|


Friesland verdeeld in
districten in het jaar 1345-1500. Later werden deze districten verdeeld
in Grietenijen.


Ontstaan
Omdat Bornego uitelkaar
viel in de 14e eeuw, toen het opgesplist werd, was er in
het zuiden van Friesland nood aan een nieuw verband.
Zevenwouden is omstreeks het midden van de 15e eeuw
ontstaan als een verbond van drie grietenijen van
Westergo en vier van Oostergo. De naam Zevenwouden wordt
voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1446. Het
verband werd aan het begin van de 15e eeuw gesloten
tussen de Bornegose delen Bornferd en Schoterland en et
Westergose Doniawerstal. Dit verband bestond
oorspronkelijk uit zeven delen: Bornferd werd
Utingeradeel, Aengwirden en Haskerland, van Schoterland
werd het kustdeel Oosterzeesterland, en van Doniawerstal
werd het kustdeel Mirderland.
Uitbreiding
In de 15e eeuw had dit
nieuwe verband niet veel invloed op de Friese politiek,
die vooral gericht was op Oostergo en Westergo. Maar
toen Gaasterland, Opsterland en de Stellingwerven
omstreeks het jaar 1500 zich aansloten bij Zevenwouden
werd het een gouw met dezelfde rechten als de andere
twee. De laatste veranderingen in de samenstelling waren
het samengaan van Mirderland en Oosterzeesterland tot de
Lemster Vuufge, later Lemsterland, terwijl andersom de
Stellingwerven in de grietenijen Ooststellingwerf en
Weststellingwerf verdeeld.
Bron Wikipedia.
"De Zeven Grietenijen en
de Stad
Sloten"
A. Taconis en Dr. Wumkes.
"De Zeven Grietenijen en Stad Sloten" te
Lemmer, is een historisch overzicht van genoemd waterschap over de
periode 1614 -1664. Zijnde een uittreksel uit het oud archief. Het
historisch overzicht is vervaardigd door volmacht wijlen A. Taconis uit
Oranjewoud in 1962.
De heer Albert IJnze Marie Taconis
werd te Heerenveen geboren op 11 juli 1900 en overleed hier op 15 juli
1964. Hij had een intense belangstelling voor en kennis van de
geschiedenis van de gemeente Heerenveen en heeft in plaatselijke bladen
over een lange reeks van jaren talrijke artikelen over de locale
historie geschreven en daardoor velen aan zich verplicht. Jarenlang
heeft hij zitting gehad in de commissie van advies voor de
straatnaamgeving. Daarnaast was hij incidenteel in commissies actief,
o.a. in de carilloncommissie.
Archief.
Het allereerste geschreven stuk over het
waterschap "De Zeven Grietenijen en Stad Sloten". dat nog in het archief
aanwezig is, bevindt zich in één der boeken betrekking hebbende op het
onderhoud van de waterschapswerken. Het gaat om de eerste officiële
verkiezing van het bestuur van het waterschap op 14 maart 1614. Volgens
de heer Taconis bestaat het waterschap al veel langer, maar
archiefmateriaal over de periode vóór 1614 is niet meer aanwezig.
Waarschijnlijk is dat te wijten aan de diverse verhuizingen en de Duitse
bezetting in 1940 -1945.
Verkiezing.
De heer Taconis heeft het eerste
geschreven stuk uit het archief gelicht Hij schrijft dat het in het oude
Gotische handschrift geschreven stuk niet gemakkelijk te ontcijferen is,
daar verschillende letters op drie verschillende wijzen konden worden
geschreven. Hier de aanhef van genoemd document: "Op huyden den 14 marti
1614 hebben voor ons in den nadere subscriptie verstrekt (aldaer
serieuslycken toe gecomitteerd sijnde) de restende volmagten van de
Seven Grietenyen en de de Stadt Sloten, pretendeerende de staat van de
contributie schuldigen so haare subt. begrenzinge (of begrootinge) van
den 7 marti anni als voren, terfine van de vergelijkinge ende
wettelijcke contributie. "
Binnen den Stadt Sloten vergadert synde weer Vicisim (achter dit woord"
plaatst Taconis een vraagteken) op den Stadthuyse aldaer, gecomitteert
en gerenomineert ende geëligeert ofte anderszins ende geresolveert aldus
inbrengen te sullen".
Volgens Taconis betekent bovenstaande, dat
de volmachten en andere functionarissen van het waterschap voor het
eerst waren bijeengeroepen in het Stadhuis van Sloten, om ten overstaan
van een bepaalde commissie een officiële verkiezing van de verschillende
functionarissen te houden.
Het schijnt dat tot die tijd deze verkiezingen wel eens wat te wensen
heeft overgelaten, omdat duidelijk in de aanhef staat, dat genoemde
commissie "serieuslycken" gecommiteerd was. Mogelijk hebben de Staten
van Friesland hier de hand in gehad, zo schrijft Taconis.
Het was de schrijver van het onderhavige historisch overzicht een
raadsel wie eerdergenoemde commissie vormden, tot hij bij een
afrekening, een paar maanden later, vond dat dit waren geweest, Joan
Eelis, secretaris van Lemsterland, Michiel Tjaerdts secretaris van
Schoterland en Ambrosius Gellius, secretaris van Aengwirden, welke voor
het noteren der stemmen hadden ontvangen tesamen 4 Carolus Guldens en 10
Stuiver! Dus f 1,50 per persoon!

