|
Energie...Leven...Vrijheid...
Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog,
soldaat in Spanje.
Met dank aan Rienk en Charlotte.
Wa’t by it folle
ferstân is,fjochtet him net dea.
| 1 |
2 | 3 |
4 | 5 |
De
Spaanse Burgeroorlog,
die van 1936 tot 1939 duurde, was een
gewapend intern conflict op Spaanse bodem
tussen republikeinen, communisten (met steun
van de communistische Sovjet-Unie),
anarchisten en internationale vrijwilligers
enerzijds en zogenoemde nationalisten en
monarchisten (met steun van Nazi-Duitsland
en fascistisch Italië) anderzijds. Het
totale dodental, inclusief de republikeinse
excessen gedurende de oorlog en de daarna
volgende nationalistische massamoorden en
zuiveringen na afloop, bedroeg ongeveer een
half miljoen mensen.
|
Sake
Visser
ook genaamd "Ingelse Sake", is geboren te Lemmer op 30 augustus
1910, overleden te Lemmer op 17 februari 1996, 85 jaar oud. Sake, is
getrouwd op 13 februari 1950 met Mary Nellie Biles, geboren op 25
maart 1911 te Poole in Dorset, Engeland. Nellie is overleden op 25
januari1964 te Poole in Dorset. Sake hertrouwde op 8 oktober 1965
met Jeltje Schaper, Jeltje is geboren op 3 januari 1927 te Sneek,
Jeltje overleed op 26 november 1973.
Persoonsgegevens Sake Visser (bijnaam: Ingelse Sake en de Stryder.
In Engeland werd hij door de familie Jack genoemd).
Zijn adres in Engeland was: Flat 57 Nelson Court, Laglandstreet te
Poole, in the County of Dorset.
Hij is de zoon van Klaas Visser, matroos op de grote vaart, geboren
te Lemmer op 15 augustus 1886, overleden te Sneek op 28 april 1967,
80 jaar oud, zoon van Sake Visser en Akke Koornstra. Klaas Visser is
op 21-jarige leeftijd getrouwd, op 24 april 1908 te Lemsterland, met
Klaaske Dijkstra, 22 jaar oud, geboren te Sloten op 17 februari
1886, overleden te Heerenveen op 15 februari 1940, 53 jaar oud,
dochter van Rienk Dijkstra en Angenietje Tijsseling. Klaas heeft met
zijn gezin op de volgende adressen gewoond: Parkstraat 37 en 19: en
de F. van der Walstraat 37 te Lemmer.
Sake Visser.
Sake Visser uit Lemmer is er bij geweest, hij was één van de paar friezen
die daadwerkelijk aan de burgeroorlog in Spanje hebben deelgenomen. Word geschreven
in Sake zijn Lemsters Hollands dialect.
Sake
zijn verhaal :
Ik was de tweede uit een nest van elf kinderen. Heit Klaas was
vissersman en voer onder meer op de Katwijker loggers. Hij was links
en dwars zoals het een goeie Lemster betaamt. Mem Klaaske kwam uit
Sloten, zij was kerks en Oranjegezind, (toch moet het een redelijk
harmonieus huwelijk geweest zijn, getuige de rijke kinderschare van
twaalf kinderen).
“Mar mem skriemde gauris, dan hie se net in pear sinten om bóle te
keapjen, Se woei t net witte, dan sei se, dat se pine mûle hie,”
Direct na de lagere school moest ik aan het werk, en dat betekende
naar zee, ik heb nog wel een zeemansboekje van 1929, maar toen viste
ik nog op de Zuiderzee. Ik kwam net van school af en was een jaar of
11/12. Je ging naar zee om mee te verdienen. Ik ging met mijn vader
mee, of met een ander, en ik moest aan boord het eten koken. Ik voer
ook als jongen van 13 op de palingaken naar Denemarken en Zweden.
