Margrietsluis.
Lemmer
Zaterdag de stoppen zullen heus niet door slaan bij
het verwijderen van enkele stoppers, schreef
Hillebrand Lemstra aan het eind van zijn artikeltje
als reactie van mijn verhaaltje van 4 November. Je
moet een beetje in de krantenwereld bekent zijn om
deze zin te begrijpen. Elke krant is altijd precies
vol. Dat komt niet om dat alle medewerkers op de
letter af weten hoe veel ruimte de redactie
beschikbaar heeft, maar om dat er altijd wat
stoppers op voorraad zijn.
Algemene berichten die wel eens geplaatst kunnen
worden maar niet zo aan tijd gebonden zijn. Op
pagina 19 van vorige week staan er een paar voor
beelden van. Onderwerpen waarvan je je afvraagt wat
die in de Lemsterkrant moeten. Het heeft niets met
nieuws uit Lemsterland of omgeving te maken, maar
zulke stoppers zorgen er wel voor dat de krant
altijd weer vol komt.
De reactie van Hillebrand riep bij mij ook weer de
nodige herinneringen op. Hij heeft het over
bakkersvrouw Aukje Koopmans die op de Visserburen
met de schepen mee liep of soms draafde (op in
Fotteldrafke zoals wij het in het Fries noemen.)
Goed omschreven maar onder die naam kende ik haar
niet. Voor mij en bijna iedereen die bij de centrale
bakkerij betrokken was, was zij Tante Aukje. Zo goed
als haar man voor ons Omke Pieter , of meestal
kortaf Omke was.
Dat deze mensen zo werden omschreven en aangesproken
kwam om dat er niet alleen zakelijke banden maar ook
verschillende familiebanden door het bedrijf liepen.
Pieter Frankema de opvolger van Koopmans, was een
zoon van een broer van Aukje. Door hem en zijn gezin
hoorde we hun dus als Omke en Tante aan te spreken.
Van de andere kant hoorde we het zelfde van de
kinderen van Jan Koopmans, die bij de bom bij de
sluisput omgekomen broer van Pieter.
Zo werden deze namen ook voor de andere medewerkers
de gebruikelijke manier van aan spreken. dat gold
voor de familie Loen. Ook twee broers in het zelfde
bedrijf. Door de kinderen van Hendrik Loen werden
Lex en zijn vrouw voor iedereen Ome Lex en Tante
Johanna. Omgekeerd ging dit niet helemaal op. De
vrouw van Hendrik werd wel Tante Koos genoemd maar
ik heb nooit iemand over Ome Henny horen spreken.
Misschien bekte dat wel niet zo goed.
Dan hadden we in de banketbakkerij Menno van der
Hoff. Zijn oudste dochter Afra verzorgde een jaar of
vijf de boekhouding. Door haar werd van der Hoff ook
voor ons Papa. Op de zelfde manier wist iedereen als
er over Pake gesproken werd dat daar mee mijn
grootvader bedoeld werd. Maar een andere Pake,
Haveman werd alleen door zijn kleinkinderen zo
genoemd. Voor de andere was hij âlde Haveman. Dat
zal wel gestamd hebben uit de tijd dat hij en zijn
zoon Henny beide aan het bedrijf verbonden waren.
Dat brengt mij dan weer terug bij wat ik de vorige
keer schreef over de bakkers die je van af de brug
met een steen kon begooien. Hoe is het mogelijk dat
ik Haveman daarbij vergat. Misschien wel om dat een
steen van af de brug gegooid op de markt later
Burgermeester Krijgerplein wel altijd doel moest
treffen. Een fout die ik mezelf maar moeilijk kan
vergeven. De contacten van mijn familie met die van
Havemans zijn immers al heel oud, en ook nu is er
nog wel eens een telefoontje tussen mij en de vrouw
van Henny in Heerenveen. Bij het overlijden van
vader kwam zij zelfs nog even op bezoek.
Hillebrand noemt ook de melkventers uit vervlogen
tijden. Ook voor mij geen onbekende. Een heel andere
volksstam dan onze bakkers. Zij waren voor en na het
venten op de Gedempte gracht te vinden bij het
"molkehokje". Daar werd de melk uit Oosterzee
aangevoerd en onder leiding van Andries Eilers
verdeeld.
Hoe vaak heb ik thuis niet horen zeggen: "Hwat wie
der fan ’e moarn wer in rûzje by it molkehokje" .
Toch kregen deze mensen tenslotte klaar wat de
bakkers nooit is gelukt een wijkverdeling. Wij
kwamen nooit verder dan praten en over maar bleven
door elkaar venten. Vijf bakkers van het zelfde
bedrijf in de Parkstraat was geen uitzondering. Het
resultaat is dat van al onze vent wijken niets meer
over is, terwijl er nog wel de rijdende winkels
zijn, die we in feite moeten zien als de
overblijfsels en opvolgers van de vroegere
melkventers.
Beide beroepsgroepen hadden gemeen dat zij graag
probeerde om wat handel bij de schippers te doen.
Niet alleen zoals Hillebrand al beschreef ’s Morgens
voor dat de vaste klanten bezocht werden, maar ook
wel ’s middags na afloop van die rit in de hoop nog
wat restanten aan de schippers te kunnen slijten.
Er kwam een omslag in die handel. Voor mijn gevoel
heel lang geleden- het zou nog wel eens voor de
oorlog geweest kunnen zijn - viel het besluit dat
het nieuwe kanaal niet bij Stavoren maar bij Lemmer
in het IJsselmeer zou uitmonden. De vlaggen gingen
uit om dat Lemmer deze slag gewonnen had. Dit zou
onze redding worden na de terug gang van de visserij
als gevolg van de afsluiting van de Zuider-zee.
Toen de vaarverbinding na verloop van vele jaren
uitgevoerd werd viel het tegen. De afstand naar
Lemmer was te groot. De provincie wilde ook niet te
veel handelaren op de sluis. Voor de melkhandel
kregen de broers Roel en Siemen Hoekstra
toestemming. Van de bakkers werd het Pieter
Frankema, zij kregen een winkeltje op de Prinses
Margrietsluis, waar zij om beurten aanwezig waren.
Toen Frankema zijn bakkers zaak verkocht had gingen
de Hoekstra’s verder met de inmiddels vrij
uitgegroeide handel. Tot dat de provincie besloot
dat het afgelopen moest zijn met deze soort verkoop.
Er kwam toen een ark nabij de sluis te liggen. Dit
sloeg niet aan bij de schippers, die de oude
toestand hadden willen behouden. Hun oude bekende
waren vervangen door mensen uit de omgeving van
Amsterdam die daar een jachthaven beheerd hadden.
Beste mensen, maar de meeste schippers wilde hun
reis zo vlak voor of na de sluis er niet voor
onderbreken. De Ark was dan ook weer snel verdwenen.
Ondertussen zijn er al weer heel wat jaren
verstreken en bij de Margrietsluis is ook weer het
nodige veranderd. De brug over het kanaal is
vervangen door een hogere en met de gratis pasage is
dit nu de grootste concurrent voor de doorvaart door
Lemmer voor de pleziervaart geworden. Het is nu maar
de vraag wie of indertijd de meeste rede hebben
gehad om de vlag uit te steken de winnende Lemsters
of de verslagen inwoners van Stavoren.
Hier bij een afgebeelde foto van sluis en brug - in
1952 verstuurd- is in mijn ogen nog niet echt oud,
maar toch is het voor een deel een opname van iets
dat alweer tot de historie behoort.