|
Verslag van 10 mei 1940 t/m
mei 1945 door: Gré de Groot-Bolhuis, geboren te
Lemmer op 27 oktober 1926 en in de oorlogstijd
wonende op de Langestreek 35 te Lemmer.
Samengesteld door
Paula Hordijk. Waarvoor onze hartelijke dank.

Gré de
Groot-Bolhuis, 22 maart 1943, ze was toen 16
jaar.
Mijn vader Jan Bolhuis
was kapitein op de "Friesland" die elke dag van
Lemmer naar Amsterdam voer en weer terug.
Het is begin mei 1940.
De vakantie was begonnen. Ik logeerde bij mijn tante
Martha Wemmenhove, een zuster van mijn vader, en
mijn neef Joop en nicht Gré in de Westerdokstraat in
Amsterdam. We zouden verschillende uitstapjes gaan
maken. De ouders van tante Martha en mijn vader,
mijn grootouders dus, woonden in Amsterdam
Noord. Daar zouden we ook op bezoek gaan.
Net voor de oorlog
uitbrak had mijn moeder gezegd dat ik weer naar huis
moest. Maar het was al te laat. De situatie was erg
gespannen. Mijn vader kreeg van de Duitsers de
opdracht om met een lege boot, met de
bemanning direct vanuit Lemmer naar Amsterdam te
varen. Ze moesten afmeren bij Schellingwoude bij de
watervliegtuigen. Tussen de middag kwam vader even
bij tante Martha langs. Hij moest snel weer weg.
Steeds ging het luchtalarm af.
Op een morgen moesten
Joop en ik iets op de Haarlemmerdijk halen. Steeds
gingen er sirenes af. Ik vond het vreselijk, Joop
vond het prachtig. Ik heb het toen op een lopen
gezet om weer vlug thuis te komen. Vanuit het huis
van tante Martha hadden we uitzicht op de
binnenkomende treinen op het Centraal Station.
Een tijdje reden er geen treinen en toen kwamen er
geblindeerde treinen aan. Zouden er misschien
vluchtelingen in zitten? We wisten het niet.
Overal waren
Blokhoofden. Die moesten alles controleren. Zo mocht
er geen licht door de ramen naar buiten
schijnen. Joop en ik stonden in het donker in de
kamer voor het raam naar buiten te kijken en ik zag
steeds lichtflitsen. Die kwamen van de overkant van
het IJ. Tante Martha heeft toen de Blokhoofden
geroepen en die kwamen ook kijken. Het bleken
signalen in de lucht te zijn, vermoedelijk voor de
Duitse vliegtuigen. Er zijn toen maatregelen genomen
en even later was het afgelopen. Er was verraad in
het spel geweest. Er stond bij de deur een koffer
met kleren klaar, voor als we in geval van nood
moesten vluchten.
Toen de bommen op de
Groenburgwal vielen, stond het hele huis te
schudden. Ik wilde meteen de trap af naar beneden
rennen. Het leek net of het huis op instorten stond.
Maar we moesten in het bovenhuis blijven van tante
Martha.
Daarna zijn we naar onze grootouders in Noord
gegaan. Zij woonden in de Lathyrusstraat. We moesten
daar in de voorkamer op de grond slapen. ’s Nachts
was er een vreselijk kabaal: de Shell stond in
brand. De rook konden ze tot in Friesland
zien! Ik wou niet kijken en ben blijven liggen. Het
moet een vuurzee zijn geweest, want alles was hel
verlicht. De volgende dag was de Capitulatie. Het
zal 15 mei zijn geweest, dat wij van de overgave
hoorden van twee Nederlandse soldaten buiten.
De volgende dag werden Joop en ik naar tante Marie
en oom Jan gestuurd, in de Baarsjes in Amsterdam
West. We zijn toen langs de Shell gelopen, dat was
afschuwelijk om te zien. Met de pont gingen we over
het IJ naar het centrum van Amsterdam. Er was ons op
het hart gedrukt om met niemand te praten.
Voor het Centraal
Station aangekomen werden we door een oud vrouwtje
aangeschoten, die zei:" Vreselijk hè, al die
Duitsers". Nu, veel hadden wij nog niet gezien. Ik
durfde niets tegen haar terug te zeggen en hield
mijn kaken stijf op elkaar. Joop werd daar boos
over, en zo zijn we elkaar kwijtgeraakt. Daar stond
ik dan alleen in een voor mij vreemde stad! Ik ben
richting Raadhuisstraat gelopen en daar troffen we
elkaar weer, er was daar een hele optocht van
allemaal Duitsers met paarden, kanonnen en
veldkeukens. Het was geen prettig gezicht. Ze gingen
naar een plek aan de rand van de stad waar een
school in beslag was genomen, voor onderdak.
Zonder verdere
problemen zijn we bij oom Jan en tante Marie
aangekomen in de Baarsjes. Tante Marie was er samen
met Rita. Oom Jan was weg. Tante Marie was erg
verbaasd dat we zomaar gekomen waren en ze was erg
bezorgd dat we weer helemaal terug moesten lopen. We
kregen wat te drinken en gingen weer terug. Tante
Martha heeft ons toen weer meegenomen naar de
Westerdokstraat. De volgende dag kwam mijn vader op
bezoek. De boot lag weer aan de Ruyterkade. De dag
erna ging de boot weer naar Lemmer. Ik wilde met die
boot mee, maar vader vond het beter dat ik in
Amsterdam bleef, omdat alles zo chaotisch was. Omdat
ik persé mee wilde, mocht ik mee naar huis. Het was
inderdaad geen pretje.

Bemanning van "De Friesland". 3e van rechts,
Kapitein Bolhuis en uiterst rechts Piet
Kamminga.

Rechts
vooraan is Kapitein Bolhuis. Man met snor in
het midden is Piet Kamminga.

S.S.
,,Friesland (voorzien van slaaphutten) der
Holland-Friesland-Groningen-lijn, dag en
nachtdienst (postdienst) Amsterdam-Lemmer v.v.
in directe verbinding met alle stations der
Nederlandsche Tramweg Maarschappij, afvaart te
Amsterdam, de Ruyterkade, steiger 5. Te Lemmer,
Tramhaven.
Leeuwarder Courant, 18 januari 1940
De boot was afgeladen
met mensen uit het noorden die uit armoede in
Amsterdam werkten. Iedereen zocht op de boot naar
bekenden en ieder informeerde naar familie en
vrienden. Adressen werden uitgewisseld. Ik was erg
blij dat ik weer thuis was. De U.L.O. was weer
begonnen, dus ik ging meteen weer naar school.
Mijn broer Klaas zat thuis verstopt, wilde niet
opgepakt worden door de Duitsers. De eerste tijd was
het vrij rustig. Helaas waren er op 27 juli 1940 8
doden te betreuren toen er aan het begin van de
Noord Oostpolder een bom bij de Waterleiding werd
geworpen uit een vliegtuig, terwijl er
graafwerkzaamheden werden verricht. De mannen die
daar aan het werk waren en mensen die er dichtbij
woonden overleefden het niet, onder hen bakker
Koopmans en havenmeester Kool.
Wij hadden meteen al
Duitse schepen in Lemmer. De Duitsers hadden van de
vissersboten, botters en aken alle masten afgezaagd
(zodat de boten niet zo zichtbaar zouden zijn als de
Duitsers met de boten naar Engeland gingen varen).
Het was een akelig gezicht die schepen zo verminkt
te zien liggen. De Duitsers dachten dat Engeland
heel dicht bij Lemmer lag. Er werden ook snel
bunkers gebouwd achter de dijk, met uitzicht op het
IJsselmeer. Schuin achter ons huis kwam een
zoeklicht op een verhoging te staan, dat we vanuit
ons huis goed konden zien. Op het boot-tramstation
gebouw kwam het afweergeschut te staan. Dat
was niet zo ver van ons vandaan. Dat hebben we
geweten. Als er Engelse vliegtuigen over kwamen
vliegen wisten wij dat al vóór we wat zagen of
hoorden, door het geschreeuw van de Duitsers.
Zwemmen in zee was ook
niet meer prettig met die Duitsers achter de dijk in
die bunkers, al heb ik zelf (toen er nog gezwommen
mocht worden) nooit last van ze gehad. In Lemmer
werd het grote Waterschapsgebouw op de Kortestreek
in beslag genomen en daar kwam de Sicherheitsdienst
in. Daar stond altijd iemand buiten op wacht. Voor
één van hen waren we echt bang. Op de Emmakade bij
de haven werd ook een groot huis in beslag genomen.
