De
mobilisatie van 1914.
Het was zomer 1914, eind juli
begin augustus. Over een paar dagen is het Lemster
kermis, waar wij als kinderen al met verlangen naar
uitkeken. De bootslui die op de binnenboten varen,
hebben ons verteld dat er al veel schepen voor het
Tjeukemeer liggen. Schepen, waarin de kermis
attracties geladen zijn, die rustiger weer afwachten
om naar Lemmer te komen.
http://www.wereldoorlog1418.nl/vluchtelingen/kamp-gaasterland/index.htm
Als de wind is gaan liggen komen ze in Lemmer aan,
waar in het Dok een ligplaats wordt gevonden. Als
aan ieder een standplaats is toegewezen op de Korte
of Langestreek, Gedempte Gracht of Schulpen, begint
de opbouw. Zoals nu nog het geval is, stonden
verscheidene Lemster jongens klaar, om bij het
opbouwen te helpen. Na enkele dagen stond alles
klaar en kon het feest beginnen,
Er gingen ondertussen steeds meer geruchten over
oorlogsdreiging. Op een middag, terwijl wij op de
Gedempte Gracht aan het knikkeren waren, begonnen de
klokken te luiden. Het was zover. De oorlog was
uitgebroken en dat betekende voor ons land
mobilisatie. Overal consternatie. Gewekt werd er
niet meer, de mensen groepten bij elkaar om de
toestand te bespreken. Al vroeg de volgende morgen
vertrokken de jongens die in dienst moesten met de
tram om verder per spoor naar hun garnizoen te
reizen. Zij werden uitgeleide gedaan door hun
familie. Ook wij moesten mijn oudste broer Ferdinand
naar de tram brengen. Hij was toen nog net in
dienst, waar hij behalve zijn eigen ook nog tegen
een vergoeding van f 125,- vier maanden had gediend
in de plaats van een boerenzoon. Voor dat geld kon
moeder in Amsterdam in het ziekenhuis worden
opgenomen.
De volgende morgen hoorden we, dat er ook een
afdeling in Lemmer gelegerd zou worden. Tegen de
avond kwamen ze aangemarcheerd . Onder hun waren ook
een paar Lemsters, waarvan ik mij nog herinner:
Gerhardus Wierdsma, Pieter Wouda, Willem Platte en
Jan Dijkman. De laatste had al een rang en was bij
de leiding van zijn afdeling. Wij waren wat trots,
als we een eindje met ze konden oplopen. Van de
militairen werd een gedeelte ondergebracht in de
openbare school ( waar later Dorpshuis de Helling
stond) De wacht kwam in het sluishokje, en veel
soldaten werden bij burgers ingekwartierd. Ook mijn
schoonouders kregen een soldaat ingekwartierd. In
het eerst werd deze, zoals veel meer werd gedaan,
doorgezonden naar de Wildeman. Toen dit op de lange
duur te kostbaar werd, werd de soldaat in huis
genomen. Het was iemand uit Enschede, die later in
de vakantie nog vaak met vrouw en kinderen kwamen
logeren.
Nu hier de soldaten waren gelegerd, kwam het ook wel
eens voor, dat zij 's zondagsavonds wat rumoerig
waren. Er werden eens twee van hun onder het
Gemeentehuis opgesloten. Hierover werd door hun
kameraden het volgende versje gemaakt:
Als je
door de Lemmer wandelt,
dreigt
je steeds een groot gevaar.
Pas
vooral goed op je woorden en roep niet "Had je me
maar"
Want dan
zijn er vaak agenten, en die trekken zich dat aan.
Ze
pakken je bij je body en kun je mede gaan
"Had je
me maar" roep je vrolijk en blij,
"Had je
me maar, ging ik maar aan je zij"
"Had je
me maar", roep je nu tot je verdriet, "Nu zit ik in
een celletje, daar zit ik anders niet".
Een
soldaat uit die tijd.
De kermis is niet
doorgegaan, alles werd zo weer afgebroken. Men had
toen voor het eerst wel wat anders aan zijn hoofd.