Hardrijderij in Lemmer.

 

Lemster hardrijders uit oude tijden !

Toen enige weken geleden de Friesche Koerier een historisch overzicht gaf over Balk in het jaar 1917, viel ons oog speciaal op onderstaand berichtje.

25 Januari (1917) Hurdriden fan manljue op in stik bûtlân oan 'e Sleattemer mar. Prijs E. de Vries; E. Dijkstra, allegearre fan de Lemmer. Dit bracht ons weer in herinnering, dat onze plaats Lemmer aan het einde van der 19e en de eerste tientallen jaren der 20e eeuw in geheel Friesland (en Nederland?) bekend stond als "leverancier" van meerdere zeer snelle hardrijders op de kortebaan.

Het is toentertijd vaker dan éénmaal voorgekomen, als een ijsclub bestuur "ergens in Friesland" 's morgens met de handen in het haar zat, omdat er geen voldoende deelname was, dat er dan een telefoontje naar Lemmer ging, of er ook nog een man of wat kon komen. Weliswaar waren de allersnelste zo'n dag meestal bezet, maar Lemmer had altijd nog wel een ploegje "reserves" zoals men tegenwoordig zou zeggen, die dan tegen bijvoorbeeld een vergoeding van f 5.00,- per man gaarne wilde komen. En het moest al heel raar gaan, als van die redders in den nood er niet één of meerdere ook nog met één der prijzen thuis kwamen.

Legendarische namen.

Van de Lemster hardrijders waren er beslist met name bij, die zelfs nu nog een legendarisch klank hebben. Werd nog niet deze zomer (jaartal niet bekend) bij de Hilversumse paardenrennen, als extra prijs daar de "Arend Poepjes" prijs verreden?. En Arend had zeker nog vier of vijf broers en meerdere familieleden, die evenals toen met ere genoemd konden worden! Evenals de gebroeders Dijkstra, Bouke de Wreede, diverse Coehoorns, en Stienstra's, Folkert van der Werf, Jaap Benninga, Eelke de Vries, en nog vele anderen, wiens namen ons niet direct te binnen schieten. Het is beslist niet overdreven om te zeggen dat Lemmer toen het Hardrijders dorp was. Met de laatstgenoemden Eelke de Vries, die U met zijn vrouw voor twee weken in de Zuid-Friesland zo keurig op de foto hebt kunnen zien ter gelegenheid van hun diamanten huwelijksfeest, zijn we vorige week eens gaan praten.

 

Rechts: Arend Poepjes en links: Ph. Holst.

 

Eelke de Vries.

 

Een foto van een historische schaatstocht in de strenge winter van 1929. Die tocht was in de hele historie van de Zuiderzee nog nooit gemaakt. De man links met de witte trui is Eele Visser, Johannes Wijnand (Joffre), Geert Feenstra, Lies de Rook (dochter van hangbaas Poppe de Rook), met alpinopet op is Eelke de Vries en dan rechts Lourens de Rook.

 

Eelke de Vries, die thans 85 jaar oud is en wiens geheugen nog "Pico Bello" is, was gaarne bereid een uurtje met ons over zijn schaats loopbaan met ons te babbelen. Wel werd ons uitdrukkelijk gevraagd om bij het weergeven van zijn verhaal niet te overdrijven, wat echt weer zijn eenvoudige, degelijke persoonlijkheid die wars is van alle opschepperij openbaarde.

En toch is deze vraag om niet te overdrijven een beetje moeilijk voor ons. Want is het overdreven, lezer als we schrijven dat Eelke de Vries niet alleen één der aller-snelste rijder van "Friesland" was?. Persoonlijk hebben we dit nooit kunnen constateren, maar als ouderen mensen, tientallen jaren nadat hij in de baan was verschenen, die je dit nog ongevraagd vertellen, dan kunnen we dit toch zeker wel als waarheid aannemen.

Als jongen had Eelke de Vries natuurlijk wel eens een prijsje gewonnen, maar zijn allereerste grote wedstrijd reed hij als jongen van 19 jaar te Sneek. Dat is op zichzelf al een verhaal, dat we U niet willen onthouden.

