Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

De Elfstedentocht "De tocht der Tochten".

 

 

 
 

           

 

1749: de oudste vermelding.

De oudste vermelding van de Elfstedentocht is van 1749. Volksdichter Boelardus Augustinus van Boelens, die zich verschool achter het pseudoniem B. Bornius Alvaarsma, schreef toen: ‘’t Is Pier die ellef Steden van Vriesland, op een dag, heeft in het rond gereden, en nog zijn maal met vrede at in den Olyhoek, te Bolsward in den stal, bij Vetlap van den Hoek.’

1749 ook wel het roemruchte jaar waarin de eerste Elfstedentocht werd verreden! Sommige historici beweren dat namelijk aan de hand van een versje in een dichtbundel, genaamd ''De winter, in drie zangen". Dit zou dan het bewijs voor de tocht der tochten zijn:

De knaap was lang berucht

Voor het baasje dat gelijk

een vogel door de lucht

kon vliegen over 't  ijs.

't Is Pier de ellef Steden

van Friesland, op een dag,

heeft in het rond gereden,

en nog zijn maal met vrede

at in den Oliekoek

te Bolsward in den stal,

bij Veltje van den Hoek.

1763

De tweede melding van een man die alle elf steden in één dag wist te bezoeken komt uit 1763. In het boek Historische Beschryvinge van Friesland staat te lezen:

Zij hebben in 't algemeen den naam van groote Schaatseryders te wezen, en het is zeker, dat een goede Ryder op een dag wel driemaal verder ryden kan, als een Paard zoude kunnen lopen op zyn hardst. Het is ook meer als eens gebeurt dat goede Schaatse-ryders op een winterse dag alle XI Steden van Friesland doorgereden en gezien hebben; dog dan moeten ze nergens lang vertoeven en 't Ys moet goed en sterk wezen.

 

1765

In de volgende winters blijven schaatsers het proberen, wanneer het ijs dat toelaat. Zo ook twee jaar later, in 1765. In dat jaar wordt er in het boek De Honig Bije opnieuw melding gemaakt van een Elfstedentochtschaatser:

Een hachje gelyk een Zwaluw door de lugt kon vliegen over 't ys: 't is Pier die d'ellef Steden van Vriesland op één dag heeft in het rond gereden.

 

1809

In 1809 lukt het Pals Andrise (Andries) en Pals Geerts om de elf steden te bezoeken. In totaal deden zij er 14 uur en 30 minuten over. De mannen zijn de eerste Elfsteden-rijders van wie de namen bekend zijn gebleven. In 1844 stond er in de krant dat 3 Friese mannen in één dag alle 11 steden langsgereden waren. Net als Pals Andrise (Andries) en Pals Geerts deden zij er 14 uur en 30 minuten over.

De reisroute van Pals  en Pals liep vanaf Deersum-Leeuwarden en was vervolgens geheel gelijk als aangegeven was door de "Frieschen IJsbond". Voornoemde personen vertrokken 's morgens om 5½ uur, met goed bereidbaar ijs, maar vrijwat wind; alle steden aandoende arriveerden ze om zeven uur 's avonds te Sneek en aangezien de reis bijna was volbracht, wenschte men nog even te pleisteren bij Hospes Bouwe (later logement Hoogerhuis).

Hier vond men een gezellige kring van burgers gezeten om den haard, allen liefhebbers van schaatsenrijden. Toen hun bekend werd, welken tocht deze personen hadden gemaakt, werd hun ieder een halve liter boerekoffie door het gezelschap verteerd; destijds een geliefde volksdrank op het ijs. Boerekoffie werd samengesteld uit bruinbier, wat brandewijn, notemuscaat en een paar geklutste eieren en warm gepresenteerd; de vermaardheid van elkele kasteleins in het maken van deze drank was groot, zoodat er uren ver soms om werd gereden.

Na het gebruik der koffie arriveerden zij des avonds 8 uur weer in de plaats van vertrek. Niemand van dit gezelschap had vroeger van zulk een tocht gehoord, en allen beschouwden dien als eerste. De mededeeling werd mij heden verstrekt door een zoon van laatsgenoemden deelnemer, thans 94 jaar oud.

1848

In de opnieuw strenge winter van 1848, valt in de Provinciale Friesche Courant te lezen:

Er bestaan voorzeker slechts weinige voorbeelden, dat men op eene dag op schaatsen niet alleen alle Friese steden bezoekt, maar ook op de plaats terug komt, van waar men is uitgegaan. Dat zulks mogelijk is, is wederom bewezen. Op den 22 Januarij l.l., des morgens 5 uur, zijn namelijk van het dorp Huins uitgereden Douwe Haantjes Joustra (31 jaar, koopman te Baard) en Klaas Siemons de Jong (25 jaar en veehouder te Huins), benevens nog twee andere reizigers. Deze vier mannen wisten de tocht in een tijd van 15 uur en 30 minuten af te leggen.

De Amsterdamsche Courant van 24 januari 1848 schreef onder de kop Bladvulling:

Bij iedere hardrijderij op schaatsen, welke gedurende dezen winter heeft plaatsgehad, hebben vele Vriezen blijken gegeven, de aloude kunst van schaatsenrijden nog niet verleerd te hebben, maar in vele opzigten in snelheid met onze oude beroemde hardrijders te kunnen wedijveren.

Snelheid en vlugheid, gepaard met kracht, in een betrekkelijk kort tijdsverloop zamen vereenigd en aangewend, mogen de vereischten zijn. om bij eene hardrijderij als overwinnaar bekroond te worden; bij sommige hunner, die deze gaven in volle mate bezitten, ontbreekt echter wel eens iets, dat bij een langdurig rit op schaatsen, een hoofdvereischte en ontbeerlijk is; wij bedoelen het volhoudingsvermogen, waardoor men in staat is, zich gedurende een groot tijdsverloop met snelheid op schaatsen voort te bewegen.

Er bestaan voorzeker slechts weinig voorbeelden, dat men op éénen dag op schaatsen niet alleen alle Vriesche steden bezoekt, maar ook op de plaats terugkomt van waar men is uitgegaan. Dat zulks mogelijk is, is onlangs wederom bewezen. Op den 22 Januarij l.l., des morgens vijf uur, zijn namelijk van het dorp Huins uitgereden, Douwe Haantjes Joustra, woonachtig te Baard en Klaas Simons de Jong, van Huins, benevens nog twee andere reizigers.

De reisroute, welke zij gevolgd hebben, was van Huins op Leeuwarden en Dockum, toen terug op Leeuwarden, van daar op Sneek, IJlst, Sloten, Stavoren, Hindelopen, Workum, Bolsward, Harlingen en verder op Franeker, alwaar zij des avonds om half acht uur aankwamen, terwijl zij eindelijk, ten negen uur, te Huins arriveerden; zoodat zij in een tijdsverloop van zestien uren, al de steden van Vriesland hebben bezocht. De betrekkelijke afstand, welken zij hebben afgelegd, is nagenoeg 40 uren gaans, zoodat zij gemiddeld een uur gaans in 24 minuten hebben afgelegd.

De reizigers hadden in den morgen nogal te kampen met harden tegenwind, maar gelukkig was het ijs, over het geheel genomen, tamelijk goed en de wegen waren goed gebaand. Twee der reizigers hebben evenwel dezen togt niet geheel mede kunnen doen, uit hoofde zij eenig beletsel aan hunne voeten kregen, zoodat zij genoodzaakt geweest zijn, des nachts te Bolsward te verblijven; Joustra en de Jong hebben echter het doel hunner reis volbragt, zonder eenig letsel bekomen te hebben, en daardoor getoond, dat de Vriezen niet alleen in snelheid op schaatsen, maar ook in het volhoudingsvermogen, voorzeker huns gelijken niet hebben.

De snelheid intusschen van 24 minuten in een uur levert niets buitengewoons op, dewijl goede schaatsenrijders afstanden van hoogstens 8 á 40 uren dikwijls in 15 minuten per uur afleggen, maar zulks voorzeker gedurende 16 uren niet kunnen volhouden. Als men daarbij in aanmerking neemt, dat de krachten van een paard niet verder gaan dan om dezen afstand van 40 uren gaans in minstens twee dagen af te leggen, zoo moet men de kracht en volharding van bovengemelde reizigers bewonderen.

1868

Bejaarde Friezen schaatsen langs alle elf steden. In 1868 werd de Elfstedentocht al gereden door deze twee bejaarde Friezen: de 65-jarige Sjoerd Sjoerds van der Wey en de 78-jarige Piet Dikhoff, vertrokken op 11 januari van dat jaar 's ochtends om vier uur uit Bolsward en kwamen daar 's avonds om zeven uur weer aan. Ze hadden in totaal drie uur gerust.

 

Sjoerd Sjoerds van der Wey (links) en de 78-jarige Piet Dikhoff, (rechts)

 

1890

De winter van 1890 op 1891 was streng. Van november tot januari waren alle binnenwateren in Nederland bevroren. Ongelukken, vaak met dodelijke afloop, waren aan de orde van de dag. Bijna dagelijks werd melding gemaakt van aangetroffen bevroren lijken. Vele honderden Friezen waagden een poging alle elf steden te bezoeken.

Indertijd waren er nog geen stempelkaarten. Vaak werd ingetekend op een lijst van een herbergier in elk van de elf steden als bewijs van aflegging. Van de zusjes Lysbeth en Akke Swierstra is bekend dat zij toen de eerste vrouwen zijn geweest die de tocht hebben afgelegd. Ook vermeldenswaardig is dat zeven broers uit het dorpje Tirns allemaal op dezelfde dag de tocht wisten te voltooien. Sporter, schilder, schrijver en journalist Pim Mulier waagde op 2 januari ook een poging.

 

Pim Mulier.

Pim Mulier in 1890.

Willem Johan Herman Mulier (spreek uit muuljee) werd geboren op 10 maart 1865 op het landgoed Aylva State in Witmarsum, als zoon van één van de laatste grietmannen (regenten) in de provincie Friesland. In 1867 verhuist de familie Mulier naar Haarlem.

Het was te verwachten dat in dezen winter, nu alle kanalen en vaarten in deze provincie evenzoovele sterke ijsbanen zijn geworden, de eene of andere koene schaatser zou opstaan om het traditionele bezoek aan de elf Friesche steden op één dag te brengen. De heer W. Mulier van Haarlem, geboren Fries, 25 jaar oud, (...) heeft verleden zondag genoemde taak met het beste gevolg volbracht. Hij vertrok 's morgens 7 uur van hier en was 's avonds 8 uur terug. De rust, die hij zich hier en daar gunde, vorderde tezamen 2 uren.

Op 21 december 1890 reed sportpionier Pim Mulier een Elfstedentocht, in een tijd van 12 uur en 55 minuten, een record dat tot 1909 stand zou houden, en waarbij hij als eerste in alle steden zijn doorkomsttijden door een lokale autoriteit liet paraferen. Met die tocht en het verhaal dat hij erover schreef, legde Mulier de basis voor een traditie, die een unieke plaats inneemt in de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

In 1934, bij het 25-jarig jubileum van de eerste Elfstedentocht, keek Mulier op verzoek van het Elfsteden bestuur terug op de droom die hem sinds die 'zoo prettigen dag' voor ogen had gestaan.

Hij wil, zegt hij, 'de lust bevredigen die hem al zo lang heeft geplaagd om den Elfstedentocht te ondernemen en vooral om den tijd te verbeteren'. Welnu, Pim Mulier heeft nog geen dertien uren nodig om van Leeuwarden naar Leeuwarden te rijden en hij zal altijd blijven denken dat er op het Elfstedenijs nooit iemand sneller is geweest.

Maar wat veel belangrijker is? Dat de sportieve Pim achttien jaar later, wanneer hij secretaris is van de Nederlandsche Bond voor Lichamelijke Opvoeding, op een idee komt. Met de herinnering aan dit schaatsavontuur in z'n achterhoofd, denkt hij aan de mogelijkheid van een georganiseerde Elfstedentocht. In plaats van de individuele Elfstedentochten, die er al wie weet hoe lang zijn geweest, zou er eens een gereglementeerd evenement moeten zijn. En geen instantie zou dit beter dan de Friese ijsbond kunnen organiseren.

De tocht inspireerde Mindert Hepkema tot het bepleiten van een speciale vereniging voor de Elfstedentocht. Om zeker te zijn van gunstige ijsverhoudingen en voortaan zo mogelijk telkenjare niet alleen een Elfstedentocht maar ook een Elfsteden-wedstrijd te kunnen organiseren. Zijn brief had resultaat. Op 15 januari 1909 werd de Vereniging De Friesche Elf Steden opgericht. Hepkema werd de eerste voorzitter.

De Friesche IJsbond wilde het evenwel bij deze ene keer laten. Maar Mr. Hepkema, advocaat te Leeuwarden, was van mening dat deze vorm van schaatssport levensvatbaar was. Hij achtte een aparte organisatie daarbij van belang. Enkele dagen daarna - op 15 januari 1909 - werd de Vereniging "De Friesche Elf Steden" opgericht.

Het doel van de vereniging is het bevorderen van de ijssport in de provincie Fryslân en in het bijzonder het organiseren - zo mogelijk jaarlijks - van Elfstedentochten op de schaats. Mr. Hepkema was de eerste voorzitter.

 

Vooral in de beginjaren was het deelnemen aan de Elfstedentocht niet van risico ontbloot, al was het maar omdat zoiets als eerste hulp nog in een beginstadium verkeerde en lang niet overal werd geboden.

 

1891

Op 3 januari 1891 bestond er nog geen stempelkaart.

 

 

Sinds mensenheugenis hebben de Friezen het als een grootse prestatie beschouwd om op één dag alle elf steden van hun provincie schaatsend aan te doen. In een tijd waarin men de paardenwagen en de trekschuit kende als de snelste middelen van vervoer, kan het zich verplaatsen over het ijs bovendien een sensatie worden genoemd. Afstanden 'van vele uren gaans' worden immers zomaar afgelegd.

Al heel lang geldt het als een bijzonder sportieve prestatie om op een dag schaatsend alle elf Friese steden aan te doen: een afstand van bijna 200 kilometer. De hoofdstad van Fryslân, is vanouds de start- en finishplaats en de deelnemers rijden vanuit Leeuwarden naar achtereenvolgens Sneek, IJlst, Sloten, Stavoren, Hindelopen, Workum, Bolsward, Harlingen, Franeker, Dokkum en weer Leeuwarden.

Maar zo'n Elfstedentocht kan alleen door de allersterkste worden gemaakt. Hun namen worden van generatie op generatie in de familiekring trots doorverteld met de gereden tijden erbij: 'in slechts zestien uren' of, hoe bestaat het 'in vijftien uur precies'.

Soms komt de naam van zo'n krachtpatser in de krant te staan, zoals die van de Leeuwarder kunstschilder Willem Troost: hij volbrengt de tocht in 1862 helemaal alleen en staat daarvoor bijna een etmaal (!) op de schaats.

Maar wat er in de lange en bar strenge winter van 1890 en 1891 gebeurt, is nog nooit vertoond. Plotseling wordt het gewoon een rage om schaatsend langs de elf steden te gaan. Tientallen, nee honderden sterke kerels rijden de tocht of het niks is.

En wie toevallig om een hart versterkinkje binnenvalt bij de kastelein Jan Heslinga in IJlst kan daar zijn prestatie vereeuwigen door zijn naam op een lijst te zetten. Zelfs blijken daar later ook de namen van twee meisjes op te staan: de zusters Lysbeth en Akke Swierstra mogen beschouwd worden als de eerste representanten van het vrouwelijke geslacht dat zich nu ook al stort in het grote Elfsteden avontuur.

 

De afstanden van de Elfstedentocht.

Leeuwarden (start) Ljouwert 0
Sneek Snits 22
IJlst Drylts 26
Sloten Sleat 40
Stavoren Starum 66
Hindeloopen Hylpen 77
Workum Warkum 86
Bolsward Boalsert 99
Harlingen Harns 116
Franeker Frjentsjer 129
Dokkum Dokkum 174
Leeuwarden (finish) Ljouwert 199

Bron: Wikipedia.

Oprichting Vereniging De Friesche Elf Steden.

De Elfstedentocht kent dus een wedstrijd en een toertocht die beiden op dezelfde dag plaatsvinden. De wedstrijd en toerrijders schaatsen exact dezelfde route. Tot nu toe werden er 15 Elfstedentochten gehouden; de eerste werd verreden in 1909 en de voorlopig laatste in 1997. De winnaars op een rijtje.

 

Jaar

 

Naam

 

Plaats

 

Gereden in

 

1909

M. Hoekstra

Warga

13.50 uur

1912

C.C.J. de Koning

Arnhem

11.40 uur

1917

C.C.J. de Koning

Leur (NB)

9.53 uur

1929

K. Leemburg

Leeuwarden

11.09 uur

1933

A. de Vries 
S. Castelein

Dronrijp 
Wartena

9.05 uur

1940

A. Adema 
D. van der Duim 
C. Jongert 
P. Keizer 
S. Westra

Franeker 
Warga 
Ilpendam 
De Lier 
Warmenhuizen

11.30 uur

1941

A. Adema

Franeker

9.19 uur

1942

S. de Groot

Weidum

8.44 uur

1947

J. van der Hoorn

Ter Aar

10.51 uur

1954

J. van der Berg

Nijbeets

7.35 uur

1956

geen prijs uitgereikt

 

 

1963

R. Paping

Ommen

10.59 uur

1985

E. van Benthem

St. Jansklooster

6.47 uur

1986

E. van Benthem

St. Jansklooster

6.55 uur

1997

H. Angenent

Alphen aan de Rijn

6.49 uur

 

De Elfstedentocht "De tocht der Tochten".

Uit redactie van J.P. Wiersma.

 

 

 

 

Als "Hear Jûkelbird" - zooals de winter van oudsher in Friesland wordt genoemd - de wateren met zijn verstijvenden adem heeft aangeraakt, dan is geen Fries geheel zichzelve meer. Dan grijpt in de gemoederen een stemmingsverandering plaats; een bewustzijnsverwijding maakt de geesten een weinig minder zwaartillend.

De wintersche sfeer van strakke luchten en scherp doordringenden Oostenwind verandert het menschdom als bij tooverslag. Lange slierten schaatsenrijders zwieren over het ijs van vaarten en meren, geheel vervuld van nieuwe gewaarwordingen, die verjongen en opstuwen naar geestdrift en actie.

Is het ijs overal voldoende sterk geworden, dan komt de mogelijkheid van het houden van den Elfstedentocht in het midden der discussie te staan. De geschiedenis van dezen tocht werkt in vele geesten als een romantische legende, en altijd weer grijpt de Friesche mensch naar deze boeiende stof van de schoonste odyssée in het land der Elf Steden.

Altijd opnieuw zal de rijpe jeugd verlieven op de idee, in één dag per schaats de Elf Steden te bezoeken.
Deze drang naar daden op het gebied van de ijssport is den Fries als het ware ingeschapen. Bekend is, dat het schoonrijden, dat elders in het land beoefend wordt, in Friesland niet in eere is. Moge de niet-Fries zich toeleggen op bevalligheid en zwier, het hoofddoel van den Fries is: vooruit te komen, afstanden af te leggen. Andere provincies te bezoeken is sedert menschenheugenis de voornaamste sport geweest.

Vroeger, toen er nog geen spoorwegen waren, was het de voornaamste liefhebberij van de Friezen om per schaats de stad Groningen te bezoeken. Op de terugreis deed men volgens de traditie de Leek (in 't Friesch: de Like ) aan, om er ruwe kunstbloemen, die door de dorpelingen werden gemaakt van hulsttakjes, gekleurd papier en klatergoud, zgn. like-blommen, als aandenken mee naar huis te nemen. In zeer strenge winters werden tochten gemaakt van Friesland uit naar Enkhuizen, naar Ameland en Schiermonnikoog.

Uit welk jaar het eerste ijsfeit stamt, dat nu tot een schoone traditie is uitgegroeid, valt uiteraard niet te zeggen. De geschiedschrijvers zijn daarover uiterst spaarzaam met hun mededeelingen. Men leest wel van strenge winters en dergelijke bijzonderheden, maar van den Elfstedentocht zal men zoo goed als niets opgeteekend vinden. In den "Tegenwoordigen Staat van Friesland" (1763) leest men op pagina III:

"Het is ook meer als eens gebeurt, dat goede schaatse-ryders op eene winterse dag alle de XI Steden van Friesland doorgereden en gezien hebben; dog dan moeten ze nergens lang vertoeven en 't Ys moet goed en sterk wezen" .

Hieruit zou men kunnen concludeeren, dat de mode om op één dag de Elf Friesche Steden per schaats te bezoeken, bijkans twee honderd jaren oud is!
Uit de 18e eeuw is omtrent dit ijsfeit al even weinig bekend. Ons rest slechts uit die eeuw een versje, dat betrekking heeft op iemand uit Bolsward, zekeren Pier, die de Elf Steden bezocht. Het (fragmentarisch) gedichtje luidt als volgt:

"De knaap was lang berucht,
Voor 't baasje, dat gelijk een vogel door de lucht
Kon vliegen over 't ijs. 't Is Pier, die de ellef steden
Van Friesland. op één dag, heeft in het rond gereden,
En nog zijn maal met vrede at in den Oliekoek
Te Bolsward in den stal, bij Vetlap van der Hoek."


Uit de eerste helft van de 19e eeuw valt het volgende ijsfeit te vermelden: De gebroeders Atze en Eelke Jans Jager te Oldeboorn bezochten in den winter van 1848 de Elf Steden. De krant gaf er destijds het volgende relaas van.

"Op den 30 Januarij 1848, des morgens ten 8½ ure, zijn van Oldeboorn op schaatsen vertrokken de beide broeders Atze en Eelke Jans Jager, ten einde een bezoek te brengen aan de elf steden onzer provincie. Niettegenstaande den dooi, het slechte ijs en den sterken zuidelijken en zuid-westelijken wind, hebben deze krachtvolle mannen hunne reis volbragt in 14½ uren, en zijn des avonds ten 11 ure te Oldeboorn teruggekomen

"Wanneer men de zwarigheden in aanmerking neemt, waarmee onze reizigers te worstelen hadden, dan moet men inderdaad het volhoudingsvermogen bewonderen van mannen als zij, die bij hunne dorpsgenooten ten dien opzichte ook roemvol bekend zijn, en van wier verschillende togten, bij nacht zoowel als bij dag, tot het vervoeren van zware lasten, men dikwijls met verbazing hoort verhalen.

"Hun voornemen was des morgens ten 5 ure te vertrekken en alsdan van Stavoren bovendien nog een uitstapje naar Enkhuizen te doen, doch de dooi en het slechte weer bragten hun voornemen aan het wankelen en deden hen eindelijk besluiten alleen de elf steden te bezoeken. Volgens hunne verklaring zouden zij, indien zij 's morgens eenige uren vroeger vertrokken waren, en alzoo vóór het sterke insnijden een goed gedeelte hunner reis hadden afgelegd, dezelve op hun gemak in 12 uren hebben kunnen doen, en zouden zij bij gunstig weder en goed ijs bijna in denzelfden tijd, dien zij nu hebben besteed, bovendien Enkhuizen hebben kunnen bezoeken.

"Volgens gehoudene lijst, in de verschillende steden afgeteekend, waren zij te
Dockum ten 10½ ure; te Leeuwarden ten 12 ure; te Franeker ten 1½ ure; te Harlingen ten 2 ure; te Bolsward ten 3¼ ure; te Workum ten 4½ ure; te Hindeloopen ten 5½ ure; te Stavoren ten 6 ure; te Sloten ten 8 ure; te IJlst ten 9 ure; te Sneek ten 9½ ure; te Oldeboorn terug ten 11 ure."

Hard greep destijds de mode van den Elfstedentocht nog niet om zich heen. Het is in dien tijd een witte raaf die het eens probeert. In de jaren tusschen 1848 en 1862 leest men niets meer van volbrachte ijstochten langs de Elf-Steden. In het laatste jaar echter daagt er een eenling op, die den tocht volbrengt. Van dezen Elfstedentocht geven wij het verslag van de Leeuwarder-Courant.

"De heer W. Troost, een Hagenaar, doch sedert 1854 ingezetene van Leeuwarden, heeft verleden week - Zondag 26 Januari 1862 - binnen één etmaal al de elf steden dezer provincie geheel alleen bij fellen Noordoostenwind op, schaatsen bezocht. Zondagmorgen vertrok hij ten 6¼ ure naar Dokkum: was ten 4½ ure te Leeuwarden retour. De geheele reis werd volbracht in 22 uren; daarvan moeten 2 uren worden afgetrokken, die de heer Troost, tengevolge van een verkeerde aanwijzing van den weg is mis gereden, en voorts nog 4½ uur van oponthoud op de bezochte plaatsen (alles volgens verklaringen van geloofwaardige personen in het zakboekje van den heer Troost aangeteekend), zoodat de eigenlijke reis, waarvan het begin en het einde onder het voordeel van maanlicht, in 15½ uren is volbragt.  Bij Stavoren bereed de heer Troost, in gezelschap van eenige personen, de Zuiderzee".

Zes jaar later, in den winter van 1868, bezochten de Friezen Sjoerd van der Wey en Piet Dikhoff, van Bolsward uit, de Elf Steden. Zij vertrokken des morgens om vier uur en kwamen 's avonds om zeven uur in Bolsward aan.

De winter van December 1890 bracht op het Friesche ijs een man naar voren, wiens naam klank in de ijssport heeft gekregen en die ter zake van de organisatie van den Elfstedentocht baanbrekend werk heeft verricht. Het was de heer W. J. H. MULIER, die op 20 December 1890 naar Leeuwarden kwam om den volgenden dag per schaats de Elf Steden te bezoeken. Wij volgen zijn aardig reisverhaal.

TOCHT VAN MULIER IN 1890 (in 12 uur en 55 minuten).

"De lust om dezen tocht te ondernemen en vooral om den tijd te verbeteren, had mij reeds lang geplaagd en op 20 December vroegtijdig te kooi gaande, werd ik den volgenden morgen te 6 uur door den kellner gewekt; liet mij rug en beenen stevig met arnica inwrijven, stak mij in tricot en bijbehooren, en deed, om niet te veel opzien te verwekken, over mijn trui een vest aan.

Met een dikken wollen muts op, kreeg ik iets van het gesoigneerde, dat den Frieschen schipper eigen is. Een stuk chocolade, een horloge, een paar zakdoeken, eenige guldens, een mes, touwtje, riemen en één schaats op den rug voor het breken en precies 7 uur stond ik op het smalle grachtje voor het hotel.

Daarna links om en de Singels op, naar de Ee toe, doch ik raakte verzeild op een soort sloot, die naar de ijsbaan voerde. Een bakkersjongen hielp mij weer terecht en ik reed de Ee op. In 't eerst was 't ijs verlicht door de stadslantaarns. doch daarna werd het zeer donker, het ijs was ellendig. Het was een oud, tot hobbels en kuilen gereden baantje, waar men geen streek op doen kon. Toch kwam ik er goed af. Ik had, om het welslagen van den tocht niet van een val te kunnen doen afhangen, een paar zakdoeken op mijne knieën gebonden en dikke handschoenen aan. Hierdoor liepen de twee tuimelingen, die ik deed, goed af.

Het was vinnig koud en ik kon mij, daar ik onmogelijk harder durfde gaan, niet warm rijden. Halverwege Dokkum buigt de Ee rechts af, maar toen hield ook tevens de baan op en moest ik circa 500 meter door de sneeuw loopen.
Daarna weer een eind zeer goed ijs, en toen weder ca. 1000 meter door de sneeuw, die zoowat een hand hoog lag. Daarna zag ik het tweede levende wezen, een baanveger.

Dit gaf moed en ik zette nu zoo hard mogelijk door naar Dokkum. Het was intusschen licht geworden, doch nog zeer koud. "Het staat te luisteren", zeggen de boeren in Noord-Holland. ,,'t Morgen gaapte", zeggen de Zuid-Hollanders. Ja, zoo was het; stralend kwam de zon boven den nevel uit en toen ik te Dokkum kwam, was het over half negen. Fluks een ophaalbrug onder door en op schaatsen een herberg binnen, waar een oude moeke een jongetje dat op een stoel stond, aankleedde.

"Heere da's aardig, da hewwe in lang niet had", zei ze en krabbelde op mijn papiertje haar naam en den tijd, dien ze van uit haar venster op den toren kon zien. Daarna ging ik onmiddellijk weer op Leeuwarden aan, hetwelk ik nu te 9 uur 45 min. dus in ca. 5 kwartier bereikte. De sneeuw was hier en daar reeds in banen veranderd, (want er waren nog een aantal baanvegers bijgekomen) en na mij in draf naar het huis van den heer Hofstede gespoed te hebben, gingen we gezamenlijk te 10 uur 20 min. van Leeuwarden en waren te 10 uur 50 min. te Franeker, en onmiddellijk doorrijdende te 11 uur 20 min. te Harlingen.

De heer Hofstede is een taai, gespierd rijder, doch verschilde iets in lengte van streek met mij, hetgeen nog al vermoeide. Na hem voor zijn vriendelijke hulp zeer bedankt te hebben, reed ik naar Bolsward, alwaar ik te 12 uur 35 min. aankwam, Dit eind heb ik flink doorgereden, om in Bolsward te kunnen rusten.

 

De tocht van den heer Mulier in 1890. Het eerste briefje met controleposten.
 

Door een misverstand was de gids, dien ik daar zou krijgen, nog niet gearriveerd, doch moest gehaald worden. Eerst te 1 uur 15 min. kon ik weder vertrekken met mijn gids, een bakker aldaar en een vrij goed rijder; hij kreeg echter na 5 min. een gebrek aan een zijner schaatsen en reed terug om andere te halen. Eindelijk gingen we op weg, waarbij hij het al spoedig enorm warm kreeg. Toch reed hij flink en waren we te 1 uur 45 min. te Workum (dus in ½ uur). Was de pas te Bolsward door mijn neef J. Haitsma Mulier geteekend, te Workum was het J. Sensma, herbergier in de Zwaan, die mij guiteerde.

Nu met volle stoom naar Hindeloopen, waar wij, om de vaart waarmede wij binnen de gemeentebaan stoven, veel bekijks hadden. Bij de bejaarde weduwe Boer in de Wijnberg, wier gracieuse handteekening nog steeds in mijn bezit is, werd ik weder te 2 uur geëxpedieerd, nadat Tuininga en ik ons aan geklopte eieren hadden te goed gedaan. Daarna hadden wij een moeilijken weg naar Stavoren, daar die dikwerf ondergesneeuwd was. Te 2.50 uur kwamen we daar aan en stapten het station binnen, waar we weer wat aten, daar wij beiden zeer hongerig waren en waar de stationschef mij controleerde.

Na bouillon en een paar eieren met broodjes in een minimum van tijd te hebben verorberd, togen we te 3.10 weer op weg. Tuininga begon nu een beetje moe te worden, zoodat ik van tijd tot tijd vóór reed, doch niet zoo hard als 't kon.
Mijn trouwe gids bracht me nu over de meren en over ondergeloopen velden via Balk op weg naar Sloten. Welk een prachtig gezicht! Pas hadden we de bosschen van Gaasterland, die aan een Geldersche natuur doen denken, achter den rug of we kwamen op de groote meren.

De zon ging bloedrood onder en statig bescheen de maan het onafzienbare ijsveld. Midden in het meer waren een paar enorme scheuren, circa ½ meter breed, en zoo lang als men zien kon. Dit komt van de temperatuurveranderingen, die het ijs doen af- en toenemen in volume en het bij felle vorst opdringt, zoodat de stukken er met een knal uitspatten. Men noemt het daar "het kisten". Het was een prachtig gezicht. Er waren echter bruggemannen bij, die met een lantaarn de plaatsen aanduidden, waar die scheuren zich bevonden.

In de verte zagen wij flauw een paar lichten en een groep boomen bij twee kolossale ophaalbruggen. "Dêr mutte wy op oan, mar Jo mutte net sa duvels hird ride" zei Tuininga.

Eindelijk waren we de meren en ondergeloopen landen over en kwamen we te 4 uur 45 min. te Sloten, waar mijn geachte neef Haersma de With mijn paspoort afteekende, met de in de gegeven omstandigheden lastige vraag: "Blijf je eten?" Doch voort gingen we weer, nu op IJlst aan, waar ,we te 5.50 uur aankwamen.

Hier zeide ik mijn trouwen gids vaarwel, en na hem betaald en een flinker; handdruk gegeven te hebben, was ik te 6 uur precies aan de stadsherberg te IJlst gecontroleerd door J. S. Heslinga en was te 6.15 uur te Sneek; ik had een prachtige baan voor mij en reed zoo hard ik kon; van tijd tot tijd een beetje uitgejouwd door boeren, die ik voorbij reed, doch dat maakt den mensch kwaadaardig en des te harder gaat het.

Te Sneek werd ik door G. S. Bokma geviseerd en was te 6.25 uur van de strooplank en op de baan. Intusschen was de maan achter de wolken weggescholen en hoewel ik zoo hard mogelijk reed, moest ik toch opletten niet te vallen.

Te circa kwart voor achten kreeg ik de lichten van Leeuwarden in het gezicht en gooide de armen van den rug, - en deze lustig zwaaiende kwam ik te 7.55 uur aan het einde van de gracht. Te 8 uur in 't hotel Weidema werd het zeer vies geworden papiertje door den oberkellner geviseerd, (die me eerst te 9½ uur verwacht had) zooals hij zeide, en was de geheele rit volbracht in 12 uur 55 minuten. Zelden heb ik zoo'n prettigen dag gehad."

-Aan dit verhaal voegde Mulier het volgende naschrift toe.

"De heeren B. B. Taring, (Champ. of Lond. t. Metropol. Ass.), Louis Tebbutt en C. G. Tebbutt (houder van het 3-uurs record), hebben getracht bovengenoemden tijd te slaan, doch het mocht hun niet gelukken. Toch is hun tocht zeer verdienstelijk geweest. Laudanda est voluntas en het is zeker voor een vreemdeling, al kent hij ook het land zoo goed als Tebbutt, die elke vaart in N.-Holland en Z.-Holland weet te vinden, toch een aardige en prijzenswaardige onderneming, om dit Nederlandsch gebruik te willen navolgen.

Zij vertrokken te 4.50 uit Leeuwarden en kwamen te 6.40 te Dokkum, waar zij hun bewijs door een baanveger op 't ijs lieten teekenen. (N.B. Dit is feitelijk niet geoorloofd. Te 7.55 waren zij te Leeuwarden terug (het ijs was hobbelig). Taring viel dan ook viermaal, Louis Tebbutt driemaal en C. Tebbutt eens.

Te 8.30 waren wij, na te Leeuwarden gerust te hebben, weer op weg, over prachtig ijs naar Sneek (9.40). Te 9.55 kwamen zij te IJlst. Te 11.10 bereikten zij Sloten, daar zij niet (zooals Tuinstra en ik deden) door de sneeuw reden, doch liepen. Eindelijk gingen zij daartoe over en bereikten Balk, vanwaar zij weer goed ijs vonden, afgewisseld door sneeuw.
Na een kwartier rust op weg naar Stavoren, waar zij te 1.05 aankwamen, en toen naar Hindeloopen (1.50), te 2.40 (dus na 50 min. rust) weder op weg naar Workum; te Bolsward waren zij te 3.50.

Te 4 uur toog men op weg naar Harlingen, waar zij te 5.05 (over goed ijs) aankwamen. Te Franeker (na 15 minuten rust te Harlingen) waren zij te 6.10; te 6.15 reden zij in een soort half-duister naar Leeuwarden (op zeer goed ijs). Te 7.27 bereikten zij het hotel de Doelen, zoodat zij 14 uur en 37 minuten hadden noodig gehad.

Als men nu nagaat, dat zeer veel Friesche boeren het in dien tijd kunnen doen (minstens een 100 à 200) daar men altijd met sneeuwen een beetje duisternis te worstelen heeft, dan blijkt daaruit, hoe vele goede krachten wij in onze Noordelijke provinciën bezitten."

Tot zoover de heer Mulier.

Wat voorts den Elfstedentocht van den heer Mulier betreft, heeft mr. M. E. Hepkerna, voorzitter der Elfstedenvereeniging, in het goed verzorgde en zeer lezenswaardige jubileumboek van deze vereeniging (1934) terecht opgemerkt, dat Mulier stellig nog wel een beteren tijd zou hebben gemaakt, indien hij in elke stad "een tafeltje-dek-je" had gevonden, waar hij, gelijk dat bij de latere tochten steeds het geval is geweest, op zijn wenken bediend was.

Later heeft de heer Mulier den heer Hepkema eens verteld, hoeveel moeite het hem in de onderscheidene steden had gekost om de noodige handteekeningen te krijgen.
Is het te verwonderen, dat de Elfstedenvereeniging in den heer Mulier den
geestelijken vader der vereeniging ziet, die het initiatief nam tot een tocht, die thans vermaard mag heeten?

In genoemd jubileumboekje kreeg de foto van den jeugdigen Mulier dan ook een eereplaatsje, terwijl daarbij o.m. het volgende als eereschrift werd geplaatst:
"Eerst in 1912 mocht het den oud-wereldkampioen C. C. J. de Koning gelukken,
den ongekroonden Elf-Steden-Koning te onttronen en sindsdien zijn nog maar enkelen van de vele honderden rijders er in geslaagd een korteren tijd te maken.

Met alle recht kon Jan Feith hem na het volbrengen van onzen eersten Elf-Steden-Tocht in 1912, waarvan het initiatief ook van hem is uitgegaan, in de Kampioen huldigen als "ons aller ijs-voorman uit het vorig geslacht en ons aller onverwoestbare voorbeeld in het heden - den oer-Fries, den veteraansportman, de vijftigjarige sportincarnatie van ons Hollandsche ras."

In den strengen winter van 1890-1891, toen Mulier den tocht reed, hebben eenige honderden Friezen eveneens de reis per schaats langs de Elf Steden gemaakt. Er bestaat een lijst, bevattende de namen van 221 mannen en 6 vrouwen, die op één dag op schaatsen de Elf Steden bezochten en hun namen bij den kastelein Jan Heslinga te IJlst hebben afgeteekend. Men mag gerust aannemen, dat in dien winter 400 à 500 Friezen den enormen tocht hebben volbracht, meestal in groepjes en dan achter elkaar aan den stok.

 

 

ANDERE TOCHTEN.

Bijzondere vermelding verdienen hier nog de Elfstedentochten van de heeren Thijs Roelofs Schuiling en Johannes Willems Wassenaar, en die van den heer Nanne Ottema, in dienzelfden winter.
De heeren Schuiling en Wassenaar, twee Bildtsche boeren, die hun levensavond
in Leeuwarden doorbrengen, hebben ons gaarne verteld van hun tocht op 3 Januari 1891.

De heer Schuiling ving zijn verhaal aldus aan:
"Ik was 33 jaar en had een zoontje van zeven. Op 2 Januari 1891, dat was op een Vrijdag, reed ik met mijn zoontje over ijs naar Leeuwarden. De jongen kon voor zijn leeftijd al goed rijden en daarom mocht hij mee.

