Oudega.

 

OUDEGA of Oldega, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 1/2 u. N. N. W. van Beetsterzwaag, op eenen hoogen zandgrond in het geboomte omringd van lage hooi- en weilanden.

Het is een zeer oude plaats, misschien wel de oudste van de grietenij, zoo als haar Friesche naam Aodegea (oude buurt) genoegzaam te kennen geeft. De geschiedenis nogtans geeft den tijd der stichting niet naauwkeurig op, en meldt ons alleen, dat het behoorde onder den Abt van het Smalleneester-konvent of klooster, waarvan nog in het geh. Smalle-Ee, hetwelk door de Smalle-Eester-zanding en de Oudegaster-zanding van Oudega gescheiden is, de plaats, waar het gestaan heeft, wordt aangewezen.

In vereeniging met Smalle-Ee moet Oudega toen eene aanmerkelijke bevolking gehad hebben, daar er reeds in het jaar 1453 te Smalle-Ee eene jaarmarkt gehouden werd, en in het konvent van dien naam, gedurende de twisten der Schieringers en Vetkoopers, eene zamenkomst dezer partijen geweest is. Trouwens, Oudega zelf draagt onderscheidene kenmerken van ouderdom. Aan het kerkgebouw, waaraan nergens een jaartal, hetwelk ons de stichting meldt, gevonden wordt, vindt men nog veel duifsteen, en niet zelden werden hier steenen doodkisten opgedolven. Zulk eene steenen kist werd onder anderen in het jaar 1817 daar opgegraven, hebbende eene lengte van 2,57 ell.

Het deksel was lang 2,692 ell., de breedte boven 0.993 ell., de breedte in het midden 0,941 ell. en onder 0.706 ell. Aan de buitenzijde was zij ruw, doch op het deksel, aan het hoofdeinde en aan de beide zijden, binnen de kist, vond men, in verheven beeldwerk, deze figuren: (zie origineel); aan het voeteinde (zie origineel); voor het overige was de binnenzijde boogswijze, als matwerk, gebeiteld en zeer net bewerkt. Deze kist werd, gelijk alle de voorheen gevondene, uit het kerkhof gegraven, en zoowel de plaats als het kruis doen ons denken, dat daarin een geestelijk is begraven geweest. Eene soortgelijke kist werd nog in het jaar 1838 opgegraven. De Geschiedschrijver Winsemius meldt (1), op het jaar 1254, dat er destijds een groot aantal wolven en wilde dieren, uit Drenthe en Westphalen gekomen, zich in Zevenwouden en Oostergoo ophield, en niet alleen vele verwoestingen aanrigtte onder de schapen en het vee, maar zelfs de lijken op de kerkhoven uit de graven haalde, zoodat vele inwoners, om deze reden, uit verre plaatsen steenen zerken ontboden, onder welke de lijken, uit vrees voor de wolven, bedekt en begraven werden.

Daar nu Oudega niet verder dan omtrent vijf uren gaans van de Drentsche grenzen verwijderd is, en dit gedierte zich dus ook zekerlijk hier zal bevonden hebben, is het misschien ook omtrent dien tijd geweest, dat zij hier in gebruik waren, en van daar nog in zulk een aantal in deze streken gevonden worden. Dit wordt te meer waarschijnlijk, daar, volgens het verhaal der landlieden, hunne voorouders zich in steenen doodkisten begraven lieten, om van de wolven niet verslonden te worden. Indien nu deze veronderstelling, of liever gissing, te bewijzen ware, zoude hieruit volgen, dat dan het dorp Oldega reeds sedert zes eeuwen bestaan had.