Kaart van "De Zeven
Wolden"
Doniawerstal.
(1380: „Dodingwerff"; 1384: „Dodingwerstal".)
Zij is de derde griet. van Zevenwouden, en
ontleent haren naam, even als het in het Z. gelegen d. Doniaga, alwaar
oudtijds de openbare teregtzittingen werden gehouden, van het adell.
geslacht Donia, dat hier vroeger woonde en veel gezag had, en van
warstal of werstal, regtstoel of regtsgebied.
De grietenij werd in
het jaar 1350 gesticht,voorheen
was deze griet. met Lemsterland verbonden
maar 635 jaar later
werd deze historische gemeente Doniawerstal opgedeeld,
Voor deze Grietenij verschenen de Grietmannen;
Dirk Hankema; (1421 - ?), Buwa Wijbesoon Jollema; (1504 - ?), Yde Hansz;
(1510 - 1517), Gijsbert van Schoten; (1517, 7 Febr. officieel benoemd -
1524), (Waarschijnlijk vroeger Houtvester van Holland en alsdan
gehuwd met Johanna van Schagen. In Nov. 1517 was deze grietenij
Geldersch en denkelijk toen onder het bestuur van den grietman van
Hemel. OIdephaert). Pier Lythiens; (30 Sept. 1524 - 1524),
Lyuwe Aedgaertsz Vuyter IJlst; (1524, 11 Oct. - 1531) (Hij werd in
1527 wegens schuld gevangen gezet, terwijl Henno Joukesz, althans in
1528 als substituut voorkomt; maar in een stuk van Juli 1529 komt „Lyuwe"
weder als grietman voor). Pieter Visscher; (1531 - 1541), die na
den Landsdag, waarvan V. Sm. spreekt en die 21 April 1539 plaats had,
afstand schijnt gedaan te hebben. In 1538 of '39 was *Pier Ansckis
substituut, later grietman). Pier Hansckis of Ansckis; (1541 -
1548) (Die kort vóór 21 Sept. 1548 overleed. (Bij brief van 21 Sept.
1548 werd Jancke van Douwama door den Raadsheer Pieter van Dekama aan
den Stadhouder Maximiliaan van Egmond aanbevolen, maar blijkbaar zonder
gevolg). Gabbe van Andringa; (Waarsch. eind 1548, althans Maart 1550
- 1551) (Vroeger grietman van Utngeradeel; komt ook voor in 1558 en
stierf waarschijnlijk 12 Febr. 1561). Hillebrant Entens; (1560 -
1562) (Vermoedelijk een zoon van Barthold, die in 1574 werd vermoord
en Emerentiana van Holdinga en alsdan broeder van den bekenden Watergeus).
Martinus Hamconius; (1551-1562). Was (substituut-) grietman van
Lemsterland en Doniawerstal, koos de zijde van de Spaanse koning en de
katholieke kerk en moest daarom, toen de opstandelingen in Friesland de
overhand kregen, zijn functies van substituut-grietman van Lemsterland
en grietman van Doniawerstal opgeven. Hij vertrok naar het nog door de
Spanjaarden beheerste gedeelte der Nederlanden, maar moest met dezen
vesting na vesting verlaten (Steenwijk, Groningen, Lingen, Doetinchem).
Misschien maakte hij van het Twaalfjarig Bestand gebruik om naar zijn
geboorteland terug te keren. Anderzijds heeft hij zijn boek in 1609
opgedragen aan aartshertog Albertus van Oostenrijk en hoopte hij
mogelijk zo voor een betrekking in de koninklijke Nederlanden in
aanmerking te komen. Everaert Entens; (1562 - 1572) (Werd in
1572 „wegens rebellie" afgezet. Huwde met Catharina van Rennoy en woonde
te Idskenhuizen. Indien hij een broeder van den voorgaande is geweest,
dan heeft hij Johanna van Uterwyck tot vrouw gehad). Joost de
Vastaert; (1572 5 Nov. aangesteld - 1577) (Huwde Auck, dochter van
Gerlof Sipkes, die evenals hij in 1580 moest vluchten. Komt nog voor in
Juli 1576. Zijne weduwe, is later in Friesland teruggekeerd, hertrouwde
met Tjaert Siccama, een geleerd man en secretaris van Bolsward).
Erasmus van Douma;(1577 - 1581) (Zooals V. Sm. vermeld, in 1580 gevangen
genomen , zond een request aan den hove met de vraag, waarom hij
eigenlijk van zijn grietmanschap was beroofd. Den 7 Maart van
laatstgemeld jaar werd Tiete van Hettinga tot waarnemend grietman
benoemd, die kort daarna, waarschijnlijk reeds den 31 sten October
daarna, sneuvelde en na wien vrij zeker Marten Hankema eenigen tijd
substituut is geweest. Tzialke Meynes; (1581 - 1582), Aucke Edesz
Reinalda; (1582 - 1586), (Den 5 Sept. 1582 had er eene opneming van
stemmen plaats, waarna werd gekozen: Aucke Edesz Reinalda, die 24 Sept.
daarna werd aangesteld. Komt ook voor in 1586). Elardt Reynalda;
(1586 - 1610), Eylert Auckes van Reynalda, (1610 -1619) Syds van
Osinga; (1619 - 1652), Sybren van Osinga; (1652 - ?), Willem III van
Haren; (1679- 1722), Johan Vegilin
van Claerbergen; (1722- 1772), Julius Johan van Eysinga; (1773 -1795),
Bij de afschaffing der grietenijen in 1795 moest ook hij van zijn ambt
afstand doen. Bij de wederinvoering der grietenijen werd hij
opnieuw benoemd tot grietman van Doniawerstal doch vroeg en verkreeg
in 1819 als zoodanig zijn eervol ontslag. Schelte Hessel Roorda;
(1819-?)
Om het eerste archiefstuk wat de rest van de inhoud betreft beter
leesbaar te maken, heeft Taconis de uitgebreide 17de eeuwse tekst in
tegenwoordig Nederlands "vertaald". De zeer Edele Reynalda, ontvanger
van deze Grieteny, gesteund door Solcke Romckes, dorpregter binnen ter
Oele en Inne Broers, vertegenwoordigden deze Grieteny. Zij wilden de
zittende dijkgraaf Obbe Obbes (van 1604 tot zijn dood in 1632 grietman
van Gaasterland, tevens dijkgraaf van Sloten) in zijn functie handhaven.
Dijksgecommitteerden bleven Andries Johannes Aesma (misschien Assema uit
Oldeouwer?), Hylcke Jouckes en Eele Jans. Dijksopziener werd Sytthe
Sytthes (secretaris van Sloten). Boonte Hiddes bleef dijksopzichter en
Poppe (of Popcke) Wobbes bleef dijksbode en strandvonder. Hieruit merken
we dat er voorheen drie gedeputeerden waren. Jammer genoeg is niet
vermeld waar ze woonden. Dijksopziener lijkt me een luxe baan toe, of
hij moet ook ontvanger zijn geweest, daar de opzichter het werk deed. De
bode en strandvonder was wel een baan typerend voor die tijd.
Hiervoor traden op Wobbe Harkes, mederegter (zoiets als wethouder) en
Fedde Feddes,secretaris van deze Grieteny. Zij stemden zeer eensgezind
als dijkgraaf Obbe Obbes. Ook de andere aftredenden werden door hen
gehandhaafd.
Gaasterland.
(1396: ,Geesterland; 1398: „die Gheesten".)
Voor deze Grietenij verschenen de Grietmannen: Peter Epesz; (1510 -
1517) (Mogelijk een Walta of Jongema). Barthout van Zwolle; (1517
- 1524) (Was overste onder den veldheer Felix van Oostenrijk).
Luwe Uyter IJlst; (1524 - 1526) (Hiervoor reeds op Hemel. Oldeph.
c.a. en Doniawerstal vermeld). Rudolph van Bunau; (1526 - 1537) (Denkelijk
nog 30 Sept. 1532 ; zoon van Heinrich en Agnes von Nothaft von Wernberg,
vrij zeker van een Saksisch geslacht. Hij overleed 30 Aug. 1542 te
Franeker en werd aldaar in de Martinikerk bijgezet). Gale van Galema;
(1537 - 1541) (Ook in 1539 (V. Sm. Testeerde 17 Aug. 1558 op Hoxwier
te Mantgum en stierf aldaar 31 Mei 1559). Henno Scholtes; (1541 -
1549) (Komt nog voor 17 Mei 1549 en overleed vóór 26 Maart 1550).
Holle Piers; ( 1549 - 1560) (25 Dec. aangest. In 1554 werd geklaagd,
dat hij „buyten syne Grietenye" woonde). Hans Holles; (1560 - 1569)
(Misschien zoon van den voorgaande;
ook in 1568. Pier Holles, denkelijk zijn broeder, was in 1565 en 1567
substituut). Abel van Boeymer; ( 1569 - 1572) (In plaats van den
overleden Hans Bolles, broeder van Pieter, grietman van Franekerdeel en
van Arent, in 1570 secretaris van O.-Dong.deel. De inval van Enkhuizen
uit, waarover V. Sm. spreekt, moet in Juli 1572 hebben plaats gehad. In
het begin der volgende maand weigerden die van Sneek hem met eenige
gevangene Geuzen door te laten, terwijl hij 10 Sept. bij Galamadam zwaar
werd gewond, waarop hij, zooals V, Sm. zegt, naar Sneek in de gevangenis
werd gebracht en vrij zeker in datzelfde jaar nog is overleden. Zijne
vrouw heette Geis Jans Herckema). Saekle Suijerdts; (1572 - 1574) (Die
in Augustus van 't volgende jaar werd aangesteld tot „capitein" van een
der drie grootste galeijen, die toen denkelijk te Harlingen werden
uitgerust, om de Watergeuzen te bevechten. Hij zal wel dezelfde zijn als
„Saackle Tabbinthies van Boolswaart", door Schotanus omstreeks 1566
vermeld. „Sloten ofte Balck"was zijn verblijfplaats bij zijne vlucht in
1580. Hij was 1 Oct. 1574 nog grietman). Rein IJdsen; (1547 - 1585)
(In een brief van 20 Maart 1579 wordt hij genoemd: „een heel jonch
man". Er kwamen in Juli 1576 groote klachten over hem in wegens
ongeoorloofde afpersingen met dreigementen van Soldaeten selffs
executerende" en waaruit tevens blijkt, dat hij toen althans „omtrent
twee jaeren" in functie was. Komt ook voor in 1575 en overleed in
1584. (V. Sm.) Wellicht was IJds Reinsz., die zijn vader zal zijn
geweest en in 1579 is overleden, eenigen tijd substituut, althans vrij
zeker geen grietman). Sibren Hiddesz; (1585 - 1604) (Gehuwd met
Andries Sipkes. Hij komt als „Sybrand Hidtszoon" met den secretaris
Jelle Tjêrxzoon in eene attestatie voor van 14 Nov. 1585. In April
1584-werd er geklaagd, dat „die gheene die naeste jaeren Deputeerde
„zijn geweest, al te hoope , off hun kynderen mitte besten Grietenijen,
als gevolgen ofte consequentien van Deputeertschap, verzien zijn
geweest, blijckende aen Humalda", (O.Dong.deel) „Doecke Aysma" (Ferw.deel),
Jancke Oesinga" (Wonseradeel), Aucke Edes, (Doniawerstal), Sybren
Idszoon (Gaasterland) ende anderen. Hij deed 11 Januari 1604 afstand van
de grietenij. (V. Sm.)) Obbe Obbes; (1604 - 1632) (Werd in 1610
dijkgraaf). Lambertus Sigma; (1632 - 1637), Hanso van Lycklama; (1637 - 1639)
(Zoon van Rinthje Lycklama, behoorde volgens het Stbk. wèl tot het
thans levend geslacht dor Lycklama's). Johannes van Scheltinga; (1639 - 1669), Jetze van Sminia; (1669 - 1679),
Valerius van Günstra; (1679 - 1693), Eelco van Glinstra; ( 1693 - 1706),
Henricus van Wyckel en Lycklama van Wyckel; (1706 - 1710) Ulbo van Aylva
Rengers; (1710 - 1785), Lamoraal Albertus en Aermilius Rengers; (1785 -
1816), Johan Petrus van Hylcklama; ( 1816 - 1817), Regnerus Hendrik
Sjuck en Gerrold Juckema van Burmania, baron Rengers; (1817 - 1823),
Wicher van Swinderen; (1823 - 1835) en tot slot Gerard Reinier Gerlacius
van Swinderen.

Kaart van
de Gemeente Gaasterland.
Haskerland.
(1466: „Hasckera Vyffgäen.)
Voor deze Grieteny verschenen de Grietman Hobbe Baerdt en de mederegter
Baucke Merkx als volmachten. Deze stemden wel op de Edele en Ehrentfeste
dijkgraaf Obbe Obbes en de drie dijksgedeputeerden Andries Jochems Aesma,
Hylcke Jouckes en Ele Jans, maar voor dijksopziener stemden zij op
Michiel Rykoldts, secretaris van Schoterland, terwijl de dijksbode Popke
Wobbes en, de dijksopzichter Boonte Hiddes volgens hen er in mochten
blijven.
Voor deze Grieteny verschenen de Grietmannen:
Uta Sipkesz; (1466 - 1521). (Misschien
dezelfde als Oeds...(-Uta?), die Maandag na O. L. Vrouwendag Annunciatie
1489 een giftbrief teekende van Jacob Saeckens te Rotten, die het
Haskerconvent met eenig land begiftigde).
Douwe
Uninga van Hoytema; (1521 - 1544). (Later schijnt Douwe zich aan de
bourgondische zijde begeven te hebben, daar hij als bourg. grietman den
11 October 1524 zijne officieële aanstelling bekwam, terwijl hij dit
ambt denkelijk nog in 1541 bekleedde). Jelle
Broers Hylckama; (1544 -1545) (ook in 1545; hieruit volgt dus, dat de
door V. Sm. genoemde Wybrandt Waltinga, die hierna zal worden vermeld,
in 1544 geen grietman is geweest, maar misschien substituut). Hylckama
was een Spaansgezinde Nederlands bestuurder en rechter uit de 16e en 17e
eeuw, die secretaris en grietman van Haskerland was. Hij was een
afstammeling van Juw Juwinga die in 1369 potestaat van Friesland was).
Gabbe van Andringa; (1545 - 1548), Wybrant Auckes
(Waltinga?); (1548 - 1549), Ulke van Hoytema; (1549, aangesteld 25 Dec.-1558)
(Vrij zeker door zekeren Wopke Gerkesz. vermoord, die 21 Maart 1561
veroordeeld werd, om onthoofd te worden, dewijl hij „den grietman van
Hasker vijfgae" met een hellebaard had doodgeslagen en daarenboven „for'sen
ende gewalden" had gepleegd). Hoijte Uninga
van Hoytema; (1558 - 1578) (Bij zijne vlucht in 1580 was de Joure
zijne woonplaats. Hoyte stierf in 1582 te Emden). Sijbe Piers;
(1578, 14 Aug. - 1582), Asse Obbes; (1582, 24
Febr. - 1601) (Hij behoorde waarschijnlijk tot het geslacht der
Assema's. Overleed omstreeks 1601). Dirk van Baerdt; (1601, 7 Sept.
benoemd - 1615): wegens overlijden van Asse Obbes; werd 22 Maart 1608
dijkgraaf. Zijn naam komt voor op de kerkklok te Joure (1603).
Hobbe van Baerdt; (1615 - 1650), Egbert van Baerdt; (1650
- 1669), Arnold van Viersen; (1669 - 1681), Mathijs van Viersen; (1681 -
1689), Hessel Vegilin van Claerbergen; (1689 - 1707), Philip Frederik
Vegilin van Claerbergen; (1707 - 1739), Assuerus Vegilin van Claerbergen;
(1739 - 1749), Hessel Vegilin van Claerbergen; (1749 - 1750), Schelte
Hessel Roorda van Eysinga; (1750 - 1790), Arent Johan van Glinstra;
(1790 - 1795). Tijdens de
Franse overheersing (1795 - 1816) waren er geen Grietmannen.