Op de terugreis 's middags staken we aan in een herberg te Menaldum, de pleisterplaats van de Bildtkers, die van Leeuwarden kwamen. Daar zaten ook Willem Wassenaar en Jouke Hoekstra, beiden boeren van den Oudebildtdijk, waar ik ook vandaan kwam.

We spraken er over, dat 't ijs zoo sterk was, dat er nu wel een Elfstedentocht gemaakt kon worden. Jouke Hoekstra zei tegen mij: "dat moet te jou doen, jou kanne best ride".
Ik voelde er wel wat voor, maar ik wilde niet alleen. Toen zei Wassenaar: "Eén van mijn jongens wil, dacht ik, wel mee. "Nou", zei ik, "as ik intieds bericht krij, moet het morgen direct mal' weze." Dat was taal!

Ik was nog niet lang thuis, of een stevige jonge man van 22, Johannes Wassenaar, kwam bij ons op de boerderij, die wel aardigheid in die rit langs de Elf Steden had. Wij overlegden hoe laat we zouden vertrekken. Ik zei: "Ik stap om 4 uur op de Koudevaart en as jou om deselde tyd op 'e Ouwevaart opbine, binne we tegare gelyk op it Noardeind van de Koudevaart."

Zoo gezegd, zoo gedaan. Den volgenden morgen in de vroegte ontmoetten de vrienden elkaar op de afgesproken plaats en vandaar ging het - in donker! - langs den Oudebildtdijk via Oudebildtzijl en Oude-Leije, de Finkumervaart en de Dokkumer Ee naar Dokkum, waar ze hun eerste avontuur beleefden.

Het moeilijkste gedeelte hadden ze toen achter den rug, omdat het inmiddels wat lichter was geworden. Ook was de Ee slecht.
Nu staan overal posten en men weet vooraf waar men de controle kan vinden, maar in die dagen moest men zelf iemand zoeken. Meestal ging men naar een herberg.

In Dokkum klopten wij een burger uit bed; het was een Van Klaveren, en daar vroegen we om een handteekening. De menschen waren ons wel ter wille, maar ze zaten over ons "in noed en sorgen ". We wilden ze een kwartje geven voor de moeite, maar moeke de vrouw, die ons in 't nacht jak te woord stond, zei: "Jimme kanne dat kwartsje wel houwe, as jimme maar weer naar huus gaan." Wassenaar onderstreepte dit verhaal en lachte nog smakelijk bij de herinnering aan deze zorgzame vrouw. Ze kregen iets warms te drinken en togen verderop.

Van Dokkum ging het naar Leeuwarden en vervolgens langs de trekvaart naar Sneek. De wind was dien dag Zuidwest, zoodat van Dokkum naar Stavoren in den wind moest worden gereden. Op de Sneekervaart was het schrapsel van den vorigen dag bevroren, tengevolge waarvan het zeer zwaar reed. De beide rijders hadden pijn in de knieën.

Op de Dille dachten ze "aan te steken", maar dat liep mis. In die jaren was het hier druk; alle dagen dansen tot soms laat. Het was nog betrekkelijk vroeg, de herberg stond "op den kop", want men was aan het schoonmaken, en koffie met een broodje was niet direct te krijgen. Toen zijn ze maar doorgereden tot Sneek, waar ze al gauw achter een dampende kop koffie zaten.

Ze bleven er niet lang, omdat dit tijdverlies zou beteekenen en al gauw stonden ze weer op de schaats. De route naar IJlst en verder was overigens wel te rijden, maar toen begon het mistig te worden. Men kwam tot het Slotermeer. dat goed bebaand was, doch er waren "kisten". De heer Schuiling zag hier voor het eerst van zijn leven dergelijke "ijskisten". Over Sloten ging het op Sta voren aan.

Tusschen Galamadammen en Stavoren reden wij een verkeerde baan op; waarschijnlijk tengevolge van den mist. Wij moesten een eind terug, wat onzen tijd natuurlijk vertraagde. Was het helder weer geweest, dan hadden we de dorpen kunnen zien. Op goed geluk zijn we toen een andere baan gereden.

Tot Stavoren hadden we steeds tegenwind gehad, nu werd het beter. Het was wel goed weer, maar we voelden toch steeds de wind.
In Stavoren hebben we een half uurtje gerust en een boterham gegeten. Toen ging het op Hindeloopen aan. We konden eerst den weg niet vinden, maar ten slotte lukte het. Voor den wind reden we naar Workum, Bolsward en Harlingen. De trekvaart van Harlingen- naar Franeker was bar slecht, want er waren nog tot het laatst booten door gegaan.

Om half zeven 's avonds waren we weer op de Koudevaart." De tocht was hun uitstekend bevallen!
Schuiling, die lid was van een Boerensociëteit, werd overgehaald om nog dienzelfden avond verslag van den tocht langs de Elf Steden uit te brengen.
Dienzelfden dag hadden ze ook andere Elfstedenrijders ontmoet, o.a. Marten Prins en schipper Wobma van Menaldum, de laatste een zware kerel, die best kon rijden en als schipper precies den weg kende.

De moeder van Wassenaar was erg op de reis tegen: "Mem" krimmenearde as dat wyfke in Dokkum", zei hij. Wassenaar's vader, ook een stevige rijder, die veel prijzen gewonnen had in Ulbe van Dijk's jaren, vond het wel goed.
Zoo was alles best gegaan; het was een mooie tocht, al had het vlugger gekund, omdat in iedere stad iemand gezocht moest worden, die de kaart af teekende."

De heer Nanne Ottema te Leeuwarden toonde zich eveneens gaarne bereid, voor deze uitgave iets te vertellen over den tocht langs de Elf Steden, dien hij als jongeling van 16 jaar op een Januari-dag in 1891 gemaakt heeft.

Het was een mooie dag, waarop wij den tocht deden. Die "wij" dat waren de heeren D. Steenhuizen, destijds surnumerair bij het belastingkantoor te Roordahutzum, de heer Rinse van der Werf. surnumerair bij den Waarborg te Leeuwarden. en mijn persoon. (De heer Ottema was toentertijd leerling van het gymnasium).

 

De heer Nanne Ottema, als gymnasiast.


Steenhuizen moest eerst naar Leeuwarden rijden en voegde zich daar 's morgens om 7 uur bij ons. Van het Dokkumerend op de Voerstreek, waar mijn ouders woonden, reden we onder de pijpen door en zoo de Ee op naar Dokkum.
Omdat het ijs van de Dokkumer Ee slecht was, besloten we de Bonke te rijden en zoo gingen we binnen door. via Oudkerk en Rinsumageest, op Dokkum aan.

In Dokkum was geen controlepost. Wel hadden we een controle- of routeboekje bij ons en nu was het zaak, dit in elke stad te laten afteekenen. We klommen, met de schaatsen onder, den hoogen. met stroo afgedekten steiger op naar het café. Terwijl we een kop koffie gebruikten, vroegen we den kastelein of hij onze boekjes wilde afteekenen, hetgeen hij gaarne deed. hoewel hij natuurlijk door niemand van onze komst en ons doel verwittigd was. De Elfstedentocht was in die jaren nog niet een officieele gebeurtenis.

Zoo spoedig mogelijk gingen we weer naar Leeuwarden terug. Ongeveer negen uur waren we ter hoogte van de Oldehove. Van hier reden we naar Franeker over behoorlijk ijs. Over Harlingen ging het naar Bolsward en van daar naar Workum, Hindeloopen en Stavoren. Het ijs in den Zuidwesthoek was in die jaren nooit van bijzondere kwaliteit, hetgeen een gevolg was van het zoute binnenwater. Daardoor was het ijs zoo broos als borstplaat. Omstreeks 4 uur bereikten we Stavoren.

Toen volgde een lastig traject. We reden over Galamadammen naar Kippenburg, vervolgens over het Zuidelijk deel van het Slotermeer. gedeeltelijk over landijs, naar Sloten. Het werd toen al donker. Te Sloten zei men ons, dat het Sloter meer open lag en dat we goed moesten uitkijken naar z.g. kistwerken, dat zijn open geulen, soms tamelijk breed.

We namen een paar gidsen mee uit Sloten en reden de groote, donkere vlakte van het meer op. Al spoedig kwamen we bij een kistwerk, dat was heel interessant om te zien. De gidsen hadden een paar planken meegenomen; deze werden over de geul gelegd, en daar waren wij gauw genoeg over. Vooruit ging het weer. nu zonder gidsen, in de richting Woudsend.

De wind was Zuidwest, en nu eindelijk kregen we van hem wat medewerking.
We reden een goede schaats en in het donker passeerden wij het dorp met de beide molens. Toen we tegen zeven uur IJlst passeerden, was het inmiddels flink donker geworden. Op dit traject reden we een eind weegs op met twee boeren en hun vrouwen.

Wij reden soms een eind achter elkander, maar het meest op eigen houtje. Zonder tegenspoed bereikten we Sneek, en toen verzamelden we de laatste krachten voor de finale. Onderweg verliet Steenhuizen ons, want hij wilde naar Roordahuizum terug. Ongeveer 9.30 's avonds arriveerden wij - Van der Werf en ik - te Leeuwarden.

Ik was onderweg geen enkelen keer gevallen. maar te Leeuwarden maakte ik een buiteling. De tocht was volbracht! Wel voelde ik me moe en stijf; had men mij niet bij den wal opgetrokken, dan zou het me nog heel wat moeite hebben gekost.
Dien nacht sliep ik twaalf uren en den volgenden morgen was ik weer monter
en frisch en de vermoeienissen van den tocht volkomen te boven."

NAAR EEN ORGANISATIE!
 

W.J.H. Mulier. Inspirator van den eersten Elfstedentocht.

 

Van den "ongekroonden Elfsteden-koning" van het jaar 1890 zou men in Friesland achttien jaren later méér hooren!

In den herfst van 1908 kwam de heer W. J. H. Mulier - de "koning" van den Elfstedentocht van 1890 was inmiddels 43 jaar geworden - naar Leeuwarden, om, in zijn kwaliteit als secretaris van den Nederl. Bond van Lichamelijke Opvoeding, met den heer S. H. Hylkema, president van den Frieschen IJsbond. een Elfsteden-Schaatsentocht te doen uitschrijven, indien n.l. het Centraal Bestuur van dezen Bond er licht in zag en genegen was de leiding van een dergelijken tocht op zich te nemen.

De heer Mulier achtte den Frieschen IJsbond, met zijn over geheel Friesland vertakte ijs-organisatie, het meest aangewezen lichaam om een Elfstedentocht te organiseeren en te doen slagen. De Ned. Bond voor Lichamelijke Opvoeding wenschte als prijzen uit te loven de groote verguld-zilveren, dito zilveren en dito bronzen Bondsmedaille voor de drie eerst-aankomenden, alsmede een herinneringskruis voor elken deelnemer-volbrenger van den tocht.

Dit nieuwe gezichtspunt kwam in behandeling in de vergadering van het Centraal bestuur op 18 December 1908. Hoewel er wel enkele bezwaren rezen, verklaarde het Centraal bestuur zich tenslotte gaarne bereid, de organisatie en leiding van den tocht op zich te nemen. Als bijzonder blijk van instemming met deze sportieve instelling loofde het bestuur een verguld-zilveren schaats uit als prijs voor de aardigste beschrijving van dezen eersten gereglementeerden Elfstedentocht, geschreven door de deelnemers-volbrengers van den tocht.

Later stelde de heer Z. S. Feddema, voorzitter van de IJsclub "Leeuwarden", een verguld-zilveren medaille beschikbaar als prijs voor den eerst-aankomenden buitenlandschen deelnemer. Over het verdere verloop vertelt de heer Hylkema het volgende.

Het plan om in Friesland een schaatstocht langs de Elf Steden te organiseeren, georganiseerd door den Frieschen IJsbond en met den steun van den Ned. Bond van Lichamelijke Opvoeding, werd spoedig in den lande bekend.

Overal ontmoette het instemming. In de eerste weken meldden zich 48 deelnemers uit alle oorden van Nederland. Intusschen was de vorst ingevallen. Het duurde niet lang of de Friesche waterwegen lagen verstard onder den kouden adem van Vorst Thialf. Omstreeks Kerstmis waren de vooruitzichten veelbelovend.

De tocht werd uitgeschreven op 5 Januari, maar toen het 'zoo streng bleef doorvriezen, achtten de organisatoren het gewenscht den Elfstedentocht te vervroegen en hem op 2 Januari 1909 te doen houden.

Een paar dagen vóór den grooten tocht liet Thialf zijn gestrengheid varen en hield de teugels slap. De wind blies uit den verkeerden hoek, de thermometer wees reeds boven het vriespunt, de barometer voorspelde weinig goeds en een dikke, kille mist vergalde het laatste restje genot van den schaatsenrijder.

Nog op den Oudejaarsdag lieten verschillende personen zich voor den Elfstedentocht inschrijven. Maar op den eersten Januari "regende" het afzeggings-telegrammen. De grootste helft liet het zitten, maar de mannenvan-stavast stapten den volgenden morgen op tijd uit hun bed en spoedden zich naar hotel Amicitia.

't Was een gedenkwaardige morgen, toen 22 kerelen, niettegenstaande dooi en mist en gore duisternis, hun aanmelding kwamen honoreeren op de meest eervolle manier (door den man en de daad zelf). Hun namen werden afgeroepen, waarna met algemeene stemmen besloten werd, dat - hoe dan ook - de tocht zou doorgaan!

De tocht was gered, hoe Thialf ook getracht had op het laatste moment een spaak in het wiel te steken! De bestuurderen van den IJsbond reikten de kaarten-van-deelname uit, de driekleur werd op de stoere borsten gehecht, een fotograaf vereeuwigde op dit historisch moment de moedige schare en daar stoven ze de duisternis in. De klok van de Beurs wees 5.20 aan.

 

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1909.

(Eerste: M. Hoekstra in 13 uur en 50 minuten).

Mistig was de morgen. Onder druppende boomen door begaven de rijders zich naar het ijs. Snel werd opgebonden en daar ging het heen - voor de Polonaise! - naar Dokkum.
Intusschen werkte het IJsbond-bestuur aan - wat men met een modernen term noemt - de "grond-organisatie". Regelingen werden getroffen, aan de contrôle-bureaux in de Elf Steden werd het vertrek der 22 rijders geseind, terwijl op dezelfde manier de betrokken krite-bestuurders tot zorg en waakzaamheid werden aangespoord.

De contrôle-bureaux hielden het IJsbond-bestuur te Leeuwarden telegrafisch op de hoogte van aankomst en vertrek der rijders.
In den loop van den morgen kon worden vastgesteld, dat verschillende rijders den tocht onderweg hadden moeten opgeven.
Slechts negen van de 22 volbrachten den tocht!

De prijswinnaar van den dag was de heer M. HOEKSTRA AZN. te Warga (aankomst 19.10 Leeuwarden; gereden tijd 13 uur en 50 minuten), op zijn hielen gevolgd door den heer GERLOF D. VAN DER LEIJ te Marrum (aankomst Leeuwarden 19.13; gereden tijd 13 uur en 53 minuten).

Met drie minuten tusschenruimte volgde als no. 3 van de kopploeg de heer T. ROOSEBOOM te Amsterdam (aankomst Leeuwarden 19.16; gereden tijd 13 uur en 56 min.). Vermeldenswaard is, dat deze kopploeg bestond uit een theologisch student (Hoekstra), een boer (Van der Leij ) en een militair (luitenant Rooseboom),

De beide eersten waren Friezen.

De drie eerst-aangekomenen werden als volgt bedacht: de heer Hoekstra ontving de groote verguld zilveren, de heer Van der Leij de zilveren, en de heer Rooseboom de bronzen Bondsmedaille.

Een goed uur later kwam een tweede ploeg, ditmaal van vier rijders, bij den finish aan. Het waren: Jan Boon te Rotterdam; Jacob Kaastra te Huizum; IJ. Kaastra te Huizurn: Jan Ferwerda te Leeuwarden. Zij arriveerden gezamenlijk om 20.26, met een gereden tijd van 15 uur en 6 minuten. Twee uur later meldden zich de laatste twee rijders: Jhr. H. W. M. van Coehoorn van Sminia arriveerde om 22.25 uur; mr. J. Lieftinck (de laatste) stempelde te 22.42 zijn controle-kaart te Leeuwarden af.

Tot de eerst-aankomenden behoorde ook Jhr. Jan Feith, doch deze rijder had de route Leeuwarden-Dokkum en terug niet gereden, zoodat hij vanzelfsprekend buiten mededinging bleef. Hij werd vanwege het bestuur van den IJsbond met een zilveren schaats met inscriptie vereerd. Alle negen aangekomen rijders ontvingen het Bondskruis.

 

De heeren T. Rooseboom van Amsterdam en Jan Boon van Rotterdam.

 

Op de door den Frieschen IJsbond uitgeschreven prijsvraag voor de aardigste beschrijving van den gehouden Elfstedentocht kwamen vier inzendingen binnen.
De jury, bestaande uit Mevr. Hylkema-Heeg te Leeuwarden en de heeren J. M. de Jong te Koudum en W. J. H. Mulier te Scheveningen, kende den prijs (een verguld zilveren schaats) toe aan den heer M. Hoekstra Azn., die hiermee zijn tweeden prijs in verband met den Elfstedentocht had gewonnen.

Mullier's denkbeeld was ingeslagen! De eerste Elfstedentocht - althans de eerste georganiseerde tocht - was een succes geworden. Door heel het land en zelfs daarbuiten had deze tocht, aldus Hylkema, bij beoefenaren en liefhebbers van de ijssport algemeene belangstelling gewekt.

Niettegenstaande de weinig opwekkende weersgesteldheid stonden aan de controle-bureaux, die bij den inrit van elke der Elf- Steden gevestigd waren, dichte drommen nieuwsgierigen en bewonderaars de rijders op te wachten en te verwelkomen. En toen het bekende negental 's avonds tusschen 19.10 en 22.42 achtereenvolgens, eerst in groepen, tenslotte met "eenlingen" den eindpaal bereikte, klonken uit de langs de kaden en op de bruggen samengedrongen menigte luide bravo's en welkomstkreten den stoeren tochtvolbrengers tegemoet.

De rijders werden in Amicitia door het bestuur van den IJsbond opgewacht en ontvangen, terwijl de daar verzamelde, overtalrijke bezoekers hen met warme ovaties begroetten.
In het officiëele rapport van dezen Elfstedentocht staan de volgende bijzonderheden
vermeld: Plus minus 2 graden dooi. Zuidelijke wind. Den geheelen dag door, vooral 's morgens en 's avonds, zware, natte mist; alleen tegen den middag iets opklarend.

Over het algemeen mooi, sterk ijs; door den aanhoudenden dooi echter hier en daar wat "verzachtend"; op sommige plaatsen zelfs veel water. Aan en naar de zeekanten was het ijs, tengevolge van het brakke water, week en daardoor moeilijk, soms zelfs bijna onmogelijk te berijden.

Vele rijders hebben op die plaatsen de schaatsen afgebonden en zijn een eind weegs gaan wandelen, hetgeen veel tijdverlies met zich meebracht en uiteraard op de gemaakte tijden een ongunstigen invloed heeft geoefend. Het traject van dien dag bedroeg ruim 200 kilometer.

 

M. Hoekstra Azn., winner.

 

Uit de bekroonde beschrijving van den heer Hoekstra volgen hier enkele gedeelten. Daaruit kan blijken, welk een doorzettingsvermogen en physieke kracht aan dezen tocht te pas zijn gekomen. Lees 't begin. De Polonaise!
Zonder veel gerucht glijdt de donkere stoet over 't groezelig, gebarsten, natte ijs; rondom hangt de dikke mist. rondom slaapt de stille stad. Bij de manege vallen er al twee tegelijk, hakende in een scheur; 't water spat hoog op. Vooruit, zonder genade!

De laatste gaslantaarn is gepasseerd. Egyptische duisternis alom; op goed geluk gaat 't nu maar recht vooruit; geen oever is meer te zien, alles is grijs, donker grijs. Weer valt er eentje, meteen spettert ook weer 't overvloedige water; angstig klinkt 't geroep: "pas op, pas op!" Zwak doorboort 'n lichtje de nevelen, nog een, daar recht vooruit. De voorhoede geraakt nu geheel in de war; men roept, geen antwoord volgt.

Wat voor lichtjes zijn dat toch, van aan den wal liggende schepen, van huizen op den oever, zoo ja, op welken oever? O, goeie menschen, die daar tusschen Leeuwarden en Dokkum aan de welbekende trekvaart woont, wat hebben jullie ons 'n last berokkend met al die brandende lampjes. Hoe begeerig anders ook naar verlichting, hier kozen wij eenstemmig 't ondoorgrondelijk duister.

Natuurlijk zeilt er af en toe weer 'n ongelukkige door de plassen; dezelve krabbelt dan weer haastig overeind, klaagt niet, zucht heel eventjes, zoekt verloren eigendommen weer bij mekaar, vervolgt dan z'n weg naar 't onzichtbaar doel, en mag van geluk spreken als hij den troep weer heeft ingehaald.
Want we rijden, ondanks alles, vlug op; 't dorp Wijns is reeds gepasseerd en wij zijn eigenlijk nog maar korten tijd op pad.

Plotseling zien de voorsten 'n donkere massa voor zich onrustbarend groeien; ze roepen "land", maar enkelen voelen reeds onder zich de keihard gevroren Friesche klei, daarachter krassen de te-schoor gezette schaatsijzers, en door 'n snelle wending vermijden de overigen nog een in deze omstandigheden vrij lastige wandeling. De verwarring is nu algemeen. Krachtige stemmen roepen, schreeuwen: "Waar is de baan?" "Hierzoo!", bulkt er ééntje, die met al z'n hebben en hou'en op 't ijs is gebuiteld en dus waarschijnlijk "dichter" bij de waarheid is dan die verborgen komische kracht, die daar ergens, op korten afstand, ironisch opmerkt: "Overal is de baan!"

Weer vooruit, weer glijden nauwelijks hoorbaar de schaatsen voort. In Birdaard ligt notabene 'n plank dwars over 't ijs. Weer vallen er enkelen.
Ook 'n hardrijdersbaan met haar onmisbare palen en hokjes staat daar in onzen weg; hoe is 't mogelijk, dat niemand onzer daar 'n ongeluk heeft gekregen; misschien ook is dit wel gebeurd, maar dan heeft hij z'n lot lijdelijk en stilzwijgend gedragen.

Nu zijn we tusschen Birdaard en Dokkum. 'n Hooge gestalte vlak voor me wankelt en valt in de schijnbaar bodemlooze diepte, haakt in m'n linkerschaats en ik volg tegen wil en dank in de aangegeven richting; au, sjonge, wat is dat ijsgoedje hard!
"M'n pet!" - roept de bewerker van dit onheil. Hé, dat stemgeluid is me wel bekend, en ik vraag: "Is U Rooseboom?" "Ja, en jij Hoekstra?"
Ziehier 'n origineele hernieuwing van oude kennis.
De hoofddeksels zijn gauw gevonden; spoorloos is en blijft m'n lorgnet verdwenen.
,,'n Koninkrijk voor m'n lorgnet!" -

Daar schemert aan den rechteroever 't licht van 'n groote lantaarn, we weten wat dat beteekent. Haastig draven we nu, als kippetjes achter mekaar aan, bij de houten opstap op, steken de hobbelige keien over, verdwijnen door de hel-verlichte deuropening, duwen allen tegelijk den "controleur" onze boekjes onder z'n neus. Maar de man gaat kalm z'n gangetje, vult ze één voor één in.

Nu blijkt dat 'n mededinger 'n diepe neuswonde heeft; 't is bloed, een en al bloed. Is hij misschien tegen een der straks genoemde palen aangereden? Ik weet 't niet.
De eerste der "elf" ligt achter ons; we zijn weer buiten, rijden nog altoos in 't wilde weg; hu, 't is zoo waterig onder, boven en rondom.

Weer passeert ons 'n klein groepje; 't is de achterhoede, bestaande uit de Hollanders van Sminia, Lieftinck en Boon. Weer klinkt luid geroep, 'n hartelijke groet.
't Grauw der nevelen wordt nu lichter en lichter; langs de oevers is nu ook meer bedrijvigheid dan zoo pas, geluiden dringen vandaar tot ons door; niets is nog zichtbaar. Voor 't eerst zien we nu onze voeten weer, 't ijs met z'n barsten, we zien mekaar, en, O gelukkig moment, we ontdekken de baan.

Direct allen er op, nou laten we 'rn niet meer schieten, den geheelen dag niet.
Ook de oevers zijn nu te onderscheiden, en van daar zien de menschen ook ons; hoofdschuddend blijven ze staan, staren ons na tot de laatste der wiegelende
schimmen is verdwenen.

Hoe meer ons gezelschap Leeuwarden nadert, des te vlugger gaat 't; 't aanbreken van den dag heeft een zoo even gesloten afspraak om "bij elkaar" te blijven, te niet gedaan; ieder denkt nu bij zich zelf: "als 't eenigszins mogelijk is, dan..." en hij slaat z'n beenen uit, werkt om in de voorste rij te komen.

't Gelukt me daar ook 'n plaatsje te veroveren; naast me heb ik den gewonden collega Dijkstra en z'n vriend, en de gebroeders Kalt. De laatste brug vóór de controle passeer ik 't eerst, op den hoek bij de gevangenis 'n beentje over, nu nog 'n paar goed gezette streken men grijpt al 'n boekje, teekent af, en als ook de anderen naderen, zet ik er den gang weer in, nu naar Franeker!"

Tusschen Franeker en Harlingen komt Hoekstra aan de spits. Hij vertelt: "Tres faciunt collegium - is 'n studentikoos gezegde, hetgeen getrouwelijk overgezet beteekent: drie is 'n stelletje. Deze drie zijn Gerlof van der Leij, de journalist Jhr. Feith en ik. Heerlijk, dat gevoel van aan de spits te rijden; met nieuwe opgewektheid door de weeke ijs-kliek.

 

Van rechts naar links: J. Feith, M. Hoekstra Azn, G.D. van der Leij en hun gids Fokke Krooynga.

 

'n Nieuwe verrassing doet zich voor; 'n malsch regenbuitje daalt neer; O, 't is ideaal dooiweer. Van der Leij verwenscht in bloemrijke taal dit onaangenaam natuurverschijnsel en sluit z'n toespraak met 'n tragisch: "ook dat nog". Al struikelende, loopende, slierende, schokkende, ervaren wij dat de in de gure mist eindeloos schijnende goor-vuile, ijsachtige glibbermassa steeds onbruikbaarder wordt.

'n Postbode, komende uit tegenovergestelde richting met z'n schaatsen onder den arm, doet ons 't ergste vreezen. "t Wordt nog erger", antwoordt hij stuursch op 'n vrijwel overbodige vraag van den heer Feith.
Na 'n drie kwartier, eindelijk Harlingen. Allen, die langs 't kanaal hun werk hebben, ze laten 't eventjes in den steek, schieten van alle kanten toe en roepen en juichen.
Voort gaat de tocht - naar Bolsward, vandaar over Workum naar Hindeloopen.

 

Aan de controle te Harlingen. Op de "barte" de drie rijders Van der Leij, Hoekstra en Feith.

 

Daar worden de rijders door den burgemeester op dampende chocolademelk onthaald. Vandaar gaat het verder, naar Stavoren, met Tjomme, den gids. We citeeren: "De kortste weg, hoor gids!"
Nou, zie 'm eens in actie, hij gooit z'n beenen links-rechts, rijdt als de weerlicht; Tjomme is en blijft onbetaalbaar. Wij volgen gedwee, als schaapjes den herder.

Bij aankomst te Hindeloopen was 't half twee, we kunnen dus kwart over twee te Stavoren zijn. Maar de nabijheid van de zee is oorzaak, dat 't ijs weer minder bruikbaar wordt; O die dunne ijzertjes, waren ze maar 'n centimeter dik.

En dan nog, af en toe, moeten we "klunen" - over land gaan met de schaatsen aangebonden -, want vele bruggetjes zijn veel te laag om er onder langs te kunnen rijden of kruipen. Zoo zijn juist 45 minuten verstreken als de gids mij beduidt dat we nu wel dicht bij de stad zijn, maar dat de vaart hier 'n grooten omweg maakt.

Stavoren doemt op, is duidelijk zichtbaar nu. 'n Heer wandelt op 't ijs, ontdekt ons en nadert; hij vraagt ons naar de gebroeders Kalt; genoemde heer duide 't ons niet ten kwade dat onze antwoorden, zoo "en passant", wel wat bijzonder kort en negatief waren. Wij konden immers niets daarvan weten!

Terwijl ik naar aanleiding van die vraag er over nadenk, mezelf afvraag, hoe groot onze voorsprong wel zou zijn, ontsnapt 't aan mijne aandacht, dat de heer Feith opeens is gaan spurten. Plotseling ontdek ik hem op 'n 15 meter afstand vóór ons, kijk 'm rijden, al z'n ledematen beschrijven ovale cirkels in de lucht.  Maar wat bezielt hem toch? Bij de controle gekomen, vinden we daar den snelvoetige al zitten, puffende en blazende. Zou hij 't gedaan hebben om tenminste éénmaal 't eerst aan te komen? 't Vermoeden lijkt me nog niet ongegrond."

Dan volgt de tocht over de Morra. "Wij zijn op de Morra. De nevel trekt nu z'n sluiers al enger en enger rondom ons toe, de wereld is weer O zoo klein. Dit doet 'n drietal jongelui, die ons volgden, en van plan waren mee te rijden tot Balk, reeds vóór halfweg de rest aan ons overlaten en terugkeeren. De wind hebben we nu in den rug; in 't ijs geplante takken wijzen den weg.

De diepe stilte wordt niet verstoord. 't IJs is nog niet heel hard, maar wordt merkbaar beter. Als we eindelijk eens even halt houden, roept onze gids, altoos in z'n rol, met luide stem: "Galamadammen". Van der Leij bromt: "er is ommers niks te zien". We zijn weer op gang, vlak achter den "bestuurbare" aan; weer niets dan takjes en ijs, ijs en takjes. "Kippenburg", bromt Tjomme, als er weer eens zoo ongeveer niks te zien is.

Tjomme voelt 't aan de lucht, waar ie is. Maar hij weet niet heel precies wanneer 't blauwe ijs van Gaasterland begint, want voor 20 minuten heeft hij op 'n desbetreffende vraag geantwoord: "aanstonds, m'nheer." en dat zegt ie nou weer, met z'n vergenoegde tronie". - Te Balk maakte Hoekstra op een zwaar beladen slede, die op het ijs stond, een hoogstandje hetgeen Van der Leij buitengewoon verbaasde.

"Eindelijk, ja, 't wordt donker onder onze voeten; even te voren is 't ijs al keihard geworden. Hoe snel glijden nu de ijzers voort, O 't is 'n lust. Aan weerszijden staan nu rijen boomen. "Dat geeft al veel prettiger indruk dan die onbegrensde ijsvelden van de Morra. Over 't blauwe ijs gaat 't nu bijzonder snel, 'n wielrijder op den oever wil ons bijhouden, maar moet 't opgeven na eenigen tijd.

In 't midden borrelt uit 'n diepe lengteberst 'n massa water; langs den rechteroever vliegen we voort, zetten meestal met den linkervoet in 't water af; en telkens gulpt 't ijskoude water dan 'n halve meter omhoog en maakt de beenen tot boven de knie drijfnat. Wie bekreunt zich daarom? Wie gevoelt dat?
Niemand! 't Water is nu ons element geworden; wat hebben we nu al gedurende tien uren anders gezien?

Flauw worden enkele lichtjes zichtbaar, daar recht vooruit. 't Is Sloten. Door weinigen opgemerkt stuiven we de gracht binnen, zoo'n typisch-ouwerwetsche met hooge steenen wallen. Kaarsrecht overeind staan daar links twee groote dienders, 'n groepje menschen is daar samengeschoold, daarachter zie ik 'n groot huis.

't Is 'n heele toer om daar boven te komen, de ordebewaarders grijpen ons, gelukkig met goede bedoelingen, en helpen; daarbinnen in het gemeentehuis wacht ons de burgemeester.
"Mijnheer de burgemeester...."
"Goei'n avond, heeren.....!"

Van der Leij heeft zich aan de ronde tafel 'n plekje uitgekozen; wij iets verder naar achter. De eerstgenoemde begint direct met gretige happen z'n worst te bewerken. Dat gezicht maakt ook ons hongerig en we hebben geen rust vóór dat de juffrouw melk en broodjes brengt. De heer Feith heeft ook op 'n stoel plaats genomen, maar als hij eenigen tijd vergeefs heeft gezocht naar 'n extra prettige houding, laat hij z'n stoeltje in den steek en strekt zich in heel z'n respectabele lengte uit op den vloer. Maar zwijgen kan hij niet lang, O neen.

Wederom en voor de zooveelste maal verklaart hij louter "voor z'n genoegen" mee te rijden; verder onderhoudt hij van uit z'n nonchalante situatie 'n onafgebroken gesprek met al de aanwezigen."

Te Sloten krijgen zij een nieuwen gids, die hen voor twee gulden naar Sneek zal brengen.
"De wijde ijsvlakte ligt weer rondom, wij rijden vrij snel. Er zijn hier en daar "kistwerken" ontstaan, gelukkig vrij smalle, zoodat we er allen overheen springen, zoodra de voorman ons waarschuwt.

De maan heeft nu de taak der zon geheel overgenomen; over de wijde, wijde vlakte speelt 'n zacht, geheimzinnig licht, 'n stille stemming van vrede en berusting. Een tijd lang heeft dit zoo schoone schouwspel m'n gedachten afgeleid van 't eentonig werk, dat wij bezig zijn te volbrengen.

Plotseling rijden we weer op 'n kanaal. zien weer één oever; maar 't ijs is hier onberijdbaar, schotsje bij schotsje loodrecht tegen mekaar op. Behalve de gids, zijn we allen gevallen; zelf kom ik terecht op 'n hoekige bonk ijs en bijt op m'n tanden. Nu kan ik m'n lachen wel laten, m'n stemming is 'n poos geheel bedorven. Maar we hebben geen tijd om veel notitie te nemen van elkanders moeiten; ook wordt 't ijs weer beter, maar 't water staat nu bijna overal 5 à 6 c.m. hoog.

De gids wil ons langs 'n korten weg naar IJlst brengen; maar helaas, we raken verdwaald op 'n slootje. 'n Jongetje wijst ons weer 't rechte pad en kort daarop zijn we in genoemd stadje."
Suggestief is Hoekstra's beschrijving van de finale met eindspurt. Te Sneek zijn de rijders op stoelen neergevallen om enkele minuten rust te vinden.
Maar men bestormt hen met vragen.

Dan het laatste traject: Sneek-Leeuwarden! "Maar wie staat daar in de deur? Wie roept daar mijn naam? Wie kent mij hier? Rooseboom verschijnt in de deur, hij is 't die daar riep. Maar hoe is dat mogelijk? In Stavoren was hij nog 23 minuten ten achter, blijkens 'n vandaar op verzoek verzonden telegram! Buiten Sneek voegt hij zich bij ons en vertelt hoe dit alles hem is gelukt. Nergens heeft hij gerust en zoo is hij er in geslaagd ons in te halen.

Zoo rijden we vrij snel voort; voorop rijdt 'n kerel als 'n boom; z'n zware baard
en z'n kleeren geven hem 't voorkomen van 'n stoeren schipper, maar als de heer Feith hem nog op de Sneekergracht aldus aanspreekt. zegt hij: "Nee, m'nheer. ik ben onderwijzer". Zeldzaam vast is zijn streek; de heer Feith fluistert mij in: "wat zijn er toch 'n massa beste rijders, hier onder jullie Friezen".

Ik knik en zwijg. De heer Rooseboom praat zeer druk, 't schijnt dat hij nog bijzonder frisch is. Enfin, dat zal wel blijken, daarvoor zal aanstonds gelegenheid zijn. Ondertusschen zie ik erg tegen die "gelegenheid" op; we zullen moeten hardrijden, dat staat vast; maar hoe zal dat mogelijk zijn voor mij, die zelfs met behulp van 't maanlicht geen vijf meter voor me uitzie? Hoe sterk doet zich nu 't gemis van m'n lorgnet gelden!

Maar er dient afgesproken te worden, hoe de eindstrijd zal gestreden worden.
Nu blijkt 't, dat onze trouwe Van der Leij van geen "strijd" wil weten; hij wil loten. Daartegen protesteeren allen, ook ik. Dezelfde reden, welke Van der Leij dat rare voorstel doet uitspreken, brengt mij op 'n ander plan; maar ook mijn voorstel om, ter voorkoming van noodelooze ongelukken, niet den geheelen afstand tot Leeuwarden als wedstrijd te nemen, maar 'n baan van ± 1000 m. op 'n recht eind van de Sneekervaart daarvoor uit te kiezen, wordt verworpen. Ook Rooseboom is hier sterk op tegen. Waarom? Heeft hij hoop, vooral op 'n langeren afstand, door z'n uithoudingsvermogen ons te slaan?

 

M. Hoekstra Azn. - G. v. d. Leij. - T. Rooseboom.

 

Dus: hardrijden tot aan de Leeuwarder controle! Voor niemand hunner kon dit zooveel gevaren hebben als voor mij. Plotseling haakt Van der Leij in de schaats van Feith: beiden vallen. Rooseboom volgt hun slecht voorbeeld; zoo liggen er dus in 't maanlicht drie van de vijf; de grootste en de kleinste staan nog overeind.

Waarom blijft die kleinste staan? Is 't geen wedstrijd en is hij geen mededinger?
Maar moet niet 'n hardrijderij rijdende tegen rijdenden gereden worden? Dáárom wachtte ik.
Rooseboom heeft z'n schaatsen beter ondergebonden; aan zijn "wacht nog even, ik ben nog niet klaar" hebben wij voldaan. Maar ook voor 't laatst. De Dille, een logement half-weg Leeuwarden, is reeds gepasseerd.

Nu moet 't maar komen zoo 't komt, denk ik, en begin meteen harder te rijden.
Rooseboom tracht me bij te houden; Van der Leij doet eveneens z'n best. De grootste is niet meer "voorrijder", de kleinste heeft z'n plaats veroverd en behoudt die. Want ál zachter en zachter klinkt daar achter me 't geluid der schaatsijzers over de gladde, mooie baan.

Eén is er nog die niet ver achter me is. Wie is dat? Ik blijf kalm en luister nauwkeurig. 'n Stem roept: "Ik ben 't, Feith!" Nou, daar heb ik niks tegen, hij is "neutraal".
Ik volg den rechteroever, anders weet ik heelemaal niet hoe ik 't ooit zal vinden.
Plotseling: wèg is die oever! Waar is die gebleven ? Door m'n vaart vlieg ik recht vooruit en sta plotseling voor 'n andere wal. O, er gaat me 'n licht op, ik zit in één van de vele bochten, moet dus rechts uitwijken.