Daar kwam de marine in. Overal lagen Duitse schepen,
in Lemmer zelf, en in de binnen en buitenhaven.
Van onze moeder
mochten we er niet komen, maar nieuwsgierig als we
waren ging ik toch een keer met vriendinnetjes
kijken, al vond ik wel eng. We hebben het daarna ook
nooit meer gedaan. Het was met de vaarcapaciteiten
van de Duitse kapiteins slecht gesteld: op zee
konden ze vast wel varen, maar ze moesten door de
brug in het verlengde van het Waaigat, en de wind
stond altijd pal op de brug. Daardoor werd de brug
elke keer door de Duitsers geramd, tot hij helemaal
kapot was. We hebben er wat staan lachen! Later kwam
er een pontje varen.
We hoorden over de
Februaristaking in Amsterdam die op 25 februari 1941
plaatsvond.
Er kwamen geregeld
Engelse vliegtuigen overvliegen, die op alles
schoten wat bewoog. Dit was ook het geval op 21
oktober 1942. Onze grootmoeder Grietje
Bolhuis-Stienstra, de moeder van onze vader, was
overleden en onze ouders waren op 21 oktober samen
met mijn broer Klaas naar Amsterdam voor de
begrafenis. Een gepensioneerde kapitein, Jelle
Hendriksma, verving die dag mijn vader op de
Lemmerboot de "Friesland" (de boten voeren toen
ook nog overdag). Bregt en ik waren tussen de middag
even thuis van school voor het middageten en we
wilden net weer naar school gaan, toen we de boot
hoorden fluiten. We telden: Twaalf keer. Dit was een
noodsignaal.
Hoe we zo vlug bij de
haven zijn gekomen weet ik niet meer. Daar
aangekomen mochten we het terrein niet op. Er
waren in ieder geval 4 doden en een paar gewonden.
De kapitein die was ingevallen voor mijn vader,
Jelle Hendriksma was dood, evenals stoker Jacob
Thijseling, matroos Gerke Bootsma en lichtmatroos
Emylius de Hoop. Voor zover ik weet zijn er geen
passagiers gewond geraakt, omdat die
benedendeks zaten. De boot was net daarvoor
vertrokken uit Lemmer en was even voorbij de
Rotterdammerhoek, toen het werd beschoten met
Mustangs. Wat later mochten we aan boord komen. Het
R.A.F. vliegtuig had de pijpleiding en de
stoomleiding stukgeschoten en omdat daar toen
allemaal stoom uit kwam, dachten ze natuurlijk dat
de boot in brand stond en toen is het vliegtuig
weggevlogen.
Bregt ging meteen naar
de kombuis, naar de hofmeester en zijn vrouw. Hij
was ook gewond geraakt. We zagen dat alles
kapotgeschoten was. Ook het stuurhuis was helemaal
in puin. Mijn vader moest een paar dagen later naar
Woudsend voor de begrafenis van het jongste
bemanningslid, Emylius de Hoop, van achttien jaar.
Moeder moest er diezelfde dag ook heen op
condoleancebezoek en ik moest mee, al wilde ik
niet ("je hoeft ze alleen maar een handje te
geven"). Het was heel triest, de jonge mensen
hadden ook nog pas een baby gekregen…. We moesten
ook nog bij de overledene kijken. Hij lag er netjes
verzorgd bij, heel wat anders dan de gruwelijke
beelden die ik op de boot had gezien en gehoord (ik
heb er nooit met iemand over gesproken, zelfs niet
met mijn man Wim).
Dit alles was 6 dagen
voor mijn 16e verjaardag (in 1942), die
we toen niet hebben gevierd.
Het was toen niet meer
verantwoord voor rederij Koppe en rederij
Groningen-Nieveen om overdag te varen. De boten
werden verduisterd en gingen alleen nog ’s nachts
varen (hoe lang nog weet ik niet meer). De Jan
Nieveen en kleinere vrachtschepen waren van de
Groninger Maatschappij. Eigenlijk waren dat
concurrenten van rederij Koppe. De Jan Nieveen voer
van Lemmer naar Amsterdam. De kleinere vrachtschepen
voeren van Groningen door Friesland via Lemmer naar
Amsterdam. De Jan Nieveen en Groningen IV hebben op
het IJsselmeer midden in de nacht van 8 op 9 januari
1945 een aanvaring gehad. De Groningen IV is toen
gezonken. Er zijn zeker 14 mensen bij omgekomen. Er
moeten toen ook onderduikers aan boord zijn geweest.
Het gonsde destijds in het dorp van de geruchten,
maar de waarheid over het eventueel grotere aantal
doden is nooit boven tafel gekomen. De boot is ook
nooit gelicht. De spertijd was al ingevoerd. Eerst
moesten we om 10 uur ’s avonds binnen zijn, maar al
snel werd het veranderd in 8 uur ’s avonds. ’s
Morgens vroeg mocht je vanaf 5 uur weer naar buiten.
Alleen met een speciale pas mocht je in spertijd
buiten zijn, bv. voor belangrijk werk.
Op een mooie
zondagavond gingen Annie Kalk, een vriendinnetje en
ik nog even wandelen. We zouden net elk een andere
kant op gaan om naar huis te gaan toen er paniek
uitbrak. Het was bij de brug op de Schulpen. De
mensen vlogen alle kanten op. We zijn elkaar toen
kwijt geraakt en elk apart gelukkig wel veilig
thuisgekomen. Achteraf hoorden we dat de Grüne
Polizei slaags was geraakt met de marine. Ook
ging geregeld het luchtalarm af, en dan moest je
maken dat je binnen kwam. Er lagen geregeld schepen
in Lemmer van de Duitse marine met afweergeschut.
Die bleven dan een paar dagen liggen. Op een
zondagmiddag lagen een paar van deze schepen op
doortocht te wachten bij de Schulpen, iemand van de
Ancor en ik liepen daar op weg naar huis. Er kwam
luchtalarm, er kwamen vliegtuigen over, wij vlogen
een portiek in op de Schulpen en kwamen midden in
het spervuur te liggen. We mochten van de bewoners
niet naar binnen (misschien hadden ze onderduikers
in huis?). Later hoorden we dat er een stuk
schoorsteen vlak boven ons hoofd was weggeschoten.
De volgende dag had ik twee vuurrode plekken in mijn
hals. Ik ging naar de huisarts. Deze gaf me zalf en
zei dat het waarschijnlijk van de spanning van de
vorige dag was.
Er kwamen steeds meer
vliegtuigen in formatie overvliegen. En elke keer
weer schreeuwden de Duitsers. Verder was het dan
doodstil, geen verkeer, geen mensen op straat. Die
formaties vliegtuigen gingen altijd ’s avonds naar
Duitsland. Overdag vlogen er meer
verkenningsvliegtuigen, die vlogen zo laag dat ze
onder het afweergeschut door gingen. We zagen de
vliegtuigen in het donker wel eens gevangen in het
zoeklicht, en als ze dan geraakt waren door het
afweergeschut stortten ze neer in het IJsselmeer.
Wij konden dat zien vanuit de koekoek (uitbouw) van
onze slaapkamer (van Bregt en mij). Omgekeerd konden
ze ook met het zoeklicht in onze kamer schijnen. Als
het licht naar ons raam kwam terwijl we stonden te
kijken dan riep Bregt: "Duiken, Gré!", zodat ze ons
niet konden zien staan. In een flits was het raam
dan even helemaal verlicht. We hadden daar wel pret
om.
Na de Februaristaking
in Amsterdam in 1941 zijn de boeren in staking
gegaan door geen melk meer aan de Duitsers te
leveren. De burgers gingen toen allemaal melk
ophalen bij de boeren. Wij kregen ook vaste boeren
waar we elke dag om 4 uur ’s morgens melk gingen
halen op de fiets en ik dacht ook ’s avonds, dan was
het donker en koud, nergens een sprankje licht.
