Energie...Leven...Vrijheid...
Sake Visser en
de Spaanse burgeroorlog, soldaat in Spanje.
| 1
| 2 |
3 |
4 |
5 |
Maar we gingen eerst naar Albacete en daar
werd je gekeurd en er werd gevraagd of je
militaire dienst had gehad en daar houden ze
dan rekening mee, hoe eerder je naar het
front kon. En als ze aan het front of in
Albacete schreeuwden, er moeten een paar
sanitaters komen, dan verhuizen ze je. En
dan ga je mee... maar anders nee. Je hoefde
er ook geen opleiding voor te hebben, want
je heb ze maar gewoon op te pakken en op een
brancard te gooien en zo snel mogelijk weer
naar de ambulance te brengen. Ik had het ook
niet gewild, iets anders dan in het leger
gaan, ik was bij de infanterie. Zit je op
een tank dan moet je een specialist wezen.
Er was een groot verschil tussen het
Nederlandse leger en het Spaanse leger, als
het om discipline ging. Het Nederlandse
leger was weer heel anders toen ik in de
Irene Brigade kwam, dan in vredestijd. Als
je 18 of 19 jaar bent en je hebt die oude
sergeanten, dan zijn zij de baas en jij bent
de rekruut. Maar in de oorlog is dat weer
heel anders, dan kom je een oudere lichting
tegen en dan waren de jongens de
dienstplichtige sergeanten, dan is de
discipline ook niet zo groot. Dan ga je ook
gewoon met elkaar om. Vlak na de oorlog werd
het groeten bij de marine weer strenger
verplicht en nette kleding etc.
In Spanje had je dat
ook niet, je had officieren en dat was het,
dat moet toch iemand wezen. Maar vroeger
hier in Nederland, die officieren kwamen uit
een heel andere klasse vandaan. En dat
was in Spanje minder. Er waren mensen
divisiecommandant die in het dagelijks leven
dokter of leraar of zoiets waren want er was
helemaal geen kader. De republiek niet, want
dat was allemaal overgelopen naar Franco.
Dus je had er officieren die waren ook
gewoon soldaat en dan werden ze ook gewoon
officier. Als je meer ervaring had en je was
niet bang dan kon je officier worden. Dat
noemen ze dan frontofficier. Maar zoals ze
het hier doen, kun je geen leger opbouwen.
Ze maken van een voorman een soldaat en van
een kantoorklerk een officier. Een voorman
heeft veel meer gezag dan iemand die de hele
dag postzegels plakt, ondanks dat de voorman
misschien minder geschoold is. Een heel
verkeerde opbouw van het leger is dat. En in
Spanje was het juist andersom, daar werd er
naar kwaliteit gezien, maar hier in Holland
werd alleen naar school gezien. Een graad
had ik niet, ik had gewoon lagere school. Ik
ben nog tegen officier aan geweest. Ik was
ook niet zo bang en ik had al een tijdje
meegelopen. Korporaal of sergeant had je
daar niet zo. In de Irene Brigade ben ik nog
korporaal geweest. Daar lopen ze niet zoveel
met strepen en sterren. Tenminste aan de
fronten niet, daar heb je niks aan. Kijk
eens, we hebben ook een tijd gehad dat de
officieren geen geweer hadden maar een
revolver. En dan zie je dat er een hoop
verongelukken. Want dan schieten ze eerst op
de leiding. Daar zijn ze gauw van afgestapt.
Toen moesten officieren ook geweren dragen
en gewoon gekleed gaan. Ik weet niet hoe die
man liep in het dorp hoor, als hij thuis was
met verlof, dat weet ik niet, maar aan het
front had je dat niet. Daar kom je achter
als je aan het front bent.
Ik
had wel een groep onder mijn hoede. Ze
kwamen wel eens vragen, let jij eens op die
mensen. Dan maakten we wel mee dat we vuur
kregen en dan wilden ze meteen vluchten. Die
Spanjaarden helemaal. Dan moest je op hen
schieten om ze weer terug te krijgen. Dan
lieten ze zo alles in de steek. Ja jonge
jongens van een jaar of 17 of 18 en zomaar
in paniek hè, dat was ook toen we gevangen
werden genomen. Als ik alleen geweest was
dan had ik er misschien doorgekomen, maar
dan lopen ze je allemaal achterna…. Op een
gegeven moment is de Hollandse Compagnie
opgericht. Daar ben ik ook in geweest. Ja
ook in tranen was je bij die Hollanders
onder elkaar. En dan werd je naar het front
gestuurd, naar de brigade en de
compagnie. Met de Hollandse Compagnie moest
je wel eens terugtrekken, en dan moesten we
maar weer zien dat we ergens terecht kwamen.
Je kwam dan wel eens bij een Duitse
compagnie terecht en bij de Thälmann,
Oostenrijkers. Maar dan ging je gewoon met
elkaar om, daar was de compagniescommandant
meestal een kapitein hoor. De
divisiecommandant of brigadecommandant maakt
de dienst uit, de strategie. Daar heb je als
frontsoldaat heel weinig mee uit te staan,
je weet niet eens, wie er naast je ligt.
Alleen de bevelen komen van achter, en dan
komen ze bij je vragen of je wilt verkennen
of weer aanvallen. Alles is geïnspecteerd
en ze zijn naar voren geweest en vertelden
dan bijvoorbeeld: het is een licht frontje
en daar kan je zo wel doorheen en straks
krijgen jullie eten en sigaretten en dat
moet je maar delen met de anderen.
Maar dan was het geen licht
frontje, en vielen er een hoop doden, maar
ik bedoel, dat is op jouw lengte. Wat er nou
rechts en verder links van je gebeurde…. En
dan lagen er weer Spaanse brigades. Daar
braken ze meestal door en dan moesten wij
weer terug en dan was er weer kans, dat ze
je afsloten. En dan moest jij maar weer
proberen om daar door te komen. Zo’n 25/30
kilometer. Zij hadden dan de wegen en dat is
Blitzkrieg, dat hadden ze zeker van de
Duitsers geleerd. Want er zaten ook een hoop
Duitsers van Hitlerkant zeg maar. Die wegen
hoefde je maar te krijgen en dan weg.
Maar wat er dan links en
rechts verderop gebeurde, dat wist je niet.
Je was maar een klein deeltje in het geheel.
