.

Slecht werk van Lolle Oeges.

Op 10 april 1618 is er weer een vergadering en wel in het huis van Otte Annes, mederegter van Lemsterland. Er werd over herstel van verschillende dijken gesproken. Ook kwamen achterstallige betalingen in de vorm van omslagen (contributie) aan de orde. Op de rekendagen 31 oktober en 1 november op den Regthuyse van de Jouwer had men grote schulden vastgesteld.
De volgende belangrijke vergadering van het hele bestuur is die van 29 en 30 oktober 1619. De dijkgraafen de dijksgedeputeerden hadden, nadat de dijksopzichter hen erop attent had gemaakt, ontdekt dat aannemer Lolle Oeges bij het uitvoeren van de waterstaatswerken zich niet aan de gestelde voorwaarden van het waterschap had gehouden. De rimmen welke Lolle Oeges, aan het geslagen paalwerk moest slaan waren ,van een dergelijke kwaliteit dat ze werden afgekeurd.,Oeges ,kreeg een zeer boze brief van het waterschap. Hij moest zorgen dat hij binnen een maand na dato (dus vóór 30 november 1619) het hele karwei in orde had gemaakt naar genoegen van de dijkgraaf en de gedeputeerden.
Werd een en ander niet in orde, gemaakt, dan zou het dijksbestuur het werk opnieuw laten aanbesteden en de kosten op Lolle Oeges verhalen. De rimmen waren van het grootste belang voor de stevigheid van het paalwerk.
Mocht de heer Oeges weigeren het afgekeurde werk te verbeteren, dan had hij geen recht op enige betaling meer en moest bovendien de reeds ontvangen gelden terugbetalen.
Dit werd allemaal besloten op "den Regthuyse van de Joure bij de amptelijcke volmachten" op 30 oktober 1619.
De brief aan Lolle Oeges werd getekend door de volmacht Chr. Oosterzee (grietman van Lemsterland) en de dijksopziener Sixtus Sixti uit Sloten (1613, febr.; 11 nov. 1610 reeds (Don. Z. 1 bl. 11) Sijttie Sijtties (Sixtus Sixti); hier 11 juni 1615 getr. met Auck Cornelydr. Hij bleef secr. tot zijn overlijden op 3 mei 1636) Op de vergadering werd ook besloten de 200ste penning te heffen. Volgens de heer Taconis betekent dat 2% van de waarde van de eigendommen.

Foto van een tekening van Het Rechthuis te Joure, 1723.

Wie was Obbe Obbes?

In het historische overzicht vinden we een beknopte levensbeschrijving van de eerst bekende dijkgraaf van het waterschap, de heer Obbe Obbes, die voorkomt op een lijst van grietmannen. Obbe Obbes werd in 1562 geboren. Hij is eerst gehuwd geweest met Fokel, een dochter van Jochem van Wijckel. Bij haar had hij geen kinderen. Zij overleed 17 januari 1619 op 79- jarige leeftijd Ze was dus veel ouder dan Obbe, die hertrouwde met Rijckjen Wyties, bij wie hij twee kinderen zou hebben.
Obbe Obbes werd 31 januari 1604 grietman van Gaasterland. Hij volgde Sybren Hiddesz op, die het ambt sinds 1585 had vervuld. Obbes was verschillende keren dijkgraaf van de Zeven Grietenijen en Stad Sloten en bewoonde een mooi huis is Balk, waar hij het raadshuis stichtte. In 1602 werd hij lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland en in die functie volgde hij de lijkstatie van Willem Lodewijk (Us Heit 1560-1620) op.
Obbe Obbes overleed 8 april 1632 in de ouderdom van 70 jaar en werd begraven in de kerk van Wijckel, waar ook zijn tweede Vrouw, die op 30 juni 1643 stierf, werd bijgezet.

Herberg van Metske Jacobs in Lemmer.

Op 10 maart 1620 was er weer een verkiezing in Sloten. Obbe Obbes had blijkbaar vijanden gemaakt, want behalve Lemsterland, stemden allen op Joachim van Wijckel als dijkgraaf. Zelfs de Gaasterlanders lieten hun grietman in de steek!
De volgende samenkomst van het hele bestuur was op 14 april 1620 onder voorzitterschap van de nieuwe dijkgraaf Joachim Ids van Wijckel in het huis (vermoedelijk een herberg) van Metske Jacobs in Lemmer. Uit de stukken blijkt dat Lolle Oeges weer werk kreeg, waaruit geconcludeerd kan worden dat de ruzie van vorig jaar was bijgelegd. Ook op 13 april 1621 was er een bespreking bij Metske Jacobs in Lemmer. Er was inspectie langs de dijken gehouden en naar aanleiding daarvan werden nieuwe herstellingen besproken. Lolle Oeges kreeg ook weer werk opgedragen.