Het dorp is, met de onderhoorige landen, ruim twee uren gaans lang en een uur breed. men wil, dat de oudste bewoners zich des zomers met hunne kudden naar de lage omstreken begaven, en aldaar op de hoogste plaatsen hunne tenten opsloegen. Zoodanige legerplaatsen vindt men vele aan den westkant van het dorp in de maadlanden. Sommige dier maadlanden hebben daarvan waarschijnlijk den naam ontvangen van de Hemmen en de Hooge-Warren. Ten Zuiden van het dorp, tegen over Smalle-Ee, vindt men het Gea-lan (buurtland). Door het Gea-lan liep oudtijds slechts ééne vaart, waardoor Oudega met Smalle-Ee te water gemeenschap had, het Oude-diep genaamd, hetwelk in de Munniks-gruppel uitloopt. In latere tijden zijn, ten gemakke der scheepvaart, nog gegraven de Wopke-slooten, in het Zuidoosten en de Zetsloot, in het Zuidwesten van de Oudegaster-zanding. Op het westeinde van het dorp is mede eene zanding, waarin nog eene vaart uitloopt naar Oudega, die de Geeuw genaamd wordt. men verdeelt het dorp in de volgende buurten, als: het Moleneind, de Voor-weg, de Achter-weg, de Buren, de Wal, de Gaasten, het West, het Uiteinde en de Opperburen, die te zamen bevatten 140 h. en ruim 760 inw., welke meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt. Ook heeft men er eenen wind-korenmolen. In vorige tijden waren hier onderscheidene kooijen, tot het vangen van wilde eenden; doch deze zijn sedert lang verdwenen, zonder eenig ander spoor na te laten dan de naam.

(1) Kronijk, bl. 136.

De Herv. behooren tot de gem. Oudega-Nijega-en-Opeinde, welke hier eene kerk heeft. Deze kerk, vóór de Reformatie aan de H. Agatha toegewijd, is een oud langwerpig vierkant gebouw, men eenen, boven het kerkdak vierkant opgaanden, vervolgens spits toeloopenden en geheel op zich zelve staanden toren, doch zonder orgel. - Men heeft er ook eene kerk voor de Christelijk-Afgescheidenen, waartoe ongeveer een vierde der inw. behooren. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 120 leerlingen bezocht.

Vroeger stond, niet ver van dit d., de Groot-Haersma, waarvan het huis in het jaar 1841 afgebroken is. Zie Haersma (Groot-).

Van tijd tot tijd heeft dit d. in de verwoestingen en bezwaren van deze provincie gedeeld.

In het jaar 1514 was hier Grietman Jelle Sikkes, die uit zijne grietenij naar Leeuwarden vlugtte, omdat de ingezetenen de Geldersche partij aankleefden, terwijl hij het men den Hertog van Saksen hield. Op St. Mathijsdag van dat jaar deed hij hier eenen inval met de Leeuwarders, en verbrande te Oudega vijf en dertig huizen. Dit bekwam hem echter zeer kwalijk, dewijl het volk der naaste dorpen, door klokklepping verzameld, hem op den terugtogt aanviel, en met hem zijnen zoon en velen der zijnen doodde. In het volgende jaar werd de geheele grietenij Smallingerland afgeloopen, en in Oudega brand gesticht door de Saksische benden. In den Spaanschen oorlog, in het jaar 1583, werd Oudega met eene bezetting bezwaard, om den vijand het doordringen naar Smalle-Ee te beletten. Men vindt nog nabij Oudega eenen blaauwen steen, gelijk hier de overlevering zegt, tot een gedenkteeken strekkende van een gevecht, tusschen inwoners van Oudega en eenig krijgsvolk van den Bisschop van Munster, in het jaar 1672 geleverd, hetgeen waarschijnlijk tegen een gedeelte van dat krijgsvolk zal geweest zijn, hetwelk tusschen Dragten en Bergum, door de Frieschen Overste Aylva, in Julij van dat zelfde jaar, werd teruggedreven.

Monumentenlijst Oudega.

Buorren 1

Rijksmonument

Middeleeuwse kerk (ca. 1090)

Buorren 7

Rijksmonument

Pastorie (1743/1910)

Buorren 11

Rijksmonument

Rechthuis (1738)

Buorren 19

Rijksmonument

BBoerderij (1792)

Buorren 31

Gemeentelijkmonument

Gereformeerde kerk

It West 29

Gemeentelijkmonument

Boerderij (kop-romptype 1884)

It West 31

Gemeentelijkmonument

Boerderij (stelptype 1938)

It West 48

Gemeentelijkmonument

Boerderij (stelptype 1928)

Opperbuorren-West 1

Rijksmonument

Boerderijcomplex (kop-romptype 1856)

bij Wolwarren

Gemeentelijkmonument

Windmolen (ca. 1915)

bij Wolwarren 3

Gemeentelijkmonument

Zomerhuis (1946)

 

 

 

 

 

 