Zo zal elk leger wel opgebouwd zijn. Nou ja,
ik heb wel eens onlogische bevelen gehad en
dan zei ik, wat weet je er zelf vanaf. Je
dacht dan laat hij het zelf maar doen en dan
hing je er een beetje omheen. Maar het lag
ook wel een beetje aan je eigen initiatief,
wat je moest doen, je moest ook het gevaar
voelen. Want in de nacht zien kun je niet,
maar je moet toch voelen, dat er iets aan de
hand is, en dat krijg je als je lang aan het
front ligt. Dan voel je dat en dan weet je
dat en dan houd je er rekening mee. Op een
keer waren we in de middag aan het front
gekomen.
Dat was bij Teruel in de buurt of meer bij
de Ebro. Toen kregen we ′s morgens vroeg al
een aanval. Kwamen de fascisten opzetten. Op
het laatst hadden we geen munitie meer.
Terwijl ik terugging naar het hoofdkwartier
van de brigade, een eind verderop, werd ik
beschoten. Bij het hoofdkwartier kreeg ik
twee ezels met munitie mee, maar ik werd
weer beschoten en de ezels sloegen op de
vlucht, dus toen ging het weer terug naar
het hoofdkwartier.
Het was veel in beweging. Met patrouille
lopen kwamen we om de hoek van een berg een
fascistische patrouille tegen en we
schrokken ons allemaal dood. Zij net als wij
schieten en holden we op het laatst terug
naar de compagnie en zijn we teruggetrokken.
We hebben wel een halve dag gelopen. Maar
die fascisten hadden allemaal offensieven
ingezet; je was meestal in de verdediging om
die offensieven weer op vangen. En als het
stilgelegd was dan moest de Internationale
Brigade daar weer naar toe. En zo ging dat
maar door, we wisten niet eens wat voor dag
het was. En dan maar weer lopen of op de
vrachtwagens. Maar ja, die strijd stond er
hopeloos voor.
Toen ik gevangen zat, kreeg ik in de gaten
dat het een verloren zaak was. En de
Duitsers wilden het niet geloven. Maar je
kon het zien. Engeland en Frankrijk deden er
niets tegen, en de Duitsers en de Italianen
zetten alles op alles om hun materieel uit
te proberen. Want er waren wel twintig- tot
veertigduizend Italianen die daar vochten,
hele divisies. De Duitsers hadden meer
specialisten, de staf en de vliegtuigen. Ik
heb wel eens meegemaakt dat er Duitsers en
Italianen krijgsgevangen werden gemaakt en
dan hadden de Italianen de schoenen al uit
om hard te lopen. Italianen zijn zulke
soldaten. Wijn en vrouwen daar zijn ze gek
op. Maar soldaten zijn het niet. Maar dat
wil nou ook niet zeggen dat je slecht bent,
zoals de Duitsers. De Duitsers zijn de
soldaten bij wijze van spreken, ja wij waren
niets minder daar gaat het niet om, maar de
Duitser is toch de militair. Maar de
Italianen zijn dat niet, dat kun je nog
zien, deze wereldoorlog ook, dat stelde niet
veel voor.
Er was ook een politiek
commissaris bij het bataljon. Zijn taak was
om de mannen een riem onder het hart te
steken. Met propaganda. Maar verder was het
een bijeen geraapt zootje, de Internationale
Brigade. Als je nou die elitetroepen neemt,
die deden dat anders, zoals de Russen dat
ook hebben. Maar hier kwamen de mensen
overal vandaan, het was heel iets anders dan
dat je een leger opgebouwd hebt met
rekruten die zoveel jaar gediend hebben. Dit
waren ook mensen die nergens iets vanaf
wisten. Een hoop intellectuelen zaten er
tussen, verschillende Engelse schrijvers
ook, de Amerikanen waren ook ontwikkelde
mensen. Maar de politiek commissaris was ook
een soort vraagbaak. Die kon je wel eens wat
vragen, maar wat had je te vragen. Het was
meer om de discipline erin te houden en moed
in te spreken.
Ik
had zelf een geweer en een bajonet en
handgranaten, dat hing allemaal aan je riem.
Daar sliep je ook mee, een deken over je
heen en dan lag je op die harde grond en je
sliep ook, je was jong. De eerste weken
niet. Alles deed je pijn van het op de grond
slapen en koud dat je het had. Later ging
dat allemaal over, dan heb je de helm onder
je hoofd en daar slaap je op en is de grond
ook niet zo hard meer. Als je een gezond
persoon bent, dan went het snel. Als het erg
koud was, hebben we wel met drie man met de
dekens in de lengte over ons heen gelegen.
En dan probeerde je in het midden te komen,
dan had je het lekker warm. Al die dingen
moest je uitzoeken. We moesten soms de
sneeuw wegscheppen. Want ik heb ook wel eens
op sneeuw geslapen, maar dan word je nat.
We
zijn bij Tereul geweest, maar we hebben daar
niet gevochten. We zijn gaan kijken hoe of
het kapotgeschoten was. We hebben ons daar
ingegraven, en we hebben de stellingen
overgenomen van de Spanjaarden. Dat waren
anarchistische brigades, die daar gevochten
hebben. Die stelling hadden zij op de
fascisten veroverd en die namen wij weer
over. En toen begonnen ze aan dat grote
offensief en dat zaaide uit en zijn wij weer
teruggetrokken en weggegaan. We werden
afgelost door Spaanse brigades en dan
moesten wij weer ergens anders heen om daar
weer een offensief op te vangen en zo ging
dat maar door. En daarom had je zoveel doden
en gewonden onder de Internationale
Brigades, maar ja, daar was je vrijwilliger
voor, je ging daar heen voor een ideaal,
voor een andere maatschappij.
Je had een hele grote kans dat je je eigen leven gaf, maar dat
weet je niet vooruit, je denkt altijd dat jij het niet bent die sneuvelt en dat
het die ander is. Paniek sloeg soms toe, maar het is beter om te blijven liggen,
want als je begint te lopen dan beginnen ze op je te vuren. En dan maar
schreeuwen: blijf dan liggen. Dan schoten we zelf op hen, maar dan verraad je
jezelf ook nog. Maar ja, paniek, want het is ook moeilijk om te blijven liggen
terwijl je ze ziet dat ze er aankomen. Dat is erg moeilijk. En als je er niet
tegen kunt, dan heb je dat. Maar ja, daarom kunnen ze nog niet direct
fusilleren, wat ze wel eens doen in de oorlog, om een voorbeeld te stellen. Wat
heeft dat nou voor zin. Net zo goed als dat er helden zijn, die zijn er ook
niet. Bij Belchite hebben we de stad zelf veroverd met echte straatgevechten. En
tanks erbij om er door te komen. Maar ja dat was een oorlog dat er niet zo′n
miljoenenleger tegenover je stond. Het waren meer plaatselijke gevechten
vergeleken met Russen met ruim 100 divisies in de wereldoorlog, dat was heel
anders. In Spanje in de burgeroorlog was het veel dunner zeg maar. Het zijn
altijd dezelfde mensen, die het moesten doen.
