| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |

 

 

De Elfstedentocht "De tocht der Tochten".

 

Uit redactie van J.P. Wiersma.

 

 

 

 

Als "Hear Jûkelbird" - zooals de winter van oudsher in Friesland wordt genoemd - de wateren met zijn verstijvenden adem heeft aangeraakt, dan is geen Fries geheel zichzelve meer. Dan grijpt in de gemoederen een stemmingsverandering plaats; een bewustzijnsverwijding maakt de geesten een weinig minder zwaartillend.

De wintersche sfeer van strakke luchten en scherp doordringenden Oostenwind verandert het menschdom als bij tooverslag. Lange slierten schaatsenrijders zwieren over het ijs van vaarten en meren, geheel vervuld van nieuwe gewaarwordingen, die verjongen en opstuwen naar geestdrift en actie.

Is het ijs overal voldoende sterk geworden, dan komt de mogelijkheid van het
houden van den Elfstedentocht in het midden der discussie te staan. De
geschiedenis van dezen tocht werkt in vele geesten als een romantische legende,
en altijd weer grijpt de Friesche mensch naar deze boeiende stof van de
schoonste odyssée in het land der Elf Steden.

Altijd opnieuw zal de rijpe jeugd verlieven op de idee, in één dag per schaats de Elf Steden te bezoeken.
Deze drang naar daden op het gebied van de ijssport is den Fries als het ware ingeschapen. Bekend is, dat het schoonrijden, dat elders in het land beoefend wordt, in Friesland niet in eere is. Moge de niet-Fries zich toeleggen op bevalligheid en zwier, het hoofddoel van den Fries is: vooruit te komen, afstanden af te leggen. Andere provincies te bezoeken is sedert menschenheugenis de voornaamste sport geweest.

Vroeger, toen er nog geen spoorwegen waren, was het de voornaamste liefhebberij van de Friezen om per schaats de stad Groningen te bezoeken. Op de terugreis deed men volgens de traditie de Leek (in 't Friesch: de Like ) aan, om er ruwe kunstbloemen, die door de dorpelingen werden gemaakt van hulsttakjes, gekleurd papier en klatergoud, zgn. like-blommen, als aandenken mee naar huis te nemen. In zeer strenge winters werden tochten gemaakt van Friesland uit naar Enkhuizen, naar Ameland en Schiermonnikoog.

Uit welk jaar het eerste ijsfeit stamt, dat nu tot een schoone traditie is uitgegroeid, valt uiteraard niet te zeggen. De geschiedschrijvers zijn daarover uiterst spaarzaam met hun mededeelingen. Men leest wel van strenge winters en dergelijke bijzonderheden, maar van den Elfstedentocht zal men zoo goed als niets opgeteekend vinden. In den "Tegenwoordigen Staat van Friesland" (1763) leest men op pagina III:

" Het is ook meer als eens gebeurt, dat goede schaatse-ryders op eene winterse dag alle de XI Steden van Friesland doorgereden en gezien hebben; dog dan moeten ze nergens lang vertoeven en 't Ys moet goed en sterk wezen" .

Hieruit zou men kunnen concludeeren, dat de mode om op één dag de Elf Friesche Steden per schaats te bezoeken, bijkans twee honderd jaren oud is!
Uit de 18e eeuw is omtrent dit ijsfeit al even weinig bekend. Ons rest slechts uit die eeuw een versje, dat betrekking heeft op iemand uit Bolsward, zekeren Pier, die de Elf Steden bezocht. Het (fragmentarisch) gedichtje luidt als volgt:


"De knaap was lang berucht,
Voor 't baasje, dat gelijk een vogel door de lucht
Kon vliegen over 't ijs. 't Is Pier, die de ellef steden
Van Friesland. op één dag, heeft in het rond gereden,
En nog zijn maal met vrede at in den Oliekoek
Te Bolsward in den stal, bij Vetlap van der Hoek."


Uit de eerste helft van de 19e eeuw valt het volgende ijsfeit te vermelden: De
gebroeders Atze en Eelke Jans Jager te Oldeboorn bezochten in den winter
van 1848 de Elf Steden. De krant gaf er destijds het volgende relaas van.