Bregt en ik gingen om de beurt, zij de ene week en
ik de andere, maar toen ik een tijdje ziek was,
moest Bregt het alleen doen. In 1943 Ging Bregt in
het ziekenhuis in Heerenveen werken en toen moest ik
het alleen doen. Op een donkere ochtend ging ik melk
halen. Ik was op de straatweg en aan weerskanten
stonden allemaal bomen. Opeens hoorde ik gekerm,
maar ik kon alleen maar een schaduw zien. Toen
hoorde ik zacht verschrikt roepen. Er bleek een
boomstam dwars over de weg te liggen. Net voor mij
was er iemand met zijn fiets tegenaan gevallen. Ik
hielp de man met zijn fiets weer overeind en daarna
werd mijn fiets over de boom heen getild. Alles
moest natuurlijk zo stil mogelijk gebeuren. De
Duitsers zaten iets verderop en geluid draagt ver.
Op de terugweg was de boom al opgeruimd, je zag
alleen nog de kale plek waar de boom eerst had
gestaan.
Ik was intussen al van
school af, het ging niet. Het hoofd van de school ,
meneer de V****, was NSB-er of had in elk geval dat
soort sympathieën. Ik ben in de tweede klas van
school af gegaan. In recordtijd had ik al twee
baantjes versleten: eerst kwam ik in de huishouding
bij een groothandelaar in kaas, waar ook Duitsers
kwamen en eentje vroeg of ik met hem om wou gaan. Ik
heb hem toen gezegd dat dat niet kon, omdat we met
elkaar in oorlog waren. (Later gehoord dat hij een
keurig iemand was). Ik heb deze baan toen meteen
opgezegd. Toen ik thuis vertelde wat er gebeurd was
moest mijn moeder wel lachen.
Mijn tweede baantje
was bij streng gereformeerden (dat viel niet
mee), de mevrouw was erg achterdochtig, ze had al
een paar grote zonen thuis, maar overdag was ik
alleen met mevrouw, en na een paar weken vroeg ze
wat mijn moeder me over het huishouden had geleerd.
Ik weet niet meer wat ik heb geantwoord, maar het
was volgens mevrouw niet best. Ze ontplofte zowat.
Nadat ze mijn moeder zo beledigd had, heb ik meteen
mijn baan opgezegd. Toen ik het thuis vertelde zei
Bregt: "jij houdt het nergens lang uit." Moeder zei
toen: "bemoei je er niet mee." Ik zei: "Ik laat mijn
moeder door niemand beledigen!" Ik ging daarna als
leerling kapster in een kapperszaak werken, op de
Langestreek. Annie Kalk kwam daar ook werken, in de
huishouding. Het was een rooms katholiek gezin en ze
hadden de zaak aan huis.
We hadden het er erg
naar onze zin. Ik verdiende er 2 gulden per week.
Van de baas mocht ik ook naar de kappersschool in
Leeuwarden. Dan ging ik met de bus naar Heerenveen
en dan verder met de trein naar Leeuwarden. De baas
betaalde de school en ik moest zelf de reiskosten
betalen. Dat was bijna twee gulden, dus van het werk
hield ik bijna niets over. Het zal net voor de
spoorwegstaking geweest zijn, dat ik naar de school
in Leeuwarden reisde, en dat de trein ergens voor
Akkrum of Grouw midden in een weiland werd
stilgezet. We liepen gevaar om beschoten te worden.
En ja hoor, ik kwamen allemaal vliegtuigen
overvliegen. Het was beangstigend. Toen de
vliegtuigen voorbij waren, reed de trein weer
verder. Kort daarna werd de school gesloten en dat
speet me niet met al dat gevaar.
Op een zondagmiddag
gingen Annie en ik samen op de fiets naar Oosterzee,
om daar om een uur of 4 ’s middags verse melk te
halen. Het was mooi weer en zo hadden we een uitje.
We kwamen bij de boerderij aan, zetten ons fiets
neer en liepen nietsvermoedend de stal binnen. De
stal was helder verlicht en er stonden drie mannen.
Annie liep een stukje voor me uit. Opeens ging het
licht uit. Annie gaf een gil en kreeg meteen een
hand voor haar mond. Daar beet ze meteen in zodat ze
ook snel weer los was. Ik was stokstijf blijven
staan en heb misschien om me heen geschopt en
geslagen, dat weet ik niet meer.
Het licht ging opeens
weer aan en wij hebben het op een lopen gezet, naar
buiten toe, en snel onze fietsen gepakt en zijn
weggeracet. Ik weet niet of ze ons nog wat hebben
nageroepen, zo hard fietsten we. Wat verderop kwamen
we wat bij van de schrik. Wat moesten we doen? Naar
de politie om het aan te geven? Waren het
onderduikers? We hebben het uiteindelijk thuis
verteld en verder niet aangegeven. We zijn er nooit
meer naar toe gegaan om melk te halen. Op maandag
ben ik weer gewoon aan het werk gegaan.
In Sondel, vlakbij
Lemmer/Gaasterland was een Duits kamp ingericht met
jonge Duitse meisjes en vrouwen en mannen. De
vrouwen kwamen geregeld in onze kapsalon, meestal 2
tegelijk. Soldaten kwamen ook meestal met zijn
tweeën, ik denk dat ze elkaar in de gaten moesten
houden. Ik herinner me nog één Duitse vrouw die als
ze de kans kreeg zachtjes vertelde dat haar man aan
het oostfront diende en dat die niets van de oorlog
moest hebben. Toen kwam het dochtertje van de kapper
de salon binnen en fluisterde de Duitse vrouw: "Als
ik een kind zou krijgen, zou ik naar huis mogen." Ze
had erge heimwee. Wij konden niet veel tegen haar
zeggen.
Er kwam ook wel eens
een joods meisje dat een paar huizen verderop
ondergedoken zat bij onze slager in de kapsalon als
het rustig was. Haar haar werd gebleekt, zodat het
niet meer zwart, maar blond zou worden. Maar
helaas, het werd vuurrood. Van de slager wisten we
dat hij bij de Ondergrondse betrokken was. Op een
middag ging ik met een paar vleesbonnen naar deze
slager om wat spek te halen. Toen ik aankwam stond
er een auto van de Sicherheitsdienst voor de deur.
Een echte overvalwagen. Wat nu? Ik ben maar gewoon
naar binnen gegaan en deed of mijn neus bloedde. De
oude slager kwam achter de toonbank staan in plaats
van zijn zoon. De winkel en het woonhuis waren door
een glazen wand en een deur van elkaar gescheiden.
Ik zag het gordijn van de huiskamer even bewegen.
Ik heb gewoon mijn
boodschappen gedaan, bonnen afgegeven en betaald en
naar huis terug gegaan. Thuis heb ik meteen verteld
wat er aan de hand was. Even later hoorden we dat de
onderduikers gelukkig op tijd weg hadden kunnen
komen en elders waren ondergedoken. Ik vond mezelf
heel moedig, dat ik gewoon de slagerij binnen was
gegaan en niets had laten merken!
Er moesten steeds meer
mannen en jongens onderduiken. Ook mijn baas moest
onderduiken en een vriend van hem, meneer Reekers.
Deze had een meubelzaak een paar huizen verderop.
Zowel hij als mijn baas waren rooms katholiek en
hadden allebei jonge kinderen. Annie bleef gewoon
bij het gezin werken en ik deed alleen de kapsalon.
Ik werkte trouwens 6 dagen per week van 8.30 uur tot
ongeveer 20 uur ’s avonds.
Nu even iets over de
situatie thuis: Het was een twee onder één kap
woning (eerst was het één groot huis geweest en dat
was later in tweeën gedeeld). De achterkamers
grensden aan elkaar en dat was wat gehorig. In het
buurhuis woonden juffrouw Prins (onderwijzeres van
de christelijke lagere school), die ik tante Ge
noemde en tante Clasien (ook geen echte tante).
Later kwam er nog juffrouw Wassink bij, ook van de
lagere school. Geregeld hadden zij joodse
onderduikers, die dan later weer elders werden
ondergebracht. Op een keer bleef er een familie
Soester (man en vrouw)wat langer. Tegenover ons huis
lag een grote ark van de fam. Rienksma, vissers. Er
liep van ons huis een kabel naar die woonark hoog
boven de straat.