(De Internationale Brigades
hebben de fascisten voor Madrid gestopt. Dat
zo′n Internationale Brigade, ik weet niet
hoeveel mensen het zijn geweest, 30.000 of
40.000, zo′n oorlog kunnen beslissen, het
evenwicht kunnen herstellen. Je kunt wel
nagaan, dat het geen miljoenenleger was,
maar ja, juist meer plaatselijk werd de
burgerbevolking uitgemoord en soldaten
werden uitgemoord en was het veel erger als
een gewone frontoorlog. Want er zijn een
hoop doden gevallen in de Spaanse
burgeroorlog).
We
hadden geen contact met de Spaanse
bevolking, wel met de boeren in de plaatsen
waar we lagen. Ze braadden een lammetje voor
ons met flessen wijn erbij, we werden daar
goed onthaald. In de steden zelf kwam je
nauwelijks. Toen ik in Spanje aankwam, dacht
ik dat er al oorlog was geweest, zo
bouwvallig waren die boerderijtjes allemaal.
Het was net een ruïne. Daar leefde de boer
met zijn vrouw. De vloer was van klei en die
moest met een bezem schoon worden gemaakt.
We konden er niet bij, dat mensen nog zo
leefden en het was dan ook geen wonder dat
de mensen in opstand kwamen en wilden
vechten voor een betere maatschappij.
Ze
hadden helemaal niks, en een middenstand had
je ook helemaal niet in Spanje. Het is er
rijk of arm. Hele kleine middenstand had je
er. Daar spraken we wel over met de boeren,
die waren er ook allemaal voor. Die zaten
ook weer in een coöperatie, tenminste daar
helemaal aan het Aragonfront. Ze waren heel
goed voor ons, maar later hebben ze het
moeten betalen. Lerida was nog een flinke
plaats met goeie mensen. Daar zaten de
meeste Catalanen en streden de
anarchistische brigades. Na een jaar zullen
ze wel tegen de muur zijn gezet, toen de
fascisten kwamen. Bij Lerida was een
doorbraak en raakten ze 100 kilometer kwijt.
Medische zorg aan het
Aragon front, 1936.
Het geweer wat ik had, was Russisch en ik
had ook een Russische bajonet. Met een
bajonet vechten deed je eigenlijk nooit. Je
gooide eerder met handgranaten. Man tegen
man, dat komt haast niet meer voor. Ik heb
het wel eens meegemaakt. Het geweer was
goed. En later kregen we brenguns, die ze
daarna in de tweede wereldoorlog ook
gebruikt hebben. Dit is een machinegeweer,
dat je ook enkelschots kon zetten, wat het
voordeel had, dat de vijand de positie van
een machinegeweernest moeilijk kon opsporen.
Gewone mitrailleurs waren snel te herkennen
omdat ze alleen salvo ′s van meerdere
schoten konden geven. Ik heb zelf niet
gewerkt met een machinegeweer. Ik kreeg ook
betaald, maar ja wat moest je er mee doen.
Als we wel eens naar een boer gingen, dan
zei je hier heb je een zootje geld, geef ons
maar wat wijn en maak een lam voor ons
klaar, maar uitgaan was er niet bij. En je
kwam ook niet voor het geld, je was geen
huursoldaat. Je was er naar toe gegaan om
het fascisme te verslaan en het was mooi dat
ze je wat gaven. Als je wel eens achter het
front kwam, dan werd je ontluisd en kon je
douchen. En je kleren in de stoom gooien en
dan weer aantrekken en dan kwamen de luizen
er ook weer bij. Ik heb veel last gehad van
luizen, in het kamp helemaal. Ik heb meer
luizen gehad dan de Nederlandse bank
guldens. Miljarden. God o god, ik zat onder
de luizen. Schaamhaar en onder je armen, het
hoofd nog niet eens zozeer.
Aan het front had ik ze ook, och ja er ligt
een deken en die neem je mee, die kan je
weer gebruiken als je aan het front bent.
Want de jongens die weggaan, die laten een
zootje liggen, die wilden dat niet allemaal
meesjouwen, dan ben je blij dat ze er
liggen, en denk je, weer twee erbij, lekker
warm. Uit de kleren kom je niet, je had geen
pyjama′ s bij je. Op het laatst kom je onder
de luizen te zitten. In het kamp was het
helemaal verschrikkelijk. Alleen als je
koorts hebt dan voel je ze niet zo erg, dan
doen ze niks. Maar anders! Ik heb wel eens
geprobeerd mijn hemd uit te koken, maar na
korte tijd zat het hemd toch weer onder de
luizen. Een andere Hollander in het kamp,
was Adriaan Thomas uit Rotterdam. Hij kwam
uit een gegoede familie en had een
universitaire opleiding achter de rug. Zijn
kameraden moesten hem helpen met het
bestrijden van de luizen, dat had hij thuis
niet geleerd. De anderen, afkomstig uit
lagere klassen, hadden ook meer ervaring met
het organiseren van voedsel. Ik was thuis
een van de oudsten en werd al jong aan het
werk gezet.
Ik
heb geen contact gehouden met brigadisten,
het was groot en het is voorbij. Het komt nu
weer naar boven toe. Maar anders wordt er
nooit over gesproken. Als je zegt ik heb
vier jaar gezeten, denken ze dat je in de
gevangenis hebt gezeten, en een misdadiger
bent. Nee, ik heb in Spanje gezeten. Oh, dat
is wat anders, en hoe is het gegaan en hoe
gaat het. Nou ja, als je het zelf niet
meegemaakt hebt, kun je het toch niet
begrijpen. Je kunt het wel proberen te
begrijpen zoals je een goed boek leest, dan
leef je er ook helemaal in mee. Het verlies
van mijn eerste en tweede vrouw zijn ook
persoonlijke ervaringen, die voor vreemden
moeilijk te begrijpen zijn. We werden ook
wel geslagen, zoals in Belchite, dan hadden
ze de pest op je in, meestal door
onderofficieren, dat waren de slechtste, en
door soldaten ook wel. Maar ja, dan kwam je
ook weer goede korporaals tegen .We hadden
twee korporaals bij ons, die ene kwam uit
Asturia en de andere kwam uit Catalonia. Die
uit Asturia liep dan bij ons langs en die
zij “mira mira”, en dan moesten we
uitkijken, want die sergeanten zochten dan
weer iets om te kunnen slaan. Dat was zo′n
dikke korporaal uit Asturia. Terwijl hij
mira mira zei, liep hij evengoed te vloeken
tegen ons zodat ze het niet in de gaten
kregen. Zo ging dat. En die Catalaan ook,
dat was trouwens een teer jongetje, maar
zijn vader had ook aan onze kant gezeten, en
die was bij ons in de bewaking dan
korporaal, maar hij waarschuwde ons ook
altijd. Met aantreden liepen ze bij je langs
en dan wel schelden en schreeuwen, maar
tussendoor zeggen dat we uit moesten kijken.