"Op den 30 Januarij 1848, des morgens ten 8½ ure, zijn van Oldeboorn op schaatsen vertrokken de beide broeders Atze en Eelke Jans Jager, ten einde een bezoek te brengen aan de elf steden onzer provincie. Niettegenstaande den dooi, het slechte ijs en den sterken zuidelijken en zuid-westelijken wind, hebben deze krachtvolle mannen hunne reis volbragt in 14½ uren, en zijn des avonds ten 11 ure te Oldeboorn teruggekomen

"Wanneer men de zwarigheden in aanmerking neemt, waarmee onze reizigers te worstelen hadden, dan moet men inderdaad het volhoudingsvermogen bewonderen van mannen als zij, die bij hunne dorpsgenooten ten dien opzichte ook roemvol bekend zijn, en van wier verschillende togten, bij nacht zoowel als bij dag, tot het vervoeren van zware lasten, men dikwijls met verbazing hoort verhalen.

"Hun voornemen was des morgens ten 5 ure te vertrekken en alsdan van Stavoren bovendien nog een uitstapje naar Enkhuizen te doen, doch de dooi en het slechte weer bragten hun voornemen aan het wankelen en deden hen eindelijk besluiten alleen de elf steden te bezoeken. Volgens hunne verklaring zouden zij, indien zij 's morgens eenige uren vroeger vertrokken waren, en alzoo vóór het sterke insnijden een goed gedeelte hunner reis hadden afgelegd, dezelve op hun gemak in 12 uren hebben kunnen doen, en zouden zij bij gunstig weder en goed ijs bijna in denzelfden tijd, dien zij nu hebben besteed, bovendien Enkhuizen hebben kunnen bezoeken.

"Volgens gehoudene lijst, in de verschillende steden afgeteekend, waren zij te
Dockum ten 10½ ure; te Leeuwarden ten 12 ure; te Franeker ten 1½ ure; te Harlingen ten 2 ure; te Bolsward ten 3¼ ure; te Workum ten 4½ ure; te Hindeloopen ten 5½ ure; te Stavoren ten 6 ure; te Sloten ten 8 ure; te IJlst ten 9 ure; te Sneek ten 9½ ure; te Oldeboorn terug ten 11 ure."

Hard greep destijds de mode van den Elfstedentocht nog niet om zich heen. Het is in dien tijd een witte raaf die het eens probeert. In de jaren tusschen 1848 en 1862 leest men niets meer van volbrachte ijstochten langs de Elf-Steden. In het laatste jaar echter daagt er een eenling op, die den tocht volbrengt. Van dezen Elfstedentocht geven wij het verslag van de Leeuwarder-Courant.

"De heer W. Troost, een Hagenaar, doch sedert 1854 ingezetene van Leeuwarden, heeft verleden week - Zondag 26 Januari 1862 - binnen één etmaal al de elf steden dezer provincie geheel alleen bij fellen Noordoostenwind op, schaatsen bezocht. Zondagmorgen vertrok hij ten 6¼ ure naar Dokkum: was ten 4½ ure te Leeuwarden retour. De geheele reis werd volbracht in 22 uren; daarvan moeten 2 uren worden afgetrokken, die de heer Troost, tengevolge van een verkeerde aanwijzing van den weg. is misgereden, en voorts nog 4½ uur van oponthoud op de bezochte plaatsen (alles volgens verklaringen van geloofwaardige personen in het zakboekje van den heer Troost aangeteekend), zoodat de eigenlijke reis, waarvan het begin en het einde onder het voordeel van maanlicht, in 15½ uren is volbragt.  Bij Stavoren bereed de heer Troost, in gezelschap van eenige personen, de Zuiderzee".

Zes jaar later, in den winter van 1868, bezochten de Friezen Sjoerd van der Wey en Piet Dikhoff, van Bolsward uit, de Elf Steden. Zij vertrokken des morgens om vier uur en kwamen 's avonds om zeven uur in Bolsward aan.

De winter van December 1890 bracht op het Friesche ijs een man naar voren, wiens naam klank in de ijssport heeft gekregen en die ter zake van de organisatie van den Elfstedentocht baanbrekend werk heeft verricht. Het was de heer W. J. H. MULIER, die op 20 December 1890 naar Leeuwarden kwam om den volgenden dag per schaats de Elf Steden te bezoeken. Wij volgen zijn aardig reisverhaal.

TOCHT VAN MULIER IN 1890 (in 12 uur en 55 minuten).