Dit alles is in 'n ommezien gedacht en gedaan; weer vind ik den rechteroever en als later zich 't zelfde verschijnsel weer voordoet, blijkt dat 't kunstje me handiger afgaat!
Hè, dat zwarte gedrocht daar lijkt wel 'n brug;'t is zoo; ik duik zoo diep als 't me mogelijk is.
"Och kerel, je kunt er wel rechtop onder door," roept m'n volgeling. 't Behoeft nauwelijks gezegd dat wij ook nu niet zoo snel mogelijk rijden; dat zou dwaas zijn, nu deze snelheid voldoende bleek. Maar, hoe ver zijn we nog van de stad?

Daar fluit 'n locomotief, daar nog een; zwak dringt tot ons door 't gedreun van rangeerende wagens. Nu weet ik voldoende. Vierkante donkere massa's, zwak zich afteekenend tegen de zwak verlichte avondnevelen. blijken huizen en fabrieken te zijn. 't IJs is ook direct veel slechter geworden, overal schotsen; 'n harde duw in m'n rug behoedt me voor een val, want diep zit m'n linkervoet in 'n scheur. Maar voort vliegen we weer, alsof 't leven er mee gemoeid was.

Van af de kaden heeft de menigte ons reeds opgemerkt, luid geroep van alle kanten begroet ons.
"Waar is de Amicitia?"
"Nog twee bruggen!"
Deze zijn we gepasseerd; links golft de groote menigte van wachtenden, haar luid geschreeuw en gejuich maakt me eenigszins van streek.
Waar is de controlepaal met brandende lantaarn?
Hier moet 't wezen, ik stuur er op af.. .... de menschen wijken uitéén, ik gevoel iets heel hards en stort neer.

Maar opstaan behoef ik nu niet meer, want sterke vuisten heffen m'n natte body op en dragen me, agenten maken ruim baan, 't schrille licht van gaslampen verblindt m'n moede oogen. Voor 't laatst wordt m'n boekje afgeteekend.....'t Is tien minuten over zeven."

Aldus eindigde de winner van den eersten, door den Frieschen IJsbond georganiseerden, Elfstedentocht - de heer M. Hoekstra Azn., destijds theologisch student, afkomstig van Warga, sedert geruimen tijd predikant der Ned. Herv. Gemeente te Scherpenzeel (Fr.) - zijn bekroonde beschrijving, die als literair-journalistieke prestatie op een tamelijke hoogte staat en zich ook heden (meer dan dertig jaar later) nog altijd laat lezen als een interessant en boeiend verslag van dien eersten gedenkwaardigen tocht.

Wij willen den lezer niet onthouden ds. Hoekstra's beschrijving van het laatste traject, zooals hij die in 1929 neerpende voor een Hollandsch blad. De student was dominee geworden; het leven had ook zijn uiterlijk "veranderd", zooals blijkt uit bijgaande foto's, maar zijn toon en stijl waren nog dezelfde gebleven.

Wij citeeren: "Wij waren van af Sneek met z'n drieën als mededingers. Bovendien nog de persman jhr. Jan Feith (die ± 150 K.M. van de ruim 200 K.M. heeft gereden) en, als nieuw en frisch zich aansluitende, een forsche rijder uit Sneek, een schippers zoon, die - zoo zeide hij - graag aanwezig wilde zijn bij de ontvangst van den winnaar in Leeuwarden. Die praatte nog al druk en reed een opvallend stoere streek. Jhr. Feith, fluisterde mij daarover zijn bewondering toe.

Hoe zou de beslissing moeten komen? In 't wild rijden door de duisternis, lukraak, langs of in 't bijt, langs of tegen bootjes aan den wal, of tegen den wal op? Eén stelde voor loten. "Nooit!" Wat dan? Ik zelf stelde voor: een paar stallantaarns van 'n boer halen en dan een 1000 Meter recht eind uitzoeken en dan tegen elkaar rijden op dien afstand, en aldus de beslissing eerlijk zoeken. 't Voorstel vond geen genade. Nog steeds acht ik dit 't beste in die onmogelijke omstandigheden.

Bij de "Dille", halfweg Sneek-Leeuwarden, vielen mijn beide concurrenten; want in de duisternis haakte de een in de schaats van den ander. 'n Fijne gelegenheid om van de prachtkans gebruik te maken en zóó te winnen. Zóó op die manier, weigerde ik te winnen. Daar is 'n "sfeer" welke mij dit resoluut belette. En altijd, naar ik hoop.

Ik heb gewacht; ook toen één van hen vroeg of 't goed gevonden werd, dat hij z'n ééne schaats beter aanbond. Natuurlijk was dat accoord.
Maar mag ik hier vragen: is ooit bij een enorm en wedstrijd voor of na met zooveel ruim-kameraadschappelijken geest onder de rijders gestreden?

Toen moest 't gebeuren; een stem telde drie tellen: in versneld tempo werden alle krachten gegeven. Direct passeerde ik den voorste en ik was alleen.
Neen, toch niet; die frissche stoere streek-rijder uit Sneek kwam dicht bij. Dat duurde eenige minuten; toen hijgde hij me toe: "niet zoo hard, dat hoeft niet!"
Daar was iets in die hijgende stem, dat wees op iets wat mij zeer interesseerde.
Werd deze man ook al moe? Zou 't kunnen gelukken om ook deze achter te laten? 't Tempo werd nog iets sneller; de Sneeker verdween in de mistige duisternis. Hoe is 't mogelijk, na 13 uur.

Nog enkele minuten: toen gebeurde 't. Vlak voor mij uit groeide iets zwarts, o wee, de wal! 't Was niet meer te keeren, ik liep over de harde kluiten en met een boog er weer af. Maar in welke richting nu?
Moest 't nu zóó nog verloren worden? Daar naderden schaatsen. Even wachten!

 

Ds. M. HOEKSTRA. anno 1940. "Zoo hebben de jaren me veranderd"... schreef de prijswinnaar van den eersten Elfstedentocht ons.

 

Voorzichtig wegrijden in de richting tegenovergesteld aan den naderenden rijder. Langzaam en luisterend voortrijden. Een grauwe gestalte duikt achte me op Jhr. Jan Feith! Geen gevaar, nu snel weer. De zware stem achter mij maant om 't wat kalmer te doen.
't Heb slechts gehoorzaamd.

Zwak dreunde door de stilte het rangeeren van treinen: Leeuwarden!
De eerste lantaarns, de eerste huizen, de eerste brug .... de laatste brug .. " de laatste honderd meter. Sterke knuisten die een drijfnat prijswinnaar 'n fel verlichte zaal binnendragen, veelsoortige hoera's, een dame met een reuzenkrans met roode rozen en veelkleurige linten.

Dank u, mevrouw! Veel handdrukken, weer hoera's. Een warm bad, frissche kleeding, welke ongelooflijk "beschaafd" aanvoelde, ofschoon geen enkel onderdeel paste. Veel persvragen, zelfs om een portret. Stel je voor, dat daarvan bij voorbaat een collectie was meegenomen.
Heerlijk was, na tien uur, de slaap onder gastvrij vriendendak; tegen den ochtend een dwaze droom; n.l. een brug, die al maar lager naar 't ijs toe zakte en waar m'n harde Friesche kop noodzakelijk tegen aan moest bonzen."

Hoewel deze eerste georganiseerde Elfstedentocht een succes was geweest, besloot het bestuur van den Frieschen IJsbond, dat deze organisatie een dergelijken tocht niet nog eens zou organiseeren. Het was - om redenen die we hier niet kunnen bespreken - van oordeel, dat het organiseeren van een dergelijken wedstrijd niet op het terrein van den Frieschen IJsbond lag.

Deze - we mogen nu wel zeggen eenigszins conservatieve - houding vond geen algemeenen bijval. Er waren in 1909 in Friesland (en elders in het land) enthousiaste beoefenaars van de schaatsensport, die juist veel van deze Elfstedentochten voor de toekomst verwachtten. De overgang van het koele standpunt van onthouding en niet-aanmoediging van de Elfstedentochtsport, gelijk de Friesche IJsbond het innam, naar de geboorte van een speciale vereeniging ter bevordering en aanmoediging van deze sport, is destijds niet zonder strijd gegaan.

Wij zullen daarbij overigens niet stilstaan; het gerucht rondom dien eersten Elfstedentocht is verstomd; maar de zaak zelve heeft voortgang gehad. Terwijl nooit iemand den Frieschen IJsbond den roem heeft willen betwisten, dat deze organisatie het initiatief tot den eersten georganiseerden Elfstedentocht tot een volmaakt succes heeft weten door te zetten, is er ook niemand, die heden nog laatdunkend zal spreken over het pionierend werk van de jonge vereeniging, die op 15 Januari 1909 te Leeuwarden werd opgericht: de Friesche Elf-Steden-Vereeniging.

Het bestuur van de Elfstedenvereeniging werd gevormd door de heeren: mr. M. E. Hepkema (voorz.); mr. D. v. Welderen baron Rengers (secr.); Y. van Slooten (penn.mr.); H. J. Kalt; Jac. Marcus; jhr. H. van Baerdt van Sminia; mr. J. D. van der Plaats; J. Boosman en F. A. van Heyst. Als medeoprichter dient voorts te worden genoemd de heer G. Dijkstra R.Hz.

Met de oprichting van deze vereeniging werd in de Friesche schaatsensport een nieuwe phase ingezet. Wij kunnen de oprichting dezer Elfsteden-vereeniging niet anders zien dan een gelukkige oplossing van een conflict, waarin eenigen tijd lang de beide groepen, n.l. die van de den Elfstedentocht koelgezinden èn die van de warm-gezinden, tegenover elkander hadden gestaan.

De tijd heeft bewezen, eerstens dit: dat de Friesche IJsbond in 1909 een allergelukkigst initiatief nam, dat de inleiding is geworden van een vaste ijs-traditie in Friesland; tweedens: dat de Elfsteden-vereeniging met het inzicht van de geestdriftigen en het enthousiasme der jeugd in 1909 een daad heeft gedaan, die geheel in het kader der dingen paste en verantwoord was.

Zij nam een vaan over en droeg dien door een lang tijdperk heen naar dit top-jaar 1940, waarin wij een halve eeuw van Elfstedentochten mogen gedenken.
Om hetgeen beide organisaties - èn de Friesche IJsbond èn de Elf-Steden-Vereeniging - in dezen hebben tot stand gebracht, zij den beiden besturen bij deze gelegenheid warmen dank en lof gebracht!

 


Mr. Hepkema, voorzitter der Friesche Elfsteden-Vereeniging, geeft aan den vooravond aanwijzingen over de route.

 

Samenvatting van verslagen.

1909

2 januari 1909.
Enige tocht, die is georganiseerd door de Friese IJsbond.
Dooi (+ 2 graden)
Goed ijs, geleidelijk zachter.
23 Wedstrijdrijders aan de start, 7 geklasseerd.
Geen toerrijders.
Winnaar: Minne Hoekstra uit Warga.

Minne Hoekstra (10 juni 1884), dominee, schaatser (winnaar van een Elfstedentocht in 13 uur en 50 minuten.) (overleden 1941).

Friese IJsbond.

EERSTE TOCHT DOOR FRIESE IJSBOND GEORGANISEERD.

Organisator van de eerste Elfstedentocht van 1909. Meteen daarna, op 15 januari 1909, wordt op initiatief van de Leeuwarder jurist Mindert Hepkema de “Vereeniging De Friesche Elf Steden” opgericht. Hepkema had zich geërgerd aan de slechte organisatie door de Friesche IJsbond. Na wat geruzie neemt hij de organisatie van de schaatsmarathon over. Het blijft dus bij de organisatie van deze ene Tocht.

Het dooide en het ijs was zacht maar op 2 januari 1909 werd de eerste Elfstedentocht verreden. Deze eerste tocht met wedstrijdelement kende drie uitblinkers; te weten: Minne Hoekstra uit Warga, Gerlof van de Leij uit Marrum en de Amsterdammer Tiete Solke Rooseboom. De winnaar Minne Hoekstra benodigde 13 uur en 50 minuten van start tot finish. Dit was de eerste en gelijk de laatste tocht die door de Friese IJsbond werd georganiseerd.                                    

Die denkt dan aan een eenmalige, een historische gebeurtenis en schrijft aan het eind van het jaar 1908 zo'n tocht als wedstrijd uit, zonder een datum te bepalen: tot de vijfde januari kunnen deelnemers zich aanmelden bij de voorzitter in Leeuwarden.

Wat later nooit meer zal voorkomen, gebeurt nu: het blijft vriezen dat het kraakt en het wordt raadzaam geacht de wedstrijd te vervroegen. En wanneer er zich al 48 deelnemers hebben ingeschreven, wordt de aanmelding van het ene op het andere moment gesloten.......

Het abrupt sluiten van de aanmeldingen wekt het ongenoegen van de jonge jurist mr. Mindert E. Hepkema die als een haas vanuit Hamburg naar Leeuwarden, hier te horen krijgt dat hij zich maar eerder had moeten melden. Het zal nu nog maar even duren of we zullen meer van deze Hepkema te horen krijgen.

In de nacht voor de geplande tocht op 2 januari 1909 valt plotseling de dooi zo onstuimig in dat de meeste kandidaat-rijders zich niet bij de startplaats laten zien. En de 23 anderen mogen zelf bepalen of de tocht doorgaat of niet.

Tenslotte komt de voorzitter van de Friesche IJsbond nog met een verrassende mededeling. 'U dient de tocht eigenlijk niet te beschouwen als een wedstrijd', zegt hij. 'Alleen de flink getrainde jongelui onder U mogen denken aan het winnen van een prijs'. Welnu, in de wedstrijd/tocht komen drie figuren als favorieten naar voren: de Amsterdammer Tiete Rooseboom en de Friezen Minne Hoekstra en Gerlof van der Ley.

Een kilometer of vijf voor de finish ontstaat er tussen Roosenboom en Hoekstra een interessante discussie over de vraag hoe de strijd moet eindigen. Hoekstra, student in de theologie, die zwaar is gehandicapt omdat hij zijn lorgnet is kwijtgeraakt, wil de strijd laten beslissen in een soort kortebaanwedstrijd. Rooseboom evenwel wil er om hardrijden tot de eindstreep toe. Wel, dit laatste gebeurt en dan blijkt Minne Hoekstra veruit de snelste te zijn. Na 13 uur en 50 minuten komt hij als eerste bij 'de eindpaal' aan. Gerlof van der Ley volgt na drie minuten als tweede en Tiete Rooseboom wordt derde na nog eens drie minuten.

Direct na de tocht klimt de net al genoemde en nog altijd knarsetandende mr. Mindert Hepkema in de pen om een speciale Elfsteden vereniging te bepleiten. Hij wil er zeker van zijn dat er bij 'gunstige ijsverhoudingen en voortaan zo mogelijk telkenjare niet alleen een Elfstedentocht maar ook een Elfsteden wedstrijd kan worden georganiseerd'.

 

Minne Hoekstra uit Warga.

 

 

Het bestuur van "De Friesche IJsbond" Van links naar rechts zittend: T. Velstra. J. A. Lucardie, S. H. Hielkema, J. D. van der Plaats. Staand G. W. Koopmans, J. A. Stoop, H. van Baerdt van Sminia.

 

Groep deelnemers aan den Elf-steden-tocht, die Zaterdagochtend om 3 uur van Leeuwarden afreden. Winnaar van de groote verguld zilveren medaille was M. Hoekstra uit Warga, die 7.10 's avonds te Leeuwarden aankwam. O.D.v.d. Ley uit Marrum won een zilveren medaille als tweede aankomende te 7.13. Luitenant Roozeboom, die 7.16 arriveerde, behaalde de groote bronzen medaille. Op den voorgrond de bestuurders van den IJsbond: 1. de Heer S.H. Hielkema, voorzitter; 2. Mr. J.D. v.d. Plaats, penningmeester; 3. Mr. J. Lucardi, secretaris; 4. G.W. Koopmans.

 

De eerst aankomenden in den Elfstedentocht. Van rechts naar links; Jhr. J. Feith, de bekende journalist, die een gedeelte van den tocht medereed. Minne Hoekstra van Warga, de winnaar "Ik ben voldaan.". V.d. Ley, van Marrum; tweede aankomende en hun gids, Fokke Krooynga.

Minne Hoekstra was in alles een opvallende vent met vreemde capriolen. De theologiestudent liet zich bijvoorbeeld ooit vastbinden aan de mast van een veerboot om te ervaren hoe het voelde om een zeeman te zijn. Maar hij was wel een zoon van een schaatsenfabrikant en kende het ijs dus door en door. Nog herstellende van een longontsteking schreef hij zich in voor de tocht van 2 januari 1909. Zijn familie verklaarde hem voor gek, maar niets hield hem tegen.

Jan Ferwerda rijdt eerste Elfstedentocht. Sergeant Jan Ferwerda is als vierde geëindigd in de Elfstedentocht van 1909, samen met de broers Kaastra. In 1912 krijgt Ferwerda een hoogoplopend conflict met Coen de Koning over het al dan niet schenen van de regels tijdens de wedstrijd.

 

De heeren T. Rooseboom (Amsterdam) en J. Boon (Rotterdam), welke eveneens den geheelen afstand aflegden en derde en zevende aankwamen.

 

De Haarlemmer Mr. Lieftinck en Jhr. v. Coehoorn van Sminia, welke den tocht volbrachten en respectievelijk als negende en achtste binnenkwamen.

 

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1912.

(Eerste: C. C. J. de Koning in 11 uur en 40 minuten).

In de oprichtingsvergadering van de Friesche Elf-Steden- Vereeniging was besloten, zoo mogelijk iederen winter een Elfstedentocht met wedstrijd te organiseeren. Het wachten was slechts op ijs. Maar de met moed begonnen bestuurderen der vereeniging moesten voorloopig hun ziel in lijdzaamheid bezitten. Immers er zouden twee winterseizoenen verstrijken, waarin geen tocht gehouden kon worden.

Eindelijk - de winter van 1912 stond het bestuur toe met haar werk te beginnen!
De eerste Elfstedentocht, die de jonge vereeniging zou organiseeren, kon op Woensdag 7 Februari 1912 worden gehouden.
Niet minder dan 170 rijders lieten zich inschrijven voor den tocht, die aanvankelijk bepaald was op 27 Januari. Toen hij moest worden uitgesteld tot 7 Februari, slonk het aantal deelnemers tot 59, te weten 34 deelnemers aan den wedstrijd en 25 deelnemers aan den tocht.

 

Op deze foto treft men alle bestuursleden van die dagen aan. Links achter mr. Hepkema (witte trui), C. C. J. de Koning, die prijswinnaar zou worden. Op den achtergrond rechts (in witte trui) J. Ferwerda.

 

De goden van het weer hebben dit begin niet gezegend. Nadat het de voorafgaande dagen flink gevroren had, sloeg het weer plotseling om; 's nachts viel er nu en dan regen. Maar de rijders, die in hotel Weidema verzameld waren, waren al even enthousiast als die van den tocht van 1909. Bij meerderheid van stemmen werd uitgemaakt, dat de tocht zou doorgaan. De start vond plaats des morgens te 5.40.

De winnaar van den wedstrijd was COEN C. J. DE KONING van Arnhem.
Hij was des avonds te 5.20 te Leeuwarden terug, en had dus den tocht gereden in 11 uur en 40 minuten. Tweede werd JAN FERWERDA van Leeuwarden, die te 5.35 arriveerde. Als derde en vierde kwamen bij den finish aan de rijders SJ. SWIERSTRA van Offingawier (te 5.51) en J. KEIZER van Tacozijl (te 5.51½).

Van de 34 deelnemers aan den wedstrijd legden slechts 20 de geheele route af.
Een viertal bracht het nog tot Sneek en werd geacht den tocht te hebben volbracht, aangezien het ijs op het laatste traject niet meer betrouwbaar was; een tweetal kwam niet verder dan Stavoren; drie anderen gaven het op onderscheidenlijk te Franeker, Harlingen en Bolsward, terwijl een vijftal deelnemers slechts de "polonaise" naar Dokkum heen en terug gereden had. Van de 25 deelnemers aan den tocht volbrachten 19 de reis als volgt: een viertal tot Leeuwarden (finish) en de overige 15 tot Sneek.

Over de ervaringen van de deelnemers aan den wedstrijd bevat de beschrijving Ferwerda's tocht interessante lectuur. Wij zullen enkele gedeelten uit zijn relaas hier overnemen.

"Nog op de stadsgrachten achter den Prinsentuin - aldus vertelt sergeant Ferwerda - trof ik een groepje kalme rijders, wien het er alleen om te doen was, den tocht te volbrengen. Met een vroolijken groet passeerde ik het clubje en zette de reis voort. Natte voeten had ik reeds gekregen. Trouwens het kon niet anders, of ook de anderen hadden al kennis gemaakt met het water, dat op enkele plaatsen vrij hoog op het ijs stond.

Buurman's leed troost, zegt het spreekwoord, en zoo trok ik er mij niet al te veel van aan.
Gelukkig had men ons verteld, dat op de route naar Dokkum geen wakken waren, anders was het angstig rijden geweest, want het was knapjes donker.
Toch ook wel prettig, zulk rijden in de duisternis! Men is nog frisch en vol goeden moed; telt alle bezwaren licht. Geluiden van slierende schaatsenijzers in regelmatigen slag dringen tot u door.

Aardige opmerkingen en leuke zetten hoort men van heel uit de verte. Somwijlen gelach en ook uitroepen van schrik of waarschuwingen als "hier is de baan", "pas op, daar staat een tent", en dergelijke.
Als donkere schaduwen glijden de huizen voorbij en reuzengestalten op den walkant doen u schrikken, totdat een welgemeend "goeden morgen" u doet blijken, dat daar een boer reeds vroeg bij de hand is, om zijn vee te verzorgen.

Ook minder gelukkige tochtgenooten doemden uit het duister op. Een kleine averij aan schaats of ander ongelukje van dien aard, noodzaakte hen een oogenblik den rit te staken.
Te Birdaard trof ik een groepje van vier, worstelende om op het slechte ijs vooruit te komen, dat totaal onberijdbaar en heelemaal zacht was.

Dit clubje vertelde mij, dat er slechts een vijftal rijders maar voor ons waren, waarom ik besloot voorloopig met hen op te rijden. Vrooiijk gingen wij op Dokkum aan.
De eene kwinkslag na den andere werd ten beste gegeven, waardoor de sternming voortdurend uitmuntend bleef. Er werd veel en hartelijk gelachen, vooral als iemand door het maken van een minder goede streek het water hoog deed opspatten.

Zoo bereikten wij den eersten controlepost, aangeduid door een roode lantaarn.
Het laatste eindje hadden wij nog eens flink den gang er in gezet, want de allervoorsten waren wij even vóór Dokkum tegen gekomen, al weder op hun terugreis naar Leeuwarden. Het waren de heeren C. C. J. de Koning, J. Keizer en J. IJsbrandi. (Tusschen haakjes: IJsbrandi kwam als vijfde te Leeuwarden aan de finish aan te 6.10 's avonds).

Vlug werd de steile loopplank beklommen en de controlepost, gevestigd in café A. Smid bij de Bontebrug, opgezocht.
De kaarten werden afgeteekend door den controleur.
Bij aankomst te Dokkum begon het daglicht door te breken. Niettegenstaande het vroege uur, hadden zich al eenige nieuwsgierigen bij den controlepost verzameld.

Een kort oogenblik werd besteed voor het gebruiken van een glas warme melk, om vervolgens met frisschen moed weder op Leeuwarden aan te trekken.
Hadden wij op de heenreis den wind in ons voordeel. thans kregen wij te kampen tegen den vijand van iederen schaatsrijder, daar het nog al stevig woei.
Al spoedig bleven er van ons clubje achter, zoodat wij met z'n drieën, n.l. de heeren Swierstra, Dames en ik, den tocht vervolgden. Ik was thans in de tweede linie, een positie, welke ik pas uren later, in Workum, zou kunnen verbeteren.

Een klein eindje voor Birdaard troffen wij den heer IJsbrandi aan. Hij had een mankement aan zijn schaats gekregen en zag daardoor zijn kans om bij de voorsten te blijven, verkeken. Ik hielp hem bij het repareeren, terwijl mijn clubgenooten doorreden. Ook anderen haalden mij nu in en zagen wij voorbij stuiven.

Spoedig hadden wij de schaatsen in orde en zetten er een fiksch gangetje in, teneinde het verloren terrein te herwinnen.
Het ging thans snel voorwaarts; spoedig hadden wij de anderen ingehaald.
Het was intusschen geheel dag geworden en het rijden verschaft zooveel genoegen, ging nu zoodanig, dat men kon denken een plezierritje te maken.

Te Leeuwarden brak IJsbrandi voor de tweede maal zijn schaats en nu zoodanig, dat herstellen niet meer mogelijk was. Hij viel en verwondde terdege zijn hoofd. Ferwerda wilde nog bij hem blijven, doch hij riep den eerste toe: "Vervolg maar gauw je weg, laat mij in den steek en zorg dat je aan de contróle komt!"

Na Leeuwarden reed Ferwerda met Swierstra op. Zij besloten om voorloopig bij elkaar te blijven.
"Tusschen Dronrijp en Franeker werden wij opeens opgeschrikt, doordat wij merkten dat iemand achter ons aankwam, aan wiens arm te zien was, dat hij tot onze tegenstanders behoorde.

Al spoedig had hij ons ingehaald en bleek het de heer de Koning te zijn, die met razende snelheid ons voorbij stoof. met de vraag, hoeveel er nog vóór waren. Hoe hij achter ons kwam, begrepen wij niet. Geen van beiden had gezien dat wij hem voorbij gereden waren. We verkeerden in de stellige meening, dat hij met Keizer ons ver vooruit was.

"We moeten hem maar achterna", stelde Swierstra voor.
"Ach," zei ik, ,.laat hem maar gaan. Op die manier doorrijden kan hij niet.
We krijgen hem vandaag toch wel ergens te pakken, de weg is nog lang".
Zoo ging het door naar Franeker en Harlingen; Keizer en de Koning waren hen niet ver voor.

Toen naar Bolsward. We werden bezield met den geest van de aloude spoorzoekers, die ieder lezer zich nog wel zal herinneren uit de boeken van Cooper en Aimard uit zijn jeugd. Als padvinders volgden wij de sporen, met den neus bijna op het ijs, en maakten met beslistheid uit, dat de lange, meer rechte streken afkomstig waren van den heer de Koning met zijn Noorsche schaatsen. Dicht bij Bolsward kwam een troep van wel dertig man ons tegemoet stormen, allen voorzien van groote houten borden. Het bleek een handige reclame te zijn voor een te Bolsward gevestigde schaatsenfabrikant.

Een practische controlepost hadden ze daar in Bolsward, n.l. op den walkant, vlak bij de baan. Het bleek ons, dat de heeren Keizer en de Koning dadelijk waren doorgereden, en daar wij ons best gevoelden, namen wij geen rust, doch vervolgden direct na afteekening der kaarten onzen weg.

Op het baanvak Bolsward- Workum hadden wij een aardige ontmoeting met een landbouwer. Hij zag dat Swierstra wat water van het ijs schepte om zijn mond te verfrisschen. Dat kon onze goede Fries, die zich met zijn familie aan den walkant had opgesteld, zeker niet best hebben. Hij riep ons toe even te stoppen, en bood limonade aan.

Groot was onze vreugde, toen wij in Workum de heeren de Koning en Keizer aantroffen. Eerst zagen wij hen niet; de zaal waar wij moesten zijn, was tjokvol. Ge kunt u mijn ontroering voorstellen. Eindelijk dan had ik mijn doel bereikt en mij in de voorste linie geplaatst. Uren lang had ik hiernaar verlangd, en reeds bijna den moed opgegeven, het ooit zoover te brengen.

"We hebben ze te pakken, hoor!", riep Swierstra.
Ik voegde mij bij hen, zeer voldaan over ons succes en vol bewondering voor het enorme rijden der achterhaalde mededingers in een vriendschappelijken strijd. Vooral het feit, dat wij den heer de Koning, den beroemden hardrijder en kampioen van Nederland, hadden ingehaald, stemde mij zeer blij. Nu ging het op Hindeloopen aan.

Wij reden met z'n vieren een heel kalm gangetje, waarbij de heeren Keizer, Swierstra en ik om beurt aan het hoofd gingen. Natuurlijk mochten wij niet opgelegd rijden; dit verbood het reglement. Onze stemming bleef voorloopig iets gedrukt. Ik wil gelooven, dat wij alle vier er over nadachten, wat de gevolgen zouden zijn, nu wij zoo met z'n vieren samen opreden. Het gesprek wilde tenminste eerst niet vlotten. Later op den dag werd dit beter.

De heer de Koning zei niet veel. Met zijn Noren onder, bleef hij kalm in de achterhoede. Zoo tusschenbeide wierp ik wel eens een nieuwsgierigen blik op hem. Een korte, breedgeschouderde gestalte; een kranig figuur, zooals hij daar reed.

Toch kreeg ik toen niet den indruk, dat ik mij erg bevreesd voor hem behoefde te maken, wanneer het er in de eindspurt om zou gaan, wie de eereplaats zou bezetten. Vol bewondering was ik voor zijn bijna rechte streken, welke zijn Noorsche schaatsen hem in staat stelden te maken. Zoo nu en dan probeerde ik hem op mijn Friesche doorloopers na te doen, maar ik moet eerlijk bekennen, dat zulks niet ging.

Was ik dus niet zoo bang voor de Koning, anders was op dat moment mijn indruk van den heer Keizer. Met forschen, stevigen slag, als 't ware machinaal regelmatig, sloeg hij z'n been en uit. Vooral als hij aan het hoofd ging, en dus den wind moest breken, bewonderde ik zijn onvermoeid voorwaarts-gaan in nimmer falend tempo. Hij was een groote, forsch gebouwde persoon; een stoere Fries."

Ook na Stavoren bleef het kwartet bijeen. Op de route naar Sloten stelde de Koning voor, dat Keizer het eerst dit stadje zou binnenkomen, n.l. als eerste aan den kop. Dat werd door Swierstra en Ferwerda goed gevonden. Nu verzocht Swierstra zich het eerst in Sneek te mogen melden, omdat hij daar goed bekend was. Ook daarmee gingen de anderen accoord.

 

Swierstra arriveert in Hindeloopen.

 

Op dit traject maakten we nog op zeer onaangename wijze kennis met het water. Een eindje voorbij Stavoren was een watermolen in volle actie en maalde het water uit den polder op de vaart die wij moesten passeeren!

Het gevolg was, dat over een lengte van wel honderd meter vóór den molen zooveel water op het ijs was geloosd, dat rijden bijna niet meer mogelijk was.
Daar wij toch reeds den geheelen dag natte voeten hadden gehad, vlogen wij maar met een flink gangetje in het natte element op, doch het viel niets mee.
Op zeker oogenblik dacht ik dat het ijs onder me wegzonk. Het water stond zeker wel een halve meter hoog op het ijs. Rijden was natuurlijk niet mogelijk; wij stapten er maar zoo goed en kwaad als 't ging doorheen.

Over den molenaar, die ons die poets speelde, waren wij slecht te spreken.
Ook eenige Stavorensche heeren, die een eindje met ons waren opgereden, gaven over die handelwijze hun afkeuring te kennen.

In statigen optocht trokken wij Sloten' s oude veste binnen...."
Hun officieele tijd luidde voor Sloten: De Koning, Ferwerda en Keizer 3.17; Swierstra 3.23. (Swierstra's schaats was gebroken, zoodat hij zijn reserve moest onderbinden. Hierdoor kwam hij enkele minuten later bij de controle). Toen zij van Sloten vertrokken, maande Ferwerda zijn tochtgenoot Swierstra aan om voort te maken en direct mee weg te rijden. Swierstra beloofde zulks, maar zeide eerst nog iets te willen gebruiken; hij zou hen wel inhalen.

Te Rijs had het gezelschap als gids de beroemde rijder schipper Klinkhamer, meegekregen. Toen zij op het Slotermeer waren gekomen, merkte Ferwerda, opeens, dat Klinkhamer en de Koning, waren beginnen te spurten.

"Eerst vermoedden wij nog niets en wisten van den prins - pardon, van de Koning! - geen kwaad, maar toen de afstand tusschen ons steeds grooter werd, begonnen wij er toch anders over te denken. Ik vroeg Keizer, wat hij er van dacht. Deze verdedigde den heer de Koning en zei. dat hij hem niet in staat achtte, om zich op zulk een wijze aan onze afspraak te onttrekken. Hij zou aanstonds zijn vaart wel weer verminderen en ons opwachten. Niets van dat alles geschiedde. De Koning. achter zijn reuze-schipper, was en bleef aan het spurten.

Nu vielen ons de schellen van de oogen en zetten wij er ook de sokken in.
Wij moedig den elkaar tot steeds grooter snelheid aan, doch konden terdege merken, dat wij reeds een uur of tien de schaatsen onder hadden. De afstand tot de beide voorsten werd al grooter en grooter, hetgeen niet behoeft te verwonderen, als men bedenkt dat Klinkhamer nog zoo goed als geheel frisch en in uitstekende conditie was.

Zoo voortjagende bereikten wij het dorp Woudsend. Hier moest worden afgebonden, daar het ijs niet meer vertrouwd was. Met koortsachtigen haast ontdeden wij ons van de schaatsen en al loopende door Woudsend informeerden wij naar de Koning.
De heer Keizer en ik besloten vol te houden zoolang wij maar eenigszins konden en er alles op te zetten om de Koning in te halen. Wij reden als razenden en bereikten spoedig IJlst

(Aankomst Ferwerda en Keizer te IJlst: 4.05. Te 4.01 was de Koning IJlst gepasseerd).

Met de deelnemerskaart in de hand kwam ik binnen en vroeg deze dadelijk af te teekenen, daar ik onmiddellijk weder wilde vertrekken. "Vooruit!" zeide ik tegen Keizer, "wij mogen niet wachten, dan halen wij het nooit". Hij wilde echter absoluut even wachten en antwoordde: "Ga hem alleen maar achterna".

Dit tooneel speelde zich in een minimum van tijd af. Met een stuk worst in de hand, dat mij nog broederlijk door Keizer werd meegegeven, vervolgde ik alleen den tocht.
Ik had slechts één doel: De Koning inhalen, en daarom steeds sneller vooruit te gaan. Hoewel ik niets meer van hem zag, wilde ik niet opgeven en mij zelf aldoor aansporende, spande ik mij tot het uiterste in. Ik zag links noch rechts, en vloog over het ijs.

Toen ik Sneek naderde, kwamen verscheidene rijders mij tegemoet. Ik had echter zoo'n gang, dat ik alles voorbij stoof en achter mij liet. Ik dacht aan geen wijken en had thans ook nog mijn longen te gebruiken om de menschen toe te roepen, ruim baan voor mij te willen maken.

Iedereen begreep dat het "er om ging". Er zat spanning in. Aan bijvalskreten ontbrak het niet. De walkanten stonden zwart van 't volk, dat daar was samengestroomd, daar de aankomst van de Koning door een kanonschot was aangekondigd. Of men nog meer heeft geschoten, ik weet het niet; ik was doof voor alles.

Aan den controlepost, in logement Bokma bij de Waterpoort, moest worden afgebonden wegens het slechte ijs, en wel een minuut of tien door Sneek worden geloopen. Terwijl ik het bruggetje opliep, zag ik juist den heer De Koning de controle verlaten. Dit gezicht vuurde mij tot den grootst mogelijken spoed aan. Er was een telegram gekomen van mijn makkers uit Leenwarden.

"Moed houden, Jan," stond er in. Het deed mij werkelijk goed te merken, dat de kameraden met mij meeleefden, en mij aanmoedigden in mijn strijd om de eereplaats. Een gids bracht mij door de stad. Op een holletje ging het door Sneek; de gids en ik voorop, en half Sneek achter ons aan. Nog nooit heb ik zoo iets beleefd; door de aanmoedigingen van de brave Sneekers begon ik maar aldoor harder te loopen. Ik heb toen werkelijk mijn corpus niet gespaard!

De belangstelling onder de bevolking was enorm. Dat hier provincialisme een groote rol speelde, wie zal het ontkennen, en wie het laken? Zou dit niet overal precies eender zijn geweest?

Met alle respect voor het rijden van de Koning, gunde men mij toch gaarne de zegen. Trouwens, de gelukwenschen voor den heer de Koning zijn daarom niet minder geweest, en alle deelnemers aan den Elfstedentocht hadden slechts één roep over de groote hulpvaardigheid van de Friezen, en de hartelijke ontvangst, hun overal bereid.

Honderden -uitroepen weerklonken toen wij den heer de Koning inhaalden.
Gezamenlijk ging het nu op het ijs aan. Mocht ik al niet het eerst aan kunnen komen, de Koning zou er toch om moeten rijden!

Tegelijk bonden wij op. Ik was zelfs gauwer klaar en vertrok het eerst. Een kleine, vlugge schipper bood aan met mij op te rijden, hetgeen ik dankbaar accepteerde. Nog onder den rook van Sneek haalden de Koning en Klinkhamer ons in. Wij konden het niet houden en waren genoodzaakt hen te laten passéeren. "Links daartoe gelegenheid geven," schrijft het reglement voor.

In razende vaart is er toen gereden. Beiden zetten wij er alles op; het ging om de eer. Was er den geheelen dag gereden met de handen op den rug, thans moesten ook de armen mede doen, om steeds grooter snelheid te kunnen ontwikkelen. "Poepjesstijl", zou Jhr. Jan Feith zeggen."

Toen kwam Ferwerda te vallen in een groote plas water. Door dat ongemak raakte de Koning een vijf honderd meter voor. Ferwerda gaf toen den strijd op en ook zijn Sneeker metgezel achtte verdere pogingen nutteloos. Met een slakkengangetje ging Ferwerda, nat als een poedel, op Leeuwarden aan, waar hij een kwartier ná de Koning arriveerde.

(Aankomst DE KONING te 5.20: aankomst van FERWERDA 5.35; aankomst van SJ. SWIERSTRA 5.51; aankomst van J. KEIZER 5.51 1/5),

Dit waren de vier eerst-aangekomenen: de zes volgende waren: J. IJsbrandi (Leeuwarden) 6.10; H. IJpma (Arum) 6.11; S. Bouma (Alkmaar) 6.25; S. Rijpma (Irnsum) 6.42; Mr. M. E. Hepkema (Leeuwarden, voorzitter Elfstedenvereeniging) 6.42; T. Geertsema (Groningen) 6.56.

De rijders Swierstra en Keizer hadden elkander toch ook nog eventjes dwars gezeten. Keizer arriveerde om 4.20 te Sneek. Hij was zeer vermoeid, maar gunde zich geen rust. Eerst een kwartier later kwam Swierstra te Sneek aan.