Verschillende dijkgraven.

Van 1 maart tot 8 maart 1622 zijn er nieuwe verkiezingen op het raadhuis van Sloten. Joachim van Wijckel schijnt niet als dijkgraaf te hebben voldaan, want Doniawerstal stelt hun grietman Syds van Osinga voor, wat Haskerland, Schoterland, Opsterland en Aengwirden steunen.
Hoewel de anderen Joachim steunen wordt van Osinga benoemd.
Dijksgedeputeerde Eele Jaris is overleden en voor hem komt Aucke Jeens Oosterzee in de plaats en voor de eveneens overleden dijksbode Poppe Wobbes komt zijn zoon Wobbe Poppes.
Op 26 oktober 1622 wordt meegedeeld, dat na een inspectie van de dijken is gebleken dat de aannemers Sybout Hayes en Lolle Oeges zich niet aan de gestelde voorwaarden hebben gehouden bij de uitvoering van hun werk. Beide aannemers krijgen een aanmaningen moeten zorgen dat een en ander naar genoegen van de dijkgraaf vóór 10 december wordt opgeleverd.
In 1625 reist Feyte Rienks, raadsman te Sloten,namens het waterschapnaar Holland om er 1000 balken voor zeepalen te kopen .De ene helft 12 en de andere helft 16 ellen hout. Het reisje dat Rienks naar Holland maakte kostte 32 Carolus Guldens, terwijl hij voor 3090 CarolusGuldens aan palen had gekocht. Deze bedragen werden tijdelijk door de dijkgraaf voorgeschoten.
Op 28 maart 1626 worden in Joure weer verkiezingen gehouden. In plaats van Jhr Sijds van Osinga werd Obbe Obbes weer gekozen tot dijkgraaf en voor de overleden dijksopzichter Boonte Hiddes kwam zijn zoon Hidde Boontes.
 

Sijds van Osinga, zoon van Sijbrand van Osinga en Ath van Aggama, werd grietman van Doniawerstal. Hij werd dit in 1619 en deed pas afstand van dit ambt in 1652, toen zijn zoon Sijbren van Osinga hem opvolgde als grietman. Op deze tekening zien we Osinga state, onder Schettens in Wonseradeel.

 

Kwesties.

Tijdens een bijeenkomst op het stadhuis van Sloten beklagen zich een aantal lieden bij de dijkgraaf over de slechte toestand waarin een paar zeedijken verkeren. De klagers zijn de heren Ernst van Harinxma, Johan van der Sande, Dirck van Doyen en Gellius Onderstal, Raden Ordinaris in den Hove van Friesland, als participanten van  de bedijkte meren bij Stavoren. De heren zeggen al drie Jaar de aanslag te hebben betaald, maar dat door de slechte toestand van de zeedijken hun polders ieder jaar zijn ondergelopen. Er wordt een gebrekkige oplossing voor het opheffen van de slechte toestand van de dijken gevonden.
De dijkgraaf bedacht allerlei noodoplossingen. Nog een onaangename kwestie kreeg de dijkgraaf in 1627 te behandelen.
Bij een overstroming in 1625 was ten oosten van Lemmer een grote kolk geslagen, welke, volgens Roemer Thys en Jacob Gerkes,door nalatigheid van het waterschap grote stukken van hun land had afgeslagen. Het dijksbestuur probeerde tot een compromis te komen. Voor herstel van de dijk wilde men dubbele arbeidslonen betalen, terwijl de gebruikers Hylcke Hamckes c.s. daarin zouden meedelen,  mits Inne Thysses c.s, die er waarschijnlijk aan grensden, ook mee zouden werken.
Hylcke Hamckes stelde dat hij de roeden, die hij had verloren, terug wilde hebben in de Lemster Meenthe. Verder had hij ook aan het herstel gewerkt. Men kwam tot een akkoord met een vergoeding van 46.10.-, waarmee,de zaak was opgelost. Het land kreeg men echter niet terug.
Op 21 juni 1628 is er weer een kwestie. De dijkgraaf en zijn aanhang moesten zich te weer stellen tegen Jacob Epckens,Eesterga en Kurt Bauckes, .welke eigendommen hadden bij de Grote Kolk. Tengevolge van de dijkbreuk waren ze land kwijt geraakt en vonden dat ze nu te hoog waren aangeslagen.
Hiervoor werd zitting gehouden in de herberg van Hans Broersma "op de wester opkamer" in de Lemmer. Na veel gepraat werd besloten dat de omslag f 21.12.-, zou bedragen, exclusief de kosten voor taxatie.
Er werd niet vermeld hoeveel deze omslag eerst was. Op 21 maart 1628 werd in plaats van Obbe Obbes als dijkgraaf gekozen Sixtus van Osinga, grietman van Doniawerstal. .

