|
Energie...Leven...Vrijheid...
Sake
Visser en de Spaanse burgeroorlog, soldaat in
Spanje.
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
Maar we gingen
eerst naar Albacete en daar werd je gekeurd en
er werd gevraagd of je militaire dienst had
gehad en daar houden ze dan rekening mee, hoe
eerder je naar het front kon. En als ze aan het
front of in Albacete schreeuwden, er moeten een
paar sanitaters komen, dan verhuizen ze je. En
dan ga je mee... maar anders nee. Je hoefde er
ook geen opleiding voor te hebben, want je heb
ze maar gewoon op te pakken en op een brancard
te gooien en zo snel mogelijk weer naar de
ambulance te brengen. Ik had het ook niet
gewild, iets anders dan in het leger gaan, ik
was bij de infanterie. Zit je op een tank dan
moet je een specialist wezen.
Er was een groot
verschil tussen het Nederlandse leger en het
Spaanse leger, als het om discipline ging. Het
Nederlandse leger was weer heel anders toen ik
in de Irene Brigade kwam, dan in vredestijd. Als
je 18 of 19 jaar bent en je hebt die oude
sergeanten, dan zijn zij de baas en jij bent de
rekruut. Maar in de oorlog is dat weer heel
anders, dan kom je een oudere lichting tegen en
dan waren de jongens de dienstplichtige
sergeanten, dan is de discipline ook niet zo
groot. Dan ga je ook gewoon met elkaar om. Vlak
na de oorlog werd het groeten bij de marine weer
strenger verplicht en nette kleding etc.
In Spanje had je
dat ook niet, je had officieren en dat was het,
dat moet toch iemand wezen. Maar vroeger hier in
Nederland, die officieren kwamen uit een heel
andere klasse vandaan. En dat was in Spanje
minder. Er waren mensen divisiecommandant die in
het dagelijks leven dokter of leraar of zoiets
waren want er was helemaal geen kader. De
republiek niet, want dat was allemaal
overgelopen naar Franco. Dus je had er
officieren die waren ook gewoon soldaat en dan
werden ze ook gewoon officier. Als je meer
ervaring had en je was niet bang dan kon je
officier worden. Dat noemen ze dan
frontofficier. Maar zoals ze het hier doen, kun
je geen leger opbouwen. Ze maken van een voorman
een soldaat en van een kantoorklerk een
officier.
Een voorman heeft
veel meer gezag dan iemand die de hele dag
postzegels plakt, ondanks dat de voorman
misschien minder geschoold is. Een heel
verkeerde opbouw van het leger is dat. En in
Spanje was het juist andersom, daar werd er naar
kwaliteit gezien, maar hier in Holland werd
alleen naar school gezien. Een graad had ik
niet, ik had gewoon lagere school. Ik ben nog
tegen officier aan geweest. Ik was ook niet zo
bang en ik had al een tijdje meegelopen.
Korporaal of sergeant had je daar niet zo. In de
Irene Brigade ben ik nog korporaal geweest. Daar
lopen ze niet zoveel met strepen en sterren.
Tenminste aan de fronten niet, daar heb je niks
aan.
Kijk eens, we
hebben ook een tijd gehad dat de officieren geen
geweer hadden maar een revolver. En dan zie je
dat er een hoop verongelukken. Want dan schieten
ze eerst op de leiding. Daar zijn ze gauw van
afgestapt. Toen moesten officieren ook geweren
dragen en gewoon gekleed gaan. Ik weet niet hoe
die man liep in het dorp hoor, als hij thuis was
met verlof, dat weet ik niet, maar aan het front
had je dat niet. Daar kom je achter als je aan
het front bent.
Ik had wel een
groep onder mijn hoede. Ze kwamen wel eens
vragen, let jij eens op die mensen. Dan maakten
we wel mee dat we vuur kregen en dan wilden ze
meteen vluchten. Die Spanjaarden helemaal. Dan
moest je op hen schieten om ze weer terug te
krijgen. Dan lieten ze zo alles in de steek. Ja
jonge jongens van een jaar of 17 of 18 en zomaar
in paniek hè, dat was ook toen we gevangen
werden genomen. Als ik alleen geweest was dan
had ik er misschien doorgekomen, maar dan lopen
ze je allemaal achterna…. Op een gegeven moment
is de Hollandse Compagnie opgericht. Daar ben ik
ook in geweest. Ja ook in tranen was je bij die
Hollanders onder elkaar. En dan werd je naar het
front gestuurd, naar de brigade en de
compagnie.
Met de Hollandse
Compagnie moest je wel eens terugtrekken, en dan
moesten we maar weer zien dat we ergens terecht
kwamen. Je kwam dan wel eens bij een Duitse
compagnie terecht en bij de Thälmann,
Oostenrijkers. Maar dan ging je gewoon met
elkaar om, daar was de compagniescommandant
meestal een kapitein hoor. De divisiecommandant
of brigadecommandant maakt de dienst uit, de
strategie. Daar heb je als frontsoldaat heel
weinig mee uit te staan, je weet niet eens, wie
er naast je ligt. Alleen de bevelen komen van
achter, en dan komen ze bij je vragen of je wilt
verkennen of weer aanvallen. Alles is
geïnspecteerd en ze zijn naar voren geweest en
vertelden dan bijvoorbeeld: het is een licht
frontje en daar kan je zo wel doorheen en straks
krijgen jullie eten en sigaretten en dat moet je
maar delen met de anderen.
Maar dan was het geen licht
frontje, en vielen er een hoop doden, maar ik
bedoel, dat is op jouw lengte. Wat er nou rechts
en verder links van je gebeurde…. En dan lagen
er weer Spaanse brigades. Daar braken ze meestal
door en dan moesten wij weer terug en dan was er
weer kans, dat ze je afsloten. En dan moest jij
maar weer proberen om daar door te komen. Zo’n
25/30 kilometer. Zij hadden dan de wegen en dat
is Blitzkrieg, dat hadden ze zeker van de
Duitsers geleerd. Want er zaten ook een hoop
Duitsers van Hitlerkant zeg maar. Die wegen
hoefde je maar te krijgen en dan weg.
Maar wat er dan links en
rechts verderop gebeurde, dat wist je niet. Je
was maar een klein deeltje in het geheel. Zo zal
elk leger wel opgebouwd zijn. Nou ja, ik heb wel
eens onlogische bevelen gehad en dan zei ik,
wat weet je er zelf vanaf. Je dacht dan laat hij
het zelf maar doen en dan hing je er een beetje
omheen. Maar het lag ook wel een beetje aan je
eigen initiatief, wat je moest doen, je moest
ook het gevaar voelen. Want in de nacht zien kun
je niet, maar je moet toch voelen, dat er iets
aan de hand is, en dat krijg je als je lang aan
het front ligt. Dan voel je dat en dan weet je
dat en dan houd je er rekening mee. Op een keer
waren we in de middag aan het front gekomen.
