Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

De 'Poepjesen'

 

 

 
 

De familie Poepjes uit Lemmer, in 1909. Bovenste rij: Lijkele, (de vader van Siebe) Douwe, (Douwe is viskoopman geworden) Klaas, (Klaas had de botter LE 18) Pieter, (Pieter had de LE 39) Jan (Jan had de LE 119) en Johannes Poepjes, (Johannes had de LE 57). Vooraan: Arend (Arend viste met een grote aak), Klaasje, pake Hans, beppe Geertje, Renskje, Jacob Poepjes (Jacob is de enige die boer geworden is). Lijkele, Arend en Jacob waren bekende schaatsenrijders.

De 'Poepjesen' waren van oorsprong, net als verschillende andere Lemsters vissergeslachten als Toerings en Koornstra′s, binnenvissers. Rond 1900 richten zij zich meer en meer op de Zuiderzee. Een hele belangrijke visserij voor hen was die met haringzegen, waarvan ze enkele jaren als enige Lemsters gebruik maakte. Bekend zijn met het zegenen vanuit de binnenwateren, pasten zij dit vistuig aan voor gebruik op de Zuiderzee. Vlak voor de afsluiting ontwikkelde zij vanuit de zegen. (visserij die met kommen of kamers (deze benamingen worden vaak door elkaar gebruikt, terwijl het twee verschillende opstellingen betreft) Deze diende in eerste instantie voor vangst van ansjovis en geep.

De 'Poepjesen' stammen uit de omgeving van het Tjeukermeer, ten noordoosten van De Lemmer. Stamvader is de grootvader van Siebe, aanvankelijk ook een binnenvisser. "Maar toen hebben ze dat afgeveend en is hij boer geworden op het land. Dat was hij toen zijn jongens jong waren; hij viste d′r nog bij in die dichtzetten enzo".

De vader van Siebe, Lykele (1874-1940) was de derde zoon in rij van acht, terwijl het gezin ook nog twee dochters het levenslicht aanschouwde. Slechts één zoon volgde zijn vader op in het agrarisch bedrijf, de andere zeven werden visser. Pas later stapte één van hieruit over in de vishandel.

Men pakte de zaken energiek aan, ja, een vrij forse visserij hadden ze allemaal hoor. Verschillende broers van Lykele huisden in woonarken en stichten grote gezinnen: "Eén het dertien kinders had, dan moet je nog wat ruimte hebben! Verder waren het goede hardrijders op de schaats; ook Siebens vader was daar een kei in. Dat we hier in Makkum kwamen, was vader twee-drieënzestig. Hier kon ik ze allemaal berijen, maar ik heb vader nooit d′r af kennen rijen. Vaak geprobeerd; hij was nog fel genoeg! zelfs in de visserijcourant verscheen op 4 december 1909 een stukje over één van de schaatsende broers".

Januari-1909.

De bekende hardrijder A. Poepjes, ligt met zijn vaartuig een zogenaamde woonark geheel nieuw gebouwd en zeer praktisch ingericht tussen Lemmer en Kuinre, waar hij zich dagelijks met de visvangst in de Zuiderzee bezighoudt. Maar hij doet meer, met oog op de a.s. winter gaat hij zich geregeld trainen door lopen en fietsen, wat hij beide extra snel kan doen. In de nabijheid van zijn vaartuig heeft hij in het land een rekstok doen plaatsen, waar aan hij dagelijks werkt. Levertraan en droogspek gebruikte hij veel, alcoholhoudende dranken nooit. Hij is vol hoop op a.s. winter campagne, want hij meent in bijzonder goede conditie te zijn. Einde bericht dat overgenomen werd uit het Nieuws van de Dag.

Links is Arend Poepjes en Ph. Holst is rechts te zien.