Kaart van
de Gemeente Haskerland.
Schoterland.
(1309: „Scoterwerf", 1384: „Scoterland".)
Als volmachten waren verschenen Tiberius
van Oenema (een zoon van de Grietman Tijweko van Oenema); de mederegter
Fedde Rouckes (welke in de geschiedenis van Schoterland niet een erg
fraai figuur is en meermalen zelf in dronkenschap overtredingen heeft
begaan!) en als lasthebber van de andere mederegter Egbert Broers trad
op Ale Bouwes (zeker een gewoon ingeland van het waterschap). Zij
stemden dijkgraaf Obbe Obbes, als dijksgedeputeerden Andries Jochems,
Aesma, Hylcke Jouckes en Eele Jans, maar voor dijksopziener kozen zij
Michiel Tjaerdts, "tegenwoordig vigerend dijksopziener".
Deze Michiel Tjaerdts was dus als dijksopziener in functie, maar de
meeste leden wilden stellig liever iemand hebben uit het centrum van het
waterschap.
(Uit andere notities blijkt dat Michiel Tjaerdts een funktie had 'bij de
Dekema Cuyck en Foyts Veencompagnie en dat zijn nageslacht later de naam
van Heloma heeft aangenomen). De dijksbode Popke Wobbes en de
dijksopzichter Boonte Hiddes wilden ze echter wel handhaven, zodat het
alleen tegen die secretaris van Sloten ging!
Vrij zeker in 1514, 6 December aangesteld:
Merck Syrxsen, tevens grietman over Stellingwerf. Men vindt hem in
zekere oorkonde aangeduid als: Groete Merck Sirkx, in Schoeterlandt,
terwijl men verder vindt aangeteekend, dat „groete Marck Syerckx-zoen
voorz. bij den Geldersche ende „Bourgonsche tijden, ende daarentusschen,
groete stoltheijt ende „vroemheijt voor sijn Vriesen ende Vrieslandt
heeft vertoent ende bedreven, als tegens den Swarte Hoep, ende tegens
alle anderen, die Vrieslandt ende den Vriesen dochten ofte poechden toe
vercrencken, ende sonderlinghe doer den slach toe Unia huys bij
Leeuwaerden, alwaer hij met sijn Wold Vriesen omtrent anderhalff duysent
Saksensche Knechten weder nae Leeuwaerden dede wijeken ende vluchten,
ontsettende ende verlossende alsoe vier Vriesche Heerschappen, als:
Jancke Douwema, Jancke Oenema, Jouw Jousma ende Sicke Douwes, met een
ijder hondert Vriesche Knechten, die van den Vianden ofte Sassenschen
voorz. opt. voorz. Unia huijs al waeren besingelt, belegert, ende op het
vuyterste benaut." Het bedoelde Uniahuis lag te Wirdum. Deze
omstandigheid had plaats in het laatst der maand Januari 1515, terwijl
hij zich in December van 't vorige jaar met vele manschappen uit de
Zevenwouden voor Oldeklooster bevond. Daar Frederik van Roorda vóór Oct.
1521 grietman van Schoterland
was van de Geldersche zijde en toen gevangen genomen werd, zoo is het
waarschijnlijk, dat Merck Syrcksz. afstand deed van deze grietenij, maar
grietman van Stellingwerf bleef.
Voor deze Grietenij verschenen verder de
volgende Grietmannen: Lyckle Ebles; (1517, 18 Febr - 1517?) (wiens
benoeming 19 Aug.
1525 werd geregistreerd en die tevens de helft van Stellingwerf
bestuurde). Frederik van Roorda; (Waarsch. 1517, Nov. - 1524), (Geld.
grietman, althans vóór 1521 en bleef dit vrij zeker tot 1524. Hij
overleed in 1539). Ids Tjebbis; (1524 - 1528) (Die eerst 11 Oct.
van dit jaar zijne officieele aanstelling bekwam. Hij was tevens
grietman van Aengwirden en bestuurde beide grietenijen nog in 1528).
Doede Hanses; (1528 - 1529) (Door V. Sm. in 1528 als grietman
vermeld, heeft waarschijnlijk na Ids Tjebbis korten tijd provisioneel de
grietenij
bestuurd. Indien de naam Doede bij V. Sm. een schrijffout is voor: Heere,
dan kan hij dezelfde persoon zijn geweest als Heere Hansz. Hanckema, die
als substituut van Hemel. Oldephaert is vermeld). Tinco Sakes;
(1529, 5 Juli aangesteld - 1546) (Gehuwd met eene vrouw uit het
geslacht Oosterzee. Tevens grietman van Aengwirden in 1529. Was nog
grietman van Schoterland in Juni 1551 en overleed
in 1554, waarna hij te Oudeschoot werd bijgezet). Anne Scholtes;
(1546 - 1554) (Waarnemend grietman, ook in 1571). Sybrand van
Hottinga; (1554, 8 April - 1579) (Vrij zeker kort te voren
aangesteld. Was nog grietman in 1575. Waarschijnlijk zoon van Jarich, in
1523 grietman van Hennaarderadeel, en zooals V. Sm. vermeldt, gehuwd met
Maaike van Naerden). Jacob Tjebbis; (1579, 7 November - 1591) (Ook
in Maart 1586). Tinco van Oenema; (1591 - 1627?) (Zoon van
Tjepcke en Sijbrech Tincosdr. van Nijega. Hij werd 14 April 1592 tot
dijkgraaf benoemd; overleed 20 Aug. 1631 en word te Oudeschoot begraven.
Zijne moeder was vrij zeker eene dochter van den bovengemelden Tinco
Sakes. In 1593 was Ulbe Goyties zijn substituut). Amelius van
Oenema; (1627 - 1647) (Die te Oudeschoot werd bijgezet, komt voor,
evenals die van een bijzitter op de kerkklok van Mildam). Daniël de
Blocq van Scheltinga; (1647 - 1692). Martinus van Scheltinga; (1692 -
1715). Menno Coehoorn van Scheltinga; (1715 - 1777). Martinus van
Scheltinga; (1777 - 1795)

Kaart van
de gemeente Schoterland.
Opsterland.
(1395: „Upsaterlant" en oudtijds ook „Haudmare" geheeten).
Hiervoor kwamen Teye Sackes, fungerend secretaris en Anne Piers als
volmachten. Zij herkozen de dijkgraaf Obbe Obbes en de
dijksgedeputeerden Andries Jochems Aesma, Hylcke Jouckes en Eele Jans.
Tegen Sytthe Sytthes als dijksopziener maakten ze echter bezwaren. Ze
wilden hem wel hebben, maar vonden dat Michiel Tjaerdts, secretaris van
Schoterland, als aftredende er meer recht op had. Met zeer veel woorden
zeggen ze dat Sytthe dan maar het werk moet doen, doch dat een deel van
de inkomsten aan Michiel toe moet komen!! De dijksbode Popke Wobbes en
de dijksopzichter Boonte Hiddes bleven gehandhaafd.
Hierbij moeten we even vermelden dat de secretaris van dit stuk onder
Haskerland als secretaris van Schoterland Michiel Rykoldt vermeld,
terwijl dit was Michiel Tjaerdts. Het was echter van geen invloed, want
hij kreeg toch te weinig stemmen.
Voor deze Grietenij verschenen verder de
volgende Grietmannen: Jorerd Azijnga (1438 -1471). Focke Eesckes; (1471
- 1501) (Zeer bekend in de Friesche Geschiedenis, huwde eene dochter
van Wybe Jarichs Jelckama, wier naam onbekend schijnt te zijn; hij
overleed omstreeks 1476). Sywart Sappensz (of Sappis); (1501, 14
April - 1518). Sjoerd Feickes; (1518 - 1524) (Een uprecht man", zegt
Jancko Douwama; zeer zeker was hij Geldersch Grietman). Jan Bruin;
(1524 - 1526). Sieurt Sappis; (1526 - 1545) (Denkelijk dezelfde als
de bovengenoemde en vóór Maart 1543 overleden). Focke Teijes; (1545
- 1579) (Ook 2 Juni 1576; gehuwd met Auck Sjuerdtsdr. Boelens. Reijn
Idsen, grietman van Gaasterland, schijnt in 1575 waarnemend grietman te
zijn geweest). Hepcko Fockens; (1579 - 1614) (Ook in 1585. (V.
Sm.) zoon van Focke Teyes,
Grietman van Opsterland, en van Auck van Boelens,
werd in 1582 Volmagt ten landsdage uit de Zevenwouden en was in 1584 een
der zes gecommitteerden tot het opnemen van de rekeningen van de
landschaps ontvangers en rentmeesters. In 1585 tot Grietman van
Opsterland benoemd, werd hij tevens in meer andere belangrijke zaken, de
provincie aangaande, gebruikt. In 1600 was hij lid van Gedeputeerden.
Hij was gehuwd met Martien Martini. Zijn
zoon volgt). Martinus Fockens; (1614 - 1623) (Zoon
van den voorgaande, werd in 1566 Monstercommissaris, in 1614 Grietman
van Opsterland, waarvan hij later afstand deed, en in 1627 lid van de
Admiraliteit van Dokkum. Hij was gehuwd met
Wiskjen, dochter van Feicke Tetmans,
Grietman van Utingeradeel. Zijn zoon volgt).
Saco Fockens; (1623 -1650) (zoon
van den voorgaande, geboren in 1599, werd in 1623 Grietman van
Opsterland, in 1629 Volmagt ten landsdage en in 1647 lid van
Gedeputeerden. Hij overleed in 1652 en was gehuwd met
Lucia, dochter van
Ige Siccama. Zij overleed in 1675. Twee
zonen van hen volgen). Martinus Fockens; (1650 - 1693) (Zoon
van den voorgaande, geboren in 1633, werd in 1650 Grietman van
Opsterland en in 1661 lid van Gedeputeerden. Hij behoorde in 1672 tot de
commissie, verkozen tot het beramen van middelen ter verbetering van het
politie-, militie- en finantiewezen der provincie. Hij overleed den 12den
Maart 1692 en was gehuwd met Anna Kinnema,
die den 28sten
October 1707 stierf). Agustinus Lijcklama; (1693 - 1718). Livius
Suffridus Lijcklama van Nijeholt; (1718 - 1773). (Zoon van voorgaande).
Daniël de Blocq Lijcklama a Nijeholt; (1773 - ??) (Broer van
voorgaande).
familie
Teyens, Beetsterzwaag. Beschrijving van de gebeurtenissen.

Kaart van
de Gemeente Opsterland.
Aengwirden. (1466 en 1473:,Aenwird.")
1466 : misschien was toen TJEPCKE OENEMA
grietman van Aengwirden en Utingeradeel. (1509): TJAARD ANDRINGA,
dezelfde die grietman was van Utingeradeel; sedert 1511 waarschijnlijk
alléén grietman van Aengwirden. Later werd hij Geldersch grietman van
Utingeradeel, maar of hij toen ook namens den Hertog van Gelder
Aengwirden bestuurde, is onzeker.
1524: YEDT TIEBIS of TJEBBES, ook grietman van Schoterland. Over de
waarneming dezer twee grietenijen werd bij doleantie van 21 Februari
1527 geklaagd, waarop het antwoord luidde: „Hyer „aff heeft myn
Ghenedyghe Vrouwe den Stadholder last ghegheven", in dien zin, dat hij
en anderen, die in hetzelfde geval verkeerden, „één afftreeden zullen,"
waarna hij toen van beide grietenijen afstand schijnt te hebben gedaan.
Hij komt voor op de lijst der edelen in de Zevenwouden in 1505.
1529: THINCKE SAEKES, ook grietman van Schoterland; deed reeds vóór 1531
afstand van Aengwirden.
1532: ABBE JANSZ., ook 21 Oct 1533 en in 1541. Volgens E. M. v. B. was
hij vroeger, in 1525 „ondergrietman van Aengwert."
1542: GARBRANTS MYNTHIESZ., woonde te Gersloot; zijne vrouw heette Trijn
Glaesdr.
(1576, 29 Dec. aangesteld): JOCHUM GARBRANTSZ., in de plaats van zijn
vader; ook nog in 1580.
(1580), 14 Sept. : SJURT TJEBBES; bleef denkelijk grietman tot in 1585,
in welk jaar Feycke Tetmans door V. Sm. als grietman
van Utingeradeel vermeld, subst. grietman van Aengwirden zal zijn
geweest. (Vóór 1589 waarschijnlijk reeds) : JOHANNES AGRICOLA.
(1605, 26 Juli aangesteld): HIPPOLYTUS CRACK.
Verder valt op te merken, dat JOHANNES CRACK (1636) een broederszoon was
van Hippolytus en dat hij werd bijgezet te Oudeschoot, alsmede dat
TJAERD VAN HELOMA (1652) te Beetsterzwaag door 't hollen zijner paarden
uit den wagen viel en daardoor omkwam.
Zijn broeder Nicolaas dong wel naar 't grietmansambt, maar *Bouricius
werd benoemd.

