|
De Elfstedentocht "De tocht der Tochten".
Uit redactie van J.P. Wiersma.



Als "Hear Jûkelbird" - zooals
de winter van oudsher in Friesland wordt genoemd - de
wateren met zijn verstijvenden adem heeft aangeraakt, dan is
geen Fries geheel zichzelve meer. Dan grijpt in de
gemoederen een stemmingsverandering plaats; een
bewustzijnsverwijding maakt de geesten een weinig minder
zwaartillend.
De wintersche sfeer van
strakke luchten en scherp doordringenden Oostenwind
verandert het menschdom als bij tooverslag. Lange slierten
schaatsenrijders zwieren over het ijs van vaarten en meren,
geheel vervuld van nieuwe gewaarwordingen, die verjongen en
opstuwen naar geestdrift en actie.
Is het ijs overal voldoende
sterk geworden, dan komt de mogelijkheid van het
houden van den Elfstedentocht in het midden der discussie te
staan. De
geschiedenis van dezen tocht werkt in vele geesten als een
romantische legende,
en altijd weer grijpt de Friesche mensch naar deze boeiende
stof van de
schoonste odyssée in het land der Elf Steden.
Altijd opnieuw zal de rijpe
jeugd verlieven op de idee, in één dag per schaats de Elf
Steden te bezoeken.
Deze drang naar daden op het gebied van de ijssport is den
Fries als het ware ingeschapen. Bekend is, dat het
schoonrijden, dat elders in het land beoefend wordt, in
Friesland niet in eere is. Moge de niet-Fries zich toeleggen
op bevalligheid en zwier, het hoofddoel van den Fries is:
vooruit te komen, afstanden af te leggen. Andere provincies
te bezoeken is sedert menschenheugenis de voornaamste sport
geweest.
Vroeger, toen er nog geen
spoorwegen waren, was het de voornaamste liefhebberij van de
Friezen om per schaats de stad Groningen te bezoeken. Op de
terugreis deed men volgens de traditie de Leek (in 't
Friesch: de Like ) aan, om er ruwe kunstbloemen, die door de
dorpelingen werden gemaakt van hulsttakjes, gekleurd papier
en klatergoud, zgn. like-blommen, als aandenken mee
naar huis te nemen. In zeer strenge winters werden tochten
gemaakt van Friesland uit naar Enkhuizen, naar Ameland en
Schiermonnikoog.
Uit welk jaar het eerste
ijsfeit stamt, dat nu tot een schoone traditie is
uitgegroeid, valt uiteraard niet te zeggen. De
geschiedschrijvers zijn daarover uiterst spaarzaam met hun
mededeelingen. Men leest wel van strenge winters en
dergelijke bijzonderheden, maar van den Elfstedentocht zal
men zoo goed als niets opgeteekend vinden. In den "Tegenwoordigen
Staat van Friesland" (1763) leest men op pagina III:
" Het is ook meer als eens
gebeurt, dat goede schaatse-ryders op eene winterse dag alle
de XI Steden van Friesland doorgereden en gezien hebben; dog
dan moeten ze nergens lang vertoeven en 't Ys moet goed en
sterk wezen" .
Hieruit zou men kunnen
concludeeren, dat de mode om op één dag de Elf Friesche
Steden per schaats te bezoeken, bijkans twee honderd jaren
oud is!
Uit de 18e eeuw is omtrent dit ijsfeit al even weinig
bekend. Ons rest slechts uit die eeuw een versje, dat
betrekking heeft op iemand uit Bolsward, zekeren Pier, die
de Elf Steden bezocht. Het (fragmentarisch) gedichtje luidt
als volgt:
"De knaap was lang berucht,
Voor 't baasje, dat gelijk een vogel door de lucht
Kon vliegen over 't ijs. 't Is Pier, die de ellef steden
Van Friesland. op één dag, heeft in het rond gereden,
En nog zijn maal met vrede at in den Oliekoek
Te Bolsward in den stal, bij Vetlap van der Hoek."
Uit de eerste helft van de 19e eeuw valt het volgende
ijsfeit te vermelden: De
gebroeders Atze en Eelke Jans Jager te Oldeboorn bezochten
in den winter
van 1848 de Elf Steden. De krant gaf er destijds het
volgende relaas van.
