Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


Energie...Leven...Vrijheid... 

Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog, soldaat in Spanje.

Wa’t by it folle ferstân is,fjochtet him net dea.

Met dank aan Rienk Kuipers en Charlotte.

 

 
 
De Spaanse Burgeroorlog, die van 1936 tot 1939 duurde, was een gewapend intern conflict op Spaanse bodem tussen republikeinen, communisten (met steun van de communistische Sovjet-Unie), anarchisten en internationale vrijwilligers enerzijds en zogenoemde nationalisten en monarchisten (met steun van Nazi-Duitsland en fascistisch Italië) anderzijds. Het totale dodental, inclusief de republikeinse excessen gedurende de oorlog en de daarna volgende nationalistische massamoorden en zuiveringen na afloop, bedroeg ongeveer een half miljoen mensen.

LC. 1986: Hans Dankaart, Jaap-Jan Flinterman, Frans Groot, Rik Vuurmans:

„De oorlog begon in Spanje" Nederlanders in de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939. Uitg. Van Gennep, Amsterdam, 1986. Paperback. 177 pag, ƒ 29,50.

Vijftig jaar geleden, op 18 juli 1936, kwamen Spaanse generaals in opstand tegen het wettige bewind in Madrid. Wettig, maar naar de smaak van de opperofficieren, de monarchisten en niet te vergeten de fascisten in Spanje véél te links. Daarmee begon de Spaanse Burgeroorlog, die tot in 1939 zou duren. Een oorlog die achteraf beschouwd wordt als het voorspel tot de Tweede Wereldoorlog.

De schrijvers van dit boek denken er ook zo over. Vandaar de titel van hun boek: „De oorlog begon in Spanje". Ruim twintig Nederlanders, onder wie Sake Visser uit Lemmer, zijn voor dit boek geïnterviewd. Zij zijn allemaal de mening toegedaan, dat hun strijd, aan de kant van het officiële linkse Republikeinse bewind, gezien moet worden als de opmaat van de gebeurtenissen tussen 1939 en 1945.

Het twintigtal behoorde ook tot die mensen die zo schrijven de auteurs, met grote betrokkenheid de binnenlandse èn de internationale politieke ontwikkelingen volgden. „Vooral de gebeurtenissen in Duitsland hadden op de vrijwilligers een diepe indruk gemaakt, net aan de macht komen van Hitler in 1933 luidde een hevige vervolging van politieke tegenstanders van het nationaalsocialistische regime in", aldus Dankaart c.s.

Vluchtelingen uit Hitler-Duitsland konden hun geestverwanten in ons land duidelijk maken wat het nazisme in de praktijk betekende. Trouwens, in Nederland zelf bestond ruim een halve eeuw geleden ook een opvallende aanhang voor fascistische opvattingen. De acht procent van de stemmen die de NSB bij de Statenverkiezingen van 1935 behaalde zeggen in dit verband genoeg.

De opstand van de Spaanse generaals luidde dus de Spaanse Burgeroorlog in. Maar al heel gauw was het geen burgeroorlog meer in de echte betekenis van het woord. Aan de kant van Franco c.s. vochten hele Italiaanse divisies mee plus het Duitse Condor-legioen van de Luftwaffe.

Ook hebben enkele Nederlanders de keuze gemaakt voor het Nationalistische bewind, zoals de schrijver Johan Brouwer. Aan de andere, Republikeinse, zijde kwamen uit de hele wereld linkse vrijwilligers, die of in de Internationale Brigades vochten of in meer geregelde Spaanse eenheden. In het algemeen wordt een vrijwilligersaantal van 35.000 aangehouden, plus nog eens een tienduizend medici, verpleegsters en verplegers. Die waren afkomstig uit vrijwel alle Europese landen, zodat Spanjaarden tegen Spanjaarden vochten, maar evenzeer Duitsers tegen Duitsers en Italianen tegen Italianen.

Onder die 35.000 waren ongeveer zeshonderd Nederlanders. Voor het overgrote deel hadden zij communistische sympathieën, maar er waren ook anarchisten en sociaaldemocraten bij en, stellig, ook wat avonturiers. Volgens Dankaart en zijn medeauteurs waren die Nederlandse vrijwilligers in hoofdzaak twintig- tot dertigjarige werkloze handarbeiders uit de Randstad. Maar ook, als gezegd, was er een enkele Lemster.

De motieven van de meerderheid van de Nederlandse vrijwilligers waren idealistisch. Men wilde het fascisme niet de kans geven zich verder te verbreiden. Met name de Communistische Partij Nederland verleende hun steun; de andere partijen, zeker die uit het politieke midden en van rechts onthielden zich van instemming voor de helpers van de toch door Nederland erkende Spaanse republiek. Maar naarmate Franco c.s. meer gebied veroverden, werden de betrekkingen tussen Den Haag en hem nauwer en bleek minder van de non-interventie.

Het merkwaardige feit heeft zich voorgedaan, dat die „linkse" Nederlandse vrijwilligers bij terugkeer hun Nederlanderschap verloren bleken te hebben: ze waren in vreemde krijgsdienst getreden en dat mocht en mag niet. De enkeling die aan de kant van Franco meevocht, kon Nederlander blijven, omdat Franco immers een opstandeling was en geen leider van een vreemde mogendheid. De wereld zit soms raar in elkaar.

Die helpers van de Republiek hebben zich tijdens de Tweede Wereldoorlog over het algemeen ook niet onbetuigd gelaten in de strijd tegen de Duitsers. Niettemin heeft het nog tot diep in de jaren zestig geduurd, voordat zij het Nederlanderschap zonder problemen terug konden krijgen. Er zijn nog altijd overlevenden die een verzoek in die richting principieel hebben geweigerd.

„De oorlog begon in Spanje" geeft aan de hand van brokstukken uit de interviews aanvulling op wat al langer in studies was vastgelegd. Als zodanig nuttig en waardevol Maar wie zich na lezing afvraagt of het boek ook levendig is, zal moeten zeggen, dat dat nu bepaald niet het geval is. Er zou veel meer uit die gesprekken gehaald kunnen zijn, indien op een journalistieke manier was doorgevraagd. Dan had men stellig mensen van vlees en bloed kunnen opvoeren en niet, zoals nu, vlakke randfiguren. Een gemiste kans - jammer.

Sake Visser ook genaamd "Ingelse Sake", is geboren op 30 augustus 1910 te Lemmer, overleden op 17 februari 1996 te Lemmer, 85 jaar oud. Gehuwd (1) op 13 februari 1950 met Mary Nellie Biles, geboren op 25 maart 1911 te Poole in Dorset Engeland, overleden op 25 januari 1964 te Poole in Dorset. Gehuwd (2) op 8 oktober 1965 met Jeltje Schaper, geboren op 3 januari 1927 te Sneek, overleden op 26 november 1973.

Persoonsgegevens Sake Visser (bijnaam: Ingelse Sake en de Stryder. In Engeland werd hij door de familie Jack genoemd). Zijn adres in Engeland was: Flat 57 Nelson Court, Laglandstreet te Poole, in the County of Dorset.

Zoon van Klaas Visser, matroos op de grote vaart, geboren op 15 augustus 1886 te Lemmer, overleden  op 28 april 1967 te Sneek, 80 jaar oud, zoon van Sake Visser en Akke Koornstra. Gehuwd op 24 april 1908 te Lemmer, met Klaaske Dijkstra, geboren op 17 februari 1886 te Sloten, overleden op 15 februari 1940 te Heerenveen, 53 jaar oud, dochter van Rienk Dijkstra en Angenietje Tijsseling.

Klaas heeft met zijn gezin op de volgende adressen gewoond: Parkstraat 37 en 19: en de F. van der Walstraat 37 te Lemmer.

Sake Visser uit Lemmer is er bij geweest, hij was één van de paar friezen die daadwerkelijk aan de burgeroorlog in Spanje hebben deelgenomen. Word geschreven in Sake zijn Lemsters Hollands dialect.

Sake zijn verhaal :

Ik was de tweede uit een nest van elf kinderen. Heit Klaas, was vissersman en voer onder meer op de Katwijker loggers. Hij was links en dwars zoals het een goeie Lemster betaamt. Mem Klaaske, kwam uit Sloten, zij was kerks en Oranjegezind, (toch moet het een redelijk harmonieus huwelijk geweest zijn, getuige de rijke kinderschare van twaalf kinderen).

“Mar mem skriemde gauris, dan hie se net in pear sinten om bóle te keapjen, Se woei t net witte, dan sei se, dat se pine mûle hie,”

"Direct na de lagere school moest ik aan het werk, en dat betekende naar zee, ik heb nog wel een zeemansboekje van 1929, maar toen viste ik nog op de Zuiderzee. Ik kwam net van school af en was een jaar of 11/12. Je ging naar zee om mee te verdienen.

Ik ging met mijn vader mee, of met een ander, en ik moest aan boord het eten koken. Ik voer ook als jongen van 13 op de palingaken naar Denemarken en Zweden. Palingkooplui, zoals de Gebroeders Visser uit Heeg, kochten in deze landen levende paling van de visserslui.

We vaarden op een oude botter van vissersman Andries Koornstra en we visten meestal met hoekwant op bot (hoekwant is een verzamelnaam voor vistuigen in gebruik op het IJsselmeer en in de binnenwateren, waarbij de vis door middel van een aan een lijn bevestigde haak = hoek wordt gevangen. Gewoonlijk bestaat het vistuig uit lange lijnen, waaraan op onderlinge afstand dwarslijnen zijn bevestigd, elk voorzien van een geaasde haak).

’s Morgens vroeg om drie uur waren we al aan boord bezig met aanazen, aan een lijn had je wel zo’n 180 haken (=hoeken) waaraan we garnalen deden. Wanneer we op bot visten dan waren de garnalen gekookt, visten we op paling, dan aasden we levende garnalen aan. Op maandagmorgen was het altijd de beug (lijnen met haken) klaarmaken".

In de herfst namen we de beug ook wel mee naar huis. Op zee gingen we nog wel eens door met het klaarmaken van de beug. ’s Middags direct na het eten voeren we uit. Als je een slechte wind had, dan moest je soms het schip de haven uit trekken. Je had toen nog geen motors en je voer onder zeil. We sprongen dan van boord op de Oosthavendam, waar nu wegenbouwbedrijf M. van der Wal, gevestigd is, en trokken het schip de haven uit.

Eenmaal op zee, ergens tussen Urk en Enkhuizen, zetten we de beug overboord. We gingen meestal niet dezelfde dag terug naar Lemmer, maar gingen naar Urk of Enkhuizen of voor anker. Ik heb wel op een botter gevaren, waarop we met vier man in één kooi sliepen. De tenen van de ander had je naast je liggen, en dan een paar oude dekens er overheen. Er werd meestal ‘s nachts gevist, ’s morgens om een uur of drie gingen we dan weer naar zee, overdag werd er alleen bij stormweer op bot gevist, dan werd het water “dik”.

Bij het binnenhalen van de beug kwam het allemaal in de bak terecht en later moest je het er allemaal weer uithalen en had je er de volgende dag de hele dag werk mee. Als het slecht weer was geweest dan zat alles om elkaar heen gedraaid, al die knoopjes moest je er dan weer uithalen. In die tijden werden er werkdagen gemaakt van 15/16 uur, ik verdiende toen zo’n f 2.50 per week als jonge helper.

Had een visser twee knechten aan boord, dan kreeg de grote knecht 1/5e van de besomming, d.w.z. 1/5e deel van wat de totale vangst had opgebracht, de jonge knecht kreeg meestal 1/6e deel. Je haalde als grote knecht de 10 gulden per week niet eens: zo waren die tijden, je wist niet beter. Onze ouders en grootouders hadden het veel slechter. Vroeger moest je ook een goed ansjovisjaar hebben, dan werd er nog wat verdiend.

In 1926 hebben de vissers kapitalen verdiend, in 1927 was het weer niks. Haring was in het begin van het seizoen altijd duur, maar ving je veel, dan waren ze weer waardeloos. De haring werd dan wel overboord geschept, je kon ze aan niemand kwijt. Ook de rokers Sterk, de Rook, de Jager, Scheffer, en de Blauw konden er niets mee. We hebben vroeger thuis wel armoede geleden, maar nóóit honger.

Ik heb ook nog een tijdje aan de Zuiderzeewerken gewerkt, bij de Afsluitdijk. In het midden van de jaren twintig vonden veel visserslui daar werk. Bij de bouw van de Afsluitdijk waren grote aannemers betrokken, combinaties zoals de HAM en de Beverwijk, ik werkte bij de MUZ (Maatschappij Uitvoering Zuiderzeewerken), die ging meer van de regering uit.

Ik was een  bakschipper, een bak noem je zo’n modderschuit, waarop twee man stonden een voorop en een achterop.

 

Je moest naar de baggermolen om te laden en naar de zuiger wanneer je zand geladen had. Vervoerde je keileem, dan moest je naar de kraan, die de leem op de buitenkant van het dijklichaam bracht. Dan was je vier weken van huis af, voordat je de beurt kreeg. Er waren ook veel Sliedrechtsen, die moesten een heel end. Ik was toen een jaar of 18/19. En dan zondags weer op die rotbak, want daar voeren die Sliedrechtsen ook mee. Dan zat je voor op de bolder van die baggerbakken. Wel vier weken aaneen, wat had ik daar een hekel aan. En dan van die molens, van die zuigers en van die sleepboten. Maar het verdiende wel goed door de vele uren, en overuren, die je maakte, en beter dan op die vissersschepen.

Daar verdiende ik 24 gulden per week, maar met de overuren kwam ik wel op 45/56 gulden per week. Ik had de wacht er ook wel eens bij, daar kreeg ik dan 7½ gulden voor. Dan had je zaterdag en zondag wacht. Zaterdags eindigde de wacht om één uur ’s middags en die van zondag op maandagmorgen zes uur. En dat was veel geld, want ze verdienden op de fabrieken in die tijd tussen de 14 en 18 gulden per week.

De Sliedrechtsen waren altijd goed georganiseerd met dat baggerwerk. De baggeraars waren lid van de Partij van de Arbeid en hadden ook een sterke vakbond. Vroeger was het de N.V.V., iets anders had je niet. Ik was daar geen lid van, omdat je altijd op de visserij zat en toen was het nog niet zo dat iedereen georganiseerd was. Het was net als met die mensen op de ‘grote vaart’. Zij waren ook meestal georganiseerd. Van die baggeraars zaten er ook een hoop in het buitenland, nu nog trouwens, en die hebben altijd goed verdiend.

Maar je werkt dag en nacht, je bent tóch op zee en kunt nergens heen. En dan had je soms wel eens een paar uren varen, en dan dacht je: laat ‘m maar varen, niet? Weer overuren erbij, zo ging dat in die tijd. Ik heb dit een paar jaar gedaan. Tegen de herfst werd je ontslagen en dan ging je er in het voorjaar weer naar toe. Het was ook geen vast werk. In de maanden augustus en september kregen er op de Zuiderzee, een heleboel ontslag. Behalve de mensen die altijd vast op die molens zaten, die Sliedrechters. Maar ja ze moesten toch mensen ontslaan, de werktijden werden verkort, de nachten werden veel langer.

Dus zat ik de wintermaanden zonder werk, en je had dan nergens recht op, als vrijgezel, ik woonde nog bij mijn ouders. Maar in 1932 was de dijk klaar, dus toen was het afgelopen… De heer Visser kreeg ontslag, “koop maar een paar pantoffels” was het dan, je had nergens recht op. En de Wieringermeer was toen ook klaar. Dan waren daar ook nog de crisisjaren. En je had nergens recht op, als je een tientje verdiende, dan werd het al van mijn vaders uitkering ingehouden. 

Mijn vader was toen ook werkloos, en niet alleen in de wintermaanden. In de zomer had mijn vader het ook slecht, want met die crisisjaren hadden we na 1932 allemaal geen werk meer, en de visserij was ook slecht. Er was wel vis, bot en zo, maar die kon je soms weggooien want er was geen geld, de mensen konden niks meer betalen.

Ik herinner me dat ik eind maart 1929 bij iemand werkte op de haringvangst. Dan waren de haringen bijna altijd hier, maar waren ze meestal waardeloos. We kregen twee kwartjes voor 200 stuks frisse haring. Dan zeg je nu, hoe bestaat het. Veertig keer tweehonderd haringen namen we mee, die losten we niet. We gingen met de schuit naar Heerenveen en er daar mee de boer op.

We verkochten in Heerenveen twee stuks voor een cent. Dan kregen we toch nog voor tweehonderd stuks een gulden in plaats van twee kwartjes. Maar dan kwamen ze ook met 2/3 centen bij de schuit voor haring. Toen was alles nog goedkoop, maar was er geen geld. Het zijn verschrikkelijke tijden geweest. Later ging ik op de Noordzee vissen, ik woonde toen nog in Lemmer, maar moest wel naar IJmuiden toe.