Oudega is, sedert den aanleg van den kunstweg, van een tamelijk belangrijke plaats tot een afgelegen dorpje afgedaald. De slooping van Haersmastate in 1841 bragt mede aan zijn welvaart groote schade toe. Nog is het een landelijk dorp, en gelijk het daar voor ons ligt, met zijn deels helder verlichte, deels door linden overschaduwde straat, maakt het een' aangenamen indruk. Bij de kleine haven, met de blinkende scheepjes en de huizen tusschen het groen op den voorgrond, met den tintelenden waterspiegel der ‘Oudegaster zanding’ op den achtergrond en de sterk verlichte kanten van den oever in de verte, is het werkelijk een lief en aantrek-kelijk landschap. Maar de belangrijkheid van Oudega ligt in zijn oude, merkwaardige kerk.

Geenszins ongeschonden is die kerk bewaard. Tegenwoordig vertoont zij een staalkaart van allerlei bouwstijlen. Van Romaanschen oorsprong, en dus tot het oude gebouw behoorend, zijn de zware tufsteenen muren met de zeer kleine rondboogvensters in de hoogte en den lagen, ronden ingang in den Noordermuur. Dat is de zoogenaamde Noormansdeur. Gelijk bekend is, verhaalt de overlevering, dat de geduchte zonen der ‘Grymma Herna’ de landzaten der door hen overheerde gewesten hadden gedwongen, de deuren hunner huizen en kerken in de rigting van het Noorden te plaatsen en die zóó laag te maken, dat zij, bij het naar buiten treden, zich voor hun meesters eerbiedig moesten neêrbuigen. Nu hebben alle Romaansche dorpskerken, die ik in Friesland zag, wel de deur zeer laag en in den Noordermuur geplaatst, maar in de 11de en 12de eeuw, toen die kerken gebouwd werden, had de Noorman hier geen bevelen meer te geven, - ook ontbreken ingangen aan den Zuidkant niet. En is de ingang laag, dat is in overeenstemming met den geheelen bouw; ook moet stellig in rekening worden gebragt, dat de grond rondom de kerken, tot kerkhoven gebruikt, allengs werd opgehoogd. Klein en laag was het kerkje van Oudega in zijn' oorspronkelijken toestand, en de oude vorm is nog zeer duidelijk te herkennen aan het muurwerk van tufsteen.

Het koor is van veel later tijd, - het vertoont het jaartal 1599, - gelijk de van baksteenen gemetselde laag, die boven de zijmuren werd aangebragt, om het gewelf te dragen, dat de platte zoldering der oude kerk verving. Groote puntboogramen werden in de muren gebroken, terwijl de kleine raampjes en de lage ingang werden gesloten. Een leelijke deur uit de 18de eeuw in den Noordermuur voltooit het bonte voorkomen van het geheel. Aan de Zuidzijde is 't oorspronkelijke beter bewaard. Daar wordt wel eens over vandalisme geklaagd, en van de kerkbesturen ten platten lande gaat in den regel geen hooge roep van kunstzin uit. Maar wie de oude Friesche dorpskerken ziet, bemerkt ligtelijk, dat deze kwaal niet van vandaag of gisteren dagteekent. Trouwens, de eischen der Protestantsche godsdienstoefening zijn ook niet altijd in overeenstemming te brengen met die der archeologie. De kleine, eigenaardige Romaansche lichtopeningen zijn daar volkomen onbruikbaar, en de behoefte aan stoelen en banken doet menig prachtig bewerkte zerk onder de planken verdwijnen.

Van binnen is de kerk, die bouwvallig begon te worden, door den architect Duursma te Dragten zooveel mogelijk hersteld in overeenstemming èn met den ouden toestand èn met de belangen der kerkvoogdij. Tal van wapens der Haersma's en aanverwante geslachten, op de glazen geschilderd of tegen de wanden opgehangen, maken het belangrijkste van het inwendige uit. In den revolutietijd waren de geschilderde glazen bij tijds weggenomen en geborgen, zoodat zij den storm hebben overleefd, waarvoor de wapens en titels op de grafzerken bezweken. De Commissie van Adviseurs had een zeer schoon plan tot restauratie van het gebouw gezonden, maar de hooge kosten schrikten van de uitvoering af. Trouwens, als 't mij vergund was ongevraagd advies te geven, dan zou het zijn, de kerken als die te Oudega, waarvan er in Friesland velen zijn, aan de kerkvoogden aan te bevelen, om alle krachten, zooveel noodig en mogelijk, te kunnen besteden aan de restauratie van eene hoogst belangrijke kerk, welke wij zullen bezoeken, die te Rinsumageest, met haar krypt of krocht, voor zoover ik weet, onder de dorpskerken van ons vaderland eenig in haar soort en ook nog om andere redenen opmerkelijk, gelijk wij te zijner tijde zullen zien.