Palingkooplui, zoals de Gebroeders Visser uit Heeg, kochten in deze
landen levende paling van de visserslui. We vaarden op een oude
botter van vissersman Andries Koornstra en we visten meestal met
hoekwant op bot (hoekwant is een verzamelnaam voor vistuigen in
gebruik op het IJsselmeer en in de binnenwateren, waarbij de vis
door middel van een aan een lijn bevestigde haak = hoek wordt
gevangen). Gewoonlijk bestaat het vistuig uit lange lijnen, waaraan
op onderlinge afstand dwarslijnen zijn bevestigd, elk voorzien van
een geaasde haak. ’s Morgens vroeg om drie uur waren we al aan boord
bezig met aanazen, aan een lijn had je wel zo’n 180 haken (=hoeken)
waaraan we garnalen deden. Wanneer we op bot visten dan waren de
garnalen gekookt, visten we op paling, dan aasden we levende
garnalen aan. Op maandagmorgen was het altijd de beug (lijnen met
haken) klaarmaken.
In de herfst namen we de beug ook wel mee naar huis. Op zee gingen
we nog wel eens door met het klaarmaken van de beug. ’s Middags
direct na het eten voeren we uit. Als je een slechte wind had, dan
moest je soms het schip de haven uit trekken. Je had toen nog geen
motors en je voer onder zeil. We sprongen dan van boord op de
Oosthavendam waar nu wegenbouwbedrijf M. van der Wal gevestigd is,
en trokken het schip de haven uit. Eenmaal op zee, ergens tussen Urk
en Enkhuizen, zetten we de beug overboord. We gingen meestal niet
dezelfde dag terug naar Lemmer, maar gingen naar Urk of Enkhuizen of
voor anker. Ik heb wel op een botter gevaren waarop we met vier man
in één kooi sliepen. De tenen van de ander had je naast je liggen,
en dan een paar oude dekens er overheen. Er werd meestal ‘s nachts
gevist, ’s morgens om een uur of drie gingen we dan weer naar zee,
overdag werd er alleen bij stormweer op bot gevist, dan werd het
water “dik”.
Bij het binnenhalen van de beug kwam het allemaal in de bak terecht
en later moest je het er allemaal weer uithalen en had je er de
volgende dag de hele dag werk mee. Als het slecht weer was geweest
dan zat alles om elkaar heen gedraaid, al die knoopjes moest je er
dan weer uithalen. In die tijden werden er werkdagen gemaakt van
15/16 uur, ik verdiende toen zo’n f 2.50 per week als jonge helper.
Had een visser twee knechten aan boord, dan kreeg de grote knecht
1/5e van de besomming, d.w.z. 1/5e deel van wat de totale vangst had
opgebracht, de jonge knecht kreeg meestal 1/6e deel. Je haalde als
grote knecht de 10 gulden per week niet eens: zo waren die tijden,
je wist niet beter. Onze ouders en grootouders hadden het veel
slechter. Vroeger moest je ook een goed ansjovisjaar hebben, dan
werd er nog wat verdiend.
In 1926 hebben de vissers kapitalen verdiend, in 1927 was het weer
niks. Haring was in het begin van het seizoen altijd duur, maar ving
je veel, dan waren ze weer waardeloos. De haring werd dan wel
overboord geschept, je kon ze aan niemand kwijt. Ook de rokers
Sterk, de Rook, de Jager, Scheffer, en de Blauw konden er niets mee.
We hebben vroeger thuis wel armoede geleden, maar nóóit honger. Ik
heb ook nog een tijdje aan de Zuiderzeewerken gewerkt, bij de
Afsluitdijk. In het midden van de jaren twintig vonden veel
visserslui daar werk. Bij de bouw van de Afsluitdijk waren grote
aannemers betrokken, combinaties zoals de HAM en de Beverwijk, ik
werkte bij de MUZ (Maatschappij Uitvoering Zuiderzeewerken), die
ging meer van de regering uit.