De sergeanten waren het ergst. Van
officieren had je nooit last of het moest
een gek wezen. Maar meestal de
onderofficieren. Die waren dan gewond
geweest en hadden ze allemaal van die
strepen op hun mouwen gekregen. En wanneer
ze half dronken waren, kregen wij de schuld.
Dat is net als
dat er van die indianenverhalen waren, dat
we nonnen verkracht zouden hebben en dat
soort dingen. Maar er is nooit een proces
over geweest en het is ook niet gebeurd. Dat
werd alleen maar geroepen door de
Nederlandse regering en die informatie kwam
van de Spaanse regering. De Nederlandse
regering nam dat als waarheid aan en hebben
wij nog wel eens gedacht, dat er misschien
een proces zou komen en dat we geëxecuteerd
zou worden. Nee, nooit hebben ze er over
gesproken. We hadden Duitse emigranten bij
ons, die werden er later allemaal uit
gehaald, en Oostenrijkers. De Gestapo kwam
om die mensen eruit te halen, zij moesten
mee naar Duitsland toe. Maar wij als
Nederlanders, aan ons kwamen ze niet. Wij
waren gewoon krijgsgevangenen, in een oud
kamp, een oud klooster bij Belchite, met
weinig te eten, want het volk had ook niks
te eten. Je ging dood van de honger, elke
dag weer, het was verschrikkelijk.
We zijn nooit, toen we
gevangen genomen waren, gefotografeerd. Nee,
voor de wereldoorlog uitbrak, is er zo′n
dame uit Engeland geweest, Lady Chamberlain,
om de Engelsen te bezoeken. Zij heeft met de
Engelsen gesproken, snap je. Maar verder
hebben we geen bezoek gehad. Ja later, toen
Duitsland verliezen zou, toen kwam Jonkheer
Panhuis, de secretaris van de gezand Piet
Seegers, die staat ook op de foto. Tonny
Moor, van Hees, en A. de Seume, en C. van
Keulen. Ik geloof dat die uit Brabant
vandaan kwamen en ik geloof dat van Van Hees
een Amsterdammer was. En Tonny Moor kwam
meen ik van Rotterdam. Ik ben tegengekomen
dat ze in december 1939 vrijgelaten werden.
Maar ik weet niet waarom ze vrijgelaten
werden. Dat weet niemand, misschien omdat ze
katholiek waren of zo, ik weet het ook niet.
Die ene Alex was een witrus, dat zou er
misschien mee te maken kunnen hebben. Hij
sprak wel een stuk of zes talen. Ik weet
niet zijn achternaam. Maar leeft er niet
eentje meer van Seegers, dat zal toch wel
een bekende naam geweest zijn in Amsterdam.
Want die vrouw heeft veel voor ons gedaan,
ze hebben nog een comité opgericht voor ons,
daar kregen we geld van. En later kregen we
nog dekens van het Rode Kruis. Ik geloof dat
hij er ook nog bij was van de SDAP, Van der
Goes-van Naters, die zat ook nog in het
comité, hij was toen een beetje links. Hij
zat ook in de Internationale Brigade, maar
hij was al voor ons gevangen, ik kende hem
niet. Toen wij in het kamp kwamen, de eerste
keer bij Belchite, was hij er al. Er waren
er nog een stuk of twee/drie toen wij er
kwamen.
Lid
partijbestuur SDAP, van 1935 tot 1940:
lid Comité Comisco (Socialistische
Internationale) inzake de Spaanse
kwestie en tweede fractiesecretaris SDAP
Tweede Kamer der Staten-Generaal, van
juni 1937 tot september 1939.
En deze staat nog
op de foto. Hij was ook al eerder gevangen
genomen, dat was Roselle, een Limburger met
een bril op. Hij zat er al een paar weken
voor ons.
(Aan de hand van de foto komen de namen van
Arie Miel, Piet Seeger, Scheerboom, (ook een
Amsterdammer) van Elven (′n Hagenees),
Hoosten (die was korporaal
mitrailleurschutter in het vliegtuig in de
laatste oorlog bij de marine, die is later
ook nog naar Indië gegaan, Adriaan
Thomassen, familie van de oud-burgemeester
van Rotterdam. Deze weet ik niet, maar hij
was wel een gestudeerde, had economie. Zijn
ouders hadden een grote schilderijenwinkel.
Dit is een Rotterdammer. Verhoeven, een
Tilburger, Deutekom kwam uit Delft, Beuker
of Bökker is in het kamp overleden. Hij had
een neusontsteking, zijn vader was een
Duitser geloof ik. Je zal het wel op zijn
Duits schrijven met stipjes erboven. Dit is
nog een Tilburger, en een Hagenees, drie
Duitsers. De vier die in december zijn
vrijgelaten staan er niet op, de foto is van
een latere datum).
Sake zien we
hier op de tweede rij van onderen en dan
de tweede van links.
Er
is ook een foto van mij in het
verzetsmuseum, want de meesten hebben het
nooit geweten, dat we daar gevangen zaten
Het was net een familie zeg maar. En daar
kwam die wereldoorlog extra achteraan. Dan
werd het gewoon vergeten, en daarna kreeg je
die politionele acties in Indië, de Spaanse
Burgeroorlog kwam helemaal op de
achtergrond.
Het was trouwens gek. Ik
vertelde van die witrus, Alex, dat hij ons
heeft ondervraagd toen wij gevangen genomen
waren. Want hij was zelf ook gevangene, maar
dat kwam die Spanjaarden goed uit, want die
kenden helemaal geen taal. Maar ze
vertrouwden hem wel, hij had een betrekking,
met eten en drinken, en al die dingen meer.
Dat heb je in de kampen. Ik heb het niet
gedaan. Dan moet je zien dat je een baantje
krijgt, want dat is een wereld apart. Als je
een baantje hebt, dan kreeg je wat meer
eten, een extra schep. Dan kon je weer een
beetje omruilen voor een beetje tabak met de
soldaten of iets dergelijks, of met iemand
die niet rookte. Dat beetje tabak kon je
weer ruilen met een stuk brood of iets
dergelijks. Zo ging dat allemaal. Dat had je
in de kampen, allemaal baantjesgasten. Alex
heeft samen met zijn maat, een Cubaan,
geprobeerd te ontsnappen. Toen zijn ze
gegrepen. Maar ze liepen ook vrij rond hoor.