"De lust om dezen tocht te ondernemen en vooral om den tijd te verbeteren, had mij reeds lang geplaagd en op 20 December vroegtijdig te kooi gaande, werd ik den volgenden morgen te 6 uur door den kellner gewekt; liet mij rug en beenen stevig met arnica inwrijven, stak mij in tricot en bijbehooren, en deed, om niet te veel opzien te verwekken, over mijn trui een vest aan.

Met een dikken wollen muts op, kreeg ik iets van het gesoigneerde, dat den Frieschen schipper eigen is. Een stuk chocolade, een horloge, een paar zakdoeken, eenige guldens, een mes, touwtje, riemen en één schaats op den rug voor het breken en precies 7 uur stond ik op het smalle grachtje voor het hotel.

Daarna links om en de Singels op, naar de Ee toe, doch ik raakte verzeild op een soort sloot, die naar de ijsbaan voerde. Een bakkersjongen hielp mij weer terecht en ik reed de Ee op. In 't eerst was 't ijs verlicht door de stadslantaarns. doch daarna werd het zeer donker, het ijs was ellendig. Het was een oud, tot hobbels en kuilen gereden baantje, waar men geen streek op doen kon. Toch kwam ik er goed af. Ik had, om het welslagen van den tocht niet van een val te kunnen doen afhangen, een paar zakdoeken op mijne knieën gebonden en dikke handschoenen aan. Hierdoor liepen de twee tuimelingen, die ik deed, goed af.

Het was vinnig koud en ik kon mij, daar ik onmogelijk harder durfde gaan, niet warm rijden. Halverwege Dokkum buigt de Ee rechts af, maar toen hield ook tevens de baan op en moest ik circa 500 meter door de sneeuw loopen.
Daarna weer een eind zeer goed ijs, en toen weder ca. 1000 meter door de sneeuw, die zoowat een hand hoog lag. Daarna zag ik het tweede levende wezen, een baanveger.

Dit gaf moed en ik zette nu zoo hard mogelijk door naar Dokkum. Het was intusschen licht geworden, doch nog zeer koud. "Het staat te luisteren", zeggen de boeren in Noord-Holland. ,,'t Morgen gaapte", zeggen de Zuid-Hollanders. Ja, zoo was het; stralend kwam de zon boven den nevel uit en toen ik te Dokkum kwam, was het over half negen. Fluks een ophaalbrug onder door en op schaatsen een herberg binnen, waar een oude moeke een jongetje dat op een stoel stond, aankleedde.

"Heere da's aardig, da hewwe in lang niet had", zei ze en krabbelde op mijn papiertje haar naam en den tijd, dien ze van uit haar venster op den toren kon zien. Daarna ging ik onmiddellijk weer op Leeuwarden aan, hetwelk ik nu te 9 uur 45 min., dus in ca. 5 kwartier bereikte. De sneeuw was hier en daar reeds in banen veranderd, (want er waren nog een aantal baanvegers bijgekomen) en na mij in draf naar het huis van den heer Hofstede gespoed te hebben, gingen we gezamenlijk te 10 uur 20 min. van Leeuwarden en waren te 10 uur 50 min. te Franeker, en onmiddellijk doorrijdende te 11 uur 20 min. te Harlingen. De heer Hofstede is een taai, gespierd rijder, doch verschilde iets in lengte van streek met mij, hetgeen nog al vermoeide. Na hem voor zijn vriendelijke hulp zeer bedankt te hebben, reed ik naar Bolsward, alwaar ik te 12 uur 35 min. aankwam, Dit eind heb ik flink doorgereden, om in Bolsward te kunnen rusten.
 

De tocht van den heer Mulier in 1890. Het eerste briefje met controleposten.

 

Door een misverstand was de gids, dien ik daar zou krijgen, nog niet gearriveerd, doch moest gehaald worden. Eerst te 1 uur 15 min. kon ik weder vertrekken met mijn gids, een bakker aldaar en een vrij goed rijder; hij kreeg echter na 5 min. een gebrek aan een zijner schaatsen en reed terug om andere te halen. Eindelijk gingen we op weg, waarbij hij het al spoedig enorm warm kreeg. Toch reed hij flink en waren we te 1 uur 45 min. te Workum (dus in ½ uur). Was de pas te Bolsward door mijn neef J. Haitsma Mulier geteekend, te Workum was het J. Sensma, herbergier in de Zwaan, die mij guiteerde.