Ik was een bakschipper, een bak
noem je zo’n modderschuit, waarop twee man stonden een voorop en een
achterop.
Je moest naar de baggermolen om te laden en naar de zuiger wanneer
je zand geladen had. Vervoerde je keileem, dan moest je naar de
kraan, die de leem op de buitenkant van het dijklichaam bracht. Dan
was je vier weken van huis af, voordat je de beurt kreeg. Er waren
ook veel Sliedrechtsen, die moesten een heel end. Ik was toen een
jaar of 18/19. En dan zondags weer op die rotbak, want daar voeren
die Sliedrechtsen ook mee. Dan zat je voor op de bolder van die
baggerbakken. Wel vier weken aaneen, wat had ik daar een hekel aan.
En dan van die molens, van die zuigers en van die sleepboten. Maar
het verdiende wel goed door de vele uren, en overuren, die je
maakte, en beter dan op die vissersschepen.
Daar verdiende ik 24 gulden per week, maar met de overuren kwam ik
wel op 45/56 gulden per week. Ik had de wacht er ook wel eens bij,
daar kreeg ik dan 7½ gulden voor. Dan had je zaterdag en zondag
wacht. Zaterdags eindigde de wacht om één uur ’s middags en die van
zondag op maandagmorgen zes uur. En dat was veel geld, want ze
verdienden op de fabrieken in die tijd tussen de 14 en 18 gulden per
week.
De Sliedrechtsen waren altijd goed georganiseerd met dat baggerwerk.
De baggeraars waren lid van de Partij van de Arbeid en hadden ook
een sterke vakbond. Vroeger was het de N.V.V., iets anders had je
niet. Ik was daar geen lid van omdat je altijd op de visserij zat en
toen was het nog niet zo dat iedereen georganiseerd was. Het was net
als met die mensen op de ‘grote vaart’. Zij waren ook meestal
georganiseerd. Van die baggeraars zaten er ook een hoop in het
buitenland, nu nog trouwens, en die hebben altijd goed verdiend.
Maar je werkt dag en nacht, je bent tóch op zee en kunt nergens
heen. En dan had je soms wel eens een paar uren varen, en dan dacht
je: laat ‘m maar varen, niet? Weer overuren erbij, zo ging dat in
die tijd. Ik heb dit een paar jaar gedaan. Tegen de herfst werd je
ontslagen en dan ging je er in het voorjaar weer naar toe. Het was
ook geen vast werk. In de maanden augustus en september kregen er op
de Zuiderzee een heleboel ontslag. Behalve de mensen die altijd vast
op die molens zaten, die Sliedrechters. Maar ja ze moesten toch
mensen ontslaan, de werktijden werden verkort, de nachten werden
veel langer.
Dus zat ik de wintermaanden zonder werk, en je had dan nergens recht
op, als vrijgezel, ik woonde nog bij mijn ouders. Maar in 1932 was
de dijk klaar, dus toen was het afgelopen… De heer Visser kreeg
ontslag, “koop maar een paar pantoffels” was het dan, je had nergens
recht op. En de Wieringermeer was toen ook klaar. Dan waren daar ook
nog de crisisjaren. En je had nergens recht op, als je een tientje
verdiende, dan werd het al van mijn vaders uitkering ingehouden.
Mijn vader was toen ook werkloos, en niet alleen in de
wintermaanden. In de zomer had mijn vader het ook slecht, want met
die crisisjaren hadden we na 1932 allemaal geen werk meer, en de
visserij was ook slecht. Er was wel vis, bot en zo, maar die kon je
soms weggooien want er was geen geld, de mensen konden niks meer
betalen.
