|

Oudega.
OUDEGA
of Oldega, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet.
Smallingerland, arr. en 6 u. N. O. van Heerenveen, kant. en
2 1/2 u. N. N. W. van Beetsterzwaag, op eenen hoogen
zandgrond in het geboomte omringd van lage hooi- en
weilanden.
Het is een zeer oude plaats, misschien wel de oudste van de
grietenij, zoo als haar Friesche naam Aodegea (oude buurt)
genoegzaam te kennen geeft. De geschiedenis nogtans geeft
den tijd der stichting niet naauwkeurig op, en meldt ons
alleen, dat het behoorde onder den Abt van het
Smalleneester-konvent of klooster, waarvan nog in het geh.
Smalle-Ee, hetwelk door de Smalle-Eester-zanding en de
Oudegaster-zanding van Oudega gescheiden is, de plaats, waar
het gestaan heeft, wordt aangewezen.
In vereeniging met Smalle-Ee moet Oudega toen eene
aanmerkelijke bevolking gehad hebben, daar er reeds in het
jaar 1453 te Smalle-Ee eene jaarmarkt gehouden werd, en in
het konvent van dien naam, gedurende de twisten der
Schieringers en Vetkoopers, eene zamenkomst dezer partijen
geweest is. Trouwens, Oudega zelf draagt onderscheidene
kenmerken van ouderdom. Aan het kerkgebouw, waaraan nergens
een jaartal, hetwelk ons de stichting meldt, gevonden wordt,
vindt men nog veel duifsteen, en niet zelden werden hier
steenen doodkisten opgedolven. Zulk eene steenen kist werd
onder anderen in het jaar 1817 daar opgegraven, hebbende
eene lengte van 2,57 ell.
Het deksel was lang 2,692 ell., de breedte boven 0.993 ell.,
de breedte in het midden 0,941 ell. en onder 0.706 ell. Aan
de buitenzijde was zij ruw, doch op het deksel, aan het
hoofdeinde en aan de beide zijden, binnen de kist, vond men,
in verheven beeldwerk, deze figuren: (zie origineel); aan
het voeteinde (zie origineel); voor het overige was de
binnenzijde boogswijze, als matwerk, gebeiteld en zeer net
bewerkt. Deze kist werd, gelijk alle de voorheen gevondene,
uit het kerkhof gegraven, en zoowel de plaats als het kruis
doen ons denken, dat daarin een geestelijk is begraven
geweest. Eene soortgelijke kist werd nog in het jaar 1838
opgegraven. De Geschiedschrijver Winsemius meldt (1), op het
jaar 1254, dat er destijds een groot aantal wolven en wilde
dieren, uit Drenthe en Westphalen gekomen, zich in
Zevenwouden en Oostergoo ophield, en niet alleen vele
verwoestingen aanrigtte onder de schapen en het vee, maar
zelfs de lijken op de kerkhoven uit de graven haalde, zoodat
vele inwoners, om deze reden, uit verre plaatsen steenen
zerken ontboden, onder welke de lijken, uit vrees voor de
wolven, bedekt en begraven werden.
Daar nu Oudega niet verder dan omtrent vijf uren gaans van
de Drentsche grenzen verwijderd is, en dit gedierte zich dus
ook zekerlijk hier zal bevonden hebben, is het misschien ook
omtrent dien tijd geweest, dat zij hier in gebruik waren, en
van daar nog in zulk een aantal in deze streken gevonden
worden. Dit wordt te meer waarschijnlijk, daar, volgens het
verhaal der landlieden, hunne voorouders zich in steenen
doodkisten begraven lieten, om van de wolven niet verslonden
te worden. Indien nu deze veronderstelling, of liever
gissing, te bewijzen ware, zoude hieruit volgen, dat dan het
dorp Oldega reeds sedert zes eeuwen bestaan had.