Deze was in pracht-conditie en het gelukte hem, Keizer op het laatste traject in te halen Dit geschiedde bij Boxumerdam. Daar zetten beiden een spurt in. Keizer reed vóór, maar Swierstra hing als zijn schaduw achter hem; zoo stoven ze - onafscheidelijk in dezen laatsten fellen kamp - Leeuwarden binnen.

Tot bij de eindstreep bleef het onzeker wie zou winnen. Doch op het laatste moment week Keizer even naar links; direct schoot Swierstra hem voorbij, den controleur als 't ware in de armen. "Ik ben eerst", riep Keizer nog, maar hij moest toch toegeven, dat hij den kampslag met een minimaal verschil verloren had. Eén seconde was Swierstra hem maar voor.


Samenvatting van verslagen.

1912

7 februari 1912.
Eerste tocht, die is georganiseerd door de Vereniging de Friesche Elfsteden.
Sterke dooi en regen.
Zacht ijs met steeds meer watervorming.
38 wedstrijdrijders aan de start, 14 geklasseerd.
22 toerrijders, 4 volbracht.
Winnaar: Coen de Koning uit Arnhem.

Coen de Koning (Edam, 30 maart 1879 - 29 juli 1954)

(De Tweede Elfstedentocht was de eerste Elfstedentocht die werd georganiseerd door de Vereniging De Friesche Elf Steden. De Eerste Elfstedentocht was georganiseerd door de Friese IJsbond. Nu er een speciale Elfsteden-vereniging was opgericht beloofden zowel de Friesche IJsbond alswel de Bond voor Lichamelijke Opvoeding in Den Haag dat zij geen eigen Elfstedentocht zouden organiseren).

Drie jaar, een maand en 5 dagen later was het weer zover op 7 februari 1912. Het ijs was op die zevende februari van matige kwaliteit. Op de dag zelf dooide het ongeveer 4 graden en waaide er een warme voorjaarsbries. Enige uren regende het zelfs.

Net als bij voorgaande editie hield een groot aantal van de schaatsers het maar voor gezien. Van de 165 ingeschrevenen kwamen 100 niet opdagen. Zij die wel kwamen opdagen in Hotel Weidema spraken over gekkenwerk, van een zwempartij en van sportverdwazing. Uiteindelijk werd er gestemd. Met 37 stemmen voor en 28 stemmen tegen besloot men te schaatsen. 6.20 vertrokken de wedstrijdschaatsers, vijf minuten later volgden de toerrijders.

Het belangrijkste voor de schaatsers was ervoor te zorgen dat zij niet vielen. Er stond zoveel water op het ijs dat er dan wel meteen opgegeven kon worden. Al snel vormde zich een kopgroep bestaande uit Coen de Koning uit Arnhem, Jetze Keizer uit Tacozijl, Jan Ysbrandi uit Leeuwarden en Haye Ypma uit Arum. Op het stuk Dokkum – Leeuwarden verloren Ysbrandi en Ypma het contact met de kopgroep.

Bij Franeker besloten Jan Ferwerda en Sjoerd Swierstra dat zij bij elkaar zouden blijven, om Coen de Koning en Jetze Keizer in te halen. Zij hadden nog maar kwalijk dit verbond gesloten of ze werden ingehaald door De Koning, van wie zij dachten dat deze achter hen was. Zij lieten De Koning maar gaan, omdat die naar hun mening een dergelijk tempo toch nooit kon volhouden. Een paar uur later troffen Ferwerda en Swierstra dan ook niemand minder dan De Koning en Keizer aan in een café in Workum. In deze nieuwe kopgroep moest Swierstra al snel afvallen omdat hij door een mankement aan zijn schaatsen niet kon bijblijven.

De drie mannen vroegen de schipper Klinkhamer om hen over het Slotermeer te loodsen. De Koning ging echter, tegen een verbond met de twee Friezen in, met schipper Klinkhamer aan de haal en kreeg een steeds groter wordende voorsprong. Swierstra gaf op, maar Ferwerda zette de achtervolging in. In Sneek wist hij de Koning weer in de halen. Toen Ferwerda viel, was het voorbij en staakte hij de achtervolging. Coen de Koning won in een tijd van 11 uur en 40 minuten. De Koning was niet alleen al Europees kampioen op de lange-baan geworden in 1904, maar had nog in 1912 het wereldduurrecord in zijn bezit.

G. Dubois uit Leeuwarden was twee keer door het ijs gezakt. Desondanks eindigde hij als negentiende, op twee uur en 51 minuten van Coen de Koning. E. IJst uit Leeuwarden en Jetze Doorman uit Utrecht zakten samen met een gids in de buurt van Balk door het ijs. Doorman wist zichzelf en zijn metgezellen op het droge te krijgen, maar moest verkleumd opgeven. Twintig rijders hadden de gehele wedstrijd per schaats afgelegd.

De toertochtschaatsers hadden het net als de wedstrijdrijders niet makkelijk gehad. Van de 22 toertochtschaatsers die aan de Tocht der Tochten begonnen wisten vier hem ook daadwerkelijk te voltooien. Th. Adriani Hoen, uit Groningen was de snelste, hij volbracht de tocht in dertien uur en 27 minuten waarmee hij in totaal als vijftiende eindigde.

Het bestuur van de tocht verbood aan het begin van de avond rijders die in Sneek arriveerden nog verder te schaatsen. Achttien rijders, waaronder schaatspionier Pim Mulier en de enige vrouw in het gezelschap Jikke Gaastra volbrachten de tweede Elfstedentocht door het laatste stuk met de trein af te leggen. Ze kregen toch een kruisje. Gaastra werd de eerste vrouw die meedeed aan een officiële Elfstedentocht en werd daarvoor door het bestuur onderscheiden met een gouden broche.

 

 

Coen de Koning, verslaat iedereen. Wereldkampioen en wereldrecordhouder behaalt zijn eerste zege in de Elfstedentocht.

 

Op de woensdagmorgen, vlak voor vertrek, laten de deelnemers aan de tweede Elfstedentocht zich op de foto zetten. Ze moesten daarna 200 kilometer door dooi en regen schaatsen.

 

Eerste vrouw op Elfstedenijs. Jikke Gaastra (hier met broer Jelle) stapt als eerste vrouw op het ijs tijdens Elfstedentocht, maar haalt de finish niet.

 

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1917.

(Eerste: C. C. J. de Koning in 9 uur en 53 minuten).

Het was al zoo lang geleden.
Sedert 1912 was het niet mogelijk geweest, een Elfstedentocht te organiseeren. Het zou eerst Januari 1917 moeten worden, dat de gedachten der schaatsliefhebbers zich weer eens in de Elfstedentochtsfeer konden onderdompelen. Voor hen brak eindelijk weer eens een gelukkige tijd aan, waarin voorgoed een einde kwam aan al die in omloop gebrachte geruchten, welke suggereerden, dat ons klimaat zich had gewijzigd en wij ons maar konden voorbereiden op koele zomers en zachte winters.

Aber nicht ganz! - moet Thialf daarboven op den Olympus in de rij der goden hebben gezegd. Hij kwam de regenboog-brug af en ging op dezen uithoek van de aarde zoo geducht aan het blazen, dat het kwik een goed stuk zonk en de thermometer constant terdege vriezend weer bleef aanwijzen. Na 19 Januari bleef het vriezen, en wel in die mate, dat het bestuur van de Elf Steden- Vereeniging het aandurfde een Elfstedentocht uit te schrijven op Zaterdag 27 Januari 1917.

Er kwamen voor dezen tocht in totaal 153 aanmeldingen, te weten 45 voor den wedstrijd en 108 voor den tocht.
Toen de morgen van den grooten dag was aangebroken, vroor het nauwelijks.
Er woei een zacht windje, terwijl de lucht bewolkt was. De groote schare rijders verzamelde zich in hotel de Klanderij, waar de heer H. J. Kalt dedeelnemers inlichtte over de route en den toestand van het ijs op de verschillende trajecten.

 

Hotel de Klanderij, te Leeuwarden.


Tegen vijf uur trok de stoet van rijders, voorop gegaan door Jhr. H. van Baerdt van Sminia, naar de Willemskade (Beursbrug ). Daar klonk te vijf uur het startschot, dat onmiddellijk de voorste groep in actie bracht. In de duisternis, enkel "verlicht" door de straatlantaarns die van elken rijder een schimachtigefiguur maakten, spoedden alras de velen zich voort naar het ver af gelegen doel., ....

Voor de tweede maal zou de naam "de Koning" den geheelen dag op aller lippen zweven. De winnaar van 1912 bleek ook nu weer de sterkste te zijn.
Op een ongekend vroeg tijdstip - des namiddags om 2 uur 53 minuten - kwam hij te Leeuwarden binnen, zoodat hij de reis langs de Elf Steden in 9 uur en 53 minuten had volbracht!

Eerste werd dus C. C. J. DE KONING te Leur, aankomst te 2.53 te Leeuwarden; tweede SJ. SWIERSTRA te Offingawier, aankomst te 3.21; derde GERLOF VAN DER LEIJ te Finkum, aankomst te 4.04, tegelijkertijd met G. ZWIJZE te Gramsbergen (vierde); vijfde HENDRIK JELLES KOOISTRA te Warga, aankomst te 4.14.

De winnaar van 1912, COEN DE KONING, was ook ditmaal als winnaar uit het strijdperk getreden, terwijl hij zijn gereden tijd met 1 uur en 47 minuten had verbeterd! De tweede aankomende, SJ. SWIERSTRA. die in 1912 als derde was aangekomen, had zijn gereden tijd eveneens aanzienlijk verbeterd.
De derde aankomende, G. VAN DER LEI]. die in 1909 tweede was geworden, maakte ook ditmaal een schitterenden tijd.

 

De Koning aan de eindstreep.

 

Van de 45 deelnemers aan den wedstrijd slaagden 37, terwijl van de 108-deelnemers aan den tocht 83 (onder wie vijf dames) de geheele route aflegden, zoodat tenslotte 120 van de 153 rijders de reis langs de Elf Steden hadden volbracht. Van de 37 rijders, die den wedstrijd volbrachten, woonden er 19 in Friesland; de andere 18 waren elders woonachtig. Van de 83 rijders, die den tocht volbrachten, woonden er 42 in Friesland; de overige 41 buiten deze provincie.

Tot de deelnemers, die den wedstrijd volbrachten, behoorde als zevende aankomende
(aankomst te 4.50 te Leeuwarden) sergeant Jan Ferwerda te Kampen, die in 1912 als tweede was aangekomen. Deze had in zijn boekje een tiental voorschriften voor den Elfstedentocht gepubliceerd, die wij belangrijk genoeg achten om ze hier over te nemen.

Perwerda gaf iederen deelnemer de volgende wenken: Vóór alles: Aanvaard den tocht met den ernstigen wil, hem te volbrengen; wapen u met zelfvertrouwen, zoodat ge overtuigd zijt, den strijd tot aan het einde te kunnen volhouden. Bereik dit door een stelselmatige voorbereiding, steeds het doel voor oogen houdende, te willen zegevieren. Bij deze voorbereiding geve men acht op de volgende wenken:

1. Training.

Lang voor het ijs er is, brenge men zijn lichaam in goede conditie en oefene de
spieren, welke bij het schaatsenrijden vooral in actie zullen zijn. Men doe veel aan gymnastiek, vooral beenbewegingen.
Geregeld hard loopen ligt natuurlijk voor de hand, waarbij getracht wordt bij vaste tusschenpoozen, langzaam en diep adem te halen, (longen-gymnastiek).
Vooral mag het oefenen der rugspieren niet worden vergeten.

Door oververmoeidheid dier spieren en daardoor ontstane pijnen in den rug, heeft menigeen den tocht moeten staken. Rompbuigingen en -draaien, en reeds bij het beoefenen van den looppas de voorovergebogen houding van den schaatsenrijder aannemen, kunnen hier dienst doen.
Dat tot een goede training ook behoort het volgen van een zeer geregelde levenswijze, daarover behoeft zeker in onzen tijd van sport en wedstrijden niet nader te worden uitgewijd.

2. Kleeding.

Met de kleeding van een gymnast, zoo dun mogelijk, kan niet worden volstaan.
De schaatsenrijder is aan zooveel temperatuurswijzigingen en weersgesteldheden
blootgesteld, dat wel even bij de keuze van kleeding mag worden stilgestaan. Wollen of z.g. Jaeger-onderkleeding en een sporttrui voldoen mij het best, terwijl ik altijd zorg een wollen das of dergelijke bij mij te hebben ter beschutting om den hals bij scherpen oostenwind. Warme beenbekleeding is aan te raden, om stijf worden der kuitspieren te voorkomen.

3. Voeding.

"Rijden maakt hongerige magen", en hieraan gedachtig zal iemand allicht in de verleiding komen, zoo'n dag eens extra stevig te eten. Volgens mijn inzicht is zulks glad verkeerd.
Ik kwam beide wedstrijden in goede conditie aan, doch was heel matig geweest in het gebruik van spijzen. Wel gebruikte ik bij iederen controlepost iets, doch dan een glas melk met geklutst ei, of wel spuitwater of dergelijke.

4. Kennis der te volgen route.

Van te voren moet de route eens worden gereden. Natuurlijk behoeft dit niet in één dag, doch ik kan het ieder aanraden. Men wordt meer met den weg en het ijs vertrouwd. Wil men heel bekende stukken overslaan, ook goed. doch rijd vooral eens de route Stavoren-Sneek. De afstand is niet zoo groot. ± 50 K.M., en men heeft dan het moeilijkste gedeelte verkend.

5. Gidsen.

Heeft men zich te voren georiënteerd, dan is men niet zoo gebonden aan gidsen.
Dit geldt vooral voor hen, die den wedstrijd rijden, want hoewel de lofwaardige pogingen der diverse afdeelingsbesturen om gidsen beschikbaar te hebben, op prijs moet worden gesteld, is dit meer iets voor hen, die den tocht langzaam willen volbrengen.
Het zou kunnen gebeuren, dat men een gids trof, die wel goed rijdt, doch voor een wedstrijdman niet vlug genoeg.

6. lndeeling van den dag.

Met alle bijzonderheden van de route bekend, en met inachtneming van de snelheid, die men weet te kunnen ontwikkelen, stelle men te voren ongeveer de tijdstippen vast, binnen welke men de onderscheidene baanvakken wil rijden en bij de controleposten aankomen.
leder weet wel ongeveer wat hij kan presteeren en de afstanden tot lederen controlepost zijn bekend.

Nooit late men zich verleiden tot jakkeren en overspanning door te hard te gaan rijden, wanneer men wordt gepasseerd.
Neem de rusten nooit te groot; hoogstens 15 minuten. De spieren mogen niet stijf worden; wat zij kunnen doen, eische men ook van hen.

7. Mondkost.

Onderweg mag men wel iets bij zich hebben, om zoo nu en dan in den mond te steken. Bij voorkeur maak ik gebruik van blauwe rozijnen en amandelen. (z.g. studentenhaver)en klontjes suiker.
Om het evenwicht te bewaren en niet al te zoet te worden, kauw ik ook wel eens graag op een stukje droge Friesche worst.

8. Gebruik van sterken drank.

Moet ik hierover in onzen tijd nog iets zeggen, en betoogen dat gebruik van sterken drank beslist nadeelig is? Ik geloof van niet.
Voor hen, die nog mochten twijfelen. wil ik gaarne verklaren, dat ik volgens persoonlijke ondervinding nooit zoo frisch en in goede conditie zou aankomen, wanneer ik sterken drank of bier had gebruikt.

9. Schaatsen.

Ieder mededinger zorge in het bezit te zijn van twee uitstekende, en volkomen aan elkaar gelijk zijnde, paren schaatsen. "Goed gereedschap is het halve werk." en mocht het ééne paar schaatsen in het ongereede geraken, dan mag het andere paar niet van zooveel andere constructie zijn, dat men moeite heeft er aan te wennen.

10. Gezondheid, wilskracht, zelfvertrouwen.

Natuurlijk, een gezond lichaam moet men hebben, doch het dan ook door goede voorbereiding, levenswijze, voeding, enz. in zoodanigen toestand gebracht, dat men zich volkomen in staat voelt den tocht te volbrengen, en men redelijkerwijze overtuigd kan zijn, geen nadeelige gevolgen te zullen ondervinden.
Het is dan geen grootspraak, wanneer men te voren zegt den tocht te kunnen en willen volbrengen. Zelfkennis geeft zelfvertrouwen en is mede een der machtigste factoren, welke ter overwinning voeren.

Wat nu voorts het verloop van wedstrijd en tocht aangaat, citeeren wij het verslag van dien dag, ontleend aan het jubileumboekje van de Elf-Steden-Vereeniging.

Zachtgrijs kwam de ochtendlucht boven de huizen uit. Het eerste daglicht schemerde. Leeuwarden ontwaakte en toonde belangstelling voor de dappere mannen van de "izeren wjukken" (op schaatsen). Het behoeft nauwelijks gezegd, dat vele belangstellenden zich vervoegden bij den controlepost in hotel de "Oldehove", in afwachting van de eerste rijders uit de richting Dokkum.

Kort na zeven uur kwam de eerste rijder zich melden. Het was de bekende afstandrijder, winner van 1912, de heer C. C. J. de Koning, die met zijn stoeren, langen slag naderde. Hem vlak op de hielen zat SJ. Swierstra van Offingawier, die 2 minuten na de Koning arriveerde. Op hen volgden G. Zwijze van Gramsbergen te 7.11 en Gerlof van der Leij van Finkum te 7.12.

Deze vier mannen zouden hun leidende positie dien dag niet afstaan. Bijna in'dezelfde volgorde liepen zij dien namiddag na volbrachte reis te Leeuwarden binnen.
De tocht door de provincie vond ditmaal onder gunstiger omstandigheden plaats dan in 1912.

Toen dooide het en was het ijs op vele plaatsen met water bedekt. Ditmaal toog men door het feestelijk-witte gebied van den winter. Het zachte licht van de Januari-zon fonkelde op het ijs. Er zou nauwelijks meer te wenschen zijn geweest àls - de banen op vele trajecten niet zoo slecht waren geweest!  Doch wie zal vechten tegen de machten der natuur? Bij harden wind was de strenge vorst ingevallen. Kan men dan gladde en effene banen verwachten?

Half drie des middags.

Het groote nieuws, eerst nauwelijks geloofd, heeft zich door Leeuwarden verspreid, meldende dat de eerste rijders weldra verwacht kunnen worden. Er staat een scherpe wind. Het hemelblauw is geheel achter wolken schuil gegaan en de menschen, die zich op de wallen bij de Beursbrug hebben verzameld, staan kleumend te wachten.

Het zijn er niet velen. Immers niemand heeft het aanvankelijk willen gelooven, dat de eerste rijders al zoo spoedig terug zouden zijn. Maar als het gerucht aanhoudt, verloochenen sommigen hun scepticisme en gaan alvast maar eens kijken.

Kort voor drie uur. Daar - in de verte - nadert een bekende figuur. Het is COEN DE KONING. Met een fermen streek rijdt hij naar de eindstreep.
Hoera's weerklinken. De Koning schijnt buitengewoon vermoeid te zijn. Waarschijnlijk heeft hij, aangevuurd door het publiek, zich het laatste eindje een ietsje geforceerd.

Doch hij herstelt zich na een paar minuten, laat zich kieken en gaat naar de Klanderij. Hij arriveerde te 2 uur 53 te Leeuwarden en legde derhalve den ganschen afstand af in 9 uur en 53 minuten, zijn tijd van 1912 met 1 uur en 47 minuten verbeterend!

De tweede deelnemer liet bijna een half uur op zich wachten. Doch deze arriveerde om 3.21 in prachtconditie. Het was SJ. SWIERSTRA van Offingawier, wien men het niet kon aanzien, dat hij een schaatstocht van 200 kilometer achter den rug had.

En weer duurde het geruimen tijd, voordat GERLOF VAN DER LEIJ en G. ZWIJZE met een kwart seconde verschil te 4.04 binnenvielen. Tien minuten later arriveerde H. KOOISTRA uit Warga. E. Bergsma hield de eer van Leeuwarden op en meldde zich te 4.35. En bijna twee uur na de Koning, te 4.50, kwamen S. K. de Jong uit Winsum en J. Ferwerda uit Kampen binnen.

Deze laatste was ditmaal niet in een zoo goede conditie als in 1912, maar "De Koning had dan ook als een duivel gereden".
Spoedig kwamen nu ook de eerste tocht-rijders opdagen. Het waren D. H. Schaap te Deersum, J.. C. Schaap te St. Anthonis en J. Feenstra te Oosterwelde, die om 5.06 aankwamen. De eerste dame, mej. Janne van der Weg, arriveerde te 6.49 met haar broeder als voorrijder, beiden in uitstekende conditie.

Overal was zij met gejuich ontvangen en te Leeuwarden had zij een enthousiaste ovatie in ontvangst te nemen, alvorens gedienstige handen haar de schaatsen afbonden.
Het bleef den heelen avond zeer druk aan beide kanten van de Willemskade en toen tegen middernacht de controle gesloten werd, hadden zich van de 45 wedstrijdrijders 37, en van de 108 tochtrijders 78 heeren en 5 dames, gemeld.

Onder de volbrengers van den tocht bevond zich ook de Heer W. J. H. Mulier, die, als oudste deelnemer, met reeds vijf kruisjes achter den rug, 's avonds bij de Frascati de door den Voorzitter uitgeloofde verguld zilveren medaille in ontvangst mocht nemen, terwijl de vijf dames, die op zoo flinke wijze den tocht hadden volbracht, verrast werden met de kleine gouden medaille, als broche te dragen, uitgeloofd door het Centraal Bestuur.

In de feestelijke bijeenkomst in de "Harmonie" werd nog menig hartelijk woord gesproken. Vele deelnemers aan wedstrijd en tocht bleven hier nog menig uurtje op ongedwongen en vroolijke wijze bijeen.

Dienzelfden dag was ook H. M. de Koningin met Prinses Juliana in de stad aangekomen. De Landsvrouwe bond de schaatsen onder en reed geruimen tijd op de banen der Koninklijke IJsclub. Bij de prijsuitdeeling in de "Harmonie" waren de volgende autoriteiten aanwezig: Mr. P. A. V. baron van Harinxma thoe Slooten, Commissaris der Koningin, en F. M. L. baron Van Geen, particulier secretaris van H. M. de Koningin.

 

De Elf-Steden medailles.

 

Samenvatting van verslagen.

1917

27 januari 1917.
Geringe vorst. Matige, oostelijk wind.
Hard ijs, niet mooi.
42 wedstrijdrijders aan de start, 9 geklasseerd.
108 toerrijders, 83 volbracht.
Winnaar:
Coenradus Cornelis Josephus (Coen) de Koning, uit Arnhem.

Geen enkele Nederlandse schaatser heeft drie grote triomfen op zijn naam staan: wereldkampioen, Nederlands kampioen én winnaar van de Elfstedentocht. En dat laatste liefst twee maal!

Grote namen die bij de Tweede Elfstedentocht hoge ogen gooiden waren er ook nu weer bij: Coen de Koning, Gerlof van der Leij, Jan Ferwerda, Sjoerd Swierstra en anderen. Voor de wedstrijd zei Coen de Koning tegen Jan Ferwerda Coen de Koning wint deze Elfstedentocht, zo niet, dan kun jij voor De Koning een doodskist bestellen.

Al snel bleek De Koning vooralsnog zijn favorietenrol waar te kunnen maken. Op het stuk Leeuwarden – Dokkum was er nog sprake van een kopgroep, bestaande uit Coen de Koning uit Amsterdam, Swierstra, en het duo H. Krikke en Gerrit Zwijze, beide uit Gramsbergen afkomstig. Op de terugweg werd De Koning echter zo benauwd voor Swierstra dat deze een eind weg spurtte.

In Leeuwarden had Coen de Koning al 2 minuten voorsprong op Swierstra. Swierstra had op zijn beurt Krikke en Zwijze ook achter zich gelaten. De voorsprong van De Koning bleef. In Bolsward kwam hij zó snel aan dat de bemanning van de controlepost snel telegrammen stuurde naar de andere stempelposten omdat deze anders misschien nog onbemand zouden zijn.

In Stavoren was De Konings voorsprong gegroeid tot 20 minuten. Hij koos Jan Poepjes uit als gids voor over de meren, maar deze bleek grote moeite te hebben het hoge tempo bij te benen. Ondertussen wist ook Swierstra gehakt te maken van zijn achtervolgers. De achterstand liep op tot 17 kilometer in Hindeloopen.

Swierstra wist nog 7 minuten in te lopen op De Koning, maar deze wist in zo'n spetterende tijd te finishen dat er geen kruid tegen gewassen was: in een absoluut record kwam Coen de Koning in een tijd van 9 uur en 53 minuten over de finish. Ook zeker noemenswaardig is de prestatie van Swierstra, 28 minuten na De Koning kwam hij binnen. Vragen over moeheid wuifde hij weg met de woorden: Geen kwestie van. Dat moest er ook nog bijkomen. Ik moet toch nog dansen vanavond!

 

Links: Coenradus Cornelis Josephus (Coen) de Koning, midden: Cor de Koning en rechts: Jacobus Petrus (Jacgues of Sjaak) de Koning. Sjoerd Swierstra, die in 1912 na een eindsprint op de derde plaats eindigde, behaalde de tweede plaats.

 

Coenradus Cornelis Josephus (Coen) de Koning, als winner van den Frieschen Elf-stedentocht, door het bestuur van de Arnhemsche 'Sandimann IJsclub' te Arnhem gehuldigd.

 

De wereldkampioen Coenradus Cornelis Josephus (Coen) de Koning won den Elfstedentocht tweemaal: in 1912 en in 1917.

 

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1929.

(Eerste: K. Leemburg in 11 uur en 9 minuten).

 

De voorzitter overhandigt Leemburg den door den heer Mulier
uitgeloofden zilveren beker.

 

Toen het in elf winters niet mogelijk was geweest een Elfstedentocht te organiseeren, was deze beroemde tocht welhaast een legende geworden. Maar in den winter van 1929 zou deze legende zich weer manifesteeren in een prachtige realiteit.

De maand Februari bracht den winter naar Friesland op een wijze, die uniek mocht heeten. Al in de eerste week ging het flink vriezen, ja het vroor op zoo'n ongekende wijze, dat al spoedig de Elfstedentocht werd uitgeschreven. Overal in het land ontwaakte een groote sportieve belangstelling voor den Elfstedentocht van Dinsdag 12 Februari 1929. Aanstonds viel te voorzien, dat het aantal deelnemers ongekend hoog zou zijn.

Het was een ideale winter, al was de vorst dan ook wat - heel erg. In den nacht van 10 op 11 Februari vroor het te Leeuwarden 19 graden Celsius, te Schiermonnikoog daalde het kwik dien nacht tot 26 graden Celsius!

De Elfstedentocht vond plaats bij een ochtend-temperatuur van 18 graden Celsius vorst. Van heinde en ver waren de deelnemers op dit sport-evenement afgekomen en 's morgens om vijf uur stond er een heel leger rijders gereed om zich in dit ijskoude nachtelijke avontuur te storten. In totaal waren 121 deelnemers voor den wedstrijd aangegeven, van wie 103 aan den start verschenen en vertrokken, terwijl er 200 deelnemers waren voor den tocht.

De tocht was voortreffelijk voorbereid door het bestuur van de Elf-Steden-Vereeniging. Te 5.18 werd op de gracht bij de Beurs het startschot gelost en daar stoven de honderden de duisternis in, op goed geluk den weg zoekend.

Direct buiten Leeuwarden, wegschietend in de richting Dokkum, kregen de deelnemers de eerste tractatie van den fel-kouden Noordoostenwind. Talrijke deelnemers vielen uit of staakten te Dokkum aangekomen den tocht. Bij den eersten controlepost aldaar hadden velen te kampen met bevroren ooren en teenen; sommigen klaagden over pijn in de lendenen en zwoeren, vandaag niet meer achter de warme kachel vandaan te zullen komen.

Maar de moedigsten klaagden niet. Zij stoven onmiddellijk weer weg, terug naar Leeuwarden, waar het op de wallen zwart van menschen zag. Dan ging het de provincie in voor den langen, zwaren tocht. De Hollanders Jongert en Pronk namen de leiding. Jongert hield tot Harlingen de leiding, maar werd dan door den Fries Karst Leemburg, voorbij gestreefd.

Doch eerst te Hindeloopen bevond Leemburg zich aan den kop. Sedertdien gaf hij de leiding niet meer uit handen. Jongert liep echter in, en te Sneek was deze nog slechts drie minuten achter. Maar Leemburg hield den gang er in en liep met een flinken voorsprong te Leeuwarden binnen.

Bij het eindpunt Leeuwarden werd LEEMBURG verwelkomd door het hoerageroep van duizenden menschen op de wallen.

 

Leemburg "neemt" de brug te Woudsend.
 

Hij arriveerde te 4.27. Als tweede kwam aan C. JONGERT van Ilpendam te 4.35; derde werd S. WESTRA van Warmenhuizen te 5.06; vierde F. VAN DER HEIDE te Leeuwarden te 5.10. Leemburg had den tocht in 11 uur en 9 min. gereden!

De eerst aankomende van den tocht was T. HETTINGA van Dongjum te 6.05. De laatste rijder kwam 's nachts half twee te Leeuwarden aan. De riemen waren aan zijn schoenen vastgevroren en moesten worden losgesneden...

Voor menig en deelnemer heeft deze zware tocht, bij een barre temperatuur volbracht, meer of minder ernstige gevolgen gehad. Enkelen moesten in het ziekenhuis worden opgenomen. Verschillende deelnemers hebben wekenlang met bevroren ooren en teenen te kampen gehad. Ook Leemburg. de winnaar, moest zijn offer aan de ijsgoden betalen: hem werd in het ziekenhuis een halve teen geamputeerd.

Hier moge thans nog volgen het ooggetuige-persverslag, dat wij destijds van dezen tocht schreven.
Reeds vroeg in den morgen was Hotel "De Klanderij" het middelpunt van de drukte, die aan het vertrek pleegt vooraf te gaan. De Poolster twinkelde hoog aan den hemel. Vermoedelijk hebben velen van de ongeveer 300 deelnemers een onprettig ontwaken gehad in de logeerkamers. op welker vensters de vorst met haar vaardig penseel dikke, kunstige bloemen had geteekend.

Zelfs spraken wij een paar deelnemers, die de eerste hindernis in den vorm van een bevroren waschkom met sportieve geestdrift hadden "genomen" en nu op de startbaan verschenen, benieuwd naar allerlei onbekende handicaps, die deze dag wel zou opleveren en waarvan zij wel eens hadden gelezen.

Nog nooit heeft de start van een der vorige Elfstedentochten een dergelijk enthousiast en geslaagd begin gehad, en bij voorbaat werd hedenochtend al uitgemaakt, dat deze Elfstedentocht den vorigen - in aantal deelnemers, maar vermoedelijk ook in tijden en records - nog zal overtreffen. - Wie een weinig gelaatskennis had en dieper kon zien dan de roode neuzen en de lachende oogen, zag bij sommigen onrust, gejaagdheid en een innerlijke onzekerheid, allerlei stemmingen en emoties, die onder de hand groeien in de zaal en die verscheidenen op het nippertje nog deden besluiten, van de reis af te zien en in stede van het ijs de warme kachel te kiezen.

De mutaties in de lijsten van deelnemers op het allerlaatste oogenblik zouden het Centraal Bestuur van de  Elfsteden- Vereeniging wanhopig hebben gemaakt, wanneer deze mannen niet zoo flink en doortastend waren opgetreden en geen kans hadden gezien, met de cijfers te goochelen en op de plaats van een uitvaller fluks den naam van een invaller te plaatsen.

Want deze onverwacht groote deelneming aan beide tochten, waarvan de administratieve rompslomp in allerijl en in de laatste oogenblikken na het binnenkomen der "Hollandsche" treinen in den vooravond moest worden verricht, zou de haren ten berge hebben doen rijzen van elk ander, die tegen dezen berg van moeilijkheden niet was opgewassen.

Het zou de moeite waard zijn, langer stil te staan bij de verscheidenheid van costuums, waarin werd gereden. Mannen in witte truien of in wollen over-coats, met motorkappen of sportkousen aan, verbeidden met ongeduld het tijdstip van vertrek. Zelfs reed een postambtenaar in bestellerscostuum mede en arbeiders waren er in broek en vest.

Een zeldzaam gezicht, al die vroolijke menschen aan den start. Baanvegers staan er met brandende toortsen, terwijl de deelnemers "zich opbinden" en dan begint dat probeeren onder elkaar, het zetten van de eerste schreden op het gladde ijs en dit vergelijken wij onwillekeurig met het stemmen van het orkest. Totdat het schot valt en plotseling de Willemskade in den gloed staat van verrassende Bengaalsche vuren, waarin zichtbaar is uitgedrukt de gloed en het enthousiasme, dat zich werpt in de ijskoude armen van vriezenden wind en schotsig ijs.

Waaraan doet dit starten bij het flauwe licht der toortsen denken? Ligt er niet iets in uitgedrukt van den Walpurgisnacht? Spookachtig verglijden de schimmige figuren in den donkeren morgen, en even voorbij de Dokkumerbrug leggen zij de handen op den rug, want hier ontvangen zij de eerste tractatie van de stijve Oesterbries, die hen eerst goed zal gaan kwellen wanneer de huizenrij ophoudt en men Leeuwarden's kom verlaten heeft.
 

 

Wanneer wij ons opstellen op de brug in Birdaard, zien wij de eerste groep deelnemers onder ons passeeren. Het is dan zes uur.
- Links aanhouden, roept de brugwachter hun toe.
- Hoe is het ijs? vragen wij.
- Tamelijk mooi, is het antwoord.

Even later arriveeren er telkens andere groepjes, zij schieten onder de brug door en een half uur daarna zitten wij in café "De Altena" te Dokkum, den eersten controlepost, waar de deelnemers zich moeten melden. Op een smal en wankel tooneeltje van planken heeft zich de controleur geposteerd, een jonge man, die zich voorstelt dit geheele geval persoonlijk met zijn blanke lijsten te behandelen. Doch hij heeft buiten den waard gerekend.

Het landelijk cafeetje aan den wal der Dokkumer Ee zal eenige oogenblikken later het toeneel zijn van een zoo ongewone en plotselinge drukte, dat de caféhouder er
zelf beduusd van wordt.

In totaal waren 121 deelnemers voor den wedstrijd aangegeven, waarvan 103 aan den start verschenen en zijn vertrokken, terwijl er 200 deelnemers aan den tocht meedoen, w.o. vijf dames. Te Dokkum vooral kwamen er veel uitvallers.

Toen wij in den Dokkumer controlepost arriveerden, hadden even te voren, om 6.29, de heeren Jongert en Pronk hun kaart laten afteekenen. Onmiddellijk daarna, om 6.30, kwamen de twee Stienstra's, Stomp en Spanjer het cafeetje binnenstormen. Zonder dat zij zich eenige rust gunden, ging het weer verder in de richting Leeuwarden.

 

 

Na Westra (6.33) kwam Wittenberg binnen in niet al te beste conditie.
Onmiddellijk hielpen de achter hem komende kameraden hem, hetgeen zeer noodig was. Dicht bij Birdaard was Wittenberg tegen de ijsschotsen opgereden en had een leelijke tuimeling gemaakt. Hij bleef bewusteloos op het ijs liggen. Gelukkig was hij in staat den tocht toch tot Dokkum voort te zetten.

Met bloedend gelaat kwam hij het café binnen, waar verplegende handen en het aanwezige verbandlinnen het malheur zooveel doenlijk herstelden. Aandoenlijk was het te zien, hoe zijn wedstrijdgenooten met de schaatsen nog ondergebonden, hun makker bijstonden.

De controlepost van één man was absoluut ontoereikend om de aankomende rijders naar behooren snel te ontvangen en door te laten. Ofschoon de jonge man zijn controleurswerkzaamheden met loffelijken ijver verrichtte, bleek hij onmachtig een en ander een goed verloop te doen hebben.

De bij groepjes binnenkomende rijders moesten wel een kwartier buiten in de kou staan wachten, hetgeen voor de meesten, die ontzettend verkleumd waren, en desondanks hevig transpireerden, buitengewoon onaangenaam was. Wel traden de agenten van politie regelend en bemiddelend op.

Een paar slanke jongemannen kropen zoo dicht mogelijk bij de kachel en waren haast niet in staat een woord te zeggen. "Ik heb een gevoel alsof ik van voren geheel bevroren ben", zegt een van hen. "Ik ben niet moè en toch gevoel ik mij zóó onmachtig, dat ik onmogelijk meer verder kan."

Meerderen scharen zich om de kachel en zoeken het eenige wat zij behoeven: Een gloeiend centrum, dat hun lichaam de warmte zal teruggeven, welke de verraderlijke tocht in den vroegen morgen hun ontstal. Allen klagen over de koude en zij laten zich warme melk brengen en ook kranten, om hun lichamen, die aan de warme wolkleeding niet genoeg hebben, er mee toe te dekken.

Telkens verdwenen er rijders met den kastelein in de kamer, waar zij, met warm water weer wat werden opgekalefaterd. Hoe koud het op den tocht naar Dokkum op den vroegen morgen was geweest, blijkt wel uit het feit, dat velen klaagden, dat hun liezen waren bevroren. Het duurde geruimen tijd voordat zij in letterlijken zin waren ontdooid en weer moed kregen om den tocht verder voort te zetten.

Twee jonge meisjes hinken de herberg binnen. Zij zijn met haar beenen in de schaatsen van anderen gevallen en hebben diepe kuitwonden opgeloopen. Dit incident, dat trouwens mannen moedeloos had kunnen maken, breekt de veerkracht van deze jonge vrouwen en verlamt haar wil. Vol moed waren zij gestart, nu zitten zij daar, gedesillusioneerd, gebroken, als zagen zij den Elfstedentocht nu opeens in een ander licht en kreeg haar moedig begin nu een bijsmaakje van onbezonnenheid.

Na Dokkum scheen het ergste leed te zijn geleden. De zon rees in al haar heerlijkheid boven de kimme en dompelde het landschap onder in breede vloeiingen van licht. Met den wind in den rug gingen de rijders naar Leeuwarden terug, waar in café "Haantje" de controlepost gevestigd was. Groote belangstelling ondervonden de rijders onderweg. Waar 's ochtens slechts de vage omtrekken van huisjes waren te zien en door de blinden het schijnsel van het roode lamplicht viel, stonden nu wuivende menschen op den kant van den wal, die met bewonderende uitroepen de voorbijschietende rijders moed inspraken.

De wind blies achter de rijders aan en zoo voortgedreven geleken zij op vogels, zwevend op ijzeren wieken. Groot was de belangstelling ook in Leeuwarden, waar de eerstaankomenden Jongert en Pronk met een ovatie werden ingehaald.

Later op den dag vonden wij in de burgemeesterskamer van Hindeloopen deze kranige rijders terug, twee hooge stevige gestalten, die het ideaal van den schaatsenrijder schijnen nabij te komen.