Ik herinner me dat ik eind maart 1929 bij iemand werkte op de
haringvangst. Dan waren de haringen bijna altijd hier, maar waren ze
meestal waardeloos. We kregen twee kwartjes voor 200 stuks frisse
haring. Dan zeg je nu, hoe bestaat het. Veertig keer tweehonderd
haringen namen we mee, die losten we niet. We gingen met de schuit
naar Heerenveen en er daar mee de boer op. We verkochten in
Heerenveen twee stuks voor een cent. Dan kregen we toch nog voor
tweehonderd stuks een gulden in plaats van twee kwartjes. Maar dan
kwamen ze ook met 2/3 centen bij de schuit voor haring. Toen was
alles nog goedkoop, maar was er geen geld. Het zijn verschrikkelijke
tijden geweest. Later ging ik op de Noordzee vissen, ik woonde toen
nog in Lemmer, maar moest wel naar IJmuiden toe. Ik ging dan met de
boot over, de nachtboot Lemmer – Amsterdam, de Jan Nieveen, en dan
bleef je een dag of negen op zee. Daarna kon je een dag of anderhalf
naar huis toe en dan moest je weer terug. In IJmuiden had je
trawlers waarop je kon aanmonsteren. Dan moest je maar zien of je
een schip kreeg. Om te zoeken moest je daar naar de kantoren toe. Je
kon op kleine trawlers beginnen. Het is altijd zo geweest - dat heb
je hier op de kotters ook- de goeie hebben altijd knechten. Als je
op een klein schip begon, dan kon je later op een groter schip van
hetzelfde kantoor komen, waar je dan ook weer meer verdiende.
De Jan Nieveen, Lemmerboot.
In Lemmer was toen niet veel te verdienen, als de scholvisserij
afgelopen was, dan was het armoede. Nou ja, de visserij is altijd
armoede geweest, en nu met de laatste jaren… Vroeger op de Zuiderzee
kon je Urk ruiken, al was je er maar een uur vanaf, zo stonk dat
dorp, en nou zijn het allemaal bungalows daar, vroeger was het één
stuk armoede op Urk. Toen heb ik hier en daar nog gevist, en was dan
weer werkloos. Dan moest je maar weer kijken of je een schip met
stenen kon lossen, of dit of dat. In de steun kwam je niet, omdat je
niet getrouwd was.
Er waren jongens, die waren met pech getrouwd. Die mochten een week
niet werken en een week wel werken, want ze hadden nog geen
kinderen. Dan kwamen ze met 7 of 8 gulden in de week thuis, toen was
het ook verschrikkelijk hoor. In de crisisjaren 1932/1933 had je
niet eens een dubbeltje om een pakje sigaretten te kopen. In 1932
heb ik weer in Lemmer gevist. Mijn oom Jan Visser had hier een
Visserij, de LE 91. Zijn zoons noemen ze de “ takkebosken”, zij
konden nooit hun bed uitkomen, en gingen ze naar school, dan hadden
ze geen tijd meer om hun haar uit te kammen, vandaar. Ik heb daar
toen nog twee jaar gevist en in 1935 ben ik met mijn zwager naar
Makkum gegaan, mooi dicht bij de Afsluitdijk.
Op de Waddenzee visten we op haring; in het begin was er veel
haring, die tegen de Afsluitdijk kapot liep. De haring en ansjovis
trokken altijd terug naar de Zuiderzee, om daar kuit te schieten. De
biologen zeiden al tegen me dat door de bouw van de Afsluitdijk de
haring en de ansjovis niet terug zouden komen, en ze hebben gelijk
gehad. Met mijn zwager heb ik nog 2 jaar aan de IJsselmeerkant
gevist. Nou dat was ook verschrikkelijk, nu is het rijk vergeleken
met toen, maar toen wist je niet beter. Mijn militaire dienstplicht
vervulde ik met grote tegenzin bij de marine in Den Helder. Ik kreeg
het vooral te kwaad met die blagen van 'Adelborsten', die gegroet
wilden worden, hoewel ze overigens geen belangstelling voor 'De
Jannen' hadden.
Sake bij de Marine in Den Helder.