Dat was bij
Teruel in de buurt of meer bij de Ebro. Toen
kregen we ′s morgens vroeg al een aanval. Kwamen
de fascisten opzetten. Op het laatst hadden we
geen munitie meer. Terwijl ik terugging naar het
hoofdkwartier van de brigade, een eind verderop,
werd ik beschoten. Bij het hoofdkwartier kreeg
ik twee ezels met munitie mee, maar ik werd weer
beschoten en de ezels sloegen op de vlucht, dus
toen ging het weer terug naar het hoofdkwartier.
Het was veel
in beweging. Met patrouille lopen kwamen we om
de hoek van een berg een fascistische patrouille
tegen en we schrokken ons allemaal dood. Zij net
als wij schieten en holden we op het laatst
terug naar de compagnie en zijn we
teruggetrokken. We hebben wel een halve dag
gelopen. Maar die fascisten hadden allemaal
offensieven ingezet; je was meestal in de
verdediging om die offensieven weer op vangen.
En als het stilgelegd was dan moest de
Internationale Brigade daar weer naar toe. En zo
ging dat maar door, we wisten niet eens wat voor
dag het was. En dan maar weer lopen of op de
vrachtwagens. Maar ja, die strijd stond er
hopeloos voor.
Toen ik
gevangen zat, kreeg ik in de gaten dat het een
verloren zaak was. En de Duitsers wilden het
niet geloven. Maar je kon het zien. Engeland en
Frankrijk deden er niets tegen, en de Duitsers
en de Italianen zetten alles op alles om hun
materieel uit te proberen. Want er waren wel
twintig- tot veertigduizend Italianen die daar
vochten, hele divisies. De Duitsers hadden meer
specialisten, de staf en de vliegtuigen. Ik heb
wel eens meegemaakt dat er Duitsers en Italianen
krijgsgevangen werden gemaakt en dan hadden de
Italianen de schoenen al uit om hard te lopen.
Italianen zijn zulke soldaten. Wijn en vrouwen
daar zijn ze gek op. Maar soldaten zijn het
niet. Maar dat wil nou ook niet zeggen dat je
slecht bent, zoals de Duitsers. De Duitsers zijn
de soldaten bij wijze van spreken, ja wij waren
niets minder daar gaat het niet om, maar de
Duitser is toch de militair. Maar de Italianen
zijn dat niet, dat kun je nog zien, deze
wereldoorlog ook, dat stelde niet veel voor.
Er was ook een politiek
commissaris bij het bataljon. Zijn taak was om
de mannen een riem onder het hart te steken. Met
propaganda. Maar verder was het een bijeen
geraapt zootje, de Internationale Brigade. Als
je nou die elitetroepen neemt, die deden dat
anders, zoals de Russen dat ook hebben. Maar
hier kwamen de mensen overal vandaan, het was
heel iets anders dan dat je een leger opgebouwd
hebt met rekruten die zoveel jaar gediend
hebben. Dit waren ook mensen die nergens iets
vanaf wisten. Een hoop intellectuelen zaten er
tussen, verschillende Engelse schrijvers ook, de
Amerikanen waren ook ontwikkelde mensen. Maar de
politiek commissaris was ook een soort
vraagbaak. Die kon je wel eens wat vragen, maar
wat had je te vragen. Het was meer om de
discipline erin te houden en moed in te spreken.
Ik had zelf
een geweer en een bajonet en handgranaten, dat
hing allemaal aan je riem. Daar sliep je ook
mee, een deken over je heen en dan lag je op die
harde grond en je sliep ook, je was jong. De
eerste weken niet. Alles deed je pijn van het op
de grond slapen en koud dat je het had. Later
ging dat allemaal over, dan heb je de helm onder
je hoofd en daar slaap je op en is de grond ook
niet zo hard meer. Als je een gezond persoon
bent, dan went het snel. Als het erg koud was,
hebben we wel met drie man met de dekens in de
lengte over ons heen gelegen. En dan probeerde
je in het midden te komen, dan had je het lekker
warm. Al die dingen moest je uitzoeken. We
moesten soms de sneeuw wegscheppen. Want ik heb
ook wel eens op sneeuw geslapen, maar dan word
je nat.
We zijn bij
Tereul geweest, maar we hebben daar niet
gevochten. We zijn gaan kijken hoe of het
kapotgeschoten was. We hebben ons daar
ingegraven, en we hebben de stellingen
overgenomen van de Spanjaarden. Dat waren
anarchistische brigades, die daar gevochten
hebben. Die stelling hadden zij op de fascisten
veroverd en die namen wij weer over. En toen
begonnen ze aan dat grote offensief en dat
zaaide uit en zijn wij weer teruggetrokken en
weggegaan. We werden afgelost door Spaanse
brigades en dan moesten wij weer ergens anders
heen om daar weer een offensief op te vangen en
zo ging dat maar door. En daarom had je zoveel
doden en gewonden onder de Internationale
Brigades, maar ja, daar was je vrijwilliger
voor, je ging daar heen voor een ideaal, voor
een andere maatschappij.
Je had een
hele grote kans dat je je eigen leven gaf, maar
dat weet je niet vooruit, je denkt altijd dat
jij het niet bent die sneuvelt en dat het die
ander is. Paniek sloeg soms toe, maar het is
beter om te blijven liggen, want als je begint
te lopen dan beginnen ze op je te vuren. En dan
maar schreeuwen: blijf dan liggen. Dan schoten
we zelf op hen, maar dan verraad je jezelf ook
nog. Maar ja, paniek, want het is ook moeilijk
om te blijven liggen terwijl je ze ziet dat ze
er aankomen. Dat is erg moeilijk. En als je er
niet tegen kunt, dan heb je dat. Maar ja, daarom
kunnen ze nog niet direct fusilleren, wat ze wel
eens doen in de oorlog, om een voorbeeld te
stellen. Wat heeft dat nou voor zin. Net zo goed
als dat er helden zijn, die zijn er ook niet.
Bij Belchite hebben we de stad zelf veroverd met
echte straatgevechten. En tanks erbij om er door
te komen. Maar ja dat was een oorlog dat er niet
zo′n miljoenenleger tegenover je stond. Het
waren meer plaatselijke gevechten vergeleken met
Russen met ruim 100 divisies in de wereldoorlog,
dat was heel anders. In Spanje in de
burgeroorlog was het veel dunner zeg maar. Het
zijn altijd dezelfde mensen, die het moesten
doen.
|
(De Internationale
Brigades hebben de fascisten voor
Madrid gestopt. Dat zo′n
Internationale Brigade, ik weet niet
hoeveel mensen het zijn geweest,
30.000 of 40.000, zo′n oorlog kunnen
beslissen, het evenwicht kunnen
herstellen. Je kunt wel nagaan, dat
het geen miljoenenleger was, maar
ja, juist meer plaatselijk werd de
burgerbevolking uitgemoord en
soldaten werden uitgemoord en was
het veel erger als een gewone
frontoorlog. Want er zijn een hoop
doden gevallen in de Spaanse
burgeroorlog). |
We hadden
geen contact met de Spaanse bevolking, wel met
de boeren in de plaatsen waar we lagen. Ze
braadden een lammetje voor ons met flessen wijn
erbij, we werden daar goed onthaald. In de
steden zelf kwam je nauwelijks. Toen ik in
Spanje aankwam, dacht ik dat er al oorlog was
geweest, zo bouwvallig waren die boerderijtjes
allemaal. Het was net een ruïne. Daar leefde de
boer met zijn vrouw. De vloer was van klei en
die moest met een bezem schoon worden gemaakt.
