De dag
dat het ijs wegdreef.
Toen Lemmer nog
aan de Zuiderzee lag, waren de meeste mensen hier
visser, of bij nevenbedrijven van de visserij
werkzaam. Zo was het bij ons thuis ook. De jongens
bij de visser en de meisjes in de visrokerij of aan
het venten met Lemsterbokking. 's Zomers, als wij
allemaal werkten konden wij ons wel redden, maar als
het winter was en de zee dichtzat met ijs dan was
het Schraalhans keukenmeester. Het zal in 1915
geweest zijn dat de havens met ijs geblokkeerd
waren. De Lemsters gingen het ijs op te
spieringvissen, bot kloppen of paling schooien. Wij
mijn oudste broer en ik, gingen dan ook netten onder
het ijs zetten. Een heel karwei. Eerst een bijt
hakken en het ijs er uit halen. Het water eronder
was ijskoud en als je dan elf of twaalf jaar bent,
valt zulk werk niet mee. Om de 12 meter moesten er
bijten worden gehakt, zo'n twintig á vijfentwintig.
In het midden kwam een middenbijt, daar kwamen de
netten te liggen. Dan ging de spieringlat met aan
het achtereinde een spijker te water met daaraan een
lijn van zo'n 60 meter naar de tweede bijt en zo
door tot de laatste. De netten gaan dan aan de lijn
en worden gevierd in de middenbijt, de tweede man
trekt ze dan naar zich toe. Er komt een touw met
kurk aan de netten, zodat je de volgende morgen kunt
optrekken.
Wij gingen
evenals vele anderen de volgende morgen om 8 uur
naar de Zeedijk. Daar stonden al velen de schaatsen
onder te binden. Het vroor best en ik hoorde een
oude visser zeggen: Uitkijken jongens, want het ijs
kan wel eens afdrijven. Wij bonden de schaatsen
onder en reden naar de netten toe. Het ijs werd uit
het middenbijt gehakt, aan het net in de verste bijt
werd een touw gebonden, en wij konden de netten
halen. Er zat weinig spiering in. De netten moesten
nu weer onder het ijs. Mijn broer vierde ze, en ik
ging ze aantrekken. ,, Niet zo hard trekken" riep
hij tegen mij. ,,Ik trek helemaal niet", antwoordde
ik. ,,Gooi dan alles maar in de bijt, want dan zit
er beweging in het ijs" riep mijn broer en
inderdaad, boven op de dijk, bij de houtmolen, werd
al geroepen dat het ijs wegdreef.
We zetten het
op een lopen tot aan de rand van het ijs. Daar
stapte mijn broer te water en wou mij op zijn
schouder nemen, maar dat ging al niet meer, want het
is was intussen alweer verder gedreven en wij waren
te ver van elkaar af. ,,Draven" riep mijn broer,
,,Misschien kun je het eind van de Oostdam nog te
pakken krijgen." Ik draafde in de aangegeven
richting. Er draafden nog twee jongens op het ijs.
Wij liepen voor ons leven, maar kwamen voor een
scheur te staan, zodat wij terug moesten. Na 100
meter konden wij weer rechtuit en kwamen zo behouden
op de Oostdam aan. 's middags was het water zo ver
als het oog reikte. Met een roeibootje gingen we de
netten zoeken. We vonden ze nogal gauw en ....... ze
zaten vol spiering! Wel 80 pond, waar wij 3 cent per
kilo voorkregen, f 1.20 totaal, 'zodat er weer voor
enkele dagen brood op de plank was.