Aan de kerk van Oudega is eigenaardig de hooge, zware' grootendeels tufsteenen toren met steenen spits. Van hoe hoogen ouderdom dit gevaarte ook moge wezen, toch is de kerk blijkbaar nog ouder. De ronde bogen, die den Westmuur versieren, liepen vroeger waarschijnlijk door en zijn later afgebroken door een' hoogen boog, die in dien gevel werd aangebragt. Men kan dit een en ander opmerken, omdat de toren niet aan de kerk is verbonden. Aan den voet is de afstand gering, maar bij de helling van den toren naar het Westen is hooger op de klove tamelijk breed. 't Laat zich denken, dat de toren oorspronkelijk tegen de kerk werd aangebouwd, - men kwam toen door een nog aanwezige opening van de zoldering der kerk op de eerste verdieping van den toren, - maar allengs door verzakking er van is afgeweken. Men verhaalde ons, dat het gevaarte nog bij het luiden der klokken zóóveel overhelt, dat men de hand wel tusschen den torenvoet en het fundament kan brengen. Maar geen nood, dat hij omvalt! Zie eens, hoe hecht het muurwerk in elkander zit, als tot een' klomp van tufsteen gegoten! Zie eens, hoe zwaar die gewelven zijn, waarop de tusschen kerken torenmuur geplaatste ladder ons brengt! Wij kunnen ons voorstellen, hoe zulke torens tevens vaste burgten konden zijn, waar het landvolk een stroopende bende kon ontvlugten, waar een handvol strijders een geregeld beleg konden doorstaan. Als de proviand maar niet ontbrak, wat zou dan staal of vuur vermogen tegen dezen steenklomp, die van zijn' voet tot zijn spits nergens een mikpunt ten aanval aanbood?

Het betrekkelijk kleine en eenvoudige kerkje wijst op de 11de, uiterlijk de 12de eeuw. Veel jonger is de toren vermoedelijk niet. Ik zou dat stevig en statig gevaarte gesticht achten door de vermogende adellijke personen, die hier in den omtrek woonden. In de zwaar gewelfde ruimte gelijkvloers vindt gij, als gij aan de schemering, die er heerscht, wat gewend zijt, een overblijfsel van oude regtspleging, - het ‘blok’ of de ‘stok’, twee zware, op elkander sluitende planken, met gaten voor hoofd en beenen. Dat is uit den goeden ouden tijd, toen de grietmannen nog op hun lang verdwenen slot, ten O. van de kerk, later op 't omstreeks 1664 gebouwde Groot-Haersma-state woonden, en het geregt in de dorpsherberg werd gehouden. Gij vindt daar in den gevel nog het beeld der geregtigheid. Pruttelaars beweerden misschien wel eens, dat de geregtigheid wel er buiten, maar niet er binnen was. Maar er zijn altijd menschen, die wat aan te merken hebben! De oude tijd was immers de goede tijd, dien velen zoo hartelijk terugwenschen!

Op het kerkhof werden voor en na een groot aantal steenen doodkisten opgegraven. Eene er van, in 1817 gevonden, bevatte, blijkens de kruisen, waarmeê het inwendige versierd was, het lijk van een' hoog geplaatst geestelijke. Wij kunnen nu eens gaan zien, of soms de moker des sloopers iets van Groot-Haersma heeft overgelaten. ‘Staat er nog iets van?’ - ‘Niets, dan eene oude poort.

Jacobus Craandijk.

Bron: http://www.dbnl.org

 

Haersma State te Oudega.