Dat jaar was geheel Friesland en ook daarbuiten, geheel met ijs overdekt, zodat men overal met "redens" kan komen. Trouwens geld voor de tram was er toch niet, en daar er ook geen werk was, ging Eelke op zekere dag met een kameraad op schaatsen naar Sneek, waar die dag een hele grote rijderij voor mannen zonder onderscheid zou worden gehouden. Maar in Sneek aangekomen bedroeg de entree op de bijbaan één gulden per persoon en goede raad was duur. Maar Liekle (Lykele) Poepjes van Lemmer (oude Liekle (Lykele), ter onderscheiding van een jongere naamgenoot, t.w. zwarte Liekle (Lykele)) toen een der aller-snelste, schafte raad. "Jimme ride mei" dat koste ook een gulden, maar het was de gewoonte van die dagen, dat de verliezers deze gulden, later terug kregen en zelfs kreeg de winnaar van maar één rit toen reeds 2 gulden. Zo gezegd zo gedaan.

Eelke won het op sokken!

De eerste rit ging tegen 'n tamelijk bekende rijder uit Hommerts, welke het tot zijn grote verbazing van die onbekende kwajongen, die notabenen op sokken reed verloor. Maar hij zou de tweede omloop wel beter uitkijken. Maar er viel niets uit te kijken, want ook deze rit verloor de man uit Hommerts. En hiermee had Eelke alvast één gulden winst. Toen de tweede rit, nu tegen iemand uit Bolsward. Nu is het met je gedaan, jongetje! Maar ook deze concurrent werd door Eelke in beide ritten "in streken" van de baan geveegd. De derde rit was tegen een eigen Lemster " Rinse "fan Jan van Fetsje" "Jan van Fetsje" en ook Rinse Visser, moest zich gewonnen geven. Het publiek had ondertussen die onbekende "Sokkenman" al in de gaten gekregen en hem al gauw tot hun favoriet verklaard en onder luide toejuichingen (iemand uit Hardegarijp) aan zijn zegekar gebonden.

De vijfde rit moest worden aangetreden tegen Willem van Dijk, een boerenzoon uit Terhorne, die o.a. de dag tevoren de eerste prijs had gewonnen in Heerenveen. Ze gingen los en Eelke raakte achter ondanks de aanmoedigingen van het publiek. De eerste rit was dus verloren. Dan de tweede rit, welke Eelke won met flink verschil. Toen wou van Dijk "praten" Hij wilde ontzettend graag winnen en maakte Eelke er op attent dat deze, als hij zou winnen, direct bij zijn allereerste wedstrijd, uitgesloten zou zijn van kleinere wedstrijden, waar hij van Dijk zelf allang niet meer mocht meedoen. (Bij de advertenties van vroeger werd altijd...vermeld: Hardrijden van mannen die niet meer dan zoveel hebben gewonnen) voor dit argument zwichtte onze man. Hij zelf had bij verlies alvast de derde prijs. Terwijl van Dijk dan al de tweede prijs had, met zelfs nog een kans op de eerste prijs. En die twee prijzen zouden dan gezamenlijk gedeeld worden tussen Eelke de Vries en van Dijk.

Het werd de tweede prijs, want van Dijk moest zich tegen Liekle (Lykele) Poepjes, gewonnen geven, welke laatste 's avonds in Lemmer aan zijn vrouw (Koba van Liekle (Lykele)) zestig gulden kon overhandigen. Bij 't lezen van dit bedrag moet U er eens aan denken, dat een weekloon voor een gehuwde arbeider in die dagen zomers hoogstens 7 gulden bedroeg, terwijl de meeste gedurende de winter werkloos waren, zonder enige uitkering.

U begrijpt dat Eelke de Vries, nu de smaak te pakken had. De volgende dag direct naar Schoterzijl, waar de sokkenman "Op Sloffen" won. Weer  f 25,- verdiend. De daarop volgende dag naar Oldeholdpade nogmaals f 25,- verdiend. En Eelke had niet alleen de smaak te pakken, maar door deze opeen volgende overwinningen had hij ook het nodige zelfvertrouwen gekregen. Al spoedig moest schoenmaker Euverman, een paar echte rijschoenen voor hem maken, waardoor zijn snelheid en stevigte van streken nog toe nam.

De gehele week en de daarop volgende dagen, dag in dag uit, was het altijd raak. In Oldenmarkt, in Vledder, Oldelamer, Wolvega, en noem maar op. In Vledder deed zich tijdens de rit, tussen prijs en premie nog een incident voor.

Krant als hindernis.

Toen Eelke tegen een zeer bekende Drentse hardrijder, die voor eigen publiek natuurlijk moest winnen, in gewonnen positie lag, werd hem vanuit het publiek onverwacht een krant voor de voeten gegooid. Dit zal wel z.g.n. per ongeluk zijn geweest, maar het had rare gevolgen kunnen hebben. Stel je voor, dat hij in volle vaart tegen de vlakte was geslagen! Maar dan moest men de watervlugge jonge kerel, die Eelke de Vries toen was, voor zich hebben. Getraind door het "Krijgboartsjen" op schaatsen op het havenijs, sprong hij in dezelfde vaart meters over de krant heen en de prijs was weer binnen.