Klaas was op 1 juni
1943 bij de Spoorwegen in Utrecht aan het werk
gegaan, vóór die tijd had hij bij vader op de boot
gevaren om niet naar Duitsland te hoeven gaan. Bregt
werkte als leerling-verpleegster in het ziekenhuis
in Heerenveen. Greetje Wemmenhoven (zat nog op
school) en ik waren nog thuis. De Ancor met oom Kees
en tante Impje lag in Lemmer. Zij moesten voor de
Duitsers varen. De motor werd steeds gesaboteerd
door oom Kees, om het werken voor de Duitsers uit te
stellen. Voor het zover was moest de Ancor naar de
Polderdijk (dat was toen nog vaarwater). Dan moest
de Ancor naar de smederij varen om het te laten
repareren en dat lukte dan zogenaamd niet.
De Duitsers lagen vaak
met hun boten vlak voor de kapperszaak en als ik dan
’s avonds tegen 8 uur klaar was en naar huis liep,
werd ik nogal eens door de wacht aangeroepen "Annie,
Annie" (dat was de enige naam die ze voor alle
Hollandse meisjes gebruikten). Ik deed dan net of ik
niets hoorde maar ik vond het niet prettig. Gelukkig
vielen ze me verder niet lastig. Op een avond wilde
ik net naar huis gaan toen ik een meisje dat ik
kende tegenkwam die naailes had gehad. Ze wilde dat
ik haar even thuisbracht. Ze woonde verderop over de
tramdijk. (de tram reed van Lemmer naar
Groningen). Ook bij die dijk lagen geregeld Duitse
schepen.
We waren net bij haar
huis toen het luchtalarm ging. We gingen vlug haar
huis in, door de gang naar de achterkamer. Daar
waren haar moeder en een paar zussen. Opa lag in een
bed tegen de buitenmuur. Ik ging op een stoel zitten
en toen vielen er een stel bommen (de vliegtuigen
moesten vaak alles kwijt als ze werden aangevallen,
zodat ze dan weer veilig terug konden vliegen).
Het was die avond en nacht extra stil. Je voelde de
spanning. Er werd niets over gezegd. Later hoorden
we dat die nacht een watervliegtuig op het
Tjeukemeer zou landen om verzetstrijders en Engelse
vliegeniers op te halen, maar dat is door verraad
verkeerd afgelopen. Er is toen ook geschoten.
In Leeuwarden is de
gevangenis overvallen op
8 december 1944 (daar is een film over
gemaakt), waarbij geen schot is gelost. Er zijn toen
een aantal belangrijke gevangenen bevrijd in
Leeuwarden en op verschillende plaatsen door de
ondergrondse verstopt. De Duitsers hebben later wel
wraak genomen. Zonder radio, telefoon, maar, we
waren er wel van op de hoogte, verbazingwekkend hoe
snel! Op een middag ging ik op de fiets naar St.
Nicolaasga, naar het voor mij bekende adres, een
slager, om vlees te halen. Ik was daar net, toen er
gewaarschuwd werd dat er een Duitse overvalwagen
langs was gekomen met een Duitser voor op de
motorkap en één achterop met allebei het geweer in
de aanslag.
Ik heb nog even
gewacht, maar ik hoorde verder niets en moest toch
naar huis. Toen ik bij de kruising St. Nyk/Spannenburg
kwam richting Doniaga, stond Maarten, een vroegere
klasgenoot op me te wachten. Hij had mij op de
heenweg zien fietsen en dacht wel dat ik nog zou
komen. Hij was achter de Duitse wagen aan gefietst
en werd bij Doniaga teruggestuurd. Nou, we besloten
om maar via Spannenburg , een hele omweg, terug te
fietsen. Hoe dichter we bij de kruising Doniaga/Follega
kwamen hoe stiller wij werden en hoe stiller het
was. En toen hoorden we schieten. We moesten nog
voorbij de Duitse wachtpost om in Lemmer te komen.
Toch maar doorgefietst en tot onze opluchting was er
bij de Follegabrug geen wacht wat we wel vreemd
vonden. In Lemmer aangekomen ging Maarten een andere
kant op.
Ik zag dat aan de
overkant op de Nieuwburen bij de brug allemaal
mensen op de fiets werden aangehouden en hun fiets
moesten afstaan. Toen ben ik vlug naar de volgende
brug gefietst, naar de Langestreek, en ik had
bescherming van Onze Lieve Heer, want ik kwam veilig
thuis. Moeder dolgelukkig dat ze mij plus fiets weer
binnen zag komen. De fietsen bleken gevorderd voor
de marine. De marine heeft waarschijnlijk een paar
gevangenen uit de gevangenis in Heerenveen,
Crackstate, gehaald en als represaille voor de
overval in Leeuwarden in Doniaga doodgeschoten en
dat hebben wij gehoord. De volgende dag hoorden we
dat ook de boerderij in brand was gestoken. Dat was
tegenover de terp waar de klokkenstoel stond.
Gelukkig waren alle mensen uit de buurt op tijd
gevlucht. Ook de mensen van de boerderij.

Nieuwburen te Lemmer.
Die waren nu
ondergedoken. Ik moest de volgende morgen toch weer
op pad om melk te halen. Het was nog pikdonker.
Gelukkig trof ik de vader van een vriendinnetje waar
ik wel meer mee op fietste. Dat deed ik nu weer. Hij
haakte eerder af, en ik moest alleen verder,
richting Doniaga, (dat ligt halverwege tussen Lemmer
en St. Nyk (St. Nicolaasga)). Daar moest ik
voorbij die afgebrande boerderij en de terp met de
klokkentoren, waar zich alles had afgespeeld.
Er hing een sterke brandlucht en er was nog wat vuur
te zien en rook. Op het moment dat ik er voorbij
fietste kwam er net een brandende balk naar beneden,
daar schrok ik erg van en ik was bang.
Ik fietste snel verder
naar de boerderij waar ik zijn moest. De mensen daar
waren ook doodsbang, hun knecht had ook moeten
vluchten. Ze durfden me geen melk te geven, en ik
vertelde hen, dat we de melk nodig hadden om ’s
avonds met de boot mee naar Amsterdam te geven,
omdat we de melk aan onze oom in Amsterdam wilden
geven, en als er dan niets was, zou oom helemaal
voor niets naar de Ruyterkade komen lopen! Na wat
heen en weer gepraat en nadat ik plechtig had
beloofd dat als ik aangehouden werd ik niet zou
zeggen waar de melk vandaan kwam kreeg ik de melk
mee en ben ik weer veilig thuisgekomen.
Ook voorbij de
wachtpost, die al eens geroepen had, en als zij
groetten, verwachtten ze dat ik hen teruggroette,
nu, dat vertikte ik, en dan riepen ze me na. Met de
flessen melk werd ik een keer aangehouden, ik had
één aan het stuur hangen en één op de bagagedrager.
De wachten hadden allebei het geweer op hun
schouder. Ze wilden weten waar ik vandaan kwam en
waar ik heen ging. (De geallieerden waren toen
al aan het oprukken in Frankrijk en België). Ik heb
toen net gedaan of ik doofstom was. En gebaarde
alleen met mijn handen en haalde mijn schouders op,
dat ik er niets van begreep. Ze hebben me toen
gewoon laten gaan!
Een andere keer moest
ik stoppen en toen ben ik heel hard, zigzaggend,
doorgereden. Ik weet niet meer wat ik toen in mijn
fietstassen had, zal wel iets clandestiens zijn
geweest. Gelukkig gebeurde er verder niets. Weer een
andere keer was ik op weg naar huis, ik was al over
de Follega-brug gekomen, toen kwam het gevaar van
een hele andere kant: richting Lemmer links van me,
stonden een stel arbeidershuisjes met een sloot
ervoor en bruggetjes van de weg naar de voordeur.
De mensen uit die
huizen kwamen naar buiten, er was een enorm lawaai
van een laagvliegend vliegtuig, (dat had ik ook
tussen de bomen door gezien), en de mensen riepen
dat ik vlug naar hen toe moest komen en de fiets aan
de weg moest laten staan. Dat deed ik. Het bleek een
Engels vliegtuig te zijn, en die soldaten schoten op
alles wat maar bewoog. We waren allemaal bang. Ik
zag het vliegtuig duidelijk, dus zij mij ook! Ik heb
gewacht tot het vliegtuig weg was en heb toen weer
mijn fiets gepakt en ben weer veilig thuisgekomen.