Kaart van
de Gemeente Aengwirden.
Lemsterland.
(1504: „Lemster Vyffga").
Voor deze Grietenij verschenen de Grietmannen: Agustinus Stijntiema;
(1498 - 15??). Jancke Oosterzee; (15?? - 1522). Pieter Visscher; (1522 -
1539). Kerste Piers; (1539 - 1571). Idzard Stijntiema; (1571 - 1580). Pier Anskes; (1580 - 1585)
(Lag in 1580 als Kapitein van
een vaandel in de Lemmer, om die plaats te verdedigen; doch moest,
doordien zijne manschap onwillig was om te vechten, de schans verlaten,
en nam met zijne soldaten, alle krijgsbehoeften en eenige schepen de
wijk naar Enkhuizen. Hij was in 1582 volmagt ten landsdage).
Jaen Auckes; (1585
- 1609), Christoffel Jochems Oosterzee;
(1609 - 1635), Eeko Heeres,
mederegter en Johannes Solckes, contribuabele (ingeland), welke zeer
eensgezind op de aftredenden stemden, zodat het wel iets op een
afgesproken zaak leek! Ciprianus Oosterzee; (1635
- 1641), Frederik van Roorda; (1641 - 1665), Sako Fockens; (1665 -
1666), Tinco van Andringa; (1666 - 1689), Regnerus van Scheltinga; (1689
- 1692), Regnerus van Andringa; (1692 - 1741), Regnerus Lycklama à
Nyeholt; (1741 - 1752), Daniël Livius de Kempenaer; (1752 - 1772),
Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer; (1772 - 1795) Tijdens de
Franse overheersing (1795 - 1816) waren er geen Grietmannen.
Antoon Anne van Andringa de Kempenaer; (1816 - 1825), Onno Reint van
Andringa de Kempenaer; (1825 - 1836), en Wilco van Andringa de Kempenaer;
(1836 - 1851).
De
grietmannen van Lemsterland.
Door Jaap van der Zwaag.

Kaart van
de Gemeente Lemsterland.
"De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten"
Obbe Obbes werd 31 januari 1604 Grietman van Gaasterland;
ook was hij Dijkgraaf van de zeven Grietenijen en de stad Sloten, en
werd in 1602 lid van Gedeputeerden. In 1620 volgde hij de lijk-statie
van graaf Willem Lodewijk als lid der Staten van Friesland.
Uit te voeren werken.
Het volgende belangrijke stuk is het
verslag van een vergadering van dijksgedeputeerden en volmachten op 8
april 1614, welke na missive van de dijkgraaf Obbe Obbes van de laatste
maart waren samengeroepen ten huize van de mederegter Obbe Obbes te
Lemmer. Behalve Aengwirden waren allen aanwezig. Dit was een belangrijke
vergadering, want het betrof hier verschillende verbeteringen. aan de
zeedijken onder het beheer van het waterschap tussen Veenhuysen en het
Roode Klif. Volgens mij lag Veenhuysen in de Kuinderpolder, precies op
de grens van Overijssel en Friesland. Op de kaart van Schotanus uit 1718
heet dit gehucht Veenhuizen.
Het blijkt hier te gaan over het gedeelte zeedijken dat moest worden
onderhouden door Haskerland, en dat staat opgegeven als de Hasker-
Hornster Zeedijken. Verder over de Echtener en Lemster zeedijken op het
west van het Polske Gat aan de Hop, zijnde op het west van de nyduicker
van 1611 (de nieuw gelegde duiker uit 1611), waar zeven voeten verlegd
moesten worden. Idem vanaf de paal die in 1613 bij de Kiendam was
geslagen. Idem tussen de langebuitenpaal naar het Oost van de Lemmer,
waar 25 voet voor deze paal verlegd moesten worden, naar "divertie" van
de dijkgraaf.
Tevens tot de noodzakelijke gronden van de Lemster huissteden (dus het
dorp zelf) waar een palenrij hersteld moest worden.
Verder vier en acht voeten paalwerkbij de Oostzee-inger dijken (dus die
onder het dorp Oosterzee vielen): Idem de kavel voorde Broekster
zeedijken, staande bij de Hop, acht voet te verleggen en aan de
Oosterzijde drie voeten, tot "divertie" van de dijkgraaf, ende te
"bullen" (vermoedelijk aanvoegen met stenen).
Idem bij de Broek de zeedijken onder Wijckel ter lengte van 5 roeden van
nieuwe palen voorzien.
Er werd verklaard dat de andere plaatsen welke door de dijkgraaf en
adjuncten voor noodlijken (noodzakelijk) zijn opgegeven, nodig van
grondwerken moeten worden voorzien, terwijl verder naar de zuidelijke
kust, waar voor enige jaren is gewerkt, de stenen ommegang moet worden
hersteld tot divertie van de dijkgraaf en zijn adjuncten. Verder dat de
volmachten alsnog insisteren en verifiëren dit opgelezen stuk ende alles
onderhouden willen hebben. Zulks doen en belovende dit verslag, in ons
respect voor de dijkgraaf en zijn adjuncten, de volmachten beloven alles
in hunnen Grietenyen te zullen voorlichten.
Ze beloven dat, als de werken zullen zijn uitgevoerd, zij hun aandeel
met de inkomstelijke contributie in november en, december van dit jaar
zullen betalen (Het waterschap moet eerst de kosten voorschieten!).
Aldus geteekende met onze handteekening of huismerken anni dies mensa
(jaar, dag en maand) alsvoren., Was o.a. getekend
door H.B. van Baerdt, Gerckema en Fedde Rouckes. De andere handtekening
waren niet te ontcijferen.
Voorwaarden.
Hierna volgden de voorwaarden waaronder de
dijkgraaf en de adjuncten de bovenstaande werken wensten aan te
besteden: De gebruikte palen bij de Hasker Hornster Zeedijken, de
Echtener en Lemster Zeedijken bij de Hop moesten in het midden 8 duimen
breed en 5 duimen dik zijn, geen kleineren zouden worden aangenomen.
De lengte zou moeten bedragen 17 voet. De straf op verkeerde levering
was dat ,de aannemer dan een dubbel. aantal moest leveren voor de
ingeschreven prijs! De betaling zou niet geschieden voordat het werk
door de dijkgraaf en zijn adjuncten zou zijn goedgekeurd.
Over de kistwerken lezen we nog, dat deze met een ijzeren bout versterkt
moesten worden van 8 pond zwaar, welke aan het
ene einde een ring en aan het andere einde een gaat moest hebben en door
"rimmen" (dwarsbalken) gestoken konden worden,
terwijl ze van beide kanten met een ijzeren plaat moesten worden
vastgezet.
Aan het slot staat nog dat de aannemers van alle genoemde werken moesten
beginnen voor St. Odulphus anno 1614 en veertien dagen voor St Lambertus
daaraanvolgende het werk volbracht moesten hebben, waarna de dijkgraaf
en adjuncten het dan konden bezien en keuren. Indien de aannemer was
afgeweken, viel hij in een boete (niet opgegeven hoeveel) en kondende
borgen worden aangesproken. De heer Taconis kon niet vinden wanneer St.
Odulphus was (Het feest van Odulphus wordt op 12 juni gevierd.
Sint-Odulphus (Oirschot - † na 854, Utrecht) is een heilige
Benedictijn en missionaris uit het einde van de 8e en begin 9e eeuw, de
apostel der Friezen, ),
Maar St. Lambertus was op 17 september,
zodat de werken in het zomerseizoen moesten worden uitgevoerd.

Kopergravure door
Pieter Soutman (ca. 1650) van St. Odulphus.
Dijksopziener best betaald.
"Heden den 13 mei 1614 heb ik, Obbe Obbes,
dijkgraaf, met mijn adjuncten aanbesteed het onderhoud van de Zeedijken
tusschen Veenhuysen (in de Kuinderpolder) en het Roode Klif (Gaasterland)".
De inschrijving geschiedde in prijzen waarvoor de aannemer vijfvoet
paalwerk wilden vernieuwen.
Lolle Oeges, burger van Workum, wilde dit
doen voor 18 Carolus Guldens en 10 stuivers;
Eyle Bottes, van Cornwerd vroeg hiervoor 20
Carólus Guldens en 15 stuivers
Foeke Feddes, ook van Cornwerd, vroeg 24
Carolus Guldens.
Lolle Oeges had als borg Hans Piers te
Idsegahuizen en Eyle Bottes had als borg Bendix Piers te Idsegahuizen.
Of Foeke Feddes ook een borg had, is niet
bekend. Vermoed wordt dat de drie aannemers gezamenlijk de werken hebben
aangenomen, want bij de betalingen op de afrekening van 23 oktober 1614
ontvangt Lolle Oeges voor verschillende posten onderhoud, 2800 Carolus
Guldens, terwijl de anderen niet worden genoemd. De gehele uitgave was
3753 Carolus Guldens, 2 stuivers en 8 penningen.
De voornaamste posten:
Wobbe Merx, mederegter van Gaasterland,
voor een dag taxatie: f 1.10.
De Raadhuys dienaren voor hun gedane
diensten bij de verkiezing: f 5.-
De keukendienaars voor dezelfde diensten f
4.- (de schrijver van het historisch overzicht, de heer Taconis,
vermeldt dat hij vermoedt dat de heren van het waterschap in Sloten
enkele zeer aangename dagen met enige goed verzorgde diners hebben
gehad.)
De dijksbode Poppe Wobbes, een jaar loon:
f 48.-
De dijksopzichter Boonte Hiddes, een jaar
loon: f 50.-
De dijksopziener Sytthe Sytthes, een jaar
loon: f 68.04.- idem voor extra salaris een schrijfwerk f 83.04.-
(Opmerking van de heer Taconis: "We kunnen
hieruit zien dat het baantje van dijksopziener een luxe baan was, want
het loon met ongeregelde bijkomende verdiensten was hoger dan wat de
dijkgraaf ontving. Het is dus wel te begrijpen dat ook Michiel Tjaerdts
(in de vorige aflevering)deze baan probeerde te krijgen".)
De dijkgraaf Obbe Obbes, een jaar salaris:
f 68.08.-
De dijksgedeputeerde Hylcke Jouckes, een
jaar salaris: f 66.-
De dijksgedeputeerde Andries Johannes
Aesma, een jaar salaris: f 67.18.-
De dijksgedeputeerde Eele Jans, een jaar
salaris: f 68.04.-
(In de aantekeningen stond vermeld dat
Andries en Eele voor het waterschap een paar dagen waren wezen taxeren,
waardoor ze meer kregen dan hun collega Aesma).
De omslag.
Op 22 october 1614 werd er een rekendag
gehouden.
Voor uitgaven van het waterschap werden
genoteerd 3829 Carolus Guldens, "5 stuivers en 8 penningen.
De ontvanger Generaal Dirck Dircks (die
dat jaar slechts een salaris genoot van 3 Carolus Guldens) had nog een
saldo in kas van f 70.08.02.-
Door dijkgraaf en Dijksgecommitteerden
werd voorgesteld over het, afgelopen jaar de omslag te bepalen op 6
stuivers en 8 penningen van de Floreen. Deze Floreen was een gewone
dijksbelasting over geheel Friesland, waar alle landerijen werden
aangeslagen in de Floreencohieren. Deze belasting leidde soms tot grote
onbillijkheden.
Na een heftige strijd is deze belasting in 1860 opgeheven. In het
archief van Schoterland zijn na dat jaar n.l. geen Floreencohieren meer
aanwezig.
Tegen bovengenoemde aanslag werd op de vergadering ,geprotesteerd door
Anne Piers, volmacht van Opsterland en Hippolytus Roelofs Crack,
Grietman van Aengwirden. (Crack:
Hippolytus Roelofs Crack, grietman van Aengwirden, 1612-1615,
1619-1624, 1625-1626 Gedeputeerde voor Zevenwouden, overleden 17 oktober
1626)
en de ontvanger van deze Grieteny, Sipke Goffes, welke hiervoor volmacht
waren.
Het heeft hen echter niet geholpen, dat ze naar voren brachten, dat dit
voor hun Grietenyen onbillijk was, want ze hebben tenslotte moeten
toegeven en hun handtekeningen gezet. Op deze bijeenkomst werd de
ontvangergeneraal Dirck "gedechargeerd" (= goedkeuren)voor het door hem
gevoerde beleid.
Op 14 april 1615 is er weer een vergadering, waarin verschillende
onderhoudswerken werden besproken en de condities voor de aanbesteding
werden vastgesteld.
Bij de afrekening over 1615 werd de omslag bepaald op 6 stuivers en 12
penningen op de Floreen.