Siebe is in zijn jonge jaren wel eens met zijn vader mee geweest om in het binnenwater te vissen. "Ik was 14 jaar toen gingen we ook in de binnenwaters. Maar dan kwam je ook wel es in water waar je eigenlijk niet in mocht, want dat was water daar viste een oom van ons in. Dat was in de Tjonger, dat is al niet zo breed. ′t Liep tegen de dag en toen pakte twee politie's ons. ′t vroor en mijn broer had nog in het water gelegen, ik half en half, om in die boot te komen, die twee knapen ′t revolver in de lucht afschieten. Maar wij hadden toch niet weg kunnen komen, vader gaf het anders niet zo makkelijk op. In ieder geval de zegen weg; hebben we later terug gekregen, maar de vis niet. En ik was dan te jong, maar vader en mijn beide broers ieder honderd vijftig gulden boete!"

Volgende zegsman in het rijtje is Willem Toering (geb.1920) die bij zijn vader aan boort kwam van de botter LE 62 op een moment dat de afsluitdijk al een paar jaar dicht was. In de jaren zestig maakte hij de overstap naar de Wadden en vervolgens naar de Noordzee visserij. Het lag toen meer voor de hand om naar Harlingen te verhuizen en daar woont hij nog. Vanuit zijn huis aan de Noorderhaven houdt hij precies in de gaten welke botters er binnen komen.

De vier gebroeders Poepjes bij het halen van het botwant. Links, Jurjen, Pieter, Siebe en Hans.

Het visserijbedrijf van Lykele Poepjes.

Toen vader Lykele Poepjes voor zichzelf begon, of kort na die tijd, liet hij in Joure een nieuwe botter voor zich maken, dat was in 1899. Vader viste toen ook nog op de dichtzetten op paling, in ′t binnenwater. In de begin jaren viste hij met knechts, maar toen de zoons opgroeide, werden die stuk voor stuk in het bedrijf opgenomen. Zo was Siebe op een bepaald moment alleen met zijn vader aan boord van de botter om bij Genemuiden ten anker liggend de fuikenvisserij op paling uit te oefenen. "Dat gebeurde met de herfstdag. Dan waren wij samen en mijn andere broers visten met zo′n Lemsteraak van ′n oom van me."

Het gezin van Lykele Poepjes en Jacoba Zandstra, telde vijf zoons, Geert (geb.1901) Hans (geb.1906) Siebe (1908) Pieter (?) en Jurjen Jacob (1912). Ook werden er vier dochters geboren, Gepke, Geertje, Klaasje en Annie. De oudste zoon begon voor zich zelf, terwijl de andere vier op een gegeven moment samen op de botter visten. "Vader viste altijd apart. Die had altijd fuiken met vis met een punter, ′t hele jaar door bij de Lemmerse haven. Hij had zelf een vergunning en een nummer. Dat was alleen maar de haven uit varen en direct om de dam heen. Als het hard waaide moest één van ons helpen, en met zetten; dat was makkelijk. als je dan met hoekwant binnen kwam, was ′t kom maar even mee. dat was nou niet zo vaak, maar toch....; ik hé veel invallen, ik was de invaller."

Op de botter moest een van de broers leiding geven. "Nou ik stond meest voor schipper. Twee waren jonger dan mij en Hans was twee jaar ouder als mij, maar dat was nou niet de genen die zo berekend was, ook met boekhouden enzo niet. Eén van de beoefende visserijen was het bothoeken. Wij hoekte wel, maar niet zo veel, wij waren niet de echte hoekers. In de herfst deden wij weer met fuiken vissen op aal en paling, dat werd ook nogal vrij laat dat wij dat deden. Tot de winter en als wij dan dachten d′r komt haring, want dat hoorde je wel van de kuil vissers, dan zeiden we ′t word aanstonds. Vader had de boel al klaar liggen en dan gingen we met de reepnetten. We hebben wel eens gehad dat we in oktober, november al begonnen met de haringnetten en dat je dat trof. We hebben de netten ook wel eens verspeeld, door het ijs, maar het is ook wel es heel goed geweest."