Nu met volle stoom naar Hindeloopen, waar wij, om de vaart waarmede wij binnen de gemeentebaan stoven, veel bekijks hadden. Bij de bejaarde weduwe Boer in de Wijnberg, wier gracieuse handteekening nog steeds in mijn bezit is, werd ik weder te 2 uur geëxpedieerd, nadat Tuininga en ik ons aan geklopte eieren hadden te goed gedaan. Daarna hadden wij een moeilijken weg naar Stavoren, daar die dikwerf ondergesneeuwd was. Te 2.50 uur kwamen we daar aan en stapten het station binnen, waar we weer wat aten, daar wij beiden zeer hongerig waren en waar de stationschef mij controleerde.

Na bouillon en een paar eieren met broodjes in een minimum van tijd te hebben verorberd, togen we te 3.10 weer op weg. Tuininga begon nu een beetje moe te worden, zoodat ik van tijd tot tijd vóór reed, doch niet zoo hard als 't kon.
Mijn trouwe gids bracht me nu over de meren en over ondergeloopen velden via Balk op weg naar Sloten. Welk een prachtig gezicht! Pas hadden we de bosschen van Gaasterland, die aan een Geldersche natuur doen denken, achter den rug of we kwamen op de groote meren.

De zon ging bloedrood onder en statig bescheen de maan het onafzienbare ijsveld. Midden in het meer waren een paar enorme scheuren, circa ½ meter breed, en zoo lang als men zien kon. Dit komt van de temperatuurveranderingen, die het ijs doen af- en toenemen in volume en het bij felle vorst opdringt, zoodat de stukken er met een knal uitspatten. Men noemt het daar "het kisten". Het was een prachtig gezicht. Er waren echter bruggemannen bij, die met een lantaarn de plaatsen aanduidden, waar die scheuren zich bevonden.

In de verte zagen wij flauw een paar lichten en een groep boomen bij twee
kolossale ophaalbruggen. "Dêr mutte wy op oan, mar Jo mutte net sa duvels hird ride". zei Tuininga.
Eindelijk waren we de meren en ondergeloopen landen over en kwamen we te 4 uur 45 min. te Sloten, waar mijn geachte neef Haersma de With mijn paspoort afteekende, met de in de gegeven omstandigheden lastige vraag: "Blijf je eten?" Doch voort gingen we weer, nu op IJlst aan, waar ,we te 5.50 uur aankwamen. Hier zeide ik mijn trouwen gids vaarwel, en na hem betaald en een flinker; handdruk gegeven te hebben, was ik te 6 uur precies aan de stadsherberg te IJlst gecontroleerd door J. S. Heslinga en was te 6.15 uur te Sneek; ik had een prachtige baan voor mij en reed zoo hard ik kon; van tijd
tot tijd een beetje uitgejouwd door boeren, die ik voorbij reed, doch dat maakt den mensch kwaadaardig en des te harder gaat het.

Te Sneek werd ik door G. S. Bokma geviseerd en was te 6.25 uur van de strooplank en op de baan. Intusschen was de maan achter de wolken weggescholen en hoewel ik zoo hard mogelijk reed, moest ik toch opletten niet te vallen. Te circa kwart voor achten kreeg ik de lichten van Leeuwarden in het gezicht en gooide de armen van den rug, - en deze lustig zwaaiende kwam ik te 7.55 uur aan het einde van de gracht. Te 8 uur in 't hotel Weidema werd het zeer vies geworden papiertje door den oberkellner geviseerd, (die me eerst te 9½ uur verwacht had) zooals hij zeide, en was de geheele rit volbracht in 12 uur 55 minuten. Zelden heb ik zoo'n prettigen dag gehad."

-Aan dit verhaal voegde Mulier het volgende naschrift toe.

"De heeren B. B. Taring, (Champ. of Lond. t. Metropol. Ass.), Louis Tebbutt en C. G. Tebbutt (houder van het 3-uurs record), hebben getracht bovengenoemden tijd te slaan, doch het mocht hun niet gelukken. Toch is hun tocht zeer verdienstelijk geweest. Laudanda est voluntas en het is zeker voor een vreemdeling, al kent hij ook het land zoo goed als Tebbutt, die elke vaart in N.-Holland en Z.-Holland weet te vinden, toch een aardige en prijzenswaardige onderneming, om dit Nederlandsch gebruik te willen navolgen.
Zij vertrokken te 4.50 uit Leeuwarden en kwamen te 6.40 te Dokkum, waar zij hun bewijs door een baanveger op 't ijs lieten teekenen. (N.B. Dit is feitelijk niet geoorloofd. Te 7.55 waren zij te Leeuwarden terug (het ijs was hobbelig). Taring viel dan ook viermaal, Louis Tebbutt driemaal en C. Tebbutt eens.

