|
FEDDE SCHURER.
Schurer, Fedde, Fries
schrijver (Drachten 25-07-1898 - Heerenveen 19-03-1968). Zoon
van Bauke Schurer, geboren op 10-12-1864 te Leeuwarden,
overleden op 11-02-1940 te Heerenveen (Bauke was knecht op een
scheepshelling), en Grietje Wagenaar,
geboren op 23-09-1861 te Lemmer, overleden op 04-03-1941 te
Drachten.
Uit het huwelijk van Bauke
en Grietje
1. Wimke Schurer.
2. Klaske Schurer.
3. Tjipke Douwes Schurer.
4. Fedde Schurer (Fedde
is jong overleden)
5. Naamloos Schurer.
6. Fedde Schurer
(Drachten 25-07-1898 - Heerenveen 19-03-1968) timmermansknecht in Lemmer.
Fedde huwde op 03-07-1924 met Willemke de Vries.
Het echtpaar zou enkele
jaren later een zoon adopteren,
Andries Schurer.
Fedde
volgde een avondcursus voor onderwijzer en werd in 1919
benoemd aan de bijzondere lagere school aldaar. Vanaf 1920
vond publicatie plaats van gedichten in Yn ús eigen Tael,
Tsjûgenis en Frisia.

De Fedde
Schurer Cultuurprijs.
www.riagroenhof.nl

LEMMER. De Fedde
Schurer Cultuurprijs wordt
tweejaarlijks uitgereikt aan iemand
die zich dienstig heeft gemaakt voor
de kunst en cultuur in de gemeente
Lemsterland. De cultuurcommissie
heeft dit jaar Johannes de Vries uit
Lemmer voorgedragen.
De Vries werd
genomineerd vanwege zijn jarenlange
actieve betrokkenheid bij het
culturele leven in de gemeente
Lemsterland. Hij schrijft wekelijks
de column ‘Lemmer door de jaren
heen' in deze krant. Ook zet hij
zich al jaren in voor de
oudheidskamer, de Fryske krite en
het Nut. Daarnaast is hij voorzitter
van Radio Lemsterland en presenteert
hij het verzoekplatenprogramma
Musicwille.
Columns van
Johannes de Vries.
Fedde
Schurer-jaar
In het jaar 1898 werden in
Leeuwarden Maurits Esscher en Jan Jacob Slauerhoff
geboren, 27 kilometer meer naar het westen, in
Harlingen, aanschouwde Simon Vestdijk het
levenslicht en ongeveer even ver van de Friese
hoofdstad verwijderd, maar dan in zuidelijke
richting, in Drachten, kwam in datzelfde jaar Fedde
Schurer ter wereld. Cultureel Nederland heeft heel
wat te gedenken in 1998. In literair Friesland gaat
de aandacht vooral uit naar Fedde Schurer.
Hij mag dan
in Drachten geboren zijn, het grootste deel van zijn
jeugd en zijn jongelingsjaren bracht hij door in
Lemmer en daar hebben inmiddels de eerste
festiviteiten al plaats gevonden. Zijn liederen zijn
door het Lemster koor weer op het repertoire
genomen, een voor deze gelegenheid opgericht
toneelgezelschap speelde nog eens Schurers zestig
jaar geleden geschreven Thúsreize (Thuisreis), en
oud-conservator Freark Dam van het Frysk
Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum hield
een boeiende lezing over leven en werk van de man
die - hoewel bovenal dichter - zoveel meer is
geweest dan alleen maar een Friese poëet.

In het
middelste huisje op de eerdere Zuiderzeedijk
te Lemmer, heeft Fedde Schurer gewoond van
1904 tot 1924 met zijn ouders, broers en
zusters
Er staat nog
meer te gebeuren: in Veenwouden zal het
literair-historisch symposium, dat daar elk jaar in
de lente wordt gehouden, dit jaar op 16 mei geheel
gewijd zijn aan Fedde Schurer en uiteraard is het
onderwerp van de zomertentoonstelling in het
Letterkundich Museum in Leeuwarden dit jaar ‘Fedde
Schurer - Libben en wurk’ (Fedde Schurer-Leven en
werk). Zijn autobiografie De besleine spegel (De
beslagen spiegel) wordt herdrukt in de serie ‘Fryske
Klassiken’ (Friese Klassieken), er komt een
bloemlezing uit van de mooiste, bekendste, meest
aansprekende gedichten van zijn hand onder de titel
It dûbeld paradys (Het dubbele paradijs) en er
verschijnt een boek over de gebeurtenissen op
‘kneppelfreed’ (knuppelvrijdag) in 1951, toen een
rechtszaak tegen Fedde Schurer uitliep op een
‘veldslag’ tussen de politie en toegestroomde
sympathisanten van de beklaagde die met een scherp
geschreven artikel in zijn krant het recht van de
Friezen bepleit had om voor de rechtbank hun eigen
taal te gebruiken. En dan zijn er nog plannen om ook
een boekuitgave te maken van de talrijke op muziek
gezette liederen van Schurer. Het wordt een echt
Fedde Schurerjaar!
Groepsportret
Fedde Schurer is
honderd jaar na zijn geboorte (en ook alweer dertig na
zijn plotse dood) zeker niet vergeten. Wie was die man
wiens leven al in 1971 werd vastgelegd in een
schrijversprentenboek, wiens verzameld dichtwerk in 1974
werd uitgegeven en voor wie al in datzelfde jaar 1974
een standbeeld werd opgericht in zijn laatste woonplaats
Heerenveen?
Een groepsfoto kan
soms veel zeggen. In het hierboven genoemde
schrijversprentenboek staan verscheidene van dergelijke
groepsportretten en omdat het leven van Schurer het
onderwerp is, ligt het voor de hand, dat op die foto's
belangrijke momenten uit diens leven zijn vastgelegd en
dat de man zelf er een centrale plaats op heeft. Bij de
hier gereproduceerde foto ligt dat toch een beetje
anders. Het loont de moeite die foto nauwkeurig te
bekijken. Hij is genomen in 1951 bij Bert Bakker in Den
Haag en de in de tuin aanwezigen worden beschouwd als
vertegenwoordigers van het literaire verzet in
Nederland.

Bovenaan
staan van links naar rechts: Victor E. van Vriesland, Jan
Engelman, Gerrit Kamphuis, Anthonie Donker, Ed. Hoornik en
Theun de Vries; in het midden zitten op stoelen Kitty de
Josselin de Jong en Rie Cramer en vooraan zitten op kussens:
A. Roland Holst, Anton van Duinkerken, Fedde Schurer,
Martinus Nijhoff en Yge Foppema. Van Vriesland is duidelijk
aan het woord, Kamphuis, Rie Cramer en Theun de Vries
luisteren naar hem, terwijl Engelman ondertussen ook nog de
fotograaf in de gaten houdt. Datzelfde doen Donker, Hoornik,
Roland Holst, Van Duinkerken en Schurer. Nijhoff kijkt naar
Schurer, Kitty de Josselin de Jong heeft misschien ook net
nog even iets gezegd en Yge Foppema zit er wat ongemakkelijk
bij in een onhandige kleermakerszit. Fedde Schurer is heel
erg aanwezig op die foto. In tegenstelling tot de beide
andere Friezen, Theun de Vries en Yge Foppema, lijkt hij
zich in dat gezelschap geheel op zijn gemak te voelen. Hij
heeft z'n pijp in z'n mond gehouden, terwijl alle andere
rokers hun sigaret. in de hand hebben genomen.
Nu
heeft Schurer wel verzetspoëzie geschreven: er is werk van
hem opgenomen in het Geuzenliedboek 1940-1945 en na de
oorlog heeft hij met acht anderen de ‘Verzetsprijs voor
letterkundigen’ gekregen, maar van de hier geportretteerde
was hij noch de grootste verzetsheld, noch de grootste
dichter. Toch zit Schurer daar alsof de groep om hem heen is
opgesteld en dat terwijl hij eigenlijk bepaald
‘underdressed’ is. Behalve Hoornik dragen alle heren een
kostuum, de meeste zelfs een driedelig en hij is de enige in
een combinatie met een artistiek ribfluwelen jasje en een
wollen slip-over. Hij heeft geen lefdoekje in zijn
borstzakje, maar een pen. Desalniettemin kijkt hij vol
zelfvertrouwen in de lens en dat is kenmerkend voor hem.