We konden er niet bij, dat mensen nog zo leefden
en het was dan ook geen wonder dat de mensen in
opstand kwamen en wilden vechten voor een betere
maatschappij.
Ze hadden
helemaal niks, en een middenstand had je ook
helemaal niet in Spanje. Het is er rijk of arm.
Hele kleine middenstand had je er. Daar spraken
we wel over met de boeren, die waren er ook
allemaal voor. Die zaten ook weer in een
coöperatie, tenminste daar helemaal aan het
Aragonfront. Ze waren heel goed voor ons, maar
later hebben ze het moeten betalen. Lerida was
nog een flinke plaats met goeie mensen. Daar
zaten de meeste Catalanen en streden de
anarchistische brigades. Na een jaar zullen ze
wel tegen de muur zijn gezet, toen de fascisten
kwamen. Bij Lerida was een doorbraak en raakten
ze 100 kilometer kwijt.

Medische
zorg aan het Aragon front, 1936.
Het geweer
wat ik had, was Russisch en ik had ook een
Russische bajonet. Met een bajonet vechten deed
je eigenlijk nooit. Je gooide eerder met
handgranaten. Man tegen man, dat komt haast niet
meer voor. Ik heb het wel eens meegemaakt. Het
geweer was goed. En later kregen we brenguns,
die ze daarna in de tweede wereldoorlog ook
gebruikt hebben. Dit is een machinegeweer, dat
je ook enkelschots kon zetten, wat het voordeel
had, dat de vijand de positie van een
machinegeweernest moeilijk kon opsporen. Gewone
mitrailleurs waren snel te herkennen omdat ze
alleen salvo ′s van meerdere schoten konden
geven. Ik heb zelf niet gewerkt met een
machinegeweer. Ik kreeg ook betaald, maar ja wat
moest je er mee doen. Als we wel eens naar een
boer gingen, dan zei je hier heb je een zootje
geld, geef ons maar wat wijn en maak een lam
voor ons klaar, maar uitgaan was er niet bij. En
je kwam ook niet voor het geld, je was geen
huursoldaat. Je was er naar toe gegaan om het
fascisme te verslaan en het was mooi dat ze je
wat gaven. Als je wel eens achter het front
kwam, dan werd je ontluisd en kon je douchen. En
je kleren in de stoom gooien en dan weer
aantrekken en dan kwamen de luizen er ook weer
bij. Ik heb veel last gehad van luizen, in het
kamp helemaal. Ik heb meer luizen gehad dan de
Nederlandse bank guldens. Miljarden. God o god,
ik zat onder de luizen. Schaamhaar en onder je
armen, het hoofd nog niet eens zozeer.
Aan het
front had ik ze ook, och ja er ligt een deken en
die neem je mee, die kan je weer gebruiken als
je aan het front bent. Want de jongens die
weggaan, die laten een zootje liggen, die wilden
dat niet allemaal meesjouwen, dan ben je blij
dat ze er liggen, en denk je, weer twee erbij,
lekker warm. Uit de kleren kom je niet, je had
geen pyjama′ s bij je. Op het laatst kom je
onder de luizen te zitten. In het kamp was het
helemaal verschrikkelijk. Alleen als je koorts
hebt dan voel je ze niet zo erg, dan doen ze
niks. Maar anders! Ik heb wel eens geprobeerd
mijn hemd uit te koken, maar na korte tijd zat
het hemd toch weer onder de luizen. Een andere
Hollander in het kamp, was Adriaan Thomas
uit Rotterdam. Hij kwam uit een gegoede familie
en had een universitaire opleiding achter de
rug. Zijn kameraden moesten hem helpen met het
bestrijden van de luizen, dat had hij thuis niet
geleerd. De anderen, afkomstig uit lagere
klassen, hadden ook meer ervaring met het
organiseren van voedsel. Ik was thuis een van de
oudsten en werd al jong aan het werk gezet.
Ik heb geen
contact gehouden met brigadisten, het was groot
en het is voorbij. Het komt nu weer naar boven
toe. Maar anders wordt er nooit over gesproken.
Als je zegt ik heb vier jaar gezeten, denken ze
dat je in de gevangenis hebt gezeten, en een
misdadiger bent. Nee, ik heb in Spanje gezeten.
Oh, dat is wat anders, en hoe is het gegaan en
hoe gaat het. Nou ja, als je het zelf niet
meegemaakt hebt, kun je het toch niet begrijpen.
Je kunt het wel proberen te begrijpen zoals je
een goed boek leest, dan leef je er ook helemaal
in mee. Het verlies van mijn eerste en tweede
vrouw zijn ook persoonlijke ervaringen, die voor
vreemden moeilijk te begrijpen zijn. We werden
ook wel geslagen, zoals in Belchite, dan hadden
ze de pest op je in, meestal door
onderofficieren, dat waren de slechtste, en door
soldaten ook wel. Maar ja, dan kwam je ook weer
goede korporaals tegen .We hadden twee
korporaals bij ons, die ene kwam uit Asturia en
de andere kwam uit Catalonia.
Die uit
Asturia liep dan bij ons langs en die zij
“mira mira”, en dan moesten we uitkijken, want
die sergeanten zochten dan weer iets om te
kunnen slaan. Dat was zo′n dikke korporaal uit
Asturia. Terwijl hij mira mira zei, liep hij
evengoed te vloeken tegen ons zodat ze het niet
in de gaten kregen. Zo ging dat. En die Catalaan
ook, dat was trouwens een teer jongetje, maar
zijn vader had ook aan onze kant gezeten, en die
was bij ons in de bewaking dan korporaal, maar
hij waarschuwde ons ook altijd. Met aantreden
liepen ze bij je langs en dan wel schelden en
schreeuwen, maar tussendoor zeggen dat we uit
moesten kijken. De sergeanten waren het ergst.
Van officieren had je nooit last of het moest
een gek wezen. Maar meestal de onderofficieren.
Die waren dan gewond geweest en hadden ze
allemaal van die strepen op hun mouwen gekregen.
En wanneer ze half dronken waren, kregen wij de
schuld.
Dat is net als dat er van
die indianenverhalen waren, dat we nonnen
verkracht zouden hebben en dat soort dingen.