Het dorp is, met de onderhoorige landen, ruim twee uren
gaans lang en een uur breed. men wil, dat de oudste bewoners
zich des zomers met hunne kudden naar de lage omstreken
begaven, en aldaar op de hoogste plaatsen hunne tenten
opsloegen. Zoodanige legerplaatsen vindt men vele aan den
westkant van het dorp in de maadlanden. Sommige dier
maadlanden hebben daarvan waarschijnlijk den naam ontvangen
van de Hemmen en de Hooge-Warren. Ten Zuiden van het dorp,
tegen over Smalle-Ee, vindt men het Gea-lan (buurtland).
Door het Gea-lan liep oudtijds slechts ééne vaart, waardoor
Oudega met Smalle-Ee te water gemeenschap had, het Oude-diep
genaamd, hetwelk in de Munniks-gruppel uitloopt. In latere
tijden zijn, ten gemakke der scheepvaart, nog gegraven de
Wopke-slooten, in het Zuidoosten en de Zetsloot, in het
Zuidwesten van de Oudegaster-zanding. Op het westeinde van
het dorp is mede eene zanding, waarin nog eene vaart
uitloopt naar Oudega, die de Geeuw genaamd wordt. men
verdeelt het dorp in de volgende buurten, als: het
Moleneind, de Voor-weg, de Achter-weg, de Buren, de Wal, de
Gaasten, het West, het Uiteinde en de Opperburen, die te
zamen bevatten 140 h. en ruim 760 inw., welke meest hun
bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt. Ook heeft men
er eenen wind-korenmolen. In vorige tijden waren hier
onderscheidene kooijen, tot het vangen van wilde eenden;
doch deze zijn sedert lang verdwenen, zonder eenig ander
spoor na te laten dan de naam.
(1) Kronijk, bl. 136.
De Herv. behooren tot de gem. Oudega-Nijega-en-Opeinde,
welke hier eene kerk heeft. Deze kerk, vóór de Reformatie
aan de H. Agatha toegewijd, is een oud langwerpig vierkant
gebouw, men eenen, boven het kerkdak vierkant opgaanden,
vervolgens spits toeloopenden en geheel op zich zelve
staanden toren, doch zonder orgel. - Men heeft er ook eene
kerk voor de Christelijk-Afgescheidenen, waartoe ongeveer
een vierde der inw. behooren. - De dorpschool wordt
gemiddeld door een getal van 120 leerlingen bezocht.
Vroeger stond, niet ver van dit d., de Groot-Haersma,
waarvan het huis in het jaar 1841 afgebroken is. Zie Haersma
(Groot-).
Van tijd tot tijd heeft dit d. in de verwoestingen en
bezwaren van deze provincie gedeeld.
In het jaar 1514 was hier Grietman Jelle Sikkes, die uit
zijne grietenij naar Leeuwarden vlugtte, omdat de
ingezetenen de Geldersche partij aankleefden, terwijl hij
het men den Hertog van Saksen hield. Op St. Mathijsdag van
dat jaar deed hij hier eenen inval met de Leeuwarders, en
verbrande te Oudega vijf en dertig huizen. Dit bekwam hem
echter zeer kwalijk, dewijl het volk der naaste dorpen, door
klokklepping verzameld, hem op den terugtogt aanviel, en met
hem zijnen zoon en velen der zijnen doodde. In het volgende
jaar werd de geheele grietenij Smallingerland afgeloopen, en
in Oudega brand gesticht door de Saksische benden. In den
Spaanschen oorlog, in het jaar 1583, werd Oudega met eene
bezetting bezwaard, om den vijand het doordringen naar
Smalle-Ee te beletten. Men vindt nog nabij Oudega eenen
blaauwen steen, gelijk hier de overlevering zegt, tot een
gedenkteeken strekkende van een gevecht, tusschen inwoners
van Oudega en eenig krijgsvolk van den Bisschop van Munster,
in het jaar 1672 geleverd, hetgeen waarschijnlijk tegen een
gedeelte van dat krijgsvolk zal geweest zijn, hetwelk
tusschen Dragten en Bergum, door de Frieschen Overste Aylva,
in Julij van dat zelfde jaar, werd teruggedreven.