Jongert en Pronk arriveerden te Leeuwarden te 7.27, de beide Stienstre's zaten hen vlak op de hielen en kwamen te 7.31 aan. Direct na hen stoven Van Beekurn 7.33, v. d. Vegte en v. d, Duim 7.34, en v. d. Heide 7.35 binnen.

De rijders gunden zich geen rust en vertrokken direct in de richting Franeker, waar het eerst arriveerden de beide Stienstra's en A. van Beekum (8.15). Jongert kwam hier te 8.16, en Leemburg te 8.34 aan.

In een onderhoud met de controle bleek ons, dat de beide Stienstra's een andere route hadden gevolgd en de vaart langs het dorp Schalsum hadden gekozen, zoodat hun tijd onder protest werd genoteerd.

Te Harlingen was C. Jongert met zijn (later uitgevallen) metgezel Pronk eerste (8.51); te Bolsward waren Westra en de beide Stienstra' s in den kop (9.56); te Workum arriveerden als eersten: Leemburg. Westra en U. Stienstra (10.35). Om 11.00 liep Leemburg het aardige Hindeloopen binnen, te 11.04 gevolgd door Westra en Stienstra.

 

De Koning wenscht Leemburg geluk met de behaalde overwinning.

 

Even later ontstaat er weer deining onder de Hindeloopers.
"Dêr komme wer twa" - wordt er geroepen. Het blijken Pronk en Jongert te zijn, die te 11.18 hun kaarten te Hindeloopen lieten afteekenen. Even vóór hun vertrek hebben wij een gesprek met hen: "Maar weer verder", zegt Pronk, "wij hebben mooi ijs gehad en tot nu toe een voordeeligen tocht. Straks gaat het in den wind en dan valt het misschien tegen." En het volgende oogenblik staan Pronk en Jongert alweer op hun scherpe Noren en snellen heen, ombeurten voorrijdend.

"Het gaat mooi voor den wind, - zegt een oude schipper, - maar nu is het nog maar kinderspel. Eerst vanaf Stavoren begint het eigenlijke spel. Voor den wind zijn het allemaal hardrijders, meneer".

En inderdaad, te Stavoren, het Zuidelijkste puntje van de route, aangekomen, keeren de kansen. Nu gaat het met oog en neus in den wind op; nu komt het moeilijkste deel van den tocht. Jongert en Pronk, mede van de voorsten, ondervinden hier welk een geduchten tegenstander de wind is. Als wij op Galamadammen aankomen, vinden wij Pronk in het café.
"Wat is er, meneer Pronk? U hebt het toch niet"
"Jawel!" lacht de stoere rijder. "Ik heb het opgegeven. Het gaat niet meer vanwege de koude. Ik ben half bevroren."
"En waar is uw kameraad?"
"Jongert is nu alleen gegaan", zegt Pronk, die ons nawuift uit zijn auto en vermoedelijk de rust en de intimiteit van het coupeetje wel zal waardeeren.
Maar de anderen gaan door; zij willen het niet opgeven. Pas is Pronk weg of om 1.03 komt Draaisma eenzaam en scharrelend als een kind over de vlakte aan laveeren en zeilt onder de brug door.

Een zeldzaam poëtisch en aanblik levert die vlakte van Fluessen en Morra op, maar voor den schaatsenrijder is de poëzie er niet meer; hij wordt lamgeslagen. Hij worstelt aan het einde zijner krachten de Witte Meer op.

Te Woudsend gekomen, zien wij nog ongerept ijs en is nog geen der 300 aangekomen.
Als wij belangstellend uitkijken over de bevroren velden, ontwaren wij in de verte de slanke figuur van den rijder Leemburg, die voor heden de beste kansen schijnt te hebben.
Leemburg is in het eerste gedeelte van den dag telkens in de achterhoede geweest, maar in de laatste trajecten naar Stavoren heeft hij zich eensklaps in de voorhoede weten te plaatsen. Met een vaartje schiet Leemburg te Woudsend onder de brug door. Wij noteeren 1.30.

Zijn er menschen voor mij? vraagt Leemburg.
- Neen, wordt er geroepen; je bent de eerste.
- Goed, antwoordt Leemburg en gaat weer met vollen moed verder, nadat een van de fotografen hem à la minute heeft gefotografeerd. Na Leemburg arriveert om 1.45 de bekwame rijder Jongert. Om 1.50 arriveeren Westra en v. d. Heide, doch het laat zich aanzien, dat zeer veel deelnemers van den tocht afvallen en niet in staat zijn tegen den wind op te tornen, die hun tegemoet blaast op de groote vlakte van 't Heegermeer.

Na Sloten begon er spanning te komen in den Elfstedentocht. Te Woudsend
en IJlst werden de eerst aankom end en met enthousiasme ontvangen. Leemburg, de Fries, was eerste en in uitstekende conditie. Onmiddellijk na hem kwam Jongert, die nog wel te kampen had gehad met allerlei tegenslag. Zoo ontdekte Jongert onderweg, dat zijn Noren stomp waren geworden. Onmiddellijk bond hij af en heeft een half uur moeten besteden aan het slijpen van de schaatsen. Te Sneek ontstond een ware race tusschen Leemburg en Jongert.

Leemburg arriveerde te 2.55 te Sneek en Jongert te 2.58. Daarna kwam het allerslechtste traject van de route, n.l. de tocht van Sneek naar Leeuwarden langs de Sneeker trekvaart, waar het ijs in zeer slechte conditie was, terwijl de rijders bovendien met een vrij stijven tegenwind te kampen hadden.
Felle tegenwind en slecht ijs op het laatste gedeelte van den tocht van Sneek naar Leeuwarden.

 

Leemburg passeert onder luide toejuichingen de eindstreep.

 

Voorwaar groote handicaps voor de rijders, maar allerminst een beletsel voor de moedigen, die, de tanden op elkaar geklemd, slechts bezield zijn van één gedachte: het einddoel Leeuwarden te bereiken, zoo mogelijk als eerste.

Hoe geweldig heeft Jongert uit Ilpendam voor dat doel gestreden. Bij het passeeren van Woudsend, lag hij nog op de tweede plaats met een kwartier achterstand op den leider Leemburg. In Sneek zat hij den Fries reeds op de hielen; toen bedroeg het verschil nog maar drie minuten! Maar het scheen, alsof Leemburg het dreigende gevaar voelde: hij gooide er nog een schepje op, vergrootte daardoor weer zijn voorsprong en passeerde na een mooie eindspurt om 4.27 de finish. Acht minuten na hem kwam Jongert als goede tweede binnen.

Leemburg - een Fries van geboorte - was 39 jaar, gehuwd en vader van twee kinderen. Bij zijn aankomst klaagde hij enkel over zijn rug, die hem op bepaalde plekken pijnlijk was. Leemburg's lichamelijke toestand was veel beter dan die van Jongert. De eerste was nog in staat aan tal van journalisten een onderhoud toe te staan, terwijl hij op zijn stoel zat en kalm broodjes met kaas verorberde, die gedienstige bestuursleden hem achterna brachten, terwijl Jongert zich onmiddellijk in zijn hotelkamer terugtrok.

Bij Leemburg' s aankomst te Leeuwarden speelde zich een alleraardigst "incident" af. Zijn verschijnen aan de finish ontketende veel geestdrift en hij werd van alle zijden gefeliciteerd. Tal van familieleden van Leemburg, ook zijn vader en moeder, waren present en wilden hun zoon uiteraard direct geluk wenschen.

Een der eersten, die den winner de hand drukte, was mr. D. van Welderen baron Rengers, doch toen Leemburg zijn oude moeder in het oog kreeg, dook hij plotseling weg, roepende: "Earst nei myn âlde Mem!" De oude vrouw, overstuur gebracht door het enthousiasme der menigte, streek haar plotseling beroemd geworden zoon liefkoozend over het gelaat. Des avonds werd de prijsuitdeeling gehouden in de "Harmonie".
 

Samenvatting van verslagen.

1929

12 februari 1929.
Strenge vorst (-18 graden). Felle noordoostenwind.
Zeer slecht ijs.
98 wedstrijdrijders aan de start, 11 geklasseerd.
206 toerrijders, 103 volbracht.
Winnaar: Karst Leemburg uit Leeuwarden.

 

G. Leemberg uit Leeuwarden, passeert het dorp Woudsend.

 

De start van 1929

Na 12 jaar wachten is het weer zo ver: 12 februari 1929. Ondanks de strenge vorst was de kwaliteit van het ijs matig. Karst Leemburg, dan 39 jaar oud, bewijst dat leeftijd op lange afstand er minder toe doet en wint. Het verloop van de wedstrijd was toch sensationeel, de twee oorspronkelijke koplopers raakten hun behoorlijke voorsprong kwijt door een verkeerde route te kiezen. Karst Leemburg kon het snelheidsrecord niet verbeteren; hij benodigde van start tot finish: 11 uur en 9 minuten.

Datzelfde jaar, op 28 februari, wordt er nog een Elfstedentocht verreden. Deze tocht, op initiatief van drie caféhouders uit Leeuwarden, wordt ook wel de Tolhuister Elfstedentocht genoemd, naar het café van één van de initiatiefnemers. Deze tocht wordt gewonnen door Marten van der Kooij uit Hindelopen. Deze tocht is tevens de tocht die het laatst in het jaar werd verreden, de officiële tocht van 1986 komt niet verder dan 26 februari.

Meteen na de start lag Karst Leemburg uit Leeuwarden op kop, maar al snel wisten Cornelis Jongert uit Ilpendam en Nico Pronk uit Warmenhuizen de koppositie in te nemen. Pronk en Jongert hadden bij de terugweg van Dokkum naar Leeuwarden een voorsprong opgebouwd van 4 minuten op de achtervolgersploeg bestaande uit Uiltje Stienstra, Catharinus Stienstra, Arie van Beekum en G. Wieberdink.

In Harlingen werd Leemburg uitgenodigd voor koffie bij een oom. De uitnodiging werd aangenomen, want Leemburg lag immers al 20 minuten achter op de koploper. Hierna voltrok zich een van de meest opmerkelijke episoden uit de Elfstedengeschiedenis. In Hindeloopen kwam om elf uur niet het duo Pronk en Jongert aan, maar Karst Leemburg.

In een stuk van veertig kilometer was een achterstand van twintig minuten omgebogen in een voorsprong van achttien minuten. Leemburg bleef vervolgens de hele rit aan kop schaatsen, maar bij IJlst stelde de voorsprong al niet veel meer voor, slechts 3 minuten op Jongert.

Hoe stil het was bij de start, zo vol was het bij de finish in Leeuwarden. Het zag zwart van de mensen bij de Willemskade waar de schaatsers zouden binnenkomen. Onder het publiek heerste een opgewonden stemming.

Er lag niet alleen een Fries aan kop, maar zelfs een Leeuwarder! Leemburg, die opnieuw een sprint had ingezet toen hij hoorde hoe dicht zijn achtervolgers bij hem waren, wist weer een voorsprong op te bouwen. Veel Friezen lieten Karst Leemburg een stuk achter hun rug schaatsen om te zorgen dat hij een beetje uit de wind bleef. In deze tijd keek niemand hier van op. Het werd gerekend tot thuisvoordeel.

In een tijd van 11 uur en 9 minuten kwam Leemburg over de finish. Toen het Elfstedenbestuur op hem af kwam om de winnaar te feliciteren sprak hij de woorden: Earst nei myn âlde mem! (Eerst naar mijn oude moeder!)

Karst Leemburg winnaar Elfstedentocht.

 

Karst Leemburg (1889 - 1958) was de winnaar van 1929. Na 11 uur en 9 minuten kwam hij als eerste over de streep in Leeuwarden, nadat de twee oorspronkelijke koplopers verkeerd schaatsten en zo de koppositie verloren aan Leemburg.

 

 

ER IS EEN FRIES, DIE WINT.

Karst raakte ook nog een stuk van zijn teen kwijt "Nadat ik even gerust had in mijn ledikant, kwam ik tot de ontdekking dat de grote teen van mijn linkervoet van de kou had geleden. Ik dompelde hem in een flinke bak ijskoud water. Later bleek dat ik dit goed gedaan had, want hij was werkelijk bevroren".Hier te zien in een flesje sterk water.

BUITENLANDSE PERS IN LEEUWARDEN.

The Times: 'In deze wedstrijd, die de grootste gebeurtenis op wintersportgebied in Nederland vormt, moeten de deelnemers een parcours langs elf steden in de provincie Friesland afleggen over een afstand van 205 kilometer (ruim 127 mijl)

 

ELFSTEDENTOCHT 1929

Elfstedentocht (1929)

 

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1933.

(Eerste: A. de Vries en S. Castelein in 9 uur en 5 minuten).

De winter van December 1933 zette nog al eigenaardig in. Een voortdurende wisseling van mooie beloften en verdrietige teleurstellingen. De banen waren nog maar pas goed sterk, of de dooi trad in en alle schaats-plannen vielen in duigen.

Doch op Woensdag 13 December keerde Thialf ('Koning Winter') met een felle vorst op zijn schreden terug en bleef juist lang genoeg om den vierden Elfstedentocht te kunnen doen houden. Het moest met de voorbereiding weliswaar in "Elf-Steden-tempo" gaan, maar alles werkte mee, zoodat deze tocht de meest glorieuze van alle tot dusver gehouden tochten is geworden. Het weer was prachtig, er woei een zwak windje; over het algemeen was het ijs goed.

De aangiften stroomden binnen en konden haast niet tijdig genoeg worden verwerkt. Ook gaf het vaststellen van de route groote moeilijkheden, want de Harlinger Trekvaart (naar Leeuwarden) was door de scheepvaart open gehouden, terwijl het door het Electriciteitsbedrijf der Provincie uitgeloosde warme water het ijs van de Dokkumer Ee bedreigde.

Deze moeilijkheden werden echter overwonnen, door het kiezen van een andere startplaats (Boxumerdam) en het omleggen van de route Franeker-Leeuwarden~Dokkum over Berlikum en Bartlehiem, zoodat Leeuwarden althans op den rit van Franeker naar Dokkum uitgeschakeld kon worden. Voor het eerst in de geschiedenis van den Elfstedentocht werd het Zuidelijk traject het eerst genomen.

En zoo ving deze Elfstedentocht aan in den vroegen morgen van Zaterdag 16 December 1933.
De deelnemers werden in een dertigtal autobussen naar Boxumerdam vervoerd en startten aldaar om 5.25. Korten tijd later vertrokken de deelnemers voor den tocht. In het geheel vertrokken binnen een half uur tijds van hier: 168 deelnemers aan den wedstrijd en 330 deelnemers aan den tocht.

Winners van den wedstrijd werden: A. DE VRIES te Dronrijp en S. CASTELEIN te Wartena, die samen te 2.30 door de finish kwamen. Zij hadden den tocht gereden in den record-tijd van 9 uur en 5 minuten! Daarmee hadden zij het record, dat met 9.53 op den naam van C. C. J. de Koning stond, met 48 minuten verbeterd.
Als derde kwam binnen: IJ. SMID van Hindeloopen te 2.39; als vierde C. JONGERT van Ilpendam te2.41, tezamen met den vijfde: S. D. DIJKSTRA te Cornjum (2.41).

Ook van dezen Elfstedentocht moge thans volgen het ooggetuige-persverslag, dat wij destijds schreven.
De sterrenhemel flonkerde met zijn duizenden sterren in den donkeren nacht.
Daar klonk het startschot van den voorzitter, mr. Hepkema. Oogenblikkelijk zette de stoet van deelnemers zich in beweging. Bijna ieder rijder had zijn eigen verlichting meegebracht. Het was een heel bijzonder gezicht, al die lichtjes te zien voortbewegen.

Bij de startplaats flikkerde het blitzlicht van de fotografen, die dit zeldzame moment in beeld brachten. Daar stond ook de wagen der geluidsfilm, mitsgaders een operateur, die een opname maakte van het gekris en gekras, het ochtendrumoer bij den start. Als wij bij Scharnegoutum op de brug naar de eerste rijders uitzien, worden we alras een aantal lichtjes gewaar. Er wordt flink gereden en gezwegen.

 

Wachten in het morgenduister op het startschot.

 

Ieder heeft genoeg aan zichzelf. Af en toe valt er een rijder, en als hij niet gauw genoeg opstaat, hurken latere rijders bij hem neer en staan den geblesseerde bij.
Het eerste stuk langs de Sneeker Vaart is zwaar genoeg: het ijs is niet overal even fraai, en hier en daar liggen de schotsen in grillige vormen door elkaar.

In de herberg te Sneek treffen wij twee rijders aan, die op het eerste traject gewond werden: beiden zijn met het hoofd op het ijs gevallen.
Een der rijders heeft den tocht opgegeven. Hij snoeft op zijn prestatie en toont ons glunderend een fleschje drank, dat hij in zijn binnenzak heeft en waarmede hij verder den dag hoopt door te brengen.

Dit heer is reeds kennelijk onder den invloed van spiritualiën en hoewel hij zich verbroederen wil met iederen binnenkomenden rijder en zijn vlammende sympathie in het naar links en rechts uitdeelen van kwattareepen uit, voelt iedereen toch, dat dit een van die onsportieve figuren is, wiens optreden een vlek werpt op de goede reputatie van den Frieschen Elfstedentocht.

Om 6.16 passeeren de eerste rijders Sneek. De rijders met Noorsche schaatsen laten zich op den rug naar binnendragen, want zij willen hun kostbare wapens niet bederven. De ongeveer 50-jarige Bokma uit Leeuwarden komt binnen met een wond aan het gelaat. Daar komen lachend de drie eerste dames van den tocht binnen. Ieder bestelt in der haast een warme dronk, verslindt een decimeter koek of eet sinaasappelen.

Te Sloten, de tweede post, hangt de Friesche vlag uit op 't bolwerk en verwelkomt precies om 7 uur Dijkstra uit Cornjum en Van der Duim uit Warga.
Direct daarna stormen drie van de vier gebroeders Stienstra (Leeuwarden) de herberg binnen.

De controle, die te Sneek voortreffelijk is, is hier ook vrij goed, maar aan de voorzorgsmaatregelen ontbreekt nog al iets. Er is hier geen verbandkist aanwezig en de jonge rijder met een geblesseerd voorhoofd moet zich laten helpen door een meisje, dat haar zakdoek vochtig maakt in een glas water.

Als wij om 8 uur te Stavoren arriveeren, heeft zich nog geen enkele rijder aangemeld. Even later noteeren wij de aankomst van de gebr. Stienstra, Meyering uit Arnhem, mr. Linthorst Homan uit Assen, tijd 8.23 uur .. Jongert, die verdwaald is geweest en vermoedelijk een vijftal kilometers is omgereden, komt ook opdagen.

Hier is de controle onvoldoende! Twee mannen, die assistentie verwachten, maar deze niet bekomen, worden al spoedig bestormd door de weinig geduldzame rijders, die bijna wanhopig worden van het lange wachten op afteekening van hun controlekaarten.

Inmiddels is het licht geworden. De zon werpt een gouden licht over de vlakte en kleurt de rietwallen der meren met een lichtbruin, dat opsteekt uit de witte vlakte. De rookpluimen van de boter fabrieken hangen in de ijle morgenlucht. Langs den zeedijk zwieren drie prachtfiguren: het zijn de gebr. Stienstra, die uitstekend opschieten.

Hier en daar verspert een oud laag bruggetje het pad der rijders, maar kwiek buigen zij zich of kruipen er onder door; bij een Elfstedentocht moet men zich in alle bochten kunnen
wringen.

Hier dringt een nieuwe kracht zich tot de voorhoede door. Het is IJpe Smid, die vermoedelijk uit den aanblik van zijn woonplaats Hindeloopen nieuwe krachten put. Met een mooien voorsprong loopt hij het stedeke te 8.55 uur binnen. En heel de bevolking is er beduusd van dat IJpe nummer één is.

Wie had dat van dezen boerenknaap verwacht? En onmiddellijk stijgen zijn papieren en in de gesprekken wordt Smid voorgesteld als een manskaerel, die in de hooiing, wanneer de ouderen van inspanning dreigen neer te vallen, nog weer op den hooiberg klimt en per se wil doorwerken. Hindeloopen groeit. .....
En elken lateren rijder dondert men na: "Je haalt IJpe toch niet meer!"

 

Smid als eerste te Hindeloopen.

 

In Workum is Smit nog de eerste (9.18 uur), maar S. Castelein van Warga zit hem onmiddellijk op de hielen (9.19) uur. Te Harlingen is Smid weer een mooi stuk voor, na hem komt Jellema, van Weidurn. Acht minuten later arriveeren aldaar Castelein en A. de Vries, die prijswinnaars zullen worden.
Jongert loopt te Franeker een mooi eind in; plotseling is hij tweede geworden.

(11.31 uur). En men voorspelt, dat hij Smid (11.21) nog wel zal voorbijkomen.
De Vries en Castelein liepen eerst om 11.34 te Franeker binnen. Het blijkt, dat Smid zijn laatste krachten op het lange traject aan het verbruiken is.

Hij arriveert gelijktijdig met De Vries en Castelein (1.34 uur); Jongert daagt er te 1.40 op.
Als een vuurtje verspreidt zich door Friesland het bericht, dat er fenomenaal gereden wordt en dat het record van C. C. J. de Koning, ongetwijfeld zal worden geslagen.

Leemburg heeft ons reeds te Stavoren voorspeld, dat de eerste rijder om 3 uur te Leeuwarden zal kunnen zijn. Telefonisch wordt de tijd overal in Friesland bekend gemaakt. In de Friesche hoofdstad staat het openbare leven absoluut in het teeken van afwachting van een grandioosen eindspurt. Langs de grachten staan duizenden toeschouwers, die geduldig op het binnenkomen van de deelnemers wachten.

De politie heeft gemakkelijk spel, maar als ergens het sein gegeven wordt: "De eersten komen", dan holt alles door de denkbeeldig getrokken scheidingen heen.
En als twee jonge mannen, de 26-jarige A. de Vries te Dronrijp en de 23-jarige S. Castelein te Warga, de eindstreep passeeren, dan klinkt er een bescheiden hoeratje op, dat, wat volume en inhoud betreft, stellig in 1929 grooter en krachtiger is geweest, toen Leemburg over het ijs der grachten reed.

De prijswinnaars, die vastbesloten zijn geweest tegelijk aan te komen en niet elkander de eer te betwisten, komen bijna "lijf-aan-lijf" door de finish.
"Is U de eerste?", vragen wij De Vries.
"Neen mijnheer", is het antwoord. "Wij zijn tegelijk aangekomen."

In het hotel hebben de beide stoere jongens de hulde van het bestuur en de gelukwenschen van velen in ontvangst te nemen. Zij zitten stil en bescheiden te glimlachen en zien er geenszins vermoeid uit.
En toch hebben deze knapen het record van den prijswinnaar van 1917, den heer C. C. J. de Koning, met niet minder dan 48 minuten verbeterd!

Als eerstaankomenden van den tocht arriveeren aan de eindstreep A. Boersma van Twijzel (3.10) en P. Oosterhof van Oldeboorn (3.14).

De Elfstedentocht van 1933 was een groot succes geworden, dank zij het
schoone en zachte winterweer. "Als een stralende winterdag in Zwitserland", zooals Mr. Hepkema, de inspirator van dezen tocht, in een gesprek, dat wij na afloop met hem hadden, het grandiooze schaatsfestijn met enkele woorden karakteriseerde, terwijl Mr. Linthorst Homan, die na een volbrachten tocht met een uitstekenden tijd op twee stoelen in de serre van het hotel zat uit te rusten, er nog een schepje op deed.
"Dit is de mooiste ijstocht. dien wij in Europa hebben", bekende hij ons.

De Elfstedentocht werd des avonds besloten met een feestelijke prijsuitreiking in hotel "Spoorzicht", die druk bezocht was. Ongeveer te half elf nam mr. Hepkema, voorzitter der Elfstedenvereeniging, het woord voor het uitreiken van de medailles aan de prijswinnaars van wedstrijd en tocht. De winnaars De Vries en Castelein, die in broederlijke eensgezindheid op hetzelfde oogenblik door de finish waren gegaan, werden door den voorzitter gehuldigd en bekranst. Spontaan rezen de aanwezigen op en zongen het Friesche volkslied.

De dank der tochtgenooten werd vertolkt door den deelnemer, den heer Okkinga te Roordahuizum, die in een humoristische speech in de Friesche taal zeer naar het hart der aanwezigen sprak. Een driewerf hoera werd aan het energieke bestuur van de Elfsteden- Vereeniging gebracht. Met het zingen van het Friesche volkslied en later nog een dansje, waaraan vele rijders met elegance deelnamen, werd de dag besloten.

Op datzelfde oogenblik zwierven buiten nog een 54 deelnemers aan den wedstrijd
en 19 deelnemers aan den tocht over de laatste trajecten der route. Zij
werden in den loop van den nacht terug verwacht.

 

De Vries en Castelein bij de eindstreep.
 

Na den snellen rit doet eenige rust den prijswinnaars de Vries
en Castelein weldadig aan.

 

Leemburg met De Vries en Castelein.

 

Samenvatting van verslagen.

 

1933

16 december 1933.
Lichte vorst. Windstil.
Goed tot uitstekend ijs.
173 wedstrijdrijders aan de start, 57 geklasseerd.
339 toerrijders, 173 volbracht.
Winnaar: Abe de Vries uit Dronrijp en Sipke Castelein uit Wartena.

 

Start verplaatst, wegens late zonsopgang. Aankomst de Vries en Castelein.

 

Sipke Castelein en Abe de Vries (hier op foto uit 1993) gezamenlijk als eerste.

 

De Elfstedentocht van 1933 wordt een heel merkwaardige. Die kan al worden gehouden wanneer het nog maar december is (op de 16e!) en het is dan gewoon lenteweer. De bestuursleden Hepkema en Kingma hebben al zo'n vermoeden dat het ijs sterk genoeg is voor een tocht. Dus gaan ze op verkenning uit en rijden een eindje over de Dokkumer Ee, richting Dokkum.

Maar na een paar kilometer hebben ze het al gezien: bij de buurtschap Snakkerburen zoeken ze een kruidenierswinkeltje op om via de telefoon de wereld te laten weten dat de tocht voor twee dagen later is vastgesteld.

Er komen 339 tocht- en 173 wedstrijdrijders op af, van wie veruit de meeste de race moeiteloos voltooien. Twee rijders, Abe de Vries uit Dronrijp en Sipke Castelein uit Wartena, die zich in de wedstrijd duidelijk de sterkste tonen, spreken af gelijktijdig te zullen finishen.

Maar Abe de Vries ziet het in het ijs gekraste eindstreepje over het hoofd en gaat er een seconde eerder dan z'n makker overheen. Met begrip voor de gemaakte afspraak en omdat het verschil tussen beiden zo gering is geweest, belonen de organisatoren beide rijders met een grote gouden medaille van de eerste prijs. Bovendien zullen zij later beider namen als winnaars vermelden op het Elfsteden monument aan de Heliconweg in Leeuwarden.

De tijd die De Vries en Castelein op hun Friese schaatsen voor de race nodig hebben, is even meer dan negen uren en nog nooit eerder is er zo'n snelle tijd gemaakt.

16 december 1933. Weer binnen een kortere tijd, 9 uur en 5 minuten. Abe de Vries en Sipke Castelein spreken met elkaar af samen te finishen, maar omdat De Vries de finishlijn niet ziet, wint Castelein alsnog. De Vereniging streek ditmaal over het hart en beiden staan ze als winnaars op het Elfstedentochtmonument in Leeuwarden vermeld. Ype Smid die een hele tijd aan kop had gereden moest het uiteindelijk toch met een derde plaats doen.

 

De aankomst te Leeuwarden van de winnaars van den Elfstedentocht. Voorop A. de Vries uit Dronrijp, vlak daarachter S. Castelein uit Wartena.

 

ELFSTEDENTOCHT 1933

 

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1940.


(Eersten: P. Keizer, A. Ademia. Sj. Westra, D. v. d. Duim en C. Jongert in 11 uur en 30 minuten).

 

Elf-Steden Route. Afstandswijzer.

 

Weer een goeie zes jaar later. Eindelijk weer eens een Elfstedentocht!
De maand Januari van 1940 stond in het teeken van de ijsvreugde! De Elfstedentocht zou aanvankelijk op 15 Januari worden gehouden, doch moest daags te voren worden afgelast. Maar op 30 Januari 1940 kon de Elfsteden-tocht toch gehouden worden.
Daar was een geestdrift voor dezen Elfstedentocht in en buiten Friesland ontwaakt,
die ongeveer te meten was toen in den vooravond meer dan drie duizend inschrijvingen waren binnen gekomen!

Er was maar één ding dat eenigszins de domper zette op die gezellige sfeer in de eivolle hotels, waar over niets anders dan den op handen zijnden Elfstedentocht werd gesproken: de dooi van dien namiddag, die overigens des avonds weer in eenige graden vorst was verkeerd. Zou Thialf dezen tocht zegenen, of al die duizenden smadelijk teleurstellen?
Doch gelukkig! De vorst zette door en bij flink vriezend weer vond de afrit plaats. Als eerste kwam een groep van vijf rijders tegelijkertijd te Leeuwarden aan.

De uitslag luidde als volgt: No.'s 1, 2, 3, 4 en 5 werden onderscheidenlijk: P. KEIZER te Westland, A. ADEMA te Franeker, SJ. WESTRA te Warmenhuizen. D. VAN DER DUIM te Warga en C. JONGERT te Alkmaar, aankomst te Leeuwarden te 17.30; gereden tijd van alle vijf rijders 11 uur en 30 minuten.

Hier volge ons ooggetuige-persverslag van dezen Elfstedentocht.
Nooit tevoren had de start een dergelijk enthousiast begin gehad. Een aanstekelijke
geestdrift had zich van de talrijke deelnemers meester gemaakt en allen stortten zich vanmorgen met vreugde in het koude avontuur, dat den geheelen dag zal duren en voor de allersnelsten toch nog op zijn minst tien uren van uiterste inspanning zal vergen.

Het zou de moeite waard zijn een beschrijving te geven van de costuums, waarin de
rijders aan den start verschenen. Mannen in witte truien en warme overcoats met motorkappen en sportkousen aan, verbeiden met ongeduld het tijdstip van vertrek.
Verschillende deelnemers kwamen uit in een soort alpenklimmersuitrusting. De militaire kleedij bracht een fleurige noot in het geheel en herinnerde er aan, dat ergens buiten onze grenzen een bloedig spel werd gespeeld, waartegen dit ijscarnaval van de Oldehovestad wel zonderling afstak.

In de "Harmonie" werd het woord gevoerd door den heer Kingma, lid van het centraal bestuur van de Elfstedenvereentging, die den deelnemers het welkom toeriep en hun op het hart bond vooral voorzichtig te zijn.

Toen zwaaide de heer Kingma op het podium met zijn arm ten teeken, dat men zich voor het vertrek gereed moest houden. Men drong naar de corridors, waar de buitendeuren echter nog gesloten waren. Om vijf uur gingen de deuren open en de kudde drong naar buiten om vervolgens in groepen uiteen te schuiven.
De wandeling van 20 minuten over den Harlingertrekweg werd door sommigen in racetempo genomen.

 

Een lange file deelnemers, voorzien van de noodige uitrustingstukken, trok in de vroegte naar de startbaan. Aan het 200 K.M. Lange traject ging nog een kwartiertjes wandelen in kou en donker vooraf...!


Het was een wel ongemeen gezicht al die bedrijvige en nerveuze rijders bij den start te zien!
Deze maal geschiedde de start niet op het ijs. maar in een drietal zalen. Eerst werd het sein van vertrek gegeven in de "Harmonie", vanwaar de 900 deelnemers aan den wedstrijd vertrokken. De tochtrijders startten in het Beursgebouw en de derde groep, die der nakomers, vertrok van de Klanderij.

Hoeveel rijders in den vroegen morgen zich naar de startplaatsen spoedden, valt met geen kans te raden. Als wij zeggen dat 3000 deelnemers zich present hebben gemeld, kunnen wij eenige honderden missen. Niemand weet het juiste aantal, zelfs het Centraal Bestuur niet.

De heeren van de controle haalden de schouders op en lieten dezen storm maar gelaten over zich heengaan. Bij Schenkenschans was het haast-je-rep-je. Bij electrische verlichting bonden de rijders de schaatsen onder en als de wind spoedden zij zich daarop in het donker vooruit.

Om 6.05 uur werd er aan den start afgeroepen, dat de eerste rijder zich bij den controlepost te Sneek had aangemeld en nog altijd kwam er een onafzienbare rij over de spoorbaan naar de startplaats. Wij zagen ook vier rechercheurs en agenten van de Hilversumsche politie; de heilige Hermandad van Den Haag had vijf vertegenwoordigers gezonden. allen mannen, die uit Friesland afkomstig of elkander niet onbekend waren.

 

Aan de start op den kouden morgen van 30 Jan. 1940. Snel opbinden - en dan de duisternis in....!

 

Ja, ditmaal was de route naar Sneek de polonaise.
Rijders van professie vingen niet aan, zonder die lange sliert rijders met eenige beklemming te bekijken, want bij hen rees de angstige vraag: hoe komen wij al die honderden voorbij op de smalle Sneeker Trekvaart, op een baan van ten hoogste 3 m. breedte?

Het gedrang was er wat erg en stellig zouden de puikjes onder de rijders vrijer ademen als zij op de wijde meren waren aangekomen, waar volop ruimte voor iederen rijder is, zelfs voor die, welke streken van 7 m. plegen te maken voor zij op vol toerental loopen. Het tooneel was vol, maar de danseurs en danseuses waren vol goeden moed en al kwam er wat water op het ijs, het ballet van den start was desalniettemin schoon en indrukwekkend.

Spookachtig vergleden de schimmige figuren in den duisteren morgen. De meesten hadden een lantaarn op de borst gespeld, want bijlichten voor wakken en scheuren was wel noodig. Zoo snelde het legioen der duizenden op de smalle ijzers over het ijs voort, met een tocht van tweehonderd K.M. voor den boeg, zwarte silhouetten tegen de blanke sneeuw, terwijl de twinkelende lichtjes der zaklantaarns 't geheel iets fantastisch gaven.
Zoo ging het in de richting Sneek in vlotte vaart; ze hadden den wind in den rug.

Groote aandacht was er voor de twee oud-kampioenen van den Elfstedentocht, Coen de Koning (prijswinnaar Elfstedentocht 1912 en 1917) en Karst Leemburg (prijswinnaar 1929). Zij deden ditmaal mee aan den tocht, niet aan den wedstrijd, en hadden zich voorgenomen deze tezamen te volbrengen.

Rijdend door het prachtige winterlandschap zagen wij de deelnemers en route. In den controlepost Sneek heerschte een onbeschrijfelijke drukte. Deze post was gevestigd in een groote garage, waar de controle uitstekend geregeld was. Door de geluidversterkers klonk vroolijke muziek, terwijl de talrijke deelnemers zich langs de tafeltjes bewogen om hun controlekaart te doen afteekenen.

 

De oud-kampioen van den Elfstedentocht, de heer Coen de Koning, nam ook deel aan den tocht van Jan. 1940. 's Avonds te voren in zijn hotelkamer te Leeuwarden, waar hij zijn Noren inspecteert.

 

De eerst aankomenden te Sneek (ongeveer 24 K.M.) waren S. Dijkstra uit Cornjum en J. v. d. Bij uit Anna Paulowna te 6.04 uur; C. Jongert uit Alkmaar. G. Postma uit Leeuwarden en v. d. Zwaag uit Leeuwarden te 6.05 uur; A. Adema uit Franeker en Sjoerd Westra uit Warmenhuizen om 6.09 uur.

Te IJlst wapperde de vlag van den toren. Ook hier was het buitengewoon druk aan de controle. Daarna ving de tocht over de meren aan in de richting van Sloten. In de knusse stadsherberg meldde D. van der Duim uit Warga zich om 1 minuut over 7 als eerste aan, onmiddellijk gevolgd door Van der Heide uit Leeuwarden en Keizer uit de Lier (Westland).

Steeds met den wind in den rug ging het via Balk naar Stavoren over het Slotermeer, de Fluessen en de Morra, door het wijde Friesche landschap, dat dik onder de sneeuw lag en waar alleen het bruine riet een aanduiding vormde, waar de meren gelegen waren en waar het land. En zoo bereikten de rijders het belangrijke keerpunt Stavoren, want hier moesten zij naar het Noorden.

In de Radboudstad had de baan waarlangs de rijders binnen kwamen, een vroolijk aanzien. De vlaggen waaiden wijd uit in den snerpenden wind. Vroeger dan men verwacht had, meldden zich hier de eerste rijders. Tot de eerstaankomenden behoorden te Stavoren: L. Geveke uit Leeuwarden. A. Adama uit Franeker, D. v. d. Duim uit Warga, Sjoerd Westra uit Warmenhuizen. Harm Friezema uit Harlingen en S. Dijkstra uit Cornjum, allen te 8 uur; C. Jongert uit Alkmaar en P. Keizer uit De Lier arriveerden te 8.02 uur.

Over het algemeen vond men het ijs van de merenstreek niet erg best. Velen van de rijders waren meermalen gevallen. Een jonge Hollander was tegen een ander opgereden, waardoor hij kwam te vallen en een diepe snijwonde boven het linkeroog opliep. Nochtans spoedde hij zich, na door een politieagent te zijn verbonden verder. Zijn bebloed gelaat trok in de gelagkamer onze aandacht.

Toen wij hem naar zijn val vroegen, lichtte hij den doek van het voorhoofd waarna wij hem den raad gaven zich opnieuw te laten verbinden, doch hij scheen zich den tijd daarvoor niet te gunnen. Na snel iets te hebben gedronken, spoedde hij zich heen en we zagen hem wegdringen door de eivolle zaal voor het volgend traject.

De gelagkamer te Stavoren gonsde als een bijenkorf. Onophoudelijk gingen de deuren open en stortte zich een aantal nerveuze rijders met de schaatsen nog ondergebonden in de zaal, luid vragend waar de controle was. Deze school voortdurend weg achter een haag van zich meldenden.

Ongetwijfeld was het voor de controle te Stavoren een moeilijk karwei al die popelende rijders direct te helpen. Een der meest geagiteerde figuren was A. de Vries van Dronrijp, de winnaar van den Elfstedentocht 1933. Te Sneek en IJlst was hij nog niet in de voorhoede, maar over de meren verbeterde hij zijn positie aanmerkelijk, zoodat hij zich direct achter de voorhoede bevond.

"Ik ben er wel 200 voorbijgereden", riep De Vries uit. Hij scheen bezeten van die ongewone geestdrift, die den mensch tot uiterste daden in staat stelt.
"Denk eens om dezen De Vries," zeide ons een andere rijder, "ik heb hem zien aankomen; het was geweldig."
Snel sloeg De Vries een glas limonade naar binnen en met vonkende oog en verdween hij door de deur.

