Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Enkhuizen.

 

 
 

Plattegrond van Enkhuizen in 1572

 

Het Enkhuizer havenplan, spiegel der historie van de Zuiderzee.

 

S. Spoelstra.

In het Enkhuizer havenplan, zoals zich dat door de eeuwen heen ontwikkelde, spiegelt zich de geschiedenis der Zuiderzee.

Het begin van Enkhuizen, dat Brandt's Historie stelt "ontrent den jaere 1100", was
een nederzetting buiten de Westfriese omringdijk. Die moet gelegen hebben aan het meer Flevo, later ook Almere genaamd. dat een groot deel van de zuidelijke kom der Zuiderzee omvatte.

Daarvan is bij de Romeinse geschiedschrijvers in de eerste eeuw onzer jaartelling al
sprake. Zij zeggen dat de noordelijke Rijnarm (de IJssel) in een zeer groot meer uitstroomt en zich dan versmalt en, weer rivier geworden, door de mond die Flevum heet, in zee uitloopt. In het noordelijk bekken moet buiten de Westfriese zeedijk. dus wel heel wat land gelegen hebben, wat wel bewezen wordt door vondsten in de nieuwe polders.

In verschillende kronieken wordt gewag gemaakt van het Kreiler bos, dat zich tussen Westfriesland en Friesland uitstrekte en zij beweren zelfs, dat men in 1225 "noch met een dalie van Stavoren tot Enckhuysen conde gaen", maar ze achten dat zelf ten onrechte geschreven, omdat de Rijnstroom, die zijn derde uitgang maakte door
het Vlie, tussen die beide plaatsen zijn loop moest hebben en in de Romeinse tijd al zulk een breedre had, dat een grote scheepsarmade daardoor passeren kon.

Het Vlie heeft zich langzamerhand verwijd en de verbinding van de Almere met de Waddenzee is in de eerste helft der 14de eeuw zo ruim geworden, dat de getijden en
stormvloeden in de zuidelijke kom schade aanrichtten. Bewoning van het onbedijkte land werd daardoor onmogelijk.

Brandt meldt al in 1173 een zeer hoge vloed en sterke wind "die meenigte van morgen landts ontrent Enkhuizen en Medemblik verdronk" en in 1326 heet het van de buitendijkse bewoners "om sich voor 't geweldt der see, soo veel in hun was te bergen, begosten se hunne buisen meer inwaerts te setten ter plaetse nu ter tydt de Visschersdijk of BreÍstraat geheeten".

Men had daar echter nog geen haven en toen in 1361 een storm verscheidene schepen zeewaarts dreef en op droogten zette, werd de eerste wijkplaats binnen de hoge dijk achter de Breedstraat aangelegd. Deze eerste haven, nu de Havendijk, was maar smal en kon alleen kleine vissersschepen bergen.

Door menigvuldige watervloeden was de Zuiderzee zeer groot geworden en aanmerkelijk verdiept, zodat men nu met grote schepen van Hamburg. LŁbeck en andere Oostzeeplaatsen door de zeegaten binnen kon komen. Er was dus een nieuwe haven nodig om die te kunnen ontvangen en in het voorland bezuiden de stad werd daarom een kolk uitgegraven en met een dijkje beschermd, die de naam Rommelhaven kreeg en aan de mond van de tegenwoordige buitenhaven gelegen was.

Daarin vonden alle schepen die geen mast streken, de grote koopvaarders dus, een ligplaats. maar die kwamen allengs in zo groten getale binnen en men bracht er ook zelf zoveel in de vaart, dat nieuwe aanleg dringend nodig werd. De handel bracht zoveel doening, dat men wel gestadig op uitbreiding van de stad bedacht moest zijn. Men bouwde dus een nieuwe stadsmuur en maakte voor de grote schepen
van de oude stadsgracht een nieuwe haven, die zich uitstrekte van de Zuiderpoort (de Drommedaris) tot aan het Patershof (het Nutsgebouw). Ook deze haven, nu bekend als de Dijk, is nog aanwezig.