Te 8.30 waren wij, na te Leeuwarden gerust te hebben, weer op weg, over prachtig ijs naar Sneek (9.40). Te 9.55 kwamen zij te IJlst. Te 11.10 bereikten zij Sloten, daar zij niet (zooals Tuinstra en ik deden) door de sneeuw reden, doch liepen. Eindelijk gingen zij daartoe over en bereikten Balk, vanwaar zij weer goed ijs vonden, afgewisseld door sneeuw.
Na een kwartier rust op weg naar Stavoren, waar zij te 1.05 aankwamen, en toen naar Hindelocpen (1.50), te 2.40 (dus na 50 min. rust) weder op weg naar Workum; te Bolsward waren zij te 3.50. Te 4 uur toog men op weg naar Harlingen, waar zij te 5.05 (over goed ijs) aankwamen. Te Franeker (na 15 minuten rust te Harlingen) waren zij te 6.10; te 6.15 reden zij in een soort half-duister naar Leeuwarden (op zeer goed ijs). Te 7.27 bereikten zij het hotel de Doelen, zoodat zij 14 uur en 37 minuten hadden noodig gehad.

Als men nu nagaat, dat zeer veel Friesche boeren het in dien tijd kunnen doen
(minstens een 100 à 200) daar men altijd met sneeuwen een beetje duisternis
te worstelen heeft, dan blijkt daaruit, hoe vele goede krachten wij in onze
Noordelijke provinciën bezitten."

Tot zoover de heer Mulier.

Wat voorts den Elfstedentocht van den heer Mulier betreft, heeft mr. M. E. Hepkerna, voorzitter der Elfstedenvereeniging, in het goed verzorgde en zeer lezenswaardige jubileumboek van deze vereeniging (1934) terecht opgemerkt, dat Mulier stellig nog wel een beteren tijd zou hebben gemaakt, indien hij in elke stad "een tafeltje-dek-je" had gevonden, waar hij, gelijk dat bij de latere tochten steeds het geval is geweest, op zijn wenken bediend was.

Later heeft de heer Mulier den heer Hepkema eens verteld, hoeveel moeite het hem in de onderscheidene steden had gekost om de noodige handteekeningen te krijgen.
Is het te verwonderen, dat de Elfstedenvereeniging in den heer Mulier den
geestelijken vader der vereeniging ziet, die het initiatief nam tot een tocht, die thans vermaard mag heeten?

In genoemd jubileumboekje kreeg de foto van den jeugdigen Mulier dan ook
een eereplaatsje, terwijl daarbij o.m. het volgende als eereschrift werd geplaatst:
"Eerst in 1912 mocht het den oud-wereldkampioen C. C. J. de Koning gelukken,
den ongekroonden Elf-Steden-Koning te onttronen en sindsdien zijn nog maar enkelen van de vele honderden rijders er in geslaagd een korteren tijd te maken. Met alle recht kon Jan Feith hem na het volbrengen van onzen eersten Elf-Steden-Tocht in 1912, waarvan het initiatief ook van hem is uitgegaan, in de Kampioen huldigen als "ons aller ijs-voorman uit het vorig geslacht en ons aller onverwoestbare voorbeeld in het heden - den oer-Fries, den veteraan-sportman, de vijftigjarige sportincarnatie van ons Hollandsche ras."

In den strengen winter van 1890-1891, toen Mulier den tocht reed, hebben eenige honderden Friezen eveneens de reis per schaats langs de Elf Steden gemaakt. Er bestaat een lijst, bevattende de namen van 221 mannen en 6 vrouwen, die op één dag op schaatsen de Elf Steden bezochten en hun namen bij den kastelein Jan Heslinga te IJlst hebben afgeteekend. Men mag gerust aannemen, dat in dien winter 400 à 500 Friezen den enormen tocht hebben volbracht, meestal in groepjes en dan achter elkaar aan den stok.

 

 

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |

 

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.