Crack-State,
wat Hippolytus Roelofs Crack liet bouwen
De tweede verkiezing.
Op 8 maart 1616 heeft er weer een
verkiezing op het stadhuis te Sloten plaats, waaruit blijkt dat alle
functionarissen om de 2 jaar moesten worden gekozen. Het was een
levendige verkiezing.
Voor Doniawerstal kwam als volmacht Reynalda, welke inmiddels grietman
schijnt te zijn geworden, althans hij werd als zodanig, aangegeven. Hij
was voor verkiezing van alle aftredenden. Wanneer echter alle andere
Grietenijen tegen de ontvangergeneraal zouden zijn ("sekere rekeninge
van 20 augustus 1615 bij een samenkomst in Joure was hem lang niet naar
de zin geweest!"), dan wilde hij over deze ontvangergeneraal apart
gestemd hebben.
Voor Gaasterland kwam mederegter Wobbe Merkx met Fedde Feddes.
Zij wilden allen herkiezen, doch over de ontvanger dachten ze net zo als
Doniawerstal.
Voor Lemsterland kwamen de grietman Christoffel Johannes Oosterzee, de
mederegter Tijs Martens en de secretaris Johannes Gelis. Deze vermeldden
er apart bij, dat ze hun volmachten desnoods wilden tonen, wat geen der
andere volmachten ooit had gedaan! Ze wilden alle aftredenden herkiezen,
behalve de ontvanger.
Voor Haskerland kwamen de grietman Hobbe van Baerdt en Rombert Bauckes.
Alle aftredenden waren naar hun genoegen, maar voor de ontvanger Dirck
Dircks hadden zij als kandidaat Tiberius van Oenema( Oenema,Tiberius
van († 1640); grietman van Utingeradeel en volmacht namens Utingeradeel
in de Staten van Friesland, lid van de Gedeputeerde Staten van
Friesland: IV 251, V 124) (zoon van de Grietman van Schoterland en
later Grietman van Utingeradeel). Grappig is dat Rombert Bauckes niet
met zijn grietman meestemde en een lans brak voor Dirck Dircks!
Voor Schoterland kwamen de grietman Tincko van Oenema en de secretaris
Michiel Tjaerdts, welke alle anderen wilden herkiezen, doch voor.
ontvanger als kandidaat stelden Tiberius van Oenema.
Voor Opsterland kwam weer Anne Piers, welke alle aftredenden wilde
behouden, doch voor de ontvanger Tincko van Oenema wilde (1637, april --
Dr. Tinco van Andringa; getr. 5 nov. 1641 te Sneek met Dedtje Jentckema;
zij overleed in 1649. Hij bleef secr. tot 1659, was later nog
burgemeester der stad en overleed 28 april 1673 als old-burgemr).Hij had
Zich versproken en verklaarde dat hij had bedoeld Tiberius van Oenema. (Taconis:
" Stellig had Anne Piers reeds tijdens de vergadering wat spraakwater
geproefd!).
Voor Aengwirden kwamen de grietman Hypolithus Crack met de ontvanger
Sipke Goffes (of Gosses), welke ook voor de ontvanger hun stem
uitbrachten op Tiberius van Oenema, maar de andere aftredenden er weer
in wilden hebben.
Als laatste kwam de Stad Sloten met als volmachten de veel omstreden
Dirck Dircks en Feyte Wiebes, beide burgers van deze stad, welke. alle
aftredenden wilden herkiezen.
"Aldus gedaan ten Raadhuize van Sloten door de verschillende volmachten
den 8 marti 1616. Geetekende door Michiel Tjaerds en Sytthe Sytthes".(De
dijksopziener Sytthe Sytthes had zijn naam wat meer aanzien gegeven:
Sixtus Sixtii).

Stadhuis en kerk te
Sloten.
Dorpen protesteren.
Op 16 maart 1616 verschenen voor
dijkgraaf, dijksgedeputeerden en volmachten de dorpen Oldeouwer, Ouwster
Nyega, Oosterhaule en Goingarijp. Zij beweerden dat ze voor te veel
roeden (lengtemaat) waren aangeslagen in hun "dijksstuk", omdat
hieronder de lange en diepe "Colck" viel bij de Nyduikers dijk.
Daar de Zeven Grietenijen zelf deze dijk hadden aangelegd, voelde het
bestuur wel iets voor hun verzoek om het aantal roeden in tekorten.
Aldus werd besloten en getekend. Hevig protest van de. volmachten van
Opsterland, Anne Piers en Comelis Annes, doch het heeft hen niets
geholpen. Toen dit bekend werd, ging het dorp Haskerhome ook protesteren
tegen hun aantal roeden in de Hasker Homster Zeedijken. Van dit protest
heeft de heer Taconis geen resultaat kunnen vinden.
Hoog water.
In de afrekening van 20 oktober 1616 komen
we een paar interessante posten tegen. Zo had Sibble Attes, executeur
(politiedienaar) in Lemmer een dijkstuk aangenomen in de Wijckel Zyls
Colck voor 165 Carolus Guldens. Dit was dus een bijverdienste van de
politie. De wetsdienaar werd bijgestaan door Atte Broers eveneens uit
Lemmer, die 60 Carolus Guldens ontving.
De heer Taconis geeft een lijst van een aantal in 1615 uitgevoerde
onderhoudswerken aan zeedijken. Er is volgens hem sprake van hoge
aannemingssommen. In 1615 zou het hoog water zijn geweest. Mederegter
Otte Annes op de Lemmer had aan vier mannen "in tijd des noods" voor
arbeidsloon aan de dijk om gaten te herstellen f 3.18.- betaald en de mederegter Haye Martens, ook uit Lemmer, betaalde 18 Carolus Guldens aan
"noodgeld" voor herstel van de duiker en f 3.04.- aan bier en jenever
voor de arbeiders.
De eigenaars van de buiten bedijkte landen
moesten echter voor hun zomerdijken 703.02.08.- opbrengen, wat met pijn
en moeite is gebeurd, want eerst in 1618 is dit binnen gekomen.
De ontvangergeneraal Dirck Dircks (die er dus nog steeds was) had aan
saldo in kas van f 14.12.10, terwijl de gehele uitgaven de kolossale som
van f 7094.10.- beliepen.
De omslag werd bepaald op 12 stuivers en 2 penningen de Floreen, dus
bijna twee keer zo hoog als het jaar daarvoor.
(Uit: Historisch Overzicht van het waterschap De Zeven Grietenijen en
Stad Sloten over de jaren 1614 - 1664 door wijlen A.IJ.M. Taconis,
volmacht van het waterschap).
Dijksbode in de fout.
Op 3 maart 1618 werd de tweejaarlijkse
verkiezing gehouden; Er werd meer eensgezindheid dan bij vorige
verkiezingen gedemonstreerd. Schoterland was ontevreden over het feit
dat "hun" man, Tiberius van Oenema, geen ontvanger was geworden. De
vertegenwoordigers van Schoterland verwijten hum grietman dat hij
ontvanger Dirck Dircks wil handhaven.
De grietman wordt verzocht een en ander nog eens in overweging te nemen.
Tijdens de tweejaarlijkse verkiezing op voornoemde datum (plaats
onbekend, maar het zal wel in Sloten zijn geweest) hadden de
vertegenwoordigers van Opsterland kritiek op dijksbode Poppe Wobbes, die
de bijeenroepingbriefjes voor deze vergadering had rondgebracht Wobbes
had de boodschap niet persoonlijk aan de grietman of de secretaris
overhandigd, omdat ze ten tijde van het rond brengen niet thuis waren.
De dijksbode had daarom het briefje maar aan een willekeurige persoon in
Beetsterzwaag gegeven, in de hoop dat die het briefje wel aan de
grietman of secretaris zou geven. Zo iets kon volgens Opsterland niet
door de beugel. Poppe Wobbes had moeten wachten tot de Grietman en de
secretaris weer thuis waren gekomen!
In de vergadering deelde Aengwirden mee, dat men het verzoek van
Schoterland om de dijkgraaf in overweging te geven de ontvangergeneraal
te ontslaan, steunde.
Slecht werk van Lolle Oeges.
Op 10 april 1618 is er weer een vergadering en wel in het huis van Otte
Annes, mederegter van Lemsterland. Er werd over herstel van
verschillende dijken gesproken. Ook kwamen achterstallige betalingen in
de vorm van omslagen (contributie) aan de orde. Op de rekendagen 31
oktober en 1 november op den Regthuyse van de Jouwer had men grote
schulden vastgesteld.
De volgende belangrijke vergadering van het hele bestuur is die van 29
en 30 oktober 1619. De dijkgraafen de dijksgedeputeerden hadden, nadat
de dijksopzichter hen erop attent had gemaakt, ontdekt dat aannemer
Lolle Oeges bij het uitvoeren van de waterstaatswerken zich niet aan de
gestelde voorwaarden van het waterschap had gehouden. De rimmen welke
Lolle Oeges, aan het geslagen paalwerk moest slaan waren ,van een
dergelijke kwaliteit dat ze werden afgekeurd.,Oeges ,kreeg een zeer boze
brief van het waterschap. Hij moest zorgen dat hij binnen een maand na
dato (dus vóór 30 november 1619) het hele karwei in orde had gemaakt
naar genoegen van de dijkgraaf en de gedeputeerden.
Werd een en ander niet in orde, gemaakt, dan zou het dijksbestuur het
werk opnieuw laten aanbesteden en de kosten op Lolle Oeges verhalen. De
rimmen waren van het grootste belang voor de stevigheid van het
paalwerk.
Mocht de heer Oeges weigeren het afgekeurde werk te verbeteren, dan had
hij geen recht op enige betaling meer en moest bovendien de reeds
ontvangen gelden terugbetalen.
Dit werd allemaal besloten op "den Regthuyse van de Joure bij de
amptelijcke volmachten" op 30 oktober 1619.
De brief aan Lolle Oeges werd getekend door de volmacht Chr. Oosterzee
(grietman van Lemsterland) en de dijksopziener Sixtus Sixti uit Sloten
(1613, febr.; 11 nov. 1610 reeds (Don. Z. 1 bl. 11) Sijttie Sijtties
(Sixtus Sixti); hier 11 juni 1615 getr. met Auck Cornelydr. Hij bleef
secr. tot zijn overlijden op 3 mei 1636) Op de vergadering werd ook
besloten de 200ste penning te heffen. Volgens de heer Taconis betekent
dat 2% van de waarde van de eigendommen.

