Naar
Medemblik.
12 april 1926
viel op een doordeweekse dag. het was de verjaardag
van mijn zuster Liesbeth. ,, Vanavond met de hele
familie gezellig bij elkaar, een grote pan met
chocolade melk, misschien zelfs een stukje koek
erbij", Mooi gedacht, maar voor mij kwam het anders
uit. Ik werkte toen in de rokerij en moest 's
middags om 4 uur naar de haven naar Gauke en Poppe
Bootsma en de Vollenhove 64, om haring. Het was erg
stil op de haven. Het grootste deel van de vloot was
voor de ansjovisvangst naar Medemblik. De Bootsma's
hadden ook haast, er werd hard gewerkt om de
haringnetten aan wal te krijgen en de ansjovisbeug
over te nemen. Zij telden de haring en ik bracht ze
in de kar. Terwijl we daar mee bezig waren, kwam
Laurens de Rook er aan met Jan Rottiné. Wat zou dat
betekenen? Nu ik moest met Eelke de Vries met de 'Judith'
de botter van de Rook, met een vracht lege tonnen
naar Medemblik, iets waar ik niet veel trek in had.
Jan Rottiné
moest mijn werk overnemen. De klok sloeg half vijf.
Vlug naar huis, wat kleren in een doosje en naar de
sluis, waar Eelke de Vries al klaar lag. Aan boord
gesprongen, de zeilen gehesen en de haven uit.
Buiten de haven was het zonnig en met een matige
Oostenwind, de fok te loevert, ging het avontuur
beginnen. De wind wakkerde wat aan en voor de wind
hadden we de Friese kust al gauw uit het oog
verloren. Ik zag dat aan de achterkant het water
over de botter sloeg. Ik was er niet erg gerust op;
hoe dichter wij bij Medemblijk kwamen, hoe holler de
zee werd. Gelukkig kwamen we om 8 uur zonder
ongelukken binnen.
De haven lag
vol aken en botters uit alle Zuiderzeehavens,
waaronder veel Lemsters. Al gauw had ik contact met
mijn Lemster vrienden Jaap en Sake Wouda en Johannes
Wijnands. Wij hebben er toen maar een gezellige
avond van gemaakt. De volgende dag moesten wij vanaf
Medemblik naar Kolhorn met lege tonnen. De wind was
gaan liggen zodat wij de haven uit moesten bomen.
Met de vloed mee dreven wij langzaam in de richting
van Kolhorn. De zon scheen heerlijk en de meeuwen
krijste om ons heen om voedsel te zoeken. Wij zouden
zo langzamerhand gaan eten. Eelke zei, dat er nog
een dikke paling in de bun moest zitten. Die gingen
we vangen. Een la vol as werd in de bun geleegd en
toen hadden we hem ook meteen. Schoongemaakt en
gefileerd kwam de paling met een half pond vet er
bij met de aardappelen in de koekenpan en toen maar
bakken. Toen alles gaar was, werden paling, vet en
aardappelen gestampt. Ik heb van mijn leven nog
nooit zo heerlijk gegeten.
Intussen was er
aardig wind gekomen en al gauw bereikten wij Kolhorn
waar wij de lege vaten losten en er volle met
ansjovis voor in de plaats kregen. Het ging nu weer
op Lemmer aan. Na een voorspoedige reis waren wij
weer in de thuishaven. Gelukkig was Rienk Rienksma
inmiddels weer beschikbaar voor deze reisjes en kon
ik aan de wal blijven. Zulke zeereisjes lagen mij
niet zo erg, ,,geen passend" voor mij zoals men
tegenwoordig zegt, maar weigeren durfde je zoiets
niet, want uitkeringen waren er toen niet! Dat was
dan mijn reis met de Judith.