Energie...Leven...Vrijheid... 

Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog, soldaat in Spanje.

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |

 

Sake Visser.

 

Begin 1937 ben ik naar Spanje gegaan (ik zat toen nog niet bij de communistische jeugdbond, ik had wel informatie gevraagd). Mijn neven waren toen wel bij de communistische partij, een van hen heeft hier later, na de oorlog, ook 25 jaar in de gemeenteraad gezeten. Om lid te worden moest ik naar Amsterdam. Dat was een hoop geregel, maar dan kon ik de week erop al weg. Maar ik moest eerst nog pasfoto´s laten maken, ook dat nog, en veel geld had ik niet. Maar goed, toen moest ik alles goed in m’n hoofd onthouden: ik moest eerst met de boot over, de nachtboot Lemmer-Amsterdam, en dan met de bus naar Antwerpen, in die tijd (de crisisjaren) reed er een bus naar Antwerpen en dat was goedkoper dan met de trein. Ik kreeg wat geld mee. In Antwerpen moest ik naar het stationsplein gaan, en daar zou iemand staan (te herkennen aan een  communistische krant), die het geld zou omwisselen in Belgische franks. Van hem zou ik dan weer horen hoe verder te gaan. Ik moest ‘s avonds met de trein van Antwerpen naar Brussel, en daar weer wachten. Ik ben nog naar de bioscoop gegaan in Brussel. Daarna moest ik met de nachttrein naar Parijs gaan, en als ik in Parijs aankwam, dan moest ik ene kameraad Leo hebben, die in een café zat aan de Rue de Violette, nummer 16. Ik moest dat allemaal goed onthouden.

Maar er woonde bij ons aan de Schans in Lemmer een winkelier, die heette Bonnejette. Ik dacht, ah, Violette, Bonnejette. En die vissersman die ik goed kende, had de LE 16, dus het nummer kon ik ook goed onthouden. Maar ja, dat was het ergste nog niet. Daar kwam ik aan op het Gare du Nord, en ik eruit, maar ja waar moest ik heen? Ik kon geen woord Frans, daar had ik nooit over geprakkezeerd. Vlakbij was een parkje. Ik bleef steeds maar heen en weer lopen tussen het station en het parkje. Op een gegeven moment dacht ik, ik ga maar eens op een bankje zitten. Toen stopte er een motorrijder, die zijn diensten aanbood. Deze motorrijder heeft mij naar de Rue de Violette 16 gebracht naar kameraad Leo. Toen wij daar binnenkwamen, zaten ze allemaal te eten, Fransen zitten altijd te eten. Kameraad Leo en ik hebben ook maar meegedaan.

Bij het eten kregen we rode wijn te drinken, het was de eerste keer dat ik wijn dronk. Ze dronken allemaal rode wijn, dus ik dacht dan drink ik het er ook maar bij. Maar ik kon het niet door mijn keel krijgen, die landwijn, maar kameraad Leo zag het wel: “Je moet maar bier hebben zeker”. Dat ik deze weg opgeholpen ben, is eigenlijk door een neef van mij. Ik had er wel eerder van gehoord, want ik had Jef Last in Lemmer hier ook wel over gesproken. Hij heeft in Lemmer gesproken toen we dat communistische gebouwtje nog hadden: Palvu, (Proletariërs Aller Landen Verenigt U) op de Lijnbaan in Lemmer. Dat hebben ze in de oorlog verkocht, omdat de Duitsers er beslag op hadden gelegd, en later is het een kerkje geweest voor Baptisten. Maar ik heb wel via Jef Last, het een en ander gehoord.

We zijn toen nog een dag en nacht in Parijs gebleven, met Duitsers en Scandinaviërs, er waren geen Nederlanders bij. En veel Duits kon ik ook niet, maar ik had wel Duitse emigranten gesproken die uit Duitsland gevlucht waren. Ik was toen nog wel lid van de Internationale Rode Hulp, en we gaven daarom wekelijks een dubbeltje, meer konden we ook niet missen, maar die mensen hadden helemaal niks. De meeste van hen zijn toen ook ondergedoken in grote steden zoals Amsterdam, niet in kleine dorpen, dat liep teveel in de gaten. Vaak hielp ik ze dan verder, en diezelfde mensen kwam je dan weer in Spanje tegen. Die van de emigratie zaten allemaal in de Internationale Brigades. Na Parijs moesten we naar Carcassonne, helemaal in het zuiden.