Maar er is nooit een proces over geweest en het
is ook niet gebeurd. Dat werd alleen maar
geroepen door de Nederlandse regering en die
informatie kwam van de Spaanse regering. De
Nederlandse regering nam dat als waarheid aan en
hebben wij nog wel eens gedacht, dat er
misschien een proces zou komen en dat we
geëxecuteerd zou worden. Nee, nooit hebben ze er
over gesproken. We hadden Duitse emigranten bij
ons, die werden er later allemaal uit gehaald,
en Oostenrijkers. De Gestapo kwam om die mensen
eruit te halen, zij moesten mee naar Duitsland
toe. Maar wij als Nederlanders, aan ons kwamen
ze niet. Wij waren gewoon krijgsgevangenen, in
een oud kamp, een oud klooster bij Belchite, met
weinig te eten, want het volk had ook niks te
eten. Je ging dood van de honger, elke dag weer,
het was verschrikkelijk.
We zijn
nooit, toen we gevangen genomen waren,
gefotografeerd. Nee, voor de wereldoorlog
uitbrak, is er zo′n dame uit Engeland geweest,
Lady Chamberlain, om de Engelsen te bezoeken.
Zij heeft met de Engelsen gesproken, snap je.
Maar verder hebben we geen bezoek gehad. Ja
later, toen Duitsland verliezen zou, toen kwam
Jonkheer Panhuis, de secretaris van de
gezand Piet Seegers, die staat ook op de foto.
Tonny Moor, van Hees, en A. de Seume, en C. van
Keulen. Ik geloof dat die uit Brabant vandaan
kwamen en ik geloof dat van Van Hees een
Amsterdammer was. En Tonny Moor kwam meen ik van
Rotterdam.
Ik ben
tegengekomen dat ze in december 1939 vrijgelaten
werden. Maar ik weet niet waarom ze vrijgelaten
werden. Dat weet niemand, misschien omdat ze
katholiek waren of zo, ik weet het ook niet. Die
ene Alex was een witrus, dat zou er misschien
mee te maken kunnen hebben. Hij sprak wel een
stuk of zes talen. Ik weet niet zijn achternaam.
Maar leeft er niet eentje meer van Seegers, dat
zal toch wel een bekende naam geweest zijn in
Amsterdam. Want die vrouw heeft veel voor ons
gedaan, ze hebben nog een comité opgericht voor
ons, daar kregen we geld van. En later kregen we
nog dekens van het Rode Kruis. Ik geloof dat hij
er ook nog bij was van de SDAP, Van der Goes-van
Naters, die zat ook nog in het comité, hij was
toen een beetje links. Hij zat ook in de
Internationale Brigade, maar hij was al voor ons
gevangen, ik kende hem niet. Toen wij in het
kamp kwamen, de eerste keer bij Belchite, was
hij er al. Er waren er nog een stuk of twee/drie
toen wij er kwamen. En deze staat nog op de
foto. Hij was ook al eerder gevangen genomen,
dat was Roselle, een Limburger met een bril op.
Hij zat er al een paar weken voor ons.

|
Van
der Goes-van Naters.
Lid partijbestuur SDAP, van 1935 tot
1940: lid Comité Comisco
(Socialistische Internationale)
inzake de Spaanse kwestie en tweede
fractiesecretaris SDAP Tweede Kamer
der Staten-Generaal, van juni 1937
tot september 1939. |
|
(Aan de hand van de foto komen
de namen van Arie Miel, Piet
Seeger, Scheerboom, (ook een
Amsterdammer) van Elven (′n
Hagenees), Hoosten (die was
korporaal mitrailleurschutter in
het vliegtuig in de laatste
oorlog bij de marine, die is
later ook nog naar Indië
gegaan, Adriaan Thomassen,
familie van de oud-burgemeester
van Rotterdam. Deze weet ik
niet, maar hij was wel een
gestudeerde, had economie. Zijn
ouders hadden een grote
schilderijenwinkel. Dit is een
Rotterdammer. Verhoeven, een
Tilburger, Deutekom kwam uit
Delft, Beuker of Bökker is in
het kamp overleden. Hij had een
neusontsteking, zijn vader was
een Duitser geloof ik. Je zal
het wel op zijn Duits schrijven
met stipjes erboven. Dit is nog
een Tilburger, en een Hagenees,
drie Duitsers. De vier die in
december zijn vrijgelaten staan
er niet op, de foto is van een
latere datum).
|

Er is ook een foto van mij in het
verzetsmuseum, want de meesten hebben
het nooit geweten, dat we daar gevangen
zaten. Het was net een familie zeg maar.
En daar kwam die wereldoorlog extra
achteraan. Dan werd het gewoon vergeten,
en daarna kreeg je die politionele
acties in Indië, de Spaanse Burgeroorlog
kwam helemaal op de achtergrond.
Het was trouwens gek. Ik vertelde van
die witrus, Alex, dat hij ons heeft
ondervraagd toen wij gevangen genomen
waren. Want hij was zelf ook gevangene,
maar dat kwam die Spanjaarden goed uit,
want die kenden helemaal geen taal. Maar
ze vertrouwden hem wel, hij had een
betrekking, met eten en drinken, en al
die dingen meer. Dat heb je in de
kampen. Ik heb het niet gedaan. Dan moet
je zien dat je een baantje krijgt, want
dat is een wereld apart. Als je een
baantje hebt, dan kreeg je wat meer
eten, een extra schep. Dan kon je weer
een beetje omruilen voor een beetje
tabak met de soldaten of iets
dergelijks, of met iemand die niet
rookte. Dat beetje tabak kon je weer
ruilen met een stuk brood of iets
dergelijks. Zo ging dat allemaal.
Dat had je in de kampen, allemaal
baantjesgasten. Alex heeft samen met
zijn maat, een Cubaan, geprobeerd te
ontsnappen. Toen zijn ze gegrepen. Maar
ze liepen ook vrij rond hoor. Ik weet
niet of hij een communist was, ik heb
hem niet goed gekend. Maar ik weet wel
dat hij erbij was toen die vrij kwamen
met nog een stuk of drie. De zoon van
Seegers is toen naar Australië gegaan,
hij heeft niet meer gevochten in de
Irene Brigade. Nee,hij werd toen op de
koopvaardij kanonnier. Arie Miel was een
beetje een vadertype, hij was veel
ouder. Hij staat ook op de foto, Seegers
was misschien twintig jaar,een jonge
jongen.

|
Foto van
www.iisg.nl
(roepnaam: Leen),
communistisch gemeenteraadslid
in Amsterdam, is geboren te
Amsterdam op 19 mei 1891 en
aldaar overleden op 18 mei 1970.
Hij was zoon van Leendert
Jacobus Seegers, los werkman op
de aardappelmarkt, en Neeltje
Vervoorn. |
Ze zijn niet allemaal
naar de Irene Brigade gegaan, er kwamen
er ook een paar bij de marine. Verboven
was bij de marine, en bij de luchtdienst
ook een paar. Later zijn we met een hele
groep op een troepenschip uit Canada,
vanuit Halifax naar Liverpool gereisd
zonder konvooi langs de noordelijke
routen. We werden eerst met de boot uit
Spanje naar Trinidad gebracht. We kregen
toestemming om in Trinidad van boord te
gaan. We hebben een week of 6/7 in
Trinidad gezeten. Maar in Canada had
ik een paspoort en was Nederlander en de
Nederlandse Regering kon alle
Nederlanders oproepen om in dienst te
treden .Waar ze ook zaten. De
Nederlanders waren allemaal kooplui. Zij
zaten in Zuid-Afrika en in Amerika. En
dan hoefden ze niet op te komen voor dat
land. Amerika was in oorlog, Zuid-Afrika
zat met Engeland in de oorlog. Dus de
heren konden genoeg geld verdienen in
die landen, want de Nederlandse Regering
liet hen gaan. Maar in 1942 werden er
wetten aangenomen, dat Nederlanders in
het buitenland ook in militaire dienst
moesten. In Nederlandse militaire dienst
of ze moesten in dienst gaan van het
land waar ze woonden. De Zuid-Afrikanen
en Amerikanen kwamen naar dat
trainingskamp en werden klaargestoomd.