Ik weet niet of hij een communist was, ik
heb hem niet goed gekend. Maar ik weet wel
dat hij erbij was toen die vrij kwamen met
nog een stuk of drie. De zoon van Seegers is
toen naar Australië gegaan, hij heeft niet
meer gevochten in de Irene Brigade. Nee,hij
werd toen op de koopvaardij kanonnier. Arie
Miel was een beetje een vadertype, hij was
veel ouder. Hij staat ook op de foto,
Seegers was misschien twintig jaar,een jonge
jongen.
Ze zijn niet allemaal naar de
Irene Brigade gegaan, er kwamen er ook een
paar bij de marine. Verboven was bij de
marine, en bij de luchtdienst ook een paar.
Later zijn we met een hele groep op een
troepenschip uit Canada, vanuit Halifax naar
Liverpool gereisd zonder konvooi langs de
noordelijke routen. We werden eerst met de
boot uit Spanje naar Trinidad gebracht. We
kregen toestemming om in Trinidad van boord
te gaan. We hebben een week of 6/7 in
Trinidad gezeten. Maar in Canada had ik een
paspoort en was Nederlander en de
Nederlandse Regering kon alle Nederlanders
oproepen om in dienst te treden .Waar ze ook
zaten. De Nederlanders waren allemaal
kooplui. Zij zaten in Zuid-Afrika en in
Amerika. En dan hoefden ze niet op te komen
voor dat land. Amerika was in oorlog,
Zuid-Afrika zat met Engeland in de oorlog.
Dus de heren konden genoeg geld verdienen in
die landen, want de Nederlandse Regering
liet hen gaan. Maar in 1942 werden er wetten
aangenomen, dat Nederlanders in het
buitenland ook in militaire dienst moesten.
In Nederlandse militaire dienst of ze
moesten in dienst gaan van het land waar ze
woonden. De Zuid-Afrikanen en Amerikanen
kwamen naar dat trainingskamp en werden
klaargestoomd.
Toen ik in
Engeland kwam, kreeg ik problemen met
het Nederlanderschap. Ik was achtergebleven
in dat opleidingskamp in Engeland. En andere
jongens gingen naar de marine en de
luchtmacht. Ik ben ik in dat kamp gebleven
en kwamen ze om mijn paspoort. Er was er nog
eentje Roselle, en die Rooie Leusden, wij
met ze drieën. En we wilden niet bijtekenen.
Wij waren allebei Korporaal en hij was
sergeant, hij had vroeger in het koloniale
leger gezeten. We zeiden, we hoeven niet te
tekenen, we zijn Nederlander, we hebben toch
een paspoort. Maar het was dit of dat.
Hebben we nog een tijdje in een hotel
gezeten in Londen.
En
toen kregen we bericht: we moesten wel in
dienst. We hadden het Nederlanderschap wel
verloren, maar omdat we zoveel maanden in
dat land geweest waren, kan dat land je
verplichten om dienst te nemen. Kwamen ze
daar mee voor de dag. Je was niet stateloos
Je was het Nederlanderschap kwijt, en dat is
een heel groot verschil.
Toen ben ik weer
naar de marine gegaan. Want ik was vroeger
van de marine geweest, voor mijn nummer. En
toen heb ik 8/9 maanden op het hoofdkwartier
gezeten. Op het laatst van de oorlog was het
ook prachtig daar. In Londen aan het eind
van Oxfordstreet. Ik heb dat een tijdje
gedaan. We hadden er schuilkelders en die
moest ik schoonhouden. Als er nood was, dan
konden de officieren daar slapen. Dat was in
een C&A gebouw. Daar zat het Nederlandse
Marine Hoofdkwartier. Bij Hydepark. Dat was
een goed leven. En in juni of juli 1946 ben
ik afgezwaaid. Tot 1946 heb ik op het
Hoofdkwartier gezeten. In augustus 1945 ging
ik voor het eerst met verlof naar Nederland.
Mijn neven
waren toen goed op de hoogte, zij waren
allebei lid van de CPN. Zij zaten dan ook
bij de Rode Hulp. We hebben wel Duitsers
gehad hier, die hielpen we dan aan adressen
naar Amsterdam toe, daar zaten die neven ook
bij, ik ben er ook lid van geweest. Van de
IRH. Maar die mensen gingen meestal naar
andere steden toe. Want hier had je ze niet.
Wel voor een dag. Dat werd geregeld door een
hoofdkantoor in Amsterdam, de belangrijke
personen in lemmer. Dat was dan
Gemeenteraadslid Jacob de Rook. En wat
kennissen, die ook partijlid waren. En dan
brachten ze ze verder weg. Er was hier wel
een groepje van de IRH. Er was een hele
vereniging. Overal had je die zitten. Voor
de contributie die betaald moest worden, je
kon geven wat je kon missen, kwamen ze elke
week langs, die gaf je dan vijf centen en
die gaf je drie centen. Dat deden ook
partijleden van de CPN. De SDAP deed vroeger
niet zoveel. Wat heeft Koos Vorrink nou
gedaan in de oorlog. Dan werden ze een keer
gearresteerd en liepen ze zo weer vrij. Daar
hadden mijn neven geen belangrijke rol in.
Een neef is later nog gemeenteraadslid
geweest, na de oorlog, hij is een paar jaar
geleden overleden. Hij is toen in de plaats
van Jacob de Rook gekomen. Nu zitten er twee
in. De CPN heeft in de oorlog veel gedaan.
Luns is enige tijd lid geweest van de NSB en
De Quay heeft nogal bedenkelijke kontakten
gehad in de tweede Wereldoorlog. Stoker
heeft daar in de volkskrant recentelijk
overgeschreven.