Foto van een tekening
van Het Rechthuis te Joure, 1723.
Wie was Obbe Obbes?
In het historische overzicht vinden we een
beknopte levensbeschrijving van de eerst bekende dijkgraaf van het
waterschap, de heer Obbe Obbes, die voorkomt op een lijst van
grietmannen. Obbe Obbes werd in 1562 geboren. Hij is eerst gehuwd
geweest met Fokel, een dochter van Jochem van Wijckel. Bij haar had hij
geen kinderen. Zij overleed 17 januari 1619 op 79- jarige leeftijd Ze
was dus veel ouder dan Obbe, die hertrouwde met Rijckjen Wyties, bij wie
hij twee kinderen zou hebben.
Obbe Obbes werd 31 januari 1604 grietman van Gaasterland. Hij volgde
Sybren Hiddesz op, die het ambt sinds 1585 had vervuld. Obbes was
verschillende keren dijkgraaf van de Zeven Grietenijen en Stad Sloten en
bewoonde een mooi huis is Balk, waar hij het raadshuis stichtte. In 1602
werd hij lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland en in die functie
volgde hij de lijkstatie van Willem Lodewijk (Us Heit 1560-1620) op.
Obbe Obbes overleed 8 april 1632 in de ouderdom van 70 jaar en werd
begraven in de kerk van Wijckel, waar ook zijn tweede Vrouw, die op 30
juni 1643 stierf, werd bijgezet.
Herberg van Metske Jacobs in Lemmer.
Op 10 maart 1620 was er weer een
verkiezing in Sloten. Obbe Obbes had blijkbaar vijanden gemaakt, want
behalve Lemsterland, stemden allen op Joachim van Wijckel als dijkgraaf.
Zelfs de Gaasterlanders lieten hun grietman in de steek!
De volgende samenkomst van het hele bestuur was op 14 april 1620 onder
voorzitterschap van de nieuwe dijkgraaf Joachim Ids van Wijckel in het
huis (vermoedelijk een herberg) van Metske Jacobs in Lemmer. Uit de
stukken blijkt dat Lolle Oeges weer werk kreeg, waaruit geconcludeerd
kan worden dat de ruzie van vorig jaar was bijgelegd. Ook op 13 april
1621 was er een bespreking bij Metske Jacobs in Lemmer. Er was inspectie
langs de dijken gehouden en naar aanleiding daarvan werden nieuwe
herstellingen besproken. Lolle Oeges kreeg ook weer werk opgedragen.
Verschillende dijkgraven.
Van 1 maart tot 8 maart 1622 zijn er
nieuwe verkiezingen op het raadhuis van Sloten. Joachim van Wijckel
schijnt niet als dijkgraaf te hebben voldaan, want Doniawerstal stelt
hun grietman Syds van Osinga voor, wat Haskerland, Schoterland,
Opsterland en Aengwirden steunen.
Hoewel de anderen Joachim steunen wordt van Osinga benoemd.
Dijksgedeputeerde Eele Jaris is overleden en voor hem komt Aucke Jeens
Oosterzee in de plaats en voor de eveneens overleden dijksbode Poppe
Wobbes komt zijn zoon Wobbe Poppes.
Op 26 oktober 1622 wordt meegedeeld, dat na een inspectie van de dijken
is gebleken dat de aannemers Sybout Hayes en Lolle Oeges zich niet aan
de gestelde voorwaarden hebben gehouden bij de uitvoering van hun werk.
Beide aannemers krijgen een aanmaningen moeten zorgen dat een en ander
naar genoegen van de dijkgraaf vóór 10 december wordt opgeleverd.
In 1625 reist Feyte Rienks, raadsman te Sloten,namens het waterschapnaar
Holland om er 1000 balken voor zeepalen te kopen .De ene helft 12 en de
andere helft 16 ellen hout. Het reisje dat Rienks naar Holland maakte
kostte 32 Carolus Guldens, terwijl hij voor 3090 CarolusGuldens aan
palen had gekocht. Deze bedragen werden tijdelijk door de dijkgraaf
voorgeschoten.
Op 28 maart 1626 worden in Joure weer verkiezingen gehouden. In plaats
van Jhr Sijds van Osinga werd Obbe Obbes weer gekozen tot dijkgraaf en
voor de overleden dijksopzichter Boonte Hiddes kwam zijn zoon Hidde
Boontes.

Sijds van Osinga, zoon van Sijbrand van
Osinga en Ath van Aggama, werd grietman van Doniawerstal. Hij werd dit
in 1619 en deed pas afstand van dit ambt in 1652, toen zijn zoon Sijbren
van Osinga hem opvolgde als grietman. Op deze tekening zien we Osinga
state, onder Schettens in Wonseradeel.
Kwesties.
Tijdens een bijeenkomst op het stadhuis
van Sloten beklagen zich een aantal lieden bij de dijkgraaf over de
slechte toestand waarin een paar zeedijken verkeren. De klagers zijn de
heren Ernst van Harinxma, Johan van der Sande, Dirck van Doyen en
Gellius Onderstal, Raden Ordinaris in den Hove van Friesland, als
participanten van de bedijkte meren bij Stavoren. De heren zeggen al
drie Jaar de aanslag te hebben betaald, maar dat door de slechte
toestand van de zeedijken hun polders ieder jaar zijn ondergelopen. Er
wordt een gebrekkige oplossing voor het opheffen van de slechte toestand
van de dijken gevonden.
De dijkgraaf bedacht allerlei noodoplossingen. Nog een onaangename
kwestie kreeg de dijkgraaf in 1627 te behandelen.
Bij een overstroming in 1625 was ten oosten van Lemmer een grote kolk
geslagen, welke, volgens Roemer Thys en Jacob Gerkes,door nalatigheid
van het waterschap grote stukken van hun land had afgeslagen. Het
dijksbestuur probeerde tot een compromis te komen. Voor herstel van de
dijk wilde men dubbele arbeidslonen betalen, terwijl de gebruikers
Hylcke Hamckes c.s. daarin zouden meedelen, mits Inne Thysses c.s, die
er waarschijnlijk aan grensden, ook mee zouden werken.
Hylcke Hamckes stelde dat hij de roeden, die hij had verloren, terug
wilde hebben in de Lemster Meenthe. Verder had hij ook aan het herstel
gewerkt. Men kwam tot een akkoord met een vergoeding van 46.10.-,
waarmee,de zaak was opgelost. Het land kreeg men echter niet terug.
Op 21 juni 1628 is er weer een kwestie. De dijkgraaf en zijn aanhang
moesten zich te weer stellen tegen Jacob Epckens,Eesterga en Kurt
Bauckes, .welke eigendommen hadden bij de Grote Kolk. Tengevolge van de
dijkbreuk waren ze land kwijt geraakt en vonden dat ze nu te hoog waren
aangeslagen.
Hiervoor werd zitting gehouden in de herberg van Hans Broersma "op de
wester opkamer" in de Lemmer. Na veel gepraat werd besloten dat de
omslag f 21.12.-, zou bedragen, exclusief de kosten voor taxatie.
Er werd niet vermeld hoeveel deze omslag eerst was. Op 21 maart 1628
werd in plaats van Obbe Obbes als dijkgraaf gekozen Sixtus van Osinga,
grietman van Doniawerstal. .
Maart 1628 kwamen bij het waterschap
ernstige klachten binnen over het verwaarloosde onderhoud van de
zeedijken. Dit kwam vroeger nooit voor. Toen kon Gedeputeerde Staten het
weinig schelen hoe de toestand van de dijken in het zuiden van hun
gewest was.
Nu echter enkelen van hun ambtsbroeders aan 't inpolderen waren geweest
bij Stavoren, voelde de heren het in hun eigen portemonnee. Ze
gebruikten hun overheidsfunctie voor hun particuliere belangen. De
dijkgraaf en zijn adjuncten zijn zwaar beledigd dat hen wordt verweten
de dijken te hebben verwaarloosd en verweren zich als volgt: "So
protesteere ick Dijkgraaf. met myn vernoemde adjuncten voor Godt in den
Hemel ende voor alle menschen, hooger ende lager standen, op de Aarde en
den ganschen Wereld, onschuldig te synende te willen blieven.
Ingevalle doer deselve de beschuldiging ende prolongatieen van de dag
der brief van eenige hinder ende quaad, ende van alle andere
incovenienten ende buytensporigheden mochten komen 't ontslaan.
Verteekend door de vernoemde Heeren, present de Volmagten hieraf desen.
Sloten 14 Mart 1628".
Gedeputeerde Staten kregen toch hun zin, want later zijn veel werken ter
hoogte van Laaxum uitgevoerd.
Spijtige woorden.
15 mei 1630 kreeg het waterschap (sinds19
maart 1630 dijkgraaf Hobbe van Baerdt, grietman van Haskerland een zeer
onaangename brief van Gedeputeerde Staten. De brief begon heel mooi met:
"Edele Ehrentfeste Onsen Lieve Besondere", maar de inhoud was even
anders.
Het ging om een rapport van Gerrit de Wit, Landschapsopzichter van de
werken aan de Suyderdyken. Hij had aan Gedeputeerde Staten bericht, dat
de werken volgens de bestekken door de aannemers waren uitgevoerd en
door de heren commissarissen waren goedgekeurd. Nu wilde hij voor deze
aannemers 2000 Carolus Guldens . hebben als voorschot, maar inplaats
daarvan
krijgt hij "spijtige woorden, waarmede nogthans d' arbeidsluyden geen
stuyver hebben verdiend". Hij vraagt geld van het waterschap en eindigt
zijn geschrift met "En ons hiertoe verlatende, zyt Goot in genade
bevolen".
De heer Taconis vermoedt dat de Staten buiten het waterschap om werken
hadden laten uitvoeren en deze niet aan Gerrit de Wit wilden betalen en
daarom werd de rekening doorgezonden aan het waterschap.
Hoe de zaak is afgelopen, is niet bekend, daar er twee jaar notulen
ontbreken.
Wel bekend is dat dijkgraaf van Osinga, die in 1632 Obbe Obbes opvolgde
(Obbe Obbes volgde ook in 1632 Hobbe van Baerdt op), 2000 Carolus
Guldens aan Gerrit de Wit heeft voorgeschoten.
Wanbetalers.
Enige slechte betalers moesten op 23
oktober 1639 voor het Dijksgeregt verschijnen. We bevinden ons in een
tijd waarin Hans van Lycklema dijkgraaf is.
De slechte betalers waren Gerke Rouckes, Wobbe Engberts, Alle Harmens en
Anne Gaukes. Zij beloofden de aanslag en de onkosten te zullen betalen
voor 8 november.
Dat is niet gebeurd. Op 8 februari 1641 is er over deze zaak een
vergadering van het dijksgeregt met de advocaat Wilhelmus Joannes. Men
besluit de wanbetalers aan te pakken. 20 april 1641 werden de aanslagen
en kosten ontvangen. Later worden nog eens een paar wanbetalers
aangepakt Het zijn Sippe Gosses en Feyte Elckes, volmachten van Sondel,
die na een duidelijke aanmaning beloven te betalen.
Het waterschap ging echter zelf ook niet altijd geheel vrij uit! Het
waterschap moest aan de voormalige dijkgraaf van Osinga nog een
voorschot van 2000 Carolus Guldens plus rente terugbetalen. Dat bedrag
was eerder aan Gerrit de Wit voorgeschoten.
In 1639 werd hierover voor 't eerst gepleit voor den Hove van Friesland.
Inmiddels was dit bedrag met rente gegroeid tot f 2387.2.8. Namens de ex
dijkgraaf Sixtus van Osinga trad op als advocaat, Dominicus Feenstra als
eiser en namens het waterschap de advocaten Jacob van Kampen, Sacko
Feykens en Acronius Solckema. Het heeft het waterschap niets geholpen
dat men met drie advocaten was komen opdagen, want ze verloren de zaak.
"Op alles gelet ende geconsidereert hebbende 't geene nu in desen
behoort te worden geconsidereert enz." veroordeelde het Hof het
waterschap om de f 2387.2.8. plus rente aan van Osinga te betalen,
alsmede de kosten van het proces. 'Aldus gedaan en uitgesproken in de
Kanselarij binnen Leeuwarden' den 20 december 1642. Ondanks deze
uitspraak, had van Osinga zijn geld nog lang niet Verder in het
historisch overzicht van de heer Taconis staat vermeld dat na 3jaar nog
geen betaling was gedaan. Dit zou het waterschap later een kapitaal aan
rente hebben gekost .