"Op den 30 Januarij 1848, des
morgens ten 8½ ure, zijn van Oldeboorn op schaatsen
vertrokken de beide broeders Atze en Eelke Jans Jager, ten
einde een bezoek te brengen aan de elf steden onzer
provincie. Niettegenstaande den dooi, het slechte ijs en den
sterken zuidelijken en zuid-westelijken wind, hebben deze
krachtvolle mannen hunne reis volbragt in 14½ uren, en zijn
des avonds ten 11 ure te Oldeboorn teruggekomen
"Wanneer men de zwarigheden in
aanmerking neemt, waarmee onze reizigers te worstelen
hadden, dan moet men inderdaad het volhoudingsvermogen
bewonderen van mannen als zij, die bij hunne dorpsgenooten
ten dien opzichte ook roemvol bekend zijn, en van wier
verschillende togten, bij nacht zoowel als bij dag, tot het
vervoeren van zware lasten, men dikwijls met verbazing hoort
verhalen.
"Hun voornemen was des morgens
ten 5 ure te vertrekken en alsdan van Stavoren bovendien nog
een uitstapje naar Enkhuizen te doen, doch de dooi en het
slechte weer bragten hun voornemen aan het wankelen en deden
hen eindelijk besluiten alleen de elf steden te bezoeken.
Volgens hunne verklaring zouden zij, indien zij 's morgens
eenige uren vroeger vertrokken waren, en alzoo vóór het
sterke insnijden een goed gedeelte hunner reis hadden
afgelegd, dezelve op hun gemak in 12 uren hebben kunnen
doen, en zouden zij bij gunstig weder en goed ijs bijna in
denzelfden tijd, dien zij nu hebben besteed, bovendien
Enkhuizen hebben kunnen bezoeken.
"Volgens gehoudene lijst, in de verschillende steden
afgeteekend, waren zij te
Dockum ten 10½ ure; te Leeuwarden ten 12 ure; te Franeker
ten 1½ ure; te Harlingen ten 2 ure; te Bolsward ten 3¼ ure;
te Workum ten 4½ ure; te Hindeloopen ten 5½ ure; te Stavoren
ten 6 ure; te Sloten ten 8 ure; te IJlst ten 9 ure; te Sneek
ten 9½ ure; te Oldeboorn terug ten 11 ure."
Hard greep destijds de mode
van den Elfstedentocht nog niet om zich heen. Het is in dien
tijd een witte raaf die het eens probeert. In de jaren
tusschen 1848 en 1862 leest men niets meer van volbrachte
ijstochten langs de Elf-Steden. In het laatste jaar echter
daagt er een eenling op, die den tocht volbrengt. Van dezen
Elfstedentocht geven wij het verslag van de
Leeuwarder-Courant.
"De heer W. Troost, een
Hagenaar, doch sedert 1854 ingezetene van Leeuwarden, heeft
verleden week - Zondag 26 Januari 1862 - binnen één etmaal
al de elf steden dezer provincie geheel alleen bij
fellen Noordoostenwind op, schaatsen bezocht. Zondagmorgen
vertrok hij ten 6¼ ure naar Dokkum: was ten 4½ ure te
Leeuwarden retour. De geheele reis werd volbracht in 22
uren; daarvan moeten 2 uren worden afgetrokken, die de heer
Troost, tengevolge van een verkeerde aanwijzing van den weg.
is misgereden, en voorts nog 4½ uur van oponthoud op de
bezochte plaatsen (alles volgens verklaringen van
geloofwaardige personen in het zakboekje van den heer Troost
aangeteekend), zoodat de eigenlijke reis, waarvan het begin
en het einde onder het voordeel van maanlicht, in 15½ uren
is volbragt. Bij Stavoren bereed de heer Troost, in
gezelschap van eenige personen, de Zuiderzee".
Zes jaar later, in den winter
van 1868, bezochten de Friezen Sjoerd van der Wey en Piet
Dikhoff, van Bolsward uit, de Elf Steden. Zij vertrokken des
morgens om vier uur en kwamen 's avonds om zeven uur in
Bolsward aan.
De winter van December 1890
bracht op het Friesche ijs een man naar voren, wiens naam
klank in de ijssport heeft gekregen en die ter zake van de
organisatie van den Elfstedentocht baanbrekend werk heeft
verricht. Het was de heer W. J. H. MULIER, die op 20
December 1890 naar Leeuwarden kwam om den volgenden dag per
schaats de Elf Steden te bezoeken. Wij volgen zijn aardig
reisverhaal.
TOCHT VAN MULIER IN 1890
(in 12 uur en 55
minuten).