Ik ging dan met de boot over, de nachtboot Lemmer – Amsterdam, de Jan Nieveen, en dan bleef je een dag of negen op zee. Daarna kon je een dag of anderhalf naar huis toe en dan moest je weer terug. In IJmuiden had je trawlers waarop je kon aanmonsteren. Dan moest je maar zien of je een schip kreeg. Om te zoeken moest je daar naar de kantoren toe. Je kon op kleine trawlers beginnen. Het is altijd zo geweest - dat heb je hier op de kotters ook, de goeie hebben altijd knechten. Als je op een klein schip begon, dan kon je later op een groter schip van hetzelfde kantoor komen, waar je dan ook weer meer verdiende.

De Jan Nieveen. "De Lemmerboot".

In Lemmer was toen niet veel te verdienen, als de scholvisserij afgelopen was, dan was het armoede. Nou ja, de visserij is altijd armoede geweest, en nu met de laatste jaren… Vroeger op de Zuiderzee kon je Urk ruiken, al was je er maar een uur vanaf, zo stonk dat dorp, en nou zijn het allemaal bungalows daar, vroeger was het één stuk armoede op Urk. Toen heb ik hier en daar nog gevist, en was dan weer werkloos. Dan moest je maar weer kijken of je een schip met stenen kon lossen, of dit of dat. In de steun kwam je niet, omdat je niet getrouwd was.

Er waren jongens, die waren met pech getrouwd. Die mochten een week niet werken en een week wel werken, want ze hadden nog geen kinderen. Dan kwamen ze met 7 of 8 gulden in de week thuis, toen was het ook verschrikkelijk hoor. In de crisisjaren 1932/1933 had je niet eens een dubbeltje om een pakje sigaretten te kopen. In 1932 heb ik weer in Lemmer gevist.

Mijn oom Jan Visser, had hier een Visserij, de LE 91. Zijn zoons noemen ze de “takkebosken”, zij konden nooit hun bed uitkomen, en gingen ze naar school, dan hadden ze geen tijd meer om hun haar uit te kammen, vandaar. Ik heb daar toen nog twee jaar gevist en in 1935 ben ik met mijn zwager naar Makkum gegaan, mooi dicht bij de Afsluitdijk.

Aan boord van de LE 91 bezig met lijnvissen (hoekjen) aan het roer Jan Adriaan Visser, midden Jelle Visser, zoon van Jan Adriaan, man op de rug is: Teunis Visser (De Flapper).

 

Op de Waddenzee visten we op haring; in het begin was er veel haring, die tegen de Afsluitdijk kapot liep. De haring en ansjovis trokken altijd terug naar de Zuiderzee, om daar kuit te schieten. De biologen zeiden al tegen me dat door de bouw van de Afsluitdijk de haring en de ansjovis niet terug zouden komen, en ze hebben gelijk gehad.

 

Met mijn zwager heb ik nog 2 jaar aan de IJsselmeerkant gevist. Nou dat was ook verschrikkelijk, nu is het rijk vergeleken met toen, maar toen wist je niet beter. Mijn militaire dienstplicht vervulde ik met grote tegenzin bij de marine in Den Helder. Ik kreeg het vooral te kwaad met die blagen van 'Adelborsten', die gegroet wilden worden, hoewel ze overigens geen belangstelling voor 'De Jannen' hadden.

 

Sake bij de Marine in Den Helder.

 

In de jaren dertig werd de NSB in Nederland actief. De NSB belegde vergaderingen en deelde op straat pamfletten uit. Ik kreeg op straat toen contact met Duitse vluchtelingen, die hun vaderland verlieten uit angst voor Hitler. Ik kwam er al gauw achter dat deze Duitse immigranten meestal links georiënteerd waren. Werden ze in Nederland ontdekt, dan werden ze meteen weer uitgeleverd aan de Duitse overheid. De bestemming van de Duitse vluchtelingen was toen al bekend: het concentratiekamp.

 

Ik vond toen dat de Nederlandse regering nogal vriendelijk tegenover de Duitsers was. Door die gebeurtenissen werd ik fel antifascistisch. Ik werd lid van de Internationale Rode Hulp. Elke week stortte ik een bijdrage en ik raakte ook betrokken bij de rellen tegen NSB-aanhangers. Als de jongens vergaderden, dan wachtten wij ze buiten op en pakten hun pamfletten af en verscheurden ze. Daarbij ontstonden vechtpartijen. De marechaussee, die een kazerne in Sloten had, kwam er dan weer tussen, want iedereen had recht op vergaderen, ook de NSB-ers.

 

Internationale Rode Hulp (ook bekend als MOPR) was een internationale sociale organisatie die verbonden was met de Communistische Internationale. De organisatie werd opgericht in 1922 om als internationaal Rode Kruis te functioneren. De organisatie leidde campagnes voor steun aan communistische gevangenen en verzamelde materiële en humanitaire steun in specifieke situaties. Zo werd ook hulp gegeven aan de tussen 1933 en 1940 uit Duitsland naar Nederland uitgeweken communistische vluchtelingen

Label van de Internationale Rode Hulp c.a. 1930. Foto van wikipedia.org

 

Via kontakten met leden van de Internationale Rode Hulp, besloot ik in augustus deel uit te maken van de Internationale Brigade, een vrijwilligersleger dat opgebouwd was uit soldaten van verschillende nationaliteiten, dat zou vechten tegen de Franco-troepen in Spanje. Zodoende ben ik ook naar Spanje gegaan, want ik dacht als we daar de oorlog konden winnen, dan zou ik hier niet terugkomen. Ik had echt genoeg van Nederland, omdat ik geen werk had, en ook geen kansen, ik vond het zo’n kleingeestig en kleinzielig landje.

 

Later ook, in Canada zag ik dat de mensen daar heel anders waren, veel vrijer. Het is niet te begrijpen, als je daar nooit geweest bent. Je kon daar met mensen die goed waren voor 10.000 dollar in een café een glaasje bier drinken, zonder dat je dat aan die mensen kon zien. Je had daar geen klassenverschillen, geen aristocratie zoals hier, en dat was daar heel gewoon. De mensen die daar iets waren, hadden zichzelf ook opgewerkt, die waren ook vroeger met niks daar naar toegegaan.

 

In de Lemmer was het erg christelijk. Zij hadden de meerderheid in de gemeenteraad. Als mensen van de kerk zonder kolen zaten, kregen ze die van de kerk. Was je niet bij de kerk, dan moest je alle zeilen bijzetten om aan kolen te komen. 

 

Maar de visserslui waren wel aardig links, zo heeft de communistische partij ook in de gemeenteraad gezeten. De meeste vissers stemden dan ook op deze partij, want wij waren zowat de enigen die op zondag visten, langs de hele Zuiderzee, én in Hoorn. In Hoorn waren ze ook wel aardig rood. Maar in de andere vissersplaatsen ging men zondags naar de kerk, en wij zondags naar zee; daar rustte een vloek op vanzelf.

 

De Lemsters hadden daar goed een hekel aan. Zelf ben ik geen lid geworden van de CPN. Wat zal ik zeggen, ik was vroeger toen ik nog jong was niet zo links. Ik ben het meer geworden toen ik uit dienst kwam. Wij waren altijd dat vrije leven gewend, met het vissen. In dienst stond je onder discipline. Officieren waren mensen uit een heel andere klasse. Het was de hele dag: dat moet je doen en dat moet je doen.

 

En daar kwam ik een beetje tegen in opstand en dat werd later steeds meer. Wat wist je in het dorp feitelijk van politiek af, tenminste met werk als vissen. Als je met een vissersman aan boord was, een oudere zeg maar, overlegden we wel met elkaar: “Wat zullen we doen, zullen we daar naar toe, zullen we hier een beun neerzetten of daar?”. Je was meer vrij onder elkaar, want je viste ook op een deel, dus je deed allemaal je best. Je had geen vast loon, het was allemaal deelvissen. Nou, en dan kwam je in dienst, en was het afgelopen, weer discipline en de hogere klassen.

 

Ook in Den Helder had je die adelborsten. Als wij niet groetten - en dat deden we wel eens niet - dan moest je meekomen. Ik kwam toen op het schip de Nautilus terecht, die is gebleven in de oorlog. Vlak voor ik erop kwam is dit schip bij het Jan Mayen eiland geweest (Jan Mayen is een vulkanisch eiland in de Noordelijke IJszee). De Nautilus was een oude trawler die mijnen kon leggen. Het schip werd veel gebruikt voor de visserijinspectie. De Nautilus moest bijvoorbeeld ingrijpen als er conflicten waren bij de vissersschepen over stukgevaren netten bijvoorbeeld. Ook kon er assistentie verleend worden, als er op de vissersschepen zieken waren (er was een dokter aan boord) of bij radioproblemen (er was een radiomonteur aan boord). Ik moest één week varen en werd dan weer afgelost, ik kreeg daar f 1,25 per week voor, je kon niet eens “rokende” blijven.

 

(Hr. Ms. Nautilus (M 12) was een Nederlandse mijnenlegger, gebouwd door de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij uit Rotterdam. Naast mijnenlegger was de Nautilus ook ingericht als vaartuig voor politietoezicht op de zeevisserij. Op 24 en 25 juli 1930 bracht de Nautilus een bezoek aan het eiland Jan Mayen in verband met de plaatsing van een gedenkteken voor de Nederlandse zeelieden die op het eiland overwinterden en het leven lieten. De Nautilus was een van de Nederlandse schepen die in verband met de Spaanse Burgeroorlog vanaf 17 maart 1937 tot 10 januari 1939 voor ruim een miljoen ton aan schepen van diverse Nederlandse rederijen veilig door de Straat van Gibraltar escorteerden. Andere Nederlandse marineschepen die hierbij betrokken waren, waren de Hertog Hendrik, Johan Maurits van Nassau, Java (O 13 en de O 15).

Toen ik in Den Helder zat, kwamen we ook met Amsterdammers in aanraking. Zij hadden weer andere gedachten dan wij; wij kwamen uit dat boerenland vandaan hè, maar ik kon altijd wel aardig met ze opschieten hoor.

Er waren ook meer linksen onder, meer communisten. Dit waren vaak jonge jongens, die leerling-stoker waren op de treinen, en jongens van de visserij en van de koopvaardij. Zij kwamen meestal bij de marine. Dit was zo rond 1930. In 1931 ben ik weer afgezwaaid. Je was toen nog maar 8 maanden in dienst en in het leger 6 maanden. Dat lijkt niet lang, maar het duurde lang genoeg, je was blij dat je af kon zwaaien. Je kreeg ook maar één of twee keer verlof in die 8 maanden, en één keer vrij reizen. Dat mocht ook wel voor die f 1,25 per week.

Er waren wel veel vrijwilligers bij de Marine, die van alles deden onder het mom van het is voor het vaderland, maar er was ook een Amsterdammer die zei: "Ik heb f 1,50 in de week, ik heb ook voor f 1,50 vaderlandsliefde”. Zulke uitdrukkingen hadden ze.

Begin 1937 ben ik naar Spanje gegaan (ik zat toen nog niet bij de communistische jeugdbond, ik had wel informatie gevraagd). Mijn neven waren toen wel bij de communistische partij, een van hen heeft hier later na de oorlog ook 25 jaar in de gemeenteraad gezeten. Om lid te worden moest ik naar Amsterdam. Dat was een hoop geregel, maar dan kon ik de week erop al weg. Maar ik moest eerst nog pasfoto´s laten maken, ook dat nog, en veel geld had ik niet. Maar goed, toen moest ik alles goed in m’n hoofd onthouden: ik moest eerst met de boot over, de nachtboot Lemmer-Amsterdam, en dan met de bus naar Antwerpen, in die tijd (de crisisjaren) reed er een bus naar Antwerpen en dat was goedkoper dan met de trein.

Ik kreeg wat geld mee. In Antwerpen moest ik naar het stationsplein gaan, en daar zou iemand staan (te herkennen aan een communistische krant), die het geld zou omwisselen in Belgische franks. Van hem zou ik dan weer horen hoe verder te gaan. Ik moest ‘s avonds met de trein van Antwerpen naar Brussel, en daar weer wachten. Ik ben nog naar de bioscoop gegaan in Brussel. Daarna moest ik met de nachttrein naar Parijs gaan, en als ik in Parijs aankwam, dan moest ik ene kameraad Leo hebben, die in een café zat aan de Rue de Violette, nummer 16. Ik moest dat allemaal goed onthouden.

Maar er woonde bij ons aan de Schans in Lemmer een winkelier, die heette Bonnejette. Ik dacht, ah, Violette, Bonnejette. En die vissersman die ik goed kende, had de LE 16, dus het nummer kon ik ook goed onthouden. Maar ja, dat was het ergste nog niet. Daar kwam ik aan op het Gare du Nord, en ik eruit, maar ja waar moest ik heen? Ik kon geen woord Frans, daar had ik nooit over geprakkezeerd. Vlakbij was een parkje. Ik bleef steeds maar heen en weer lopen tussen het station en het parkje. Op een gegeven moment dacht ik, ik ga maar eens op een bankje zitten. Toen stopte er een motorrijder, die zijn diensten aanbood. Deze motorrijder heeft mij naar de Rue de Violette 16 gebracht naar kameraad Leo. Toen wij daar binnenkwamen, zaten ze allemaal te eten, Fransen zitten altijd te eten. Kameraad Leo en ik hebben ook maar meegedaan.

Bij het eten kregen we rode wijn te drinken, het was de eerste keer dat ik wijn dronk. Ze dronken allemaal rode wijn, dus ik dacht dan drink ik het er ook maar bij. Maar ik kon het niet door mijn keel krijgen, die landwijn, maar kameraad Leo zag het wel: “Je moet maar bier hebben zeker”.

Dat ik deze weg opgeholpen ben is eigenlijk door een neef van mij. Ik had er wel eerder van gehoord, want ik had Jef Last, in Lemmer hier ook wel over gesproken. Hij heeft in Lemmer gesproken toen we dat communistische gebouwtje nog hadden: Palvu, (Proletariërs Aller Landen Verenigt U) op de Lijnbaan in Lemmer. Dat hebben ze in de oorlog verkocht, omdat de Duitsers er beslag op hadden gelegd, en later is het een kerkje geweest voor Baptisten. Maar ik heb wel via Jef Last, het een en ander gehoord.

1991: Verkorte reisbrief uit LEMMER door Piter Terpstra

De Lijnbaan, waar vroeger PALVU (Proletariers aller landen verenigt u) stond. Het was de vergaderplaats van de Lemster communisten, die geleid werden door de idealistische visroker en musicus Jacob de Rook. Hij zat voor de Communistische Partij Holland in de gemeenteraad, maar onderwierp zich niet altijd aan de

Amsterdamse partijdiscipline. Bij de algemene beschouwingen over de gemeentebegroting sprak hij op visionaire wijze over een toekomstige tijd, waarin er geen verdrukten meer zouden zijn en een rechtvaardige maatschappij volgens de denkbeelden van Marx zou bestaan.

Maar ook op korter front voerde De Rook zijn strijd: hij kwam op voor de noden van de kleine man en werd in het dorp algemeen gerespecteerd. Het viel te voorspellen dat hij met de Duitsers in conflict zou komen. De Rook werd tijdens de bezetting gearresteerd en overleed in het Kamp Buchenwald.

Het gebouwtje staat er nog. Het wordt sinds korte tiid beheerd door Arend Poepjes, die de ruimte gezellig heeft ingericht. Het wordt nu voor allerlei vergaderingen en bijeenkomsten gebruikt. Ik praat met Poepjes even over het verdwenen communisme.

Wel heeft de groep in Lemmer nog steeds een vertegenwoordiger in de gemeenteraad: Rinse Visser van de Vrije Communisten. „Hy set him yn foar alle minsken, dy't help nedich hawwe en by har eigen partij soms foar de tichte doar komme", verzekert Poepjes. „Ek foar de alderen, dy't har mei de sosiale problemen en belestingen net sa best rede kinne" De geest van Jacob de Rook leeft dus voort.

 

Jef Last

We zijn toen nog een dag en nacht in Parijs gebleven, met Duitsers en Scandinaviërs, er waren geen Nederlanders bij. En veel Duits kon ik ook niet, maar ik had wel Duitse emigranten gesproken, die uit Duitsland gevlucht waren. Ik was toen nog wel lid van de Internationale Rode Hulp, en we gaven daarom wekelijks een dubbeltje, meer konden we ook niet missen, maar die mensen hadden helemaal niks.

De meeste van hen zijn toen ook ondergedoken in grote steden zoals Amsterdam, niet in kleine dorpen, dat liep teveel in de gaten. Vaak hielp ik ze dan verder, en diezelfde mensen kwam je dan weer in Spanje tegen. Die van de emigratie zaten allemaal in de Internationale Brigades. Na Parijs moesten we naar Carcassonne, helemaal in het zuiden.