Niet alleen aan de zuidzijde van de stad was men met havenaanleg bezig. De eerste haven, de Havendijk had een uitmonding naar het vaarwater zowel aan de zuid- als aan de noordzijde der stad. Toen men in 1560 aan de noordzijde een nieuwe uitleg maakte, legde men voor de Visschersdijk enige treden in zee een wierdijk en het ingesloten water werd een haven voor de evers en andere vissersschuiten, waarvoor meteen de eigen uitvaart naar zee in orde werd gebracht. Die haven heette dus de Visschershaven en bestaat nu nog als plantsoenvijver.

In 1566 ging men verder; er werd een wierdijk in zee gelegd vanaf het Noorderhoofd tot aan de Engelse toren, die in de buurt van de oude haven, de Rommelhaven, stond. Het water binnen die dijk vormde een nieuwe haven, de Oosterhaven, waaraan zich verschillende scheepswerven en later de pakhuizen en kantoren van de
grote reders vestigden.

In een daarvan, een pakhuis van de Enkhuizer Kamer der V.O.I.C. heeft thans het Zuiderzeemuseum een thuis gevonden. Dat was al de vijfde haven en nog steeds kwam men ruimte te kort om het steeds meerderend tal van eigen en vreemde schepen ligplaats te bieden. Naast de zich aldoor uitbreidende handel op alle
wereldzeeŽn, nam de haringvisserij een ontzaglijke omvang aan en dat werd "de meeste grondt van den Hollandschen rijkdom".

Enkhuizen ging de andere steden "in 't stuck der haering-visschery" te boven en
voer met honderden buizen ter haringvangst. Aan de wal gaf dat aan vele nevenbedrijven, touwslagerijen, taanderijen. zoutziederijen, kuiperijen en rokerijen, handen vol werk en al die bedrijvigheid vroeg ruimte en armslag.

Plattegrond van Enkhuizen in 1666

 

 

ENKHUIZEN. HOEKSTEEN VAN WEST-FRIESLAND

Dr. S. B. f. Zilverberg

Veel weten wij niet van de oudste geschiedenis van Enkhuizen. Ongetwijfeld hebben er al vroeg mensen gewoond in het oostelijk gedeelte van West-Friesland, zoals vondsten uit prehistorische tijd hebben aangetoond.

Op vastere bodem geraken wij eerst in de tijd na de verovering van West-Friesland door Graaf Floris V, al blijven de gegevens uitermate schaars. Wij moeten ons voor deze tijd vooral laten leiden door de Kroniek van Gerard Brandt, wiens gegevens echter toch wel met een kritisch oog bekeken mogen worden.

In de veertiende eeuw worden dan het agrarische Gommerskerspel en het vissersdorpje Enkhuizen samen tot stad verheven. Aanvankelijk ligt het oude Enkhuizen nog voor een gedeelte buiten de Westfriese ringdijk, eerst in de vijftiende eeuw wordt de buitendijkse kapel van St. Paulus, opgeheven om plaats te maken voor de binnen de dijk gelegen St. Pancraskapel.

Groot kan het stadje in die tijd niet geweest zijn. Het zal wel niet veel groter geweest zijn dan het binnen de hier genoemde straten gelegen stadsdeel: Breedstraat, Dijkstraat, Spui, Dijk, St. Janstraat, Melkmarkt, Van Bleiswijkstraat en Vissersdijk.

Van de eerste haven is sprake in 1361, die echter een dertigtal jaren later zal worden vervangen door een nieuwe, de Rommelhaven geheten. In de vijftiende eeuw begint de stad meer allure te krijgen; belangrijke kloosters en kerken verrijzen. o.m. de Wester- en Zuiderkerk. Doch niet alleen in het geestelijke zorgt men voor uitbreiding: de stad, die een belangrijke rol gaat spelen in de vaart op de Oostzee, wordt vergroot.

Aan het einde van de Vissersdijk ontstaat de sterke Noorderpoort, later nog eens voorzien van een bolwerk, de Pontustoren. Rustig is de tijd echter allesbehalve. De Hoekse en Kabeljauwse twisten bezorgen de stad grote economische moeilijkheden. Uit de Informacie" van 1511 weten we, dat de burgeroorlogen niet ongemerkt aan de stad zijn voorbij gegaan, zelfs het aantal inwoners gaat tijdelijk sterk achteruit.