Schurer was een man die het leven accepteerde, die moeilijke
dingen graag gauw wilde vergeten en die oprecht genoot van
het goede en mooie dat hem overkwam.
Persoonlijkheid
Anne Wadman heeft in 1956 in
een uitzending van de Regionale Omroep Noord een
mooi portret van Schurer geschetst, waarvan hij
later schreef, dat het wel wat geflatteerd was, maar
niet onwaar. Ik zal het begin daarvan weergeven,
omdat het zo mooi aansluit bij de indruk die de foto
ons al gegeven heeft van de persoonlijkheid van
Fedde Schurer:
‘De dichter
Fedde Schurer is buiten Friesland de man die het
meest direct met de Friese beweging wordt
geïdentificeerd. Voor velen in den lande is hij de
verpersoonlijking, het levende symbool van het
begrip Friesland. Een opinieonderzoek naar de
populairste, althans bekendste Fries zou vrij zeker
een grote meerderheid voor Schurer opleveren, al is
de kans groot, dat hij op de voet zou worden gevolgd
door Abe Lenstra. Wat is de oorzaak van deze
populariteit? Misschien niet eens allereerst zijn
gedichten als zodanig. Men mag gerust aannemen, dat
de niet-Friezen in overgrote meerderheid met deze
gedichten onbekend zijn en dat zelfs zijn Hollandse
poëzie, de verzetsverzen incluis niet die bekendheid
geniet, die een dusdanige populariteit zou kunnen
verklaren. Ik meen, dat zijn dichterschap buiten
Friesland grotendeels legendarisch is en dat de
oorzaak meer ligt in zijn verschijning, in zijn
menselijke persoonlijkheid. Schurer is
een man van uitersten, die toch wonderlijk genoeg
zijn eenheid weet te bewaren. Hij combineert de
grootst mogelijke strijdvaardigheden met een
zeldzame, warme en milde menselijkheid. Hij is een
man, die de zeer vergeeflijke ijdelheid van de
artiest paart met de eenvoud en de nederigheid van
de gelovige christen. Hij is een man die zich zonder
kameleon allures in de meest verschillende milieus
thuis voelt. Zijn woord als politiek journalist
geniet ontzag in het hele land, bij voor- en
tegenstanders. Hij is een slagvaardig en gevreesd
debater in het politieke leven, bij wie emotionele
en zakelijke factoren gelijkelijk tot hun recht
komen. Hij is een man van rake formulering, die
precies de spijker op de kop kan slaan, maar die
zich ook graag en van harte vergist. Geen sluw
politicus, maar een emotioneel mens wie het concrete
lijden van de mensheid ter harte gaat. Geen
specialist, al interesseert hij zich vanzelfsprekend
vooral voor de culturele noden der gemeenschap. Hij
is een man die zich als een vis in het water beweegt
in de artiestenmilieus in Holland, maar ook op vele
en velerlei conferenties. Een man die waar nodig de
kansel beklimt om een preek te houden en die bereid
is een begrafenis te leiden.Hij is een
man die bij een officiële gelegenheid een trui met
hoge hals durft te dragen en de minister aan zijn
mouw trekt met de vraag: ‘Excellentie, als ik niet
stoor wou ik U graag even spreken’. Hij is ook de
man die zich thuis voelt in het sociaal geheel ander
klimaat van de Friese beweging, het krite en
kampleven, waar hij zijn eigen liederen zingt bij de
accordeon of desgewenst het harmonium. Hij is het
geestig middelpunt van onverschillig welk heterogeen
gezelschap.Dit alles
verklaart nog niet zijn populariteit als dichter
binnen Frieslands grenzen. Toch ligt het op dat punt
evenzo. Zijn gedichten bezitten, zelfs in hun zwakke
momenten, de veelzijdigheid van de complete mens.
Schurer beheerst als dichter alle registers van
menselijk gevoel. Hij is de sentimentele bezinger
van volks lief en leed, de keiharde, meedogenloze
spotter met de aanmatiging van het gezag, de
religieuze dichter van het Goddelijk geheim, de
onbarmhartige ontleder van eigen en andermans schone
schijn. Hij is een man die de limericks uit zijn
mouw schudt, maar die ook de meest verheven stof,
die van de Heilige Schrift, in dramatisch bewogen
vorm weet te gieten, getuige zijn belangwekkend
Simson drama en zijn meesterlijke psalmberijmingen.
Hij is volksdichter, in de ruimste zin van het
woord, die het gewone volk aanspreekt, maar tegelijk
het vermogen bezit de fijnproevers van het subtiele
woord te bevredigen. Daarbij is hij bij uitstek het
type van de dichter zoals men die graag ziet: de
vurige jongeling met de fonkelende ogen en de
wapperende haren, de dichter-door-dik-en-dun.’
Leven.
Door de foto en de
beschrijving van Anne Wadman hebben we nu wel een
aardig compleet beeld gekregen van de
persoonlijkheid van Fedde Schurer. Nu interesseert
ons nog de vraag wat iemand met zoveel gaven van
hoofd en hart voor leven heeft gehad en vooral wat
hij van dat leven gemaakt heeft.
Welnu: Fedde
Schurer is op 25 juli 1898 in Drachten geboren als
jongste van vier kinderen in het gezin van Bouke
Schurer en Grietje Wagenaar. Zijn vader was knecht
op een scheepswerfje, moeder deed de huishouding. De
Schurers waren gereformeerd, gezagsgetrouw,
bescheiden en vroom met een piëtistische inslag.
Fedde Schurer heeft later meer dan eens beschreven
hoe hij als kind genoten heeft van het in het
schemeruur met elkaar zingen van godsdienstige
liederen. Hij kwam uit een warm nest. Vanaf 1904
woonde de familie in Lemmer, het dorp waar de moeder
geboren was. Fedde is nog even in Drachten op school
geweest, maar het grootste deel van zijn schooltijd
bracht hij door op de christelijke school van
Lemmer. Op z'n twaalfde jaar werd hij
timmermansleerling, maar aan werken met z'n handen
beleefde de jongen weinig vreugde. Hij had niet de
ambitie ‘dingen te kunnen maken’ zou hij later
schrijven. Liever zat hij te lezen en die lectuur
bestond aanvankelijk uit stichtelijke boekjes en de
poëzie van de Nederlandse domineedichters die bij
hem thuis voorhanden waren of in de
jongelingsvereniging besproken werden. Onder invloed
van de knecht in de timmermanswerkplaats maakte hij
later ook kennis met het genre van de populaire
Friese voordrachten en met socialistisch
propagandawerk en door een bloemlezing van Verwey
ontdekte hij de ‘Tachtigers’. Van dat moment af had
de literatuur hem te pakken. Op z'n
achttiende jaar begon Fedde Schurer naar het
voorbeeld van zijn zwager Normaallessen te volgen en
toen hij in 1919 de akte voor onderwijzer gehaald
had, werd hij benoemd aan dezelfde school, waar hij
leerling was geweest. Hij haalde in 1923 de
hoofdakte en trouwde een jaar later met collega
Willy (Willemke) de Vries.
Hij is in de
jaren van zijn onderwijzerschap in Lemmer op veel
terreinen actief geweest: hij begon zelf verzen te
schrijven en te publiceren, hij sloot zich aan bij
het Kristlik Frysk Selskip en vond daarin vrienden
onder een groep jongeren die vernieuwing wilden en
op politiek gebied raakte hij betrokken bij de
Christelijk Democratische Unie.
In 1929 is
Fedde Schurer in conflict gekomen met zijn
schoolbestuur door zijn militant pacifistische
houding die hij uitdroeg in voordrachten en
publiceerde in de brochure Kristendom en Oarloch
(1929), vertaald als Christendom en oorlog (1930).
Toen hij niet wilde inbinden, werd hem met ingang
van 1 april 1930 de toegang tot de school ontzegd en
werd hij op 1 mei formeel ontslagen. Ook mochten hij
en zijn vrouw niet meer aan het Heilig Avondmaal in
de gereformeerde kerk gaan. Die zogenaamde ‘Lemster
schoolkwestie’ heeft in het hele land tot
publiciteit geleid. Schurer kreeg een aanstelling
bij het openbaar onderwijs in Amsterdam en is van
1930 tot 1946 aan verschillende scholen in de
hoofdstad verbonden geweest. Korte tijd heeft hij
ook nog als wachtgelder op het Bureau voor Dialecten
en Volkskunde, het huidige P.J. Meertensinstituut,
gewerkt.