Monumentenlijst Oudega.
|
Buorren 1 |
Rijksmonument |
Middeleeuwse kerk (ca. 1090) |
|
Buorren 7 |
Rijksmonument |
Pastorie (1743/1910) |
|
Buorren 11 |
Rijksmonument |
Rechthuis (1738) |
|
Buorren 19 |
Rijksmonument |
BBoerderij (1792) |
|
Buorren 31 |
Gemeentelijkmonument |
Gereformeerde kerk |
|
It West 29 |
Gemeentelijkmonument |
Boerderij (kop-romptype 1884) |
|
It West 31 |
Gemeentelijkmonument |
Boerderij (stelptype 1938) |
|
It West 48 |
Gemeentelijkmonument |
Boerderij (stelptype 1928) |
|
Opperbuorren-West 1 |
Rijksmonument |
Boerderijcomplex (kop-romptype 1856) |
|
bij Wolwarren |
Gemeentelijkmonument |
Windmolen (ca. 1915) |
|
bij Wolwarren 3 |
Gemeentelijkmonument |
Zomerhuis (1946) |





Oudega
is, sedert den aanleg van den kunstweg, van een tamelijk
belangrijke plaats tot een afgelegen dorpje afgedaald. De
slooping van Haersmastate in 1841 bragt mede aan zijn
welvaart groote schade toe. Nog is het een landelijk dorp,
en gelijk het daar voor ons ligt, met zijn deels helder
verlichte, deels door linden overschaduwde straat, maakt het
een' aangenamen indruk. Bij de kleine haven, met de
blinkende scheepjes en de huizen tusschen het groen op den
voorgrond, met den tintelenden waterspiegel der ‘Oudegaster
zanding’ op den achtergrond en de sterk verlichte kanten van
den oever in de verte, is het werkelijk een lief en
aantrek-kelijk landschap. Maar de belangrijkheid van Oudega
ligt in zijn oude, merkwaardige kerk.
Geenszins ongeschonden is die kerk bewaard. Tegenwoordig
vertoont zij een staalkaart van allerlei bouwstijlen. Van
Romaanschen oorsprong, en dus tot het oude gebouw behoorend,
zijn de zware tufsteenen muren met de zeer kleine
rondboogvensters in de hoogte en den lagen, ronden ingang in
den Noordermuur. Dat is de zoogenaamde Noormansdeur. Gelijk
bekend is, verhaalt de overlevering, dat de geduchte zonen
der ‘Grymma Herna’ de landzaten der door hen overheerde
gewesten hadden gedwongen, de deuren hunner huizen en kerken
in de rigting van het Noorden te plaatsen en die zóó laag te
maken, dat zij, bij het naar buiten treden, zich voor hun
meesters eerbiedig moesten neêrbuigen. Nu hebben alle
Romaansche dorpskerken, die ik in Friesland zag, wel de deur
zeer laag en in den Noordermuur geplaatst, maar in de 11de
en 12de eeuw, toen die kerken gebouwd werden, had
de Noorman hier geen bevelen meer te geven, - ook ontbreken
ingangen aan den Zuidkant niet. En is de ingang laag, dat is
in overeenstemming met den geheelen bouw; ook moet stellig
in rekening worden gebragt, dat de grond rondom de kerken,
tot kerkhoven gebruikt, allengs werd opgehoogd. Klein en
laag was het kerkje van Oudega in zijn' oorspronkelijken
toestand, en de oude vorm is nog zeer duidelijk te herkennen
aan het muurwerk van tufsteen.