In Parijs ben ik niet gekeurd want ik was in dienst geweest, en dat was dat, dat keuren dat zegde immers toch niks...... Een paspoort had ik niet, alleen een bewijs van Nederlanderschap, daarmee kon ik de Belgische en de Frans grens over. In Carcassonne zijn we een paar dagen gebleven, en vandaar moesten we een paar dagen lopen door de Pyreneeën heen, om in Spanje te komen, ik wist toen voor het eerst wat lopen was, lopen en toch slapen. Ja eerlijk waar, onder het lopen viel je gewoon in slaap.

Want we moesten een spoorlijn volgen, en dan struikelde je over die dwarsverbindingen die daar lagen, en dan schrok je weer wakker, en dan gingen we maar weer druiven plukken. Op het laatst had je diarree, verschrikkelijk, van al die druiven. We hebben ongeveer 20 uur gelopen, dan had je de ene berg gehad, en dan kwam de volgende berg alweer, en dan dacht je dit zal de laatste wel wezen, maar was je daar overheen, dan was er toch weer een, en zo ging dat maar door. Tot je op het laatst toch op het end kwam, en dan moest je met een rotgang naar beneden toe, en kwam je in Figueres aan, zo’n tien kilometer van de Middellandse Zee.

Daar waren we dan met zo'n 40/50 man, met Duitsers en Scandinaviërs. In Figueres waren er al meer, die waren met een groep eerder gekomen. Vandaar zijn we met de trein naar Albacete gegaan, waar het opleidingskamp van de Internationale Brigades was. Maar ja, omdat we in dienst geweest waren, konden we in 1937 direct naar het front, ook al omdat we met een geweer om konden gaan Het zal in de maand juli geweest zijn, want in 1936 is daar de revolutie uitgebroken, en in mei 1938 ben ik daar gevangen genomen. Met ook al die anderen, veel Duitsers en Engelsen, we konden er niet meer doorkomen.

Jaren later was het de bedoeling dat we rechtstreeks naar Curaçao zouden gaan, maar de boot voer naar Argentinië, ook met Spanjaarden en al die andere mensen. Maar we mochten niet op Curaçao aanleggen. We kregen permissie van de Engelsen – de Engelsen hebben een hoop voor ons gedaan – om naar Trinidad, Port of Spain, te gaan. Dat was in 1942. Daar hebben we een paar maanden gezeten en toen zijn we per vliegtuig over Venezolena, Trinidad, naar Curaçao gegaan. En vandaar – na daar een tijdje te zijn gebleven - zijn we met een tanker naar New York gegaan.

Ticket Curaçao.

 

Het was nogal een heen en weer natuurlijk, maar we moesten in New York van boord af. Er waren nog wat Engelandvaarders bij, meest joodse vluchtelingen. De tanker ging richting Europa; er waren twee mariniers aan boord die uit Curaçao kwamen en naar Engeland gingen, maar die tanker is daar nooit aangekomen. We hadden dus geluk gehad, dat wij in New York van boord gingen.

 

In New York verbleven we een dag en een nacht en een dag in het Time Square Hotel, en daarna zijn we met de trein naar Canada gegaan, naar de staat Ontario, niet ver van de Niagara Falls. (Nederlanders uit de USA, Canada en Zuid-Afrika kwamen daar samen in een kamp voor training.) Daar hebben we 5 maanden training gehad, en zijn toen met een Canadees troepenschip naar Engeland gevaren.

 

We waren begin 1943 in Engeland. Ik ben niet meteen al als matroos gaan varen. We moesten tekenen als vrijwilliger, en dat wilden we niet. Wij hadden paspoorten, anders hadden ze ons ook niet kunnen vervoeren, en we waren Nederlander. Maar in Engeland hebben ze de paspoorten van ons afgenomen en opgeborgen. We konden toen wel in dienst blijven, maar dat moest dan wel vrijwillig.


Zo was de Nederlandse regering, want als dienstplichtige moest je Nederlander zijn. Maar ze kwamen erachter, dat als je zes maanden in een land woont, en dat land is in oorlog, ze je dan kunnen oproepen voor dienstplicht. Maar we waren helemaal geen statelozen, we waren gewoon zeg maar onze burgerrechten kwijt. Dus ze konden ons verplichten om in dienst te gaan. Maar ik was dienstplichtige van de marine, en toen heeft men me naar de marine overgeplaatst. Ik kwam toen bij de Nederlandse Marine, waar ik vroeger als dienstplichtige al was geweest. Het was wel raar dat ik toen ik in Spanje gevangen zat, thuis in Nederland een oproep kreeg voor mobilisatie.

 

 

Mobilisatiefoto uit 1939. Wie deze onverschrokken militairen zijn is onbekend. We weten dat er in ieder geval één persoon uit Tytsjerksteradiel op staat.

 

Ik werd toen eigenlijk mooi gedropt bij de Nederlandse Marine, maar wilde dat eigenlijk niet, ik zat liever bij de Irene Brigade. Maar ik heb toch gediend voor koningin en vaderland tot juli 1946. Het eigenaardige was, dat ik zelf niet zoveel voor de regering en koningin en vaderland over had hoor. We zaten daar namelijk met Engelsen, Scandinaviërs, Fransen, Belgen, Amerikanen, en die Duitse emigranten en Oostenrijkers.

 

In 1938 zijn we gevangen genomen. In 1939 toen de oorlogsdreiging steeds groter werd, kwamen de anderen allemaal vrij en werden door hun regeringen eruit gehaald. Maar wij als Nederlanders bleven zitten met Joegoslaven, Hongaren, Bulgaren, waar helemaal geen democratie bestond. We zouden nonnen hebben vermoord of verkracht, geloof ik. De Spaanse regering heeft toen gezegd dat we misdadigers waren, maar die andere democratische landen hadden hun onderdanen wel opgeroepen.

De Nederlandse regering heeft toen voor ons niet veel gedaan, maar in de oorlog konden ze ons weer goed gebruiken. Dus alle anderen waren er in 1939 - maanden vóór de oorlog uitbrak - er al uitgehaald, maar wij dus niet. Dat was echt Nederland. Ik heb later vaak genoeg gezegd, als je later ergens komt en je zit in gevaar, dan kun je beter Zuid-Afrikaans, of een beetje achterstevoren Nederlands spreken (als je geen Engels kent), maar je moet je nooit als Nederlander uitgeven, want dan ben je nergens.

 

Nee, we hebben in Madrid meegemaakt, dat van de diplomatieke dienst ene consul-generaal, De Bruin van Tinbergen, bij ons kwam. Dat was trouwens de grootste vrouwenjager die er bestond. We kregen van hem zakgeld, en al die dingen meer om kleren van te kopen. Dat was de corruptie hé, en fooien geven, dat was de Bruin van Tinbergen.

 

Een Engelse gezant of consul kwam altijd bij ons in Miranda de Ebro, en zij namen dan altijd levensmiddelen-pakketten mee van het Rode Kruis. Dat hadden de Engelsen dan voor ons klaargemaakt, en zij zeiden tegen ons: De Bruin van Tinbergen is een zuiplap en een vrouwenloerder, daar heb je niks van te verwachten hoor.

 

's-Gravenhage, 19 September 1939.


Ik heb in verschillende plaatsen gevangen gezeten, allereerst in San Pedro de Cedella, dat was in Belchite, vlakbij Zaragoza, en daarna hebben we in de provincie Valencia gevangen gezeten. En de laatste jaren hebben we in Miranda de Ebro, gezeten, daar kwamen een hoop Engelandvaarders en vluchtelingen. Dat was in de buurt van Burgos, meer in het Baskenland.

 

Ja, de Nederlandse regering heeft ons wel laten stikken, we zijn nog bezocht door Jonkheer Panhuis, en daarna is de uitlevering pas georganiseerd, dat was in 1942. De Nederlanders waren veel minder dan de Engelsen overtuigd van de uiteindelijke overwinning op Duitsland.

 

Kaart voor Sake, van zijn neef Meint Visser en zijn vrouw Pietje Visser uit Lemmer.

 

 

In oktober 1936 komen de eerste internationale brigadiers in Barcelona aan.

 

 

Afdruk van: wikipedia.org

 

Uit de Gazet van Mechelen 25 juli 1936. upload.wikimedia.org

 

 

Archief SDAP. Afdeling Lemmer. Periode 1894-1920.

(SDAP afdeling Lemmer. Opgericht in 1870 als afdeling van de Algemeene Friesche Werklieden Vereeniging, vanaf 1883 aangesloten bij de SDB en in 1896 bij de Socialistenbond; bleef na de opheffing van de Socialistenbond in 1900 als zelfstandige Socialistische Vereeniging bestaan en sloot zich pas eind 1901 bij de SDAP aan).

De SDAP verbood echter haar leden om medewerking te verlenen aan andere soortgelijke initiatieven. Veel leden waren het echter niet eens met de partijlijn en zij besloten op persoonlijke titel mee te doen aan andere comités zoals het Comité Hulp aan Spanje. De Internationale Rode Hulp organiseerde ook bijeenkomsten waar geld werd ingezameld voor de Spaanse republiek. Zo haalde zij in januari 1937 circa 20.000 gulden op bij steunlokalen, bedrijven en bondskantoren.

Vroeger ben ik bij de C.P.H geweest, bij de communistische jeugd. Dat was in de crisisjaren. De communistische jeugdbond, het C.J.B, was hier georganiseerd. We hadden Jacob de Rook, die jarenlang in de gemeenteraad heeft gezeten voor de C.P.H. Jacob de Rook, geboren in 1889, is hier vandaan gehaald en is omgekomen in Buchenwald in Duitsland op 13 april 1942.

De Tribune 1935

Ik werd aan het front ingezet in Madrid en later bij Belchite. George Orwell heeft daar ook gezeten en heeft er een boek over geschreven. Dat waren meer de Anarchistische Brigades, die zaten bij Lerida in de buurt. Daarna moesten we naar Teruel. Daar zagen we voor het eerst, dat het kon sneeuwen in Spanje, zaten we tot ons middel in de sneeuw. Teruel ligt hoog in de bergen, daar hebben we zwaar geleden, want daar hadden die fascisten hun kans, zij hadden veel meer materieel.

Fascistische troepen in Lerida.

 

Officieren van het 43e divisie van het Republikeinse leger.

 

Zelf zat ik in de 11e Brigade, de Duitse Brigade. Daarvan had je drie bataljons, het Thälmann bataljon, genoemd naar KPD-voorzitter Ernst Thälmann, die in 1944 werd vermoord in het concentratiekamp Buchenwald.

 

Dit was het Duitstalige onderdeel van de voornamelijk communistische Internationale Brigade die aan de Republikeinse kant vocht. En dan had je de 12e Februari, de Oostenrijkers. Op 12 februari 1938 dwong Adolf Hitler, de Oostenrijkse bondskanselier Kurt von Schuschnigg een overeenkomst te sluiten, waarin het verbod op de nationaalsocialistische partij werd opgeheven, de partij in de regering werd opgenomen, en daarbij het ministerie van Binnenlandse Zaken, en daarmee dus de controle over de politie kreeg.

 

En je had Nederlanders en Scandinaviërs, die in het Edgar André-bataljon zaten. In de vorige twee bataljons, heb ik ook gezeten, en die twee met elkaar was de brigade ‘de onze'. De 15e Brigade was de Amerikaans-Engelse Lincoln Brigade, daar is nog een film over gemaakt.

 

Ernst Thälmann. (Hamburg, 16 april 1886 - Buchenwald, 18 augustus 1944) was de leider van de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) tijdens de Weimarrepubliek.

 

In Madrid kwam je niet in de stad zelf. Wij lagen net voor Madrid. Daar kwam je alleen maar om te sneuvelen. Het was 'non pasaran' en je lag bijna nooit achter het front. Er moest een offensief ingezet worden, of er moest een offensief opgevangen worden. Daar moest je dan weer naartoe, of je moest soms enden lopen, of we moesten ons weer terugtrekken, rust had je niet. Maar het is net als met dat liedje: 'old soldiers never die'. Als je voor het eerst aan het front bent, dan schrik je van alle geluiden, maar na een tijdje went dat. Net als met granaten, je hoort aan het geluid dat ze over je heen gaan. Dus je prakkezeerde er niet over, je dacht bijvoorbeeld nu kan ik wel even een tukkie doen, ze gaan toch allemaal over ons heen.

Dat was ook zo met vliegtuigen, je ziet ze aankomen, en als ze dan boven je zijn, is alles al voorbij, want als ze dan wat uitgooien, komt het toch ver achter je terecht. Al die dingen begin je te leren, en daar word je rustiger van. Je hoorde het ook aan het schot zelf, dan dacht je oh, dat zit daar, en daarvoor keek je om je heen. Je wist niet waar het vandaan kwam. En later denk je, als je het schot hoort, ik ben niet dood want die kogel is altijd eerder als het geluid. Dat zeggen die Amerikanen ook in 'old soldiers never die', maar ja je kunt evengoed doodgaan, alleen raak je toch meer gewend aan die dingen.

Je hebt ook blindgangers, dat zijn ook granaten, die kwamen er aan alsof er ganzen kwamen aanvliegen. Ze gaan helemaal over de kop de lucht in, komen dan met een hoop lawaai aan, dat hoorde je ook direct, en dan wisten we niet wat het was. En dan was het weer duiken hè, en later dacht ik, gewoon rustig blijven liggen. Eerst ben ik bij Brunete ingezet met de 11e Brigade, en later bij Belchite. Bij Brunete was het een offensief van republikeinen, bij Teruel ook, maar daar waren meer Spaanse brigades. Zij hebben dat offensief ingezet bij Teruel. En wij moesten de zaak dan weer consolideren, want later kwam het tegenoffensief van de fascisten.

Het was een verschrikkelijk vuur daar, ze hadden van alles: Duitsers, Duitse tanks, Duitse vliegtuigen. Bij Brunete was ik bij een Hollandse groep ingedeeld. Ik had daar ook een kameraad getroffen, die daar ook nog is gesneuveld: Jan Borgman, een Groninger. Ik zal zijn naam nooit meer vergeten, want de Spanjaarden noemden hem altijd 'Pelo Caci', omdat zijn haar wit was, en zijn kleren ook, door de zon.

 

Hetzelfde haar dus als zijn uniform. Jan Borgman, ja, die kreeg een schot door zijn hoofd, hij lag naast me. Toen vielen we aan... opstaan... liggen... opstaan... liggen... en toen moesten we weer liggen en konden we niet verder. Ik hoorde een zucht naast me en dat was Jan Borgman. Later zijn er nog mannen teruggekomen met schoten in hun buik en darmen. Toen schoten de heren fascisten al met explosieven... zó′n ingang en zó′n uitgang.

Er lagen wel meer brigades, maar daar kwam je nooit mee in contact, en als je verder naar de Pyreneeën ging, had je Lerida liggen. Daar heb ik een paar maanden gelegen bij Huesca, tegen de Pyreneeën aan. Dat was ook zo verrot koud, het was net in de winter, en vandaar moesten we naar Teruel, nou, dat was 48 uur in die rottige wagens; als je eruit stapte, dan viel je zo om, zo stijf en koud was je, er lag nog een hoop sneeuw. Onze compagnie moest weer een aanval doen, een front rechttrekken. Dan kwamen ze 's morgens vroeg in het donker aan met sigaretten en busjes (blikjes) eten.

 

 

Had je zo'n busje, dan moest je die met zes man delen. Het waren van die grote bussen, maar daar had je geen tijd voor. Ik weet nog dat we dan tegen elkaar zeiden "laten we die bus maar delen met wie er terugkomen", nou, dan kwamen er maar twee man terug van de zes (Nederlanders).

 

Je had nooit geen rust, je moest van het ene front naar het andere; dan werd je wel weer aangevuld. Er waren ook wel Spanjaarden, die kwamen ook in de Internationale Brigade, want van de hele compagnie hadden we maar één sectie over. Het waren allemaal doden en gewonden, en als je licht gewond was, was het nog niet zo erg, want die mannen lagen evenzogoed te wuiven op de brancard omdat ze weggingen naar het hospitaal, hadden ze weer een paar weken rust.

Zelf ben ik nooit gewond geweest, ik heb wel eens een schampschot gehad, maar daar had ik nog geluk mee. Ik denk dat de kaarten geschud zijn als je geboren wordt, maar ik heb vaak genoeg gevloekt, dat ik nog leefde. Dat was toen ik in het concentratiekamp zat, want dat is erg hoor die honger. Je ziet wel eens, of dat lees je ook wel eens, dat ze iemand tegen de muur zetten om gefusilleerd te worden en dan denk je dat zal een verschrikkelijk iets wezen. Maar dat zouden ze met ons ook doen, en het enige wat ik dacht, mijn vuist gaat omhoog. Er waren jongens die zaten te huilen, maar ik trok me er niet veel van aan, ik dacht klets, pats en het is over.