Door de
kwestie van zijn ontslag in Lemmer is Schurer
bevriend geraakt met ds. J.J. Buskes. In Amsterdam
hebben Fedde en Wil Schurer zich onder diens invloed
aangesloten bij de ‘Gereformeerde Kerken in Hersteld
Verband’ om in 1938 over te gaan naar de Hervormde
kerk.
In die
Amsterdamse jaren kreeg hij ook contact met de
Christelijke Auteurskring en door de vriendschap met
dichters als Hein de Bruin, Muus Jacobse en Jan H.
de Groot heeft zijn werk zich verbreed en verdiept.
In 1940 werd Fedde Schurer benoemd tot lid van de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Zijn door
Douwe A. Tamminga geschreven levensbericht is te
vinden in het Jaarboek 1973-1974.
Jaren na de
oorlog, toen hij al lang niet meer in Amsterdam
woonde, werd Fedde Schurer, die als vertaler van
psalmen en gezangen ook in ‘Holland’ een goede naam
gekregen had, uitgenodigd om zitting te nemen in de
commissie die een nieuw Liedboek voor de kerken
voorbereidde. Lang heeft zijn medewerking echter
niet geduurd; hij geloofde niet in een ‘collectief
dichterschap’ en kon slecht velen, dat hij het met
zijn poëtisch geslaagde oplossingen moest afleggen
tegen exegetisch zuiverder, maar minder mooie
vertalingen. Eigenlijk was hij te veel individualist
om de discipline die voor zo'n groepsproject vereist
is, te kunnen aanvaarden.
In 1936 had
Schurer voor het CDU een zetel in de Provinciale
Staten van Noord-Holland gekregen, maar de politiek
schonk hem weinig bevrediging en een jaar later
bedankte hij al weer. Toch heeft hij, toen later de
PvdA een beroep op hem deed om zich kandidaat te
stellen voor de Tweede Kamer weer geen nee kunnen
zeggen. Van 1956 tot 1963 maakte hij deel uit van de
toen grote sociaal-democratische fractie. Hoewel hij
een begaafd spreker was, heeft hij in de Kamer
eigenlijk alleen het woord gevoerd als hij zijn
(afwijkend) pacifistische standpunt wilde
verdedigen.
Op verzoek van de stichting
Je Maintiendrai-Friesland is Schurer in 1946 naar
Friesland teruggekeerd om in Heerenveen naast Sjoerd
van der Schaaf de redactionele leiding op zich te
nemen van de Heerenveense (vanaf 1952 de Friese)
Koerier, een uit de illegaliteit voortgekomen
onafhankelijk en politiek vooruitstrevend dagblad.
Zijn hoofdartikelen werden beroemd door de briljante
stijl waarin ze geschreven waren. Schurer kwam
nogmaals in het centrum van de belangstelling te
staan toen hij in 1951 in zijn krant een
Heerenveense kantonrechter aanviel, omdat die
geweigerd had een Friessprekende beklaagde te
verstaan. Toen de schrijver zich voor de rechtbank
moest verantwoorden, is dat uitgelopen op wat
hiervoor al genoemd is als ‘kneppelfreed’. De onrust
in Friesland was voor de regering aanleiding om drie
ministers naar het noorden te sturen om de kwestie
te bestuderen. Uiteindelijk heeft dat geleid tot
wettelijke regelingen voor het Fries in het
rechtsverkeer en later ook in het onderwijs.
In het door hemzelf al in de
oorlogsjaren voorbereide literaire tijdschrift De
Tsjerne dat hij achttien jaar als redacteur diende,
speelde Schurer een leidende rol. Zijn positie begon
pas te wankelen in het ‘geweld’ van de jaren zestig
toen een nieuwe generatie zich op een stormachtige
manier manifesteerde en niet alleen ruimte, maar ook
invloed opeiste. Zo is Schurer aan het eind van zijn
leven een beetje in de schaduw geraakt: het tempo
waarin in de moderne literatuur de morele taboes
doorbroken werden lag hem te hoog en hij, die in
zijn werk altijd de nadruk had gelegd op de goede en
de mooie kanten van het leven, kon geen waardering
opbrengen voor de in zijn ogen negativistische
boeken van de jongere schrijvers zoals G.K. van het
Reve in het Nederlands en Anne Wadman in het Fries.
Na zijn
pensioen is hij begonnen zijn levensverhaal op
papier te zetten. Hij heeft dat werk niet meer
kunnen voltooien. De besleine spegel (De beslagen
spiegel in de vertaling van J.H. Brouwer) uit 1969
eindigt met de aanbieding van het Friese Psalm- en
Gesangboek in 1961, een gemeenschappelijke bundel
voor de protestantse kerken waarin vrijwel alle
vertalingen van de hand van Schurer zijn. De dichter
overleed op 19 maart 1968 plotseling aan een
hartaanval. Het zou interessant geweest zijn om zijn
eigen analyse van de veranderingen in de jaren
zestig te lezen, maar het schrijven over zo'n
moeilijke periode in zijn leven was meer dan
gevraagd mocht worden van iemand die al zoveel
gegeven had. Honderden oorspronkelijke Friese
verzen, gepubliceerd in tien bundels en in 1974 voor
een groot deel bijeengebracht in de Samle fersen
(Verzameld dichtwerk), tientallen vertalingen van
werk van andere dichters (Heine, John Donne en
anderen), alle 150 psalmen in het Fries, twee
bundels met liederen op bijbelse thema's, honderden
hoofdartikelen (waarvan in 1963 een selectie is
uitgegeven in Brood op het water, toneelstukken, een
kinderboek, korte verhalen, tientallen recensies en
opiniërende artikelen, brochures, gelegenheidswerk
en toch nog heel veel op schrift gestelde
herinneringen: dat moet genoeg zijn voor de
‘rechtvaardiging van een bestaan’ om met J.C. Bloem
te spreken. Meer nog: het is genoeg om in dit jaar
de honderdste geboortedag van de man die ons dat
alles nagelaten heeft met eerbied en een gevoel van
grote dankbaarheid te gedenken.
Kneppelfreed.
In de
Kamer de spreekbuis van een kleine pacifistische minderheid
in de PvdA. Belangrijke Friese dichter van vroom
gereformeerde huize, die in 1929 als onderwijzer aan een
christelijke school in Lemmer werd ontslagen omdat zijn
antimilitaristische opvattingen onbijbels zouden zijn. Sloot
zich aan bij de CDU en werd onderwijzer aan een openbare
school in Amsterdam. Onderging de invloed van Karl Barth en
J.J. Buskes en werd in 1938 lid van de SDAP. Na de oorlog
als hoofdredacteur Friese Koerier tegelijk politicus en
taalkunstenaar. Militant strijder voor het gebruik van Fries
in onderwijs en rechtsverkeer. Een principiële man die van
nature koos voor de onderliggende partij.
Chaos na een rechtszaak.

In
oktober 1951 moest de
Lemster veearts Sjirk
Frânses van der Burg voor
het kantongerecht in
Heerenveen verschijnen
wegens een
verkeersovertreding. Tijdens
de zitting voerde Van der
Burg het woord in het Fries.
De kantonrechter mr.
S.R.Wolthers, woonde al
lange tijd in Friesland,
maar hij gaf de veearts te
kennen het Fries niet te
willen verstaan. Van der
Burg vond echter dat hij in
Friesland het recht had
Fries te spreken. Daarop
schorste Wolthers de
zitting. Hoewel de rechter na de
schorsing stelde dat alleen
de Nederlands gesproken
verdediging mee zou tellen,
bleef Van der Burg Fries
spreken. Uiteindelijk werd
de rechtszitting afgesloten
toen de veearts de geëiste
boete van zeven gulden
betaald had. De
rechtszitting was afgerond,
maar de kwestie van het
Fries in de rechtszaal was
in beweging gezet.