In de jaren dertig werd de NSB in Nederland actief. De NSB belegde
vergaderingen en deelde op straat pamfletten uit. Ik kreeg op straat
toen contact met Duitse vluchtelingen, die hun vaderland verlieten
uit angst voor Hitler. Ik kwam er al gauw achter dat deze Duitse
immigranten meestal links georiënteerd waren. Werden ze in Nederland
ontdekt, dan werden ze meteen weer uitgeleverd aan de Duitse
overheid. De bestemming van de Duitse vluchtelingen was toen al
bekend: het concentratiekamp. Ik vond toen dat de Nederlandse
regering nogal vriendelijk tegenover de Duitsers was. Door die
gebeurtenissen werd ik fel antifascistisch. Ik werd lid van de
Internationale Rode Hulp. Elke week stortte ik een bijdrage en ik
raakte ook betrokken bij de rellen tegen NSB-aanhangers. Als de
jongens vergaderden, dan wachtten wij ze buiten op en pakten hun
pamfletten af en verscheurden ze. Daarbij ontstonden vechtpartijen.
De marechaussee, die een kazerne in Sloten had, kwam er dan weer
tussen, want iedereen had recht op vergaderen, ook de NSB-ers.
Joodse kinderen van het eerste
vluchtelingentransport dat in 1938 uit Duitsland naar Nederland
kwam. (Sinds in 1933 Hitler aan de macht was, werd het joden
onmogelijk gemaakt hun beroep uit te oefenen (Berufsverbot).
Bovendien werden burgerrechten opgeschort, zodat joden gewoon
opgepakt konden worden. Deze en andere maatregelen zorgden ervoor
dat veel joden Duitsland ontvluchtten).
Via kontakten met leden van de Internationale Rode Hulp, besloot ik
in augustus deel uit te maken van de Internationale Brigade, een
vrijwilligersleger dat opgebouwd was uit soldaten van verschillende
nationaliteiten, dat zou vechten tegen de Franco-troepen in Spanje.
Zodoende ben ik ook naar Spanje gegaan, want ik dacht als we daar de
oorlog konden winnen, dan zou ik hier niet terugkomen. Ik had echt
genoeg van Nederland, omdat ik geen werk had, en ook geen kansen, ik
vond het zo’n kleingeestig en kleinzielig landje. Later ook in
Canada zag ik dat de mensen daar heel anders waren, veel vrijer. Het
is niet te begrijpen, als je daar nooit geweest bent. Je kon daar
met mensen die goed waren voor 10.000 dollar in een café een glaasje
bier drinken, zonder dat je dat aan die mensen kon zien. Je had daar
geen klassenverschillen, geen aristocratie zoals hier, en dat was
daar heel gewoon. De mensen die daar iets waren, hadden zichzelf ook
opgewerkt, die waren ook vroeger met niks daar naar toegegaan.
In de Lemmer was het erg christelijk. Zij hadden de meerderheid in
de gemeenteraad. Als mensen van de kerk zonder kolen zaten, kregen
ze die van de kerk. Was je niet bij de kerk, dan moest je alle
zeilen bijzetten om aan kolen te komen. Maar de visserslui waren
wel aardig links, zo heeft de communistische partij ook in de
gemeenteraad gezeten. De meeste vissers stemden dan ook op deze
partij, want wij waren zowat de enigen die op zondag visten, langs
de hele Zuiderzee, én in Hoorn. In Hoorn waren ze ook wel aardig
rood. Maar in de andere vissersplaatsen ging men zondags naar de
kerk, en wij zondags naar zee; daar rustte een vloek op vanzelf. De
Lemsters hadden daar goed een hekel aan. Zelf ben ik geen lid
geworden van de CPH. Wat zal ik zeggen, ik was vroeger toen ik nog
jong was niet zo links. Ik ben het meer geworden toen ik uit dienst
kwam. Wij waren altijd dat vrije leven gewend, met het vissen. In
dienst stond je onder discipline. Officieren waren mensen uit een
heel andere klasse. Het was de hele dag: dat moet je doen en dat
moet je doen.