 

Later kwamen er nieuwe mensen bij, vanachter het front vandaan, om ons weer te steunen. Evengoed ging mijn maat Jan Borgman dood.

We hebben toen een hoop mensen verloren. We hebben die aanval toen wel afgeslagen, ook doordat er een antitank bij ons achter stond. Maar als je de eerste doodschiet of in brand ziet vliegen, dan begin je ook een beetje te twijfelen.

 

Want dat zijn net zo goed mensen, daar kom je later ook achter, iedereen is net zo bang voor de dood, want helden bestaan er niet. Je doet heldhaftige dingen, dat je misschien later denkt..... Ik heb het ook wel gehad, dan duurde het wel uren, zo lag ik te trillen voordat ik weer tot mezelf kwam.

 

Maar op het moment dat je dat doet, dan ben je verstandeloos, dan denk je er niet over na, maar later komen de reacties. Dat noemen ze dan ook heldendaden, dat je dat gedaan hebt, maar de meeste hebben dat helemaal niet als heldendaden ervaren, het ging onbewust bij wijze van spreken. Later komt het bewustzijn, dat je bij je zelf denkt, dat had mij ook kunnen overkomen, die doden en gewonden, daar ben je toch mens voor, je wilt toch blijven leven.

De infanterie en de artillerie stonden een stapje verder achter ons opgesteld, dat combineerde allemaal, die schoten eerst en dan moesten ze nog een schot doen, en dan moesten wij aanvallen. Maar voordat wij aanvielen hebben we de tanks teruggestuurd, naast ons waren ze al teruggetrokken.

 

Wij lagen vooruitgeschoven in een punt en die moesten wij opzij weer rechttrekken. Maar op het laatst kregen we het vuur uit de flanken vandaan, dus wij moesten ook weer terug, maar ja dat was nou een keer zo opgesteld. Ik weet niet hoe dat kwam, het waren ook geen beroepsofficieren die we hadden. Arie van Poelgeest vertelde later dat er gevochten is om een kerkhof bij Brunete, maar dat was bij Teruel, daar lagen we toen achter. Het zat zo, die kerkhoven zitten daar allemaal in de muur hè, daar worden die kisten opgeschoven.

Maar wat deden die fascisten, die schoten erop, wij lagen er vlabij, en dan vlogen de kisten de lucht in. Maar later stond in de krant, dat wij het gedaan hadden. De republikeinen kregen altijd de schuld, hè, maar de fascisten schoten het hele kerkhof naar de bliksem. Bij Belchete was een eerste offensief van de republikeinen, en later hebben ze weer een offensief ingezet. Zij zetten altijd offensieven in, die hadden veel meer materieel, Ik was er een paar keer doorgekomen met die anderen, maar toen liep het echt mis, en was het weer terugtrekken. Zo'n 12 uur later kwamen we er pas door, want ze schoten nog met artillerie op ons. Je hoort aan die dingen of ze dichtbij invallen, of dat ze ver over gaan.

Zo we zijn er door hoor, nu een sigaretje roken, maar ja allemaal doodmoe, en als je naar het front toe moet, dan lopen ze allemaal achteraan, en als je van het front weggaat, dan lopen ze allemaal voorop. Dat moet je dan in de gaten houden, want wij liepen achteraan hoor, van 't front af, nou ja we waren er door. Je hebt altijd van die opgerolde dekens bij je, nu een sigaretje roken, ik ga maar even liggen.

 

We hebben zo'n nacht in een plaatsje gelegen, in een schuur met 100 man. Dat waren Engelsen, Fransen, Duitsers, en ingesloten dus, want met dat terugtrekken moesten er altijd achterblijvers wezen. Die komen het laatst, want het mag niet vernomen worden van de andere kant, dat je terugtrekt. Dan liggen er een paar te schieten en te vuren, want wij lieten er ook weer een paar achter, toen wij gingen.

 

We zeiden: "schiet maar op alles, wat je ziet”, dat is de strategie, nietwaar. We moesten maar zien of we verder konden komen, maar ja toen kregen we direct al vuur, bij de bergen langs, bij de heuvels, waar we liepen over de bergpaadjes. We kregen vuur van voren, dus wij de bergen op, maar toen waren we omsingeld en dat was dat . Dan maar overgeven, een hoop Engelsen een hoop Duitsers, weer te laat teruggetrokken vanzelf, en dat was dat.

 

Bron: Archief van het Verzetsmuseum; De foto is genomen in concentratiekamp Miranda de Ebro. Hier staan Sake en zijn maten op.

1

Johannes Hubertus

Roselle

17-06-1910

Gulpen

3

Sake

Visser

30-08-1910

Lemmer

4

Herman (Herman Stephanus Ferdinand)

Scheerboom

04-02-1912

Amsterdam

5

Johannes Franciscus

van Nelfen

28-08-1914

Den Haag

6

Christiaan

Verhoeve

07-03-1915

Amsterdam

8

Adriaan

Mill

26-01-1904

Amsterdam

11

Adriaan

Thomas

09-03-1912

Rotterdam

12

Arie 

Hootsen

08-03-1910

Voorburg (Z.H.)

13

Piet

Seegers

19-08-1916 

Amsterdam

14

Hendrikus Johannes

Leusink

08-01-1918

Enschede

16

Harry (Hendricus Petrus)

Van Loon

 

Tilburg

19

Bernard

Böcker

17-05-1915

Heerlen

20

Jacobus

Verboven

22-11-1915

Tilburg

21

Johannes

Deutekom

07-09-1918

Leiden

2, 8 en 10 Duitsers?

(Aan de hand van de foto, zien we de namen van Arie Miel, Piet Seegers (Stichting Spanje 1936 - 1939 vertelt: Zijn moeder en broer werkte voor de Wollweber groep die fascistische schepen saboteerden, beide zijn omgekomen in de Tweede wereldoorlog. Zijn vader heeft in een concentratiekamp gezeten en heeft dit overleeft.), Herman Scheerboom *, (ook een Amsterdammer) van Elven (′n Hagenees), Hoosten (die was korporaal mitrailleurschutter in het vliegtuig in de laatste oorlog bij de marine, die is later ook nog naar Indië gegaan, Adriaan Thomassen, familie van de oud-burgemeester van Rotterdam. Deze weet ik niet, maar hij was wel een gestudeerde, had economie. Zijn ouders hadden een grote schilderijenwinkel. Dit is een Rotterdammer. Verhoeven, een Tilburger, Deutekom kwam uit Delft, Beuker of Bökker is in het kamp overleden. Hij had een neusontsteking, zijn vader was een Duitser geloof ik. Dit is nog een Tilburger, en een Hagenees, drie Duitsers (In een Duits biografieën boek „Sie werden nicht durchkommen!” van Werner Abel, worden ze met naam genoemd: Alfred Richter en Ernst Cohen, die zich als Hollander voordeden en daarom ook net als de andere Nederlanders werden vrijgelaten. Dit werd later ontdekt waardoor ze op Curaçao werden gevangen gezet). De vier die in december zijn vrijgelaten staan er niet op, de foto is van een latere datum).

* Van Herman Scheerboom, is de levensloop terug te lezen op deze website  http://spanje3639.org/2015/02/21/terug-naar-de-ebro/

Bron: Nacho Garcia van de Jailynews: Een lijst van het Rode Kruis van 29 november 1938 over kledinguitdeling shirt (camisa), pullover (jersey) espadrilles (alpargatas)

Onder: lijst van het Rode Kruis januari 1940 met internationale gevangenen in Belchite. (Gevangenen van San Pedro werden eerst naar Belchite gestuurd en later concentratiekamp Miranda de Ebro)

 

 

We moesten ons overgeven niet ver van Zaragoza. We konden ook wel ophouden, want er begon al een te huilen en.... als je dan een paar doodschiet, dan knallen ze je helemaal af. Je hebt altijd nog stille hoop, wat altijd dom is, maar ja dat is met ieder mens zo. Dat zie je met terroristen, die geven zich over, terwijl ze weten dat ze niet meer vrijkomen, dan kun je je beter doodvechten.

Maar toch doe je dat niet zo gauw, je hangt toch aan het leven, en later denk je had ik het maar niet gedaan, had ik me maar dood gevochten...... Maar ja toen was het zover en kwam er een melder, dat was allemaal radio vanzelf. Want ze schreeuwden altijd, dat ze tegen de Internationalen vochten, maar ze hadden er nog nooit één gevangen, dus moesten ze op het laatst gevangenen hebben, zodoende hebben ze ons gevangen genomen.

Aan het Ebron-front ben ik gevangen genomen. Toen we in mei 1938 gevangen genomen waren, was het 'cota la capesca?' en 'fusillade'. Die Spaanse fascisten waren er wat trots op, dat ze ons, Internationalen, te pakken hadden. Het eerste wat ik dacht was "als ik nou een klein muisje was kroop ik weg, maar als ze me tegen de muur zetten, gaat de vuist omhoog". Ik dacht later in Holland komen ze er wel achter, als ze niks meer van me horen, ik dacht het is maar kort, klets, pats, en het is gebeurd.

Maar omdat je zo moe was, want let wel, als ze je nu van huis afhalen, uit je bed vandaan, en ze zetten je tegen de muur, dan sta je er wel heel anders tegenover. Maar als je zolang aan het front gelegen hebt, doden en gewonden en al gezien hebt, dan weet ik niet of je het dan niet anders ervaart dan kort, klets, pats en het is over. Maar ik ben blij dat ze het niet deden, daar gaat het niet om.

Later heb ik ze wel vervloekt, dat ze 't niet gedaan hebben, want die honger die we later leden, dat was nog veel erger dan de dood. We werden naar beneden gebracht, en alles werd ons ontnomen. Daar kwamen we meer mensen tegen, en werden we in een dorpje in een schuurtje ondergebracht. De andere morgen zijn we met een auto naar Zaragoza gegaan, en van Zaragoza naar Belchite.

Daar stond een klooster waar we een jaar of anderhalf jaar hebben gezeten. Het klooster was helemaal stuk geschoten, en er zaten nog nonnen in toen wij er waren. San Pedro de Cadella heette dat, in Belchite.

In juli 1942 zijn we vrijgelaten, dat is een heel end hoor als je jong bent, honger en honger en honger..... Ik heb twee jaar in een steengroeve gewerkt, om het dorp weer op te bouwen, Moesten we voor de stenen zorgen, die uit de rotsen vandaan kwamen. Daar vandaan zijn we naar Valencia gegaan, maar je kreeg nooit geen eten, hé. Je had zo ʼn honger, honger….

 

Een exemplaar van de illegale nieuwsbrief uit San Pedro (augustus 1938)

 

Drie foto's van Nancy Wallach van ALBA (haar vader zat ook gevangen in San Pedro), de Amerikaanse organisatie van Spanjestrijders (www.alba-valb.org): Begraafplaats binnen het klooster van San Pedro. Gevangenen werden buiten het klooster geëxecuteerd, maar begraven in het klooster. Degene die bloemen legt is een Spaanse mijnheer die een blog heeft genaamd naar de illegale nieuwskrant the Jaily News

 

Het klooster San Pedro, waar Sake ook gevangen heeft gezeten.
In het klooster liggen verschillende Spanjestrijders begraven, maar het klooster weigert elke vorm van herdenking en/of herdenkingsteken
.

 

 

Op de foto is een herdenkingsteken te zien die men wilde plaatsen.

 

● Op YouTube, is een korte Spaanse documentaire te zien met beelden van gevangen Interbrigadisten in San Pedro Cardena, waar Sake ook gevangen heeft gezeten: www.youtube.com en de beelden van het klooster beginnen op tijdstip 1:54 van de documentaire.

 

Belchite ligt ongeveer 40 km ten zuidoosten van Zaragoza. In 1937 is om en rond het stadje hevig gevochten door de Republikeinen en de Falange. Op 24 Augustus 1937 lanceerden de Republikeinen hier een offensief. Het verzandde al snel in huis aan huis gevechten met als resultaat 6000 doden en een Belchite dat geheel aan flarden geschoten werd. In januari 1938 lanceerde Franco hier opnieuw een offensief, samen met de Italianen, dat het front stabiliseerde. Na de burgeroorlog is besloten het nieuwe Belchite maar naast het verwoeste dorp te bouwen.

 

Soldaten Republikeinen rond Belchite.

 

Soldaten in Belchite.

 

Belchite.

 

Belchite.

 

Het Spaanse volk moest ook honger lijden, want er was niks. Het land was vernield door vier jaar burgeroorlog. Men kan zich wel redden op het platteland, maar in de steden zagen de mensen ook zwart van de honger. En wij waren de laatsten, die van dat kleine beetje wat kregen, je ging dood van de honger, altijd maar honger. En dan zo mager worden dat er ziektes kwamen.

 

Er zijn er verschillende gestorven in 't kamp, ook Duitsers en Italianen. We hadden nog wat Italianen bij ons, die in Frankrijk gewerkt hadden, en Polen. Je krijgt in het begin pijn in je maag, ik ben er in het begin ook ziek geweest. En later werd je maag verdoofd. Als je dan een beetje van die warme soep krijgt, dan begint de honger weer, vlieg je tegen de muren op van de honger, dan wilde we de stenen wel opeten.

 

Af en toe kregen we een stukje brood. ‘s Morgens had je niks, ging je op je nuchtere maag met een beetje zwarte graankoffie – werd van graan gemaakt - naar de steengroeven, en dan moest je werken. Ik heb wel gezegd: “we hebben het niet zo slecht gehad als in Duitsland”. Want ik geloof, dat ze ′t daar toen nog erger hebben gehad. We werden ook steeds ondervraagd.

Er was een Hollander, Alex* heette hij, ik geloof dat hij Witte Reus genoemd werd, en hij sprak Spaans, Engels, Duits en Frans. Hij zat er al gevangen toen wij daar aankwamen en hij ondervroeg ons. De mishandelingen vielen nog mee, we kregen wel een klap maar dat was niet zo erg, maar ik geloof dat ze het voor die tijd wel gedaan hebben aan 't front zelf... snap je wel.

 

* Stichting Spanje 1936 - 1939 vertelt: De Alex waar over gesproken wordt is Alexis de Seume die later zou trouwen met een zus van Piet Seegers, zijn vader werkte vroeger op de Russische ambassade in Den Haag (ten tijde van de Tsaar) over deze familie is een boek geschreven Diplomaat van de Tsaar door Angela Dekker.

 

Maar ik heb het niet meegemaakt, hangt er ook van af door wie je gevangen genomen werd natuurlijk. Maar wat ik al zei, ze schreeuwden altijd over de Internationalen, maar er zijn commissies geweest die het onderzocht hebben. Die zeiden, waar zijn ze dan, hebben jullie er dan nooit een gevangen? Dus ze moesten op het laatst levend bewijs hebben, dat er ook Internationalen waren. Want ze wisten wel dat die een grote rol speelden in de burgeroorlog, de Internationale Brigades.

We zijn toen ook getoond aan die commissies, internationale commissies. Engeland deed dat ook en er zijn Engelsen bij ons geweest, in San Pedro. Dat was voor de wereldoorlog uitbrak. We werden gefotografeerd en we hebben gesproken met Engelsen van de Internationale Commissie. Ze vroegen hoe we behandeld werden, of wat we te eten hadden.

 

Toen vonden wij het nog niet zo slecht, het werd veel slechter toen die grote oorlog uit brak. Maar het werd ook al slechter toen die Engelsen het land uit waren. Toen had je helemaal geen rechten meer. In Miranda de Ebro hebben we daarna een jaar gezeten en daar kwamen er andere Nederlanders bij die uit Holland gevlucht waren. Dat waren meestal studenten en een enkele zwarthandelaar.

In Miranda de Ebro was een interneringskamp waar ook nog joodse jongens waren uit België. Dat waren geen internationalen, zij zaten er al voordat wij kwamen. Zij waren er gekomen tussen 1940 en 1942 en kwamen uit Frankrijk vandaan. Wij zaten steeds met hetzelfde ploegje. Maar we zijn er in twee ploegen uit gekomen. Ik was een van de eersten die daar uitkwam. Met een stuk of drie Duitsers erbij, die Hollandse namen hadden. Zij kwamen er zo uit. Op Curaçao hebben ze toen hun namen opgegeven, maar toen wilden ze naar Mexico toe. Die hebben mazzel gehad dat ze Hollandse namen hadden.

Maar daar kom je later achter, dat had je allemaal kunnen doen, je had je wel als Zuid-Afrikanen kunnen uitgeven. Want die Spanjaarden wisten het toch niet, die kenden alleen Spaans. Maar ik vond die omstandigheden in het concentratiekamp eigenlijk zo erg dat ik liever dood was geweest. Vanwege de honger. Honger en kou, dat heb je altijd als je ondervoed bent, dan heb je het altijd koud. En in de zomer is het te warm voor je, maar is het toch beter uit te houden dan in de kou. Want in Aragon, in Zaragoza, waar we ook zaten, daar ligt sneeuw in de winter. En lopen de treinen vast in de sneeuw. We hebben die treinen nog helpen uitgraven.