De zaak
tegen Van der Burg werd
verslagen door een aantal
journalisten. Fedde Schurer,
het boegbeeld van de
Heerenveense Koerier was één
van hen. Van zijn hand
verscheen een provocerend
hoofdartikel tegen de
arrogantie van de
rechterlijke macht die
weigerde de taal van het
volk te verstaan. Het stuk
was zo fel dat Schurer zelf
voor de rechter moest
verschijnen wegens
belediging van de
rechterlijke macht. Dit was
precies de bedoeling van
Schurer. Hij had de
rechtszaak bewust uitgelokt
omdat hij de rechter een
uitspraak over de positie
van het Fries in de
rechtspraak wilde laten
doen.
Op
vrijdag 16 november 1951
moest Schurer voor de
politierechter van de
Leeuwarder rechtbank
verschijnen. Hij werd
veroordeeld tot twee weken
gevangenisstraf
voorwaardelijk met drie jaar
proeftijd, terwijl de
substituut officier van
justitie met 150 gulden
boete had willen volstaan.
Omdat de rechtszaak tegen
Schurer in een klein zaaltje
gehouden werd, konden veel
belangstellenden niet in de
zaal aanwezig zijn en
verzamelde zich voor het
gerechtsgebouw een grote
menigte.
Aan het
einde van de middag liep het
uit op een confrontatie
tussen politie en de
aanhangers van Schurer. De
brandweer werd ingezet om
met waterspuiten de
demonstranten uit elkaar te
drijven en de politie sloeg
met knuppels in op de
demonstranten. De chaos en
ontzetting waren groot.
Vrijdag 16 november 1951
ging de geschiedenis in als
`kneppelfreed'
(knuppelvrijdag).
Kneppelfreed versnelde de
totstandkoming van
wettelijke regelingen
omtrent het gebruik van het
Fries.
'Talentvol en gevaarlijk
spreker'

De
gevolgen van Kneppelfreed
kunnen natuurlijk niet
worden beschreven zonder een
portret te schetsen van de
man die het allemaal in
werking zette: Fedde
Schurer. "It bêste fers dat Fedde
Schurer skreaun hat wie syn
libben" oftewel: "Het beste
vers dat Fedde Schurer
geschreven heeft was zijn
leven", schreef de auteur
E.B. Folkertsma. Dichter,
schrijver, onderwijzer,
politicus en journalist,
Fedde Schurer (1898-1968)
was het allemaal. Schurer
groeide op in Lemmer. In de
vroege jaren twintig
ontwikkelde hij een grote
interesse voor de Friese
taal en literatuur. Schurer
werd door het Kristlik
Selskip actief in de Friese
beweging, die tot doel heeft
de Friese taal en cultuur te
versterken.
Als in
1925 Schurers eerste
gedichtenbundel 'Fersen'
uitkomt, zegt hij in een
interview: "Wij zijn
Friezen, en wij zijn
geroepen van Godswege, om
Friezen te zijn en om ons
als Friezen te gedragen.
Staatskundig zijn wij
Nederlanders, geestelijk
staan wij op onszelf. Dit
geestelijk zelfbestaan uit
zich het duidelijkst in onze
taal, en die heeft daarom de
eerste plaats in onze Friese
strijd. Haar moeten we trouw
blijven, in het gehele
leven."
Eind
jaren twintig sluit Schurer
zich aan bij de Christelijk
Democratische Unie en bij de
kamerverkiezingen van 1929
is hij de lijstaanvoerder.
Schurer houdt voor de CDU
door het hele land
spreekbeurten over
vraagstukken rond
christendom en oorlog. Maar
zijn, op christelijke
gronden gefundeerd
pacifisme, gecombineerd met
zijn sympathie voor de
Gereformeerde Kerken in
Hersteld Verband, brachten
hem in problemen binnen zijn
eigen Gereformeerde kerk. De
kerkenraad onthield Schurer
op grond van zijn politieke
opvattingen het Heilig
Avondmaal en dan volgt ook
zijn ontslag als onderwijzer
in Lemmer. De rel rond
Schurer ontgaat ook de
Binnenlandse
Veiligheidsdienst (BVD)
niet. In een BVD-dossier
wordt Schurer gezien als:
"Talentvol en gevaarlijk
spreker, vooral gevaarlijk
voor jonge menschen".
Na zijn
ontslag verlaat Schurer
Friesland en vestigt hij
zich in Amsterdam, waar hij
16 jaar zal blijven. Daar
schrijft hij veel en blijft
hij ook actief in de
politiek. Onder andere door
de leus 'Geen Führer, maar
Schurer', wordt Schurer in
1935 gekozen als lid van de
Provinciale Staten van
Noord-Holland voor de CDU.
Een aantal jaren later stapt
hij over naar de SDAP.
Tijdens de Tweede
Wereldoorlog is Schurer als
schrijver actief in het
verzet en na de oorlog
ontvangt Schurer de
regeringsprijs voor
Nederlandse
verzetsliteratuur. Als hem
vlak na de oorlog het
gedeelde hoofdredacteurschap
van de Heerenveense Koerier
aangeboden wordt, keert
Schurer terug naar
Friesland. Naast zijn
hoofdredacteurschap is hij
ook actief in de PvdA en
vormt hij tevens het hart
van het Friese literaire
leven.
Door
Schurers stilistisch
briljante en scherpe
hoofdartikelen krijgt de
Heerenveense Koerier grote
bekendheid, zowel in als
buiten Friesland. Dat is
zeker het geval na Schurers
bekende hoofdartikel "De
laatste man van de Zwarte
Hoop". Dit is het artikel
over de rechtszaak tegen de
veearts Van der Burg, het
artikel waar Kneppelfreed
mee begon.
Friesland onafhankelijk?

Journalist
Pieter Terpstra.
De
rellen in Leeuwarden werd de
volgende dagen breed
uitgemeten in de landelijke
pers. Een aantal politici in
Den Haag was bevreesd:
Friesland zou zich toch niet
willen afscheiden van
Nederland? Op de dag dat
minister Teulings van
Binnenlandse Zaken belooft
een onderzoek te zullen
instellen naar de Friese
taalkwestie en het
politieoptreden, wordt er in
Leeuwarden een
protestbijeenkomst gehouden.
Het is dan precies een week
na Kneppelfreed. De
protestbijeenkomst was door
diverse gezelschappen uit de
Friese beweging
georganiseerd. Boven het
podium hing een groot
spandoek: 'Lyk rjocht foar
elk. Ek foar in lyts folk.'
(Gelijk recht voor allen.
Ook voor een klein volk). Op
de bijeenkomst namen
tweeduizend aanwezigen een
motie aan, waarin zij zeiden
achter het veroordeelde
artikel in de Heerenveense
Koerier te staan. Er werden
verschillende toespraken
gehouden. De woorden van J.
Piebenga, hoofdredacteur van
de Leeuwarder Courant, deden
politiek Den Haag huiveren:
"Vaders
en moeders (...)
boerenarbeiders en
winkeliers, schippers en
jullie allemaal, sta als
Friezen, want jullie hebben
de geschiedenis van ons volk
achter jullie. Twintig
eeuwen van Friese strijd
kijken op jullie neer. En
zouden jullie dan niet
strijden?"
Enkele
dagen later, tijdens de
begroting van het Ministerie
van Justitie voor het jaar
1952, steekt het Friese
kamerlid en
oud-ministerpresident P.S.
Gerbrandy een lang betoog af
over Fries praten en het
recht daarop in de
rechtszaal. Gerbrandy
pleitte voor het recht om in
ieder geval de eed in het
Fries af te mogen leggen:
"Het recht van het volk de
aanroeping van God
almachtig, te doen in de
taal, zoals die verbonden is
met het gehele geestelijke
leven van hem en de zijnen."
Maar de minister van
Justitie, de heer H.
Mulderije, besloot dat het
Fries in de rechtszaal in
zeer beperkte mate gebruikt
mocht worden en dat de eed
absoluut niet in het Fries
afgelegd mocht worden. Het
was volgens hem een kwestie
van 'eerbied voor de
landswetten': "Ik meen, dat
de controle zoek zou zijn,
wanneer het mogelijk wordt,
dat formulier uit te spreken
in een andere taal dan de
officiële Nederlandse
omstandigheden als waarover
het hier gaat. Iets anders
is, of in het verkeer tussen
rechter en justitiabele
enige soepelheid mag worden
betoond."