De Poepjesen visten als één van de weinige Lemsters met reep, en staande ansjovis netten bewesten het Vrouwenzand. "We hebben het ook wel eens geprobeerd met de (wonder) kuil, dat moest dan om spiering hoofdzakelijk. Maar dat lag ons niet goed. Ook oefende ze geen enkele vorm van sleepnetten uit. Was de fuiken visserij afgesloten en er was nog haring in zee, dan ging men zolang mogelijk door met hoeken. Bot ving je de hele winter door, daar zat dan ook schar bij. Maar dat heb ik nooit gedaan later meer; na die 14 jaar dat ze ons pakte, heb ik ′r niet meer geweest, dan was ′t op′e Suidersee."

Een heel belangrijke visserij voor de Poepjesen, was die met haring zegen, waarvan ze enkele jaren als enige Lemsters gebruik maakte, bekend met het zegenen van uit de binnen wateren, pasten ze dit vistuig aan voor gebruik op de Zuiderzee. Vlak voor de afsluiting ontwikkelden vanuit de zegenvisserij, die met kommen of kamers (deze benamingen worden vaak door elkaar gebruikt, terwijl het twee verschillende opstellingen betreft) Deze diende in eerste instantie voor de vangst van ansjovis en geep.

Een en ander werd mede in de hand gewerkt door de opkomst van motorkracht in de Zuiderzeevisserij. "Voor ′t dat je daar last mee hadden, was dat je de boel vernield kregen. Dat ging bij de nacht natuurlijk; je moest bij de netten blijven als je staande netten hadden. Daarom klaagde alle vissers. Maar we hadden allemaal daan kregen door de Urkers en Heldersen, Zo begonnen die al met sterke motors te vissen; die scheurde alles kapot! Daarom ben wij toen hoofdzaak met kamers begonnen."

 

Siebe Poepjes.

Naar Makkum.

De naderende afsluiting was voor Lykele Poepjes en zijn zoons reden om uit te kijken naar aanpassingen van het bedrijf. Evenals verschillende andere grote Lemster families vatte zij het plan op om richting afsluitdijk te trekken en daar, vooral op de waddenzee, de visserij voort te zetten. Vooreerst omdat we met vijf broers waren. "Toen wij hier in (Makkum) kwamen in tweeëndertig, was ik een goeie twintig jaar, dus wat moet je anders? En allemaal die hier heen gaan bennen, waren krek die grote families, met vijf of zes broers. Dat waren wij, de Poepjes, met vijf families. Wij hebben hier met dertien boten, dertien nummers weest, alleen van neven, ken je wel nagaan! Dan had je de Bootsma′s, dat waren vast vijf broers en hun vader; was het grootste bedrijf dat hier kwam, met drie schepen, Koornstra′s, daar ben wel drie vier boten van weest."

Men hoopte aan de buitenkant van de dijk ondermeer de haring en ansjovisvisserij uit te kunnen blijven oefenen. Van de visserij op het IJsselmeer bestonden geen hoge verwachtingen. "Dood water word dat, zeien we almaar. Dat had ook zo kommen ook, als die paling niet zo toe zet had en de snoekbaars; in negenendertig was d′r zoveel snoekbaars! We hebben hier al in tweeëndertig al vist, alleen als Lemsters, was de dijk nog open. Hé we eerst op de wadden vist, op ansjovis, toen ze binnen kwamen. En in oktober vingen we nog geep, toe was ie al dicht, maar die konden er niet meer uit."

Dat de paling visserij op het IJsselmeer na verloop van jaren zo winstgevend zou worden, had niemand voorzien. "We hadden de fuiken van vader wel direct mee nomen. Toen we dat probeerde, liep dat wel, maar toch lang niet zo als later. Hoewel de bedrijfsactiviteiten verlegt werden, bleef men vooralsnog in 'De Lemmer' wonen; pas na verloop van enkele jaren verhuisde de eerste naar Makkum. Wij ben getrouwd in vierendertig en de volgende dag gingen we hierheen, was alles klaar. Met ons of na ons zijn d′r hier een stuk of zestien van Lemmer gekomen. Vader Lykele volgde in 1936 of 1937.