Op een dag ging ik
weer de boer op, om te kijken wat ik op de kop kon
tikken. Ik ging richting Gaasterland, via Balk,
Spannenburg, Follega, Eesterga, richting Lemmer. Bij
Balk en Wychel zijn ook bossen, daar fietste ik
praktisch doorheen. Terwijl ik daar fietste zie ik
het joodse meisje dat ik kende van de kapperszaak.
We schrokken allebei. Dit meisje was bij onze slager
ondergedoken. Ze verdween vliegensvlug en ik fietste
door of er niets was gebeurd (hier heb ik nooit over
gesproken, met niemand). Ook met Cor Kalk heb ik
deze fietstocht een keer gemaakt. Cor en Piet Kalk
konden later ook beter niet meer op straat komen,
want de Duitsers pakten alle jonge jongens op om
schepen te lossen. Zo was er elke keer wel wat.
Op een vroege morgen
stond ik op de stoep om naar de kapperszaak te gaan,
toen er twee Duitsers met een draagbaar tussen hen
in met daarop een dode Duitser langsliepen. De
draagbaar was gedeeltelijk afgedekt met een stuk
zeil, zijn laarzen staken eronder uit. Ik schrok en
liep pas door toen ze een eind verder waren. Wat
bleek er gebeurd: Op één van de verderop gelegen
schepen had een dronkemansfeest plaatsgehad en deze
soldaat was verdronken. Een andere keer kom ik
van de Polderweg, waar de Ancor lag, en ik liep op
de Gedempte Gracht, om over de brug te gaan, en daar
meerde een reddingsboot af en er stond een kar klaar
en terwijl ik er langs liep tilden ze een pak in
zeildoek op die kar.
Later hoorde ik, dat
het de romp van een Engelse vliegenier was, die uit
het IJsselmeer was opgevist. Een andere keer kom
ik op de fiets van St. Nicolaasga en ben ik vlakbij
de kruising Doniaga, Follega, Spannenburg en rij ik
opeens op een stel Duitsers in, die bezig zijn met
een lange platte kar, waarop een soort grote kegel
ligt, en een tractor ervoor. De Duitsers waren zo
druk bezig, en ik kon er snel langs fietsen. Zij
moesten rechtsaf en ik linksaf, tot mijn opluchting.
Zou dit nu de V1 of V2 zijn, waarover zoveel
geruchten gingen? Thuisgekomen vertelde ik wat ik
gezien had aan mijn vader, moeder en zus. Ze
geloofden me niet. Opeens hoorden we een vreselijk
geraas en we vlogen alle vier achter de tuin in. Ja
hoor, daar ging de raket die ik had gezien loodrecht
de lucht in, één vuurrode kegel. Op een bepaalde
hoogte ging hij horizontaal tot we hem niet meer
konden zien. Het was de eerste en de laatste die in
Gaasterland is afgeschoten.
Naderhand hoorden we
dat ze richting Den Haag verplaatst waren, zodat ze
door de kortere afstand Londen konden bereiken. Ik
denk dat dit in de zomer van 1944 was, toen waren
vader en moeder al met de echtscheiding bezig. Vader
kwam toen nog wel thuis. In het najaar van 1944
wilde Klaas na een weekend thuis weer naar zijn werk
in Utrecht gaan, maar omdat de geallieerden zo hard
oprukten, stuurden ze hem terug en ging hij zich per
fiets aanmelden bij station Heerenveen, een afstand
van 25 km enkele reis! En er was niet meer de
gezonde voeding die nodig was voor dit soort
inspanning! Klaas is niet in Heerenveen aan het werk
gegaan, want toen werd de spoorweg- en tramstaking
vanuit Londen afgeroepen, en toen moesten alle
spoormensen thuisblijven. Niemand mocht weten dat
Klaas thuis was gekomen, je kon bijna niemand meer
vertrouwen, je werd soms door je eigen buren
verraden. Zo heeft een familielid van Wiep (de beste
vriendin van Bregt) haar buren verraden (de man
werkte bij de tram en was na de tramstaking
ondergedoken). Na dat verraad werd hun huis door de
Duitsers helemaal leeggehaald.
Als er bij ons werd
aangebeld, moest Klaas steeds snel verdwijnen.
Tussen ons huis en de buren was een klein steegje en
als je niet te dik was kon je er net of zijdelings
in. Aan de voorkant bij de weg was het afgesloten.
Aan beide kanten van dit steegje hadden de huizen
vrij hoog wel een klein raampje dat open kon. Op een
morgen was oom Kees van de Ancor (hij was toen nog
niet opgepakt en dus nog niet naar Duitsland
getransporteerd) bij ons koffie komen drinken, en er
wordt aangebeld. Mama doet de deur naar de gang open
en ziet door het raampje het gezicht van een
Duitser. Ze roept "een Duitser" en weg was Klaas,
door de keukendeur en het steegje in. Wat kwam de
Duitser doen?: Ze kwamen alle huizen langs omdat het
lichtnet gesaboteerd was. Wij hadden ook geen
elektriciteit. Ze moesten toen alles weten van de
kabel die naar de boot in het water liep. Ik ben
boos geworden op oom Kees, die had de Duitsers
allang buiten gezien en ons niet gewaarschuwd. Als
de Duitsers binnen waren gekomen hadden ze misschien
het aantal kopjes geteld en gevraagd waar de
ontbrekende persoon was. Gelukkig liep het deze keer
met een sisser af.
Op een nacht wordt er
aangebeld. Er bleken kinderen uit Amsterdam met de
nachtboot overgekomen te zijn, en die moesten vanaf
4/5 uur ’s ochtends een paar uur onderdak hebben tot
ze verder vervoerd konden worden als de spertijd
voorbij was. Omdat Lemmer in de gevarenzone lag
mochten de evacués niet in Lemmer blijven en moesten
ze naar dorpen verderop. De kinderen bleken van de
kleermaker van oom Jan te zijn en zo waren ze aan
ons adres gekomen. Wij wisten van niets, zo ging dat
in die tijd. We hadden geen telefoon. Intussen was
Klaas natuurlijk weer verdwenen. We hadden wel een
schuilplaats onder de vloer, maar daar hadden we
even tijd voor nodig en als er werd aangebeld
ontbrak die tijd.

Toen de kinderen
binnen waren geïnstalleerd gingen we op zoek naar
Klaas. Hij was nergens in huis te vinden. Achter in
de tuin konden we ook niet hard roepen, want dan
konden de Duitsers ons horen. We gingen bij de
slootkant kijken of hij zich daar had verstopt
tussen de struiken, maar nee, ook daar was hij niet.
We konden nu alleen maar afwachten. Alles bleef
verder rustig en daar kwam Klaas weer tevoorschijn:
achter onze tuinschutting liep een pad van een
keuterboer, dat met een bruggetje over de sloot weer
met zijn terrein verbonden was. Klaas was via de
slootkant naar de schuur (voor hooi en een paar
koeien) gevlucht en had zich daar verborgen.
We hebben ook twee
dames (kennissen van oom Cornelis en tante Anne uit
Rotterdam) die helemaal uit Rotterdam waren
komen lopen te logeren gehad. Zij gingen proberen om
in Friesland aan voedsel te komen. Toen zij
teruggingen kregen ze vlees mee en een brief voor
oom Cornelis en tante Anne. Ze gingen weer helemaal
teruglopen naar Rotterdam. We hebben ze gewaarschuwd
voor de IJsselbrug bij Zwolle, waar strenge controle
was. We hoorden een hele tijd later dat ze helemaal
berooid zonder spullen in Rotterdam terug waren
gekomen. We hebben ook tijdelijk een onderduiker in
huis gehad, Wim Hortinga, die doodsbang was als er
geschoten werd. Dan wist hij niet waar hij het
zoeken moest. Hij maakte de jongeren in huis
helemaal van streek met zijn gedrag. Ik weet niet
meer hoe lang hij bij ons in huis is geweest, ik
denk een paar maanden. Hij had een oogje op onze
Bregt, dat weet ik nog wel!
Toen Klaas na de
spoorwegstaking in huis bleef, had meneer Soester
wat aanspraak aan hem. Ze zaten samen in de
achterkamer vaak te schaken. We hadden ook een
vishengel voor meneer Soester gemaakt, die was eerst
van mij geweest, ik zat daarvoor ook veel te vissen
in de sloot, maar toen niet meer, en ’s zomers was
het bij de sloot dicht begroeid en als hij niet
teveel vooraan ging zitten kon niemand hem zien
zitten. Maar wat deed hij? Hij ging pontificaal
vooraan zitten, zodat iedereen hem kon zien!