Maart 1628 kwamen bij het waterschap ernstige klachten binnen over het verwaarloosde onderhoud van de zeedijken. Dit kwam vroeger nooit voor. Toen kon Gedeputeerde Staten het weinig schelen hoe de toestand van de dijken in het zuiden van hun gewest was.
Nu echter enkelen van hun ambtsbroeders aan 't inpolderen waren geweest bij Stavoren, voelde de heren het in hun eigen portemonnee. Ze gebruikten hun overheidsfunctie voor hun particuliere belangen. De dijkgraaf en zijn adjuncten zijn zwaar beledigd dat hen wordt verweten de dijken te hebben verwaarloosd en verweren zich als volgt: "So protesteere ick Dijkgraaf. met myn vernoemde adjuncten voor Godt in den Hemel ende voor alle menschen, hooger ende lager standen, op de Aarde en den ganschen Wereld, onschuldig te synende te willen blieven.
Ingevalle doer deselve de beschuldiging ende prolongatieen van de dag der brief van eenige hinder ende quaad, ende van alle andere incovenienten ende buytensporigheden mochten komen 't ontslaan. Verteekend door de vernoemde Heeren, present de Volmagten hieraf desen. Sloten 14 Mart 1628".
Gedeputeerde Staten kregen toch hun zin, want later zijn veel werken ter hoogte van Laaxum uitgevoerd.

Spijtige woorden.

15 mei 1630 kreeg het waterschap (sinds19 maart 1630 dijkgraaf Hobbe van Baerdt, grietman van Haskerland een zeer onaangename brief van Gedeputeerde Staten. De brief begon heel mooi met: "Edele Ehrentfeste Onsen Lieve Besondere", maar de inhoud was even anders.
Het ging om een rapport van Gerrit de Wit, Landschapsopzichter van de werken aan de Suyderdyken. Hij had aan Gedeputeerde Staten bericht, dat de werken volgens de bestekken door de aannemers waren uitgevoerd en door de heren commissarissen waren goedgekeurd. Nu wilde hij voor deze aannemers 2000 Carolus Guldens . hebben als voorschot, maar inplaats daarvan krijgt hij "spijtige woorden, waarmede nogthans d' arbeidsluyden geen stuyver hebben verdiend". Hij vraagt geld van het waterschap en eindigt zijn geschrift met "En ons hiertoe verlatende, zyt Goot in genade bevolen".
De heer Taconis vermoedt dat de Staten buiten het waterschap om werken hadden laten uitvoeren en deze niet aan Gerrit de Wit wilden betalen en daarom werd de rekening doorgezonden aan het waterschap.
Hoe de zaak is afgelopen, is niet bekend, daar er twee jaar notulen ontbreken.
Wel bekend is dat dijkgraaf van Osinga, die in 1632 Obbe Obbes opvolgde (Obbe Obbes volgde ook in 1632 Hobbe van Baerdt op), 2000 Carolus Guldens aan Gerrit de Wit heeft voorgeschoten.

Wanbetalers.

