De
ziekenbarak te Lemmer.
Op de
arm is Evert de Vries, links: Uit het raam is de
moeder van Evert , 2e uit het raam is Leeuwke
Bootsma ( Leeuwke was de broer van Roelie haar oma
Roelofje Visser (Meuke Roel) Leeuwke was gehuwd met
Meuke Johanna, zij kregen negen kinderen, waaronder
Ieke). en dan volgt Ferdinand de Vries de broer van
Evert.
Graag zou ik
nog eens mijn herinneringen aan die periode aan de
lezers willen door geven. Daartoe nodig ik uit om
eens mee te lopen naar Spinhuispolle 1 waar mijn
vader en moeder en wij met 9 kinderen woonden. De
deur staat open, U kunt zo binnentreden. Door de
gang waar klompen staan, komen wij in de kamer van
zo ongeveer 4 bij 4 meter. De klok slaat drie, de
jongste kinderen zijn in school. Vader is te meel
sjouwen, de oudste kinderen zijn aan het spiering
speten in de hang. Wij schrijven januari 1909.
Moeder is thuis en broer Jan ligt ziek te bed. Hij
zit onder de vlekken. Het is vroeg donker en de
gaslantaarn voor het armhuis schijnt precies op
tafel.
Langzamerhand
komt de schare aanzetten en gaan wij brood eten. Nu
moet men niet denken dat dat een zaak was van "eet
maar raak", nee, voor ieder stond een bordje met
afgepast eten klaar en de broodtafel is binnen een
kwartier leeg. Ieder verteld, wat hij vandaag
beleeft heeft. Vader loopt zingend van "Scheepje
onder Jezus hoede" de kamer op en neer. Het duurde
niet lang of wij vielen allemaal in.
Na een poosje
wilden de groteren de krant of een boek lezen en de
jongeren een spelletje domino spelen. Daarvoor was
het te donker en alsof het afgesproken was, klonk
het in koor: "Wij steken de lamp niet op" Toch mocht
de lamp al gauw branden. Nadat wij zo een uur hadden
doorgebracht was het negen uur en bedtijd.
Vader en moeder
sliepen met twee van de jongste in een bedstee, met
de allerjongste in een krib, drie meisjes in een
andere bedstee boven de vol water staande kelder,
waardoor de matrassen onder de schimmel zaten. Mijn
broer Ferdinand en Jan en ik gingen met zijn drieën
naar boven. Jan zat nog onder de vlekken en daar
sliepen wij naast. Men wist niet welke ziekte dit
was . Er gingen geruchten door het dorp dat er meer
mensen met de "vlekziekte" waren. Een paar dagen
later kregen Ferdinand en ik die vlekken ook. Na
lang zoeken werd het bekend dat het vlektyfus was.
Enkele
initiatiefnemers vroegen een noodziekenhuis aan. Dat
werd op de gedempt Gracht opgebouwd. De toestand was
zo erg, dat reizigers die naar Lemmer toe moesten,
deze plaats lieten liggen. Intussen waren mijn broer
en ik ook opgenomen op de mannenzaal van de barak.
Wat de mensen betreft weet ik alleen nog dat Leeuwke
Bootsma naast ons lag. Als het stormde uit het
noordwesten bulderde het over de barak. Dan duurde
het niet lang, of Leeuwke stapte in zijn roodbaaien
hemd over de vloer. Hij wou dan naar zee omdat hij
in zijn koorts meende, dat er een schip in nood zat
en je die mensen toch niet kon laten verdrinken. Een
zuster kalmeerde hem dan en Leeuwke ging weer naar
bed
In het eerst
kwam er helemaal geen bezoek. Pas toen men de ziekte
in de hand kreeg, mocht de familie op bezoek komen.
Mijn vader was heel vlug bij ons. Nadat we het
meeste nieuws wisten, zei Ferdinand: "Vader, heb ik
het goed, heb ik moeder vannacht niet horen
hoesten"? Toen kwam het hoge woord eruit. Moeder had
de gevreesde ziekt ook en was de vorige dag
opgenomen. Wij waren ondertussen aan de beterende
hand, maar het lopen ging nog niet, s ' Middags
probeerden we het toch en ons overal aan vasthoudend
bereikten we de vrouwenafdeling. Het weerzien met
moeder was niet te beschrijven.