Levensgevaarlijk, voor hem en voor ons! Want er kwam
wel eens een gevaarlijke politieagent langslopen,
die ging wel eens bij zijn oudere zuster op bezoek,
die aan de overkant van de sloot in één van die
kleine arbeidershuisjes woonde. Hij liep dan achter
onze schutting langs over het bruggetje van de
sloot, die naar de kolk liep, (er was een kolk door
een vroegere dijkdoorbraak). (Deze politieagent,
D**** K**, heeft zich later in kamp Sondel
opgehangen na de bevrijding). We werden gelukkig
snel gewaarschuwd, dat die joodse meneer Soester zo
in het zicht zat. Dit heeft hij toen niet meer
gedaan.

Sondel, kamp: Na de
Tweede Wereldoorlog werden NSB-ers en andere
collaborateurs gevangen gezet in kamp Sondel in
afwachting van hun straf.
Vanuit onze slaapkamer
konden we het huis van de politieagent zien. Zij
sliepen aan de voorkant van hun huis, aan de
straatkant. Na het scheren gooide meneer Soester
zijn scheerwater uit het raam zo op straat. Ook
hiervoor werden we weer gewaarschuwd (er woonden
toch alleen een paar dames daar!?). Als de
onderduikers alleen thuis waren, gingen ze hard
tegen elkaar tekeer. Dat konden wij goed horen. Als
wij bezoek hadden, moesten wij ook heel hard praten,
en dan gingen we gek doen, om ze te overstemmen. Een
mannenstem in een huis waar zogenaamd alleen maar
dames woonden, dat kon toch niet. We waren pas weer
ontspannen, als het bij de buren stil was en/of het
bezoek weer weg was. Na ongeveer negen maanden
werden de onderduikers op een avond in het donker
opgehaald en naar een ander adres gebracht. Kort
voor de bevrijding keerden ze terug. (waarom weet ik
niet).
Annie en ik hadden
intussen nog steeds hetzelfde baantje, en net voor
onze baas moest onderduiken hadden we hem in
vertrouwen genomen (dat Klaas thuis ondergedoken
was), want Klaas zijn haar moest nodig geknipt
worden, maar ik mocht geen materiaal van de zaak mee
naar huis nemen. Na mijn uitleg mocht dat wel. In
onze schuur lag een betonnen vloer, en daar heb ik
Klaas geknipt. De heer Soester moest ook geknipt,
maar dat mocht ik niet doen, dat zou zijn vrouw wel
even doen. Wat hebben we daar later om gelachen: het
leek echt of zijn vrouw een bloempot als model bij
hem had gebruikt. We mochten natuurlijk niet laten
merken dat we het geen gezicht vonden.
Op een morgen kwam
Annie van de Polderdijk waar de Ancor lag langs de
Nieuwburen aangelopen en daar was alles afgezet door
de Duitsers met machinegeweren, er werd nl. een
razzia in de Noord-Oostpolder gehouden, waar
allemaal onderduikers zaten, joden, studenten,
mannen van de Ondergrondse, Engelse piloten, mannen
die naar Duitsland moesten enz. Annie kwam toen
helemaal ontdaan bij ons thuis. Later bleek dat onze
baas die daar ook ondergedoken zat de dans was
ontsprongen. Hoe heeft hij nooit verteld. Van meneer
Reeker was het lot toen onzeker (maar deze is later
ook boven water gekomen). De baas begon toen ons te
dreigen dat hij Klaas aan zou geven, die kon hij dan
misschien ruilen voor zijn vriend.
Ik heb hem toen
verteld dat Klaas nog net met een boot naar
Amsterdam was gegaan, daar niet bij familie terecht
kon en dat ik dus niet wist waar hij op dit moment
was. Ik heb thuis vlug verteld wat ik over
Klaas had gezegd, zodat de anderen dit zelfde
verhaal konden ophangen. Na dat voorval en omdat er
praktisch geen werk meer was ben ik bij de
kapperszaak weggegaan. Ik moest wel beloven dat ik
niet meteen naar de concurrent zou gaan. Daar heb ik
in toegestemd, ik voelde er toch niet veel voor.
Maar, er moest wel geld binnen komen.
In St. Nyk, waar ik
geregeld kwam, raadden ze me aan om te gaan spinnen,
Zij hebben toen voor een spinnenwiel gezorgd, zodat
ik wol kon spinnen voor de verkoop. Ik weet niet
meer wat ik voor het spinnenwiel en de schapenvacht
heb betaald. Ik moest natuurlijk eerst leren
spinnen, de anderen hebben er erg om gelachen. Ik
heb totaal voor één paar geitenwollen sokken genoeg
leren spinnen en twijnen, en die heeft mijn moeder
toen gebreid. Het werk schoot er door allerlei
omstandigheden bij in. Ik ging bv. nog geregeld de
boer op, ik was de enige die dat kon doen, en dat
kostte veel tijd. Eten krijgen was nl. een probleem.
We hadden wel bonkaarten, maar daar kreeg je bijna
niets op, en het eten van de gaarkeuken was ook niet
best, en ik kon daar helemaal niet tegen. Toen is
moeder weer zelf gaan koken. We leefden zo’n beetje
op melk. We werden ook dik van het vocht (oedeem).
Net voor de kerstdagen
1944 hadden we nog elektriciteit, maar die zou toen
afgesloten worden. Dat hadden de Duitsers
verordonneerd, er moest bezuinigd worden. We hoopten
dat ze dat pas na de kerst zouden doen, maar ze
belden net voor kerst bij ons aan. Mijn moeder had
de bel niet goed gehoord, en achteraf hoorden we dat
meneer Hortinga, die de zaak zou afsluiten al weer
aan het weglopen was, toen moeder alsnog naar de
deur liep om te kijken of er iemand voor de deur
stond. De buurvrouw riep toen: "Ze zijn er wel", en
meneer Hortinga sloot de boel bij ons af. We wilden
nog proberen om door de keukenramen een draad te
trekken naar de buren,zodat we met de feestdagen
toch nog even licht zouden hebben, want zij hadden
nog wel elektra (zij hadden een zeer belangrijke
evacué aan onderdak bij hen geholpen, een hoge
politiecommissaris, en die had blijkbaar bepaalde
connecties….).
Anders zouden we na de
kerstdagen toch wel zijn afgesloten, maar nu al voor
kerstmis, dat was een grote tegenvaller. Maar we
hadden uiteindelijk toch licht: met de petroleumlamp
van de Ancor. Ze konden hem op de boot toch niet
aandoen, dan was de boot niet genoeg verduisterd,
dus mochten wij hem gebruiken. Er was met die
kerstmis niet veel, we hadden wel aardappels en daar
maakten we kaarsenstandaards van (we aten ze later
alsnog op hoor!)Moeder zal toen ook wel een
aardappelcake hebben gebakken, en een taart van
lange vingers, alles volgens oorlogsrecept. We waren
er dol op.
Oud en Nieuw hebben we
gevierd met tante Clazien en juffrouw Prins en
juffrouw Wassink en de familie Soester. Er was
niets, geen radio, geen telefoon, maar we hadden de
grootste pret, we deden spelletjes als
mens-erger-je-niet, dominoën en vissen vangen. We
zaten met zijn allen in de achterkamer. Er kwam ook
een diep bord gevuld met water, daar ging een haar
in en dan moest je met je hoofd boven het bord
kijken hoe die haar groeide. Dan kreeg je een duw,
zodat je kleddernat werd, lachen voor iedereen! We
hadden deze lol echt nodig om de spanning even af te
reageren denk ik. We deden ook allerlei trucjes met
lucifers, en zo begon het nieuwe jaar, 1945. We
hoorden bijna elke avond honderden Engelse
vliegtuigen overkomen, die naar Duitsland op weg
waren. We gingen ’s avonds wel eens achter in de
tuin kijken.
In de keuken stond een
oude potkachel, met aan de zijkant een oven zonder
tussenschot. De kachel werd gestookt met eierkolen.