Enige slechte betalers moesten op 23 oktober 1639 voor het Dijksgeregt verschijnen. We bevinden ons in een tijd waarin Hans van Lycklema dijkgraaf is.
De slechte betalers waren Gerke Rouckes, Wobbe Engberts, Alle Harmens en Anne Gaukes. Zij beloofden de aanslag en de onkosten te zullen betalen voor 8 november.
Dat is niet gebeurd. Op 8 februari 1641 is er over deze zaak een vergadering van het dijksgeregt met de advocaat Wilhelmus Joannes. Men besluit de wanbetalers aan te pakken. 20 april 1641 werden de aanslagen en kosten ontvangen. Later worden nog eens een paar wanbetalers aangepakt Het zijn Sippe Gosses en Feyte Elckes, volmachten van Sondel, die na een duidelijke aanmaning beloven te betalen.
Het waterschap ging echter zelf ook niet altijd geheel vrij uit! Het waterschap moest aan de voormalige dijkgraaf van Osinga nog een voorschot van 2000 Carolus Guldens plus rente terugbetalen. Dat bedrag was eerder aan Gerrit de Wit voorgeschoten.
In 1639 werd hierover voor 't eerst gepleit voor den Hove van Friesland.
Inmiddels was dit bedrag met rente gegroeid tot f 2387.2.8. Namens de ex dijkgraaf Sixtus van Osinga trad op als advocaat, Dominicus Feenstra als eiser en namens het waterschap de advocaten Jacob van Kampen, Sacko Feykens en Acronius Solckema. Het heeft het waterschap niets geholpen dat men met drie advocaten was komen opdagen, want ze verloren de zaak. "Op alles gelet ende geconsidereert hebbende 't geene nu in desen behoort te worden geconsidereert enz." veroordeelde het Hof het waterschap om de f 2387.2.8. plus rente aan van Osinga te betalen, alsmede de kosten van het proces. 'Aldus gedaan en uitgesproken in de Kanselarij binnen Leeuwarden' den 20 december 1642. Ondanks deze uitspraak, had van Osinga zijn geld nog lang niet Verder in het historisch overzicht van de heer Taconis staat vermeld dat na 3jaar nog geen betaling was gedaan. Dit zou het waterschap later een kapitaal aan rente hebben gekost .

 

De Kanselarij Leeuwarden.


Te hoog aangeslagen.

Na de dijksinspectie van 8 juni 1645 en de aanbesteding volgen enkele interessante stukken. Op 8 juni 1645 had een zitting plaats van dijksgeregt van de Zevenwolden en de Stad Sloten (dus niet de ZevenGrietenijen) in Lemmer met Beernt Jans als executeur (veldwachter en tevens dijksbode ). Het betrof hier een kwestie tussen Hielke Grootes en Auckes Edes, volmachten ter eenre zijde, contra Eppe Asses, Dorpregter, Pyter Boontes, volmacht van Westermeer met Pyter Lieuwes, dorpsregter en Hotse Jouckes, volmacht van Snikzwaag.
Het ging tussen de dorpen Westermeer en Snikzwaag over de scheiding van hun aansprakelijkheid. Beide dorpen vonden dat ze veel te hoog waren aangeslagen en dus te veel roeden dijk moesten onderhouden. Snikzwaag presenteerde zijn 77 roeden en stelde nieuwe opmetingen voor. Hoeveel Westermeer moest onderhouden staat nergens beschreven. Op 25 juli 1645 volgde de uitspraak.
Het dijksregt (gewoon de dijkgraaf met zijn dijksgedeputeerden), kwamen met de volmachten samen bij de Groote Colck (ten oosten van Lemmer) ten huize van Adam Jans, herbergier aldaar. Ze lieten de verschillende dorpsregters en volmachten komen, om die ter plaatsen te horen, doch tot een uitspraak kon men niet komen. De uitslag was: "So hebben het dijksbestuur beneffens de volmachten van de Grietenijen dese compartie gesuspendeert tot de jaarlijksche rekendag, omme volgens haar resolutie opnieuw gecorrespondeert te mogen worden". Ze schoven het dus op de lange baan!


Waterschap verliest processen.

Een ander stuk gaat over de oude schuld welke het waterschap bij de oud-dijkgraaf van Osinga had en waarover ze een proces hadden verloren. Er werd in augustus 1645 een vergadering belegd bij de herbergier Roelof Jans te Joure in het "Wapen van Haskerland", waar 't gehele dijksbestuur met de volmachten aanwezig waren. Het blijkt dat het voorschot van ex dijkgraaf van Osinga was gebruikt om de dijken van het Goingarijpster gedeelte te maken. Van Osinga wilde deze kosten alleen betaald hebben door de zes Grietenijen en de Stad Sloten, want hij vond dat Doniawerstal zijn deel reeds had betaald.
De hele zaak werd door de dijkgraaf Frederik van Roorda nog eens van het begin afbehandeld. Het eerste proces voorden Hove van Friesland had plaats gevonden op 20 oktober 1642, wat men had verloren. In hoger beroep verloor men op 20 oktober 1644 nog eens weer, waarbij het waterschap werd veroordeeld om met rente en kosten een bedrag te betalen van f 3502.18.--, waarvoor van Osinga op 2 februari 1645 een obligatie had gekregen.
Hier kwam nog bij de rente tot 11 april 1646, t.w. 490 C.G., zodat men in totaal moest betalen f 3992.18.-. Dit bedrag moest door de zes Grietenijen en de Stad Sloten worden opgebracht. De kosten van beide processen werden via een heffing door de ingelanden betaald.