Het koor is van veel later tijd, - het vertoont het jaartal
1599, - gelijk de van baksteenen gemetselde laag, die boven
de zijmuren werd aangebragt, om het gewelf te dragen, dat de
platte zoldering der oude kerk verving. Groote puntboogramen
werden in de muren gebroken, terwijl de kleine raampjes en
de lage ingang werden gesloten. Een leelijke deur uit de 18de
eeuw in den Noordermuur voltooit het bonte voorkomen van het
geheel. Aan de Zuidzijde is 't oorspronkelijke beter
bewaard. Daar wordt wel eens over vandalisme geklaagd, en
van de kerkbesturen ten platten lande gaat in den regel geen
hooge roep van kunstzin uit. Maar wie de oude Friesche
dorpskerken ziet, bemerkt ligtelijk, dat deze kwaal niet van
vandaag of gisteren dagteekent. Trouwens, de eischen der
Protestantsche godsdienstoefening zijn ook niet altijd in
overeenstemming te brengen met die der archeologie. De
kleine, eigenaardige Romaansche lichtopeningen zijn daar
volkomen onbruikbaar, en de behoefte aan stoelen en banken
doet menig prachtig bewerkte zerk onder de planken
verdwijnen.
Van binnen is de kerk, die bouwvallig begon te worden, door
den architect Duursma te Dragten zooveel mogelijk hersteld
in overeenstemming èn met den ouden toestand èn met de
belangen der kerkvoogdij. Tal van wapens der Haersma's en
aanverwante geslachten, op de glazen geschilderd of tegen de
wanden opgehangen, maken het belangrijkste van het inwendige
uit. In den revolutietijd waren de geschilderde glazen bij
tijds weggenomen en geborgen, zoodat zij den storm hebben
overleefd, waarvoor de wapens en titels op de grafzerken
bezweken. De Commissie van Adviseurs had een zeer schoon
plan tot restauratie van het gebouw gezonden, maar de hooge
kosten schrikten van de uitvoering af. Trouwens, als 't mij
vergund was ongevraagd advies te geven, dan zou het zijn, de
kerken als die te Oudega, waarvan er in Friesland velen
zijn, aan de kerkvoogden aan te bevelen, om alle krachten,
zooveel noodig en mogelijk, te kunnen besteden aan de
restauratie van eene hoogst belangrijke kerk, welke wij
zullen bezoeken, die te Rinsumageest, met haar krypt of
krocht, voor zoover ik weet, onder de dorpskerken van ons
vaderland eenig in haar soort en ook nog om andere redenen
opmerkelijk, gelijk wij te zijner tijde zullen zien.
Aan de kerk van Oudega is eigenaardig de hooge, zware'
grootendeels tufsteenen toren met steenen spits. Van hoe
hoogen ouderdom dit gevaarte ook moge wezen, toch is de kerk
blijkbaar nog ouder. De ronde bogen, die den Westmuur
versieren, liepen vroeger waarschijnlijk door en zijn later
afgebroken door een' hoogen boog, die in dien gevel werd
aangebragt. Men kan dit een en ander opmerken, omdat de
toren niet aan de kerk is verbonden. Aan den voet is de
afstand gering, maar bij de helling van den toren naar het
Westen is hooger op de klove tamelijk breed. 't Laat zich
denken, dat de toren oorspronkelijk tegen de kerk werd
aangebouwd, - men kwam toen door een nog aanwezige opening
van de zoldering der kerk op de eerste verdieping van den
toren, - maar allengs door verzakking er van is afgeweken.
Men verhaalde ons, dat het gevaarte nog bij het luiden der
klokken zóóveel overhelt, dat men de hand wel tusschen den
torenvoet en het fundament kan brengen. Maar geen nood, dat
hij omvalt! Zie eens, hoe hecht het muurwerk in elkander
zit, als tot een' klomp van tufsteen gegoten! Zie eens, hoe
zwaar die gewelven zijn, waarop de tusschen kerken torenmuur
geplaatste ladder ons brengt! Wij kunnen ons voorstellen,
hoe zulke torens tevens vaste burgten konden zijn, waar het
landvolk een stroopende bende kon ontvlugten, waar een
handvol strijders een geregeld beleg konden doorstaan. Als
de proviand maar niet ontbrak, wat zou dan staal of vuur
vermogen tegen dezen steenklomp, die van zijn' voet tot zijn
spits nergens een mikpunt ten aanval aanbood?