Op de kachel werd gekookt en in de oven werd
gebakken (bv. de aardappelcake waarover ik al eerder
vertelde). Als er iets in de oven werd gebakken
moest de keukendeur dicht blijven, anders kwam er
een koude windvlaag en kon het baksel mislukken. De
oven was open aan de binnenkant bij de pot waar het
vuur brandde. Zo werd er ook brood in gebakken, als
we wat graan hadden. We hadden een grote molen, die
we gebruikten om van het graan brood te bakken.
Brood van de bakker, ook op de bon, ’s morgens
gekocht, was het de volgende dag helemaal zwart en
keihard. We moesten dat wel eten, iets anders was er
niet. Zo hadden we in ieder geval iets te eten en we
hadden er ook meteen warmte van.
Het was dat laatste
oorlogsjaar gelukkig geen strenge winter, het was
wel spannend, door het winteroffensief van de
Duitsers in de Ardennen rond kerst. De geallieerden
waren toen volledig verrast en teruggedreven.
Gelukkig trokken de geallieerden even later weer op.
Toen kon de opmars in ons land ook verder gaan. Hier
en daar werd flink gevochten. Bregt en Klaas gingen
op een avond even een luchtje scheppen. Het was
donker. Ze kwamen op de Nieuwburen, langs het
Nutsgebouw. Plotseling vloog een Duitse soldaat
Klaas naar de keel. Er was in het gebouw iets te
doen en vermoedelijk was er iets uit de hand
gelopen. Bregt riep meteen: "Er hat nichts getan".
Klaas heeft zich
losgerukt en is er vandoor gegaan. En zo kwamen ze
gelukkig veilig thuis. Op een andere avond
gingen Klaas en ik in het donker naar de Ancor, die
aan de Polderweg lag. (Klaas wilde wel eens een
luchtje scheppen, altijd maar binnen zitten gaat
vervelen). We waren onderweg doodstil, zodat niemand
ons kon horen. Op de Ancor was alles goed. We
moesten weer op tijd terug naar huis wegens
spertijd. Klaas (die nooit een hoed droeg) had een
hoed op om niet herkend te worden. We waren al weer
bijna thuis, aan het eind van de Vissersburen, toen
een paar mensen ons tegemoet liepen. Ze groetten
Klaas: "Dag Bolhuis". Terwijl wij hen in het donker
niet herkenden, herkenden zij Klaas wel. We hebben
niets teruggezegd en gingen snel naar huis. Hierna
durfde Klaas ook in het donker niet meer naar
buiten. Het was te riskant.
De spanning nam steeds
meer toe en er kwamen steeds meer geruchten over wat
er overal gebeurde. Er was bijna niets meer te
krijgen. Ik trok er elke dag op uit, om te kijken of
er ergens misschien iets te halen was. Na allerlei
geruchten kwamen er in maart 1945 schepen aan,
waarvan de ruimen afgedekt waren met de Rode Kruis
vlag. Zo konden deze schepen vanuit de lucht goed
gezien worden, en door die vlaggen zouden ze
(hopelijk) niet worden beschoten. Er zat voedsel in
voor het westen van ons land. Het waren rijnaken die
via Groningen en Friesland naar Amsterdam voeren. Op
14 april 1945 moest moeder op de fiets naar Sneek,
naar de advocaat in verband met de echtscheiding.
Wij wilden niet dat ze
ging, maar ze ging toch, aan het begin van de
middag. Wij zaten allemaal gespannen op haar
terugkomst te wachten. Het was al speruur geweest,
en ze was er nog niet. Eindelijk kwam ze. Wij waren
blij en opgelucht maar ook niet erg te spreken door
alle angsten die we hadden uitgestaan. Wat bleek er
gebeurd te zijn: moeder was op de heenweg twee
Duitsers en een vrouw voorbij gefietst. De twee
soldaten hadden een goede fiets, maar de vrouw had
een fiets met een houten voorwiel die met veren aan
de velg vast was gemaakt. Daardoor kwamen ze niet zo
snel vooruit. Moeder moest toen van fiets
ruilen met die vrouw. Ze kon hem dan later in Sneek
weer bij de Ortscommandant ophalen. Zo gezegd zo
gedaan. Bij de Ortscommandant aangekomen werd haar
gezegd dat ze maar een fiets moest pakken, er
stonden er genoeg. Maar ja, wat bleek, er
stonden ook allemaal bewakers bij! Dus dat ging mooi
niet door. Toen moest moeder op die fiets met houten
band terugfietsen naar Lemmer, en dat was een zware
tocht. Weg goede fiets. Al met al was het geen
prettige avond.
De volgende dag moest
er weer melk gehaald worden bij één van de vaste
boeren. Het was nog licht, dus nog niet zo laat ’s
middags. Het was niet fijn fietsen op dat kreng van
een fiets. Op de Straatweg was het rustig, maar ik
mocht niet meer over de Follega-brug van moeder,
want volgens de geruchten zou die misschien worden
opgeblazen door de Duitsers. Als dat gebeurde kon ik
geen kant meer op. Toen ik op de boerderij was
aangekomen, zag ik dat er wat veranderd was: De
boeren op de Straatweg hadden allemaal hun koeien in
veiligheid gebracht en uit het zicht achter de
tramdijk gezet. De Duitsers waren terug aan het
trekken via Lemmer naar het westen. Ze hadden karren
met van alles en nog wat bij zich en doodgeschoten
koeien en levende koeien en paarden werden
meegesleept.
Ze liepen met van
alles aan de kant van de weg, zo veel mogelijk
beschut door de bomen. Op de terugweg kwam ik midden
tussen die Duitsers terecht. Ze riepen naar me, ze
konden mijn fiets goed horen aankomen, ze riepen
iets met "Fahrrad" , ik wist dat er iets mis was en
ik keek achterom en zag een spoor van melkdruppels
op de straatstenen vallen. Een fles was op de fiets
kapot gehusseld. Toch ben ik ook toen weer veilig
thuis gekomen.
De volgende dag zouden
Bregt en ik samen lopend melk gaan halen. Maar op de
afgesproken tijd was Bregt er niet. Ik zag haar met
vriendin Wiep aan de overkant van het vaarwater
lopen. Ik ging achter de muziektent staan en daar
kwam moeder aan, die was even op de Ancor op bezoek
geweest. Ik riep dat ik al met andere kinderen had
afgesproken om samen te gaan en dat ze niet meer
hoefden te komen. Ik ging met Johan en Renske (een
broer en zus) en nog een paar mee. Moeder was er
niet gerust op, want het was eng stil. Daar gingen
we, lopend de Straatweg af. We hadden afgesproken
dat als iemand bij "zijn" boerderij was om melk te
halen, de rest op diegene zou wachten. Eerst naar de
verste boerderij en dan terug lopen. Omdat we wisten
dat er gevaar dreigde liepen we flink door.
We hadden ook wel lol
hoor. We waren alweer op de terugweg en zaten bij
het tweede bruggetje even te wachten op één van ons
groepje, die op een boerderij was, en daar komen
Bregt en de heer van Kammen (die kende Bregt van een
vroegere kantoorbaan, van vóór het ziekenhuis) aan.
De heer van Kammen, woonde dichtbij ons huis. Zij
wilden dat ik met hen mee terugging, maar dat wilde
ik niet, omdat ik met mijn groepje duidelijke
afspraken had gemaakt. Van meneer van Kammen moest
ik echt mee. Gelukkig zei mijn groepje toen "ga
maar". De geallieerden bleken al dicht in de buurt
te zijn. Thuis was het onnatuurlijk stil. Er kwamen
geen vliegtuigen meer over en het zoeklicht en
afweergeschut waren waarschijnlijk al weg. Bregt was
even in de tuin over de schutting met de oudste
buurjongen in gesprek geraakt en die zei dat we in
de kelder moesten gaan schuilen.
Dat was makkelijk
gezegd, maar daar stond van alles in, Keulse potten,
aardappelen en weet ik veel wat al niet meer. We
hebben toen de andere buren gewaarschuwd en die
kwamen met kussens aanzetten. Ik weet niet meer met
hoeveel mensen we uiteindelijk in de kelder hebben
gezeten, in ieder geval met zijn negenen. Hoe laat
de beschieting begon weet ik niet meer, ik dacht wat
later op de avond, maar het was nog niet helemaal
donker. De ramen waren beplakt met repen
papierstroken. In de voorkamer stonden kleine
klosjes onder de ramen. Dit om rondvliegend glas
tegen te houden, als er een raam zou springen. Toen
de beschieting begon, ging Klaas naar boven om te
kijken en hij riep steeds "daar komt er weer één."