Aardig was het tafereeltje van een vader, die zijn zoon te Stavoren opwachtte met een glas heete melk. Toen deze later kwam dan verwacht was, was de melk koud geworden en moest de vader andere consumptie laten aanrukken.
Menig rijder zag zich aan de controlestations verwelkomd door familieleden, hetgeen uiteraard een zeer goede tactiek genoemd moet worden.

Te Stavoren meldde zich een luitenant, die ernstig op het hoofd was gevallen. Door de persoonlijke tusschenkomst van den burgemeester van Stavoren werd de dokter opgebeld. Men vreesde n.l. voor een lichte hersenschudding. Gelukkig zagen wij later den luitenant weer bijkomen. Wij spraken hem nog even ...hij was van plan weer verder aan den tocht deel te nemen.

Van Stavoren af begon het spel eerst ernst te worden. Men kon het velen rijders aanzien, dat zij niet geheel en al zeker waren van hun succes in den namiddag.
Van Stavoren ging het naar Bolsward, over Hindeloopen en Workum. Het tempo werd nu heel wat minder snel dan in de vroege ochtenduren. Jongert, Westra en Adema arriveerden het eerst te Bolsward, op den voet gevolgd door, Van der Duim en Keizer, terwijl Geveke reeds tien minuten ten achter was geraakt.

 

Elfstedentocht-stemming te Hindeloopen.

 

Via Harlingen werd, vrijwel steeds tegen den wind in, Franeker bereikt en in dit stadje vierde Adema, inwoner van Franeker, een triumph, omdat hij zich als eerste aan de controle meldde.

Na Adema kwamen binnen: Van der Duim, Keizer, Jongert en Westra, voor wie allen eenzelfde tijd werd genoteerd als voor Adema. Een kwartier later kwam Dijkstra binnen met Van der Bij.

In Franeker begon het zwaarste gedeelte van den tocht door de Bildt-dorpen naar Dokkum, pal tegen den scherpen Noordoostenwind in en bovendien op slecht ijs.

 

De aankomst der eerste rijders in Dokkum.

 

Franeker in spannende afwachting op de voorsten.

 

Pas aangekomen deelnemers aan de controle te
Franeker.


Het moeilijke traject Harlingen-Franeker was het voorproefje van het enorme stuk naar Dokkum, welk traject geheel bij tegenwind moest gereden werden.
De controle te Dokkum verkeerde al vroeg in den morgen in spanning. Van twee tot drie uur werden de eerste rijders daar verwacht, maar het zou nog al wat later worden voor de eerste zich aldaar meldde.

De belangstelling bereikte een toppunt bij de finish te Leeuwarden aan den voet van de Oldenhove. Duizenden stonden daar aan weerszijden van de gracht en de politie had niet weinig moeite om de baan van de opdringende menigte vrij te houden.

Omstreeks vier uur in den namiddag werden de eersten te Leeuwarden verwacht. Tegen half vijf ging er eindelijk een loopend gerucht door de menigte en toen de eerste rijders zichtbaar werden, verbrak de menigte de afzetting der agenten en in weinige oogenblikken tijds werden de vijf eerst aankomende rijders omstuwd door een menigte van naar schatting twee duizend personen.

Aan de finish hadden wij direct opgemerkt, dat Adema van Franeker een der eersten was. Nauwelijks was een ploeg van vijf binnen of daar ontstond krakeel over de vraag, wie van hen het eerste de eindstreep was gepasseerd. Het waren: A. Adema van Franeker, C. Jongert van Alkmaar, P. Keizer van De Lier, D. van der Duim van Warga en S. Westra van Warmenhuizen.

 

De vijf Elfsteden-wedstrijdrijders, die het eerst aankwamen. Van links naar rechts: Adema (Franeker ), Westra (Warmenhuizen), Jongert (Alkmaar), v. d. Duim (Warga) en Keizer (De Lier).

 

Terwijl het dispuut nog in vollen gang was, werd het vijftal voor de microfoon gehaald, waarbij Adema reeds dadelijk het recht van den eerstaankomende voor zich opeischte. Doch toen mengde mr. Hepkema zich in de kwestie en zeide, dat de eerst aankomenden eerst maar eens mee moesten naar het paleis van den Commissaris.

 

Mr. M. E. HEPKEMA.

 

Aan het binnenkomen der rijders kwam natuurlijk voorloopig geen einde. Telkens arriveerden weer deelnemers. Sommigen waren uiterst vermoeid en moesten bijna ondersteund worden, anderen waren nog opgeruimd, maar toch waren de meesten zeer onder den indruk van den zeer zwaren tocht.

De eerste wedstrijdrijders waren te 16.36 te Leeuwarden aangekomen. Den heelen avond bleef het druk aan de finish. Telkens klonk er gejuich op den wal als bij het licht der lantaarns rijders uit de duisternis opdoken.

Omstreeks acht uur des avonds waren van de ruim drie duizend deelnemers nog slechts 75 gearriveerd. De groote stroom moest dus nog binnenkomen. Intusschen was de wind opgestoken; door het waaien stoven de banen onder de sneeuw, hetgeen velen rijders noodlottig werd. Hoe later en donkerder het werd, hoe minder het mogelijk werd geacht, dat de groote groep het eindpunt zou bereiken.

Op dat kritieke moment nam het Centraal Bestuur een kloek besluit: de Elfstedentocht werd voor beëindigd verklaard ten aanzien van die rijders, welke Dokkum nog niet hadden bereikt en zich onderweg bevonden op het traject Franeker-Barthlehiem-Dokkum. Voor deze rijders werd Franeker het eindpunt.

Zij die via Dokkum nog tot Bartlehiem waren doorgeworsteld, werden op de zuivelfabriek aldaar-waar de bekende Frico de Elfstedentochters op warme frico en stukjes kaas onthaalde - verder geholpen. De Frico-zuivelfabriek te Bartlehiem had namelijk van het Centraal Bestuur der Elfstedenvereeniging het verzoek gekregen, de controlekaarten der aangekomen rijders van een stempel te voorzien, terwijl de directie tevens alles in het werk stelde om de aangekomen rijders met taxi's naar Leeuwarden te laten brengen.

Het Centraal Bestuur reguireerde autobussen en zond deze naar Wier. Vrouwenparochie, Finkum enz., teneinde de rijders op te pikken.
Talloozen bevonden zich toen nog op de gladde ijzers en worstelden - in pikkedonker - tegen den bar-koud en Oostenwind op.

Van de ruim drie duizend rijders, die van start waren gegaan, bereikten slechts 152 per schaats het eindstation Leeuwarden, te weten 125 wedstrijdrijders, (onder wie, na de eerste groep Adema c.s., de rijders S. Dijkstra, Cornjum, A. de Vries, Giethoorn. L. Geveke, Leeuwarden en J. v. d. Bij te Anna Paulowna) en 27 tochtrijders (onder wie H. J. Kooistra, Jelle H. Kooistra - vader en zoon - en Sjoerdje Faber, alle drie van Warga).

 

Sjoerdje Faber. (Warga, 6 mei 1915 – Oldeboorn, 29 oktober 1998) was een Nederlands langeafstandsschaatsster. In de Elfstedentocht van 1940 was ze de enige vrouw die de finish wist te bereiken.

 

Deze 152 rijders verwierven het eerekruis van de Elfstedenvereeniging; het vijftal winners kreeg de groote gouden medaille, de tweede groep (Dijkstra c.s.) ontving de kleine gouden medaille.

Verder werd geschat, dat ongeveer 1500 van de overige deelnemers, in aanmerking kwamen voor een onderscheiding, en dat ongeveer 200 de Elfstedenmedaille zouden verwerven.

Het valt licht te begrijpen, dat het Centraal Bestuur bij het bepalen van wie wel en wie niet aanspraak op een onderscheiding kon maken, voor een zeer moeilijke en delicate zaak stond. Er werd besloten, dat aan hen, die Franeker bereikten, doch niet tijdig in Wier waren aangekomen, niet het eerekruis, maar de Elfstedenmedaille zou worden uitgereikt.

Voorts werd besloten, dat iedere prestatie in onderdeelen geboekstaafd zou worden ten dienste van het archief der vereeniging. De conseguentie van dit besluit was, dat het Centraal Bestuur een omvangrijk en tijdroovend onderzoek instelde naar de prestatie van iederen rijder, die te Franeker zijn kaart had laten afteekenen.

Aan de velen, die Franeker hadden bereikt, werden kaarten gezonden met het verzoek de plaats in te vullen, waar zij den tocht beëindigd hadden. Daarover verliepen maanden en toen was het resultaat der enguête nog gering.

Want de meeste rijders - vooral die in Holland hun domicilie hadden - waren uiteraard zeer slecht bekend in Friesland, en zij hadden in de gegeven omstandigheden ook niet gevraagd waar zij ongeveer van het ijs waren gegaan.
Is het te verwonderen, dat er een hoop onjuiste en twijfelachtige antwoorden binnenkwamen?

Natuurlijk moest ook rekening worden gehouden met de menschelijke hebbelijkheid om eigen prestatie zoo voordeelig mogelijk af te ronden en diensvolgens een minder juiste opgave te doen.
Eindelijk - 't was intusschen Maart 1940 geworden - kon deze enguête worden gesloten. Terwijl het Centraal Bestuur aan de afdoening van het geval werkte, doemde het gerucht op, dat enkele deelnemers zich over een gedeelte van het traject per taxi hadden laten vervoeren.

Men stond toen voor het geval, dat de onderscheiding in handen zou kunnen komen van elfstedentochtrijders, die gedurende den tocht van een onsportieve gezindheid hadden blijk gegeven.

Toen besloot het Centraal Bestuur tot het instellen van een tweede enguête.
Deze arbeid van voortgezette controle en recherche was bijna afgeloopen, toen de oorlog uitbrak en het werk noodgedwongen een paar maanden moest blijven liggen. Daarna heeft men in den zomer van 1940 de dossiers opnieuw ter hand genomen, maar ook nu ging er met de afwerking zooveel tijd heen, dat eerst aan den vooravond van den laatsten Elfstedentocht (6 Febr. 1941) de uitkomst van het onderzoek kon worden bekend gemaakt.

Op 5 Febr. 1941 werd de volgende globale uitslag van den Elfstedentocht 1940 bekend gemaakt:

125 deelnemers hebben den wedstrijd uitgereden.
27 tochtrijders bereikten de finish te Leeuwarden.
10 deelnemers bereikten, via Dokkum, de zuivelfabriek te Bartlehiem.
80 deelnemers beëindigden den tocht in Dokkum.
160 deelnemers strandden op de route Franeker-Dokkum in de gastvrije zuivelfabriek te Bartlehiem.

650 deelnemers, komende van Franeker, bleven wegens de sneeuwjacht steken in Vrouwbuurtstermolen-De Zuidhoek en naaste omgeving.
175 deelnemers bereikten Wier; een aantal hunner arriveerde aldaar omstreeks middernacht.
175 deelnemers strandden te Franeker.

(Hierbij was aangeteekend: "De laatste groep zal de Elfstedenmedaille ontvangen, terwijl aan de eersten het Elfstedenkruis is toegekend. Zij, die thans weer meerijden, kunnen deze eereblijken in de Harmonie persoonlijk in ontvangst nemen; aan de overigen zal het eereteeken zoo spoedig mogelijk worden toegezonden").

Tenslotte nemen we de gereden tijden van de eerste twintig aangekoomenen, die met de (acht) prijzen gingen strijken, hieronder op.

 

 

Elfstedenrijders in actie, ergens in Friesland.

 

Tocht 1940 - Kleine gebeurtenissen onderweg...

 

Samenvatting van verslagen.

1940

30 januari 1940.
Strenge vorst. Snijdende oostenwind. 's Middags sneeuwjacht.
Zwaar ijs.
688 wedstrijdrijders aan de start, 40 geklasseerd.
2.746 toerrijders, 27 volbracht.
Winnaar: Auke Adema uit Franeker, Dirk van der Duim uit Warga, Cor Jongert uit Maarssen, Piet Keyzer uit De Lier en Sjouke Westra uit Warmenhuizen

 

 

PACT VAN DOKKUM BRENGT VERWARRING.

 

De Elfstedentocht van 30 januari 1940 werd afgesloten met het zogenaamde Pact van Dokkum. In deze Friese stad spraken koplopers Auke Adema, Dirk van der Duim, Cor Jongert, Piet Keijzer en Sjouke Westra met elkaar af om gezamenlijk de finish in Leeuwarden te passeren. Desondanks eindigde de wedstrijdrace in chaos en moest de politie zelfs ingrijpen, omdat het ijs dreigde te bezwijken onder de massaal toegestroomde toeschouwers.

Sjouke Westra won de zesde Elfstedentocht op 30 januari 1940. Deze overwinning moest hij delen met Auke Adema, Dirk van der Duim, Cor Jongert en Piet Keyzer, omdat ze met zijn vijven tegelijk over de streep kwamen. De vijf schaatsers hadden in Dokkum afgesproken samen te zullen finishen, een afspraak die later bekend bleef als het Pact van Dokkum.

Later werd de mogelijkheid om de winst van de Elfstedentocht te delen met medeschaatsers verboden. Dit heeft eenmaal geresulteerd in een tocht zonder winst. Op 14 februari 1956 gingen wederom vijf schaatsers gebroederlijk over de streep. Ze werden later uit de uitslag geschrapt, hoewel er geen nieuwe winnaar werd aangewezen.

De belangstelling voor de marathon neemt snel toe. Voor de tocht van 1940 loopt het aantal deelnemers voor de eerste maal in de duizenden: er zijn nu 2716 tochtrijders en 688 wedstrijdrijders.

Gruwelijke weersomstandigheden met onder meer een felle vorst en snerpende sneeuwjachten slaan enorme gaten in het deelnemersveld en alleen de sterkste blijven overeind en kunnen schaatsend de finish bereiken: alle anderen komen gemotoriseerd in Leeuwarden terug.

De ongekende verschrikkingen brengen de koplopers in de wedstrijd tot het sluiten van 'het pact van Dokkum'. Op handslag beloven zij elkaar gezamenlijk over de eindstreep te zullen gaan.

Tot de stadsgracht in Leeuwarden blijven de vijf sterkste de crack Cor Jongert, Piet Keijzer, Sjouke Westra, Auke Adema en Dirk van der Duim broederlijk bij elkaar. Maar dan, terwijl het gejuich van het publiek aan de voet van de oude Oldehove aanzwelt, gaat Adema er plotseling vandoor en spatten de vijf toch nog uiteen. Er ontstaat een chaotische eindspurt die Piet Keijzer wint.

Veel geharrewar en veel gepraat na dit verrassende slot. Het Elfsteden bestuur tenslotte zegt de gemaakte afspraak als bindend te beschouwen. Alle rijders zijn dus winnaar en allen krijgen de grote gouden medaille van de eerste prijs. Eveneens goud is er voor Prins Bernhard maar dan als toeschouwer.

Neen, dan Abe de Vries, Jan van der Bij, Sikke Dijkstra en Lo Geveke. Deze tweede groep van vier doet wat de eerste verzuimde en komt broederlijk naast elkander over de streep.

Strenge vorst en veel sneeuw op het ijs. Dat waren de ingrediënten voor een zware tocht die uiteindelijk vijf winnaars kent: A. Adema uit Franeker, D. v.d. Duim uit Warga, C. Jongert uit Maarssen, P. Keizer uit De Lier en S. Westra uit Warmenhuizen. Omdat de sneeuwhopen langs de route het inhalen een moeilijke en hachelijke zaak maken, spreken de vijf koplopers in een café in Dokkum af dat zij gezamenlijk zullen finishen. Dit ‘Pact van Dokkum’, zoals het later werd bestempeld, wordt ondanks een onverwachte sprint van Adema in ere gehouden en inderdaad kent dit jaar vijf winnaars, die de tocht reden in 11 uur en 30 minuten.

"HOOGHEID, HET WERD MIJ TE MACHTIG."

Leeuwarden, 30 Jan. _ Onmiddellijk nadat de vijf eerstaankomenden van den Elfstedentocht de finish hadden gepasseerd, heeft Z.K.H. Prins Bernard het vijftal bij zich doen ontbieden op het prinsenhof, de woning van den commissaris der Koningin.  De prins complimenteerde de vijf rijders met de verrichte prestatie en vroeg daarna met veel belangstelling, of zij wel eens meer prijzen hadden gewonnen. Jongert antwoordde op deze vraag. Hij vertelde o.a., dat hij reeds driemaal den Elfstedentocht heeft volbracht. -En wie van jullie heeft vandaag nu eigenlijk gewonnen?, informeerde de prins glimlachend.

Het was Adema, die daarop direct het woord nam. -Hoogheid, zoo zeide hij, wij hadden in Dokkum afgesproken naast elkaar door de finish te gaan, maar kort voor de finish werd het mij te machtig. Toen ben ik gaan spurten....

De prins lachte eens en het korte onderhoud was hiermede beëindigd. Wij vernamen nog, dat, tijdens het bezoek van Z. K. H. prins Bernard, het bestuur van de Elfstedenvereeniging Zijne Koninklijke hoogheid een gouden kruis heeft aangeboden.

Vijf van het Pact van Dokkum op bezoek bij Prins Bernhard.

 

Het plaatsje De Lier,  loopt uit voor Piet Keyzer. Toen Piet zijn vader om toestemming vroeg om mee te doen, sprak zijn vader de woorden "Ik vind het wel goed, maar denk erom, Ik heb liever dat mensen je zien staan dan liggen." Ook hadden zijn zorgzame ouders hem bij zijn vertrek op het hart gedrukt om genoeg brood voor onderweg mee te nemen, maar Piet's antwoord was "Ik heb altijd gehoord, dat de Friezen alleen een stuk worst meenemen en dat doe ik ook".

 

Op maandag 21 juli 2008 overleed Keyzer thuis in Leersum op 89-jarige leeftijd.

 

Later werd de mogelijkheid om de winst van de Elfstedentocht te delen met medeschaatsers verboden. Dit heeft eenmaal geresulteerd in een tocht zonder winst. Op 14 februari 1956 gingen wederom vijf schaatsers gebroederlijk over de streep. Ze werden later uit de uitslag geschrapt, hoewel er geen nieuwe winnaar werd aangewezen. Filmbeelden toonden in 2007 aan dat Keyzer toch als eerste over de finish was gekomen. Piet Keyzer won de Elfstedentocht op 21 jarige leeftijd, daarmee is hij altijd nog de jongste winnaar ooit.

Keyzer was in 1941 Nederlands Kampioen op de 5000 meter en Nederlands Kampioen All Round in 1946. In 1943 reed hij een Nederlands record op de 3000 meter.

Alhoewel de rijders niet tegelijkertijd over de eindstreep kwamen, staan ze nu nog in de boeken als gezamenlijke winnaar.

Keijzer heeft in al die jaren hierna volgehouden dat hij als eerste over de finish is gekomen en daarom dus als enige winnaar van die tocht moet worden onthouden. Tijdens 'De Avond van de Elfstedentocht' in 2007 werd er een film getoond waarin zijn gelijk werd bevestigd. Daarop is duidelijk te zien dat Keijzer als eerste over de eindstreep kwam en dus de enige winnaar is van de Elfstedentocht van 1940.

Toenmalig voorzitter Henk Kroes van de Elfsteden-vereniging wilde hieraan zijn vingers niet meer branden, mede omdat de andere vier schaatsers al waren overleden. Uiteindelijk is er afgesproken om de vijf winnaars niet meer in alfabetische volgorde te noemen, maar in volgorde van binnenkomst. En zo wordt Keijzer dus altijd als eerste genoemd als het om de tocht van 1940 gaat.

De schaatser heeft trouwens nog iets anders op zijn naam staan: omdat hij in pas 21 jaar oud was, was hij toen de jongste winnaar ooit van een Elfstedentocht. En daarna is er nooit meer een jongere winnaar geweest.

In 1946 schreef Keijzer meer schaatsgeschiedenis als Nederlands kampioen allround schaatsen. Hij werd daarmee de tweede Elfsteden-winnaar die dit presteerde. Alleen Coen de Koning (de winnaar van 1912 en 1917) had dat eerder al gedaan.

 

De Elfsteden-rijders worden de groote zaal van de 'Koornbeurs' binnengeleid.

 

Auke Adema die de tocht won in 1940, overreikt zijn schaatsen die op 30 januari braken bij Kimswerd aan burgemeester Kruif, voor het schaatsmuseum.

 

De overhandiging van de medaille.

 

Auke Adema.

Elfstedentocht (1940)

 

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1941.

(Eerste: A. Adema, in 9 uur en 19 minuten).

Wie had gedroomd dat een goed jaar later weer een Elfstedentocht gereden kon worden? Men kan niet zeggen, dat de Friezen reikhalzend naar dit ijsfestijn uitzagen. Eerstens was daar de brandstoffennood, zoodat het voor ieder een gebiedende eisch was zuinig met z'n krap toegemeten kolenvoorraad om te gaan.

Zulks is fnuikend voor een goede winterstemming en doodelijk voor de Elfstedentocht-sfeer, die eerst goed gedijt, wanneer het kwik van den thermometer-voortdurend onder het nulpunt zakt en zoo tusschen de tien en vijftien graden blijft schommelen.

Tweedens was daar het feit, dat de definitieve uitslag van den vorigen Elfstedentocht nog nooit bekend was geworden.
Wij hebben al uiteengezet met welke moeilijkheden het Centraal Bestuur had te tobben. Dientengevolge zaten de aangekomen rijders van 1940 een jaar later nog steeds op hun onderscheiding te wachten!

Toen het ijs in Januari flink sterk was, kon men weer de vraag hooren: wanneer
wordt de Elfstedentocht gereden? Er werd druk geschaatst in Friesland!
Sneek en Langweer zetten in met een Elfmeren-schaatstocht, die een groot aantal deelnemers trok.

Er kwamen sterritten en zestiendorpentochten. Maar de Elfstedentocht kam niet. De juiste stemming scheen niet vaardig te willen worden over de geesten, die in den tijd wanneer Thialf de Natuur in zijn sterkste boeien gekneld houdt, in hooge mate actief worden en het sein plegen te geven tot voortzetting van de schoonste ijstraditie in het land.

Op den eersten Februari 1941 deed er zich in Friesland een opmerkelijk feit voor. Het leek uit de verte iets op een overrompeling ..... , Een viertal Hollanders, te weten de heeren K. L. Kamp, S. S. de Koe, M. J. W. Werker, studenten aan de Techinische Hoogeschool te Delft, en mr. J. Berlage, advocaat te Den Haag, was des Vrijdags naar Leeuwarden gekomen voor het rijden van den.. Elfstedentocht. Zij wilden gevieren den tocht rijden en gaarne gebruik makenvan de controle-stations in de elf steden.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Ze vertrokken Zaterdagmorgen 1 Februari te 5.45 uit Leeuwarden en liepen daar 's avonds te 20.50 binnen. Onderweg namen zij nu en dan rust, zoodat hun gereden tijd ongeveer 12 uur en 30 minuten heeft bedragen.

Na terugkomst in Leeuwarden hadden de vier heeren een onderhoud met den voorzitter van de Elfstedenvereeniging, mr. Hepkema, wien zij uiteraard het laatste betrouwbare nieuws over den toestand van het ijs op de verschillende trajecten konden verschaffen. In den kring van het Centraal Bestuur rijpte toen het idee, dat de dag voor het houden van den Elfstedentocht nu spoedig komende was.

De Zondag bracht nog een tweetal op de been voor het rijden van een individueelen Elfstedentocht, namelijk de heeren Breen uit Zwolle en mr. A. G. A. Ridder van Rappard uit Olst, van wie de eerste al bij het begin opgaf, met het oog op de des nachts gevallen sneeuw, die geen prettigen tocht voorspelde. De heer Van Rappard toog echter op weg, in gezelschap van den baaninspecteur van den Frieschen IJsbond, Seinstra.

Het tweetal overwon niet dan met zware inspanning de vele moeilijkheden op driekwart gedeelte van het lange traject.
Te Sloten begon het echter in die mate te sneeuwen, dat zij besloten den tocht op te geven. Al werd het dan ook geen Elfstedentocht, het feit dient hier toch te worden gereleveerd.

Op Woensdag 5 Februari waagde zich opnieuw een viertal aan den Elfstedentocht, te weten de heeren N. Ankersmit van Deventer, kapitein Engelbrecht van Zeist, J. J. de Jong uit Eindhoven en baaninspecteur T. Seinstra, welke laatste ook reeds des Zondags een groot stuk van het lange traject had gereden.

De heer Ankersmit had reeds eerder getracht den Elfstedentocht te rijden, namelijk in gezelschap van zijn vrouw, doch moest toen te Hindeloopen opgeven. Ditmaal was hij sterk van plan den tocht te volbrengen en had daarom zijn echtgenoote - naar hij verklaarde - thuis gelaten om niet halverwege gedwongen te worden, wegens vermoeidheid van den partner den tocht te moeten opgeven!

Voor een dergelijke sportieve gezindheid, die met alle factoren welke het succes in den weg kunnen staan principieel afrekent, kan men slechts respect hebben. Ditmaal mocht de heer Ankersmit de voldoening smaken van een ronden Elfstedentocht - vijf uur 's ochtends te Leeuwarden op stap, twintig minuten vóór negen 's avonds aldaar terug - te hebben gereden. Hij deelde dat genoegen met Seinstra, die tegelijk met hem te Leeuwarden arriveerde. Ook de heeren Engelbrecht en De Jong reden den tocht geheel uit.

De nieuwe week ving aan met het initiatief van het Centraal Bestuur tot het houden van individueele Elfstedentochten, tegelijk met de bekendmaking, dat, indien mogelijk, de Elfstedentocht op Donderdag 6 Febr. gereden zou worden.
Reeds den volgenden dag kwam het groote bericht door; overal in den lande draaide het op de persen en kwam op de voorste pagina van de groote dagbladen te staan. In enkele uren tijds wist heel Nederland. dat de groote tocht gereden zou worden op Donderdag 6 Februari!

Het lang verwachte nieuws van dien Dinsdag zag er als volgt uit. 

"Men heeft bepaal, dat de groep wedstrijdrijders en de groep deelnemers aan den tocht streng gescheiden zullen blijven. Het zal dus aan wedstrijdrijders niet geoorloofd zijn tijdens hun rit van den wedstrijd af te zien en verder aan den tocht deel te nemen. Wie tijdens den rit als wedstrijdrijder niet blijkt mee te kunnen, zal dus moeten afvallen.

Vanaf heden is de gelegenheid tot inschrijving, hetzij voor den wedstrijd, hetzij voor den tocht, opengesteld. Telefonische opgaven moeten geschieden bij den voorzitter van het Centraal Bestuur. mr. M. E. Hepkema, Willemskade 12 te Leeuwarden, telefoon 4285, terwijl persoonlijke inschrijvingen worden aangenomen in het hotel "Spoorzicht" aan het Zuiderplein.

 

Hotel "Spoorzicht" aan het Zuiderplein, te Leeuwarden.


Het inleggeld is gebracht op f 3.- en moet tegelijk met de inschrijving worden overgemaakt. De termijn voor deze inschrijving sluit Woensdagavond om 4 uur. Wie na 4 uur komt, wordt ingeschreven voor de afdeeling der z.g. nagekomen rijders; dezen moeten f 4.- inleggeld betalen en mogen niet eerder vertrekken dan een half uur na de ingeschreven tochtrijders.

De starttijden. De afrit der deelnemers is als volgt vastgesteld: Kwart voor zes: start voor de wedstrijdrijders; kwart over zes: start voor de tochtrijders; kwart voor zeven: start voor de nagekomen rijders.
Evenals bij vorige tochten worden weer dezelfde prijzen beschikbaar gesteld, n.l. een groote gouden, een kleine gouden, een groote verguld zilveren, een kleine verguld zilveren medaille en twee zilveren medailles.

Ditmaal worden niet meer medailles beschikbaar gesteld. Bij gelijke aankomst van verscheidene rijders zal n.l. het lot beslissen over de rangorde.
Dezen keer wordt dus slechts één rijder als eerstaankomende aangemerkt.
Het huisvestings-probleem, Daar, behoudens onvoorziene omstandigheden, deze tocht in ieder geval a.s. Donderdag zal worden gehouden, doen de rijders, die hieraan willen deelnemen goed, zich zoo spoedig mogelijk te laten inschrijven en maatregelen te treffen om zich te verzekeren van een onderdak. Het is immers bekend, dat de huisvesting een probleem op zichzelf is. De ruimte hiervoor is slechts zeer beperkt, terwijl men voor een
belangrijk deel aangewezen zal zijn op de huisvesting bij particulieren.

Het Centraal Bestuur laat weten, dat het zich thans niet kan inlaten met deze huisvestingsproblemen, zoodat ieder voor zich de noodige stappen tijdig zal dienen te nemen om te voorkomen, dat hij uiteindelijk van het deelnemen aan dezen tocht zal moeten afzien, wijl hij in den nacht vóór den start en na afloop van den tocht geen slaapgelegenheid heeft kunnen vinden.

Het Centraal Bestuur heeft telefonisch de medewerking van de burgemeesters der onderscheidene gemeenten ingeroepen voor de beveiliging van de ijswegen. Deze medewerking werd spontaan toegezegd.
Niet slechts zullen de burgemeesters de wakken doen afzetten, doch ook de sneeuw, welke in de laatste dagen in Friesland vrij sterk is gevallen en die voor de rijders een ernstige handicap kan beteekenen, zal vandaag zooveel mogelijk van de banen verwijderd worden.

In verscheiden gemeenten hebben personen uit onderscheidene kringen der bevolking den burgemeesters spontaan hiervoor hun medewerking aangeboden, hetgeen de populariteit van den Elfstedentocht voldoende illustreert.
In verband met het feit, dat in korten tijd een ontzaglijke administratie moet worden verwerkt, heeft het Centraal Bestuur een beroep gedaan op het personeel van verschillende bankinstellingen, om zich als administratie-staf beschikbaar te stellen.

Allen hebben aan dezen oproep, met welwillende medewerking van hun directies, gaarne gevolg gegeven en deze staf, die in Kingma's bank zijn tenten heeft opgeslagen, zal van heden af tot het moment van den start onafgebroken in touw zijn. Het beroep van den burgemeester, jhr. mr. J. M. van Beijma, op de burgerij, om door het bevorderen van een vrijwillige inkwartiering van deelnemers bij particulieren, het moeilijke vraagstuk van de huisvesting zooveel mogelijk op te lossen, heeft niet nagelaten resultaten op te werpen.

Ondanks distributiemoeilijkheden hebben vele huisgezinnen door bemiddeling van het informatiebureau van V.V.V., gedurende vandaag en morgen een plaatsje in hun woning opengesteld en daardoor niet slechts de reputatie van de Friesche gastvrijheid hoog gehouden, doch bovendien reeds bij voorbaat een belangrijk aandeel in het welslagen van den tocht geleverd."

Met zulk nieuws werden overal in den lande de sportieve geesten gewekt, met het gevolg, dat vele honderden naar de telefoon grepen en snel preparatieven troffen voor de reis naar het Noorden.
En in den loop van Woensdag 5 Februari nam de bevolking van Leeuwarden met drie duizend zielen toe. De Elfstedentocht-sfeer had opeens iedereen te pakken!

 

De strijd om startkaarten aan den vooravond. 'Mr. Hepkema (met hoed o. d. achtergrond) maant de opdringende rijders tot kalmte.

 

De tocht.

Een volmaakte winterdag was aan den Elfstedentochtdag vooraf gegaan: ieder zei: "Als het morgen zulk weer is, dan boffen we reusachtig!" - of iets dergelijks.

Het vroor in den stijl van de laatste weken. Het kwik bleef dien nacht een ietsje onder de tien graden zitten. Wel stond er een eenigszins "ruischende" Zuidoostenwind. maar dat was voor de rijders misschien zoo kwaad nog niet eens. De "polonaise" naar Dokkum zou zich althans bij een vrij gunstigen wind afspelen. Het traject werd al moeilijk genoeg; lief van meneer den wind, om de pret niet direct te gaan bederven.

En zoo stonden 's morgens half vijf ongeveer drie duizend mannen (waaronder natuurlijk ook een aantal sportieve vrouwen) op hun slaapdronken beenen om aan iets te beginnen, waarvan het meerendeel niet het juiste begrip zal hebben gehad. Het café met den idyllisch en naam "De Groene Weide" werd als een vesting bestormd en genomen, waarbij de stalen wapens in den vorm van Noren en Friesche doorloopers somtijds klonken als bij een echten stormaanval.

Op het tijdstip van kwart voor zes scheen "De Groene Weide" te zullen barsten: daar wrongen zich de honderden door de garagedeuren en stoven naar het ijs van den Singel, waar lange rijen banken gereed stonden. De menschen met Friesche schaatsen hadden hier al dadelijk een voorsprong boven de rijders met Noren; het ingewikkelde veterwerk dat de rijder op Noren bij het aanbinden te verzorgen heeft eischt tijd. De man met Friesche schaatsen staat in een tel of twintig op zijn "redens". Terwijl zijn collega "met de Noren" nog worstelt om klaar te komen zet hij zich al af en rijdt heen.

 

De start van de wedstrijdrijders om kwart voor zes in den morgen.

 

Een minuut na den start uit de Groene Weide stoof de eerste al heen, direct door anderen gevolgd. Overal scheen het flauwe schijnsel der zaklantaarns, met behulp waarvan de rijders zich een weg door de duisternis baanden. Als glimwormen gleden ze heen over het ijs van de slingerende stadsgracht, waar boven het silhouet van den Oldehove machtig uitrees. Toen hij zijn zes slagen dreunen liet, was er al weer stilte: het leger was vertrokken!

Om kwart over zes vond er in de Harmonie een ware exodus plaats: honderden spoedden zich naar de plaats van starten en toen snelde ook deze schare van lieverlede door het duister heen.

 

De enorme drukte in de Harmonie bij het afhalen der kaarten.
De politie treedt in het gedrang regelend op.

 

De strijd was aangevangen! De Friesche marathon-loop over een afstand van 199.4 k.m. had een begin. De bijna drie duizend rijders zouden worstelen met de volgende trajecten:

 

 

Leeuwarden-Dokkum.

De polonaise!

Bijna drie duizend rijders hebben dien ijzigen wintermorgen ervaren, wat dat inleidend traject naar Dokkum voor den Elfsteden-rijder beteekent, Het was een vallen en opstaan. Of zooals iemand het naderhand zoo juist uitdrukte: "Voor je valt, lig je al." Hoeveel valpartijen de oude Ee dien ochtend heeft beleefd, is moeilijk te schatten.

Maar de meeste rijders zijn hier vaker dan eenmaal horizontaal gegaan! Het vallen bracht uiteraard komische tafereelen met zich mee, maar óók zijn talrijke rijders bij die valpartijen leelijk terecht gekomen. Op de volgende stations kon men zien, hoeveel rijders met verbonden gezichten en gezwachtelde vingers er waren. Dat had die polonaise naar Dokkum gedaan!

Een lange, lange rij van schaatsers gleed over het ijs voort in de richting Dokkum. Daar was een kleine groep aan de spits. Maar wie? Dat zou men in Dokkum kunnen vernemen. Hier reeds nam Adema van Franeker de leiding.

Terwijl bekende, snelle rijders uitvielen - Jelle Kooistra van Warga, moest tengevolge van een leelijken val afbinden, H. Dijkstra van Leeuwarden brak bij een val een been - bereikte de kopploeg, bestaande uit Adema, Woudstra van Oudkerk van L. Geveke van Leeuwarden, resp. om 7.35, 7.36 en 7.37 Dokkum. De kopgroep had de 23.5 k.m. in vijftig minuten gereden!

In het donker snelde men voort, terug naar Bartlehiem. De moeilijkheden werden nog vergroot, doordat men nu inreed op de lange file rijders uit Leeuwarden, waarvan velen met brandende zaklantaarns zwaaiden, tengevolge waarvan de tegenliggers werden verblind. Af en toe hoorde men den roep: "Doe je licht uitl" Botsingen bleven niet uit.

Hier kwam o.a. de bekende rijder C. Jongert, die zich op de laatste drie elfstedentochten een vooraanstaande plaats wist te veroveren, zoodanig te vallen, dat voortzetten van den tocht hem sterk werd afgeraden. Toch beet Jongert door. Te Franeker eerst heeft hij den tocht op medisch advies moeten opgeven. Direct reisde hij naar Leenwarden, om zich onder geneeskundige behandeling te stellen. Ook Geveke kwam te vallen, waardoor Adema een voorsprong kreeg.

Te kwart over zeven passeerde Adema, Bartlehiem voor de tweede maal. Daar boog de weg windafwaarts. Nog altijd heerschte de duisternis. Bosman uit Breukelen liep ongeveer een minuut achter Adema aan, maar aan inhalen was niet te denken. Ook Bosman had een beroerden val gemaakt. Zoo arriveerde Adema als eerste om 8.41 te Franeker, de plaats zijner inwoning, op de hielen gevolgd door Bosman. Te 8.46 kwam J. van der Bij uit Anna Paulowna, aldaar aan. Kort na hem arriveerde een groep van zes rijders, onder wie Geveke van Leeuwarden en Jongert van Ilpendam.

Eindelijk maakte het duister plaats voor een vage schemering. Adema - in zijn woonplaats luide verwelkomd - bevond zich al weer op weg naar Harlingen, terwijl Franeker ook de volgende rijders met lustige muziek verwelkomde.
De koprijders Adema en Bosman - hoewel niet in elkaars nabijheid rijdend - reden wat zij konden. Deze twee hadden in ieder geval een mooien voorsprong op hun achtervolgers. De 68.3 k.m. hadden zij afgelegd met een gemiddelde snelheid van 22 k.m. per uur - in de duisternis!

Van rusten wilde Adema noch Bosman weten. Zij liepen om 9.11 en 9.12 te Harlingen binnen, lieten afteekenen en snelden oogenblikkelijk weer voort.
Op het traject naar Bolsward kreeg Adema zijn eerste malheur: hij brak een hakleer! Hij gaf zich evenwel niet den tijd om zijn reserveschaatsen onder te binden, doch schaatste door naar Bolsward, waar hij en Bosman te 10.25 lieten afteekenen Te 10.34 kwam de tweede ploeg, bestaande uit de rijders Van der Bij, F. de Groot (Weidum) en A. de Vries (Franeker) aldaar aan.

 

Wedstrijdrijders "nemen" een brug.

 

Adema en Bosman rijden Bolsward binnen.

 

Nu was ongeveer de helft van den tocht afgelegd. Adema en Bosman hadden te Bolsward reeds 98.6 k.m. achter den rug, welken afstand zij in 4 uur en 40 minuten hadden afgelegd! Als zesde arriveerde L. Geveke te Bolsward (tijd 10.35), als zevende De Boer van Warga (tijd 10.36).

Tot Workum bleef de kopploeg onbedreigd. Ook daar liepen Adema en Bosman gezamenlijk als eersten binnen en wel te 11.05. Hier namen zij wat rust en versterkten den inwendigen mensch. Hoe werden zij daar echter overvallen!