Dan kreeg je een extra schep voeding. De SDAP deed ook niet veel voor de Internationale. Het waren een heleboel links georiënteerde jongens en de meesten waren werkloos. Er was geen toekomst, net als nu. En je voelde je antifascist. Want ik had ook met Duitse emigranten contact, we wisten ook wel wat er speelde. Het was onmogelijk om het niet te weten. Het speelde zich af met de zeesoldaten in de Duitse Concentratiekampen. En dan de houding van de Nederlandse overheid. Met joodse mensen ook. We hebben gehoord over jongens die opgepakt werden in Amsterdam en weer werden teruggestuurd, terwijl ze wisten dat het hun dood zou worden en toch deden ze dat, het was een verschrikkelijk iets.

Er waren verschillende politieke achtergronden bij de verschillende brigadisten. De Hollanders waren allemaal links georiënteerd. En er waren mensen die geen godsdienst hadden, humanistisch en anarchistisch, van alles door elkaar. De Brigade was niet alleen communistisch, zoals het nu vaak wordt gezegd. Er was nooit discussie in zo′n brigade over de verschillende meningen. Je was er allemaal om te winnen en fascisme te verslaan. In Lemmer was iedereen onder de gewone mensen ook aardig antifascistisch. Je dacht er niet over om fascist te worden. Dat had je toch niet geleerd en je had het gevoel dat het iets verkeerds was.

In Lemmer waren er wel een paar aanhangers van het fascisme, maar niet de Lemsters zelf. Er zijn er misschien wel geweest, maar ze hebben er nooit voor uit durven komen. In Spanje werden we op de hoogte gehouden van de politiek, je kreeg er wel eens een Spaanse krant. Zelf kon ik die niet lezen, maar we hadden er wel jongens bij zitten die dat konden lezen. Met een van hen heb ik later nog gevangen gezeten. De vader van Seegers was gemeenteraadslid in Amsterdam. Piet heette hij, en staat ook op de foto, ik weet niet of hij daar gestorven is, ik heb hem later nooit meer teruggezien. Hij is weggegaan uit Canada en zou toen naar Australië gaan of op de koopvaardij als kanonnier.

(Leendert Seegers is de vader van Piet Seegerss. In 1931 werd hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland, wat hij tot de Duitse bezetting zou blijven. In het verloop van de jaren dertig en tijdens de Duitse bezetting eiste de strijd tegen het fascisme van het strijdbare gezin Seegers een zware tol. Zijn vrouw en zijn twee zoons raakten betrokken bij de strijd tegen de Franco-dictatuur in Spanje, zijn vrouw en hun oudste zoon later ook bij het transport van illegaal drukwerk naar Duitsland. Eind 1940 werden deze beiden gearresteerd. Seegers' vrouw overleed bij een proces in Hamburg, de oudste zoon in een concentratiekamp. Seegers zelf werd in april 1941 bij een tramhalte in Amsterdam gearresteerd. Via het concentratiekamp Amersfoort belandde hij in Buchenwald, waar hij tot het eind van de oorlog verbleef. Hij kreeg een plaats in de illegale internationale kampleiding van communisten en tegen het eind van de oorlog ook in een nationaal comité. Namens dit comité ondertekende hij na de bevrijding van Buchenwald een felicitatietelegram aan de jarige prinses Juliana).

Maar er was er wel een, en die staat ook op de foto, Bennie Beuker geloof ik, en hij is daar gestorven. En er was een jongen bij ons die geestelijk ziek werd, Deutekom was dat. Hij heeft zich later in Engeland toen hij in dienst was door z’n hoofd geschoten, het was hem teveel geworden.

Richard van de Velde, webmaster van www.prinsesirenebrigade.nl wist het volgende: Sake vertelt o.a. over Johannes het volgende:

En er was een jongen bij ons die geestelijk ziek werd, Deutekom was dat. Hij heeft zich later in Engeland toen hij in dienst was door z’n hoofd geschoten, het was hem teveel geworden.”

Deze opmerking is helemaal juist en onderschrijft de overlijdensakte die ik in Engeland heb gekocht en waarin staat: “ Johannes overleed op 11 april 1943 aan de gevolgen van een kogelinslag in zijn hoofd, afgevuurd uit zijn 303 dienstwapen. Johannes was op dat moment geestelijk in de war.”
Meer op: www.prinsesirenebrigade.nl-omgekomen Deutekom.

Er was er nog een die Beuker heette, 'Ben', een rauwe vent, ik geloof dat hij een Duitse vader had. Hij kwam uit Amsterdam vandaan Hij kreeg een neusontsteking en is daar toen gestorven. Er zijn een hoop overleden daar... Duitsers, Italianen.

Er zijn vier Italianen overleden en de oudere Duitsers allemaal. Dan kon je merken dat je jonger was en je had altijd vroeger goed gegeten, dat scheelt. Meer uithoudingsvermogen om er tegen te vechten. Ik werd evenzogoed ziek maar door andere omstandigheden. Maar ik kwam er ook weer boven op terwijl die andere allemaal stierven aan tyfus. Ik was een keer gewond geweest en aan het rechter oog was ik blind. De oogzenuw die de foto van de pupil naar de hersenen brengt, is uitgedroogd. Die tyfus valt altijd aan op de zwakste plek, dus op mijn rechter oog. Dat kwam door een schampschot en het was dus erger dan ik dacht. Ik kreeg daar direct nachtblindheid overheen, maar dat is later weer goed gekomen. Met het rechteroog zie ik niks meer.

We kregen geen krantjes van de Internatonale Brigades. Je zat altijd op post te wachten, en die kwam dan wel eens van familie en zo, een brief of een ansichtkaart, en ook voor die andere jongens, maar dan was er weer eens eentje dood. Je had ook een Hollandse krant die wel eens doorkwam. Ik weet nog goed over de kwestie van het verse kadetje dat in de Tweede Kamer speelde: of er voor acht uur al vers brood verkocht mocht worden. Over zoiets onbelangrijks werd gepraat, terwijl de Duitsers aan de grens stonden. We werden op de hoogte gehouden doordat je af en toe wat hoorde, en je kreeg het wel door wat er te doen was.

In het Zuiden zijn we nooit geweest. Estramadura. Daar zaten meer de Spanjaarden. We kregen nooit iets te horen over anarchisten en trotzkisten. Nee….ik geloof dat er een hoop overdreven wordt hoor. Je had heel weinig contact met anderen, bijna alleen maar binnen je eigen groep. Als je in de nacht op moest om af te lossen, dan zocht je maar een kuiltje op de grond, dat was het makkelijkst en dan hadden ze soms een deken achtergelaten en dan nam je die er ook bij. Soms had je zes dekens over je heen, zo verrot koud was het. Maar ja dan had je met die groep contact, en verderop, nee je wist nog niet eens wie er lag zeg maar.

De indeling van het front met mitrailleurs, tanks en artillerie was langgerekt. We kwamen alleen in contact met de mensen van de infanterie en daar ging je ook mee om. En als het Hollanders waren, spreek je Hollands, en als het Duitsers waren, proberen ze dat met jou. Want ik heb ook wel gehad en toen kwam ik er ook gelukkig door: moesten we helemaal naar voren toe en zat ik in het Duitse bataljon. Een Kapitein, een officier, en ik en nog twee anderen moesten naar voren toe om alles te onderzoeken. Maar het was zo stil allemaal en we hadden al uren gelopen en het was ‘s nachts. Toen zei de kapitein: we gaan hier weg. Ik vertrouw het niet en wij weg. Inmiddels was het al ochtend geworden.

Onbekend.

 

We hadden een paar uur gelopen en toen kwamen tanks aanrollen en zagen we vliegtuigen van de fascisten. We kwamen juist op een plek waar olijfbomen groeiden en waar die vliegtuigen overheen mitrailleerden. Dan waren ze doorgebroken. Wij doorlopen en daar stonden wagens met wijn en eten en sigaretten en drank. En die ezels waren hard weggelopen, en de kerels die bij die wagens hoorden, waren ook allemaal weg. Toen zijn wij ook weggelopen en met een man of zeven kwamen we vlakbij de Ebro terecht. Zag je de fascisten rechts beneden van ons. De brug over de Ebro was nog intact, toen we er net overheen waren, ging de brug de lucht in.

We hadden ook wel zonder brug over kunnen steken hoor, zwemmend als het moest. En zo gingen we maar verder. En dan maar zien als je in een plaats kwam of er een kantoor was of een afdeling. Toen zeiden ze, neem de trein maar, en dan moest je je daar weer melden. Je bleef ook wel eens een dag weg, je dacht krijg maar de hik, eerst maar eens om me heen kijken. Daar werd niets van gezegd, als je dan maar later daar naar toe kwam. Daar was het weer verzamelen en dan had je weer een zootje bij elkaar en dan was het maar weer naar het front toe.

Het was heel anders dan hier. Wij hoorden over anarchisten geen verhalen, we hebben een keer bij ze gelegen, bij die anarchisten, we zijn daar een week geweest, dat was in Teruel. En toen moesten we daar ook weer terugtrekken en werd er met artillerie op ons geschoten. De bergen daar hebben van die hele grote vlakten, daar ging de artillerie op en dan vlogen ze weer terug.

 

We waadden door een klein riviertje en meldden ons weer bij het hoofdkwartier. Want dat stond er nog wel, het hoofdkwartier van de hele Brigade. Daarna ging er maar weer eens een aanval naar voren toe en probeerden de anarchisten een spoorlijn weer terug kregen. En wij zaten daarboven in de bergen overheen te kijken en zagen ze naar voren toe kruipen over de rails en werd er geschoten met granaatvuur. Er bleef haast niets meer over, van die hele anarchisten niet, allemaal door dat spervuur. Toen heb ik ze gezien, anders niet, dat heb je aan die fronten.

Er zaten ook dienstplichtige Spanjaarden, en leerde je een klein beetje Spaans, vloeken leerde je het eerste vanzelf: Caca la puta, caca la leche, Maricon. Later leer je dingen als Aqua is water en als het water koud is of warm is: Aqua caliente en aqua frio caliente is warm. Met de Spanjaarden kon je een beetje Duits praten, met handen en voeten en seinen ook. Je had er intelligente jongens bij. Een Madrileen was altijd bij ons maar die kwam uit een andere klasse vandaan. Die waren meer ontwikkeld, ze leren sneller wat.

 

Het verschil is groot tussen platteland en stad. Dat heb je hier niet meer, dat was hier vroeger misschien ook zo. Het gaf ook zeker problemen, ik heb er wel eens moeilijkheden mee gehad. Met het aflossen van de wacht ook wel. Dan moet je voor de linies uit. Daar zijn loopgraven gemaakt zodat je er voor kunt gaan liggen. Veel controle was er niet door de officier, dat was ook nog een Spaanse officier. Ik had er verdomme wel twee uur gelegen en ik verging zo van de kou, dat ik er wegging, want ik wist welke vent mij moest aflossen, dat was ook een Spanjaard. En vloeken en schreeuwen en die officier erbij en dit en dat. Ik met het geweer achter hem aan want het was zijn schuld, je kon er maar een uur liggen zo koud was het. Nou ja ik kon al aardig vloeken en dreigen en het liep met een sisser af trouwens. Maar die dingen konden allemaal, dat kan je in het leger niet doen een officier dreigen met een geweer.

Ik was heel opvliegend. Dat ben je allemaal omdat je over je zenuwen bent. Dan ontstonden er irritaties. De discipline in de Internationale Brigade was wel erg, want we waren ook wel eens andere tegengekomen, die zaten allemaal in het strafbataljon. Die moesten ‘s nachts loopgraven maken voor de linies en overdag slapen en ‘s nachts weer naar voren toe.

 

In een strafbataljon waren ook Hollanders, voor een bepaalde tijd, die waren weggelopen of zoiets, maar doodschieten deden ze niet direct. Nou ja, ik ben ook wel eens fout geweest, maar ik meldde mij altijd, dus ik heb er nooit last van gehad. Wij hebben nooit deserteurs mee gemaakt. We hebben wel meegemaakt, dan hadden we de cavalerie achter ons, dat zo’n jonge lichting Hollanders bij het front wegliep als er ineens vuur kwam. Maar de cavalerie ving die jonge soldaten op en stuurde ze weer terug.Niemand van ons wist wat oorlog was. Nu weet je het. Maar jullie weten het nu ook.

Maar je kunt er geen voorstelling van geven. Je hele leven verandert erdoor, als je dat meegemaakt hebt. Je kijkt heel anders tegen de dingen aan. Nu denk je, moet het nu alweer, en dan hoop je dat het niet weer zo zal gebeuren. Maar als je jong bent, trekt soms ook het avontuur. Want hoeveel gaan er niet vrijwillig. Bij mij zat er ook wel een beetje gevoel voor avontuur achter, maar dit was toch meer een politieke oorlog zal ik maar zeggen. Zoals naar Indië gaan. Hoeveel zijn niet vrijwillig naar Indië toegegaan. Dat was heel iets anders, daar trok mij ook meer het avontuur, zeg maar. Toen ik besloot naar Spanje te gaan, dacht ik ook, als we winnen dan blijf ik daar, een nieuw vaderland, dan kom ik niet meer terug. Je ging daar met een heel ander doel naar toe. Niet dat ze je dan nodig hadden, maar misschien had je dan een kans gehad om daar te blijven.

Een nieuwe socialistische wereld had je nog nooit meegemaakt, je wist niet wat het was. Mijn vader wist alleen van mijn vertrek, ik heb gezegd zo en zo... m′n moeder heb ik het niet verteld. Want dan had ze alles in het werk gezet om me thuis te houden, maar m′n vader wist ′t wel en m′n neef wist het. Toen ben ik met de laatste boot gegaan Zondagsavonds ben ik hier weggegaan om elf uur. Mijn vader was ook links georiënteerd, allemaal in de familie. Mijn neven zijn niet naar Spanje gegaan, die waren getrouwd en zo.

Ze hebben mij ook een niet-militaire baan aangeboden, maar dat had ik niet gewild, ik was weer overgegaan naar de Marine dan, maar dat kon toen niet meer. Later hebben ze mij gevraagd of ik sanitater wilde worden. Dat is ook niet zo’n makkelijk baantje. Want soms moet je de gewonden ook tussen de linies vandaan halen. Het eerste wat ze roepen is sanitater. En die het hardst schreeuwden waren de lichtgewonden natuurlijk. De zwaargewonden hoor je niet. Die buikschoten met explosieven: klein gaatje erin, groot gat eruit, die hoor je niet. Die jongens zijn later ook overleden, alles was kapot. Degenen die schreeuwen hebben een schot door arm of been. Wij schoten alleen met explosieven op de tanks, daar had je aparte kogels voor, van die geel geverfde. Die kon je in je geweer duwen, op die pantserwagens schieten en die exploderen dan. Maar die fascisten schoten er dus mee op mensen.

 

Ticket van Sake.

 

Maar we gingen eerst naar Albacete en daar werd je gekeurd en er werd gevraagd of je militaire dienst had gehad en daar houden ze dan rekening mee, hoe eerder je naar het front kon. En als ze aan het front of in Albacete schreeuwden, er moeten een paar sanitaters komen, dan verhuizen ze je. En dan ga je mee... maar anders nee. Je hoefde er ook geen opleiding voor te hebben, want je heb ze maar gewoon op te pakken en op een brancard te gooien en zo snel mogelijk weer naar de ambulance te brengen. Ik had het ook niet gewild, iets anders dan in het leger gaan, ik was bij de infanterie. Zit je op een tank dan moet je een specialist wezen.

Er was een groot verschil tussen het Nederlandse leger en het Spaanse leger, als het om discipline ging. Het Nederlandse leger was weer heel anders toen ik in de Irene Brigade kwam, dan in vredestijd. Als je 18 of 19 jaar bent en je hebt die oude sergeanten, dan zijn zij de baas en jij bent de rekruut. Maar in de oorlog is dat weer heel anders, dan kom je een oudere lichting tegen en dan waren de jongens de dienstplichtige sergeanten, dan is de discipline ook niet zo groot. Dan ga je ook gewoon met elkaar om. Vlak na de oorlog werd het groeten bij de marine weer strenger verplicht en nette kleding etc.