Enkele maanden later, van 6
tot en met 8 februari 1952,
brachten de ministers
Mulderije (Justitie), Rutten
(Onderwijs, Kunst en
Wetenschap) en Beel
(Binnenlandse Zaken) een
bezoek aan Leeuwarden om
zich op de hoogte te stellen
van de Friese kwestie. Zij
spraken met vele Friezen en
Friese organisaties en tot
hun opluchting konden ze op
de afsluitende
persconferentie melden: "dat
van enig separatistisch
streven geen sprake is".
Herzbergs
pleidooi.

Minne Vis, lid van de Friese
Beweging.
Ondertussen was Schurer zich aan het
voorbereiden op zijn hoger beroep, dat hij
direct na Kneppelfreed had aangespannen. De
twee weken gevangenisstraf die hij had
gekregen voor het beledigen van de
rechterlijke macht, was in zijn ogen veel te
hoog. Het hoger beroep diende op 18 maart
1952 en Schurers verdediging werd gedaan
door de bekende advocaat en auteur mr. Abel
Herzerg. Schurer hoefde niet te betalen voor
de verdediging. In plaats daarvan vroeg
Herzerg hem een bedrag over te maken aan de
Collectieve Israël actie. "Het lijkt mij een
goede werkverdeling. Ik doe iets voor de
Friezen en u doet iets voor de Joden."
Herzberg voelde zich verbonden met Schurer
omdat hij het Jiddisch boven het Hebreeuws
verkoos. "Het was voor mij geen juridische
zaak, maar een literaire zaak. De Friese
taal werd aangetast en dat ging niet."
Herzbergs gevoelige pleidooi spitste zich
hier ook op toe. Eén van de laatste passages
van het pleidooi luidt: "De intieme taal, de
taal van de moeder, het kind, de man, dat is
de moedertaal. En 't Fries heeft zijn eigen
sfeer en karakter, gebonden aan land en
volk, en dat, het beste in ons, is gekwetst.
Schurer is een dichter, en een dichter heeft
een zingende ziel. Niemand zou vervolgen als
het geloof was gekwetst. In deze categorieën
moet men het zoeken. Die opwinding komt
ergens vandaan. Ze is niet gekunsteld, en
kan ook niet gekunsteld zijn. De Rechtstaal:
waarom wil men Fries in de rechtszaal
spreken? Omdat men haar minacht? Of omdat
men het recht als iets groots en wezenlijks
erkent? Als iemand Fries spreken wil in de
Kerk, zal men zeggen: hoe heilig moet hem
zijn taal zijn. Zo is 't ook met de
rechtstaal. Men moet het bevorderen, niet
tegen gaan. Men zegt, dat de zaak op de
spits is gedreven? Wie heeft dat gedaan?
Waarom mag een verdachte geen Fries spreken?
Men zegt, nu zitten we ook nog met een
taalprobleem. Hebben we geen zorg genoeg?
Laten we blij zijn met dit probleem. Het
behoort tot 't mooiste dat een levend volk
hebben kan."
Hoewel
Schurer tijdens het hoger beroep hardnekkig
Fries bleef praten, werd de zaak gunstig
voor hem beëindigd. Hij werd veroordeeld tot
150 gulden boete, de straf die
oorspronkelijk ook tegen hem geëist was. De rechtszaak tegen Schurer was hiermee
afgerond, maar de kwestie over het gebruik
van het Fries in de rechtszaal stond pas aan
het begin. Schurer heeft de taalkwestie in
een stroomversnelling gebracht. Over
Kneppelfreed zei hij:"De dingen, die tot dan
stof waren geweest voor een verstandige
discussie tussen ongelijke partijen, werden
plotseling in hart en gemoed beleefd".
De taalstrijd gaat door.

Het gerechtsgebouw
in Leeuwarden, anno 2001.
Door de
gebeurtenissen op en na de bewuste
vrijdagmiddag van 1951 werden er vanuit de
regering twee commissies opgericht. De
commissie Wesselings richtte zich op het
Friese onderwijs en dit had de Wet Cals tot
resultaat. In deze wet van 1955 is geregeld
dat alle gemeente- en schoolbesturen de
bevoegdheid hebben het Fries als leervak op
hun scholen in te voeren en het onderwijs in
de aanvangsklassen in de Friese taal te
mogen geven. Een tweede commissie boog zich
over de kwestie van het gebruik van Fries in
de rechtszaal. Een jaar later was de Wet
Donker een feit: de wet die het gebruik van
de Friese taal in bestuurlijke en
rechterlijke zaken regelt. Vanaf 1956 was
het Fries tijdens rechtszittingen
toegestaan. Wel kon de rechter het Fries
tijdens een rechtszaak beletten, als hij
vond dat het gebruik van de Friese taal een
behoorlijke rechtsgang in de weg zou staan.
Processen-verbaal en andere processtukken
werden in het Nederlands geschreven, maar
van groot belang was het feit dat de eed ook
in het Fries afgelegd mocht worden.
Vier jaar geleden is het gebruik van het
Fries in de rechtszaal wettelijk nog verder
uitgebreid. Tegenwoordig mag de rechter het
gebruik van het Fries niet meer beletten:
tijdens een rechtszaak staat het iedereen
vrij, Fries te spreken. Wel kan de rechter
bepalen dat er een tolk moet komen.
Op
scholen en in de rechtszaal mag men nu dus
Fries spreken, maar deze week bleek dat het
in de sportwereld soms nog tot problemen kan
leiden. De Broekster Boys, een voetbalclub
uit Damwoude, kreeg op een in het Fries
geschreven protestbrief, het antwoord dat
het afdelingbureau alleen in het Nederlands
geschreven brieven behandelt.
"Diskriminaasje", zegt Jan Kooistra, de
secretaris van de voetbalclub en hij vraagt
zich af of dit wel mag. Binnen de Friese
provinciegrens, geldt het Fries immers als
de tweede rijkstaal. Of het conflict tussen
het afdelingsbureau en de Broekster Boys tot
een tweede kneppelfreed zal leiden is nog
afwachten, maar één ding staat vast: de
taalstrijd blijft leven.

Met knuppels, de
waterspuit en een motor met zijspan
probeerde de politie de menigte op het
Zaailand in het gareel te krijgen.
1951.
De slag op het zaailand,
Met gummistok en brandspuit
heeft de Leeuwarder politie gistermiddag
getracht een menigte uiteen te drijven, die
zich bij het Paleis van Justitie verzameld
had om op de afloop te wachten van het
proces, dat tegen de Heren F. Schurer en
Tsj. de Jong gevoerd werd. Hierbij zijn
harde klappen uit gedeeld, die o.a
volwassenen en ook kinderen troffen die uit
nieuwsgierigheid waren blijven staan.
Toen de Heer, Schurer na
afloop van het proces aan de achterkant van
het Paleis naar buiten kwam - men wilde hem
niet door de hoofdingang laten gaan - en hij
met enkele vrienden door de Prins
Hendrikstraat richting het station begaf,
werd hij door omstanders op de schouders
genomen, waarop de politie opnieuw
aanleiding zag van de gummiknuppel gebruik
te maken. Hierbij werd de Heer Schurer bij
notaris Duintjer door een raam gedrukt,
waarbij hij zich aan de pols verwonde.
De moeilijkheden waren reeds
voor aanvang van de zitting begonnen. Leden
van verschillende Friese
studentenverenigingen waren uit alle
universiteitssteden van Nederland naar
Friesland gekomen om getuigen te zijn van de
behandeling van de twee vooraanstaande
figuren in het Friese leven. Zij verspreide
pamfletten waarin zij recht eisen voor
Friesland.
Er werd toen bekend gemaakt
dat slechts enkele personen en
persvertegenwoordiger, in totaal een twintig
mensen tot de publieke tribune zouden worden
toegelaten daar de politierechter zitting
hield in de kleine zaal aan de achterkant
van het gebouw. Als reden werd opgegeven dat
de verwarming in de grote zaal te veel
brandstof zou vergen. Vertegenwoordigers van
Friestalige weekbladen en bladen werd de
toegang tot de zaal geweigerd.
Nadat de parketwacht het
zeer talrijke publiek uit het Paleis had
gedreven, verzamelde een grote groep
personen op het platform voor de ingang. In
deze groep werden reeds gauw Friese
strijdliederen aangeheven, waarna ook de
ontruiming gelast werd van het platform.