Keizer Karel V versterkt de "frontierstede" Enkhuizen, die vooral in de strijd tegen de Geldersen een belangrijk bolwerk is, in aanzienlijke mate. Aan de landkant loopt een
dikke muur van het Sijbrandsplein, Spaansch Leger tot de Oude Gracht, vervolgens zuidwaarts naar de Koepoort, die zich in die tijd ter hoogte van de Prinsenstraat bevindt, daarna in zuidoostelijke richting naar de Paktuinen en zo naar de Drommedaris. Aan de zeekant bij Breedstraat en Vissersdijk zorgen stakettingen voor beveiliging nog verder versterkt met torens en rondelen.

1572 is misschien wel het best gekende jaar uit de Enkhuizer historie. Als eerste stad in Holland besluit Enkhuizen de zijde van de Prins te kiezen. In de volgende jaren neemt de welvaart met sprongen toe, zowel de vaart op de Oostzee als die op IndiŽ en vooral de haringvisserij maken Enkhuizen tot ťťn van de machtigste steden in de Republiek. De stad wordt evenwel te klein en dreigt uit zijn omwalling te barsten, zodat men in 1859 plannen maakt voor een nieuwe uitleg van de stad. De Koepoort wordt meer westwaarts geplaatst, grachten worden gegraven en nieuwe straten aangelegd.

De stadsuitbreiding heelt echter ook gevolgen van militaire aard: de stad moet op doeltreffende wijze aan de landzijde beschermd kunnen worden. Onder de leiding van Mr. Adriaan Anthonisz krijgt de stad de omwalling, die zij nu nog grotendeels heeft, zodat het lang zou duren voor Enkhuizen uit zijn "Vest" zou groeien.

Omstreeks 1625 moet de haringstad een 21000 inwoners geteld hebben: vele schepen brengen goederen aan uit alle mogelijke landen: de haringvisserij vormt een goudmijn voor de stad. Toch is de bloei maar betrekkelijk kort. In de tweede helft van de zeventiende eeuw begint door allerlei oorzaken de achteruitgang. die Enkhuizen nooit meer geheel te boven zal komen.

Een voorname factor hierbij is wel de toenemende ongeschiktheid van de haven door het Enkhuizer Zand en voorts de machtige concurrentie van Amsterdam. Wanneer
het nieuwe stadhuis tot stand komt, is dit een zwanenzang van vroegere grootheid.

Over de achttiende eeuw kunnen wij kort zijn. Het verval zet snel door: de zeeoorlogen brengen verschrikkelijke slagen toe aan de haringvloot. De Franse tijd betekent de doodsteek: de pauperisering begint zodanige afmetingen aan te nemen, dat vele woningen verlaten worden en tot ruÔnes vervallen. De herwonnen vrijheid biedt weinig nieuwe perspectieven.

Fraaie oude gebouwen worden afgebroken. De Drommedaris ontkomt ternauwernood een dergelijk lot. De bevolking. die nog slechts uit 3000 zielen bestaat, maakt op de bezoeker een amorphe indruk. De Franse reiziger Henry Havard noemt de stad "une vaste cimctiŤre".

Kaart van Enkhuizen in 1652, uit Blaeu's Toonneel der Steden

 

In de negentiger jaren van de 16de eeuw werd opnieuw tot een grootse uitleg van de stad besloten. Een groot stuk lands ten zuiden en westen van de stad werd afgebakend en met vestingwallen versterkt. In het zuidelijk deel kwam een geheel nieuw havencomplex tot stand. In het verlengde van de oude Rommelhaven
werd een nieuwe haven gegraven, waarvan een deel bestemd was als Buizenhaven.

Enkele jaren daarna werd evenwijdig daaraan een Nieuwe Buizenhaven, ook St. Pietershaven geheten, aangelegd, welke langs de Keetendijk liep en zich tot aan de Keetenpoort uitstrekte. En daarna werd tussen de oude en de nieuwe havens een verbinding aangebracht door de aanleg van het tegenwoordige Waaigat, waardoor
een uitstekende communicatie in het havengebied verkregen werd. De vissershaven in het noorden kreeg nog een zijarm, de Krabbershaven, waaraan de mastenwerven gelegen waren.