Omdat ik de
jongste patiënt was werd ik door de bezoekers
overstelpt met koek, chocolade en koekjes, waarvan
ik niet eens wist dat ze bestonden. Zoiets had ik
bij ons thuis nog nooit gezien. Wij herstelden flink
en wat ik nog nooit eerder had meegemaakt, wij
konden zoveel eten als wij lusten. Voor de eerste
keer in mijn leven kreeg ik "Pareltjes pap" Ik had
daarvan twee flinke borden vol op, toen de zuster
zei ,, Evertje barst je nog niet?". Toen ik dat
ontkende, schepte ze mij nog een derde bord op!
Speelgoed was
er ook, Van één van de bezoekers kreeg ik een
bouwdoos met rode glazen in deur en kozijnen. Als
het mooi weer was, speelde ik er mee voor het open
raam en mijn speelmakkers van de Spinhuispolle
wilden wel graag met mij ruilen. Gelukkig kwamen wij
gezond en wel weer thuis. Later kreeg moeder last
van de nieren. Zij werd daarvoor in Amsterdam in het
ziekenhuis opgenomen. Het heeft niet geholpen, op
jonge leeftijd is zij aan die kwaal overleden.
Mijn vader
bleef achter met negen kinderen; door een goede
onderlinge verhouding zijn ze allemaal goed
terechtgekomen. Omdat er in de krant nog als eens
over dit onderwerp was geschreven, wilde ik als
jongste patiënt uit die tijd dit nog eens vertellen.
"De Prins" van 1909. DE
TYFUSEPIDEMIE.
Toen in
December 1908 in de Lemmer de typhus verscheen, was
deze ziekte zo vreemd en onbekend in die plaats, dat
ze ternauwernood geconstateerd werd. Eerst in de
laatste dagen van Februari 1909 en de eerste dagen
van Maart vertoonde zij zich als een geduchte
verdervende macht; Als typhus met vlekken velde zij
binnen de weinige dagen vier personen als haar
slachtoffers. Toen sloeg den menschen de schrik om
het hart. Het plaatselijk bestuur had naugezet alles
gedaan, wat de dokters hadden geraden tot
bestrijding van de ziekte. Er werd hulp ingeroepen
tot betere verzorgen en verpleging der karanken. Een
pleegzuster kwam uit Amsterdam, mej. H. Lagas. Maar
ach, na veertien dagen van onverdroten en
onverschrokken liefdevolle arbeid werd deze zelve
door de reeds in de middeleeuwen zoo gevreesde
ziekte aangetast welk een verslagenheid onder de
ingezetenen, die zuster Lagas als een reddende engel
door de plaats hadden zien zweven!
Een zielsvriendin der kranke
zuster snelde ter hulpe mej. A. E. Bartelsman. Een
rijks ziekenbarak werd ontboden en op een rustige
plek in ons dorp neergezet. De eerste patiënt die
opgenomen werd in de barak, was zuster Lagas. Het
scheen, dat binnen de vriendelijke wanden van dit
ziekenhuisje de dood niet gemakkelijk komen kon.
Alle patiënten op één na genazen daar. Tot opeens
het gerucht zich verbreidde; ook zuster Bartelsman
is aangetast. En helaas, deze is in de barak
gestorven. Hare gedachtenis zal bij de Lemmer
bevolking in zegening blijven.
Toen scheen de ziekte uitgewoed
te zijn. Alle kranken werden beter. De zusters H.
Laats en A. Ruevekamp pleegzusters van freule Mock
huize Boerhave te 's -Gravenhage, gekomen om zuster
Bartelsman te verplegen en haar arbeid over te nemen
en te voltooien, hadden herstellende te verzorgen.
Thans is de barak ledig en zijn de zusters
vertrokken. De barak zelf zal wel spoedig worden
weggenomen "aldus het verslag in het weekblad "De
Prins" uit 1909".
Op het
graf van zuster Bartelsman, helemaal vooraan op het
lage deel van het kerkhof, stond een steen met de
vermelding dat die door het Groene Kruis geplaatst
was. Een jaar of dertig geleden is die weggehaald
wat nog een paar ingezonden stukken in de Lemster
krant opleverde. Maar toen was het kwaad al
geschied.