Ondertussen bleef de belangstelling groeien,
zodat er zich enige honderden personen voor
het gebouw bevonden. Toen de zitting eenmaal
aan de gang was, begaven de mensen zich naar
de achterkant van het gebouw, waar zij
spreek koren aanhieven "Wy wolle Wolthers
net Frielân Frij" en op de claxons drukte
van de daar geparkeerde auto's. Onder
gejuich van dit publiek werd daarop het raam
van de zittingzaal gesloten.
Een groep agenten verzamelde
zich naast het gebouw en keken toe. Het was
rustig er hadden zich nog geen
handtastelijkheden voorgedaan. Daarna
verscheen een motorzijspan van de politie ,
die het plein snel schoon maakte. Een
persfotograaf werd door de politie verboden
foto's te maken, waarop een redacteur van
het Friesdagblad zich tot de hoofdinspecteur
van politie wenden, deze trok onmiddellijk
zijn gummistok en zette de redacteur na,
waarbij raken klappen werden uitgedeeld.
Dat was de inzet van
onrustig half uur op het Zaailand, waarbij
de motorzijspan tussen de kramen
doordraaide, terwijl het publiek gemakkelijk
kon uitwijken, soms evenwel in de knel kwam.
De politie voerde ondertussen enkelen
charges met de gummiknuppel uit. Er
ontstonden kleine vechtpartijen tussen
politie en publiek.
Tegen het einde van de
rechtzitting,het begon al te schemeren
verscheen de Commissaris van politie en
brandweer auto op het Ruiterkwatier. Bij de
oude doelensteeg werd een drietal slangen op
de waterleiding aangesloten. De
spuitgastengaven de omstanders, die even
tevoren met gejuich de terugkomst van de
motorzijspan hadden begroet , de vollen
laag. Er waren op dat momentnaar schatting
van de politieautoriteit een 500 mensen op
het plein, de politie werd met tomaten
bekogeld en studenten waren bezig de slangen
van de brandweer door te snijden. De
politiemannen gingen daarop weer over tot
charge over. Agenten en demonstranten werden
gelijkelijk nat gespoten. Ook enkele markt
kraampjes en een protesterende
groenteboer,die zijn spullen op een
vrachtauto trachten te redden moesten het
ontgelden.

1952. Fedde Schurer en
zijn vrouw bij het gerechtsgebouw te Leeuwarden.
FEDDE SCHURER Drachten 25 juli 1898
_Heerenveen 19 maart 1968
Wie leven en werk van de Friese dichter
Fedde Schurer gaat beschrijven, moet zich al gauw rigoureuze
beperkingen opleggen. Dat leven mag immers veelbewogen heten
en dat werk veelzijdig. Het gaat hier allerminst om een
dichterleven dat zich in geestelijke of maatschappelijke
afzondering afspeelt. Dit leven, dat bijna zeventig jaar
duurde, heeft haast onophoudelijk in de branding gestaan van
strijd en actualiteit. Wel waren daarin momenten van
distantiering en inkeer, maar deze kwamen toch zeldzamer
voor dan met vele andere dichters het geval is. Met
hartstocht en sterke inzet van zijn persoonlijkheid heeft
hij zijn tijd meebeleefd. Zijn dichterschap stond daarbij
steeds centraal.
Fedde Schurer is als
vierde en laatste kind te Drachten geboren uit een Fries en
gereformeerd arbeidersgezin. Zijn vader, die zijn werk had
op een scheepswerf, was Bouke Schurer, zijn moeder Grietje
Wagenaar. In 1904 verhuizen de Schurers naar Lemmer, waar de
jonge Fedde zijn gehele verdere jeugdjaren doorbrengt. De
sfeer thuis was er een van soberheid en strenge
rechtzinnigheid, al was ook een geest van blijmoedig
piëtisme er niet vreemd. Na de lagere school werd de jongen
als timmermansleerling bij een baas ter plaatse besteed, een
werkkring, die zijn zoekende geest weinig boeide. Door
zogenaamde Normaallessen in zijn omgeving te volgen ziet hij
rond zijn twintigste kans de akte voor onderwijzer te
behalen, die later gevolgd werd door de hoofdakte. Hij
krijgt een aanstelling aan de Christelijke school in Lemmer
en zou er tot 1930 blijven. Inmiddels ontwikkelt zich zijn
literaire aanleg. Hij leest negentiende-eeuwse dichters als
De Genestet, Da Costa en Ten Kate, maar ook Hollandse
Tachtigers als Perk en Van Eeden leggen beslag op hem.
Van doorslaggevende
betekenis ook voor zijn dichterschap wordt zijn kennismaking
met de Friese literatuur en beweging van zijn dagen. In
Friese periodieken als Frisia en Yn ús Eigen Tael
verschijnen zijn eerste verzen. Na zijn huwelijk met zijn
Lemster schoolcollega Willy de Vries in 1924 volgt het jaar
daarop zijn poëziedebuut in gebundelde vorm, Fersen
geheten. In deze jaren neemt hij reeds deel aan
tijdschriftredacties en is hij een van de jongeren die
vernieuwing brengt in het tot traditionalisme vervallen
Kristlik Frysk Selskip. In politiek en maatschappelijk
opzicht schaart hij zich in de smalle rijen van de
Christelijk Democratische Unie en ontpopt zich in woord en
geschrift als een pacifist en voorstander van nationale
ontwapening. Dit in gereformeerde kring sterk afwijkend
standpunt brengt hem in 1930 in conflict met zijn
schoolbestuur en kerkenraad waarvan zijn afzetting als
onderwijzer en uittreding als kerklidmaat het gevolg is. De
schoolkwestie-Lemmer doet in Nederland in allerlei milieus
veel politiek stof opwaaien. Schurer en zijn vrouw sluiten
zich aan bij het zogenaamde Hersteld Verband en gaan later
over tot de Nederlands Hervormde kerk. Zij verlaten ook
Friesland en Schurer vindt in Amsterdam werk aan
verschillende lagere scholen in de volkswijken. Zestien jaar
zou dit verblijf in de hoofdstad duren. Hij vindt er vele
artistieke en andere connecties. Zijn contact met ds.J.J.
Buskes Jr., een van zijn vurige verdedigers in het
schoolconflict, groeit er uit tot een levenslange
vriendschap en wapenbroederschap. Hij sluit zich aan bij de
Christelijke Auteurskring en staat in vruchtbaar verkeer met
figuren als Henk van Randwijk, Hein de Bruin, Bert Bakker,
Muus Jacobse, Jan H. de Groot e.a. Hij gaat intussen door
met in het Fries te publiceren; zijn dichterschap verdiept
en verbreedt zich. Ook in deze Amsterdamse tijd verschijnen
er van hem poëziebundels, die tot de kern van zijn werk
behoren. Enkele ervan zijn Utflecht (1930), Op
alle winen (1936) en Fan twa wâllen (1940).
Ook de politiek laat
hem in die jaren niet met rust. Voor de CDU heeft hij een
tijdje zitting in de Provinciale Staten van Noord-Holland,
maar de praktische politiek was geen koek van zijn deeg.
Toen in 1940, het jaar tevens dat hij als lid werd benoemd
van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, de Duitse
bezetting een aanvang nam, heeft Schurer zich buiten zijn
schooltaak intensiever aan zijn literair werk kunnen geven.
In deze jaren schreef hij (in Nederlands en Fries)
verzetspoëzie, was de animator van een illegaal
poëzietijdschrift De Rattelwacht (dat maar een nummer
beleefde) en zag kans zijn bijbels drama Simson, dat
tegelijk in een eigen Nederlandse vertaling uitkwam, te
voltooien. Tevens lukte het om zijn volledige berijming van
de psalmen in het Fries af te maken, een gigantisch werk.
Voor het eerste werd hem in 1945 de regeringsprijs voor
verzetsliteratuur toegekend, voor Simson en psalmen
in 1949 de Gysbert Japicxprijs, na de oorlog ingesteld door
de Provincie Friesland. Uit zijn lidmaatschap van de
Vereniging van Letterkundigen en PEN blijkt tevens zijn
erkenning als dichter.