Ik kwam steeds
weer bij de Hollandse Compagnie terecht, het
was een onderdeel van het Edgar André
bataljon. Op het laatst toen ik er weer
kwam, werd ik gevangen genomen. Toen zat ik
bij Hollandse Piet. Ik wil hem niet te hard
aanvallen. Want daar liep het ook allemaal
weer fout. We moesten ’s nachts terug en de
artillerie schoot nog iedere keer op ons, de
hele nacht door. Toen zijn we 6/7 uur
doorgesjokt. Nou we zijn er door hoor. We
kunnen een sigaret op steken. We gaan ook
maar even liggen. Ik lag achteraan, want ze
liepen allemaal voorop. Als je van het front
afgaat, dan moeten ze allemaal vóór wezen,
en als je naar het front toe gaat, dan lopen
ze allemaal achter. Afijn, ik lag achter met
een stuk of wat meer. En we werden ′s
morgens wakker en toen was Hollandse Piet
met zijn maten weg. Er was een melder bij
ons geweest, dat we verder moesten, maar die
had ons nooit wakker gemaakt. In plaats dat
hij ons nou wakker had geschud. Nou ja, die
melder heeft bevel gekregen van hogerhand
misschien om dat niet te doen. En zodoende
ging het niet door. Ik denk we daar met zo′n
vijfhonderd man zaten, in het kamp in
Belchite. En alles bij elkaar, Engelsen,
Duitsers, Scandinaviërs, Joegoslaven,
Bulgaren. Alles werd bij elkaar gegaard en
naar Belchite gebracht. Er waren nog twee
Ieren bij. Maar zij zijn later ook
weggehaald, nooit meer wat van gehoord. En
Engelsen, daar heb ik het eerst het vloeken
van geleerd.
In dit kamp heb
ik een tyfusaanval gehad, maar dat kwam door
dat schampschot. Ik weet nog hoe ik dat
schampschot heb gekregen. Dat was bij
Belchite in de buurt, in Valladolid in
Valencia, je voelt het eigenlijk niet eens.
Want die Scheerboom kreeg een schot door de
helm, en hij schreeuwde zo: ik leef nog, ik
leef nog. Die staat ook op de foto. Hij
heeft nog een week in het ziekenhuis
gelegen, in het hospitaal, maar die was zo
blij, dat hij nog leefde. Maar ik ben dus
blind geworden aan mijn rechteroog,
Het is raar dat ik niet afgekeurd ben voor
het leger, maar daar kunnen ze alles
gebruiken in de oorlog. Want het is moeilijk
schieten met één oog. Ineens moest ik links
schieten. En met een brengun kon je niet
schieten, want dat was rechtshandig. Ik
moest links schieten en toch kon ik het
goed. Want in Guelp moesten we prijsschieten
en toen bleef ik met de sergeant over, ik
won het nog net van hem. Ik ben rechtshandig
en later had ik er ook last mee met
biljarten. Ik kon nooit meer biljarten. Het
is lastig. Het is alweer 44 jaar geleden. Op
het laatst went het, vanzelf, maar in het
begin ben je er helemaal mee aan. Dan durf
je niet eens over de greppel te stappen,je
kunt de afstand niet bepalen. Maar anders
heb ik er weinig last van gehad. Ook met
zien. De laatste jaren heb ik een leesbril
maar ik heb anders nooit een bril op gehad.
De nachtblindheid ging over. Op Curaçao had
ik het nog, want daar botste ik ’s avonds
tegen iedereen aan. Heel langzaam is het
weggetrokken. Ik moest veel melk drinken en
vitamine B gebruiken.
Er was daar geen
hospitaal, maar een oud zaaltje, één dokter
was niet eens dokter, hij was misschien
hoofdverpleger, maar dat was onze dokter.
Een paar Polen waren er ook, die bij ons
gevangen waren. En je had een zaaltje waar
je lag. Diarree, daar had je het meest last
van. Als je het dan erg had, dan kreeg je
een beetje warme melk in dat zaaltje en
puree zeg maar. Maar andere medicijnen had
je niet. Je moest gewoon uitzieken en je
weerstand moest goed wezen. Je moest gezond
wezen. Je kon wel ziek worden, maar als het
uit een gezond lichaam vandaan kwam dan kwam
je misschien wel gezond terug. Maar er waren
mensen die waren ziekelijk, die oude
Duitsers gingen ook allemaal dood. Ik weet
nu ik zelf oud ben, dat de weerstand kleiner
is dan als dat je jong bent. Maar ik wist
wel dat ik er uit zou komen. Daar ben je
jong voor. Je wilt eruit, je komt eruit. En
toen kreeg ik het bericht dat mijn moeder
overleden was, toen heb ik het een tijdje
erg moeilijk gehad.
In het kamp kreeg
ik een brief. Het was net voor de Duitsers
kwamen, in februari 1940. Toen heb ik het
even heel slecht gehad. Ik geloof dat het
toen zo′n beetje gekomen is, dat het me niet
zoveel meer kon schelen, want het scheelt
wel hoor als je vecht voor je leven of dat
je je overgeeft. Tenminste als je jong bent.
Als je ouder bent dan geef je eerder toe,
dan denk je, vooruit ik heb lang genoeg
geleefd.
We kregen in 1940
regelmatig brieven van thuis, wel
gecensureerd, maar ja dat was niet zo erg.
We kregen geen geld meer. Maar dan kregen we
wel een hoop postzegels. Postzegels in
Spanje, dat is net zo goed als geld. Eerst
kregen we geld, een postwissel, dat hebben
we een paar keer gehad, maar ja de Duitsers
kregen nooit wat. Dus toen hebben we het
maar gedeeld. Want op het laatst kwam het
toch ook weer van je eigen kameraden uit
Holland vandaan, daar had je mee aan het
front gelegen, en dan verdeelde je dat geld
onder elkaar. In Lemmer hebben ze voor ons
ook wel geld opgehaald, mijn broer ook wel
en de familie. Maar ja, dat was meer voor
solidariteit. Voor allen die daar gevangen
zaten, niet alleen voor mezelf. En dat
hebben we toen gedaan. En dan konden zij ook
een broodje kopen van de soldaten of iets
dergelijks. De soldaten hadden altijd wel
handel, het mocht niet, maar die moesten ook
weer bijverdienen. Die hadden ook niks. Dan
pakte ze er wel eens een, en dit is echt
Spaans, dan moest die mee te werken en dan
kreeg hij een zakje zand op zijn rug van een
kilo of 10/15. Daar moest hij dan de hele
dag mee sjouwen en met ons mee de
steengroeve in. Maar ze waren zo gehaaid,
die andere soldaten hielpen ook altijd, dan
deden ze er stro in, zand er op, dan hadden
ze er geen erg in. Zo primitief daar. Je
moet dat gezien hebben. Zo′n Alfero, zo
noemden ze dat, zo′n vaandrig. Dat was al
een oudere man. Die vent was zeker gek. Dat
die soldaten op hun sodemieter kregen met
een stok, terwijl wij erbij stonden. Spaanse
soldaten die van hun officier op hun donder
kregen. Hoe bestaat het. Dan hadden ze er
weer een betrapt die met ons gehandeld had.
En dan is het na een paar dagen zo maar weer
afgelopen, dat heb je met die Spanjaarden.
Vol vuur en dan in ene is het weer dove
kool, zeg maar.