Het betrekkelijk kleine en eenvoudige kerkje wijst op de 11de,
uiterlijk de 12de eeuw. Veel jonger is de toren
vermoedelijk niet. Ik zou dat stevig en statig gevaarte
gesticht achten door de vermogende adellijke personen, die
hier in den omtrek woonden. In de zwaar gewelfde ruimte
gelijkvloers vindt gij, als gij aan de schemering, die er
heerscht, wat gewend zijt, een overblijfsel van oude
regtspleging, - het ‘blok’ of de ‘stok’, twee zware, op
elkander sluitende planken, met gaten voor hoofd en beenen.
Dat is uit den goeden ouden tijd, toen de grietmannen nog op
hun lang verdwenen slot, ten O. van de kerk, later op 't
omstreeks 1664 gebouwde Groot-Haersma-state woonden, en het
geregt in de dorpsherberg werd gehouden. Gij vindt daar in
den gevel nog het beeld der geregtigheid. Pruttelaars
beweerden misschien wel eens, dat de geregtigheid wel er
buiten, maar niet er binnen was. Maar er zijn altijd
menschen, die wat aan te merken hebben! De oude tijd was
immers de goede tijd, dien velen zoo hartelijk terugwenschen!
Op het kerkhof werden voor en na een groot aantal steenen
doodkisten opgegraven. Eene er van, in 1817 gevonden,
bevatte, blijkens de kruisen, waarmeê het inwendige versierd
was, het lijk van een' hoog geplaatst geestelijke. Wij
kunnen nu eens gaan zien, of soms de moker des sloopers iets
van Groot-Haersma heeft overgelaten. ‘Staat er nog iets
van?’ - ‘Niets, dan eene oude poort.
Jacobus Craandijk.
Bron:
http://www.dbnl.org

Haersma State te Oudega.
Ik stel u voor, naar ons punt van uitgang, Dragten, niet
terug te keeren langs een' der beide gewone wegen. Den
straatweg kennen wij reeds; op den ‘Hoogen weg’ is niets te
zien. Welken weg dan? Eigenlijk durf ik het geen' weg
noemen. Wij hebben op ons kaartje gezien - er bestaan zeer
goede kaartjes van de Friesche gemeenten, door Hugo Suringar
te Leeuwarden uitgegeven - dat wij dwars door de landen bij
het ‘buitenst verlaat’ kunnen komen. Dit willen wij voor de
verandering eens beproeven. Bij de haven volgen wij het
spoor, dat ons, achter het dorp om, naar een' vonder over de
sloot brengt en verder over nog tal van andere vonders, in
het midden der uitgestrekte weiden, hier en daar door poelen
afgebroken. Eene enkele melkster komen wij tegen, die ons
met verbazing aanstaart. Waarvoor zou zij ons wel houden?
Wat zouden wij wel in die eenzame velden te doen hebben? Ook
de koeijen schijnen met verwondering de vreemde verschijning
in hun gebied gade te slaan. Welligt loeijen zij elkander
niet zeer vleijende opmerkingen omtrent onze personen toe.
Straks verlaat ons het pad, gelijk wij de weiden voor de
hooilanden hebben verlaten, 't Is hier eenzaam! Zoover de
blik reikt, zien wij niets dan de groene vlakte, ter
linkerzijde begrensd door de schrale boomenreeks van den
‘Hoogen weg’, ter regterhand door den blinkenden
waterspiegel van de Oudegaster zanding. Een zonderling
stukje zandgrond, met heuveltjes en heidestruiken, dringt
zich verrassend tusschen de lage landen in. Eene enkele
arbeiderswoning ligt in het veld, klein en laag, maar toch
van ver reeds zigtbaar als een uitstekend punt. Het huisje
kan ons gevoegelijk herinneren aan Feith's hut van klei, aan
't eind der aarde.