Inmiddels is Schurer
naar Friesland teruggekeerd. In 1945 verlaat hij met vrouw
en geadopteerd zoontje Andrys de hoofdstad wegens zijn
benoeming aan de Heerenveense (later:Friese) Koerier,
waarvan hij met Sjoerd van der Schaaf het
hoofdredacteurschap op zich neemt. Deze functie blijft hij
achttien jaar vervullen. Zijn leidinggevende hoofdartikels
vallen ook buiten het rayon van de krant op door hun vaak
briljante en polemische stijl. Hij blijkt een vechter die
zijn tegenstander scherp aanvalt, maar daarbij humor en
barmhartigheid nooit uit het oog verliest. Een leidende rol
speelt hij ook in het sinds 1946 verschijnende en door hem
opgerichte literaire tijdschrift De Tsjerne, waarvoor hij in
de bezettingstijd reeds zijn mederedakteuren had
aangemonsterd; achttien jaar lang blijft hij dit blad als
zodanig trouw. Dan maakt hij plaats voor jongeren.
In 1951 komt Fedde
Schurer opnieuw over heel Nederland en ook daarbuiten in het
nieuws wegens een rechtszaak. Een vlijmscherp
Koerier-artikel van hem tegen de praktijken van een
Heerenveense kantonrechter die geen Fries voor zijn groene
tafel duldt, lokt een beledigingproces uit en als op 16
november de poorten van het Leeuwarder paleis van justitie,
waar de zaak dient, voor een ganse schare sympathisanten
gesloten blijven en dezen met gummiknuppel en brandspuit
uiteen worden gejaagd, ontstaat een incident dat de
geschiedenis is ingegaan als 'Kneppelfreed'
(Knuppelvrijdag). Deze botsing tussen macht en recht
veroorzaakt in het toen nog demonstratie arme Nederland heel
wat opschudding. Te Leeuwarden volgen protestvergaderingen
van massaal karakter. Er komen drie ministers naar Friesland
om partijen te polsen. Ook in hoger beroep, met als
verdediger de schrijver mr.Abel Herzberg, wordt Schurer
veroordeeld tot een geldboete. Deze straf werpt overigens
wel positieve vruchten af: wettelijke regelingen voor het
Fries bij het onderwijs en in het rechtsverkeer vloeien uit
dit proces voort.
In 1954, het jaar van
het mandement der bisschoppen dat aan katholieken het
lidmaatschap van linkse organisaties verbiedt, raakt Schurer
slaags met het Nederlandse episcopaat door zijn felle
brochure Protestants protest. Een merkwaardige
samenloop doet zich voor als in hetzelfde jaar de
eeuwherdenking van Bonifatius plaats vindt en Schurer in
opdracht zijn toneelspel Bonifatius schrijft, dat te
Dokkum opvoeringen in Fries en Nederlands beleeft. Het jaar
daarop voegt hij aan zijn psalmberijming die van alle
Evangelische Gezangen toe, die tezamen als Psalm- en
Gesangboek het licht zien. In deze tijd had hij al
zitting in de brede Nederlandse kommissie die het nieuwe Liedboek voor de kerken voorbereidde. Lang heeft zijn
medewerking niet geduurd. De dichter kon moeilijk onder het
juk van exegeten en hebraici door en geloofde als berijmer
niet in een zeker 'collectief dichterschap' dat K. Heeroma
en ook M. Nijhoff voor de geest stond. Na het inleveren van
enkele proeven, waaraan braaf gevijld werd, bedankte hij. In
het in 1973 verschenen Liedboek zijn toch nog twee
van zijn psalmdichtingen opgenomen.
Terwijl hij als
dagbladredacteur aanblijft, wordt Schurer in 1956 voor de
PVDA lid van de Tweede Kamer en staat in zijn fractie pal
voor zijn pacifistische idealen, al vindt hij in het
achtergrondwerk niet altijd bevrediging. Deze functie legt
hij in 1963, inmiddels vijfenzestig jaar geworden, neer,
tegelijk met zijn arbeid voor de krant. Voor een dynamische
geest met een sterk lichamelijk gestel als het zijne
betekent dit afscheid geen non-actief. Hij werkt mee aan
discussieforums voor de tv, is gecommitteerde bij
onderwijzersexamens, spreekt voor deelnemers aan werkweken
op volkshogescholen, leidt in en bij zijn woonplaats
Heerenveen kerkdiensten en zit in een werkgroep voor een
nieuwe Friese bijbelvertaling. Actief blijft hij ook als
literair criticus, waarbij hij bij tijd en wijle protest
aantekent tegen cynische openhartigheid in het seksuele bij
het jongere Nederlandse en Friese schrijversgilde, wat hem
door dezen allerminst in dank wordt afgenomen. Zijn
verspreid verhalend proza verzamelt hij in de bundel Beam
en bast (1963); een keuze uit zijn hoofdartikels
verschijnt in datzelfde jaar onder de titel Brood op het
water. Hij vertaalt poëzie van Werumeus Buning en van
Rilke. In deze levensfase komen hem meer dan honderd verzen
uit de pen, geschreven in lichte toets op thema's uit het
Oude en Nieuwe Testament, die als De gitaer bij it boek
met muziek van Louise Godin worden gebundeld. Tenslotte
werkt hij aan een beschrijving van eigen leven, schetsen die
in 1969 als De bisleine spegel (De beslagen spiegel)
postuum in boekvorm verschijnen. Zijn vriend
prof.J.H.Brouwer heeft later gezorgd voor een Nederlandse
vertaling ervan. De dood was oorzaak dat aan deze
autobiografie de laatste hoofdstukken ontbreken.
Die dood kwam voor
Fedde Schurer op dinsdag 19 maart 1968 en overviel hem in
zijn huis aan de J.H. Kruisstraat te Heerenveen. Een
hartverlamming maakte, terwijl hij naar de telefoon ging,
een abrupt einde aan zijn leven. Op 22 maart werden zijn
stoffelijke resten, na een overvolle rouwdienst in de
gereformeerde kerk ter plaatse, waarbij ds.R.Bijl en dr.
J.J. Buskes voorgingen, te Groningen gecremeerd.
De levensgang was
hiermee afgesloten van een man die de hem gul toegemeten
gaven niet in een zweetdoek had weggelegd. Zijn lyriek, die
in een elftal bundels was verschenen, een rijk geschakeerd
oeuvre, kon in 1974 als Samle fersen in een band
worden uitgegeven en vond bij Fries en niet-Fries gretig
aftrek. Daarvoor, in 1971, was over Schurer en zijn werk een
tweetalige beeldbiografie in de serie Skriuwers yn Byld
uitgekomen, verzorgd door het Frysk Letterkundich Museum te
Leeuwarden en in de handel gebracht door De Bezige Bij.
In Fedde Schurer bezat
Friesland een rondborstig dichter die in een kleine taal van
grote dingen zong, een strijder die het geweld verwierp en
het onrecht niet kon velen, een kameraad die de vriendschap
hoog schatte, een man die de liefde kende in vele facetten,
een idealist en romanticus die wijdere verbanden zocht, een
gelovige die wist van een 'deze zijde' en een 'gene zijde'.
Met hem ging een veelzijdig dichtertype heen zoals de Friese
literatuur nog niet gekend had en waarschijnlijk niet gauw
terug zal krijgen. Op het standbeeld dat in 1974 voor hem te
Heerenveen werd opgericht staan de woorden: Dichter en
Strider. Door deze twee woorden wordt de persoonlijkheid van
Fedde Schurer treffend gekarakteriseerd.
D.A. TAMMINGA
VOORNAAMSTE
GESCHRIFTEN
Voor een overzicht van
afzonderlijk verschenen werken van Schurer zie Fedde
Schurer. Afzonderlijk verschenen werken I-XI, Een tot
1957 bijgewerkt overzicht op kaart van zijn publicaties.
Uitgave van de Documentatiedienst van het Nederlands
Letterkundig Museum in samenwerking met Fryske Akademy en
Archief en Museum voor het Vlaamse cultuurleven, 1959.
Biografische en bibliografische (lijst van afzonderlijk
verschenen publicaties van en over de auteur) gegevens over
Schurer zijn ook opgenomen in Fedde Schurer 1898-1968,
als nummer 3 van de serie Skriuwers yn byld uitgegeven door
het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaesjesintrum to
Leeuwarden in 1971. Zie tenslotte ook Fedde Schurer, Samle fersen. Mei in ynlieding fan D.A. Tamminga. Baarn,
Bosch & Keuning nv; Ljouwert, De Tille bv, 1974.