De Kanselarij
Leeuwarden.
Te hoog aangeslagen.
Na de dijksinspectie van 8 juni 1645 en de
aanbesteding volgen enkele interessante stukken. Op 8 juni 1645 had een
zitting plaats van dijksgeregt van de Zevenwolden en de Stad Sloten (dus
niet de ZevenGrietenijen) in Lemmer met Beernt Jans als executeur
(veldwachter en tevens dijksbode ). Het betrof hier een kwestie tussen
Hielke Grootes en Auckes Edes, volmachten ter eenre zijde, contra Eppe
Asses, Dorpregter, Pyter Boontes, volmacht van Westermeer met Pyter
Lieuwes, dorpsregter en Hotse Jouckes, volmacht van Snikzwaag.
Het ging tussen de dorpen Westermeer en Snikzwaag over de scheiding van
hun aansprakelijkheid. Beide dorpen vonden dat ze veel te hoog waren
aangeslagen en dus te veel roeden dijk moesten onderhouden. Snikzwaag
presenteerde zijn 77 roeden en stelde nieuwe opmetingen voor. Hoeveel
Westermeer moest onderhouden staat nergens beschreven. Op 25 juli 1645
volgde de uitspraak.
Het dijksregt (gewoon de dijkgraaf met zijn dijksgedeputeerden), kwamen
met de volmachten samen bij de Groote Colck (ten oosten van Lemmer) ten
huize van Adam Jans, herbergier aldaar. Ze lieten de verschillende
dorpsregters en volmachten komen, om die ter plaatsen te horen, doch tot
een uitspraak kon men niet komen. De uitslag was: "So hebben het
dijksbestuur beneffens de volmachten van de Grietenijen dese compartie
gesuspendeert tot de jaarlijksche rekendag, omme volgens haar resolutie
opnieuw gecorrespondeert te mogen worden". Ze schoven het dus op de
lange baan!
Waterschap verliest processen.
Een ander stuk gaat over de oude schuld
welke het waterschap bij de oud-dijkgraaf van Osinga had en waarover ze
een proces hadden verloren. Er werd in augustus 1645 een vergadering
belegd bij de herbergier Roelof Jans te Joure in het "Wapen van
Haskerland", waar 't gehele dijksbestuur met de volmachten aanwezig
waren. Het blijkt dat het voorschot van ex dijkgraaf van Osinga was
gebruikt om de dijken van het Goingarijpster gedeelte te maken. Van
Osinga wilde deze kosten alleen betaald hebben door de zes Grietenijen
en de Stad Sloten, want hij vond dat Doniawerstal zijn deel reeds had
betaald.
De hele zaak werd door de dijkgraaf Frederik van Roorda nog eens van het
begin afbehandeld. Het eerste proces voorden Hove van Friesland had
plaats gevonden op 20 oktober 1642, wat men had verloren. In hoger
beroep verloor men op 20 oktober 1644 nog eens weer, waarbij het
waterschap werd veroordeeld om met rente en kosten een bedrag te betalen
van f 3502.18.--, waarvoor van Osinga op 2 februari 1645 een obligatie
had gekregen.
Hier kwam nog bij de rente tot 11 april 1646, t.w. 490 C.G., zodat men
in totaal moest betalen f 3992.18.-. Dit bedrag moest door de zes
Grietenijen en de Stad Sloten worden opgebracht. De kosten van beide
processen werden via een heffing door de ingelanden betaald.
Loten om ontvanger.
Op 17 april 1647 vond in de "weercamer"
(zaal waar recht werd gesproken) te Joure de verkiezing van een nieuwe
dijkgraaf plaats. Om aan te tonen dat de vrede was getekend, werd Syds
van Osinga als dijkgraaf gekozen. Van Osinga had n.l. al zijn geëist
geld van het waterschap gekregen en het dijksbestuur wilde de onenigheid
met van Osinga vergeten. Dus van Osinga werd weer dijkgraaf. Als
dijksgedeputeerden kwamen HylkeJouwes, Symen Aukes Oosterzee en Broer
Agges. Tincko van Andringa bleef secretaris, dijksbode bleef Beernt Jans
en dijksvoorman bleef Hidde Doontes. Voor de functie van ontvanger,
welke zoals men reeds meerder malen heeft kunnen lezen, moeilijkheden
had gegeven, vond men een nieuwe op Iossing, welke allen tevreden
.stelde. Er werd besloten dat in 't vervolg slechts één Grietenij de
ontvanger mocht benoemen, wanneer er ook over een nieuwe dijkgraaf moest
worden gestemd Hier werd om geloot. Gaasterland mocht de eerste keuze
maken. Deze benoemde Pompejus Wlarich, secretaris van Gaasterland (Pompejus
Walrich; febr. 1647 nog. 1649-1651)
Sluis Tacozijl.
We slaan een paar oninteressante
bladzijden uit het historisch overzicht van de heer Taconis over, omdat
die louter feiten vermelden. Op 25 mei 1655 werd er een vergadering
belegd met het gehele bestuur 'van het waterschap in de herberg op
Tacozijl om de zijl (is sluis) aldaar te bezoeken en om te kijken hoe
men de grote reparaties aan de sluis moest aanpakken.
Verschillende volmachten vonden dat het nog wel ging, maar de dijkgraaf
kreeg toch zijn zin om de sluis te laten reparen, de toestand ter
plaatse zou zeer slecht zijn.
Volgens de voorwaarden van aanbesteding zou het oude hout dat uit de
zijl zou komen, bestemd zijn voor het waterschap, maar het oude ijzer
zou voor de aannemer zijn, die er echter niet veel plezier van gehad zal
hebben, want dit ijzer had reeds jaren in het water gezeten.
7 juni werd de aanbesteding gehouden. Pyter Obbes wilde de nieuwe zijl
maken voor 4275 Carolus Guldens, behalve de droogmaking. Symen Hans voor
3950 en Symen Reinders voor 3700 Carolus Guldens.
Hij kreeg het karwei en had als, borg Jan Wybrands. De droogmaking van
de sluis werd aangenomen door Ide Hayes voor f 1075 met als borgen
Joucke Hylkes, Atse Jans, Atse Harmens en Joucke Jimmes, welke
vermoedelijk allen arbeiders waren die het karwei samen wilden
uitvoeren.
De arme kerels hadden er echter een dikke
strop aan. Op 22 augustus 1655 verschenen voor dijkgraaf c.s. Ide Hayes,
aannemer van de droogmaking van de sluis met zijn borgen, welke
verklaarden geen middelen te hebben om te komen tot droogmaking van de
Zijl. Daarom gaven zij het werk op en droegen het weer over aan de
dijkgraaf, met afstand van hun rechten op de aannemingssom en verdere
vergoedingen. De mannen hadden twee maanden voor niets gewerkt. De
dijkgraaf zat er ook mee, want het was al augustus en voor de winter
moest de nieuwe zijl klaar zijn. In tegenwoordigheid van Gerke Wiebes,
mederegter Gaasterland, beloofden de aannemers, dat zij ook zouden staan
voor de hogere kosten van aanbesteding, hetgeen de strop nog groter zou
maken. Op 25 augustus vond de nieuwe aanbesteding plaats. Laagste was
Claas Clases te Balk met f 2999, wat werd afgeslagen door Pyter Obbes
tot f 2400.16.--., die het gegund kreeg en als borgen had Jan Sybrens en
Romcke Borcherts.
Er schijnt met spoed aan de droogmaking gewerkt te zijn, want al op 19
september 1655 werd er een gedeelte van het werk gekeurd door de
dijkgraaf en gecommitteerden van Lemsterland en Doniawerstal.
Tevens werden 12 binten voor de zijl afgekeurd, waarvoor de aannemer
nieuwe moest nemen op rekening van het waterschap.
Nimmer was het waterschap zo royaal. De
nieuwe sluis te Tacozijl werd op 6 december 1655 goedgekeurd door
dijkgraaf en volmachten van Lemsterland en Gaasterland. De heren werden
rondgeleid door de dagelijkse opzichter Pyter Obbes.
Deze had vaak werk van hen aangenomen en zal hiervoor dus wel een
geschikt persoon zijn geweest.
Op vrijdag 28 december 1655 vond in Balk op het Raadhuis de afrekening
plaats van de kosten van de nieuwe sluis te Tacozijl.
Deze had in totaal gekost f 10917.14,-. Pyter Obbes kreeg voor z'n
,baantje als opzichter 200 Carolus Guldens. De aannemers kregen 5100 en
nog voor extra werk. o.a. loon f 803.11.-. De dijkgraaf ontving voor
verschot 71 Carolus Guldens.
De"Vertering bij Intke Hylckes (de kastelein) voor de volmachten enz.
was 280 e.o., wat uit verhouding met de andere uitgaven een heel bedrag
was. Jan Sybrand moest nog hebben voor het gebruik van de refatomolen
(betonmolen) 70 C.G. en voor het wegnemen van de strijkdammen 302 Van de
kosten droegen de dorpen Wyckel, Oude- en Nijemirdum en Sondel samen bij
f 3638.17.-., terwijl de rest werd omgeslagen.