Ik kreeg in het kamp door, dat het een
verloren strijd was voor de republiek. Je
wist het wel, dat je het zwaar had, maar
vooruit maar. Maar in het kamp…..De Duitsers
zeiden, we kunnen de oorlog niet verliezen,
want als we de oorlog verliezen, is alles
naar de bliksem. Dat laten de Russen niet
toe. Wij zeiden, we zullen wel zien. Want
de democratieën
hielden zich afzijdig, Frankrijk, Engeland,
Amerika. En de Russen wilden er ook niet zo
ver inlopen, want dan hadden ze het hele
zaakje op hun donder gekregen. Dat zagen wij
wel,maar daar konden de Duitsers niet bij,
dat het zo zou lopen, dat de hele republiek
de oorlog verliezen zou, maar ja het kon
niet anders, dat is heel gewoon, dat is de
geschiedenis.
Dus in de oorlog
was het in de Marine ongeveer hetzelfde als
in de Internationale Brigade. In de oorlog
had je niet veel last, ging je ook met de
kwartiermeester of korporaal of sergeant
gewoon om met elkaar, ook als je de wal
opging. Dan kwam je er soms een tegen in het
café, die ook een glaasje bier dronk, dat
was heel gewoon in de oorlog. Toen de oorlog
over was begon het alweer, want er moet
rangverschil wezen. Kijk eens, discipline
moet je opbouwen. Dat kun je niet met grote
dingen doen, dat doe je met kleine dingen.
Als je iemand tegenkomt, dan zeg je, kun je
niet groeten. Laten zien dat je meerdere
bent, dat je zegt, dat hij dat moet doen.
Maar in de oorlog, dan waren er allemaal
oudere jongens, die er zaten, en je kende
elkaar. Jan, Piet, Klaas. Maar die jongens
van 19 jaar, die snotneuzen, en je geeft ze
de vrije hand, dan komt er helemaal niets
van terecht. Die zitten je gewoon een beetje
in de maling te nemen. En daar moet de
discipline opgebouwd worden. Van zo lopen,
en linksom, en rechtsom, en recht uit. Petje
recht.
In de
Internationale Brigades zaten ook allemaal
ouderen. Nou, Piet (Seegers) was de jongste
toen, maar voor de rest waren ze ook
allemaal 25/26. Niet zulke heel jonge
jongens waren daar. En de Duitse emigranten
helemaal, dat waren ouderen. Dat kun je
nagaan, de intellectuelen waren ook allemaal
ouder, de schrijvers, die er geweest zijn.
Zij waren ook al boven de 30. Dokters en
alles meer. Er waren wel jongeren, maar die
waren er meer voor het avontuur. Als je
ouder bent, heb je meer een overtuiging. Er
waren er velen, die tussen de 20 en 30 waren
en wel over de 30. Dus daar kun je meer mee
bereiken, dan hoef je niet zo′n zware
discipline als met die jonge jongens op te
bouwen. Graham Greene is ook in Spanje
geweest. Later heb je weer andere dingen aan
het hoofd, het leven gaat verder. Als je dat
meegemaakt hebt, heb je geen zin om er over
op te scheppen, zo van ik heb dat en dat
gedaan, vind je me nou geen held. Dan zijn
er soms mensen, dan vragen ze dit en dat.
Dan denk je, ik heb gedaan wat ik moest
doen, wat ik wilde doen, dat is dat. En niet
er over opscheppen.
Nog iets over
mijn nationaliteit. Ik heb papieren laten
zien, dat ik in 1947 of in 1948, 1948 was
het geloof ik, mijn nationaliteit
terugkreeg. Ik kreeg het automatisch terug.
Dat ding ben ik kwijtgeraakt, een diploma
van trouw en waardig het vaderland gediend
te hebben, heb ik ook nog met zo′n speldje.
Ben ik allemaal kwijtgeraakt. Hootse, die
hier op de foto staat, stond er ook op,
datzelfde lijstje, dat uittreksel dan. Dat
was van de Marine Luchtvaartdienst en er
waren meer namen, die ik niet ken. Wie ik
ken is Arie Hootse, maar de anderen, die ook
gevangen hebben gezeten, die ook in dienst
geweest zijn, die staan er niet op.
Misschien later of daarvoor. Ik dacht
daarna. Want Hootse is later nog mee naar
Indië gegaan, in 1948 al. De eerste
politionele actie was al in 1946/1947. Jan
Jetten heb ik in Miranda de Ebro ontmoet,
hij was van een schip opgepikt. Hij was
onderweg van Frankrijk naar Spanje (Bilbao)
om zich bij de Republiek aan te sluiten. Hij
is toen gevangen genomen en heeft enkele
jaren in Spaanse gevangenissen gezeten, tot
dat hij naar Miranda de Ebro overgebracht
werd, een grote vent was het.
Je reageert er
allemaal verschillend op. Het gaat om je
leven. Dat is het nu juist. Dat is heel wat
anders dan dat je er bent voor een oefening.
Het is met scherp. En dan kun je soms heel
eigenaardig reageren. Want ook als die
vliegtuigen boven je komen mitrailleren, dan
moet je ook liggen blijven en meedraaien.
Maar sommigen hebben teveel angst en kunnen
dat niet. Dat leer je ook allemaal, allemaal
meedraaien. Daar komt dat vliegtuig weer
aan. Dan doe je het soms in je broek. Want
hij duikt op je. Veel cavalerie was er niet
meer aan onze kant. Ik heb wel eens een duik
moeten doen, en toen het over was lag er een
lijk voor me. Je ziet het niet, je denkt
wegwezen en als het over is, dan denk je
verrek wat is dat. Ja, ik heb het wel vaker
gehad, in een hoop rotzooi duik je dan, uit
die vrachtwagens vandaan; dan komt dat
vliegtuig er nog aan en dan met een rotgang
wegduiken, je ziet alleen, dat je gedekt
bent en dan lig je soms in een hoop rotzooi.
Dat ruik je later, als het afgelopen is.
Zoveel Piet Heinen heb je niet hoor.