Loten om ontvanger.

Op 17 april 1647 vond in de "weercamer" (zaal waar recht werd gesproken) te Joure de verkiezing van een nieuwe dijkgraaf plaats. Om aan te tonen dat de vrede was getekend, werd Syds van Osinga als dijkgraaf gekozen. Van Osinga had n.l. al zijn geëist geld van het waterschap gekregen en het dijksbestuur wilde de onenigheid met van Osinga vergeten. Dus van Osinga werd weer dijkgraaf. Als dijksgedeputeerden kwamen HylkeJouwes, Symen Aukes Oosterzee en Broer Agges. Tincko van Andringa bleef secretaris, dijksbode bleef Beernt Jans en dijksvoorman bleef Hidde Doontes. Voor de functie van ontvanger, welke zoals men reeds meerder malen heeft kunnen lezen, moeilijkheden had gegeven, vond men een nieuwe op Iossing, welke allen tevreden .stelde. Er werd besloten dat in 't vervolg slechts één Grietenij de ontvanger mocht benoemen, wanneer er ook over een nieuwe dijkgraaf moest worden gestemd Hier werd om geloot. Gaasterland mocht de eerste keuze maken. Deze benoemde Pompejus Wlarich, secretaris van Gaasterland (Pompejus Walrich; febr. 1647 nog. 1649-1651)

Sluis Tacozijl.

We slaan een paar oninteressante bladzijden uit het historisch overzicht van de heer Taconis over, omdat die louter feiten vermelden. Op 25 mei 1655 werd er een vergadering belegd met het gehele bestuur 'van het waterschap in de herberg op Tacozijl om de zijl (is sluis) aldaar te bezoeken en om te kijken hoe men de grote reparaties aan de sluis moest aanpakken.
Verschillende volmachten vonden dat het nog wel ging, maar de dijkgraaf kreeg toch zijn zin om de sluis te laten reparen, de toestand ter plaatse zou zeer slecht zijn.
Volgens de voorwaarden van aanbesteding zou het oude hout dat uit de zijl zou komen, bestemd zijn voor het waterschap, maar het oude ijzer zou voor de aannemer zijn, die er echter niet veel plezier van gehad zal hebben, want dit ijzer had reeds jaren in het water gezeten.
7 juni werd de aanbesteding gehouden. Pyter Obbes wilde de nieuwe zijl maken voor 4275 Carolus Guldens, behalve de droogmaking. Symen Hans voor 3950 en Symen Reinders voor 3700 Carolus Guldens.
Hij kreeg het karwei en had als, borg Jan Wybrands. De droogmaking van de sluis werd aangenomen door Ide Hayes voor f 1075 met als borgen Joucke Hylkes, Atse Jans, Atse Harmens en Joucke Jimmes, welke vermoedelijk allen arbeiders waren die het karwei samen wilden uitvoeren.

De arme kerels hadden er echter een dikke strop aan. Op 22 augustus 1655 verschenen voor dijkgraaf c.s. Ide Hayes, aannemer van de droogmaking van de sluis met zijn borgen, welke verklaarden geen middelen te hebben om te komen tot droogmaking van de Zijl. Daarom gaven zij het werk op en droegen het weer over aan de dijkgraaf, met afstand van hun rechten op de aannemingssom en verdere vergoedingen. De mannen hadden twee maanden voor niets gewerkt. De dijkgraaf zat er ook mee, want het was al augustus en voor de winter moest de nieuwe zijl klaar zijn. In tegenwoordigheid van Gerke Wiebes, mederegter Gaasterland, beloofden de aannemers, dat zij ook zouden staan voor de hogere kosten van aanbesteding, hetgeen de strop nog groter zou maken. Op 25 augustus vond de nieuwe aanbesteding plaats. Laagste was Claas Clases te Balk met f 2999, wat werd afgeslagen door Pyter Obbes tot f 2400.16.--., die het gegund kreeg en als borgen had Jan Sybrens en Romcke Borcherts.
Er schijnt met spoed aan de droogmaking gewerkt te zijn, want al op 19 september 1655 werd er een gedeelte van het werk gekeurd door de dijkgraaf en gecommitteerden van Lemsterland en Doniawerstal.
Tevens werden 12 binten voor de zijl afgekeurd, waarvoor de aannemer nieuwe moest nemen op rekening van het waterschap.