We waren niet de eersten, onze buurman was even voor ons, dat was ′n Koornstra. Die Bootsma′s waren ook ongeveer die tijd. D′r was een nieuwe buurt en voor de Makkumers, dat zeide ze zelf toen we daar kwamen, waren die huizen te duur. Dat was toen 3 gulden per week, water en alles vrij. Daar woonde wij in het eerste huis, Koornstra, Bootsma, Van der Bijl, daar zat een conducteur tussen, kwamen er weer Bootsma′s, twee Koornstra′s, van de tien woningen waren er twee of drie anderen tussen! Hier waren helemaal geen visserslui voor die tijd, een of twee kleintjes met een paar netjes."

Omdat de Waddenzee voor de oorspronkelijke Zuiderzeeharing geen paaimogelijkheden bood, stierf dit visje na verloop der jaren uit. "Een jaar of wat is het goed geweest, heel best, we vingen haringen genoeg. Maar met een jaar of zeven was het gedaan. In 1963 heb ik nog op ansjovis gevist, dus dat is nog lang gebleven, de haring en de ansjovisvisserij op het wad gebeurde met kamers en kommen."

Tegen de verwachting in was het dus het IJsselmeer waar men voor een groot deel van de verdiensten op aangewezen bleef. In de eerste plaats de fuikenvisserij op paling, ′s Winters snoekbaarsslepen. "Dat hebben we een hoop gedaan. We hadden zelf twee kotters, en ook wel met collega′s, dat mijn broers buiten visten en ik binnen. Eén twee jaar hebben we dat gedaan, maar dat voldeed niet; een hoop knechten en een hoop werk. Ik zei we konden het met zijn vieren wel af, dat is dan wel goed."

Na verloop van jaren viel het familiebedrijf uit een. "Eén broer verdronk, en anderen stopte met vissen. Ik heb vier keer de zaak over moeten nemen, die anderen broers uit moeten kopen, ik ben alleen overgebleven, in 1963 ben ik gestopt. M′n zoon hé heb ik ′n jaar of twee aan boord gehad, maar die zag er tegen op om alleen te beginnen. Nou dan ben je geen visserman."

Door: Siebe Poepjes.

●●●

Bij het uit breken van de oorlog in mei 1940 woonde L.E. Poepjes in één van de noodwoningen aan de binnenhaven. Een Duitse commandant (een jong snuitertje noemde Poepjes hem) kwam bij hem en zei: "Je moet mee als loods naar Amsterdam." Maar Poepjes hield zich van de domme en zei, "Als ik wist waar Amsterdam lag zat ik vast niet hier in Lemmer. Nee hoor ik ben maar een zoetwater matroos" zo kwam hij er mooi van af.

Poepjes woonde dus aan de binnenhaven en hij had eigenlijk wel genoeg van het stampen van de spijkerlaarzen vlak langs zijn deur. Als oud vissersman (ook slachtoffer van de afsluitdijk) ontving hij Zuiderzeesteun. En viste hij nog wat op de grote Brekken. Zo kwam hij iedere dag langs de Mutserd. Het oude boerderijtje daar stond leeg en daar wilde hij gaan wonen.

Zijn vrouw wilde ook wel; tijdelijk.! Maar dat is wel een hele tijd geworden! Daar in de vrije natuur had hij geen last van spertijd en hoorde hij geen gestamp van spijkerlaarzen. Eenzaam? Dat viel nogal mee, hij hielp onderduikers en etenhalers van de voorzijde van de Brekken het water over.