En dan weer terug
naar een ander front, je kreeg zoveel
fronten. Van het ene naar het andere. Het
ging steeds maar door. Het was een
Blitzkrieg bij wijze van spreken. Moest je
daar heen, daar heen, en daar heen. Je moest
een fascistenoffensief opvangen of je moest
er een inzetten en dat duurde maar een 3/4
dagen en dan moest je weer ergens anders
heen en dan moesten er weer andere mannen
bijkomen. Je nog even scheren en dan ging je
weer. Maar ja, je dacht dat elke oorlog zo
was, je had nog nooit een oorlog meegemaakt,
je wist ook niet beter. En later hoorde je
die verhalen zoals met de Duitsers. Dat zijn
ook meestal dezelfde bataljons en brigades,
die een offensief moesten inzetten. Dat zijn
de besten bij wijze van spreken. Of die
zetten ze in om een doorbraak te krijgen,
dat heb je in elke oorlog. Je helm was je
hoofd kussen. Je hebt er van binnen leer in
zitten, zúlke dikke dingen zitten erin. Dan
kan het wel schelen met schampschoten dat de
gang eruit is van de kogel. Dat die een
beetje afwijkt. Want het is meestal bedoeld
voor bombardementen, als puin en materiaal
door de lucht vliegt. Maar kogels houden ze
niet tegen.
Als je een beetje
rust had, moest je je geweer schoonmaken en dat
goed nakijken, want dat is dan zogenaamd je
beste vriend, en wat kogels ophalen en wat
handgranaten erbij. En koffie halen. Dan had je
wel eens cognac door de koffie heen, tenminste
‘s morgens vroeg als het koud was. Dat moest je
allemaal weer van achter het front vandaan halen
en naar voren brengen. De koffie ook, je had van
die tonnetjes, daar kon je een stok door steken
en dan op je rug met twee man. Je had een deken
erbij hangen met brood er in. Soms sigaretten
als die er waren, meestal tabak, en wel eens een
doosje marmelade. Dat moest allemaal ’s morgens
en ’s avonds gebeuren, in het donker. Want
overdag schoten ze weer en er werden geen
politieke praatjes gehouden op dat soort
momenten.

Vaccinatie
bewijs van Sake.
In juli 1942 zijn we
vrijgelaten, dat is een heel end hoor als je
jong bent, honger, honger, en honger..... ik heb
twee jaar in een steengroeve gewerkt. Het is
natuurlijk ook zo, het Spaanse volk moest ook
honger lijden, want er was niks, het land was
vernield door vier jaar burgeroorlog. Men kon
zich wel redden op het platteland, maar in de
steden zagen de mensen ook zwart van de honger.
En wij waren de laatsten, die van dat kleine
beetje wat kregen, je ging dood van de honger,
altijd maar honger. En dan zo mager worden dat
er ziektes kwamen.
In 1942 kwam bij ons in het
trainingskamp een jongen uit de Verenigde
Staten. Hij
was in de twintiger
jaren op 4-jarige leeftijd met zijn ouders uit
het Friese Oppenhuizen naar Californië
geëmigreerd. In 1942 werden alle in het
buitenland woonachtige Nederlanders opgeroepen,
om dienst te doen in de strijd tegen de
Duitsers. Zo kwam die jongen uit Californië bij
ons terecht. Hij sprak geen Nederlands, maar wel
Fries, en Engels. Nederlands had hij nooit
geleerd. Jan Cnossen heete hij, vier jaar
geleden, in 1980, heeft hij me nog in Lemmer
opgezocht. Via mensen bij de brug in het centrum
heeft hij me in Lemmer kunnen vinden.
Na
mijn tijd in Engeland, toen ik in 1946 weer in
Nederland was, stond ik als oud –Spanje strijder
raar te kijken dat er niet veel naar gevraagd
werd. Je kwam in matrozenkleren terug uit deze
oorlog, dat was alles. Die burgeroorlog was meer
op de achtergrond geraakt. Nu is er door
opkomend fascisme weer meer aandacht voor. Toen
ben ik weer begonnen te vissen en te varen en
was ik intussen getrouwd met een Engelse vrouw,
Nellie. Sinds 1942 woonden we al samen en ik ben
in 1947/1948 met haar getrouwd. Voor die tijd
kon ze alleen op een vakantiepasje naar
Nederland komen en moest ze om de zoveel maanden
weer terug naar Engeland. Ik ben rond 1952 in
Engeland gaan wonen tot 1964, toen is mijn vrouw
overleden.
Sake zijn vrouw Nellie.
Toen ben ik weer
hierheen gekomen. Ik heb tot 1952 in Sneek
gewoond, en ik heb in de werkverschaffing
gezeten, ook toen was er werkloosheid in
Nederland. En later in de visserij en heb ik
ook los werk gedaan. Vanaf 1952 heb ik in
Engeland afwisselend aan de wal gewerkt en
op zee. In 1964 ben ik weer naar Nederland
gekomen. Ik hertrouwde eind 1965 met Jeltje,
Jeltje overleed in 1973, En toen heb ik in
het baggerwerk gezeten. In 1974 kwam ik op
64 jarige leef tijd in de WAO terecht.
Sake zijn
vrouw Jeltje.
In Engeland werden
oud-Spanjestrijders heel anders bekeken, er zijn
er daar natruurlijk meer van. Voor de
wereldoorlog uitbrak zijn er vijf bij ons uit
het kamp vandaan gekomen en daar was Alex ook
bij, en hij is later getrouwd met een dochter
van Seegers, gemeenteraadslid van de
communistische partij . Maar zij waren daar in
Engeland, en als helden werden ze vereerd. Met
de Engelse boot uit Barcelona vandaan en zo naar
Engeland toe. Want toen wij in Engeland
aankwamen, had je dat bureau er ook nog van de
Internationale Brigade, hebben we nog geld
gekregen om schoenen te kopen en om een keer uit
te gaan, ging allemaal van de Internationale
Brigade in Engeland uit. Maar hier….
Sake
vertelde nog dat hij na de oorlog heeft
geprobeerd te emigreren met zijn vrouw. Hij
woonde toen in Sneek. De Australische
immigratiedienst accepteerde wel een andere man,
die in de oorlog voor de Duitsers aan de
Atlantikwall gewerkt had. Sake en zijn vrouw
werden afgewezen. Hij had een levensloop moeten
schrijven. En waarschijnlijk is zijn Spanjetijd
aanleiding geweest voor de immigratie dienst om
hem af te wijzen. Hij had zijn huisraad al bijna
verkocht, dat was in 1952.
In
1953 is het toch gelukt en vestigde het paar
zich in Zuid-Engeland. Om de benarde
oorlogssituaties kon hij wel lachen, de
opgewekte Lemster die uit principe in Spanje
vocht, genoot van zijn welverdiende
gepensioneerde rust in zijn geboorteplaats
Lemmer.
Sake Visser is
op 17 februari 1996 overleden.
Wij gedenken hem als een heerlijke en moedige man.
Sake Visser :
"Ingelse Sake"
en "de Stryder"

We beëindigen het verhaal van Sake met een
mooi eerbetoon van Rinze Visser uit Lemmer.
| 1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
|
|
|