 

Ik stel u voor, naar ons punt van uitgang, Dragten, niet terug te keeren langs een' der beide gewone wegen. Den straatweg kennen wij reeds; op den ‘Hoogen weg’ is niets te zien. Welken weg dan? Eigenlijk durf ik het geen' weg noemen. Wij hebben op ons kaartje gezien - er bestaan zeer goede kaartjes van de Friesche gemeenten, door Hugo Suringar te Leeuwarden uitgegeven - dat wij dwars door de landen bij het ‘buitenst verlaat’ kunnen komen. Dit willen wij voor de verandering eens beproeven. Bij de haven volgen wij het spoor, dat ons, achter het dorp om, naar een' vonder over de sloot brengt en verder over nog tal van andere vonders, in het midden der uitgestrekte weiden, hier en daar door poelen afgebroken. Eene enkele melkster komen wij tegen, die ons met verbazing aanstaart. Waarvoor zou zij ons wel houden? Wat zouden wij wel in die eenzame velden te doen hebben? Ook de koeijen schijnen met verwondering de vreemde verschijning in hun gebied gade te slaan. Welligt loeijen zij elkander niet zeer vleijende opmerkingen omtrent onze personen toe. Straks verlaat ons het pad, gelijk wij de weiden voor de hooilanden hebben verlaten, 't Is hier eenzaam! Zoover de blik reikt, zien wij niets dan de groene vlakte, ter linkerzijde begrensd door de schrale boomenreeks van den ‘Hoogen weg’, ter regterhand door den blinkenden waterspiegel van de Oudegaster zanding. Een zonderling stukje zandgrond, met heuveltjes en heidestruiken, dringt zich verrassend tusschen de lage landen in. Eene enkele arbeiderswoning ligt in het veld, klein en laag, maar toch van ver reeds zigtbaar als een uitstekend punt. Het huisje kan ons gevoegelijk herinneren aan Feith's hut van klei, aan 't eind der aarde.

Zóó comfortable als zijn ‘hut’ - het kapitale heerenhuis op het buitengoed Boschwijk - is deze woning niet. Maar 't is toch ook niet, als in de heide bij Nellesteins gepleisterd graf: 'een leemen muur'Een vloer van helm, een plag aan 't vuur.’

Frisch en vrolijk, helder en zindelijk ziet het er uit. Weelde is er niet, maar ook niet de verwaarloozing, die erger dan armoede is. Wèl ligt het ‘aan 't eind der aarde!’ Een kluizenaar zou veeleischend genoemd moeten worden, als hij 't nog eenzamer wenschte. Van 't gewoel der wereld zou hij hier niet veel bemerken. De kluizenaar, die hier woont, is echter in elk geval geen coelibatair. Eenige paren kinderklompjes staan voor de deur, en als wij binnentreden, vinden wij een knappe, kloeke vrouw als zijn' levensgezellin. In stille overpeinzingen brengen zij hier den dag niet door. De man is uit, ergens bij een' boer aan 't werk; de vrouw verzorgt den kleinen akker en tuin, het schaap en het varken en de kinders. Zij klaagt geenszins. Stil is het, maar daar staat tegenover, dat zij geen last van de buren heeft. Neen, voorwaar niet! En op dezen kalmen, schoonen zomeravond, onder den helderen hemel, te midden van die zwijgende velden, ligt er een aantrekkelijk waas van vrede over het eenzaam huis. Maar wat moet het zijn, als de stormen gieren over de vlakte, als de herfstnevelen laag neêrhangen of de jagtsneeuw wordt voortgezweept en tot een berg zich opstapelt tegen de woning; wat moet het op de korte, donkere winterdagen, in de lange winternachten hier zijn! ‘O, dat is niets,’ zegt de vrouw - die ons een eindweegs vergezelt, niet om den weg, maar om de rigting te wijzen - ‘wij zijn er aan gewoon, en wij zijn tevreden.’ Heerlijke gewoonte, heilige tevredenheid, die ook de eenzame hut bij de Egbertsgaasten tot een gezegende woonplaats maakt!

Acht het niet overbodig, dat wij ons de rigting lieten wijzen, terwijl wij toch wel wisten, dat ons naaste doel in dat boschje daar ginds was gelegen. De regte lijn is wel in de meetkunde, maar niet altijd in de praktijk, de kortste afstand tusschen twee punten, en wel voor een' vogel, maar niet voor een' mensch. Ons vermoeden, dat er wel breede slooten, moerassige plaatsen of andere terreinhindernissen konden liggen tusschen ons en ons doel, blijkt niet ongegrond. Wij moeten nu eens links, dan eens regts; zoo komen wij in het boschje en bij een paar boerderijen. 't Is ook hier een vreemd leven! Hoe afgezonderd van de wereld liggen deze beide plaatsen, door twee broeders met hun gezinnen bewoond. Wat krijgen zij hier te zien, wat te hooren van wat daar omgaat in die woelige wereld daarbuiten! Nooit komt hier iemand voorbij; het naaste dorp is minstens een uur ver af, en dat dorp is het zelfs reeds zoo afgelegen Oudega. Hoe zonderling moet het leven zijn, hier begonnen, hier gesleten, hier geëindigd!