Toen ik in Engeland kwam,
kreeg ik problemen met
het Nederlanderschap. Ik was
achtergebleven in dat opleidingskamp in
Engeland. En andere jongens gingen naar
de marine en de luchtmacht. Ik ben ik in
dat kamp gebleven en kwamen ze om mijn
paspoort. Er was er nog eentje Roselle,
en die Rooie Leusden, wij met ze drieën.
En we wilden niet bijtekenen. Wij waren
allebei Korporaal en hij was sergeant,
hij had vroeger in het koloniale leger
gezeten. We zeiden, we hoeven niet te
tekenen, we zijn Nederlander, we hebben
toch een paspoort. Maar het was dit of
dat. Hebben we nog een tijdje in een
hotel gezeten in Londen.
En toen kregen we
bericht: we moesten wel in dienst. We
hadden het Nederlanderschap wel
verloren, maar omdat we zoveel maanden
in dat land geweest waren, kan dat land
je verplichten om dienst te nemen.
Kwamen ze daar mee voor de dag. Je was
niet stateloos Je was het
Nederlanderschap kwijt, en dat is een
heel groot verschil.
Toen ben ik weer naar de
marine gegaan. Want ik was vroeger van
de marine geweest, voor mijn nummer. En
toen heb ik 8/9 maanden op het
hoofdkwartier gezeten. Op het laatst van
de oorlog was het ook prachtig daar. In
Londen aan het eind van Oxfordstreet. Ik
heb dat een tijdje gedaan. We hadden er
schuilkelders en die moest ik
schoonhouden. Als er nood was, dan
konden de officieren daar slapen. Dat
was in een C&A gebouw. Daar zat het
Nederlandse Marine Hoofdkwartier. Bij
Hydepark. Dat was een goed leven. En in
juni of juli 1946 ben ik afgezwaaid. Tot
1946 heb ik op het Hoofdkwartier
gezeten. In augustus 1945 ging ik voor
het eerst met verlof naar Nederland.
Mijn neven waren toen
goed op de hoogte, zij waren allebei lid
van de CPN. Zij zaten dan ook bij de
Rode Hulp. We hebben wel Duitsers gehad
hier, die hielpen we dan aan adressen
naar Amsterdam toe, daar zaten die neven
ook bij, ik ben er ook lid van geweest.
Van de IRH (Internationale
Rode Hulp).
Maar die mensen gingen meestal naar
andere steden toe. Want hier had je ze
niet. Wel voor een dag. Dat werd
geregeld door een hoofdkantoor in
Amsterdam, de belangrijke personen in
lemmer. Dat was dan Gemeenteraadslid
Jacob de Rook. En wat kennissen, die ook
partijlid waren. En dan brachten ze ze
verder weg. Er was hier wel een groepje
van de IRH. Er was een hele vereniging.
Overal had je die zitten.
Voor de contributie die betaald moest
worden, je kon geven wat je kon missen,
kwamen ze elke week langs, die gaf je
dan vijf centen en die gaf je drie
centen. Dat deden ook partijleden van de
CPN. De SDAP deed vroeger niet zoveel.
Wat heeft Koos Vorrink nou gedaan in de
oorlog. Dan werden ze een keer
gearresteerd en liepen ze zo weer vrij.
Daar hadden mijn neven geen belangrijke
rol in. Een neef is later nog
gemeenteraadslid geweest, na de oorlog,
hij is een paar jaar geleden overleden.
Hij is toen in de plaats van Jacob de
Rook gekomen. Nu zitten er twee in. De
CPN heeft in de oorlog veel gedaan.
Luns is enige tijd lid geweest van de
NSB en De Quay heeft nogal bedenkelijke
kontakten gehad in de tweede
Wereldoorlog. Stoker heeft daar in de
volkskrant recentelijk overgeschreven.
Ik kwam steeds weer bij
de Hollandse Compagnie terecht, het was
een onderdeel van het Edgar André
bataljon. Op het laatst toen ik er weer
kwam, werd ik gevangen genomen. Toen zat
ik bij Hollandse Piet. Ik wil hem niet
te hard aanvallen. Want daar liep het
ook allemaal weer fout. We moesten ’s
nachts terug en de artillerie schoot nog
iedere keer op ons, de hele nacht door.
Toen zijn we 6/7 uur doorgesjokt. Nou we
zijn er door hoor. We kunnen een sigaret
op steken. We gaan ook maar even liggen.
Ik lag achteraan, want ze liepen
allemaal voorop. Als je van het front
afgaat, dan moeten ze allemaal vóór
wezen, en als je naar het front toe
gaat, dan lopen ze allemaal achter.
|
De meeste Nederlanders
werden eerst ondergebracht
in het Thälmann Bataljon en
in de 11e Brigade (Edgar
André). Uiteindelijk zou
binnen het Edgar
André-bataljon in maart 1938
een Nederlandse compagnie
worden opgericht, de
Compagnie "De Zeven
Provinciën". |
Afijn, ik lag achter met
een stuk of wat meer. En we werden ′s
morgens wakker en toen was Hollandse
Piet met zijn maten weg. Er was een
melder bij ons geweest, dat we verder
moesten, maar die had ons nooit wakker
gemaakt. In plaats dat hij ons nou
wakker had geschud. Nou ja, die melder
heeft bevel gekregen van hogerhand
misschien om dat niet te doen. En
zodoende ging het niet door. Ik denk we
daar met zo′n vijfhonderd man zaten, in
het kamp in Belchite. En alles bij
elkaar, Engelsen, Duitsers,
Scandinaviërs, Joegoslaven, Bulgaren.
Alles werd bij elkaar gegaard en naar
Belchite gebracht. Er waren nog twee
Ieren bij. Maar zij zijn later ook
weggehaald, nooit meer wat van gehoord.
En Engelsen, daar
heb ik het eerst het vloeken van
geleerd.
In dit kamp heb ik een
tyfusaanval gehad, maar dat kwam door
dat schampschot. Ik weet nog hoe ik dat
schampschot heb gekregen. Dat was bij
Belchite in de buurt, in Valladolid in
Valencia, je voelt het eigenlijk niet
eens. Want die Scheerboom kreeg een
schot door de helm, en hij schreeuwde
zo: ik leef nog, ik leef nog. Die staat
ook op de foto. Hij heeft nog een week
in het ziekenhuis gelegen, in het
hospitaal, maar die was zo blij, dat hij
nog leefde. Maar ik ben dus blind
geworden aan mijn rechteroog.