In Parijs ben ik niet gekeurd want ik was in dienst geweest, en dat was dat, dat keuren dat zegde immers toch niks...... Een paspoort had ik niet, alleen een bewijs van Nederlanderschap, daarmee kon ik de Belgische en de Frans grens over. In Carcassonne zijn we een paar dagen gebleven, en vandaar moesten we een paar dagen lopen door de Pyreneeën heen, om in Spanje te komen, ik wist toen voor het eerst wat lopen was, lopen en toch slapen. Ja eerlijk waar, onder het lopen viel je gewoon in slaap.

 

Jef Last - Bi(bli)ografie.

Want we moesten een spoorlijn volgen, en dan struikelde je over die dwarsverbindingen die daar lagen, en dan schrok je weer wakker, en dan gingen we maar weer druiven plukken. Op het laatst had je diarree, verschrikkelijk, van al die druiven. We hebben ongeveer 20 uur gelopen, dan had je de ene berg gehad, en dan kwam de volgende berg alweer, en dan dacht je dit zal de laatste wel wezen, maar was je daar overheen, dan was er toch weer een, en zo ging dat maar door. Tot je op het laatst toch op het end kwam, en dan moest je met een rotgang naar beneden toe, en kwam je in Figueres aan,  zo’n tien kilometer van de Middellandse Zee. Daar waren we dan met zo'n 40/50 man, met Duitsers en Scandinaviërs. In Figueres waren er al meer, die waren met een groep eerder gekomen. Vandaar zijn we met de trein naar Albacete gegaan, waar het opleidingskamp van de Internationale Brigades was. Maar ja, omdat we in dienst geweest waren, konden we in 1937 direct naar het front, ook al omdat we met een geweer om konden gaan Het zal in de maand juli geweest zijn, want in 1936 is daar de revolutie uitgebroken, en in mei 1938 ben ik daar gevangen genomen. Met ook al die anderen, veel Duitsers en Engelsen, we konden er niet meer doorkomen.

Jaren later was het de bedoeling dat we rechtstreeks naar Curaçao zouden gaan, maar de boot voer naar Argentinië, ook met Spanjaarden en al die andere mensen. Maar we mochten niet op Curaçao aanleggen. We kregen permissie van de Engelsen – de Engelsen hebben een hoop voor ons gedaan – om naar Trinidad, Port of Spain, te gaan. Dat was in 1942. Daar hebben we een paar maanden gezeten en toen zijn we per vliegtuig over Venezolena, Trinidad, Venezolena, naar Curaçao gegaan. En vandaar – na daar een tijdje te zijn gebleven - zijn we met een tanker naar New York gegaan.

 

Ticket Curaçao

 

Het was nogal een heen en weer natuurlijk, maar we moesten in New York van boord af. Er waren nog wat Engelandvaarders bij, meest joodse vluchtelingen. De tanker ging richting Europa; er waren twee mariniers aan boord die uit Curaçao kwamen en naar Engeland gingen, maar die tanker is daar nooit aangekomen. We hadden dus geluk gehad, dat wij in New York van boord gingen. In New York verbleven we een dag en een nacht en een dag in het Time Square Hotel, en daarna zijn we met de trein naar Canada gegaan, naar de staat Ontario, niet ver van de Niagara Falls. (Nederlanders uit de USA, Canada en Zuid-Afrika kwamen daar samen in een kamp voor training.) Daar hebben we 5 maanden training gehad, en zijn toen met een Canadees troepenschip naar Engeland gevaren. We waren begin 1943 in Engeland. Ik ben niet meteen al als matroos gaan varen. We moesten tekenen als vrijwilliger, en dat wilden we niet. Wij hadden paspoorten, anders hadden ze ons ook niet kunnen vervoeren, en we waren Nederlander. Maar in Engeland hebben ze de paspoorten van ons afgenomen en opgeborgen. We konden toen wel in dienst blijven, maar dat moest dan wel vrijwillig.