Zolang je geluid hoorde, hoefde je niet bang te
zijn. Toen hoorden we een ander geluid wat we niet
thuis konden brengen. Klaas en Bregt gingen vanuit
onze slaapkamer kijken en ze zagen dat de Duitsers
platte boerenkarren bij de dijk naar beneden in zee
dumpten. Deze Duitsers kwamen van Sondel, waar een
Duits kamp was. Dit lag dicht bij Gaasterland. Ze
waren met hun hele hebben en houden op de vlucht
geslagen.
Even later zaten we
weer allemaal beneden te luisteren op de keldertrap.
Toen hoorden we allemaal mensen draven en roepen. We
wisten niet wat er aan de hand was en bleven
doodstil zitten. Toen werd het op het schieten na
weer doodstil. We bleven maar gewoon zitten waar we
zaten, en geleidelijk werd het stil. Ik ben toen in
slaap gevallen. Toen ik wakker werd, lag ik nog in
mijn eentje in de kelder, en toen ben ik me rot
geschrokken, alles was stil. Ik ben toen heel
voorzichtig uit de kelder gekropen, ik durfde niet
te roepen. Mijn allereerste gedachte was dat ze
allemaal waren meegenomen en alleen mij hadden laten
liggen. De voordeur stond open en na voorzichtig
rondgekeken te hebben bleek er niemand meer in huis
te zijn.
Op straat was het ook
doodstil. Ik weet niet meer wanneer ik moeder en
Bregt toen zag, op straat of dat ze thuiskwamen. Ze
hadden me maar laten liggen omdat ik zo lekker
sliep, maar ik vond dat niet leuk. Moeder en Bregt
waren bij de Ancor gaan kijken, want die had midden
in het schootsveld gelegen. Gelukkig was alles daar
goed. Daar was ook een huis getroffen en waren doden
te betreuren. Overal op de weg lag glas, vertelde
Bregt. Bij de sluis lag allerlei voedsel dat de
Duitsers achter hadden gelaten toen ze hals over kop
vluchtten. De Duitsers hadden in de Schans een
pantserfaust in een huis gegooid: twee doden. Ook
door de beschietingen zijn er doden gevallen.
Onze bevrijding heeft
zeker 5 levens geëist. De Binnenlandse
Strijdkrachten hebben toen het gezag in handen
genomen. Een paar dagen later kwamen de
Frans-Canadezen in ons dorp. Er was vreugde en
verdriet tegelijk, om de herwonnen vrijheid en om
alle verliezen. Ik ging naar de Ancor en op de
terugweg wilde ik langs het Gemeentehuis waar ik in
een schreeuwende en joelende menigte terechtkwam,
die twee Duitse soldaten in hun midden hadden. Ik
dacht meteen "wegwezen" en heb het op een lopen
gezet. Ik dacht dat ze die Duitsers wel zouden gaan
lynchen en dat het een groot bloedbad zou worden.
Maar later bleek dat het twee Polen waren die
gedwongen waren om in het Duitse leger te vechten
(was ook met Oostenrijkers gebeurd). Deze twee Polen
hadden in verbinding gestaan met de Ondergrondse en
zo hebben ze ons voor een ramp behoed. De Duitsers
hadden de dijk bij de Noord-Oostpolder waar wij
uitzicht op hadden willen opblazen met dynamiet op
het laatste moment van hun terugtrekking.
Ze hadden al een
heleboel gaten gegraven en moesten dat nog laten
ontploffen. Ze hadden nog een kar met spullen naar
de sluis gebracht om in te schepen. De Polen hadden
op het laatste moment de lonten in die kar verstopt!
Zo bleef een enorme ramp ons bespaard! Klaas
vertelde ons dit later, toen hij na een oproep als
vrijwilliger een dag mee had gewerkt om de dijk te
herstellen.
Opeens was er geen
Duitser meer te bekennen en wemelde het van de
Binnenlandse Strijdkrachten van de Ondergrondse met
een blauwe overall aan en een blauwe band om de arm,
en van de vreemdelingen, uit alle hoeken en gaten
kwamen de onderduikers tevoorschijn, Het was net of
het dorp door vreemdelingen was ingenomen, in plaats
van bevrijd!
Ook nu moest er nog steeds melk gehaald worden. Dat
was lopen geblazen. De heer Soester wilde met mij
mee, ondanks de waarschuwing dat het na zijn
onderduikperiode veel te ver was. Het bleek een veel
te grote opgave voor hem te zijn. Hij heeft het na
die ene keer niet meer gedaan. De volgende dag ging
ik op een fiets met luchtbanden. Waar die vandaan
kwam weet ik niet meer. Ik was daar dolgelukkig mee.
In het dorp was het een en al feestvreugde. Allemaal
mensen op straat. Het was ook prachtig weer. De boer
was blij dat er iemand om melk kwam, door de
melkfabriek werd ook geen melk gehaald. Ik beloofde
toen, dat ik nog een tweede keer langs zou komen om
nog meer melk op te halen. Die zou ik wel weer kwijt
raken. Toen ik weer bij de boer kwam was er niemand
meer op straat, alles was uitgestorven. Ik begreep
er niets van, tot ik vlakbij kwam en twee
Binnenlandse Strijdkrachten met geweer zag lopen. Ik
mocht gewoon naar huis fietsen. Het bleek dat er
Duitse schepen waren gezien en men was bang dat ze
weer terug zouden komen.
We hoorden van de
Frans-Canadezen hoe laf een stel Duitsers geweest
was. Tussen Joure en Heerenveen ligt Oudehaske, waar
een melkfabriek stond. In deze fabriek hadden zich
Duitsers verborgen. Toen de geallieerden kwamen
staken de Duitsers de witte vlag uit. De
geallieerden liepen naar de fabriek toe en toen
begonnen ze vanuit de fabriek te schieten Hierbij is
één soldaat omgekomen. De geallieerden hebben meteen
teruggeschoten. De gedode soldaat was bevriend met
een andere soldaat van dezelfde groep en vanaf de
invasie waren ze samen door heel Europa getrokken.
Zo triest dat tegen het einde van de oorlog zoiets
tragisch moest gebeuren.
Onze onderduiker Wim
Hortinga was de dag van de bevrijding vertrokken.
Door de luchtdruk was er boven op zolder onder de
dakpannen door allemaal zand gekomen. Bregt ging al
gauw weer naar het ziekenhuis in Heerenveen. Klaas
moest nog wachten op de capitulatie voor hij weer
naar de Spoorwegen in Utrecht kon. De eerste tijd
heb ik nog wel melk gehaald bij de boer. Op een keer
kwam ik terug op de Nieuwburen en fietste ik langs
een bakker. Het rook er heerlijk, er lag in de
etalage prachtig wit brood. Thuisgekomen vroeg ik of
ik zo’n brood mocht halen. Nee, eerst moest het
zwarte brood op. ’s Avonds kregen we dan eindelijk
het heerlijke brood. Het was voor ons net cake!
Geleidelijk aan werd
het leven weer wat normaler. Ik kreeg een baantje
bij een andere kapper. Toen we van de capitulatie
hoorden was er een enorme vreugde. Het westen was nu
ook bevrijd. De vraag was hoe het met onze familie
ging, oom Kees zat nog in Duitsland, die is later
helemaal lopend weer naar huis gekomen. En zo ging
het leven na een tijdje weer zijn gewone gang.
Gré de
Groot-Bolhuis.
NB:
Van Johannes de Vries,
die het verhaal erg kon waarderen, en vind dat zij
haar herinneringen goed onder woorden en de sfeer en
spanning van die tijd heel goed weergegeven heeft.
Kreeg ik een paar opmerkingen over de inhoud.
Bij de bom bij de
sluisput in 1940 was havenmeester Rein Kool niet bij
de slachtoffers. Hij leefde nog vele jaren na de
oorlog.
Volgens Johannes is de
Groningen IV na de oorlog wel gelicht. Er hing
altijd wel een waas van geheimzinnigheid rond die
tragedie. Verder is hij van mening dat er
verschillende keren V1 of V2 wapens vanuit
Gaasterland zijn afgeschoten en dat het niet bij de
ene door mevr. Bolhuis genoemde lancering gebleven
is..
Home
|