Het is
raar dat ik niet afgekeurd ben voor het
leger, maar daar kunnen ze alles
gebruiken in de oorlog. Want het is
moeilijk schieten met één oog. Ineens
moest ik links schieten. En met een
brengun kon je niet schieten, want dat
was rechtshandig. Ik moest links
schieten en toch kon ik het goed. Want
in Guelp moesten we prijsschieten en
toen bleef ik met de sergeant over, ik
won het nog net van hem. Ik ben
rechtshandig en later had ik er ook last
mee met biljarten. Ik kon nooit meer
biljarten. Het is lastig. Het is alweer
44 jaar geleden. Op het laatst went het,
vanzelf, maar in het begin ben je er
helemaal mee aan. Dan durf je niet eens
over de greppel te stappen,je kunt de
afstand niet bepalen. Maar anders heb ik
er weinig last van gehad. Ook met zien.
De laatste jaren heb ik een leesbril
maar ik heb anders nooit een bril op
gehad. De nachtblindheid ging over. Op
Curaçao had ik het nog, want daar botste
ik ’s avonds tegen iedereen aan. Heel
langzaam is het weggetrokken. Ik moest
veel melk drinken en vitamine B
gebruiken.
Er was daar geen
hospitaal, maar een oud zaaltje, één
dokter was niet eens dokter, hij was
misschien hoofdverpleger, maar dat was
onze dokter. Een paar Polen waren er
ook, die bij ons gevangen waren. En je
had een zaaltje waar je lag. Diarree,
daar had je het meest last van. Als je
het dan erg had, dan kreeg je een beetje
warme melk in dat zaaltje en puree zeg
maar. Maar andere medicijnen had je
niet. Je moest gewoon uitzieken en je
weerstand moest goed wezen. Je moest
gezond wezen. Je kon wel ziek worden,
maar als het uit een gezond lichaam
vandaan kwam dan kwam je misschien wel
gezond terug. Maar er waren mensen die
waren ziekelijk, die oude Duitsers
gingen ook allemaal dood. Ik weet nu ik
zelf oud ben, dat de weerstand kleiner
is dan als dat je jong bent. Maar ik
wist wel dat ik er uit zou komen. Daar
ben je jong voor. Je wilt eruit, je komt
eruit. En toen kreeg ik het bericht dat
mijn moeder overleden was, toen heb ik
het een tijdje erg moeilijk gehad.
In het kamp kreeg ik een
brief. Het was net voor de Duitsers
kwamen, in februari 1940. Toen heb ik
het even heel slecht gehad. Ik geloof
dat het toen zo′n beetje gekomen is, dat
het me niet zoveel meer kon schelen,
want het scheelt wel hoor als je vecht
voor je leven of dat je je overgeeft.
Tenminste als je jong bent. Als je ouder
bent dan geef je eerder toe, dan denk
je, vooruit ik heb lang genoeg geleefd.
We kregen in 1940
regelmatig brieven van thuis, wel
gecensureerd, maar ja dat was niet zo
erg. We kregen geen geld meer. Maar dan
kregen we wel een hoop postzegels.
Postzegels in Spanje, dat is net zo goed
als geld. Eerst kregen we geld, een
postwissel, dat hebben we een paar keer
gehad, maar ja de Duitsers kregen nooit
wat. Dus toen hebben we het maar
gedeeld. Want op het laatst kwam het
toch ook weer van je eigen kameraden uit
Holland vandaan, daar had je mee aan het
front gelegen, en dan verdeelde je dat
geld onder elkaar. In Lemmer hebben ze
voor ons ook wel geld opgehaald, mijn
broer ook wel en de familie. Maar ja,
dat was meer voor solidariteit. Voor
allen die daar gevangen zaten, niet
alleen voor mezelf. En dat hebben we
toen gedaan. En dan konden zij ook een
broodje kopen van de soldaten of iets
dergelijks. De soldaten hadden altijd
wel handel, het mocht niet, maar die
moesten ook weer bijverdienen. Die
hadden ook niks.
Dan pakte ze er wel eens
een, en dit is echt Spaans, dan moest
die mee te werken en dan kreeg hij een
zakje zand op zijn rug van een kilo of
10/15. Daar moest hij dan de hele dag
mee sjouwen en met ons mee de
steengroeve in. Maar ze waren zo
gehaaid, die andere soldaten hielpen ook
altijd, dan deden ze er stro in, zand er
op, dan hadden ze er geen erg in. Zo
primitief daar. Je moet dat gezien
hebben. Zo′n Alfero, zo noemden ze dat,
zo′n vaandrig. Dat was al een oudere
man. Die vent was zeker gek. Dat die
soldaten op hun sodemieter kregen met
een stok, terwijl wij erbij stonden.
Spaanse soldaten die van hun officier op
hun donder kregen. Hoe bestaat het. Dan
hadden ze er weer een betrapt die met
ons gehandeld had. En dan is het na een
paar dagen zo maar weer afgelopen, dat
heb je met die Spanjaarden. Vol vuur en
dan in ene is het weer dove kool, zeg
maar.
Ik kreeg
in het kamp door, dat het een verloren
strijd was voor de republiek. Je wist
het wel, dat je het zwaar had, maar
vooruit maar. Maar in het kamp…..De
Duitsers zeiden, we kunnen de oorlog
niet verliezen, want als we de oorlog
verliezen, is alles naar de bliksem. Dat
laten de Russen niet toe. Wij zeiden, we
zullen wel zien. Want de democratieën
hielden zich afzijdig, Frankrijk,
Engeland, Amerika. En de Russen wilden
er ook niet zo ver inlopen, want dan
hadden ze het hele zaakje op hun donder
gekregen. Dat zagen wij wel,maar daar
konden de Duitsers niet bij, dat het zo
zou lopen, dat de hele republiek de
oorlog verliezen zou, maar ja het kon
niet anders, dat is heel gewoon, dat is
de geschiedenis.
Dus in de oorlog was het
in de Marine ongeveer hetzelfde als in
de Internationale Brigade. In de oorlog
had je niet veel last, ging je ook met
de kwartiermeester of korporaal of
sergeant gewoon om met elkaar, ook als
je de wal opging. Dan kwam je er soms
een tegen in het café, die ook een
glaasje bier dronk, dat was heel gewoon
in de oorlog. Toen de oorlog over was
begon het alweer, want er moet
rangverschil wezen. Kijk eens,
discipline moet je opbouwen. Dat kun je
niet met grote dingen doen, dat doe je
met kleine dingen. Als je iemand
tegenkomt, dan zeg je, kun je niet
groeten. Laten zien dat je meerdere
bent, dat je zegt, dat hij dat moet
doen. Maar in de oorlog, dan waren er
allemaal oudere jongens, die er zaten,
en je kende elkaar. Jan, Piet, Klaas.