Er was altijd wel iets om over te praten en, tijd genoeg om te blijven plakken. De andere zijde van de medaille: beschietingen van boten uit de lucht, luchtgevechten en later toen het stoomgemaal niet meer draaide, last van het hoge water. Zijn boot had hij met een stuk touw aan de klink aan de deur gebonden. Zo kwam Poepjes met zijn vrouw de oorlog door.

Hij verteld er kostelijk over. Wat bijvoorbeeld te zeggen van de eerste Canadees waar hij kennis mee maakte? Heel alleen kwam hij het pad naar de Mutserd op wandelen en wilde eieren kopen, maar Poepjes moest nee verkopen, want zei hij . De moffen hebben alle kippen meegenomen en waar moeten dan de eieren vandaan komen?

 

Op de achtergrond is de visserswoning van Jan Poepjes, te zien.

 

Hans Poepjes, met zijn netten aan de slag.

 

 

Onderstaand verhaal en foto's zijn opgestuurd door Coby Westerhof.

Een leuk verhaal is dat een van de schepen (WON 49 of 47 dat weet ik niet meer) van onze familie nu op de pier van Scheveningen staat daar als een soort speeltuig voor kinderen. De motor staat mooi opgepoetst in de hal van Rijkswaterstaat te Den Haag. Het schip is eind zeventiger jaren aangekocht door de gemeente Scheveningen om als een symbool voor de visserij een plekje te krijgen op de pier even voorbij het Kurhaus. Hun oog was gevallen op dit schip omdat het een kotter betrof die veel weg had van de schepen waarmee de Scheveningers visten op de Noordzee, maar die wat kleiner van formaat was. Ome Siebe was de laatste eigenaar en heeft het schip feestelijk onthuld door een lint door te knippen.

Mijn vader heeft dat helaas niet meer meegemaakt, hij zou het prachtig gevonden hebben. Vorig jaar heb ik contact gezocht met de wethouder van de deelraad Scheveningen omdat ik vond dat er een plaat op die boot moest komen met de namen van de gebroeders Poepjes omdat het hier gaat om een-schip een schip waarvan een hele familie afhankelijk was geweest voor het inkomen en het zware leven wat de visserij toch altijd met zich meebracht. Hij vond dat niet nodig uiteindelijk, Jammer hé. Als je het de moeite waard vindt wil ik wel proberen een foto van het schip in Scheveningen boven water te krijgen via de dochter van Siebe. Mij raakt het nog altijd als ik bij dat schip sta, een deel van mijn vroege jeugd heb ik er op doorgebracht met mijn heit als ik eens mee mocht. Ik werd dan in de stuurhut met een leren broekriem op een plankje vastgebonden en kon zo naar buiten kijken als ze in de roeiboten gingen om de netten te lichten. Maar ook de zondagen als we met de het hele gezin naar Kornwerderzand vaarden om daar te zwemmen en de dag door te brengen.

Coby heeft de volgende link nog naar www.archieven.nl  -Hier is een filmpje te zien in drie delen waarop U in het laatste deel beelden ziet van de gebroeders Geert, Jurjen, Siebe en Pieter Poepjes, tijdens het legen van de fuiken. Het filmpje is van Hein Faber.

Meer inlichtingen over de WON 49:

www.kustvaartforum.com

www.bronsstichting.nl


V.l.n.r. Geert, Hans, Siebe, Beppe Jacoba, Jurjen, Gepke en Pieter.

 


Zwarte Lykele Poepjes.

 

 

De haven van Makkum met de won 47 alle broers Poepjes.

 

 

Op de haven van Makkum, staand tegen de muur Siebe en Geert.

 

 

De haven van Makkum.

 

 

Pieter Poepjes.

 

 

V.l.n.r: Pieter, 2e man niet bekend, Jurjen Poepjes, 4e man niet bekend, Siebe en Hans Poepjes.

Geertje de Blaauw, dochter van Hendrik de Blaauw en Koosje Kingma, vertelt: De man voor de mast is mijn oud oom Jurjen Poepjes. Mijn vader had vroeger de LE67.


Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.