Vele, ja zeer velen zijn de daaropvolgende jaren, als het een ijswinter was, nog gevolgd. Hij heeft het van zijn 19e tot zijn 35e jaar volgehouden. Als getrouwde man was z'n ijswinter voor zijn grote gezin een uitkomst. In plaats van f 7.00,- voor een 75 urige werkweek van hard ploeteren, werd er soms op een dag f 100,- vaak f 60,- en minstens f 25,- verdiend. Maar U moet nu ook weer niet denken, dat ze deze bedragen op een presenteerblaadje aangeboden kregen. Vaak gingen er barre tochten mee bemoeid, want naar heel veel plaatsen moest zowel de heen als de terug reis op schaatsen worden gedaan.

De Vries herinnert zich nog een tocht naar een wedstrijd in Stavoren. Daar de baan op de Luts door Gaasterland vol zand lag, ging de heen reis 's morgens vroeg via de Heegemeer en de Fluessen enz. Moederziel alleen zwalkte hij daar op de barre ruimte, waarbij de zon hem in het gezicht scheen en er op het nippertje aan ontsnapte, dat hij in een wak reed. De schrik was hem hierdoor in de benen geschoten, dat hij een tijd lang plat op het ijs is blijven zitten. Tenslotte weer verder, en maar wat bij de wal langs scharrelen. En zo werd uiteindelijk Staveren bereikt. Ondanks alles was de eerste prijs weer "Voor de Bakker" Maar toen moest hij, het was inmiddels donker geworden, weer op huis aan. Die zelfde weg als 's morgens terug, stond gelijk aan zelfmoord en dus toch maar met zand onder-gewaaide Luts langs. En met meer vallen en opstaan dan schaatsrijden werd 's avonds om half elf Lemmer eindelijk weer bereikt.

Niet alles goud...  

Het was dus niet alles goud wat er blonk, ofschoon Eelke buiten geldprijzen echte gouden en zilveren medailles heeft gewonnen. Ook De Leekster Tak, een trofee die toen zeer hoog werd aangeslagen, kwam in zijn bezit. Maar ja, "'t gyng om Brea" en dus werd de tak verkocht aan een rijder met mindere capaciteiten, maar met een gevulder portemonnaie. Misschien laat deze koper vandaag de dag nog wel vol trots aan zijn kleinkinderen zien en is hij door het herhaaldelijk vertellen, hierdoor zelf gaan geloven, dat hij die tak persoonlijk heeft gewonnen.

 

Leeksterbloemen, v.l.n.r.: Twee Leeksterbloemen uit de verzameling Bisschop, waarvan de ene voorkomt op het schilderij van Bisschop; daarnaast een Leeksterbloem met veel klatergoud, eigendom Friesch Museum. Geheel rechts een Leeksterbloem, uit Leek gehaald door Fokke v.d. Veen en Jacoba v.d. Veen op 19 februari 1929. In het midden: Zilveren Leekster Tak, gewonnen als prijs (en f 100) (deze op de afdruk werd gewonnen op 14 januari 1876 door Jelte Binnens v.d. Meer te Oenkerk.

 

20-12-1938

 

Aan rijderijen van mannen en vrouwen achter elkaar heeft Eelke de Vries, praktisch nooit meegedaan. Als hij alleen won, was alle geld ook voor hem alleen en bij die gemengde rijderijen moest zo'n prijs in tweeën gedeeld worden. En om voor een huishouding met 13 kinderen te zorgen, dan moest je wel zoveel mogelijk naar je eigen voordeel zien. Maar ook van de enkelen keren dat hij toch aan wedstrijden van "Manljue en Frouljue" heeft meegedaan, had de Vries over één daarvan nog een leuk verhaal.

Lammert Dijkstra van Lemmer (helaas jong gestorven) reed in die dagen veel met een zekere Geertje Engelsma, uit Nij Beets, dit paar was toentertijd praktisch onverslaanbaar. Nu had die juffrouw Engelsma nog een getrouwde zuster, die ook zo graag eens mee zou willen rijden. Lammert kreeg Eelke de Vries zover, dat hij met hem meeging naar zo'n wedstrijd van mannen en vrouwen. Op de bijbaan een half uur voor de wedstrijd, zag de Vries zijn achterrijdster voor het eerst van zijn leven. Maar even proberen en ja hoor, het ging heel aardig. Het vlotte direct en reeds bij de eerste ritten, kon Eelke al spoedig in streken gooien, zoals hij dat bij mannen gewend was. Zijn partner vond dat maar riskant, want zoals U weet komt het bij paren nog al eens voor, dat er iets begint te haperen aan de harmonie van het goed op streek blijven en dan wint het achterliggende paar toch nog vaak. Maar Eelke lachte die bezwaren weg en reed op zijn eigen manier alle concurrenten van de kaart, tot hij om prijs en premie tegen het paar Lammert Dijkstra en Engelsma stond.