"De lust om dezen tocht te
ondernemen en vooral om den tijd te verbeteren, had mij
reeds lang geplaagd en op 20 December vroegtijdig te kooi
gaande, werd ik den volgenden morgen te 6 uur door den
kellner gewekt; liet mij rug en beenen stevig met arnica
inwrijven, stak mij in tricot en bijbehooren, en deed, om
niet te veel opzien te verwekken, over mijn trui een vest
aan.
Met een dikken wollen muts op,
kreeg ik iets van het gesoigneerde, dat den Frieschen
schipper eigen is. Een stuk chocolade, een horloge, een paar
zakdoeken, eenige guldens, een mes, touwtje, riemen en één
schaats op den rug voor het breken en precies 7 uur stond ik
op het smalle grachtje voor het hotel.
Daarna links om en de Singels
op, naar de Ee toe, doch ik raakte verzeild op een soort
sloot, die naar de ijsbaan voerde. Een bakkersjongen hielp
mij weer terecht en ik reed de Ee op. In 't eerst was 't ijs
verlicht door de stadslantaarns. doch daarna werd het zeer
donker, het ijs was ellendig. Het was een oud, tot hobbels
en kuilen gereden baantje, waar men geen streek op doen kon.
Toch kwam ik er goed af. Ik had, om het welslagen van den
tocht niet van een val te kunnen doen afhangen, een paar
zakdoeken op mijne knieën gebonden en dikke handschoenen
aan. Hierdoor liepen de twee tuimelingen, die ik deed, goed
af.
Het was vinnig koud en ik kon
mij, daar ik onmogelijk harder durfde gaan, niet warm
rijden. Halverwege Dokkum buigt de Ee rechts af, maar toen
hield ook tevens de baan op en moest ik circa 500 meter door
de sneeuw loopen.
Daarna weer een eind zeer goed ijs, en toen weder ca. 1000
meter door de sneeuw, die zoowat een hand hoog lag. Daarna
zag ik het tweede levende wezen, een baanveger.
Dit gaf moed en ik zette nu
zoo hard mogelijk door naar Dokkum. Het was intusschen licht
geworden, doch nog zeer koud. "Het staat te luisteren",
zeggen de boeren in Noord-Holland. ,,'t Morgen gaapte",
zeggen de Zuid-Hollanders. Ja, zoo was het; stralend kwam de
zon boven den nevel uit en toen ik te Dokkum kwam, was het
over half negen. Fluks een ophaalbrug onder door en op
schaatsen een herberg binnen, waar een oude moeke een
jongetje dat op een stoel stond, aankleedde.
"Heere da's aardig, da hewwe
in lang niet had", zei ze en krabbelde op mijn papiertje
haar naam en den tijd, dien ze van uit haar venster op den
toren kon zien. Daarna ging ik onmiddellijk weer op
Leeuwarden aan, hetwelk ik nu te 9 uur 45 min., dus in ca. 5
kwartier bereikte. De sneeuw was hier en daar reeds in banen
veranderd, (want er waren nog een aantal baanvegers
bijgekomen) en na mij in draf naar het huis van den heer
Hofstede gespoed te hebben, gingen we gezamenlijk te 10 uur
20 min. van Leeuwarden en waren te 10 uur 50 min. te
Franeker, en onmiddellijk doorrijdende te 11 uur 20 min. te
Harlingen. De heer Hofstede is een taai, gespierd rijder,
doch verschilde iets in lengte van
streek met mij, hetgeen nog al vermoeide. Na hem voor zijn
vriendelijke hulp zeer bedankt te hebben, reed ik naar
Bolsward, alwaar ik te 12 uur 35 min. aankwam, Dit eind heb
ik flink doorgereden, om in Bolsward te kunnen rusten.

De tocht
van den heer Mulier in 1890. Het eerste briefje met
controleposten.
Door een misverstand was de
gids, dien ik daar zou krijgen, nog niet gearriveerd, doch
moest gehaald worden. Eerst te 1 uur 15 min. kon ik weder
vertrekken met mijn gids, een bakker aldaar en een vrij goed
rijder; hij kreeg echter na 5 min. een gebrek aan een zijner
schaatsen en reed terug om andere te halen. Eindelijk gingen
we op weg, waarbij hij het al spoedig enorm warm kreeg. Toch
reed hij flink en waren we te 1 uur 45 min. te Workum (dus
in ½ uur). Was de pas te Bolsward door mijn neef J. Haitsma
Mulier geteekend, te Workum was het J. Sensma, herbergier in
de Zwaan, die mij guiteerde.