Gedichten van
Fedde

Standbeeld van Fedde in Heerenveen.

Foto genomen in 1923 bij het 50 jarig bestaan van de
Jongelingsvereniging Geref. Kerk.
Foto
opgestuurd door Hillebrand Visser Lemmer:
"Op de foto van
de jongelingsvereniging zit Fedde aan het tafeltje. Mijn
grootvader Albert Visser staat meest rechts (zittend) op de
foto".
Romke van der Veen kon in samenwerking met Hillebrand de
verdere namen erbij noemen.
Staand: Theunis W. de Vries,
Cornelis J. Gaastra, Klaas H. Zijlstra, Johannes D. Coehoorn,
Abraham J. Venema, Harmen H. Visser, Gerardus J. Mulder,
Sijbolt v.d. Bijl, Auke W. Boelsma, Lubbertus J. Lemstra en
Hendrik D. Coehoorn.
Zittend: Hendrik Loen, Roelof M.
Visser, Folkert J. Homma, Folkert M. de Vries, Sjoerd D.
Coehoorn, Fedde Schurer, Jelle W. Boelsma, Jelle W. de
Vries, Bouke J. van der Veen en Albert H. Visser.
Op de grond: Rienk B. Tijseling en
Alexander L. Loen. Poppe Kok ontbreekt op deze foto.
Fedde Schurer
krijgt ontslag aan de
Christelijk-Nationale school te De
Lemmer.
Terugkerend van
z'n werk ziet de 31-jarige Amsterdamse
predikant Ds. J.J. Buskes (geschorst bij
Geelkerken-conflict in 1926; daarna
‘Hersteld-Verbander’) een man in pilopak
bij hem op de stoep staan. Zeker weer
een of andere sjacheraar in potloden,
denkt de gereformeerde dominee. En omdat
hij zeker weet niet ‘neen’ te kunnen
zeggen, loopt hij door en wacht een paar
huizen verder tot de kerel verdwenen zal
zijn.
Maar de man verdwijnt niet. De deur gaat
achter hem dicht en Ds. Buskes kan niets
anders doen dan maar achter hem aan de
trap opstommelen naar het bovenhuis.
Even later maakt hij kennis met de
32-jarige onderwijzer aan de
christelijke school te De Lemmer in
Friesland, Fedde Schurer. Toch wel een
goeie gereformeerde, moet de dominee
toegeven, ondanks het pilopak en de
Domela Nieuwenhuis-das. Maar niet
iedereen blijkt tot deze erkenning te
kunnen komen. De onderwijzer is 1 mei
1930 door zijn schoolbestuur ontslagen
omdat hij in ernstige mate van de
Nederlandse Geloofsbelijdenis zou zijn
afgeweken. Fedde Schurer doet z'n
verhaal nog maar eens.
Vorig jaar, in april, sprak hij in
Leeuwarden voor de plaatselijke afdeling
van de Christelijk-Democratische Partij,
waarvan hij, evenals Buskes lid is.
‘Kristendom en Oarloch’ heet de rede,
waarin hij o.a. uitroept: Volg de stem
van uw geweten en laat u niet meer
africhten en dresseeren voor
moordenaarswerk. Wat moet een
Christelijk-Nationale school met een
pacifist voor de klas? Fedde Schurer
wordt op het matje geroepen. En in
oktober vorig jaar wordt door het
schoolbestuur schriftelijk, gevraagd:
of Schurer den
80-jarigen oorlog aanvaardt als een
volkomen gewettigden vrijheidsoorlog
en een aan onze vaderen opgedrongen
religiekrijg ter verdediging van de
kerk des Heeren?
of Schurer de oorlogen van Israël
aanvaardt als oorlogen des Heeren?
of het Schurer's bedoeling is aan te
sporen tot het weigeren van
militairen dienst?
De gereformeerde
onderwijzer antwoordt dat hij met zijn
ganse ziel en zijn hele hartstocht staat
aan de zijde der strijders voor
vrijheid, recht en religie. En ook:
"Ik wensch, dat
ieder Christen ten opzichte van den
modernen oorlog en deszelfs
toerusting zichzelf in zijn geweten
de vraag zal voorleggen: ‘Wat wil
mijn Heiland dat ik doen zal?"
Het
schoolbestuur kan er geen genoegen mee
nemen. Fedde Schurer krijgt een tweede
stel vragen toegestuurd, die
geformuleerd zijn door de te hulp
geroepen Mr. P.S. Gerbrandy (vrijwillige
landstormer - tevens bekend als ‘de rode
advocaat van Sneek’), en waarin hem het
vuur nader aan de schenen wordt gelegd
met het begrip ‘rechtvaardige oorlog’.
Maar Schurer zegt:
"Het nobele doel kan
het satanische middel niet heiligen".
Op 10 februari
1930 krijgt Schurer een verklaring
voorgelegd van het schoolbestuur, die
hij moet tekenen, wil hij voor de klas
blijven. O.a. moet hij verklaren:
Dat hij alles
zal vermijden wat in de harten en
hoofden der kinderen de overtuiging
omtrent de positie van het
overheidsgezag, gelijk die in
Gereformeerde en confessionele
kringen wordt beleden, zou
ondermijnen...
Ook buiten de
school zou Fedde Schurer z'n mening niet
meer mogen propageren.
Schurer weigert. Thans is hij ontslagen.
Of Ds. Buskes hem wil verdedigen voor de
Commissie van Beroep (van de Scholen met
den Bijbel), die 9 juli z'n zaak zal
behandelen.
Zonder een ogenblik te aarzelen, stemt
Ds. Buskes toe. Ook hij is met hart en
ziel anti-militarist. Oorlog is zonde.
Van het dagblad De Standaard, dat
hen, CDU-ers, ziet als revolutionairen,
anarchisten en ongelovigen, moet de
predikant weinig hebben, maar volmondig
is hij het eens met wat het blad vorig
jaar, 2 januari 1929, schreef:
Een nieuwe groote oorlog zou op den
zelfmoord van Europa neerkomen. Immers
zou die oorlog in hoofdzaak zijn een
luchtkrijg, en die beteekent
vernietiging van al wat leeft en
bestaat.
Overigens maakt
Buskes zich geen enkele illusie over de
afloop van de zaak-Schurer. Maar het is
een kans om te getuigen.
In een zaaltje van Terminus in Utrecht
komen 9 juli de mannen-broeders bijeen.
Het schoolbestuur wordt verdedigd door
Mr. Gerbrandy; Schurer brengt mee Mr.
Pollema, de heer Jungcurt, secretaris
van de Unie van Christelijke
Onderwijzers en Ds. Buskes. De
commissieleden Mr. H.v.d. Vegte, Dr. K.
Dijk, F. Kalsbeek, J. Schouten, J.C.
Wirtz en Mr. D.W.O.A. Schut luisteren.
Maar Mr. J.A. de Wilde (a.r.-kamerlid)
vindt dat kennelijk niet de moeite
waard. Tijdens de betogen leest hij
rustig z'n krantje.
‘Van welk artikel der Nederlandsche
Geloofsbelijdenis wijkt Schurer af?’ zo
wil Ds. Buskes weten.
Maar op 16 september 1930 beslist de
Commissie van Beroep dat Schurer
ontslagen blijft. Hij wordt onderwijzer
aan een openbare school in Amsterdam.
Voor anti-militaristen is op het
gereformeerde erf geen plaats.
Dat blijkt diezelfde week ook uit de
Asser Kerkbode. Op 12 september
schrijft de enkele maanden tevoren in de
gereformeerde kerk te Assen bevestigde
29-jarige Ds. B.A. Bos het volgende
stukje:
teekent niet!
Er wordt een actie gevoerd!
Een actie onder schoone leuzen!
Het gaat tegen de bewapening van onze
overzeesche gewesten, speciaal Curaçao.
De vlootwet moet,
als helaas voorheen, vallen! Daarvoor
wil de SDAP handteekeningen verzamelen
en een petitionnement aan de Kamer
richten. Wellicht komt men ook bij U.
Weest daarom op Uw hoede en teekent
niet.
Home
|