In Spanje had je dat ook niet, je had officieren en dat was het, dat moet toch iemand wezen. Maar vroeger hier in Nederland, die officieren kwamen uit een heel andere klasse vandaan. En dat was in Spanje minder. Er waren mensen divisiecommandant die in het dagelijks leven dokter of leraar of zoiets waren want er was helemaal geen kader. De republiek niet, want dat was allemaal overgelopen naar Franco. Dus je had er officieren die waren ook gewoon soldaat en dan werden ze ook gewoon officier. Als je meer ervaring had en je was niet bang dan kon je officier worden. Dat noemen ze dan frontofficier. Maar zoals ze het hier doen, kun je geen leger opbouwen. Ze maken van een voorman een soldaat en van een kantoorklerk een officier.

Een voorman heeft veel meer gezag dan iemand die de hele dag postzegels plakt, ondanks dat de voorman misschien minder geschoold is. Een heel verkeerde opbouw van het leger is dat. En in Spanje was het juist andersom, daar werd er naar kwaliteit gezien, maar hier in Holland werd alleen naar school gezien. Een graad had ik niet, ik had gewoon lagere school. Ik ben nog tegen officier aan geweest. Ik was ook niet zo bang en ik had al een tijdje meegelopen. Korporaal of sergeant had je daar niet zo. In de Irene Brigade ben ik nog korporaal geweest. Daar lopen ze niet zoveel met strepen en sterren. Tenminste aan de fronten niet, daar heb je niks aan.

Kijk eens, we hebben ook een tijd gehad dat de officieren geen geweer hadden maar een revolver. En dan zie je dat er een hoop verongelukken. Want dan schieten ze eerst op de leiding. Daar zijn ze gauw van afgestapt. Toen moesten officieren ook geweren dragen en gewoon gekleed gaan. Ik weet niet hoe die man liep in het dorp hoor, als hij thuis was met verlof, dat weet ik niet, maar aan het front had je dat niet. Daar kom je achter als je aan het front bent.

Ik had wel een groep onder mijn hoede. Ze kwamen wel eens vragen, let jij eens op die mensen. Dan maakten we wel mee dat we vuur kregen en dan wilden ze meteen vluchten. Die Spanjaarden helemaal. Dan moest je op hen schieten om ze weer terug te krijgen. Dan lieten ze zo alles in de steek. Ja jonge jongens van een jaar of 17 of 18 en zomaar in paniek hè, dat was ook toen we gevangen werden genomen. Als ik alleen geweest was dan had ik er misschien doorgekomen, maar dan lopen ze je allemaal achterna…. Op een gegeven moment is de Hollandse Compagnie opgericht. Daar ben ik ook in geweest. Ja ook in tranen was je bij die Hollanders onder elkaar. En dan werd je naar het front gestuurd, naar de brigade en de compagnie.

Met de Hollandse Compagnie moest je wel eens terugtrekken, en dan moesten we maar weer zien dat we ergens terecht kwamen. Je kwam dan wel eens bij een Duitse compagnie terecht en bij de Thälmann, Oostenrijkers. Maar dan ging je gewoon met elkaar om, daar was de compagniescommandant meestal een kapitein hoor. De divisiecommandant of brigadecommandant maakt de dienst uit, de strategie. Daar heb je als frontsoldaat heel weinig mee uit te staan, je weet niet eens, wie er naast je ligt. Alleen de bevelen komen van achter, en dan komen ze bij je vragen of je wilt verkennen of weer aanvallen. Alles is geïnspecteerd en ze zijn naar voren geweest en vertelden dan bijvoorbeeld: het is een licht frontje en daar kan je zo wel doorheen en straks krijgen jullie eten en sigaretten en dat moet je maar delen met de anderen.

Maar dan was het geen licht frontje, en vielen er een hoop doden, maar ik bedoel, dat is op jouw lengte. Wat er nou rechts en verder links van je gebeurde…. En dan lagen er weer Spaanse brigades. Daar braken ze meestal door en dan moesten wij weer terug en dan was er weer kans, dat ze je afsloten. En dan moest jij maar weer proberen om daar door te komen. Zo’n 25/30 kilometer. Zij hadden dan de wegen en dat is Blitzkrieg, dat hadden ze zeker van de Duitsers geleerd. Want er zaten ook een hoop Duitsers van Hitlerkant zeg maar. Die wegen hoefde je maar te krijgen en dan weg.

Maar wat er dan links en rechts verderop gebeurde, dat wist je niet. Je was maar een klein deeltje in het geheel. Zo zal elk leger wel opgebouwd zijn. Nou ja, ik heb wel eens onlogische bevelen gehad en dan zei ik, wat weet je er zelf vanaf. Je dacht dan laat hij het zelf maar doen en dan hing je er een beetje omheen. Maar het lag ook wel een beetje aan je eigen initiatief, wat je moest doen, je moest ook het gevaar voelen. Want in de nacht zien kun je niet, maar je moet toch voelen, dat er iets aan de hand is, en dat krijg je als je lang aan het front ligt. Dan voel je dat en dan weet je dat en dan houd je er rekening mee. Op een keer waren we in de middag aan het front gekomen.

Dat was bij Teruel in de buurt of meer bij de Ebro. Toen kregen we ′s morgens vroeg al een aanval. Kwamen de fascisten opzetten. Op het laatst hadden we geen munitie meer. Terwijl ik terugging naar het hoofdkwartier van de brigade, een eind verderop, werd ik beschoten. Bij het hoofdkwartier kreeg ik twee ezels met munitie mee, maar ik werd weer beschoten en de ezels sloegen op de vlucht, dus toen ging het weer terug naar het hoofdkwartier.

Het was veel in beweging. Met patrouille lopen kwamen we om de hoek van een berg een fascistische patrouille tegen en we schrokken ons allemaal dood. Zij net als wij schieten en holden we op het laatst terug naar de compagnie en zijn we teruggetrokken. We hebben wel een halve dag gelopen. Maar die fascisten hadden allemaal offensieven ingezet; je was meestal in de verdediging om die offensieven weer op vangen. En als het stilgelegd was dan moest de Internationale Brigade daar weer naar toe. En zo ging dat maar door, we wisten niet eens wat voor dag het was. En dan maar weer lopen of op de vrachtwagens. Maar ja, die strijd stond er hopeloos voor.

Toen ik gevangen zat, kreeg ik in de gaten dat het een verloren zaak was. En de Duitsers wilden het niet geloven. Maar je kon het zien. Engeland en Frankrijk deden er niets tegen, en de Duitsers en de Italianen zetten alles op alles om hun materieel uit te proberen. Want er waren wel twintig- tot veertigduizend Italianen die daar vochten, hele divisies. De Duitsers hadden meer specialisten, de staf en de vliegtuigen.

 

Ik heb wel eens meegemaakt dat er Duitsers en Italianen krijgsgevangen werden gemaakt en dan hadden de Italianen de schoenen al uit om hard te lopen. Italianen zijn zulke soldaten. Wijn en vrouwen daar zijn ze gek op. Maar soldaten zijn het niet. Maar dat wil nou ook niet zeggen dat je slecht bent, zoals de Duitsers. De Duitsers zijn de soldaten bij wijze van spreken, ja wij waren niets minder daar gaat het niet om, maar de Duitser is toch de militair. Maar de Italianen zijn dat niet, dat kun je nog zien, deze wereldoorlog ook, dat stelde niet veel voor.

Er was ook een politiek commissaris bij het bataljon. Zijn taak was om de mannen een riem onder het hart te steken. Met propaganda. Maar verder was het een bijeen geraapt zootje, de Internationale Brigade. Als je nou die elitetroepen neemt, die deden dat anders, zoals de Russen dat ook hebben. Maar hier kwamen de mensen overal vandaan, het was heel iets anders dan dat je een leger opgebouwd hebt met rekruten die zoveel jaar gediend hebben. Dit waren ook mensen die nergens iets vanaf wisten. Een hoop intellectuelen zaten er tussen, verschillende Engelse schrijvers ook, de Amerikanen waren ook ontwikkelde mensen. Maar de politiek commissaris was ook een soort vraagbaak. Die kon je wel eens wat vragen, maar wat had je te vragen. Het was meer om de discipline erin te houden en moed in te spreken.

Ik had zelf een geweer en een bajonet en handgranaten, dat hing allemaal aan je riem. Daar sliep je ook mee, een deken over je heen en dan lag je op die harde grond en je sliep ook, je was jong. De eerste weken niet. Alles deed je pijn van het op de grond slapen en koud dat je het had. Later ging dat allemaal over, dan heb je de helm onder je hoofd en daar slaap je op en is de grond ook niet zo hard meer. Als je een gezond persoon bent, dan went het snel. Als het erg koud was, hebben we wel met drie man met de dekens in de lengte over ons heen gelegen. En dan probeerde je in het midden te komen, dan had je het lekker warm. Al die dingen moest je uitzoeken. We moesten soms de sneeuw wegscheppen. Want ik heb ook wel eens op sneeuw geslapen, maar dan word je nat.

We zijn bij Tereul geweest, maar we hebben daar niet gevochten. We zijn gaan kijken hoe of het kapotgeschoten was. We hebben ons daar ingegraven, en we hebben de stellingen overgenomen van de Spanjaarden. Dat waren anarchistische brigades, die daar gevochten hebben. Die stelling hadden zij op de fascisten veroverd en die namen wij weer over. En toen begonnen ze aan dat grote offensief en dat zaaide uit en zijn wij weer teruggetrokken en weggegaan. We werden afgelost door Spaanse brigades en dan moesten wij weer ergens anders heen om daar weer een offensief op te vangen en zo ging dat maar door. En daarom had je zoveel doden en gewonden onder de Internationale Brigades, maar ja, daar was je vrijwilliger voor, je ging daar heen voor een ideaal, voor een andere maatschappij.

Je had een hele grote kans dat je je eigen leven gaf, maar dat weet je niet vooruit, je denkt altijd dat jij het niet bent die sneuvelt en dat het die ander is. Paniek sloeg soms toe, maar het is beter om te blijven liggen, want als je begint te lopen dan beginnen ze op je te vuren. En dan maar schreeuwen: blijf dan liggen. Dan schoten we zelf op hen, maar dan verraad je jezelf ook nog. Maar ja, paniek, want het is ook moeilijk om te blijven liggen terwijl je ze ziet dat ze er aankomen. Dat is erg moeilijk. En als je er niet tegen kunt, dan heb je dat.

 

Maar ja, daarom kunnen ze nog niet direct fusilleren, wat ze wel eens doen in de oorlog, om een voorbeeld te stellen. Wat heeft dat nou voor zin. Net zo goed als dat er helden zijn, die zijn er ook niet. Bij Belchite hebben we de stad zelf veroverd met echte straatgevechten. En tanks erbij om er door te komen. Maar ja dat was een oorlog dat er niet zo′n miljoenenleger tegenover je stond. Het waren meer plaatselijke gevechten vergeleken met Russen met ruim 100 divisies in de wereldoorlog, dat was heel anders. In Spanje in de burgeroorlog was het veel dunner zeg maar. Het zijn altijd dezelfde mensen, die het moesten doen.


(De Internationale Brigades hebben de fascisten voor Madrid gestopt. Dat zo′n Internationale Brigade, ik weet niet hoeveel mensen het zijn geweest, 30.000 of 40.000, zo′n oorlog kunnen beslissen, het evenwicht kunnen herstellen. Je kunt wel nagaan, dat het geen miljoenenleger was, maar ja, juist meer plaatselijk werd de burgerbevolking uitgemoord en soldaten werden uitgemoord en was het veel erger als een gewone frontoorlog. Want er zijn een hoop doden gevallen in de Spaanse burgeroorlog).

We hadden geen contact met de Spaanse bevolking, wel met de boeren in de plaatsen waar we lagen. Ze braadden een lammetje voor ons met flessen wijn erbij, we werden daar goed onthaald. In de steden zelf kwam je nauwelijks. Toen ik in Spanje aankwam, dacht ik dat er al oorlog was geweest, zo bouwvallig waren die boerderijtjes allemaal. Het was net een ruïne. Daar leefde de boer met zijn vrouw. De vloer was van klei en die moest met een bezem schoon worden gemaakt. We konden er niet bij, dat mensen nog zo leefden en het was dan ook geen wonder dat de mensen in opstand kwamen en wilden vechten voor een betere maatschappij.

Ze hadden helemaal niks, en een middenstand had je ook helemaal niet in Spanje. Het is er rijk of arm. Hele kleine middenstand had je er. Daar spraken we wel over met de boeren, die waren er ook allemaal voor. Die zaten ook weer in een coöperatie, tenminste daar helemaal aan het Aragonfront. Ze waren heel goed voor ons, maar later hebben ze het moeten betalen. Lerida was nog een flinke plaats met goeie mensen. Daar zaten de meeste Catalanen en streden de anarchistische brigades. Na een jaar zullen ze wel tegen de muur zijn gezet, toen de fascisten kwamen. Bij Lerida was een doorbraak en raakten ze 100 kilometer kwijt.
 

Medische zorg aan het Aragon front, 1936.

 

Het geweer wat ik had, was Russisch en ik had ook een Russische bajonet. Met een bajonet vechten deed je eigenlijk nooit. Je gooide eerder met handgranaten. Man tegen man, dat komt haast niet meer voor. Ik heb het wel eens meegemaakt. Het geweer was goed. En later kregen we brenguns, die ze daarna in de tweede wereldoorlog ook gebruikt hebben. Dit is een machinegeweer, dat je ook enkelschots kon zetten, wat het voordeel had, dat de vijand de positie van een machinegeweernest moeilijk kon opsporen.

 

Gewone mitrailleurs waren snel te herkennen omdat ze alleen salvo ′s van meerdere schoten konden geven. Ik heb zelf niet gewerkt met een machinegeweer. Ik kreeg ook betaald, maar ja wat moest je er mee doen. Als we wel eens naar een boer gingen, dan zei je hier heb je een zootje geld, geef ons maar wat wijn en maak een lam voor ons klaar, maar uitgaan was er niet bij. En je kwam ook niet voor het geld, je was geen huursoldaat. Je was er naar toe gegaan om het fascisme te verslaan en het was mooi dat ze je wat gaven.

 

Als je wel eens achter het front kwam, dan werd je ontluisd en kon je douchen. En je kleren in de stoom gooien en dan weer aantrekken en dan kwamen de luizen er ook weer bij. Ik heb veel last gehad van luizen, in het kamp helemaal. Ik heb meer luizen gehad dan de Nederlandse bank guldens. Miljarden. God o god, ik zat onder de luizen. Schaamhaar en onder je armen, het hoofd nog niet eens zozeer.

Aan het front had ik ze ook, och ja er ligt een deken en die neem je mee, die kan je weer gebruiken als je aan het front bent. Want de jongens die weggaan, die laten een zootje liggen, die wilden dat niet allemaal meesjouwen, dan ben je blij dat ze er liggen, en denk je, weer twee erbij, lekker warm. Uit de kleren kom je niet, je had geen pyjama′ s bij je. Op het laatst kom je onder de luizen te zitten. In het kamp was het helemaal verschrikkelijk. Alleen als je koorts hebt dan voel je ze niet zo erg, dan doen ze niks. Maar anders!

 

Ik heb wel eens geprobeerd mijn hemd uit te koken, maar na korte tijd zat het hemd toch weer onder de luizen. Een andere Hollander in het kamp, was Adriaan Thomas uit Rotterdam. Hij kwam uit een gegoede familie en had een universitaire opleiding achter de rug. Zijn kameraden moesten hem helpen met het bestrijden van de luizen, dat had hij thuis niet geleerd. De anderen, afkomstig uit lagere klassen, hadden ook meer ervaring met het organiseren van voedsel. Ik was thuis een van de oudsten en werd al jong aan het werk gezet.

Ik heb geen contact gehouden met brigadisten, het was groot en het is voorbij. Het komt nu weer naar boven toe. Maar anders wordt er nooit over gesproken. Als je zegt ik heb vier jaar gezeten, denken ze dat je in de gevangenis hebt gezeten, en een misdadiger bent. Nee, ik heb in Spanje gezeten. Oh, dat is wat anders, en hoe is het gegaan en hoe gaat het. Nou ja, als je het zelf niet meegemaakt hebt, kun je het toch niet begrijpen.

 

Je kunt het wel proberen te begrijpen zoals je een goed boek leest, dan leef je er ook helemaal in mee. Het verlies van mijn eerste en tweede vrouw zijn ook persoonlijke ervaringen, die voor vreemden moeilijk te begrijpen zijn. We werden ook wel geslagen, zoals in Belchite, dan hadden ze de pest op je in, meestal door onderofficieren, dat waren de slechtste, en door soldaten ook wel. Maar ja, dan kwam je ook weer goede korporaals tegen .We hadden twee korporaals bij ons, die ene kwam uit Asturia en de andere kwam uit Catalonia.