Maar die jongens van 19 jaar, die
snotneuzen, en je geeft ze de vrije
hand, dan komt er helemaal niets van
terecht. Die zitten je gewoon een beetje
in de maling te nemen. En daar moet de
discipline opgebouwd worden. Van zo
lopen, en linksom, en rechtsom, en recht
uit.... Petje
recht.
In de Internationale
Brigades zaten ook allemaal ouderen.
Nou, Piet (Seegers) was de jongste toen,
maar voor de rest waren ze ook allemaal
25/26. Niet zulke heel jonge jongens
waren daar. En de Duitse emigranten
helemaal, dat waren ouderen. Dat kun je
nagaan, de intellectuelen waren ook
allemaal ouder, de schrijvers, die er
geweest zijn. Zij waren ook al boven de
30. Dokters en alles meer. Er waren wel
jongeren, maar die waren er meer voor
het avontuur. Als je ouder bent, heb je
meer een overtuiging. Er waren er velen,
die tussen de 20 en 30 waren en wel over
de 30. Dus daar kun je meer mee
bereiken, dan hoef je niet zo′n zware
discipline als met die jonge jongens op
te bouwen. Graham Greene is ook in
Spanje geweest. Later heb je weer andere
dingen aan het hoofd, het leven gaat
verder. Als je dat meegemaakt hebt, heb
je geen zin om er over op te scheppen,
zo van ik heb dat en dat gedaan, vind je
me nou geen held. Dan zijn er soms
mensen, dan vragen ze dit en dat. Dan
denk je, ik heb gedaan wat ik moest
doen, wat ik wilde doen, dat is dat. En
niet er over opscheppen...
Nog iets over mijn
nationaliteit. Ik heb papieren laten
zien, dat ik in 1947 of in 1948, 1948
was het geloof ik, mijn nationaliteit
terugkreeg. Ik kreeg het automatisch
terug. Dat ding ben ik kwijtgeraakt, een
diploma van trouw en waardig het
vaderland gediend te hebben, heb ik ook
nog met zo′n speldje. Ben ik allemaal
kwijtgeraakt. Hootsen, die hier op de
foto staat, stond er ook op, datzelfde
lijstje, dat uittreksel dan. Dat was van
de Marine Luchtvaartdienst en er waren
meer namen, die ik niet ken. Wie ik ken
is Arie Hootse, maar de anderen, die ook
gevangen hebben gezeten, die ook in
dienst geweest zijn, die staan er niet
op. Misschien later of daarvoor. Ik
dacht daarna. Want Hootsen is later nog
mee naar Indië gegaan, in 1948 al. De
eerste politionele actie was al in
1946/1947. Jan Jetten heb ik in Miranda
de Ebro ontmoet, hij was van een schip
opgepikt. Hij was onderweg van Frankrijk
naar Spanje (Bilbao) om zich bij de
Republiek aan te sluiten. Hij is toen
gevangen genomen en heeft enkele jaren
in Spaanse gevangenissen gezeten, tot
dat hij naar Miranda de Ebro
overgebracht werd, een grote vent was
het.

Sake Visser. pdf
|
Hootsen, Arie |
08-03-1910 |
Voorburg |
Voorburg. Bevindt
zich in juli 1939 in
krijgsgevangenschap in Burgos
(Spanje) |
Bron:
www.historici.nl
Je
reageert er allemaal verschillend op.
Het gaat om je leven. Dat is het nu
juist. Dat is heel wat anders dan dat je
er bent voor een oefening. Het is met
scherp. En dan kun je soms heel
eigenaardig reageren. Want ook als die
vliegtuigen boven je komen mitrailleren,
dan moet je ook liggen blijven en
meedraaien. Maar sommigen hebben teveel
angst en kunnen dat niet. Dat leer je
ook allemaal, allemaal meedraaien. Daar
komt dat vliegtuig weer aan. Dan doe je
het soms in je broek. Want hij duikt op
je. Veel cavalerie was er niet meer aan
onze kant. Ik heb wel eens een duik
moeten doen, en toen het over was lag er
een lijk voor me. Je ziet het niet, je
denkt wegwezen en als het over is, dan
denk je verrek wat is dat. Ja, ik heb
het wel vaker gehad, in een hoop rotzooi
duik je dan, uit die vrachtwagens
vandaan; dan komt dat vliegtuig er nog
aan en dan met een rotgang wegduiken, je
ziet alleen, dat je gedekt bent en dan
lig je soms in een hoop rotzooi. Dat
ruik je later, als het afgelopen is.
Zoveel Piet Heinen heb je niet hoor.
En dan weer terug naar
een ander front, je kreeg zoveel
fronten. Van het ene naar het andere.
Het ging steeds maar door. Het was een
Blitzkrieg bij wijze van spreken. Moest
je daar heen, daar heen, en daar heen.
Je moest een fascistenoffensief opvangen
of je moest er een inzetten en dat
duurde maar een 3/4 dagen en dan moest
je weer ergens anders heen en dan
moesten er weer andere mannen bijkomen.
Je nog even scheren en dan ging je weer.
Maar ja, je dacht dat elke oorlog zo
was, je had nog nooit een oorlog
meegemaakt, je wist ook niet beter. En
later hoorde je die verhalen zoals met
de Duitsers. Dat zijn ook meestal
dezelfde bataljons en brigades, die een
offensief moesten inzetten. Dat zijn de
besten bij wijze van spreken. Of die
zetten ze in om een doorbraak te
krijgen, dat heb je in elke oorlog. Je
helm was je hoofd kussen. Je hebt er van
binnen leer in zitten, zúlke dikke
dingen zitten erin. Dan kan het wel
schelen met schampschoten dat de gang
eruit is van de kogel. Dat die een
beetje afwijkt. Want het is meestal
bedoeld voor
bombardementen, als puin en materiaal
door de lucht vliegt. Maar kogels houden
ze niet tegen.
Als je een beetje rust
had, moest je je geweer schoonmaken en
dat goed nakijken, want dat is dan
zogenaamd je beste vriend, en wat kogels
ophalen en wat handgranaten erbij. En
koffie halen. Dan had je wel eens cognac
door de koffie heen, tenminste ‘s
morgens vroeg als het koud was. Dat
moest je allemaal weer van achter het
front vandaan halen en naar voren
brengen. De koffie ook, je had van die
tonnetjes, daar kon je een stok door
steken en dan op je rug met twee man. Je
had een deken erbij hangen met brood er
in. Soms sigaretten als die er waren,
meestal tabak, en wel eens een doosje
marmelade. Dat moest allemaal ’s morgens
en ’s avonds gebeuren, in het donker.
Want overdag schoten ze weer en er
werden geen politieke praatjes gehouden
op dat soort momenten.

Vaccinatie bewijs van Sake.
In juli 1942 zijn we
vrijgelaten, dat is een heel end hoor
als je jong bent, honger, honger, en
honger..... ik heb twee jaar in een
steengroeve gewerkt. Het is natuurlijk
ook zo, het Spaanse volk moest ook
honger lijden, want er was niks, het
land was vernield door vier jaar
burgeroorlog. Men kon zich wel redden op
het platteland, maar in de steden zagen
de mensen ook zwart van de honger. En
wij waren de laatsten, die van dat
kleine beetje wat kregen, je ging dood
van de honger, altijd maar honger. En
dan zo mager worden dat er ziektes
kwamen.