Zo was de Nederlandse regering, want als dienstplichtige moest je Nederlander zijn. Maar ze kwamen erachter, dat als je zes maanden in een land woont, en dat land is in oorlog, ze je dan kunnen oproepen voor dienstplicht. Maar we waren helemaal geen statenlozen, we waren gewoon zeg maar onze burgerrechten kwijt. Dus ze konden ons verplichten om in dienst te gaan. Maar ik was dienstplichtige van de marine, en toen heeft men me naar de marine overgeplaatst. Ik kwam toen bij de Nederlandse Marine, waar ik vroeger als dienstplichtige al was geweest. Het was wel raar dat ik toen ik in Spanje gevangen zat, thuis in Nederland een oproep kreeg voor mobilisatie. 

 

Mobilisatiefoto uit 1939. Wie deze onverschrokken militairen zijn is onbekend. We weten dat er in ieder geval één persoon uit Tytsjerksteradiel op staat.

 

Ik werd toen eigenlijk mooi gedropt bij de Nederlandse Marine, maar wilde dat eigenlijk niet, ik zat liever bij de Irene Brigade. Maar ik heb toch gediend voor koningin en vaderland tot juli 1946. Het eigenaardige was, dat ik zelf niet zoveel voor de regering en koningin en vaderland over had hoor. We zaten daar namelijk met Engelsen, Scandinaviërs, Fransen, Belgen, Amerikanen, en die Duitse emigranten en Oostenrijkers. In 1938 zijn we gevangen genomen. In 1939 toen de oorlogsdreiging steeds groter werd, kwamen de anderen allemaal vrij en werden door hun regeringen eruit gehaald. Maar wij als Nederlanders bleven zitten met Joegoslaven, Hongaren, Bulgaren, waar helemaal geen democratie bestond. We zouden nonnen hebben vermoord of verkracht, geloof ik. De Spaanse regering heeft toen gezegd dat we misdadigers waren, maar die andere democratische landen hadden hun onderdanen wel opgeroepen.

De Nederlandse regering heeft toen voor ons niet veel gedaan, maar in de oorlog konden ze ons weer goed gebruiken. Dus alle anderen waren er in 1939 - maanden vóór de oorlog uitbrak - er al uitgehaald, maar wij dus niet. Dat was echt Nederland. Ik heb later vaak genoeg gezegd, als je later ergens komt en je zit in gevaar, dan kun je beter Zuid-Afrikaans, of een beetje achterstevoren Nederlands spreken (als je geen Engels kent), maar je moet je nooit als Nederlander uitgeven, want dan ben je nergens. Nee, we hebben in Madrid meegemaakt, dat van de diplomatieke dienst ene consul-generaal, De Bruin van Tinbergen, bij ons kwam. Dat was trouwens de grootste vrouwenjager die er bestond. We kregen van hem zakgeld, en al die dingen meer om kleren van te kopen. Dat was de corruptie hé, en fooien geven, dat was de Bruin van Tinbergen. Een Engelse gezant of consul kwam altijd bij ons in Miranda de Ebro, en zij namen dan altijd levensmiddelenpakketten mee van het Rode Kruis. Dat hadden de Engelsen dan voor ons klaargemaakt, en zij zeiden tegen ons: De Bruin van Tinbergen is een zuiplap en een vrouwenloerder, daar heb je niks van te verwachten hoor.

Ik heb in verschillende plaatsen gevangen gezeten, allereerst in San Pedro de Cedella, dat was in Belchite, vlakbij Zaragoza, en daarna hebben we in de provincie Valencia gevangen gezeten. En de laatste jaren hebben we in Miranda de Ebro gezeten, daar kwamen een hoop Engelandvaarders en vluchtelingen. Dat was in de buurt van Burgos, meer in het Baskenland. Ja, de Nederlandse regering heeft ons wel laten stikken, we zijn nog bezocht door Jonkheer Panhuis, en daarna is de uitlevering pas georganiseerd, dat was in 1942. De Nederlanders waren veel minder dan de Engelsen overtuigd van de uiteindelijke overwinning op Duitsland.

 

Kaart voor Sake, van zijn neef Meint Visser en zijn vrouw Pietje Visser uit Lemmer.

 

In oktober 1936 komen de eerste internationale brigadiers in Barcelona aan.

 

 

 

Uit de Gazet van Mechelen 25 juli 1936.

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |

Home