Die uit Asturia liep dan bij ons langs en die zij “mira mira”, en dan moesten we uitkijken, want die sergeanten zochten dan weer iets om te kunnen slaan. Dat was zo′n dikke korporaal uit Asturia. Terwijl hij mira mira zei, liep hij evengoed te vloeken tegen ons zodat ze het niet in de gaten kregen. Zo ging dat. En die Catalaan ook, dat was trouwens een teer jongetje, maar zijn vader had ook aan onze kant gezeten, en die was bij ons in de bewaking dan korporaal, maar hij waarschuwde ons ook altijd.

 

Met aantreden liepen ze bij je langs en dan wel schelden en schreeuwen, maar tussendoor zeggen dat we uit moesten kijken. De sergeanten waren het ergst. Van officieren had je nooit last of het moest een gek wezen. Maar meestal de onderofficieren. Die waren dan gewond geweest en hadden ze allemaal van die strepen op hun mouwen gekregen. En wanneer ze half dronken waren, kregen wij de schuld.

Dat is net als dat er van die indianenverhalen waren, dat we nonnen verkracht zouden hebben en dat soort dingen. Maar er is nooit een proces over geweest en het is ook niet gebeurd. Dat werd alleen maar geroepen door de Nederlandse regering en die informatie kwam van de Spaanse regering. De Nederlandse regering nam dat als waarheid aan en hebben wij nog wel eens gedacht, dat er misschien een proces zou komen en dat we geëxecuteerd zou worden. Nee, nooit hebben ze er over gesproken.

 

We hadden Duitse emigranten bij ons, die werden er later allemaal uit gehaald, en Oostenrijkers. De Gestapo kwam om die mensen eruit te halen, zij moesten mee naar Duitsland toe. Maar wij als Nederlanders, aan ons kwamen ze niet. Wij waren gewoon krijgsgevangenen, in een oud kamp, een oud klooster bij Belchite, met weinig te eten, want het volk had ook niks te eten. Je ging dood van de honger, elke dag weer, het was verschrikkelijk.

We zijn nooit, toen we gevangen genomen waren, gefotografeerd. Nee, voor de wereldoorlog uitbrak, is er zo′n dame uit Engeland geweest, Lady Chamberlain, om de Engelsen te bezoeken. Zij heeft met de Engelsen gesproken, snap je. Maar verder hebben we geen bezoek gehad. Ja later, toen Duitsland verliezen zou, toen kwam Jonkheer Panhuis, de secretaris van de gezand Piet Seegerss, die staat ook op de foto. Tonny Moor, van Hees, en A. de Seume, en C. van Keulen. Ik geloof dat die uit Brabant vandaan kwamen en ik geloof dat van Van Hees een Amsterdammer was. En Tonny Moor kwam meen ik van Rotterdam.

Ik ben tegengekomen dat ze in december 1939 vrijgelaten werden. Maar ik weet niet waarom ze vrijgelaten werden. Dat weet niemand, misschien omdat ze katholiek waren of zo, ik weet het ook niet. Die ene Alex was een witrus, dat zou er misschien mee te maken kunnen hebben. Hij sprak wel een stuk of zes talen. Ik weet niet zijn achternaam. Maar leeft er niet eentje meer van Seegers, dat zal toch wel een bekende naam geweest zijn in Amsterdam. Want die vrouw heeft veel voor ons gedaan, ze hebben nog een comité opgericht voor ons, daar kregen we geld van.

 

En later kregen we nog dekens van het Rode Kruis. Ik geloof dat hij er ook nog bij was van de SDAP, Van der Goes-van Naters, die zat ook nog in het comité, hij was toen een beetje links. Hij zat ook in de Internationale Brigade, maar hij was al voor ons gevangen, ik kende hem niet. Toen wij in het kamp kwamen, de eerste keer bij Belchite, was hij er al. Er waren er nog een stuk of twee/drie toen wij er kwamen. En deze staat nog op de foto. Hij was ook al eerder gevangen genomen, dat was Roselle, een Limburger met een bril op. Hij zat er al een paar weken voor ons.

 

Van der Goes-van Naters. Lid partijbestuur SDAP, van 1935 tot 1940: lid Comité Comisco (Socialistische Internationale) inzake de Spaanse kwestie en tweede fractiesecretaris SDAP Tweede Kamer der Staten-Generaal, van juni 1937 tot september 1939.

 

Er is ook een foto van mij in het verzetsmuseum, want de meesten hebben het nooit geweten, dat we daar gevangen zaten. Het was net een familie zeg maar. En daar kwam die wereldoorlog extra achteraan. Dan werd het gewoon vergeten, en daarna kreeg je die politionele acties in Indië, de Spaanse Burgeroorlog kwam helemaal op de achtergrond.

Het was trouwens gek. Ik vertelde van die witrus, Alex, dat hij ons heeft ondervraagd toen wij gevangen genomen waren. Want hij was zelf ook gevangene, maar dat kwam die Spanjaarden goed uit, want die kenden helemaal geen taal. Maar ze vertrouwden hem wel, hij had een betrekking, met eten en drinken, en al die dingen meer. Dat heb je in de kampen. Ik heb het niet gedaan. Dan moet je zien dat je een baantje krijgt, want dat is een wereld apart. Als je een baantje hebt, dan kreeg je wat meer eten, een extra schep. Dan kon je weer een beetje omruilen voor een beetje tabak met de soldaten of iets dergelijks, of met iemand die niet rookte. Dat beetje tabak kon je weer ruilen met een stuk brood of iets dergelijks. Zo ging dat allemaal.

Dat had je in de kampen, allemaal baantjesgasten. Alex heeft samen met zijn maat, een Cubaan, geprobeerd te ontsnappen. Toen zijn ze gegrepen. Maar ze liepen ook vrij rond hoor. Ik weet niet of hij een communist was, ik heb hem niet goed gekend. Maar ik weet wel dat hij erbij was toen die vrij kwamen met nog een stuk of drie. De zoon van Seegers is toen naar Australië gegaan, hij heeft niet meer gevochten in de Irene Brigade. Nee,hij werd toen op de koopvaardij kanonnier. Arie Miel was een beetje een vadertype, hij was veel ouder. Hij staat ook op de foto, Seegers was misschien twintig jaar,een jonge jongen.

Foto van www.iisg.nl (roepnaam: Leen), communistisch gemeenteraadslid in Amsterdam, is geboren te Amsterdam op 19 mei 1891 en aldaar overleden op 18 mei 1970. Hij was zoon van Leendert Jacobus Seegers, los werkman op de aardappelmarkt, en Neeltje Vervoorn.

 

Ze zijn niet allemaal naar de Irene Brigade gegaan, er kwamen er ook een paar bij de marine. Verboven was bij de marine, en bij de luchtdienst ook een paar. Later zijn we met een hele groep op een troepenschip uit Canada, vanuit Halifax naar Liverpool gereisd zonder konvooi langs de noordelijke routen. We werden eerst met de boot uit Spanje naar Trinidad gebracht. We kregen toestemming om in Trinidad van boord te gaan. We hebben een week of 6/7 in Trinidad gezeten. Maar in Canada had ik een paspoort en was Nederlander en de Nederlandse Regering kon alle Nederlanders oproepen om in dienst te treden, waar ze ook zaten.

 

De Nederlanders waren allemaal kooplui. Zij zaten in Zuid-Afrika en in Amerika. En dan hoefden ze niet op te komen voor dat land. Amerika was in oorlog, Zuid-Afrika zat met Engeland in de oorlog. Dus de heren konden genoeg geld verdienen in die landen, want de Nederlandse Regering liet hen gaan. Maar in 1942 werden er wetten aangenomen, dat Nederlanders in het buitenland ook in militaire dienst moesten. In Nederlandse militaire dienst of ze moesten in dienst gaan van het land waar ze woonden. De Zuid-Afrikanen en Amerikanen kwamen naar dat trainingskamp en werden klaargestoomd.

Toen ik in Engeland kwam, kreeg ik problemen met het Nederlanderschap. Ik was achtergebleven in dat opleidingskamp in Engeland. En andere jongens gingen naar de marine en de luchtmacht. Ik ben ik in dat kamp gebleven en kwamen ze om mijn paspoort. Er was er nog eentje Roselle, en die Rooie Leusden, wij met ze drieën. En we wilden niet bijtekenen. Wij waren allebei Korporaal en hij was sergeant, hij had vroeger in het koloniale leger gezeten. We zeiden, we hoeven niet te tekenen, we zijn Nederlander, we hebben toch een paspoort. Maar het was dit of dat. Hebben we nog een tijdje in een hotel gezeten in Londen.

En toen kregen we bericht: we moesten wel in dienst. We hadden het Nederlanderschap wel verloren, maar omdat we zoveel maanden in dat land geweest waren, kan dat land je verplichten om dienst te nemen. Kwamen ze daar mee voor de dag. Je was niet stateloos Je was het Nederlanderschap kwijt, en dat is een heel groot verschil.

Toen ben ik weer naar de marine gegaan. Want ik was vroeger van de marine geweest, voor mijn nummer. En toen heb ik 8/9 maanden op het hoofdkwartier gezeten. Op het laatst van de oorlog was het ook prachtig daar. In Londen aan het eind van Oxfordstreet. Ik heb dat een tijdje gedaan. We hadden er schuilkelders en die moest ik schoonhouden. Als er nood was, dan konden de officieren daar slapen. Dat was in een C&A gebouw. Daar zat het Nederlandse Marine Hoofdkwartier. Bij Hydepark. Dat was een goed leven. En in juni of juli 1946 ben ik afgezwaaid. Tot 1946 heb ik op het Hoofdkwartier gezeten. In augustus 1945 ging ik voor het eerst met verlof naar Nederland.

Mijn neven waren toen goed op de hoogte, zij waren allebei lid van de CPN. Zij zaten dan ook bij de Rode Hulp. We hebben wel Duitsers gehad hier, die hielpen we dan aan adressen naar Amsterdam toe, daar zaten die neven ook bij, ik ben er ook lid van geweest. Van de IRH (Internationale Rode Hulp). Maar die mensen gingen meestal naar andere steden toe. Want hier had je ze niet. Wel voor een dag. Dat werd geregeld door een hoofdkantoor in Amsterdam, de belangrijke personen in lemmer. Dat was dan Gemeenteraadslid Jacob de Rook. En wat kennissen, die ook partijlid waren. En dan brachten ze ze verder weg. Er was hier wel een groepje van de IRH. Er was een hele vereniging.

Overal had je die zitten. Voor de contributie die betaald moest worden, je kon geven wat je kon missen, kwamen ze elke week langs, die gaf je dan vijf centen en die gaf je drie centen. Dat deden ook partijleden van de CPN. De SDAP deed vroeger niet zoveel. Wat heeft Koos Vorrink nou gedaan in de oorlog. Dan werden ze een keer gearresteerd en liepen ze zo weer vrij. Daar hadden mijn neven geen belangrijke rol in. Een neef is later nog gemeenteraadslid geweest, na de oorlog, hij is een paar jaar geleden overleden. Hij is toen in de plaats van Jacob de Rook gekomen. Nu zitten er twee in. De CPN heeft in de oorlog veel gedaan. Luns is enige tijd lid geweest van de NSB en De Quay heeft nogal bedenkelijke kontakten gehad in de tweede Wereldoorlog. Stoker heeft daar in de volkskrant recentelijk overgeschreven.

Ik kwam steeds weer bij de Hollandse Compagnie terecht, het was een onderdeel van het Edgar André bataljon. Op het laatst toen ik er weer kwam, werd ik gevangen genomen. Toen zat ik bij Hollandse Piet. Ik wil hem niet te hard aanvallen. Want daar liep het ook allemaal weer fout. We moesten ’s nachts terug en de artillerie schoot nog iedere keer op ons, de hele nacht door. Toen zijn we 6/7 uur doorgesjokt. Nou we zijn er door hoor. We kunnen een sigaret op steken. We gaan ook maar even liggen. Ik lag achteraan, want ze liepen allemaal voorop. Als je van het front afgaat, dan moeten ze allemaal vóór wezen, en als je naar het front toe gaat, dan lopen ze allemaal achter.

 

De meeste Nederlanders werden eerst ondergebracht in het Thälmann Bataljon en in de 11e Brigade (Edgar André). Uiteindelijk zou binnen het Edgar André-bataljon in maart 1938 een Nederlandse compagnie worden opgericht, de Compagnie "De Zeven Provinciën".

 

Afijn, ik lag achter met een stuk of wat meer. En we werden ′s morgens wakker en toen was Hollandse Piet met zijn maten weg. Er was een melder bij ons geweest, dat we verder moesten, maar die had ons nooit wakker gemaakt. In plaats dat hij ons nou wakker had geschud. Nou ja, die melder heeft bevel gekregen van hogerhand misschien om dat niet te doen. En zodoende ging het niet door. Ik denk we daar met zo′n vijfhonderd man zaten, in het kamp in Belchite. En alles bij elkaar, Engelsen, Duitsers, Scandinaviërs, Joegoslaven, Bulgaren. Alles werd bij elkaar gegaard en naar Belchite gebracht. Er waren nog twee Ieren bij. Maar zij zijn later ook weggehaald, nooit meer wat van gehoord. En Engelsen, daar heb ik het eerst het vloeken van geleerd.

In dit kamp heb ik een tyfusaanval gehad, maar dat kwam door dat schampschot. Ik weet nog hoe ik dat schampschot heb gekregen. Dat was bij Belchite in de buurt, in Valladolid in Valencia, je voelt het eigenlijk niet eens. Want die Scheerboom kreeg een schot door de helm, en hij schreeuwde zo: ik leef nog, ik leef nog. Die staat ook op de foto. Hij heeft nog een week in het ziekenhuis gelegen, in het hospitaal, maar die was zo blij, dat hij nog leefde. Maar ik ben dus blind geworden aan mijn rechteroog.

Het is raar dat ik niet afgekeurd ben voor het leger, maar daar kunnen ze alles gebruiken in de oorlog. Want het is moeilijk schieten met één oog. Ineens moest ik links schieten. En met een brengun kon je niet schieten, want dat was rechtshandig. Ik moest links schieten en toch kon ik het goed. Want in Guelp moesten we prijsschieten en toen bleef ik met de sergeant over, ik won het nog net van hem. Ik ben rechtshandig en later had ik er ook last mee met biljarten. Ik kon nooit meer biljarten. Het is lastig. Het is alweer 44 jaar geleden.

 

Op het laatst went het, vanzelf, maar in het begin ben je er helemaal mee aan. Dan durf je niet eens over de greppel te stappen,je kunt de afstand niet bepalen. Maar anders heb ik er weinig last van gehad. Ook met zien. De laatste jaren heb ik een leesbril maar ik heb anders nooit een bril op gehad. De nachtblindheid ging over. Op Curaçao had ik het nog, want daar botste ik ’s avonds tegen iedereen aan. Heel langzaam is het weggetrokken. Ik moest veel melk drinken en vitamine B gebruiken.

Er was daar geen hospitaal, maar een oud zaaltje, één dokter was niet eens dokter, hij was misschien hoofdverpleger, maar dat was onze dokter. Een paar Polen waren er ook, die bij ons gevangen waren. En je had een zaaltje waar je lag. Diarree, daar had je het meest last van. Als je het dan erg had, dan kreeg je een beetje warme melk in dat zaaltje en puree zeg maar. Maar andere medicijnen had je niet. Je moest gewoon uitzieken en je weerstand moest goed wezen. Je moest gezond wezen. Je kon wel ziek worden, maar als het uit een gezond lichaam vandaan kwam dan kwam je misschien wel gezond terug.

 

Maar er waren mensen die waren ziekelijk, die oude Duitsers gingen ook allemaal dood. Ik weet nu ik zelf oud ben, dat de weerstand kleiner is dan als dat je jong bent. Maar ik wist wel dat ik er uit zou komen. Daar ben je jong voor. Je wilt eruit, je komt eruit. En toen kreeg ik het bericht dat mijn moeder overleden was, toen heb ik het een tijdje erg moeilijk gehad.

In het kamp kreeg ik een brief. Het was net voor de Duitsers kwamen, in februari 1940. Toen heb ik het even heel slecht gehad. Ik geloof dat het toen zo′n beetje gekomen is, dat het me niet zoveel meer kon schelen, want het scheelt wel hoor als je vecht voor je leven of dat je je overgeeft. Tenminste als je jong bent. Als je ouder bent dan geef je eerder toe, dan denk je, vooruit ik heb lang genoeg geleefd.

We kregen in 1940 regelmatig brieven van thuis, wel gecensureerd, maar ja dat was niet zo erg. We kregen geen geld meer. Maar dan kregen we wel een hoop postzegels. Postzegels in Spanje, dat is net zo goed als geld. Eerst kregen we geld, een postwissel, dat hebben we een paar keer gehad, maar ja de Duitsers kregen nooit wat. Dus toen hebben we het maar gedeeld. Want op het laatst kwam het toch ook weer van je eigen kameraden uit Holland vandaan, daar had je mee aan het front gelegen, en dan verdeelde je dat geld onder elkaar. In Lemmer hebben ze voor ons ook wel geld opgehaald, mijn broer ook wel en de familie. Maar ja, dat was meer voor solidariteit. Voor allen die daar gevangen zaten, niet alleen voor mezelf. En dat hebben we toen gedaan. En dan konden zij ook een broodje kopen van de soldaten of iets dergelijks. De soldaten hadden altijd wel handel, het mocht niet, maar die moesten ook weer bijverdienen. Die hadden ook niks.