Ons verzoek, om te worden overgezet, wordt toegestaan, maar voorloopig blijkt ons nog niet, waar dat overzetten kan geschieden. Wij zien nog niets dan weiland, overal weiland. Maar de dienstmaagd neemt een' langen boom op de sterke schouders en stapt met reuzenschreden vooruit tusschen de koeijen door, het dagelijksch gezelschap van den boer. Eindelijk komen wij aan een lange, smalle vaart, die zich tot in het verre verschiet uitstrekt. Een groote paal, met een' ketting omwonden, is het eenige uitstekende punt, behalve een kleine paal, zonder ketting, aan de overzijde der vaart. Onze onderzoeklievende geest vraagt de verklaring. ‘Dat is voor de schippers, die niet betalen willen.’ Wij vernemen nu, tot verrijking van onze geografische kennis, dat deze vaart nog een eindweegs voortloopt in de rigting van den Nijegasterhoek en met een' tol ten behoeve van den boer is belast. Soms is er wel eens een schipper,

Die met gedoken vlaggestreepen.

Door de engte heen, te ontglippen zocht.

Maar de vaart loopt dood en de schipper moet terug. Dan vindt hij de vaart met de keten gesloten, als de Staatsche vloot de rivier bij Chatham. En hij waagt het niet, als van Brakel, den ketting stuk te zeilen, of, als David Vlug, dien te doen zinken! Tol moet hij betalen, of hij komt er niet door.

't Gaat bij ons vreedzaam in zijn werk. De boerenmeid boomt ons in de schuit door de vaart, de monding van de Kletstervaart over, en zet ons bij een scheepstimmerwerf te midden van een net van wateren aan land. Als zij 't haar toekomende heeft ontvangen, keert zij naar huis terug. Scherp en krachtig steekt haar gestalte tegen den helderen avondhemel af. In het stille water spiegelt zich haar beeld, zachtkens vervloeijend met de rimpels, die de schuit in den kalmen vloed heeft gemaakt. Straks is 't weêr eenzaam in het rond. Wij staan bij een kleine buurt bij het ‘buitenst verlaat’ op den vasten wal en komen langs de vaart aan de plaats onzer bestemming.

Na het uitstapje naar Oudega, dat in een' langen zomermiddag zeer goed te doen is, maken wij ons op tot een' togt, die een paar dagen eischen mag.

De stoomboot zal ons van Dragten naar Leeuwarden brengen, en daartoe houden wij aanvankelijk hetzelfde vaarwater, dat ons van de vischpartij bekend is, totdat wij de eenzame herberg aan de Hooidammen voorbij zijn. Wij verzuimen niet, bij het punt, waar de vaarwaters naar Leeuwarden en Grouw zich scheiden, een' blik te werpen op het nieuwe kanaal, dat door de maden gegraven is, als eerste stap tot de voorgenomen verveening, die nieuwe welvaart in de doodsche vlakten zal brengen. Laat ons hopen, dat bij deze gelegenheid de grond nog het een en ander oplevere, wat over het verleden dezer streken eenig licht verspreiden kan. De oude tufsteenen kerken van Boornbergurn - thans verdwenen -, van Z. Dragten - ook reeds lang gesloopt - en van Oudega wijzen er op, dat deze streken in de 11de en 12de eeuw althans door een niet onbelangrijke bevolking werden bewoond. 't Kan zijn, dat zij oudtijds door een' weg verbonden waren, althans in den hier voorkomenden naam Breggeham meent men de herinnering aan een brug te vinden, 't Is hier een wonderlijk warnet van wateren, met stukken weiland en biezen, met eilandjes en pollen gemengd!

Jacobus Craandijk.

Bron: http://www.dbnl.org

 

 

 

't Rechthuis te Oudega.

 

't Rechthuis te Oudega.

 

't Rechthuis te Oudega.

 

 

 

 

 

Molen bij Oudega, afgebroken in 1908.

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.