Nimmer was het waterschap zo royaal. De nieuwe sluis te Tacozijl werd op 6 december 1655 goedgekeurd door dijkgraaf en volmachten van Lemsterland en Gaasterland. De heren werden rondgeleid door de dagelijkse opzichter Pyter Obbes.
Deze had vaak werk van hen aangenomen en zal hiervoor dus wel een geschikt persoon zijn geweest.
Op vrijdag 28 december 1655 vond in Balk op het Raadhuis de afrekening plaats van de kosten van de nieuwe sluis te Tacozijl.
Deze had in totaal gekost f 10917.14,-. Pyter Obbes kreeg voor z'n ,baantje als opzichter 200 Carolus Guldens. De aannemers kregen 5100 en nog voor extra werk. o.a. loon f 803.11.-. De dijkgraaf ontving voor verschot 71 Carolus Guldens.
De"Vertering bij Intke Hylckes (de kastelein) voor de volmachten enz. was 280 e.o., wat uit verhouding met de andere uitgaven een heel bedrag was. Jan Sybrand moest nog hebben voor het gebruik van de refatomolen (betonmolen) 70 C.G. en voor het wegnemen van de strijkdammen 302 Van de kosten droegen de dorpen Wyckel, Oude- en Nijemirdum en Sondel samen bij f 3638.17.-., terwijl de rest werd omgeslagen.

 

Foto van: Roel Holkema  Regnerus Annaeus Lycklama van Wyckel, Grietman van Gaasterland bewoonde, "Lycklama bosch" Deze state was te vinden in Nijemirdum, gemeente Gaasterland. Naast deze state heeft ooit nog een klooster gestaan

Tacozijl.

De dijkgraaf en adjuncten kwamen met de volmachten samen op 14 februari 1656 om de herberg en de sluis op Tacozijl te  verpachten voor de tijd van 3 jaar, n.l. van 1mei 1656 tot 1mei 1659.Hierbij was de tapvergunning inbegrepen,alsmede de Tol der Zijl, het recht van visserijbuitendijks tot aan de Priester Fenne en binnendijks' tot aan de Langesloot "soverre van ouds de gewoonte is" en verder het gebruik van de buiten gelegen losse landen. De huurder mocht 2 stuiver heffen van de kleine schepen,die door de sluis moesten en van de grote schepen, waarvoor twee deuren open gedraaid moesten worden, 3 stuiver en de ponten of turfschepen 4 stuiver. De huurder moest toezicht houden op sluizen. en woning "so het behoort".
Mocht het echter voorkomen dat de dijken moesten worden gerepareerd, dan zou de huurder het lopende jaar worden vrijgesteld van de huur, omdat dan stellig de sluis moest worden afgesloten.
Na opbod en concurrentie van andere liefhebbers kreeg de huurder de sluis met woning en de bijbehorende rechten voor 500 Carolus Guldens, zijnde 275 C.G. voor de zijl en 225 C.G. voor het losse land. De huurder had als borgen ene Aucke Jeens en Feyte Solckes, welke met hem tekenden in tegenwoordigheid van de dijkgraaf en zijn adjuncten. Voor de volmachten tekenden Osinga en Broersma voor Doniawerstal, Roorda voor Lemsterland, Baerdt en Jouck Annes voor Haskerland, Alle Reyffers voor Opsterland, Eysse Hylckes voor Aengwirden, terwijl Sloten en Schoterland niet aanwezig waren.
 

De herberg van Hylckes en sluiswoning te Tacozijl.

 