Terwijl zij zich onbedreigd waanden, kwam een groep rijders zich op den controlepost melden. Adema en Bosman, terdege verrast, maakten met hun maaltijd korte metten, maar zij waren niet zoo gauw, of de achtervolgers - het vijftal Geveke, De Boer, A. de Vries, Van der Bij en D. de Groot (Oldeboorn ) - waren al een stuk vooruit gesneld.

 

Tochtrijders passeeren Tjerkwerd (Traject Bolsward-Workum).

 

Adema bereikt als eerste Workum en gaat maar eerst een worstje eten.

 

Onmiddellijk begonnen Adema en Bosman een spurt om den achterstand van een 300 meter in te halen.
Op dit traject van 9 k.m. - met in de verte wenkend de hooge Westertoren van Hindeloopen - liep het tweetal verrasten de kopgroep van vijf in. Het was een stoere tocht, met den wind tegen, terwijl een nieuwe tegenslag, in den vorm van een sneeuwjacht uit het Zuidoosten, de kranige rijders dwarsboomde.

Tegen half twaalf ontstond er onder de wachtende Hindeloopers bij den pitteresken "Aestertoer" beweging, want in de verte zag men de eerste rijders met den wind in den rug op het stadje instuiven. De heeren van de controle werden (voor het afteekenen van de eerste groep) naar het ijs geroepen: Daar liep te 11.33 het volgende zestal binnen: Adema, De Vries, Geveke, Bosman. Van der Bij en De Boer. De Hindeloopers hadden nauwelijks den tijd de rijders op te nemen en de fotografen stonden teleurgesteld op de brug te kijken, zóó vlug waren de rijders al weer verdwenen.

Met een geweldige spurt reden ze door het stadje en bogen links af in de richting Stavoren. De ijskoude wind blies hun in den neus en de sneeuwjacht belemmerde het zicht. Het was ons, toen we deze groep nastaarden, duidelijk, dat het een zware tocht naar Stavoren zou worden.

Een poosje later, om 11.41, teekende een eenzame rijder te Hindeloopen af. Het was de bekende winner van 1933, A. de Vries van Dronrijp (later te Giethoorn woonachtig). Met een stevigen streek stak ook hij buiten het stadje z'n neus in den sneeuwstorm, alleen in de witte eenzaamheid, maar kennelijk bezield door een wil en een drift, die rijders van zijn slag aanzetten tot top-prestaties,

Terwijl we nu de kopploeg even laten rijden, zullen we eenige aandacht besteden aan hetgeen er verder te Hindeloopen te zien en te beleven was. We maken dan straks ook kennis met de tochtrijders en de race tusschen twee meisjes-deelneemsters, mej. Wobkje Kooistra en mej. Sjoerdje Faber, beiden van Warga.

Het inconvénient te Hindeloopen betrof de volgende aangelegenheid: de rijders konden niet per schaats de controle bereiken, en om te "klunen" was daar eigenlijk ook onbegonnen werk. Om die reden maakten enkele Hindeloopers zich verdienstelijk door aan de rijders hun rug als middel van transport aan te bieden, waarvan door de rijders een dankbaar gebruik werd gemaakt.
Zoo zag men menig rijder op den rug van een stoeren Hindelooper visscherman in de richting van de controle verdwijnen.

Dit goede voorbeeld prikkelde weer anderen en toen er gansche gezelschappen rijders arriveerden, waren er tenslotte geen gedienstigen genoeg, redenen waarom allerlei vehikels werden voorgereden, die de rijders dan op uitnoodiging bestegen. De lieve jeugd van het stadje vond in dat noodkarwei zoó'n voldoening, dat tenslotte de opgestegen rijders omstuwd werden door een tien of vijftiental jongeren, die het karretje met den zwaren last trokken en duwden, van en naar den controlepost.

 

Bovenste afdruk: Om 11.33 te Hindeloopen! het moment van aankomst van het eerste zes-tal wedstrijdrijders, bij den "Aestertoer"

Middelste afdruk: Elfstedentocht - service te Hindeloopen. Een wedstrijdrijder wordt per kar naar den controlepost gereden.

Onderste afdruk: Te Hindeloopen, werden de rijders met-Noren, door gedienstige inwoners nar de controle gedragen.


Om 12.44 arriveerden te Hindeloopen de eerste tochtrijders. n.l. de heeren K. Semplonius, W. Wind en T. Boersma, allen van Tjerkgaast. Te 1.10 was er nieuwe vreugde in het stadje, toen de stadgenoot L. Smid zich aanmeldde.
Even later, te 1.14, stoof een aantal rijders met twee meisjes in hun midden de jachtweide binnen. Wij herkenden in één hunner den rijder van vorige tochten, den heer H. J. Kooistra van Warga, met zijn dochter Wobkje, en Sjoerdje Faber van Warga (de eerst-aangekomen dame van den Elfstedentocht 1940) met haar tochtgenoot Lantinga. Vader Kooistra gunde zich nauwelijks den tijd om af te teekenen.

Dadelijk riep -hij zijn dochter uit het gedrang weg en gezamenlijk bestegen ze een Hindelooper karretje, dat hen snel naar het ijs bracht. Dezelfde haast had ook Sjoerdje Faber, die, toen ze Wobkje met haar vader de deur uit zag stevenen, haar voorrijder wenkte, waarop het tweetal in ijltempo naar het ijs verdween. Direct gingen zij spurten in de richting Stavoren, waar de Kooistra's al optornden tegen den wind en de sneeuw.
Stoere Fryske fammen!

Te Hindeloopen zagen we tien of meer gewonde rijders, maar nog veel meer deelnemers met rugpijn of andere misère. Een der geblesseerde rijders vertelde ons, dat hij niets lievers zou begeeren dan een kort slaapje; een andere rijder kreeg (bij het zien van de romers met sterken drank op de tafel van de controle-heeren) zoo'n trek "yn in slokje", dat hij, allen goeden raad in den wind slaand, naar de tapkast ging en er "eentje" nam. Of dit hem op zijn verderen tocht bijzonder geschraagd zal hebben? Wij betwijfelen het.

 

Bovenste afdruk: Dwars door het stadje Hindeloopen tijdens een sneeuwjacht.
Op den achtergrond de "Al?stertoer" (Oostertoren ).

Onderste afdruk: Wedstrijdrijders verlaten Hindeloopen tijdens een sneeuwjacht. Op den achtergrond de Westertoren.

 

Een rijder uit Pingjum, die ook een flinke lap voor een zijner oogen gebonden had, kocht twee sigaren in Hindeloopen, met bedoelingen waarnaar wij vergeefs hebben geraden. Hier zagen we ook een der vier gebroeders Stienstra, uit Leeuwarden, die met een blauw oog in het stadje was gearriveerd, maar nog best lust had om koude en sneeuwjacht verder te trotseeren.

We gaan nu weer met de kopploeg mee.
De leidende groep, die te 11.34 Hindeloopen verlaten had, bleef tot Stavoren bijeen. Naar we hoorden, heeft Adema op dit traject getracht zich van de anderen los te rijden, doch dit is hem niet gelukt. Hij bereikte, tegelijk met Bosman. Van der Bij, de Groot. Geveke en A. de Vries, de Radboudstad om 12.09.

Van Stavoren naar Sloten was bij deze weersgesteldheid een extra zwaar traject. Adema kwam vooraan te liggen en bleef leiden óók op de vlakte van het besneeuwde Slotermeer. Hij zette hier een spurt in en reed daarbij zes concurrenten los. Met een voorsprong van één minuut kwam hij te Sloten aan (13.32). gevolgd door het drietal Bosman. Geveke en De Vries. Te 13.43 meldde zich de volgende groep, de rijders: De Groot, De Boer, Van der Duim (Warga) en A. de Vries (Giethoorn ), welke laatste nu in hun gezelschap was.

 

SLOTEN. - De Lemsterwaterpoort met Korenmolen uit 1755.

 

Te Sloten was één tegenstander - de wind - uitgeschakeld, die nu als helper begon op te treden. Die weelde was niet te groot, want het ijs tot Woudsend was vrij slecht. Toen Adema zonder oponthoud uit Sloten was -vertrokken, lieten zijn achtervolgers hem los en maakten een rustpauze. Het traject Sloten-IJlst legde Adema in een zeer snel tempo af. Hij teekende aldaar te 14.00 af. waar zijn achtervolgers eerst zeven minuten later arriveerden. Over het korte traject van IJlst naar Sneek deed Adema nog geen zeven minuten. Wij noteerden voor Adema te Sneek 14.10.

Met dezelfde snelheid liep de achtervolging binnen, althans één hunner, Geveke: hij arriveerde er te 14.17; Bosman. De Groot en De Vries (Franeker ) te 14.18. Na hen liepen binnen de rijders Van der Bij, De Groot en De Vries (Giethoorn) te 14.27.
Sneek beleefde het genoegen, den leider van den wedstrijd een vijf minuten in haar midden te zien. Adema was namelijk ergens aan den kant van het ijs gaan zitten om wat uit te rusten. Hij dronk en at iets en liet het zich wel smaken. "Niet één keer het hij omkeken, so seker was hij van syn saak", zoo vertelde ons een Sneeker.

Te Sneek was de controle gevestigd in de garage van Loots en Fritsma aan den Singel. een gunstig gelegen perceel tusschen twee grachten. Over het stroo "klunend" passeerden de rijders de controle. lieten afteekenen en verdwenen weer.

De Frico, die verleden jaar bij den befaamden tocht de rijders te Bartlehiem had getracteerd, wachtte hen nu bij de zuivelfabriek te Scharnegoutum met frico-melk en Friesche kaas op. De meeste rijders namen er den tijd af om aan de gastvrijheid van de Frico eer te bewijzen.

Tot diep in den avond werden hier de papieren bekers met warme frico geledigd en verdwenen er mandjes vol kaas in de grage monden. Toen de laatste rijders hier waren gepasseerd, konden de employés van de Frico met trots constateeren, dat de duizend liters Frico-melk "schoon op" waren en dat de rijders met z'n allen een honderd kilo kaas hadden verorberd!

 

Onderweg op het 200 k.m. lange traject. Ook het tweede glaasje melk smaakt goed!

 

Men kon de enorme belangstelling in heel Friesland voor dezen tocht eenigszins afmeten aan de spanning rondom den Watertoren en den controlepost te Sneek. Het scheen alsof het normale leven in Friesland's tweede stad dezen middag was stilgelegd en de aandacht van allen concentreerde op de eindspurt Sneek- Leeuwarden. Honderden deden Adema uitgeleide, toen deze de stad verliet en met kranige streken het lint van de Sneeker trekvaart oprolde. Poeh! - zeiden de menschen, wat rijdt die kerel!
 

Tweeduizend Elfstedenrijders zagen de Sneeker Waterpoort, onder zich voorbijgaan. Een aantal wedstrijdrijders loopt binnen.

 

Maar met datzelfde elan zette de groep-Bosman de achtervolging in. Doordat Adema te Sneek enkele minuten had gerust, was zijn voorsprong op zijn achtervolgers kleiner geworden. Niettemin bleef hij ook op dit laatste traject onbedreigd de leiding houden en liep te 15.04 te Leeuwarden binnen. Als tweede arriveerde aan de finish Bosman (15.07), als derde L. Geveke (15.09).
Vierde werd A. de Vries (Franeker) te 15.09; vijfde A. de Vries (Giethoorn) te 15.16; zesde J. J. van der Bij (Anna Paulowna) te 15.16¼; zevende H. A. J. de Boer (Warga) te 15.16½; achtste S. de Groot (Weidum) te 15.21½.

Er heerschte groot enthousiasme onder de tallooze aanwezigen, toen de eerste rijders aan de finish te Schenkeschans arriveerden. Met gejuich en een lauwerkrans werd Adema ontvangen; opnieuw klonk er gejuich toen Bosman, Geveke en hun makkers direct na elkaar de eindstreep passeerden. Voor de prijswinnaars stond er een landauer, bespannen met twee bepluimde paarden gereed. De acht eerstaangekomenen stegen in en maakten een zegetocht door de stad.

 

De drie eerst-aanqekomenen aan het eindpunt. Adema (met krans) poseert voor den fotograaf, terwijl Bosman (links) en Geveke elkander met den goeden afloop feliciteeren.

 

A. Adema.

 

De uitslag van den wedstrijd was als volgt:

1. A. Adema, Franeker, gearriveerd te 15.04 (groote gouden medaille).
2. J. J. Bosman, Breukelen, gearriveerd te 15.07 (kleine gouden medaille).
3. L. Geveke, Leeuwarden, gearriveerd te 15.09 (groote verguld zilveren medaille)
4. Anne de Vries, Franeker, gearriveerd te 15.09 (kleine verguld zilveren medaille) .
5. A. de Vries, Giethoorn, gearriveerd te 15.16 (zilveren medaille).
6. J. J. van der Bij, Anna Paulowna, gearriveerd te 15.16¼ (zilveren medaille).

Boven vermeldden we reeds, dat De Boer (Warga) zevende werd en De Groot (Weidum ) achtste.
Na deze acht eerst-aangekomenen noemen wij nog de namen van de volgende zeven aangekomenen met den tijd. waarop zij finishten:

9. P. Boekestijn, Maasland, 15.32.
10. W. Heeringa, Grouw, 15.32½.
11. S. Westra, Warmenhuizen, 15.36.
12. S. Molenaar, Joure, 15.37.
13. P. J. Trooster, Amsterdam, 15.42.
14. R. van den Schuit, Rottevalle, 15.43½.
15. P. Dalsum, Broekerhaven, 15.46.

 

Als eerste tochtrijders arriveerde aan de finish het drietal. dat wij ook als eersten te Hindeloopen hadden begroet, namelijk de rijders Semplonius, Wind en Boersma van Tjerkgaast. Ook zij werden aan het eindpunt met gejuich ontvangen.

Te 15.24 ging de eerste vrouw over de eindstreep. Het bleek te zijn Wobkje Kooistra, van Warga, die (met haar vader) aankwam als "eerste dame"! Zij had haar concurrente van het vorig jaar, Sjoerdje Faber, glansrijk verslagen, welk succes zij stellig voor een niet gering deel te danken zal hebben gehad aan de fighting spirit van haar vader, Hendrik Jelles Kooistra.

 

Wobkje Kooistra.

 

Als tweede vrouw arriveerde Sjoerdje Faber te 15.42, als derde Antje de Boer, van Scharnegoutum.
Wobkje werd van alle kanten gelukgewenscht, terwijl haar ook bloemen werden vereerd.

Dezelfde aardige attentie werd ook den twee anderen meisjes bewezen.
Den geheelen avond door verschenen er nieuwe gezichten van wedstrijdrijders en tochtrijders in de Harmonie. Omstreeks middernacht kon worden vastgesteld, dat belangrijk meer dan de helft der gestarte rijders de finish had bereikt.

De totale uitslag zag er, globaal genomen, als volgt uit:

Wedstrijd:

600 inschrijvingen.
600 gestart.
500 aangekomenen.

Tocht:

1763 inschrijvingen.
2200 gestart.
1400 aangekomenen.

In totaal hebben 2800 personen aan wedstrijd en tocht deelgenomen, te weten
600 aan den wedstrijd en 2200 aan den tocht.

Gefinisht hebben 1900 rijders, namelijk 500 wedstrijdrijders en 1400 tochtrijders.
Deze cijfers bewijzen, dat de laatste Elfstedentocht een succes is geworden.

Geen wanklanken hebben dit ijsfestijn verstoord; slechts voldoening heeft het gegeven, eerstens aan bijna twee duizend aangekomen rijders, voorts aan schier alle deelnemers, vervolgens aan de kranige organisatoren van den Frieschen marathonloop-op-de-schaats, en tenslotte aan het Friesche volk, dat met dit ijsgebeuren van ganscher harte heeft meegeleefd.

Wij willen niet besluiten zonder melding te hebben gemaakt van enkele
alinea's, die ons in de persverslagen hebben getroffen. Zoo schreef de N. Rott.
Crt. over de kopgroep:

"Deze Adema, die het vorige jaar tot het vijftal behoorde, dat in kameraadschap
als eerste gezamenlijk de finish passeerde, had door eenige wrijving er ditmaal alles op gezet dezen Elfstedenwedstrijd te winnen. En hij heeft dezen wedstrijd gereden als een man, die zijn woord per sé en ten koste van alles gestand wilde doen. Hij heeft een wedstrijd gereden, die van grooten moed en overtuiging getuigde, steeds vooraan, steeds zelf aan de leiding, steeds agressief fel aanvallend op het punt waar de wedstrijd het zwaarst was; het laatste gedeelte en op de meren, waar de loodjes het allerzwaarst wegen.

Zijn hoogtepunt ligt tusschen Sloten en IJlst, waar hij zich van zes concurrenten losmaakte en waar hij zich een voorsprong van acht minuten wist te verzekeren.
Deze energieke aanval. welke bij een verrassende ontsnapping aan de controle ontstond, had plaats nadat Adema twee ernstige inzinkingen had te verduren gekregen, en deze aanval ontketende een strijd, die zijn zes achter volgers als groep totaal deed uiteenvallen. Er ontspon zich toen een jacht, welke voor Adema tot het einde toe een ernstige bedreiging bleef vormen.

Want van zijn acht minuten achterstand wist Bosman uit Breukelen er in de laatste 25 k.m. niet minder dan vijf in te loopen. Was de wedstrijd tegen den wind ingegaan. vermoedelijk zou Bosman hem hebben bereikt. maar nu met den wind in den rug. was het tempo te hoog om die volle acht minuten te kunnen halen. En in deze laatste 25 k.m. heeft Adema nogmaals in gevaar verkeerd. doordat hij daarin zijn derde inzinking kreeg. Hij heeft zich echter kranig daar bovenuit geworsteld.

Adema is een omstreeks 35-jarige arbeider. die zeer zwaar werk gewend is.
Hij is een scheepslosser en aan het dragen van zware lasten gewend. Hij is een kerel, dien men maar even aan heeft te zien om tot de conclusie te komen, dat het een ijzersterke vent is. Zijn kracht ligt hem, volgens den volksmond, bovenop het lichaam.
Bosman, Geveke en A. de Vries uit Franeker, hebben mede een prachtigen wedstrijd gereden en ieder van hen had evengoed de winner kunnen zijn. Dat hangt maar van eenige kleinigheden af.

Maar als men ons vraagt wie den opmerkelijksten wedstrijd heeft gereden, dan is het voor ons gevoel de goed veertigjarige A. de Vries uit Giethoom, de winner van 1933. die door een toevallig en samenloop steeds alleen heeft gereden en zich na een kolossale energie-race van de 25ste of 26ste plaats steeds omhoog heeft gewerkt, om ten leste als vijfde te eindigen.

Merkwaardig is, dat Bosman, Geveke, van der Bij en De Boer uit Warga, gezien hun slag en hun allure en hun zwier van rijden, veel mooiere rijders zijn dan Adema, die een beetje te wijdbeens rijdt en die zich steeds zichtbaar moet inspannen, terwijl het bij de anderen losser en eleganter gaat. Bosman en A. de Vries uit Franeker vormden voor ons de grootste verrassing in dezen wedstrijd, vooral ook door hun manier van rijden".

Van het onderhoud dat het Alg. Handelsblad had met Bosman e.a. vermelden we het volgende:

"Tot Stavoren", aldus vertelde Bosman, "ben ik steeds met Adema opgereden, maar toen kon ik hem niet meer houden en moest ik hem eenigen tijd loslaten.
In Sneek zat ik hem echter al weer dicht op de hielen en tusschen Sneek en Leeuwarden slaagde ik er in hem weer in te halen. In de eindspurt was hij me echter te vlug af en moest ik hem nogmaals, maar nu voor goed, laten schieten. "

Ook vernamen we nog, dat Bosman dit jaar den Elfstedentocht voor de eerste maal reed en zelfs, dat hij pas verleden jaar voor het eerst onder leiding van de Nederlandsche vereeniging tot bevordering van het hardrijden op de schaats op Noren was begonnen te rijden. Hij heeft zich dus een uitstekende leerling getoond, waarop bovengenoemde vereeniging terecht trots mag zijn.

Behalve Bosman hebben wij ook nog vele andere wedstrijdrijders gesproken.
Maar tot onze spijt gelukte het ons niet een onderhoud met Adema te krijgen.
Hij wilde n.l. graag een warm bad nemen en hoewel hij ons stellig beloofde in de "Harmonie" te zullen terugkeeren om de persmenschen te woord te staan, is hij niet teruggekeerd, zoodat hij ons en vele collega's geruimen tijd vergeefs heeft laten wachten.

Wij hadden echter het genoegen nog even met zijn zuster te spreken, die ons vertelde, dat haar ongehuwde broer 31 jaar oud is en thans voor de tweede maal aan den wedstrijd deelnam. Verleden jaar behoorde hij tot de overwinnende groep van vijf, maar thans zette hij de kroon op het werk, door den titanenstrijd onbedreigd als eerste te beëindigen.

"De vreugde over het feit, dat er- niet minder dan drie Friezen waren bij de eerste vier aangekomenen, is in Friesland natuurlijk groot," aldus het Nwsbl. v. h. Noorden.

"Ook daarin mag een bewijs worden gezien van de groote aantrekkingskracht, welke deze tochten op de Friesche bevolking oefent. Dat is eveneens zeer duidelijk naar voren gekomen bij de diverse controles, waar zich, lang voordat de rijders te verwachten waren, een groot aantal personen verzamelden, die den binnenkomenden een hartelijke ontvangst bereidden.

Het alleraardigste overkwam echter nog een Amsterdamsehen deelnemer, die tusschen Bartlehiem en Franeker bij een val zijn schoenen scheurde en toen van de bewoners een paar zoo goed als nieuwe kreeg. "Als hij ze wilde terugzenden, was het goed, maar het behoefde niet." En dat in dezen tijd!

De indrukken, welke men op Elfstedendag in Friesland opdoet, zijn vele en meer ruimte dan thans zou er mee te vullen zijn. Laten we echter volstaan met de eindconclusie, dat de zesde Elfstedentocht uitstekend geslaagd is, zoowel in sportief als in organisatorisch opzicht. Veel werk hebben de Leeuwarder organisatoren er van gehad, doch dat dit op prijs is gesteld, een ieder, die van meer nabij den tocht heeft gevolgd, zal daarvan ten volle overtuigd zijn."

Aan hetzelfde blad vertelde Adema enkele bijzonderheden over zijn tocht. "Op het Slotermeer kon ik onmogelijk alles geven", zoo zei hij. "In Workum raakte ik mijn voorsprong kwijt, doordat ik even in het café uitrustte. Een groep van zes rijders is mij daar vooruit gesneld, doch ik had hen spoedig ingehaald en toen de anderen op het verdere deel van den tocht even rust namen om melk te drinken, ben ik er tusschen uit gegaan."

De stoere Fries, die zijn partner Bosman een "fijne vent" vond, bleek tweemaal een inzinking te hebben gehad. Even vóór Bolsward en daarna te Sneek. "Maar je denkt eenvoudig niet aan opgeven, je' wilt je titel verdedigen en weer winnen," zoo zei hij. Volgens Adema was het traject Dokkum-Franeker het moeilijkste gedeelte van den tocht geweest, doch overigens vond hij de regeling, ook bij de controles. uitstekend en het ijs goed.

"Ik heb, zei hij verder - en dit bewijs eens te meer hoe zeer dergelijke rijders opgaan in tochten als deze - twee nachten niet kunnen slapen. Telkens werd ik wakker, zoozeer was ik vervuld van den tocht, waarvoor ik dezen winter reusachtig getraind had. Ik heb deelgenomen aan den uitstekend geslaagden dorp en tocht van Hennaarderadeel, den Elfmerentocht etc. en vreesde voornamelijk de concurrentie van Geveke. Deze heeft echter vandaag niet gereden zooals hij kan."

Aldus de winner van den Elfstedentocht 1941. die het niet onder stoelen of banken stak, dat hij ten zeerste voldaan was over het feit, dat hij niet als in 1940 weer met vijf rijders tegelijk. doch alleen als eerste was aangekomen.
Een heel ander type dan deze uit de kluiten gewassen Fries, is de tweede aankomende, Bosman uit Breukelen.

Deze 23-jarige had niet eerder aan dergelijke tochten deelgenomen en was eerst het vorige jaar met indoor-training bij de Nederlandsche Vereeniging ter Bevordering van het Hardrijden op de schaats begonnen. Het ijs vond hij uitstekend, de organisatie prima en alleen had ook hij onprettige ervaringen op het eerste deel.

"Steeds heb ik, - vertelde hij, - gereden met Adema, doch tusschen Stavoren en Sloten heb ik hem moeten laten schieten, waarna ik verder ben gegaan met Geveke en De Vries. Op het laatste traject, een fraai stuk. heb ik hen achter gelaten en Adema bijna ingehaald."

Ook deze jongeman had vrijwel niet gerust onderweg en alleen zoo nu en dan iets gedronken. En dat op zijn eersten tocht! Hij had trouwens zelf, zoo vertelde hij, niet gedacht, dat het zoo zou loopen. Aanvankelijk dacht hij zelfs, dat er niets van terecht zou komen, doch vooral na Stavoren, toen hij den wind mee kreeg, ging het zeer goed; alleen in Gaasterland had eenige sneeuw hem last bezorgd."

Het Leeuw. Nwsbl. was 's morgens te Dokkum. Het blad schreef:
"Terwijl achter den Prinsentuin de laatsten der tochtdeelnemers bij het schaarsche licht van enkele lantaarns nog bezig waren de schaatsen onder te binden en in "De Groene Weide" enkele officials, persmenschen en belangstellenden nog onder het genot van een warmen drank zaten te nakaarten in afwachting van de eerste berichten uit Dokkum, zetten wij koers naar die oude koopstad, die in den verren voortijd zooveel stoere Friesche zeevaarders met hun zware koggen zag komen en gaan en die thans reeds zoo vroeg in den morgen, of eigenlijk in den laten winternacht, het niet minder stoere nageslacht van die "wetterliuwen" ontving op het eerste controle- en keerpunt van den Friesehen marathon op de ijzeren wieken.
't Was nog nacht toen we de oude veste binnenreden, maar in de omgeving van de "Oude Zijl" was het één drukte en beweging, zooals Dokkum tegenwoordig alleen nog beleeft wanneer de Bonifacius-processie trekt.

Uit het nevelig duister kwamen daar als schimmen uit het verleden de lange slierten rijders uit het Westen geruischloos aanglijden, tot ze, bij de controletentjes op het ijs gekomen, met een krassenden zwaai remden en uit elkander stoven. Voor de tentjes was het een gedrang als in vroeger jaren bij de taaien koekkramen op Sinterklaasavond.

Vlot en zonder tijdverlies werden de controlekaarten afgestempeld en de meeste rijders gingen zonder te rusten onmiddellijk weer den weg terug, dien zij gekomen waren.
Een doorsnede uit den Elfstedentocht was het zoo van den wal af gezien, die eindelooze stoet uit het duister opdoemend, in den lichtkring van de controleposten
keerend en weer in 't zelfde duister verdwijnend.

Slechts een zeer kleine minderheid nam er den tijd af om zich naar de beide cafés -te begeven, die den rijders lafenis en warmte boden."
Te Harlingen heerschte, volgens het blad, de echte Elfstedensfeer. In het café was het een drukte van belang.

"Louter jonge, oer-gezonde mannen en vrouwen, de meeste met sterk karakteristieke koppen, die door den ijzig kouden wind hoekig en kantig gebeiteld waren als werkstukken van een beeldhouwer. Opvallend was het bijna totaal ontbreken van zoogenaamde moderne sportcostuums, die zoo menigmaal den drager tot een caricatuur maken.

Practische, warme kleeding, een enkele windjacke, veel wollen mutsen. Rasechte schaatsenrijders, weinig humbug. Stoere noorderlingen zijn in de meerderheid ditmaal, menschen in wier aderen nog het onvervalschte Vikingen-bloed stroomt, dat blijkbaar in koude en duisternis de beste stimulansen vindt om het lichaam tot groote prestaties op te drijven.

Stoer zijn ze en rustig. Opmerkelijk hoe kalm alles in zijn werk gaat. En toch heerscht er een opgewekte sfeer, die zich niet uit in luidruchtigheid, maar die men voelt en mee ondergaat, alsof men gedompeld is in een krachtveld van onbeperkte energie.
Het is de kracht van het Noordzee-ras, die zich in dezen vreedzamen strijd in een der grootste sportieve prestaties van Nederland op het schoonst en het waardigst uitleeft in den korten winterdag, waarin nu eindelijk de zon het van den nevel schijnt te zullen winnen."


De Leeuw. Crt. gaf de volgende momentopnamen van den tocht:

"Alle elf steden op één dag. Dat heeft een bijzonderen klank voor heel schaatsminnend Friesland, maar voor de sterksten van de sterken moet het wel een
zeer aparte bekoring hebben.

Het publiek is bij zoo'n elfstedendag opgetogen en geeft grif het warme bed of het hoekje bij de kachel voor een koude plaats op een of ander tochtig hoekje. Dat is overal hetzelfde, of het nu 's morgens om half zes bij de Vrouwenpoort in de hoofdstad is of 's middags op een of ander stukje overgebleven bolwerk in een van de miniatuurstadjes in den Zuidwesthoek.

Maar wat moet de wedstrijdrijder niet over hebben voor de eer om tot de snelsten te behooren, die ze alle elf op één dag kunnen rijden!
De man van de krant, die deze mannen den geheelen dag volgt op hun oerzwaren tocht, kan daar van meepraten. Hij ziet en voelt hun moeilijkheden mee; hij beleeft de spanning van 't eenige minuten uitgeloopen zijn met den man, die er alles en alles op heeft gezet om te toon en dat hij inderdaad de sterkste is.

Een verwonderlijk uithoudingsvermogen moet dit soort wedstrijdrijders bezitten.
Maakt u zich eens een voorstelling van zoo'n ijsbaan van 200 k.m. lengte. Dat, is zoo ver als bijvoorbeeld van Leeuwarden naar Utrecht. Daar zijn slechte stukken hobbelig ijs. Bevroren sneeuwduintjes belemmeren den tocht over meren en vlakten.

En toch gaat het maar immer voorwaarts. Zonder rusten. Pats, drukt de controleur het stempel op de kaart. Snel één of twee woorden wisselen met de belangstellende omstanders en voort gaat het weer!
Een elfstedenwinnaar zit op den geheelen tocht nog geen kwartier op een stoel. En die tijd besteedt hij dan nog hoofdzakelijk om van schaatsen te verwisselen of om een pleister op zijn gezicht te krijgen.

Maar dan moet hij ook al een voorsprong hebben en niet de concurrenten vlak
op zijn hielen weten.
De vriendelijke E.H.B.O.-ster in Harlingen kon tenminste niet zoo lief praten, dat de jeugdige Bosman zijn bebloede wang wilde laten afwasschen. Zelfs het feit, dat zij óók uit Breukelen kwam, woog niet op tegen de haast van dezen stoeren schaatsenrijder, die zich door zijn verdiende tweede plaats wel in zijn eersten elfstedentocht onder de allerbesten heeft geschaard.

 

"Service"onderweg....Een geblesseerde wedstrijdrijder heeft een sterken rug beklommen om naar den controlepost gedragen te worden


Over haast gesproken. Weet u hoe Auke Adema aan een controlepost een fleschje chocolademelk nuttigt? Neen, niet met de hals aan de mond. Dat stroomt niet snel genoeg toe. Hij drinkt keurig uit een glas, maar schenkt onder het drinken het glas uit de flesch bij. Want stel je voor dat de drie die hij op het traject door de Gaasterlandsche bosschen achter zich liet en die ook heusch geen kwajongens op de gladde ijzers zijn, hem toch weer eens zouden benaderen! Dan kwam de hoogste eer, waar hij al z'n zinnen op gezet had, immers in gevaar. En dus geen rust.

Immer voorwaarts. Langs de witte vaarten met de donkere glimmende baan waarlangs van brug tot brug, van huis tot huis, van dorp naar dorp de mare vooruit gaat: "Ze komen."
Ze, dat zijn de koprijders. dat weet iedereen zoo'n dag. Oud en jong, arm en rijk, heel Friesland staat met reikende halzen langs het bevroren watergebied.
"Ze komen" en onder daverend gejuich en aanmoedigend handgeklap schieten ze doof de opgehaalde bruggen.
Verbeten vechtend om de eerste te zijn in het grootste winter-sportgebeuren.
Alle elf op één dag."

Na dezen succesvollen tocht voelde het Centraal Bestuur van de Elfstedenvereeniging zich gedrongen het volgende "woord van dank" te publiceeren:

"Het karakter van het gezellig onderonsje gisteravond in de Harmonie bracht, mee, dat er geen toespraken gehouden werden. Toch had het Centraal Bestuur nog wel wat op 't hart, en zoo doet het thans een beroep op de pers om dat, wat niet gezegd is. wereldkundig te maken.
-Het Centraal Bestuur is ten zeerste dankbaar voor de ondervonden medewerking zoowel van autoriteiten en talrijke vrijwillige helpers, zoo te Leeuwarden als elders in de steden en dorpen, als van de burgerij in stad en provincie.

Het was weer opmerkelijk hoezeer de bevolking meeleeft niet alleen, maar ook bereid is om de noodige hulp te verleenen, als die gevraagd wordt en vaak voordat de vraag gesteld wordt. Het Centraal Bestuur is zeer gevoelig voor dit medeleven van hoog tot laag, zonder hetwelk een Elfstedendag niet zou kunnen worden gehouden.
Zeer speciaal dankt het Centraal Bestuur diegenen onder de Leeuwarder burgerij, die het huisvestingsprobleem hielpen oplossen, door het beschikbaar stellen van logeergelegenheid. De medewerking was zóó, dat in korten tijd deze aanvankelijke moeilijkheid was opgelost.
 

Samenvatting van verslagen.

1941

6 februari 1941.
Zacht. Zwakke, zuidoostelijke wind.
Vrij goed ijs.
600 wedstrijdrijders aan de start, 65 geklasseerd.
1.900 toerrijders, 1.672 volbracht.
Winnaar: Auke Adema uit Franeker, in 8 uur en 44 minuten; een nieuw snelheidsrecord.

Voor de organisatie was de grote vraag in de winter van 1940 op 1941 niet of het ijs wel goed genoeg was. Het was een strenge winter, en het was voor iedereen duidelijk dat het ijs goed genoeg was. De grote vraag was of de tocht wel gehouden moest worden, nu Nederland bezet was door de Duitsers. Tal van verschillende bepalingen maakten de organisatie van de tocht een stuk ingewikkelder. Tussen zonsondergang en zonsopgang moesten alle ramen verduisterd worden. Voor de tocht die grotendeels in het donker verreden werd betekende dit grote problemen. De Vereniging De Friesche Elf Steden was duidelijk in haar standpunt: de tocht zou niet doorgaan.

Maar toen de vorst maar van geen wijken wilde weten werd de druk van het publiek groter en groter. Uiteindelijk ging het bestuur op een vergadering op maandag 3 februari overstag. De tocht zou op 6 februari verreden worden. Wel kregen de schaatsers de boodschap om de tocht beslist niet aan te grijpen om te demonstreren tegen de Duitse bezetter.

De oorlogssituatie waarin Nederland verkeerde weerhield de Elfsteden-schaatsers er niet van om een poging te wagen het beroemde Elfstedenkruisje in handen te krijgen. Bij honderden schreven de deelnemers zich in bij de zes kantoren die voor dat doel waren ingericht. Op een dergelijke opkomst had de organisatie niet gerekend. Bij de inschrijvingskantoren kwam men door de drukte er niet aan toe alle deelnemers te tellen. De Zevende Elfstedentocht is dan ook de enige waarvan het precieze deelnemersaantal niet bekend is.

 

 

De zeventienjarige Willem Augustin,  (7 februari 1923, Amsterdam – 31 oktober 2004, Sneek) was een Nederlands schaatslegende. Hij is de avond voor de Elfstedentocht op de fiets naar Friesland gekomen. In Harlingen werd hij vastgezet.

HIJ WILDE DE ELFSTEDENTOCHT RIJDEN. Een proces-verbaal.

Een Amsterdamse jongen, een doodgewone 17 jarige Amsterdamse jongen, Augustin geheten, heeft naar de Telegraaf bericht het volgende stoute stukje uitgehaald, dat opgetekend verdient te worden in de annalen van de Elfstedentochthistorie.

Hij is Woensdagavond zeven uur, nadat hij de gehele dag had gewerkt, op de racefiets gesprongen, met twee paar Noren op zijn rug gebonden. In het donker reed hij van Amsterdam over de Afsluitdijk naar Friesland, waar hij om kwart over twaalf in Zurich aankwam. Dat was dus na twaalf uur en eigenlijk had Augustin dus binnenshuis moeten gaan. Hij reed echter door, want hij moest in Leeuwarden zijn. Daar was immers de start van de Elfstedentocht. Hij reed dus door.

Maar om twee uur Harlingen binnenkomend, liep hij tegen de lamp, hij moest mee naar het politiebureau en werd daar opgesloten tot vier uur 's nachts. Zijn protest: ja maar, ik moet toch meedoen aan de Elfstedentocht, hielp niets. Maar nog was de klok van vier uur niet koud, of Augustin sprong weer op de fiets en peddelde naar Leeuwarden om, gewapend met een startkaart, de schaatsen voor de Elfstedentocht onder te binden, het proces-verbaal uit Harlingen ten spijt.

Ook enkele schaatsers uit Nijega kwamen in de problemen omdat zij de spertijd overtraden. Enkele weken na de tocht moesten zij voor de rechter komen omdat zij na het voltooien van de tocht nog naar huis fietsten. De rechter legde de laagste boete, die ik ooit voor deze overtreding gaf op.

AUKE ADEMA WINT NU ALLEEN.

Stoere Fries spoelt slechte smaak van 1940 weg.

 

Na het Pact van Dokkum van 1940 wilde Auke Adema dit keer opnieuw als eerste eindigen, maar dan alleen.

 

WOBKE KOOISTRA SNELSTE VROUW VAN 1941.

 

Voor de eerste keer is Wobke Kooistra, de snelste dame van de Elfstedentocht. Ook in 1947 is ze de snelste, maar dan samen met Sjoerdtje Faber.

 

Een speciale wedstrijd voor vrouwen was er nog niet. Toch ontstond er een onofficiële strijd tussen verschillende dames. Enkele honderden vrouwen waren aan de start verschenen, allen als toertochter ingeschreven. Op kop lag Antje Schaap, 21 jaar oud uit Wirdum. In Hindeloopen lag zij elf minuten voor op Sjoerdje Faber en Wopke Kooistra, bekend om hun hevige strijd in de vorige tocht. Antje lag niet alleen voor op de vrouwen, geen van de toertochters wist haar voorlopig in te halen. Bij de finish wisten maar 3 van de 3859 toertochters eerder over de finish te komen dan zij.