Nu met volle stoom naar
Hindeloopen, waar wij, om de vaart waarmede wij binnen de
gemeentebaan stoven, veel bekijks hadden. Bij de bejaarde
weduwe Boer in de Wijnberg, wier gracieuse handteekening nog
steeds in mijn bezit is, werd ik weder te 2 uur
geëxpedieerd, nadat Tuininga en ik ons aan geklopte eieren
hadden te goed gedaan. Daarna hadden wij een moeilijken weg
naar Stavoren, daar die dikwerf ondergesneeuwd was. Te 2.50
uur kwamen we daar aan en stapten het station binnen, waar
we weer wat aten, daar wij beiden zeer hongerig waren en
waar de stationschef mij controleerde.
Na bouillon en een paar eieren
met broodjes in een minimum van tijd te hebben verorberd,
togen we te 3.10 weer op weg. Tuininga begon nu een beetje
moe te worden, zoodat ik van tijd tot tijd vóór reed, doch
niet zoo hard als 't kon.
Mijn trouwe gids bracht me nu over de meren en over
ondergeloopen velden via Balk op weg naar Sloten. Welk een
prachtig gezicht! Pas hadden we de bosschen van Gaasterland,
die aan een Geldersche natuur doen denken, achter den rug of
we kwamen op de groote meren.
De zon ging bloedrood onder en
statig bescheen de maan het onafzienbare ijsveld. Midden in
het meer waren een paar enorme scheuren, circa ½ meter
breed, en zoo lang als men zien kon. Dit komt van de
temperatuurveranderingen, die het ijs doen af- en toenemen
in volume en het bij felle vorst opdringt, zoodat de stukken
er met een knal uitspatten. Men noemt het daar "het kisten".
Het was een prachtig gezicht. Er waren echter bruggemannen
bij, die met een lantaarn de plaatsen aanduidden, waar die
scheuren zich bevonden.
In de verte zagen wij flauw
een paar lichten en een groep boomen bij twee
kolossale ophaalbruggen. "Dêr mutte wy op oan, mar Jo mutte
net sa duvels hird ride". zei Tuininga.
Eindelijk waren we de meren en ondergeloopen landen over en
kwamen we te 4 uur 45 min. te Sloten, waar mijn geachte neef
Haersma de With mijn paspoort afteekende, met de in de
gegeven omstandigheden lastige vraag: "Blijf je eten?" Doch
voort gingen we weer, nu op IJlst aan, waar ,we te 5.50 uur
aankwamen. Hier zeide ik mijn trouwen gids vaarwel, en na
hem betaald en een flinker; handdruk gegeven te hebben, was
ik te 6 uur precies aan de stadsherberg te IJlst
gecontroleerd door J. S. Heslinga en was te 6.15 uur te
Sneek; ik had een prachtige baan voor mij en reed zoo hard
ik kon; van tijd
tot tijd een beetje uitgejouwd door boeren, die ik voorbij
reed, doch dat maakt den mensch kwaadaardig en des te harder
gaat het.
Te Sneek werd ik door G. S.
Bokma geviseerd en was te 6.25 uur van de strooplank en op
de baan. Intusschen was de maan achter de wolken
weggescholen en hoewel ik zoo hard mogelijk reed, moest ik
toch opletten niet te vallen. Te circa kwart voor achten
kreeg ik de lichten van Leeuwarden in het gezicht en gooide
de armen van den rug, - en deze lustig zwaaiende kwam ik te
7.55 uur aan het einde van de gracht. Te 8 uur in 't hotel
Weidema werd het zeer vies geworden papiertje door den
oberkellner geviseerd, (die me eerst te 9½ uur verwacht had)
zooals hij zeide, en was de geheele rit volbracht in 12 uur
55 minuten. Zelden heb ik zoo'n prettigen dag gehad."
-Aan dit verhaal voegde Mulier
het volgende naschrift toe.
"De heeren B. B. Taring, (Champ.
of Lond. t. Metropol. Ass.), Louis Tebbutt en C. G. Tebbutt
(houder van het 3-uurs record), hebben getracht
bovengenoemden tijd te slaan, doch het mocht hun niet
gelukken. Toch is hun tocht zeer verdienstelijk geweest.
Laudanda est voluntas en het is zeker voor een vreemdeling,
al kent hij ook het land zoo goed als Tebbutt, die elke
vaart in N.-Holland en Z.-Holland weet te vinden, toch een
aardige en prijzenswaardige onderneming, om dit Nederlandsch
gebruik te willen navolgen.