Het eigenaardige van deze aanbestedingen was volgens de heer Taconis dat ook in de volgende jaren Schoterland hierbij steeds afwezig was, hoewel er een premie van 2 Carolus Guldens aan verbonden was. Taconis vermoedt dat deze Grietnij geen belang bij de zijl van Tacozijl had, omdat ze op Schoterzijl haar eigen sluis had.
Later vinden we in het historisch overzicht de naam van de huurder: Intcke Hylckes.
Op 3 maart 1656 was het hele waterschap gezelschap weer op Tacozijl verenigd, natuurlijk in de herberg van Hylckes. De huurder moest pacht betalen over de periode 1649-1656. Tijdens de samenkomst bleek ook dat Intcke nog een oude schuld had van f 924.7.-. Verder moest hij 6 jaar huur à  f 300.-. betalen. Maar Intcke had echter verschillende tegen-rekeningen. De voornaamste: Voor vertering op 2 juni 1649 bij Binne Kylstra op de Joure f 92.3.-.; Wabe Clasen voor ijzerwerk aan de Zijl f 10.1.8.; Pieter Obbes voor arbeidsloon f  50.13.8.; Jelle Douwes, smid te Sloten, voor ijzerwerk f 73.7.-.; Wybrand Fongers voor 75 pond touw f 12.44.-.; de vorige dijkgraaf van Scheltinga voor zijn drie jaar ordinaris dijkgraaf tractement f 90 (voor toezicht op de sluis kreeg de dijkgraaf nog 30.-;-. extra); Rommert Folkerts, Glasemaker te Balck voor 4 nieuwe onderglazen f 3,- ; Jelle Sipkes, smid in Balck, voor geleverde glasroeden f 8.7.-.
Het dijksbestuur vorderde van Intcke in totaal f 2724.7.-. en Intcke wilde van het waterschap f 2571.16.-. zodat Intcke f 152.11.-. moest betalen. Doordat de heren van het dijksbestuur in de herberg te Tacozijl best aan de borrel gingen (ze verteerden voor maar liefst 105 Carolus Guldens) hoefde Intcke aan het dijksbestuur nog maar f 47.11.-. te betalen.

Verkiezing.

Het was een druk jaar voor het dijksbestuur, want al op 5 maart 1656 kwamen ze weer bijeen op het Rechthuys te Joure om een dijkgraaf enz. te kiezen. Jhr. Frederik van Roorda, grietman van Lemsterland, werd dijkgraaf. Dijksgedeputeerden werden M. van Solckema, Haye Hylckes en Coop Botes. Secretaris werd Tinco van Andringa; ontvangergeneraal werd, Paulus Reuffers bijzitter van Schoterland 1 (Schoyerland was namelijk aan de beurt om een van zijn mensen te benoemen); Wybe Dircks werd dijksbode en strandvonder en Jacob Sybrands werd dijksvoorman laatstgenoemde werd het loon van 50 C.G. op 70. C.G. gebracht.

Andere pachter sluis en herberg.

Op 11 maart 1659 vond er weer een afrekening te Tacozijl plaats. De kastelein Intcke Hylckes wordt hierbij deftig zijlvoogd genoemd. Hij was schuldig f 1457.-., maar had weer ettelijke tegen rekeningen, zoals: 3 ton teer van de teerkoper Hinne Hinnes uit Lemmer voor f 31.10.-.; vertering van de dijkgraaf, die er tweemaal was geweest om aanwijzingen te geven hoe de zijl moest worden geteerd en hoe de mestbult over het land moest worden verspreid, 10 C.G.; de vier dorpen van Gaasterland samen 100 C.G.; vier aanwezige volmachten 8 C.G.; adjuncten16 C.G.; dijkgraaf 20 C.G.; dijksbode en voorman 30 C.G. en keukenmeid f 1.10.-. (!).
Hij schijnt dat Intcke er mee is gestopt, want de herberg en de sluis werden in februari verpacht aan Syerdt Doeyes uit Laaxum voor 350 C.G. per jaar. Sluis en herberg werden 21 januari 1662 weer te huur aangeboden. Syerdt Doeyes kreeg het weer voor 500 Carolus Gulden per jaar, maar had een ernstige rivaal in de bakker Wybelans te Lemmer, welke 485 C.G. had geboden.

 

 

 

 

In 1748 brak in Friesland een oproer uit tegen de verpachting van de belastingen m.n. op granen. Deze belastingen drukten vooral op het gewone volk en daarbij kwam dat de pachters van de belastingen veelal van uitbuiting en verduistering werden verdacht,
Het oproer begon in Bergum en sloeg weldra over naar andere plaatsen in Friesland.
De huisjes van de commiezen (cherchers) bij de molens werden omver geworpen en de belastingboeken werden verscheurd.
Ook tegen andere belastingen richtte zich het verzet en derhalve werd besloten tot invoering van een systeem van evenredige belastingverdeling over grietenijen en steden, waarbij elke plaats een vaste quote in de belasting werd opgelegd.
Deze nieuwe belasting - de Quosatie kwam in 1749 in de plaats van o.a. :

a. de belasting op de consumptie:

b. de Vijf Speciën, een in 1637 ingevoerde belasting op hoornvee, bezaaide landen, paarden, hopfd en schoorstenen. De Vijf Speciën kwamen ook voor als accijnzen op wijn; bier, turf enz.

c. de reële goedschatting, belasting sedert 1713 geheven op bebouwde en onbebouwde eigendommen:

d. De. personele goedschatting, die in de 17e e 18e eeuw geheven werd als een belasting op het vermogen.