In 1942 kwam bij ons in
het trainingskamp een jongen uit de
Verenigde Staten. Hij was in de
twintiger jaren op 4-jarige leeftijd met
zijn ouders uit het Friese Oppenhuizen
naar Californië geëmigreerd. In 1942
werden alle in het buitenland
woonachtige Nederlanders opgeroepen, om
dienst te doen in de strijd tegen de
Duitsers. Zo kwam die jongen uit
Californië bij ons terecht. Hij sprak
geen Nederlands, maar wel Fries, en
Engels. Nederlands had hij nooit
geleerd. Jan Cnossen (Jon
Rienks Cnossen) heette hij, vier jaar
geleden, in 1980, heeft hij me nog in
Lemmer opgezocht. Via mensen bij de brug
in het centrum heeft hij me in Lemmer
kunnen vinden.
|

Bron:
Nieuwsbrief 2008 -
Cnossen.
Vorig
jaar april overleed op 92 jarige
leeftijd in zijn woonplaats in
Visalia Californie Jon Rienks
Cnossen (FJD 6.10). Hij werd
geboren op de boerderij van zijn
vader bij
Oppenhuizen/Twellingea, op 10
maart 1918. Op 5 jarige leeftijd
emigreerde hij naar Amerika. Hij
meldde zich in de oorlog aan als
vrijwilliger bij de Prinses
Irene Brigade, wetende dat hij
zou moeten vechten voor de
bevrijding van Nederland. Op 6
juni 1944 landde hij op Juno
Beach Normanie, en vocht voor de
bevrijding van Frankrijk, Belgie
en Nederland. Als sergeant
leidde hij een groep Nederlandse
jongens in de slag bij Hedel
Noord Brabant. Hij was zo
geliefd bij zijn soldaten, dat
ze hem hun vader noemden. Sinds
1972 bezocht hij met zijn vrouw
Gertrude, Nederland 13 keer voor
een weerzien met zijn mannen.
Ook de reünies van de Prinses
Irene Brigade werden door hem
bijgewoond. Bij elk bezoek ging
hij natuurlijk ook terug naar
Friesland, waar hij de
gelukkigste dagen van zijn leven
beleefde, bij het bezoeken van
Cnossen en Dijkstra
familieleden. Hij beheerste
zowel het Engels, Fries en
Nederlands en maakte overal
vrienden. Zijn karakter trekken
waren: humor, vrijgevigheid,
betrokkenheid, geloof en trots
op zijn Friese afstamming. |
Na mijn tijd in Engeland,
toen ik in 1946 weer in Nederland was,
stond ik als oud –Spanje strijder raar
te kijken dat er niet veel naar gevraagd
werd. Je kwam in matrozenkleren terug
uit deze oorlog, dat was alles. Die
burgeroorlog was meer op de achtergrond
geraakt. Nu is er door opkomend fascisme
weer meer aandacht voor. Toen ben ik
weer begonnen te vissen en te varen en
was ik intussen getrouwd met een Engelse
vrouw, Nellie. Sinds 1942 woonden we al
samen en ik ben in 1947/1948 met haar
getrouwd. Voor die tijd kon ze alleen op
een vakantiepasje naar Nederland komen
en moest ze om de zoveel maanden weer
terug naar Engeland. Ik ben rond 1952 in
Engeland gaan wonen tot 1964, toen is
mijn vrouw overleden.

Sake zijn vrouw Nellie.
Toen ben
ik weer hierheen gekomen. Ik heb tot
1952 in Sneek gewoond, en ik heb in de
werkverschaffing gezeten, ook toen was
er werkloosheid in Nederland. En later
in de visserij en heb ik ook los werk
gedaan. Vanaf 1952 heb ik in Engeland
afwisselend aan de wal gewerkt en op
zee. In 1964 ben ik weer naar
Nederland gekomen. Ik hertrouwde eind
1965 met Jeltje, Jeltje overleed in
1973, En toen heb ik in het baggerwerk
gezeten. In 1974 kwam ik op 64 jarige
leef tijd in de WAO terecht.

Jeltje.
In Engeland werden
oud-Spanjestrijders heel anders bekeken,
er zijn er daar natruurlijk meer van.
Voor de wereldoorlog uitbrak zijn er
vijf bij ons uit het kamp vandaan
gekomen en daar was Alex ook bij, en
hij is later getrouwd met een dochter
van Seegers, gemeenteraadslid van de
communistische partij . Maar zij waren
daar in Engeland, en als helden werden
ze vereerd. Met de Engelse boot uit
Barcelona vandaan en zo naar Engeland
toe. Want toen wij in Engeland
aankwamen, had je dat bureau er ook nog
van de Internationale Brigade, hebben we
nog geld gekregen om schoenen te kopen
en om een keer uit te gaan, ging
allemaal van de Internationale Brigade
in Engeland uit. Maar hier….
Sake vertelde nog dat hij na de oorlog
heeft geprobeerd te emigreren met zijn
vrouw. Hij woonde toen in Sneek. De
Australische immigratiedienst
accepteerde wel een andere man, die in
de oorlog voor de Duitsers aan de
Atlantikwall gewerkt had. Sake en zijn
vrouw werden afgewezen. Hij had een
levensloop moeten schrijven. En
waarschijnlijk is zijn Spanje-tijd
aanleiding geweest voor de immigratie
dienst om hem af te wijzen. Hij had zijn
huisraad al bijna verkocht, dat was in
1952.
In 1953 is het toch gelukt en vestigde
het paar zich in Zuid-Engeland. Om de
benarde oorlogssituaties kon hij wel
lachen, de opgewekte Lemster die uit
principe in Spanje vocht, genoot van
zijn welverdiende gepensioneerde rust in
zijn geboorteplaats Lemmer.

Geheel
rechts is Sake, op zijn bankje in
Lemmer.
|
Van links naar rechts, op
het eerste bankje: Leeuwke
Bootsma (Leeuwke van Riek)
Andries Visser, Andries
Visser (De Bereboot), ?, met
zonnebril Jaap Poepjes, Op
het middelste bankje, van
achter naar voren: Met pet,
Jopie Bootsma (Jopie Sjuore),
Bassie de Haan en Reitze
Lemstra.
Op het rechter bankje
v.l.n.r: Jaap Visser
(Mosje), Riekes Vlig (Riekes
Skeet), Andries Visser
(Panne), Rense Visser
(Mosje), Sake Visser (Ingelse
Sake) met fiets, Klaas
Bijlsma. |

Sake Visser is op 17 februari 1996
overleden.
Wij gedenken hem als een heerlijke
en moedige man.
Sake Visser: "Ingelse Sake" en "De
Stryder"

We beëindigen het verhaal van Sake met
een mooi eerbetoon van Rinze Visser uit
Lemmer.
●●●

|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
Home
|