De stad had toen negen havens, de een al groter dan de ander, en bood dus een uitstekende outillage voor de vissersvloot en de schepen van de grote vaart. Zij
beleefde haar gulden tijd en floreerde in ongekende welvaart.

Maar toen kwam de kentering. De haringvisserij leed slag op slag grote schade door overval van kapers en vijandelijke machten. De koopvaart kwijnde door de herhaalde oorlogen met Engeland. De vaargeulen verzandden en brachten de scheepvaart in grote moeilijkheden. De welvaart verkeerde al meer in armoede en gebrek. De stad
werd ontvolkt, de havens bleven leeg.

Er kwam een tijd, dat Enkhuizen nog maar ťťn artikel had om te verhandelen en dat was puin van de gesloopte huizen. Met het sloperswerk ging het dempingswerk hand in hand. In 1727 werd de Noorderhavendijk dicht gemaakt. In de loop van de 19de eeuw verdwenen de St. Pietershaven, de oude Buizenhaven en de Nieuwe Haven en werd de Noorderhavenmond gedicht. Gelukkig is dit tijdperk van droevig verval weer tot een keer gekomen.

Het eind der vorige eeuw geeft weer symptomen van opleving te zien. De stad kreeg een spoorwegverbinding met Amsterdam en een spoorbootveer naar Friesland, waarvoor aan de zuidzijde der stad door aanleg van een dijk een Spoorhaven werd gecreŽerd.

De Zuiderzeevisserij herkreeg veel van zijn betekenis door de ansjovisvangst en bracht weer bedrijvigheid aan de buitenkant. Er ontwikkelden zich enkele grote zaadbedrijven, die de stoot gaven aan een intensieve cultuur van tuin- en bloemgewassen in en om de stad. Enkele industrieŽn kwamen tot bloei, zodat de verlaten kwartieren thans weer volgebouwd zijn en de stad expansie zoekt buiten haar wallen.

De parallel tussen de geschiedenis van de Zuiderzee en de Enkhuizer havens blijft zich voortzetten. Nu de Zuiderzee al meer en meer wordt ingeperkt tot een meer, gaat zich dat proces aanstonds weerspiegelen in de aanleg van een werkhaven van de Zuiderzeewerken tegen de muur der stad en hopelijk zal dan in de nabijheid daarvan nog een andere haven vorm krijgen, n.l. de museumhaven in het schiereiland van het buitenmuseum, dat momenteel nog niet meer dan plan
is.

Die haven zal bestemd zijn om de unieke schepenverzameling van het Zuiderzeemuseum te bergen. Als die tot stand komt zal meteen de cirkel gesloten zijn, want de geschiedenis van de Zuiderzee kan niet beter tot de verbeelding spreken dan door de tientallen bijzondere vaartuigen, die vroeger en later haar vlak bevaren hebben.

Zij zullen meer dan enig ander ding, de herinnering levend houden aan de grote plaats, die de Zuiderzee heeft ingenomen in de historie van land en volk.

Enkhuizen, haveningang.

 

 

ENKHUIZEN HARINGSTAD.

Natuurlijk kent U het Enkhuizer stadswapen en weet U dat het een drietal ongekaakte haringen in zijn schild voert, wat bewijst dat het niet van de laatste jaren stamt en zelfs niet van de laatste eeuwen.

Het haringkaken is reeds in de 14de eeuw uitgevonden en was het wapen nŗ die tijd ontworpen, dan zou men zeker "gekaakte'" haringen daarin opgenomen hebben. Al of niet gekaakt, we zijn blij, dat de stad drie haringen in haar wapen voert, want Enkhuizen en haring zijn ťťn begrip geweest. Alle historieboeken schrijven er over en de alleroudste geschriften hebben er weet van.