De verpachting van de belastingen zou voortaan worden vervangen door collecte d.w.z. ze werden geïnd door bezoldigde collecteurs.
Niettemin werd de nieuwe belasting een mislukking en op 15 maart 1750 zijn de oude belastingen wederom ingevoerd.
De registers voor de in 1749 ingevoerde belasting -de Quotisatiekohieren 1749-1750 - zijn op die van een tweetal grietenijen in Friesland na, bewaard gebleven en bevinden zich thans in het Rijksarchief in Leeuwarden. Zij zijn o.m. van belang bij het bevolkingsonderzoek om de maatschappelijke typering van de aangeslagenen.
In deze registers worden per dorpvermeld:

a. de naam van het gezinshoofd:

b. het beroep van het gezinshoofd, soms de. burgerlijke staat:

c. de maatschappelijke typering:

d. het aantal gezinsleden boven en onder de 12 jaar:

e. het bedrag van de belastingaanslag.

De Quotisatiekohieren van de grieternij Lemsterland, die per 1 februari 1749 zijn opgemaakt, vermelden bovengenoemde gegevens voor de dorpen Lemmer, Eesterga, Follega, Oosterzee en Echten,
Uit een overgenomen recapitulatie uit deze kohieren blijkt dat Lemsterland in 1749 slechts ruim 1600 inwoners telde.
In zijn boek "Lemsterlân" wijst A. E. Klijnsma er al op dat een groot deel van de Lemster bevolking in de XVIII eeuw zijn bestaan op of bij het water heeft gevonden.
Ook blijkt uit een aan de hand van de Quotisatiekohieren opgestelde "beroep-lijst", dat een aanzienlijk percentage van de 327 gezinshoofden in 1749 een beroep had, dat direct o indirect verband hield met de scheepvaart. Immers Lemmer was niet alleen doorvoerhaven, er werd van hier uit handel gedreven met Frankrijk, de Oostzeelanden, enz.
En al vanaf begin 1700 beginnen ook de beurtdiensten op bijv. Amsterdam, Groningen, Leeuwarden en nog tal van andere plaatsen op gang te komen.
Daarnaast was ook het reizigersvervoer van betekenis. Overigens ontbraken natuurlijk ook de bakker, de herbergier, de winkelier, de schoenmaker, om maar een paar te noemen, niet Hoe "breed" die mensen het hadden, is vastgelegd in de kohieren van 1749, en daaruit kunnen we concluderen, dat er maar een relatief kleine groep is geweest, die materieel een redelijk bestaan heeft gehad: verreweg de meeste mensen leefden op de rand van of beneden het bestaansminimum.

Er moet ontstellend veel armoede zijn geweest Enkele notabele ingezetenen, zoals de grietman, een aantal kooplieden, behoorden tot de beter gesitueerden. De predikant van Lemmer kon, zo staat er, van zijn traktement leven.
De vraag rijst, hoe het in die dagen bijv. met de gezondheidszorg, de armenzorg en het onderwijs gesteld was in Lemsterland
Wat het onderwijs betreft: er werden in 1749 309 personen beneden de 12 jaar opgegeven. Ruw geschat mogen we zeggen dat er in de leeftijdsgroep van 6 tot 12 jaar zeker zo'n 150 kinderen geweest zullen zijn, die in aanmerking kwamen om (lager) onderwijs te ontvangen.
Er wordt echter maar één schoolmeester in Lemmer opgegeven en die is stellig niet instaat geweest om aan 150 kinderen les te geven. Waarschijnlijk heeft dus hier maar een klein aantal van deze kinderen enig elementair onderwijs gehad.
In de overige vier dorpen van de grietenij Lemsterland overheerste het agrarische beroep. Follega had naast zijn boerenbevolking nog een tweetal schippers, een pastoor,een schoolmeester, een timmerman en een venter.
In Oosterzee eveneens met een boerenbevolking woonden een predikant, een schoolmeester en enige neringdoenden.

Echten telde naast zijn boeren 4 vissers en er was ook nog een schoolmeester.

Eesterga was geheel agrarisch.

Einde

Met het verhaal over de sluis en herberg te Tacozijl is een tamelijk abrupt. einde aan de serie "De Zeven Grietenijen" gekomen.
Wijlen A.U.M. Taconis, volmacht van het waterschap "De Zeven Grietenijen en Stad Sloten" heeft de eerste 50 jaren geschiedenis, van het waterschap uit het archief gelicht Zijn tijdrovend werk werd niet voortgezet

Home


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.