En daar kwam ik een beetje tegen in opstand en dat werd later steeds
meer. Wat wist je in het dorp feitelijk van politiek af, tenminste
met werk als vissen. Als je met een vissersman aan boord was, een
oudere zeg maar, overlegden we wel met elkaar: “Wat zullen we doen,
zullen we daar naar toe, zullen we hier een beun neerzetten of
daar?”. Je was meer vrij onder elkaar, want je viste ook op een
deel, dus je deed allemaal je best. Je had geen vast loon, het was
allemaal deelvissen. Nou, en dan kwam je in dienst, en was het
afgelopen, weer discipline en de hogere klassen. Ook in Den Helder
had je die adelborsten. Als wij niet groetten - en dat deden we wel
eens niet - dan moest je meekomen. Ik kwam toen op het schip de
Nautilus terecht, die is gebleven in de oorlog. Vlak voor ik erop
kwam is dit schip bij het Jan Mayen eiland geweest (Jan Mayen is een
vulkanisch eiland in de Noordelijke IJszee). De Nautilus was een
oude trawler die mijnen kon leggen. Het schip werd veel gebruikt
voor de visserij-inspectie. De Nautilus moest bijvoorbeeld ingrijpen
als er conflicten waren bij de vissersschepen over stukgevaren
netten bijvoorbeeld. Ook kon er assistentie verleend worden, als er
op de vissersschepen zieken waren (er was een dokter aan boord) of
bij radioproblemen (er was een radiomonteur aan boord). Ik moest één
week varen en werd dan weer afgelost, ik kreeg daar f 1,25 per week
voor, je kon niet eens “rokende” blijven.
(Hr. Ms. Nautilus (M 12) was een Nederlandse
mijnenlegger, gebouwd door de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij
uit Rotterdam. Naast mijnenlegger was de Nautilus ook
ingericht als vaartuig voor politietoezicht op de zeevisserij.
Op 24 en 25 juli 1930 bracht de Nautilus een
bezoek aan het eiland Jan Mayen in verband met de plaatsing van een
gedenkteken voor de Nederlandse zeelieden die op het eiland
overwinterden en het leven lieten.
De Nautilus was een van de Nederlandse
schepen die in verband met de Spaanse Burgeroorlog vanaf 17 maart
1937 tot 10 januari 1939 voor ruim een miljoen ton aan schepen van
diverse Nederlandse rederijen veilig door de Straat van Gibraltar
escorteerden. Andere Nederlandse marineschepen die hierbij betrokken
waren, waren de Hertog Hendrik, Johan Maurits van Nassau,
Java (O 13 en de O 15).
Toen ik in Den Helder zat, kwamen we ook met
Amsterdammers in aanraking. Zij hadden weer andere gedachten dan
wij; wij kwamen uit dat boerenland vandaan hè, maar ik kon altijd
wel aardig met ze opschieten hoor. Er waren ook meer linksen onder,
meer communisten. Dit waren vaak jonge jongens die leerling-stoker
waren op de treinen, en jongens van de visserij en van de
koopvaardij. Zij kwamen meestal bij de marine. Dit was zo rond 1930.
In 1931 ben ik weer afgezwaaid. Je was toen nog maar 8 maanden in
dienst en in het leger 6 maanden. Dat lijkt niet lang, maar het
duurde lang genoeg, je was blij dat je af kon zwaaien. Je kreeg ook
maar één of twee keer verlof in die 8 maanden, en één keer vrij
reizen. Dat mocht ook wel voor die f 1,25 per week. Er waren wel
veel vrijwilligers bij de Marine, die van alles deden onder het mom
van het is voor het vaderland, maar er was ook een Amsterdammer die
zei: "Ik heb f 1,50 in de week, ik heb ook voor f 1,50
vaderlandsliefde”. Zulke uitdrukkingen hadden ze.
| 1 |
2 | 3 | 4 |
5 |
Home
|