We denken hier aan Plinius; deze geschiedschrijver, die in de eerste eeuw na Christus leefde, geeft al een beschrijving van het immensum os (reusachtig meer). dat zich hier bevond, waarin de oceaan twee keer per etmaal met geweldige drang naar binnen stuwde. Daarmede is dan de vloed bedoeld, die toen reeds de haring meevoerde. Van die oude tijd is echter niet veel bekend, want de historieboeken spreken daarover in verband met ons onderwerp geen al te duidelijke taal.

We gaan dus met sprongen door de tijd en belanden in het begin van de 16de eeuw, waarover meer gegevens voorhanden zijn. Maar we vinden daar dat de historici het niet helemaal met elkander eens zijn hoeveel haringschepen er in die tijd vanuit Enkhuizen naar de Noordzee voeren. Het staat echter wel vast, dat Enkhuizen toentertijd al een zeer bloeiende haringhandel had.

Aanvankelijk was het Brielle, dat de toon aangaf. Dat kwam omdat de uitvinder van de kaakmethode een Briellenaar was. Die stad wist het haringkaken een tijdlang tot een monopolie te maken kon dus haring leveren, die lange tijd houdbaar was. De Enkhuizers kwamen er echter spoedig achter. Zij hadden het voordeel van een grote ondernemingsgeest, handelskennis en buitenlandse relaties en weldra staken zij de Briellenaars de loef af. Omstreeks 1550 was Enkhuizen de eerste stad op het gebied van de haringhandel.

Sommige geschiedschrijvers beweren dat er in de 17de eeuw ieder jaar 1000 haringbuizen Texel passeerden, waarvan de meeste Enkhuizen als thuishaven hadden.

Anderen doen het wat kalmer aan. Zo vertelt Brandt in zijn bekende "Historie van Enkhuizen", op gezag van een aantekening van Blaeuwhulk, dat in 1555 deze stad 140 haringschepen telde en ter bescherming daarvan twee oorlogsschepen werden uitgerust, die de namen van St. Pancras en St. Gommer droegen.

Ze waren samen bemand met 150 koppen. In een brochure van Mr. Meynert Semeyns, die in 1639 verscheen, kunnen we lezen, dat onze stad in die tijd 4 ŗ 500 haringbuizen rijk was. Semeyns zegt dat Enkhuizen in het bezit was van 2/3 der gehele haringvloot en zij was daardoor de belangrijkste aanvoerhaven van Noordzeeharing. Vele reders hielden daar alleen maar kantoor, maar woonden o.a. in Venhuizen, de Rijp, Beemster, Broekerhaven, Oosterleek en enkele zelfs op Texel.

Over de genoemde getallen zullen we niet twisten en we behoeven gelukkig niet uit te maken wie de waarheid geweld aandeed. Het bewijs is wel geleverd, dat de drie haringen in het stadswapen daar niet onverdiend pronken en dat is ons genoeg. De keuze van deze vissoort in het blazoen was alleszins gerechtvaardigd en dat niet alleen door de Noordzeeharing, die hier in de loop der tijden in enorme hoeveelheden is aangevoerd.

Mettertijd is die handel - we zouden haast zeggen "vanzelfsprekend" - verlopen. Enkhuizen ligt nu eenmaal niet aan de Noordzee en vanaf de visgronden waren havens als Vlaardingen. Maassluis, Katwijk en Scheveningen zoveel gemakkelijker te bezeilen. Die gingen zich hoe langer hoe meer op de handel en allengs ook op de visserij toeleggen.

Enkhuizen heeft de concurrentiestrijd nog lang volgehouden, maar het was een vechten voor een verloren zaak. Prima oriŽntatie en outillage wogen niet op tegen het nadeel van de ongunstige ligging van de stad ten opzichte van de Noordzeevisserij. Het aan- en uitvaren van de schepen duurde soms dagen en de aanvoer werd steeds minder. De Enkhuizer reders hebben nog wel geprobeerd hun schepen vanuit Noordzeehavens te laten uitvaren, maar "ver van je goed is dicht bij je schade" zegt een bekend spreekwoord.

In het eind van de vorige eeuw is nog weer opnieuw geprobeerd de Noordzeevisserij vanuit Enkhuizen te bedrijven. Een rederij met hart voor de zaak bracht twee nieuwe loggers in de vaart, die met prima schippers en bekwaam personeel bemand werden, maar ook die poging liep op niets uit, want de kosten waren te hoog en ze konden het op den duur tegen de Noordzeehavens niet bolwerken.