Daarnaast moesten honderden wedstrijdschaatsers tot hun grote verbazing concluderen dat zij haar niet bij konden houden, al waren zij eerder gestart. Om vier uur kwam Schaap over de finish, in een tijd van minder dan 9.30. Precies een half uur later kwamen Sjoerdje Faber en Wopkje Kooistra binnen. Ook zij waren voor duizenden toertochters en honderden wedstrijdschaatsers geëindigd. Rond vijf uur kwamen Geveke, Jongert en Woudstra eindelijk in Leeuwarden aan na hun kapitale vergissing. Zij hadden een tocht van tweehonderdvijftig kilometer in de benen zitten.

 

LEEUWARDEN - Het Fries Film Archief heeft bijzondere beelden van de Elfstedentocht van 1941 online gezet.

Unieke beelden Elfstedentocht 1941

 

 

1942

22 januari 1942.
Strenge vorst (-12 tot -15 graden). Afnemende noordoostenwind.

Hard en glad ijs. Sneeuwvrij.
970 wedstrijdrijders aan de start, 277 geklasseerd.
3.862 toerrijders, 3.669 volbracht.
Winnaar: Sietze de Groot uit Weidum.

TOCHT DER MYSTERIËN.

De onbegrijpelijke fout van de kopgroep en het wonder van den gedraaiden wind.

Het is windstil en het ijs is hard en glad op 22 januari 1942. Na de Zesde Elfstedentocht in 1940 en de Zevende Elfstedentocht in 1941 verwachtte vrijwel niemand dat er ooit nog eens drie jaar achter elkaar een Elfstedentocht kon worden georganiseerd. Maar in de winter van 1942 werd de vorst nog strenger dan de twee voorgaande jaren. Bezwaren dat de Duitse bezetting de tocht niet mogelijk zou maken werden evenals in 1941 opzij geschoven. De Vereniging De Friesche Elf Steden maakte echter geen haast met de organisatie.

Omdat de winter toch nog wel zou doorzetten, werd op een vergadering besloten het bepalen van de datum naar de volgende dag te verschuiven. Een journalist van de Leeuwarder Courant wilde desondanks een primeur hebben en lanceerde de volkomen willekeurige datum 22 januari als dag voor de tocht der tochten. Toen de bestuursleden van de vereniging tot hun grote verbazing de volgende dag de datum in de krant zagen staan, gingen zij maar akkoord.

Dit jaar wordt opnieuw het Elfstedentochtrecord gebroken, in 8 uur en 44 minuten rijdt Sietze de Groot de tocht uit. Zonder te beseffen dat de complete kopgroep verkeerd heeft gereden en dus hun kansen verloor.

(Verwarring en verassing vierden hoogtij gedurende de eerste vijftig van de 200 kilometer. Op zichzelf is het al een verassing, dat de beslissing de definitieve slag, die de prijswinnaars scheidde van de kansloozen, viel in het eerste kwart van den wedstrijd. Dat is het groote mysterie van dezen Elfstedentocht. Tot IJlst waar de eerste rijders om ongeveer kwart over zeven, dus nog in diepe duisternis arriveerden, verliep alles normaal, doch daarna begon de misère.

Twintig rijders, verdeeld over diverse groepjes, die onderling slechts enkele minuten verschilden, reden in plaats van de Wymerts, rechtsaf de Bolswardervaart op. Zij kwamen tot bij Workum eer zij hun fout bemerkten, waarna zij tot IJlst terug moesten rijden, een omweg van bijna veertig kilometer, of ruim een uur. Bij die twintig rijders bevonden zich geroutineerde Elfsteden-cracks als Anne de Vries uit Franeker, Lo Geveke, Bosman en Jongert).

Want de kopgroep nam tot tweemaal toe een verkeerde afslag na Sloten, maar elke keer werd de fout snel hersteld. In Stavoren had de tot dan toe onbekende Douwe Leijenaar uit Lemmer een voorsprong van vier minuten op de rest. Hij werd gevolgd door Sietze de Groot, Durk de Jong, Jan van der Bij en Piet Swierstra.

Ook in Hindeloopen lag Leijenaar nog aan kop, maar zijn voorsprong was gekrompen tot een luttele twee minuten. In Workum was het nog steeds de nu duidelijk vermoeide Leijenaar die als eerste de stempelpost bereikte. Tussen Bolsward en Harlingen was het echter definitief gedaan met de voorsprong. Hij werd ingehaald door het achtervolgende viertal, en zelfs voorbij geschaatst. Zeven minuten na de nieuwe kopgroep stempelde hij in Harlingen af.

Bij Franeker en Dokkum, waar de kopgroep om kwart voor twee binnenkwam, was de kopgroep nog steeds intact. De vier mannen spraken af dat zij vóór Bartlehiem niet zouden proberen te ontsnappen, daarna zouden ze wel zien wat er zou gebeuren. Pier Swierstra haalde Bartlehiem echter niet. Een paar kilometer buiten Dokkum kreeg hij een diepe inzinking en viel hij een paar keer.

Hij kon niet verder. Het liep uit tot een eindsprint in de grachten van Leeuwarden tussen de drie mannen. Sietze de Groot trok aan het langste eind en wist in een flitsende eindsprint de tocht, in een recordtijd van 8 uur en 44 minuten, op zijn naam te schrijven, 9 seconden later gevolgd door Durk de Jong. Jan van der Bij deed er nog eens 45 seconden langer over.

Met slechts een paar seconden voorsprong op Dirk de Jong wint toch Sietse de Groot de tocht. Ondanks het mooie weer kost deze tocht aan drie mannen het leven, zij lopen een tetanus- infectie op aan hun bevroren tenen. De Duitse bezetter houd zich overigens netjes afzijdig van deze typische Hollandse traditie. 

TWEEVOUDIG WINNAAR BLIJFT THUIS.

Auke Adema doet dit jaar niet mee, ondanks smeekbedes.

TOCHT LOOPT UIT OP ENORME CHAOS.

Sietze de Groot.

 

Het groote oogenblik van den Elfstedentocht. Onder het gejuich van de velen, die zich aan het eindpunt verdrongen, komt Sietse de Groot uit Weidum als eerste weer te Leeuwarden binnen na den tocht in 8 uur 44 minuten en 6 seconden te hebben volbracht.

 

Mr. Hepkema feliciteert de winnaars van den Elfstedentocht met hun kranige prestatie. V.l.n.r.: v. d. Bij uit Julianadorp, die derde werd; de winnaar Sietse de Groot (met kwns) en P. de Jong uit Huizum, die als tweede binnen kwam.

 

 

ONDANKS OORLOG VEEL BELANGSTELLING.

 

Het is weer een drukte van belang in de Friese hoofdstad.

 

ANTJE SCHAAP SNELSTE VROUW. 

Half Leeuwarden blij met zege van Schaap uit Wirdum.

 

SCHAATSEN DE ELFSTEDENTOCHT.

S. de Groot winnaar van den Elfstedentocht 1942.
Een recordprestatie.
 

S. de Groot uit Weidum, is winnaar geworden van den zevenden Elfstedentocht. De 200 Km. heeft hij afgelegd in 8 uur 51 min.
Hij arriveerde om 14.51 in Leeuwarden. Kwart voor drie steeg de spanning aan de finish aan de groene weide ten top. De aankomst der rijders kon elk oogenblik worden verwacht. Daar kwamen zij aan!

Het werd een formidabele eindsprint op den laatsten kilometer. Het werd een strijd van man tegen man, welke gewonnen werd door den Fries S. de Groot uit Weidum met een tiental meters voorsprong op D. de Jong uit Huizum en van der Bij, uit Julianadorp.

Wederom heeft een Fries de eerepalm bemachtigd, welke hem volkomen verdiend toekomt. Hij heeft immers een recordtijd gemaakt door den tocht te volbrengen in 3 uur en 51 minuten.

Onderhoud met den winnaar.

Kort na aankomst van den winnaar van den Elfstedentocht hadden wij een onderhoud met hem.

De 24-jarige jongeman voelde zich na dezen zwaren tocht niet noemenswaard vermoeid.
Hij had den tocht in den thans officieel bekend gemaakten tijd van acht uur en vierenveertig minuten op normale Friesche schaatsen en met gymnastiekschoenen. volbracht.
Alleen zijn voeten waren een beetje doorgereden.

„De tocht is mij — aldus deelde de Groot mede — buitengewoon goed bevallen. Wij hebben ideaal weer gehad, hetgeen onze prestatie ten goede is gekomen en in het bijzonder onze snelheid. Het grootste gedeelte van den tocht hebben wij met acht man in een groepsverband gereden. Later kromp deze groep in' tot vier man, terwijl na Dokkum Swierstra kwam te vallen tengevolge van een inzinking, waardoor hij ons moest verlaten.

Ongeveer driehonderd meter voor de finish zette ik alles op alles en behaalde daarmede de overwinning. Deze tocht is de tweede Elfstedentocht, welke ik meemaakte. Verleden jaar werd ik nummer acht. Eergisteren won ik den 67 Km.-rit welke ik bij wijze van proef en training meereed."

De winnaar is een bekende Friesche kaatser. Zijn broer, Jan de Groot, is de kaatskampioen van Friesland.

Officieel hebben aan den Elfstedentocht meegedaan elfhonderd wedstrijdrijders en ruim vierduizend tochtrijders.

De officieele tijd van aankomst van den eersten wedstrijdrijder is 1.44 uur.

4 werd Bos uit Andijk; 5. Beekstra uit Terkappel; 6. Swierstra uit Weidum.
De volgorde van de nummers 7 t/m 15 en de tijden van aankomst waren: 7. A. de Vries uit Giethoorn, 14 uur 56 min.; 8. A. de Vlies uit Schiekerk, 15 uur; 9. D. Leyenaar uit Lemmer, 15 uur 5 min.; 10. G. H. Uil uit Vollenhove, 15 uur 5 min.; 11. P. Oosterhof uit Olterterp, 15 uur 6 min.;
12. Wanders uit Wageningen, 15 uur 7 min.; 13 v. Buren uit Oldenhove, 15 uur 10 min.; 14. De Wreede uit Lemmer, 15 uur 11 min.; 15, Luursema uit Garsthuizen, 15 uur 12 min.

15.50 uur passeerde reeds de eerste tochtrijders de finish, t.w. de heeren R. J. Faber en R. de Valk uit Minnertsga, die ook allerminst den indruk gaven vermoeid te zijn, even later gevolgd door F. Fransen uit Heerenveen, die in Harlingen nog de eerst gearriveerde tochtrijder was.

Wy behoefden niet lang meer te wachten op de eerste dames, want om 16 uur 2 min. kwam mej. A. Schaap te Wirdum aangereden in gezelschap van haar belde broers.

Was De Groot met een groote krans omhangen, mej. Schaap mocht fraaie bloemen in ontvangst nemen.

Geregeld kwamen vervolgens de wedstrijd- en tochtrijders binnen.
Omstreeks 17 uur arriveerde mej. Sjoerdje Faber uit Warga, tezamen met mej. Wobkje Kooistra en Wobkjes vader, door welke prestatie Sjoerdje en Wobkje de 2e en 3e plaats van de dames deelen.

 

Een groepje deelnemers aan den Elfstedentocht.

ELFSTEDENTOCHT OP 22 JANUARI 1942

ELFSTEDENTOCHTEN 1940-'41-'42

 

1947

8 februari 1947.
Bitter koud door strenge vorst en storm.
Slecht tot zeer slecht ijs.
277 wedstrijdrijders aan de start, 39 geklasseerd.
1.791 toerrijders, 270 volbracht.
Winnaar: Jan van der Hoorn, uit Ter Aar (na onderzoek)

De eerste naoorlogse tocht, die van 1947, zorgt voor een zwarte bladzijde in de Elfsteden geschiedenis. De omstandigheden zijn nu weer zo ongunstig dat veel rijders letterlijk steun zoeken bij elkaar. Zowel in de tocht als in de wedstrijd bezondigen tallozen zich aan overtredingen. Er wordt veel 'opgelegd' gereden, maar er zijn er ook die doodgemoedereerd hele stukken in een auto afleggen.

De uitslag van de wedstrijd met de bekende Joop Bosman als eerste (10 uur 36 minuten) en Klaas Schipper uit Steenwijkerwold als tweede (10 uur 37 minuten) zal dan ook niet gehandhaafd blijven. Ook voor de jonge Jeen Nauta uit Wartenga die zo'n geweldige indruk maakte door als derde te eindigen, ligt er geen eremetaal klaar.

Er wordt een speciale commissie geformeerd die probeert alle overtredingen boven water te brengen. En die tenslotte met een verrassende herziening komt. De eerste drie binnengekomen rijders worden gediskwalificeerd en Jan van der Hoorn uit Ter Aar, die als vijfde binnenkwam, wordt tot winnaar uitgeroepen.

Anton Verhoeven uit Dussen als achtste gearriveerd, krijgt de tweede prijs. Geweldenaar Abe de Vries, oorspronkelijk negende, voegt een derde prijs aan zijn eerder verworven Elfsteden lauweren toe.

Op veel plaatsen is het ijs heel slecht en bovendien staat er een straffe wind maar op 8 februari 1947 is het weer zover. Deze tocht vormt een zwarte blad- zijde in het Elfstedentochtboek. Uit een onderzoek dat de Vereniging instelde na klachten die waren binnengekomen, blijkt namelijk dat een aantal schaatsers zich aan overtredingen schuldig heeft gemaakt .

Het gaat daarbij bij- voorbeeld om ‘opleggen’. Juist in de sterke wind van dit jaar maakt het veel uit als een frisse schaatser een stuk voor je schaatst om je zo uit de wind te laten rijden. Het blijkt zelfs dat een aantal deelnemers zich met de auto heeft laten vervoeren! Uiteindelijk wordt Jan van der Hoorn uit Ter Aar, die oorspronkelijk als vijfde over de finishlijn reed, tot winnaar uitgeroepen na een tocht van 10 uur en 36 minuten.

Het slechte weer eist zijn tol. Het is nog onduidelijk hoeveel slachtoffers zijn gevallen.

Naar uit voorloopige berichten blijkt, heeft ook deze Elfstedentocht een niet gering aantal slachtoffers geëischt. Er waren slechts enkele deelnemers, die den tocht meegereden hebben, zonder dat een of meer lichaamsdelen gedeeltelijk bevroren. De Harmonie te Leeuwarden, waar zich 's avonds een groot aantal deelnemers vereenigde, geleek veel op op een provisorisch hospitaal. Tallooze rijders liepen met pleisters op handen of gezicht rond. Bevroren beenen, vingers en oogen waren schering en inslag. In zijn rede sprak de heer J. M. Kingma, penningmeester van de Elfstedenvereeniging zelfs over "zeer ernstige gevallen van bevriezing"die het bestuur ter oore waren gekomen.

 

De barre winter van 1947: Tochtrijders in het Noorden van Friesland.

 

IEDEREEN OVERTRAD DE REGELS.

Na acht en dertig dagen.

J. v. d. Hoorn winnaar van de Elfstedenwedstrijd!

Eindelijk is de uitslag van den Elfstedentocht bekend. Maar niet Bosman, die als eerste de eindstreep passeerde en ook niet zijn "schaduw" Schippers is officieel winnaar geworden. Zelfs niet de rijders Nauta en J. Wijnia, die als derde en vierde binnenkwamen! Het bestuur van de Vereeniging "De Friesche Elf Steden" heeft na een langdurig onderzoek besloten aan de volgende vier rijders een prijs toe te kennen: 1. J. v. d. Hoorn  (Ter Aar), groote gouden medaille; 2.A. Verhoeven (Dussen) kleine gouden medaille; 3. A. S. de Vries (Giethoorn)  groote verguld zilveren medaille; 4. D. v. d. Duin (Oldeboorn kleine verguld zilveren medaille.

Alle overige wedstrijdrijders, die voor 18.21 uur zijn aangekomen, zullen het Elfstedenkruisje met inscriptie "wedstrijd 1947" ontvangen. Uitgezonderd J. Wijnia (Edens) en W. Wijnia (Edens), die beiden zoodanig in overtreding zijn geweest, dat zij volledig zijn gediskwalificeerd.

De start van 1947.

 

Op deze foto is zien hoe de schaatsers gedragen werden. Vooral bij Parrega en Harlingen kenden de wedstrijdschaatsers god noch gebod.

 

JAN VAN DER HOORN UITGEROEPEN TOT WINNAAR.

 

Het heeft het Elfsteden bestuur behaagd om Jan van der Hoorn, alsnog op de eerste plaats te zetten.

 

JOOP BOSMAN ONTKENT BESCHULDIGINGEN.

 

JOOP BOSMAN.

 

Jaap Visser schaatst de Elfstedentocht van 1947  Verteld door Jaap van der Zwaag.

(Uit Lemmer hebben Peter Winia, zijn vader zowel zijn broers Henk, Siep, Anton en Maarten ook de tocht volbracht en een kruisje behaald. Dat waren vader met zijn 5 zoons. Ook uit Lemmer hebben er in dat jaar het kruisje behaald, Jan en Stoffel Kroes)

 

1954

3 februari 1954.
Lichte vorst. Zonnig. Weinig wind.
Uitstekend ijs.
138 wedstrijdrijders aan de start, 63 geklasseerd.
2.597 toerrijders, 2.143 volbracht.
Winnaar: Jeen van den Berg, uit Nijbeets.

De tocht van 1954 won hij in de tijd van 7 uur en 35 minuten, een record dat pas 31 jaar later verbeterd werd [1] . In de tocht van 1956 eindigde hij als zesde, na de kopgroep die hand-in-hand over de finish ging. De zware tocht van 1963 finishte hij als derde. Van den Berg was ook een goed langebaan schaatser. Hij nam twee keer deel aan de Olympische winterspelen, beide keren kwam hij uit op de 5 en 10 kilometer. In 1960 werd hij respectievelijk 19e en 20e op de 5000 en 10.000 meter. In 1973 werd hij de eerste Nederlands kampioen marathon schaatsen. Hij was van beroep onderwijzer. Jeen van den Berg is ereburger van de gemeente Heerenveen.

Onder deze perfecte omstandigheden wordt op 3 februari 1954 een tijd gereden die 31 jaar lang niet verbroken zal worden, 7 uur en 35 minuten. Eén uur  en vier minuten sneller dan Sietze de Groot in 1942. De eindsprint is chaotisch en spannend, omdat op het laatste stuk over de Noorderbrug gekluund moet worden.

De vijf kanshebbers, Jeen van den Berg, Jan Charisius, Aad de Koning, Anton Verhoeven en Jeen Nauta sprinten over de laag stro naar het laatste stuk ijs. Daar valt Charisius, en gaan Van den Berg en Verhoeven de sprint aan. In de chaos denken zij het finishbord te passeren. Helaas vermeldde dat bord ‘FINISH’, met daaronder in kleine letters: ‘over 500 meter’. Van den Berg passeert uiteindelijk als eerste de eindstreep op perfect ijs en met lichte vorst.

Een bekende doorkomstplaats van de Elfstedentocht is Bartlehiem waar de schaatsers twee keer langskomen, de eerste keer op weg van Franeker naar Dokkum en de tweede keer weer terug in de richting van de finish in Leeuwarden. In 2005 werd bekend dat de Friese plaats Berlikum (Berltsum) ook stedelijke kenmerken heeft gehad, en daarmee de twaalfde Friese stad zou zijn. Dat leidde er echter niet toe dat de naam van de Elfstedentocht werd veranderd. Overigens rijden de schaatsers al langs Berlikum, over de Ried en het Berlikumerwijd tussen Franeker en Bartlehiem.

OOK DE NOTABELEN HALEN DE EINDSTREEP.

"Wij zijn bijzonder enthousiast over de tocht", aldus zeiden gisteravond minister S. L. Mansholt en mr. H. P. Linthorst Homan commissaris der Koningin in Friesland, toen zij om kwart over zeven als toerrijders het laatste Elfstedenstempeltje kwamen halen. Voor beiden was dit niet de Elfsteden-doop, want minister Mansholt heeft in 1942 de toertocht al uitgereden en de wedstrijd in 1933 en reed een deel van de tocht in 1942.

 

DE WINNAAR IS EEN FRIES!

 

Jeen van den Berg, schrijft Elfstedentocht op zijn naam na een rommelig einde.

 

 

 

 

 

De drie snelste militairen van de Elfstedentocht van 1954, v.l.n.r. Minister Staf, soldaat P. Zwart uit Warga, korporaal M. E. Wijnhout uit Haarlemmermeer en de marechaussee 3e klasse H. M. Ottenschot uit Bentelo, werden gehuldigd door minister Staf van Defensie.

Elfstedentocht (1954)

Het Fries Film Archief: www.youtube.com

 

1956

14 februari 1956.
Matige vorst. Matige wind.
Slecht ijs.
259 wedstrijdrijders aan de start, 109 geklasseerd.
6.070 toerrijders, 4.739 volbracht.
Winnaar: Jeen Nauta uit Wartena, Jan van der Hoorn uit Ter Aar, Aad de Koning uit Purmerend, Maus Wijnhout uit Lisserbroek en Anton Verhoeven uit Dussen. (Niet erkend als winnaar.)

Vijf winnaars 1956 niet erkend.

Net als in 1933 en 1940 werd de Elfstedentocht gewonnen door meer dan één rijder. Dit keer weigerde de Vereniging deze collectieve zege te erkennen. Het waren Jeen Nauta, Maus Wijnhout, Aad de Koning, Anton Verhoeven en Jan van der Hoorn, die hand in hand de finish passeerden. Alhoewel Jeen van den Berg als zesde aankwam, werd hij niet uitgeroepen tot winnaar. Deze Elfstedentocht is daarom de enige zonder erkende winnaar.

Ondanks een recordopkomst van tour- en wedstrijdrijders, wordt de tocht op 14 februari 1956 overschaduwd door een anticlimax. De kopgroep besluit al bij Vrouwbuurtstermolen dat zij samen gaan finishen. Het bestuur is echter onverbiddelijk, zij hebben er geen wedstrijd van gemaakt en komen dan ook niet in aanmerking voor een prijs!

De eerste vijf prijzen, J. Nauta uit Wartena, J. van der Hoorn uit Ter Aar, A. de Koning uit Purmerend, M. Wijnhout uit Lisserbroek en A. Verhoeven uit Dussen, worden ingehouden, de als zesde binnengekomen Jeen van den Berg houdt dus ook gewoon zijn zesde plaats. Op de wedstrijddag vroor het hard en het ijs was ontzettend hobbelig. In 8 uur en 46 minuten volbrachten de vijf eersten de tocht.

KOPGROEP VAN VIJF VERDEDIGT ZICH.

We hadden elkaar nodig, we moesten wel. IJS WAS TE ZWAAR.

"Wij zijn het met de beslissing van het Elfstedencomité niet eens. Wanneer we het in ons eentje hadden moeten doen, zouden we misschien de eindstreep nooit gehaald hebben. We hebben het "Voor wat hoort wat" laten prevaleren, elkaar op het laatste en zwaarste gedeelte van het traject, door om beurten de kop te nemen, zoveel mogelijk gesteund en daarom dan ook besloten gezamelijk door de finish te gaan".

Aldus kan het beste de mening van het uit Jeen Nauta, Aad de Koning, Maus Wijnhout, Jan van der Hoorn en Anton Verhoeven bestaande quintet, dat ex-equo eerste werd geklasseerd, doch niet in de prijzen viel, worden geformuleerd.

Ga er zelf maar eens aan staan, 200 km onder deze omstandigheden. Na Franeker was het ijs zó beroerd en ging het rijden tegen die sneeuwstorm in zó moeilijk, dat we toen al overkwamen, samen de laatste zware loodjes te verstouwen.

GEWONDEN IN HARLINGEN.

In Harlingen hebben honderden toerrijders de tocht moeten opgeven. Van dinsdagmiddag  3 uur tot des avonds 8 uur hadden treinen en bussen het er druk mee. De EHBO aldaar heeft aan meer dan 70 Elfstedentochters hulp moeten verlenen; daarbij waren ook ernstige gevallen.

Dr. Hersch uit Oegstgeest brak door een val zijn sleutelbeen, maar reed nog 60 km door en moest tenslotte in Harlingen toch opgeven. De heer F. Vulkers uit Hauwert in Noord-Holland reed reeds op de Ried bij Harlingen tegen een brug op en werd met zware hersenschudding opgenomen. De heer M. Wobma uit Harlingen viel bij Sloten, maar reed toch door. In zijn woonplaats aangekomen gaf hij op. Hij bleek eveneens een hersenschudding te hebben en ernstige verwondingen aan het hoofd.

Een vierde rijder, de heer A. de Vries, die op de Bolswardervaart kwam te vallen, bleek bevroren ogen te hebben. Hij was volkomen blind en werd in het ziekenhuis opgenomen.

 

"HET WORDT BAR EN BOOS"

 

Stempelkaart 1956.

 

MET ZIJN ALLEN OVER DE STREEP.

 

Van links naar rechts Jeen Nauta, Maus Wijnholt, Anton Verhoeven, Jan van der Hoorn en Aad de Koning.

 

1963

18 januari 1963.
Strenge vorst. Stuifsneeuw. Storm. Verschrikkelijke omstandigheden.

Zeer slecht ijs.
568 wedstrijdrijders aan de start, 57 geklasseerd.
9.294 toerrijders, 69 volbracht.
Winnaar: Reinier Paping, uit Ommen.

Het stormde op 18 januari 1963, de koudste dag van de koudste winter van de vorige eeuw. Het vroor die avond zo'n achttien graden, wat met die ijskoude wind erbij een Siberische klimaat veroorzaakte. Van de 10.000 toerrijders haalden slechts 69 de eindstreep na een tocht van minimaal vijftien uur. Het is een wonder dat er die dag geen doden zijn gevallen.

Op 18 januari 1963 vond de twaalfde Elfstedentocht (of Alvestêdetocht zoals ze dat in Friesland zeggen) plaats. Dat was de verschrikkelijkste Elfstedentocht uit de geschiedenis. Velen zullen zich die tocht nog herinneren. Dat komt waarschijnlijk mede omdat daarvan voor het eerst live verslag van werd gedaan op radio en televisie. Daardoor kon iedereen in Nederland deze historische tocht direct meebeleven. Daarna duurde het ook nog eens 22 jaar voordat de volgende Elfstedentocht plaatsvond en dat zorgde ervoor dat de legende langdurig in stand te gehouden werd.

Maar dat is toch niet de enige reden. Het was ook werkelijk een barre tocht. In de nacht van 18 januari werden alle kouderecords gebroken en bij de start was het MIN 12 graden. En in de loop van de dag stak er ook nog eens een noordoosterstorm op. Dat maakte het dus eigenlijk onverantwoord om de tocht door te laten gaan.

Er speelden zich dramatische taferelen af. Er vonden vreselijke valpartijen plaats, mensen reden met hun hoofd tegen een brug omdat hun oogleden bevroren waren. Er waren veel gewonden doordat mensen hun benen, armen of zelfs hun bekken braken. Langs de route lagen de EHBO-posten en ziekenhuizen vol met gewonde mensen. Het leek wel een compleet slagveld en daar werd dus live verslag van gedaan op radio en televisie.

In Stavoren stapten vele duizenden mens af om de trein terug naar Leeuwarden te nemen. Omdat het aanbod van reizigers niet verwerkt kon worden werden extra bussen ingezet.

Hoe erg het geweest was bleek achteraf. Van de 9.294 toerrijders haalde maar 69 mensen de finish in Leeuwarden. Maar ook van de 568 wedstrijdrijders kwamen er slechts 58 aan. Dus van het total van 9.862 mensen die aan de tocht van zo'n 200 kilometer over het ijs begonnen kwamen er maar 127 aan. 

De held van dit alles werd de winnaar van de wedstrijdrijders, Reinier Paping. Er had zich een kopgroep gevormd waar Reinier Paping in zat, samen met Jeen van den Berg, Anton Verhoeven en Jan Uitham. Bij Witmarsum reed Paping echter weg bij deze kopgroep met nog bijna de helft van de wedstrijd voor de boeg en dat onder zulke barre omstandigheden. Dat stuk legde hij dus helemaal in z'n eentje af.

Jeen van den Berg was sneeuwblind geworden en werd op sleeptouw genomen door Jan Uitham. Toen Reinier Paping na een tocht van 10 uur en 59 minuten arriveerde duurde het nog 22 minuten voordat nummer twee, Jan Uitham, arriveerde. Jeen van den Berg werd derde. Ook Anton Verhoeven was sneeuwblind geworden en wankelde als vierde over finish op de Grote Wielen in Leeuwarden.

Toen Paping arriveerde stonde er zoveel mensen op het ijs dat het nog even verkeerd dreigde te gaan. Er bestond gevaar dat men massaal door het ijs zou zakken en in het ijskoude water terecht zou komen. Om aan te geven wat voor een nationale gebeurtenis het was moet nog vermeld worden dat koningin Juliana met prinses Beatrix aanwezig was om de winnaar te feliciteren. Dat gebeurde in de EHBO tent bij de finish, nadat Paping eerst met een infrarood lamp een beetje ontdooid was. Prinses Beatrix was zo enthousiast dat ze maar bleef uitroepen: "Meneer Paping ik heb toch zo'n bewondering voor u".

Reinier Paping was 31 jaar toen hij de Elfstedentocht won. Na de huldiging ging hij met zijn vrouw naar Dedemsvaart waar ze door de fanfare werden opgewacht. Hij woonde diep in de bossen in Ommen in een in een zomerhuisje omdat hij in verband met de woningnood geen gewoon huis kon krijgen. Toen de pers de andere dag naar hem op zoek was en eindelijk het huisje gevonden had was hij niet thuis. Hij had tegen zijn vrouw gezegd:"Ik ga even in het bos voor een loopje. De spieren zijn nog wat stram".

Van zijn prestatie werd Paping niet rijk. Hij kreeg twee jaarkaarten voor de ijsbaan in Deventer, van de provincie Overijssel kreeg hij een zilveren sigarettendoos (voor een sportman ??) en een onbekende had hem in Ommen een tientje in de hand gedrukt.

Bij zijn eerste televisie-interview vertelde hij dat hij elke ochtend Brinta at. W.A. Scholten's Chemische Fabrieken (het latere Koninklijke Scholten Honig) nam contact met hem op en Paping werkte mee aan een reclamecampagne "Niemand de deur uit zonder Brinta". Daarvoor gebruikten ze een foto van Paping. De reclamecampagne was een succes en er werd meer Brinta verkocht. En wat kreeg Paping voor zijn medewerking aan de campagne ? Hij ontving 500 gulden, een aansteker (voor een sportman ??) en een föhn voor zijn vrouw.

Paping begon, vrijwel direct na zijn overwinning, een sportzaak in Zwolle die dank zij zijn naam goed liep. Pas na 22 jaar, in 1985, was er weer een Elfstedentocht. Evert van Bentum, die zijn eerst noren nog in de winkel van Paping gekocht had, won. Het jaar daarop werd er weer een Elfstedentocht gereden en weer won Van Bentum. Dat waren gouden winters voor de winkel van Paping. Het was in die winters hét adres waar je moest zijn om schaatsen te kopen en een goed advies te krijgen.

"DOE EEN LUIER OM TEGEN DE KOU"

Artsen waarschuwen rijders voor bevroren geslachtsdelen.

 

"IK GA WINNEN!"

 

 

 

KONINGIN VLUCHT MET PUBLIEK VAN FINISH, IJSVLOER BOOG SCHEUREND DOOR.

Koningin Juliana en prinses Beatrix van ijs gehaald tijdens finish wegens extreme drukte.

 

Tijdens de finish van de Elfstedentocht op de Groote Wielen van 18 januari 1963 ontsnapte Nederland aan een ramp van enorme omvang. Toen Reinier Paping iets voor half vijf zijn laatste meters schaatste, stroomde het ijs vol met toeschouwers. Ongeveer op hetzelfde moment parkeerde de Koninklijke helikopter met koningin Juliana en haar dochter Beatrix op datzelfde ijs, wat een nieuwe golf enthousiasme en vooral mensen veroorzaakte. Het ijs bolde, er kwam water op en opeens kwamen honderden mensen, inclusief Paping en de koningin, in direct levensgevaar. Het water eronder was namelijk zo’n zes meter diep en een duik daarin betekende een bijna zekere dood.

 

REINIER PAPING WINT BARRE TOCHT.

 

Reinier Paping, wint na lange solorit.

 

Elfstedentocht bij Hindeloopen, 1963.

 

ELFSTEDENTOCHT REINIER PAPING 1963

 

1985

21 februari 1985.
Lichte dooi. Weinig wind.

Vrij goed ijs, watervorming.
277 wedstrijdrijders aan de start, 224 geklasseerd.
16.000 toerrijders, 13.066 volbracht.
Winnaar: Evert van Benthem, uit St. Jansklooster.

 

WEL OF GEEN TOCHT NA 22 JAAR?

 

De ijsmeesters rekenen zich suf of er weer een Elfstedentocht mogelijk is.

 

 

Na de tocht van 1963 zullen we 22 jaar moeten wachten. In 1985 gebeurt het dan! 16179 tochtrijders en 276 deelnemers beginnen aan de Tocht der Tochten. Vier marathonrijders onderscheiden zich, Jan Kooiman, Jos Niesten, Henri Ruitenberg en Evert van Benthem. Al na ruim zes uur komen zij op de Bonke onder de rook van Leeuwarden. In een adembenemende eindsprint moet de tocht die in recordtijd is gereden, worden beslist.

De lichtvoetige Van Benthem legt zijn concurrenten in de luren. Met enkele decimeters voorsprong finisht hij als eerste voor Ruitenberg, Niesten en Kooiman.

 

Op 19 januari 1985 werd het ijs afgekeurd.

 

IEDEREEN WIL MEEDOEN.

 

Drukte in Leeuwarden.

 

Ook in Amsterdam zijn er lange rijen wachtende.

 

Evert van Benthem wint zijn eerste Elfstedentocht.

 

 

Evert van Benthem heeft de eerste Elfstedentocht sinds 1963 gewonnen. Ook in 1986 eindigt hij als eerste. Jan Sipkema rechts van de winnaar Evert van Benthem.

 

 

  Een toerrijder kust de finish.

Elfstedentocht 1985

 

1986

Het weer, dat zo vaak voor verrassingen zorgt, doet dat een jaar later ook. Gunstige weersomstandigheden begeleidden de veertiende Elfstedentocht. Aandachttrekkende figuur is weer Evert van Benthem. Jan Kooiman is een geduchte concurrent.

Maar die laatste kan niet doen wat hij een jaar eerder deed. Rein Jonker en Robert Kamperman wel. Zij rijden in de frontlinie maar moeten in de finale buigen voor de ongenaakbare Van Benthem. Tot slot de klinkende cijfers van dit grootse festijn: er zijn 16999 deelnemers gestart, onder wie 862 vrouwen en 115 buitenlanders. Aan de wedstrijd deden 317 rijders mee en er konden bijna 15.000 kruisjes worden uitgereikt, 14989 om precies te zijn.....

EVERT VAN BENTHEM WINT OPNIEUW.

 

Voor de tweede opeenvolgende keer wint Evert van Benthem.

 

KROONPRINS GESIGNALEERD.

 

In het grootste geheim staat prins Willem-Alexander op het ijs.

En rijd ook de gehele toer uit, waar zijn trotse ouders hem staan op te wachten.

 

 

Willem Alexander nam in 1986 deel aan de Elfstedentocht als gevolg van een weddenschap met een paar medestudenten. Hij schreef zich in onder de schuilnaam 'Willem van Buren'. Later is hij nog vaker schaatsend in de publiciteit geweest. Met de meeste Olympisch goud winnaars heeft hij wel eens een rondje geschaatst.

video willem-alexander-rijdt-de-elfstedentocht-1986

Erik Hulzenbosch en Evert van Benthem

ELFSTEDENTOCHT 1986

 

1997

EINDELIJK WEER EEN ELFSTEDENTOCHT.

 

 

Voor de eerste keer sinds 1986 krijgen we weer een Elfstedentocht.

Friesland intens bedankt! De vijftiende Elfstedentocht werd er één van ongekend enthousiasme, van organisatorische perfectie en hartverwarmende topsport, waar heel Nederland trots op mag zijn.

De voorspelde poolkou weerhield onze schaatsprovincie er niet van om de Tocht der Tochten te voorzien van een feestdecor dat zijn weerga niet kende. Anderhalf miljoen toeschouwers zongen van 's ochtends vroeg tot middernacht het hart uit hun lijf bij het passeren van iedere rijder door één der elf fameuze steden. Friesland kreeg een half miljoen schaatsgekke 'Hollanders' op bezoek: er viel geen wanklank.

Met de majestueuze winnaar Henk Angenent in de hoofdrol en met al die vele duizenden toerrijders die de bittere koude de baas bleven, werd zaterdag 4 januari 1997 een dag om nooit meer te vergeten. Nederland was 24 uur lang Friesland. Vanmiddag om 12.19.18 uur ging hij op de Bonke bij Leeuwarden als magistrale winnaar van de vijftiende Elfstedentocht over de eindstreep. De 29 jarige spruitjes kweker uit Alphen aan de Rijn bleef op de meet de grote favoriet Erik Hulzebosch een metertje voor. Derde werd de Nederlands kampioen Bert Verduin en vierde werd Henk van Benthem. Als vijfde kwam Piet Kleine binnen. De gouden medaille winnaar tijdens de Winterspelen van 1976 dreigt echter gediskwalificeerd te worden. Kleine miste in Stavoren de stempelpost.

Evert van Benthem heeft een opvolger.

HENK ANGENENT VERSLAAT ALLE FAVORIETEN.

Uitslag Elfstedentocht.

1. Henk Angenent, 6.49.18 

2. Erik Hulzebosch, z.t. 

3. Bert Verduin, , +0.01 

4. Henk van Benthem,+0.03 

5. Arnold Stam, +0.49 

6. Ruud Borst,  +11. 04 

7. Hans Pieterse, z.t. 

8. Yep Kramer,  z.t. 

9. Willem Poelstra,  +12.00 

10. Fausto De Marreiros,  z.t. 

 

Voor Gauke Bootsma, kent de Elfstedentocht geen geheimen meer.

 

DEZE EEUW MINDER KANS OP ELFSTEDENTOCHT.

 

KNMI voorspelt minder goede winters door klimaatwijziging

Toelichting bij figuur

Berekende relatieve kans op een potentiële Elfstedentocht (ijsdikte in Friesland > 15 cm) voor de 21e eeuw. De ondergrens van het IPCC komt overeen met een temperatuurstijging van 0 °C in 1990 tot 1,4 °C in 2100. Bij het midden scenario bedraagt de stijging 3,6 en bij bovengrens 5,8°C in 2100. Voor de berekening is aangenomen dat de temperatuurstijging tussen 1990 en 2100 lineair verloopt.

De Elfstedentocht van 1997 NOS Deel 1

De Elfstedentocht van '97 NOS Deel 2

De Elfstedentocht van '97 NOS Deel 3

100 Jaar Elfstedentocht

 

Meer dan 200 JAAR ELFSTEDENTOCHT.... -De tocht der tochten.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.