Zóó comfortable als zijn ‘hut’ - het kapitale heerenhuis op
het buitengoed Boschwijk - is deze woning niet. Maar 't is
toch ook niet, als in de heide bij Nellesteins gepleisterd
graf: 'een leemen muur'Een vloer van helm, een plag aan 't
vuur.’
Frisch en vrolijk, helder en zindelijk ziet het er uit.
Weelde is er niet, maar ook niet de verwaarloozing, die
erger dan armoede is. Wèl ligt het ‘aan 't eind der aarde!’
Een kluizenaar zou veeleischend genoemd moeten worden, als
hij 't nog eenzamer wenschte. Van 't gewoel der wereld zou
hij hier niet veel bemerken. De kluizenaar, die hier woont,
is echter in elk geval geen coelibatair. Eenige paren
kinderklompjes staan voor de deur, en als wij binnentreden,
vinden wij een knappe, kloeke vrouw als zijn'
levensgezellin. In stille overpeinzingen brengen zij hier
den dag niet door. De man is uit, ergens bij een' boer aan
't werk; de vrouw verzorgt den kleinen akker en tuin, het
schaap en het varken en de kinders. Zij klaagt geenszins.
Stil is het, maar daar staat tegenover, dat zij geen last
van de buren heeft. Neen, voorwaar niet! En op dezen kalmen,
schoonen zomeravond, onder den helderen hemel, te midden van
die zwijgende velden, ligt er een aantrekkelijk waas van
vrede over het eenzaam huis. Maar wat moet het zijn, als de
stormen gieren over de vlakte, als de herfstnevelen laag
neêrhangen of de jagtsneeuw wordt voortgezweept en tot een
berg zich opstapelt tegen de woning; wat moet het op de
korte, donkere winterdagen, in de lange winternachten hier
zijn! ‘O, dat is niets,’ zegt de vrouw - die ons een
eindweegs vergezelt, niet om den weg, maar om de rigting te
wijzen - ‘wij zijn er aan gewoon, en wij zijn tevreden.’
Heerlijke gewoonte, heilige tevredenheid, die ook de eenzame
hut bij de Egbertsgaasten tot een gezegende woonplaats
maakt!
Acht het niet overbodig, dat wij ons de rigting lieten
wijzen, terwijl wij toch wel wisten, dat ons naaste doel in
dat boschje daar ginds was gelegen. De regte lijn is wel in
de meetkunde, maar niet altijd in de praktijk, de kortste
afstand tusschen twee punten, en wel voor een' vogel, maar
niet voor een' mensch. Ons vermoeden, dat er wel breede
slooten, moerassige plaatsen of andere terreinhindernissen
konden liggen tusschen ons en ons doel, blijkt niet
ongegrond. Wij moeten nu eens links, dan eens regts; zoo
komen wij in het boschje en bij een paar boerderijen. 't Is
ook hier een vreemd leven! Hoe afgezonderd van de wereld
liggen deze beide plaatsen, door twee broeders met hun
gezinnen bewoond. Wat krijgen zij hier te zien, wat te
hooren van wat daar omgaat in die woelige wereld daarbuiten!
Nooit komt hier iemand voorbij; het naaste dorp is minstens
een uur ver af, en dat dorp is het zelfs reeds zoo afgelegen
Oudega. Hoe zonderling moet het leven zijn, hier begonnen,
hier gesleten, hier geëindigd!
Ons verzoek, om te worden overgezet, wordt toegestaan, maar
voorloopig blijkt ons nog niet, waar dat overzetten kan
geschieden. Wij zien nog niets dan weiland, overal weiland.