Zij vertrokken te 4.50 uit Leeuwarden en kwamen te 6.40 te
Dokkum, waar zij hun bewijs door een baanveger op 't ijs
lieten teekenen. (N.B. Dit is feitelijk niet geoorloofd. Te
7.55 waren zij te Leeuwarden terug (het ijs was hobbelig).
Taring viel dan ook viermaal, Louis Tebbutt driemaal en C.
Tebbutt eens.
Te 8.30 waren wij, na te
Leeuwarden gerust te hebben, weer op weg, over prachtig ijs
naar Sneek (9.40). Te 9.55 kwamen zij te IJlst. Te 11.10
bereikten zij Sloten, daar zij niet (zooals Tuinstra en ik
deden) door de sneeuw reden, doch liepen. Eindelijk gingen
zij daartoe over en bereikten Balk, vanwaar zij weer goed
ijs vonden, afgewisseld door sneeuw.
Na een kwartier rust op weg naar Stavoren, waar zij te 1.05
aankwamen, en toen naar Hindelocpen (1.50), te 2.40 (dus na
50 min. rust) weder op weg naar Workum; te Bolsward waren
zij te 3.50. Te 4 uur toog men op weg naar Harlingen, waar
zij te 5.05 (over goed ijs) aankwamen. Te Franeker (na 15
minuten rust te Harlingen) waren zij te 6.10; te 6.15 reden
zij in een soort half-duister naar Leeuwarden (op zeer goed
ijs). Te 7.27 bereikten zij het hotel de Doelen, zoodat zij
14 uur en 37 minuten hadden noodig gehad.
Als men nu nagaat, dat zeer
veel Friesche boeren het in dien tijd kunnen doen
(minstens een 100 à 200) daar men altijd met sneeuwen een
beetje duisternis
te worstelen heeft, dan blijkt daaruit, hoe vele goede
krachten wij in onze
Noordelijke provinciën bezitten."
Tot zoover de heer Mulier.
Wat voorts den Elfstedentocht
van den heer Mulier betreft, heeft mr. M. E. Hepkerna,
voorzitter der Elfstedenvereeniging, in het goed verzorgde
en zeer lezenswaardige jubileumboek van deze vereeniging
(1934) terecht opgemerkt, dat Mulier stellig nog wel een
beteren tijd zou hebben gemaakt, indien hij in elke stad
"een tafeltje-dek-je" had gevonden, waar hij, gelijk dat bij
de latere tochten steeds het geval is geweest, op zijn
wenken bediend was.
Later heeft de heer Mulier den
heer Hepkema eens verteld, hoeveel moeite het hem in de
onderscheidene steden had gekost om de noodige
handteekeningen te krijgen.
Is het te verwonderen, dat de Elfstedenvereeniging in den
heer Mulier den
geestelijken vader der vereeniging ziet, die het initiatief
nam tot een tocht, die thans vermaard mag heeten?
In genoemd jubileumboekje
kreeg de foto van den jeugdigen Mulier dan ook
een eereplaatsje, terwijl daarbij o.m. het volgende als
eereschrift werd geplaatst:
"Eerst in 1912 mocht het den oud-wereldkampioen C. C. J. de
Koning gelukken,
den ongekroonden Elf-Steden-Koning te onttronen en sindsdien
zijn nog maar enkelen van de vele honderden rijders er in
geslaagd een korteren tijd te maken. Met alle recht kon Jan
Feith hem na het volbrengen van onzen eersten
Elf-Steden-Tocht in 1912, waarvan het initiatief ook van hem
is uitgegaan, in de Kampioen huldigen als "ons aller
ijs-voorman uit het vorig geslacht en ons aller
onverwoestbare voorbeeld in het heden - den oer-Fries, den
veteraan-sportman, de vijftigjarige sportincarnatie van ons
Hollandsche ras."
In den strengen winter van
1890-1891, toen Mulier den tocht reed, hebben eenige
honderden Friezen eveneens de reis per schaats langs de Elf
Steden gemaakt. Er bestaat een lijst, bevattende de namen
van 221 mannen en 6 vrouwen, die op één dag op schaatsen de
Elf Steden bezochten en hun namen bij den kastelein Jan
Heslinga te IJlst hebben afgeteekend. Men mag gerust
aannemen, dat in dien winter 400 à 500 Friezen den enormen
tocht hebben volbracht, meestal in groepjes en dan achter
elkaar aan den stok.

|