Dan pakte ze er wel eens een, en dit is echt Spaans, dan moest die mee te werken en dan kreeg hij een zakje zand op zijn rug van een kilo of 10/15. Daar moest hij dan de hele dag mee sjouwen en met ons mee de steengroeve in. Maar ze waren zo gehaaid, die andere soldaten hielpen ook altijd, dan deden ze er stro in, zand er op, dan hadden ze er geen erg in. Zo primitief daar. Je moet dat gezien hebben. Zo′n Alfero, zo noemden ze dat, zo′n vaandrig. Dat was al een oudere man. Die vent was zeker gek. Dat die soldaten op hun sodemieter kregen met een stok, terwijl wij erbij stonden. Spaanse soldaten die van hun officier op hun donder kregen. Hoe bestaat het. Dan hadden ze er weer een betrapt die met ons gehandeld had. En dan is het na een paar dagen zo maar weer afgelopen, dat heb je met die Spanjaarden. Vol vuur en dan in ene is het weer dove kool, zeg maar.

Ik kreeg in het kamp door, dat het een verloren strijd was voor de republiek. Je wist het wel, dat je het zwaar had, maar vooruit maar. Maar in het kamp…..De Duitsers zeiden, we kunnen de oorlog niet verliezen, want als we de oorlog verliezen, is alles naar de bliksem. Dat laten de Russen niet toe. Wij zeiden, we zullen wel zien. Want de democratieën hielden zich afzijdig, Frankrijk, Engeland, Amerika. En de Russen wilden er ook niet zo ver inlopen, want dan hadden ze het hele zaakje op hun donder gekregen. Dat zagen wij wel,maar daar konden de Duitsers niet bij, dat het zo zou lopen, dat de hele republiek de oorlog verliezen zou, maar ja het kon niet anders, dat is heel gewoon, dat is de geschiedenis.

Dus in de oorlog was het in de Marine ongeveer hetzelfde als in de Internationale Brigade. In de oorlog had je niet veel last, ging je ook met de kwartiermeester of korporaal of sergeant gewoon om met elkaar, ook als je de wal opging. Dan kwam je er soms een tegen in het café, die ook een glaasje bier dronk, dat was heel gewoon in de oorlog. Toen de oorlog over was begon het alweer, want er moet rangverschil wezen.

 

Kijk eens, discipline moet je opbouwen. Dat kun je niet met grote dingen doen, dat doe je met kleine dingen. Als je iemand tegenkomt, dan zeg je, kun je niet groeten. Laten zien dat je meerdere bent, dat je zegt, dat hij dat moet doen. Maar in de oorlog, dan waren er allemaal oudere jongens, die er zaten, en je kende elkaar. Jan, Piet, Klaas. Maar die jongens van 19 jaar, die snotneuzen, en je geeft ze de vrije hand, dan komt er helemaal niets van terecht. Die zitten je gewoon een beetje in de maling te nemen. En daar moet de discipline opgebouwd worden. Van zo lopen, en linksom, en rechtsom, en recht uit.... Petje recht.

In de Internationale Brigades zaten ook allemaal ouderen. Nou, Piet (Seegers) was de jongste toen, maar voor de rest waren ze ook allemaal 25/26. Niet zulke heel jonge jongens waren daar. En de Duitse emigranten helemaal, dat waren ouderen. Dat kun je nagaan, de intellectuelen waren ook allemaal ouder, de schrijvers, die er geweest zijn. Zij waren ook al boven de 30. Dokters en alles meer. Er waren wel jongeren, maar die waren er meer voor het avontuur. Als je ouder bent, heb je meer een overtuiging.

 

Er waren er velen, die tussen de 20 en 30 waren en wel over de 30. Dus daar kun je meer mee bereiken, dan hoef je niet zo′n zware discipline als met die jonge jongens op te bouwen. Graham Greene is ook in Spanje geweest. Later heb je weer andere dingen aan het hoofd, het leven gaat verder. Als je dat meegemaakt hebt, heb je geen zin om er over op te scheppen, zo van ik heb dat en dat gedaan, vind je me nou geen held. Dan zijn er soms mensen, dan vragen ze dit en dat. Dan denk je, ik heb gedaan wat ik moest doen, wat ik wilde doen, dat is dat. En niet er over opscheppen...

Nog iets over mijn nationaliteit. Ik heb papieren laten zien, dat ik in 1947 of in 1948, 1948 was het geloof ik, mijn nationaliteit terugkreeg. Ik kreeg het automatisch terug. Dat ding ben ik kwijtgeraakt, een diploma van trouw en waardig het vaderland gediend te hebben, heb ik ook nog met zo′n speldje. Ben ik allemaal kwijtgeraakt. Hootsen, die hier op de foto staat, stond er ook op, datzelfde lijstje, dat uittreksel dan. Dat was van de Marine Luchtvaartdienst en er waren meer namen, die ik niet ken. Wie ik ken is Arie Hootsen, maar de anderen, die ook gevangen hebben gezeten, die ook in dienst geweest zijn, die staan er niet op. Misschien later of daarvoor. Ik dacht daarna. Want Hootsen is later nog mee naar Indië gegaan, in 1948 al.

 

 

 

De eerste politionele actie was al in 1946/1947. Jan Jetten heb ik in Miranda de Ebro ontmoet, hij was van een schip opgepikt. Hij was onderweg van Frankrijk naar Spanje (Bilbao) om zich bij de Republiek aan te sluiten. Hij is toen gevangen genomen en heeft enkele jaren in Spaanse gevangenissen gezeten, tot dat hij naar Miranda de Ebro overgebracht werd, een grote vent was het.

 

Je reageert er allemaal verschillend op. Het gaat om je leven. Dat is het nu juist. Dat is heel wat anders dan dat je er bent voor een oefening. Het is met scherp. En dan kun je soms heel eigenaardig reageren. Want ook als die vliegtuigen boven je komen mitrailleren, dan moet je ook liggen blijven en meedraaien. Maar sommigen hebben teveel angst en kunnen dat niet. Dat leer je ook allemaal, allemaal meedraaien. Daar komt dat vliegtuig weer aan.

 

Dan doe je het soms in je broek. Want hij duikt op je. Veel cavalerie was er niet meer aan onze kant. Ik heb wel eens een duik moeten doen, en toen het over was lag er een lijk voor me. Je ziet het niet, je denkt wegwezen en als het over is, dan denk je verrek wat is dat. Ja, ik heb het wel vaker gehad, in een hoop rotzooi duik je dan, uit die vrachtwagens vandaan; dan komt dat vliegtuig er nog aan en dan met een rotgang wegduiken, je ziet alleen, dat je gedekt bent en dan lig je soms in een hoop rotzooi. Dat ruik je later, als het afgelopen is. Zoveel Piet Heinen heb je niet hoor.

En dan weer terug naar een ander front, je kreeg zoveel fronten. Van het ene naar het andere. Het ging steeds maar door. Het was een Blitzkrieg bij wijze van spreken. Moest je daar heen, daar heen, en daar heen. Je moest een fascistenoffensief opvangen of je moest er een inzetten en dat duurde maar een 3/4 dagen en dan moest je weer ergens anders heen en dan moesten er weer andere mannen bijkomen. Je nog even scheren en dan ging je weer. Maar ja, je dacht dat elke oorlog zo was, je had nog nooit een oorlog meegemaakt, je wist ook niet beter.

 

En later hoorde je die verhalen zoals met de Duitsers. Dat zijn ook meestal dezelfde bataljons en brigades, die een offensief moesten inzetten. Dat zijn de besten bij wijze van spreken. Of die zetten ze in om een doorbraak te krijgen, dat heb je in elke oorlog. Je helm was je hoofd kussen. Je hebt er van binnen leer in zitten, zúlke dikke dingen zitten erin. Dan kan het wel schelen met schampschoten dat de gang eruit is van de kogel. Dat die een beetje afwijkt. Want het is meestal bedoeld voor bombardementen, als puin en materiaal door de lucht vliegt. Maar kogels houden ze niet tegen.

Als je een beetje rust had, moest je je geweer schoonmaken en dat goed nakijken, want dat is dan zogenaamd je beste vriend, en wat kogels ophalen en wat handgranaten erbij. En koffie halen. Dan had je wel eens cognac door de koffie heen, tenminste ‘s morgens vroeg als het koud was. Dat moest je allemaal weer van achter het front vandaan halen en naar voren brengen. De koffie ook, je had van die tonnetjes, daar kon je een stok door steken en dan op je rug met twee man. Je had een deken erbij hangen met brood er in. Soms sigaretten als die er waren, meestal tabak, en wel eens een doosje marmelade. Dat moest allemaal ’s morgens en ’s avonds gebeuren, in het donker. Want overdag schoten ze weer en er werden geen politieke praatjes gehouden op dat soort momenten.

 

Vaccinatie bewijs van Sake.

 

In juli 1942 zijn we vrijgelaten, dat is een heel end hoor als je jong bent, honger, honger, en honger..... ik heb twee jaar in een steengroeve gewerkt. Het is natuurlijk ook zo, het Spaanse volk moest ook honger lijden, want er was niks, het land was vernield door vier jaar burgeroorlog. Men kon zich wel redden op het platteland, maar in de steden zagen de mensen ook zwart van de honger. En wij waren de laatsten, die van dat kleine beetje wat kregen, je ging dood van de honger, altijd maar honger. En dan zo mager worden dat er ziektes kwamen.

In 1942 kwam bij ons in het trainingskamp een jongen uit de Verenigde Staten. Hij was in de twintiger jaren op 4-jarige leeftijd met zijn ouders uit het Friese Oppenhuizen naar Californië geëmigreerd. In 1942 werden alle in het buitenland woonachtige Nederlanders opgeroepen, om dienst te doen in de strijd tegen de Duitsers. Zo kwam die jongen uit Californië bij ons terecht. Hij sprak geen Nederlands, maar wel Fries, en Engels. Nederlands had hij nooit geleerd. Jan Cnossen (Jon Rienks Cnossen) heette hij, vier jaar geleden, in 1980, heeft hij me nog in Lemmer opgezocht. Via mensen bij de brug in het centrum heeft hij me in Lemmer kunnen vinden.

 

Bron: Nieuwsbrief 2008 - Cnossen. Vorig jaar april overleed op 92 jarige leeftijd in zijn woonplaats in Visalia Californie Jon Rienks Cnossen (FJD 6.10). Hij werd geboren op de boerderij van zijn vader bij Oppenhuizen/Twellingea, op 10 maart 1918. Op 5 jarige leeftijd emigreerde hij naar Amerika.

Hij meldde zich in de oorlog aan als vrijwilliger bij de Prinses Irene Brigade, wetende dat hij zou moeten vechten voor de bevrijding van Nederland. Op 6 juni 1944 landde hij op Juno Beach Normanie, en vocht voor de bevrijding van Frankrijk, België en Nederland. Als sergeant leidde hij een groep Nederlandse jongens in de slag bij Hedel Noord Brabant.

Hij was zo geliefd bij zijn soldaten, dat ze hem hun vader noemden. Sinds 1972 bezocht hij met zijn vrouw Gertrude, Nederland 13 keer voor een weerzien met zijn mannen. Ook de reünies van de Prinses Irene Brigade werden door hem bijgewoond. Bij elk bezoek ging hij natuurlijk ook terug naar Friesland, waar hij de gelukkigste dagen van zijn leven beleefde, bij het bezoeken van Cnossen en Dijkstra familieleden.

Hij beheerste zowel het Engels, Fries en Nederlands en maakte overal vrienden. Zijn karakter trekken waren: humor, vrijgevigheid, betrokkenheid, geloof en trots op zijn Friese afstamming.

 

Na mijn tijd in Engeland, toen ik in 1946 weer in Nederland was, stond ik als oud –Spanje strijder raar te kijken dat er niet veel naar gevraagd werd. Je kwam in matrozenkleren terug uit deze oorlog, dat was alles. Die burgeroorlog was meer op de achtergrond geraakt. Nu is er door opkomend fascisme weer meer aandacht voor. Toen ben ik weer begonnen te vissen en te varen en was ik intussen getrouwd met een Engelse vrouw, Nellie. Sinds 1942 woonden we al samen en ik ben in 1947/1948 met haar getrouwd. Voor die tijd kon ze alleen op een vakantiepasje naar Nederland komen en moest ze om de zoveel maanden weer terug naar Engeland. Ik ben rond 1952 in Engeland gaan wonen tot 1964, toen is mijn vrouw overleden.

 

Sake zijn vrouw Nellie.

 

Toen ben ik weer hierheen gekomen. Ik heb tot 1952 in Sneek gewoond, en ik heb in de werkverschaffing gezeten, ook toen was er werkloosheid in Nederland. En later in de visserij en heb ik ook los werk gedaan. Vanaf 1952 heb ik in Engeland afwisselend aan de wal gewerkt en op zee. In 1964 ben ik weer naar Nederland gekomen. Ik hertrouwde eind 1965 met Jeltje, Jeltje overleed in 1973, En toen heb ik in het baggerwerk gezeten. In 1974 kwam ik op 64 jarige leef tijd in de WAO terecht.

 

Jeltje.

 

In Engeland werden oud-Spanjestrijders heel anders bekeken, er zijn er daar natruurlijk meer van. Voor de wereldoorlog uitbrak zijn er vijf bij ons uit het kamp vandaan gekomen en daar was Alex ook bij, en hij is later getrouwd met een dochter van Seegers, gemeenteraadslid van de communistische partij . Maar zij waren daar in Engeland, en als helden werden ze vereerd. Met de Engelse boot uit Barcelona vandaan en zo naar Engeland toe. Want toen wij in Engeland aankwamen, had je dat bureau er ook nog van de Internationale Brigade, hebben we nog geld gekregen om schoenen te kopen en om een keer uit te gaan, ging allemaal van de Internationale Brigade in Engeland uit. Maar hier….

Sake vertelde nog dat hij na de oorlog heeft geprobeerd te emigreren met zijn vrouw. Hij woonde toen in Sneek. De Australische immigratiedienst accepteerde wel een andere man, die in de oorlog voor de Duitsers aan de Atlantikwall gewerkt had. Sake en zijn vrouw werden afgewezen. Hij had een levensloop moeten schrijven. En waarschijnlijk is zijn Spanje-tijd aanleiding geweest voor de immigratie dienst om hem af te wijzen. Hij had zijn huisraad al bijna verkocht, dat was in 1952.

In 1953 is het toch gelukt en vestigde het paar zich in Zuid-Engeland. Om de benarde oorlogssituaties kon hij wel lachen, de opgewekte Lemster die uit principe in Spanje vocht, genoot van zijn welverdiende gepensioneerde rust in zijn geboorteplaats Lemmer.

 

Geheel rechts is Sake, op zijn bankje in Lemmer.

Van links naar rechts, op het eerste bankje: Leeuwke Bootsma (Leeuwke van Riek) Andries Visser, Andries Visser (De Bereboot), ?, met zonnebril Jaap Poepjes, Op het middelste bankje, van achter naar voren: Met pet, Jopie Bootsma (Jopie Sjuore), Bassie de Haan en Reitze Lemstra.

Op het rechter bankje v.l.n.r: Jaap Visser (Mosje), Riekes Vlig (Riekes Skeet), Andries Visser (Panne), Rense Visser (Mosje), Sake Visser (Ingelse Sake) met fiets, Klaas Bijlsma.

Sake Visser is op 17 februari 1996 overleden. 

     Wij gedenken hem als een heerlijke en moedige man. 

Sake Visser: "Ingelse Sake" en "De Stryder"

 

We beëindigen het verhaal van Sake met een mooi eerbetoon van Rinze Visser uit Lemmer.

 

 

 

Foto van Rien Dijkstra: In Amsterdam staat een groot monument gewijd aan de Nederlandse vrijwilligers die naar Spanje gingen.

Stichting Spanje 1936 -1939 www.spanje3639.org

 

Andere-sites:

 

www.eerebegraafplaatsbloemendaal.eu-Hendrik Prins

 

www.npogeschiedenis.nl-Spaanse-burgeroorlog

 

● Kleine lijst van Nederlanders die o.a. in de burgeroorlog in Spanje hebben meegevochten en
hun Nederlanderschap tussen 1945 en 1970 hebben herkregen Vreemdekrijgsdienst-Spanje

 

Audio cassette. Brigadas Internacionales (Espana)

by Adema, Siep.

Other Authors: “...Visser, Sake....”

Music and Sound

 

 

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.