Maar de dienstmaagd neemt een' langen boom op de sterke
schouders en stapt met reuzenschreden vooruit tusschen de
koeijen door, het dagelijksch gezelschap van den boer.
Eindelijk komen wij aan een lange, smalle vaart, die zich
tot in het verre verschiet uitstrekt. Een groote paal, met
een' ketting omwonden, is het eenige uitstekende punt,
behalve een kleine paal, zonder ketting, aan de overzijde
der vaart. Onze onderzoeklievende geest vraagt de
verklaring. ‘Dat is voor de schippers, die niet betalen
willen.’ Wij vernemen nu, tot verrijking van onze
geografische kennis, dat deze vaart nog een eindweegs
voortloopt in de rigting van den Nijegasterhoek en met een'
tol ten behoeve van den boer is belast. Soms is er wel eens
een schipper,
Die met gedoken vlaggestreepen.
Door de engte heen, te ontglippen zocht.
Maar de vaart loopt dood en de schipper moet terug. Dan
vindt hij de vaart met de keten gesloten, als de Staatsche
vloot de rivier bij Chatham. En hij waagt het niet, als van
Brakel, den ketting stuk te zeilen, of, als David Vlug, dien
te doen zinken! Tol moet hij betalen, of hij komt er niet
door.
't Gaat bij ons vreedzaam in zijn werk. De boerenmeid boomt
ons in de schuit door de vaart, de monding van de
Kletstervaart over, en zet ons bij een scheepstimmerwerf te
midden van een net van wateren aan land. Als zij 't haar
toekomende heeft ontvangen, keert zij naar huis terug.
Scherp en krachtig steekt haar gestalte tegen den helderen
avondhemel af. In het stille water spiegelt zich haar beeld,
zachtkens vervloeijend met de rimpels, die de schuit in den
kalmen vloed heeft gemaakt. Straks is 't weêr eenzaam in het
rond. Wij staan bij een kleine buurt bij het ‘buitenst
verlaat’ op den vasten wal en komen langs de vaart aan de
plaats onzer bestemming.
Na het uitstapje naar Oudega, dat in een' langen zomermiddag
zeer goed te doen is, maken wij ons op tot een' togt, die
een paar dagen eischen mag.
De stoomboot
zal ons van Dragten naar Leeuwarden brengen, en daartoe
houden wij aanvankelijk hetzelfde vaarwater, dat ons van de
vischpartij bekend is, totdat wij de eenzame herberg aan de
Hooidammen voorbij zijn. Wij verzuimen niet, bij het punt,
waar de vaarwaters naar Leeuwarden en Grouw zich scheiden,
een' blik te werpen op het nieuwe kanaal, dat door de maden
gegraven is, als eerste stap tot de voorgenomen verveening,
die nieuwe welvaart in de doodsche vlakten zal brengen. Laat
ons hopen, dat bij deze gelegenheid de grond nog het een en
ander oplevere, wat over het verleden dezer streken eenig
licht verspreiden kan. De oude tufsteenen kerken van
Boornbergurn - thans verdwenen -, van Z. Dragten - ook reeds
lang gesloopt - en van Oudega wijzen er op, dat deze streken
in de 11de en 12de eeuw althans door
een niet onbelangrijke bevolking werden bewoond. 't Kan
zijn, dat zij oudtijds door een' weg verbonden waren,
althans in den hier voorkomenden naam Breggeham meent men de
herinnering aan een brug te vinden, 't Is hier een
wonderlijk warnet van wateren, met stukken weiland en
biezen, met eilandjes en pollen gemengd!
Jacobus Craandijk.
Bron:
http://www.dbnl.org



't Rechthuis te Oudega.

't Rechthuis te Oudega.

't Rechthuis te Oudega.





Molen bij Oudega, afgebroken in 1908.
 |