Had het toen nog zin de drie haringen in het stadswapen te handhaven?

Dat had het stellig en dat heeft het gehad tot aan de afsluiting van de Zuiderzee in 1932. Al behoorde visserij en nering van Noordzeeharing tot het verleden, door de aanvoer van Zuiderzeeharing bleef Enkhuizen een belangrijke haringstad. In het zuidelijk bekken van de Zuiderzee vond de haring een ideale gelegenheid om zich te vermenigvuldigen en voor dat doel kwamen ze bij miljoenen de zeegaten binnen.

En de Zuiderzeevissers, met name die van Enkhuizen, waren paraat en togen met allerlei vistuig ter haringvangst. Aanvankelijk met de kuil, later met de staande reepnetten, met fuiken en zegens ving men ze en boten vol werden aan de wal gebracht.

Van die grote vangsten profiteerde Enkhuizen. Zelf had men een behoorlijke vloot, maar ook van elders, van Lemmer, Staveren, Marken, Volendam, Huizen, Bunschoten, Elburg en andere plaatsen bracht men de vangst naar de Enkhuizer visafslag. Hier waren de kooplui, die in concurrentie met elkaar flinke prijzen betaalden. Hier waren de rokerijen, die de haring tot bokking verwerkten.

Het hele land profiteerde van het smakelijke zeebanket en ook werd het in grote hoeveelheden naar het buitenland geŽxporteerd, waar met name Duitsland een grote afnemer was. Dat gaf in die tijd een grote en gezellige bedrijvigheid aan de buitenkant. Wanneer de vloot binnen was, gebeurde het meermalen, dat men zonder bezwaar van de ene kant van de haven naar de andere over de botters kon lopen.

Vaak was de haven te klein en moest men doorschutten naar Dijkgracht en Oosterhaven. En natuurlijk profiteerde de middenstand daarvan; men kon de neringdoenden regelmatig aan de haven vinden om hun waren aan de man te brengen.

Neen, we zijn over het algemeen geen bewonderaars van "die goeie ouwe tijd". De nieuwe tijd verdient in menig opzicht voorkeur, maar als wij denken aan en schrijven over de levendigheid van het havenbeeld van vroeger, dan valt de vergelijking met nu wel zeer in het nadeel uit. Daarom is het wel goed, dat ons stadswapen versierd is en blijft met de drie haringen, want die doen ons beseffen, dat wij hier wonen in een stad met een groot en goed verleden.

Een verleden dat haar betekenis ontleende aan taaie krachtsinspanning en helder doorzicht van onze voorvaderen op velerlei terrein. In het stadswapen, dat zij ons als mooi en hecht symbool van hun energie nalieten, houden zij ons, hun nazaten, een spiegel voor, opdat wij ons voortdurend naar hun voorbeeld zullen richten.

Jn. Kofman.

Ansjovis vangst in Enkhuizen.

 

 

Nieuwe Spoorhaven, Enkhuizen.

 

 

Uitzeilende botters, Enkhuizen.

 

 

Haven vanaf het station gezien.

 

 

Sluis, Enkhuizen.

 

 

 

 

Venedie, Enkhuizen.

 

 

Weeshuis, Enkhuizen.

 

 

Nieuwe Rietdijk met Ziekenhuis, Enkhuizen.

 

 

Westerstraat, Enkhuizen.

 

 

Westerstraat, Enkhuizen.

 

 

Station en Veerboot, Enkhuizen.

 

 

Torenstraat met St. Pancrastoren, Enkhuizen.

 

 

De Waag, Enkhuizen.

 

 

Stadhuis, Enkhuizen

 

 

Koepoort, Enkhuizen

 

 

Zuiderspui en de Drommedaris, Enkhuizen

 

 

Breedstraat, Enkhuizen

 

 

Zuiderspui en Bocht, Enkhuizen

 

 

Bocht, Enkhuizen

 

 

Buurt Zuider Boerevaart, Enkhuizen.

 

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.