Foto van: Roel
Holkema
Regnerus Annaeus Lycklama van Wyckel,
Grietman van Gaasterland bewoonde,
"Lycklama bosch"
Deze state was te vinden in Nijemirdum, gemeente Gaasterland.
Naast deze state heeft ooit nog een klooster
gestaan
Tacozijl.
De dijkgraaf en adjuncten kwamen met de
volmachten samen op 14 februari 1656 om de herberg en de sluis op
Tacozijl te verpachten voor de tijd van 3 jaar, n.l. van 1mei 1656 tot
1mei 1659.Hierbij was de tapvergunning inbegrepen,alsmede de Tol der
Zijl, het recht van visserijbuitendijks tot aan de Priester Fenne en
binnendijks' tot aan de Langesloot "soverre van ouds de gewoonte is" en
verder het gebruik van de buiten gelegen losse landen. De huurder mocht
2 stuiver heffen van de kleine schepen,die door de sluis moesten en van
de grote schepen, waarvoor twee deuren open gedraaid moesten worden, 3
stuiver en de ponten of turfschepen 4 stuiver. De huurder moest toezicht
houden op sluizen. en woning "so het behoort".
Mocht het echter voorkomen dat de dijken moesten worden gerepareerd, dan
zou de huurder het lopende jaar worden vrijgesteld van de huur, omdat
dan stellig de sluis moest worden afgesloten.
Na opbod en concurrentie van andere liefhebbers kreeg de huurder de
sluis met woning en de bijbehorende rechten voor 500 Carolus Guldens,
zijnde 275 C.G. voor de zijl en 225 C.G. voor het losse land. De huurder
had als borgen ene Aucke Jeens en Feyte Solckes, welke met hem tekenden
in tegenwoordigheid van de dijkgraaf en zijn adjuncten. Voor de
volmachten tekenden Osinga en Broersma voor Doniawerstal, Roorda voor
Lemsterland, Baerdt en Jouck Annes voor Haskerland, Alle Reyffers voor
Opsterland, Eysse Hylckes voor Aengwirden, terwijl Sloten en Schoterland
niet aanwezig waren.

De herberg van
Hylckes en sluiswoning te Tacozijl.
Het eigenaardige van deze aanbestedingen
was volgens de heer Taconis dat ook in de volgende jaren Schoterland
hierbij steeds afwezig was, hoewel er een premie van 2 Carolus Guldens
aan verbonden was. Taconis vermoedt dat deze Grietnij geen belang bij de
zijl van Tacozijl had, omdat ze op Schoterzijl haar eigen sluis had.
Later vinden we in het historisch overzicht de naam van de huurder:
Intcke Hylckes.
Op 3 maart 1656 was het hele waterschap gezelschap weer op Tacozijl
verenigd, natuurlijk in de herberg van Hylckes. De huurder moest pacht
betalen over de periode 1649-1656. Tijdens de samenkomst bleek ook dat
Intcke nog een oude schuld had van f 924.7.-. Verder moest hij 6 jaar
huur à f 300.-. betalen. Maar Intcke had echter verschillende
tegen-rekeningen. De voornaamste: Voor vertering op 2 juni 1649 bij Binne
Kylstra op de Joure f 92.3.-.; Wabe Clasen voor ijzerwerk aan de Zijl f
10.1.8.; Pieter Obbes voor arbeidsloon f 50.13.8.; Jelle Douwes,
smid te Sloten, voor ijzerwerk f 73.7.-.; Wybrand Fongers voor 75 pond
touw f 12.44.-.; de vorige dijkgraaf van Scheltinga voor zijn drie jaar
ordinaris dijkgraaf tractement f 90 (voor toezicht op de sluis kreeg de
dijkgraaf nog 30.-;-. extra); Rommert Folkerts, Glasemaker te Balck voor
4 nieuwe onderglazen f 3,- ; Jelle Sipkes, smid in Balck, voor geleverde
glasroeden f 8.7.-.
Het dijksbestuur vorderde van Intcke in totaal f 2724.7.-. en Intcke
wilde van het waterschap f 2571.16.-. zodat Intcke f 152.11.-. moest
betalen. Doordat de heren van het dijksbestuur in de herberg te Tacozijl
best aan de borrel gingen (ze verteerden voor maar liefst 105 Carolus
Guldens) hoefde Intcke aan het dijksbestuur nog maar f 47.11.-. te
betalen.
Verkiezing.
Het was een druk jaar voor het
dijksbestuur, want al op 5 maart 1656 kwamen ze weer bijeen op het
Rechthuys te Joure om een dijkgraaf enz. te kiezen. Jhr. Frederik van
Roorda, grietman van Lemsterland, werd dijkgraaf. Dijksgedeputeerden
werden M. van Solckema, Haye Hylckes en Coop Botes. Secretaris werd
Tinco van Andringa; ontvangergeneraal werd, Paulus Reuffers bijzitter
van Schoterland 1 (Schoyerland was namelijk aan de beurt om een van zijn
mensen te benoemen); Wybe Dircks werd dijksbode en strandvonder en Jacob
Sybrands werd dijksvoorman laatstgenoemde werd het loon van 50 C.G. op
70. C.G. gebracht.
Andere pachter sluis en herberg.
Op 11 maart 1659 vond er weer een
afrekening te Tacozijl plaats. De kastelein Intcke Hylckes wordt hierbij
deftig zijlvoogd genoemd. Hij was schuldig f 1457.-., maar had weer
ettelijke tegen rekeningen, zoals: 3 ton teer van de teerkoper Hinne
Hinnes uit Lemmer voor f 31.10.-.; vertering van de dijkgraaf, die er
tweemaal was geweest om aanwijzingen te geven hoe de zijl moest worden
geteerd en hoe de mestbult over het land moest worden verspreid, 10 C.G.;
de vier dorpen van Gaasterland samen 100 C.G.; vier aanwezige volmachten
8 C.G.; adjuncten16 C.G.; dijkgraaf 20 C.G.; dijksbode en voorman 30 C.G.
en keukenmeid f 1.10.-. (!).
Hij schijnt dat Intcke er mee is gestopt, want de herberg en de sluis
werden in februari verpacht aan Syerdt Doeyes uit Laaxum voor 350 C.G.
per jaar. Sluis en herberg werden 21 januari 1662 weer te huur
aangeboden. Syerdt Doeyes kreeg het weer voor 500 Carolus Gulden per
jaar, maar had een ernstige rivaal in de bakker Wybelans te Lemmer,
welke 485 C.G. had geboden.



In 1748 brak in Friesland een oproer uit
tegen de verpachting van de belastingen m.n. op granen. Deze belastingen
drukten vooral op het gewone volk en daarbij kwam dat de pachters van de
belastingen veelal van uitbuiting en verduistering werden verdacht,
Het oproer begon in Bergum en sloeg weldra over naar andere plaatsen in
Friesland.
De huisjes van de commiezen (cherchers) bij de molens werden omver
geworpen en de belastingboeken werden verscheurd.
Ook tegen andere belastingen richtte zich het verzet en derhalve werd
besloten tot invoering van een systeem van evenredige belastingverdeling
over grietenijen en steden, waarbij elke plaats een vaste quote in de
belasting werd opgelegd.
Deze nieuwe belasting - de Quosatie kwam in 1749 in de plaats van o.a. :
a. de belasting op de consumptie:
b. de Vijf Speciën, een in 1637
ingevoerde belasting op hoornvee, bezaaide landen, paarden, hopfd en
schoorstenen. De Vijf Speciën kwamen ook voor als accijnzen op wijn;
bier, turf enz.
c. de reële goedschatting,
belasting sedert 1713 geheven op bebouwde en onbebouwde eigendommen:
d. De. personele goedschatting, die
in de 17e e 18e eeuw geheven werd als een belasting op het vermogen.
De verpachting van de belastingen zou
voortaan worden vervangen door collecte d.w.z. ze werden geïnd door
bezoldigde collecteurs.
Niettemin werd de nieuwe belasting een mislukking en op 15 maart 1750
zijn de oude belastingen wederom ingevoerd.
De registers voor de in 1749 ingevoerde belasting -de Quotisatiekohieren
1749-1750 - zijn op die van een tweetal grietenijen in Friesland na,
bewaard gebleven en bevinden zich thans in het Rijksarchief in
Leeuwarden. Zij zijn o.m. van belang bij het bevolkingsonderzoek om de
maatschappelijke typering van de aangeslagenen.
In deze registers worden per dorpvermeld:
a. de naam van het gezinshoofd:
b. het beroep van het gezinshoofd,
soms de. burgerlijke staat:
c. de maatschappelijke typering:
d. het aantal gezinsleden boven en
onder de 12 jaar:
e. het bedrag van de
belastingaanslag.
De Quotisatiekohieren van de grieternij
Lemsterland, die per 1 februari 1749 zijn opgemaakt, vermelden
bovengenoemde gegevens voor de dorpen Lemmer, Eesterga, Follega,
Oosterzee en Echten,
Uit een overgenomen recapitulatie uit deze kohieren blijkt dat
Lemsterland in 1749 slechts ruim 1600 inwoners telde.
In zijn boek "Lemsterlân" wijst A. E. Klijnsma er al op dat een groot
deel van de Lemster bevolking in de XVIII eeuw zijn bestaan op of bij
het water heeft gevonden.
Ook blijkt uit een aan de hand van de Quotisatiekohieren opgestelde
"beroep-lijst", dat een aanzienlijk percentage van de 327 gezinshoofden
in 1749 een beroep had, dat direct o indirect verband hield met de
scheepvaart. Immers Lemmer was niet alleen doorvoerhaven, er werd van
hier uit handel gedreven met Frankrijk, de Oostzeelanden, enz.
En al vanaf begin 1700 beginnen ook de beurtdiensten op bijv. Amsterdam,
Groningen, Leeuwarden en nog tal van andere plaatsen op gang te komen.
Daarnaast was ook het reizigersvervoer van betekenis. Overigens
ontbraken natuurlijk ook de bakker, de herbergier, de winkelier, de
schoenmaker, om maar een paar te noemen, niet Hoe "breed" die mensen het
hadden, is vastgelegd in de kohieren van 1749, en daaruit kunnen we
concluderen, dat er maar een relatief kleine groep is geweest, die
materieel een redelijk bestaan heeft gehad: verreweg de meeste mensen
leefden op de rand van of beneden het bestaansminimum.
Er moet ontstellend veel armoede zijn
geweest Enkele notabele ingezetenen, zoals de grietman, een aantal
kooplieden, behoorden tot de beter gesitueerden. De predikant van Lemmer
kon, zo staat er, van zijn traktement leven.
De vraag rijst, hoe het in die dagen bijv. met de gezondheidszorg, de
armenzorg en het onderwijs gesteld was in Lemsterland
Wat het onderwijs betreft: er werden in 1749 309 personen beneden de 12
jaar opgegeven. Ruw geschat mogen we zeggen dat er in de leeftijdsgroep
van 6 tot 12 jaar zeker zo'n 150 kinderen geweest zullen zijn, die in
aanmerking kwamen om (lager) onderwijs te ontvangen.
Er wordt echter maar één schoolmeester in Lemmer opgegeven en die is
stellig niet instaat geweest om aan 150 kinderen les te geven.
Waarschijnlijk heeft dus hier maar een klein aantal van deze kinderen
enig elementair onderwijs gehad.
In de overige vier dorpen van de grietenij Lemsterland overheerste het
agrarische beroep. Follega had naast zijn boerenbevolking nog een
tweetal schippers, een pastoor,een schoolmeester, een timmerman en een
venter.
In Oosterzee eveneens met een boerenbevolking woonden een predikant, een
schoolmeester en enige neringdoenden.
Echten telde naast zijn boeren 4 vissers
en er was ook nog een schoolmeester.
Eesterga was geheel agrarisch.
Einde
Met het verhaal over de sluis en herberg
te Tacozijl is een tamelijk abrupt. einde aan de serie "De Zeven
Grietenijen" gekomen.
Wijlen A.U.M. Taconis, volmacht van het waterschap "De Zeven Grietenijen
en Stad Sloten" heeft de eerste 50 jaren geschiedenis, van het
waterschap uit het archief gelicht Zijn tijdrovend werk werd niet
voortgezet
Home
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|