Dijkstra ging met miniem verschil als eerste over de streep, en zo hadden ook hier weer twee Lemsters met, als aardige bijkomstigheid twee zusters, die prijzen onderling verdeeld. De dag daarna viel de dooi in en zodoende is het er nooit van gekomen om dit nog eens netjes over te doen. Zo zou er nog veel meer over te vertellen zijn over de prestaties en belevenissen van Eelke de Vries, maar we zijn bang dat we dan te veel van Uw geduld vergen.

We hopen nog eens terug te komen  op de tocht naar Amsterdam heen en terug over de voormalige Zuiderzee in de strenge winter van 1929, welke Eelke de Vries als 49 jarige heeft meegemaakt, met een zestal andere Lemsters, waaronder één dame.

Ingezonden door Marga de Lange-Bender.

Winterhelden.

In de kunst van schaatsenrijden zijn de Friezen altijd meesters geweest. Het is meermalen gebeurd dat rijders op eenen winterdag de elf steden van Friesland bezochten; in den langen winter van 1890 op 1891 hebben dit meer dan tweehonderd rijders, sommigen vergezeld van rijdsters, gedaan. Het laat zich denken, dat men dan nergens lang kon vertoeven en dat het ijs overal te vertrouwen moest zijn.

De namen van verscheidene vroeger beroemde Friese hardrijders leven nog in den mond des volks voort. Iedere Fries weet iets te vertellen van Adam hardrijder, die in de vorige eeuw leefde. Men verhaalt dat hij 16 ellen in ééne seconde aflegde. Is dit waar, dan zullen het oude Friesche ellen geweest zijn, ter lengte van 0.688 meter. Men zegt ook dat hij eens in de vaart van zijn rijden een sprong deed over een opening in het ijs, bij de Oude Schouw, ter lente van 22 voet. Een oude Friesche voet is nagenoeg 30 centimeter. En toen iemand hem hierover zijn verwondering te kennen gaf zeide Adam droogjes: "Dat is geen boon waard".

In zijnen tijd was er in Groningen een pottenbakkersknecht, die bij zijne stad en gewest-genooten voor den baas van alle hardrijders werd gehouden. Een heer van Leeuwarden bezocht toen eens in den winter een der herbergen te Groningen, waar hij den pottenbakker aantrof, die genoemden knecht in dienst had.

Deze zeide: "De Friezen hebben den naam dat zij het hardst van allen kunnen schaatsrijden; maar indien er één Fries is die het van mijn knecht kan winnen, wil ik een goede geldsom verloren hebben". De friesche heer zei hierop: "Ik hou U aan uw woord". - Best! De dag en het uur werden bepaald, waarop een wedstrijd zoude plaats hebben, te Groningen op de stadsgracht.

Onze Adam werd daarvoor uitgenoodigd en verzocht des avonds vóór den bepaalden dag te Groningen te komen, om des nachts voor den wedloop te kunnen uitrusten. Het geld, waarom werd gewed, zou hem ten deel vallen indien hij overwinnaar werd. Adam berichtte wel dat hij zoude komen, maar des avonds toen men hem verwachte bleef hij weg. Den andere morgens tien uur zou de kampstrijd aanvangen, en was de aangewezen kamper met klokslag tien niet aanwezig, dan had de Leeuwarder heer de weddenschap verloren. Het werd half tien en Adam kwam niet. De Groningers dachten reeds, dat hij den strijd niet aandurfde en zich stil zou terughouden.

Adams beschermheer maakte zich zeer bezorgd en dacht: "Als hij nu nog komt zal hij te vermoeid zijn om te kunnen winnen". Eindelijk tegen tienen, daar kwam de man op zijn doode gemak aangereden. "Mijn goede vriend wat kom je laat!"-  "Ja," zei Adam, ik "heb mij vanmorgen wat verslapen." De Groningers stonden er natuurlijk op, dat de wedloop op den bepaalde tijd zoude aanvangen. De pottenbakkersknecht ontdeed zich van zijne boven kleeding. Adam niet, hij was daar voor te bezweet, zei hij. Maar toen hij den eersten rit verloor, drong zijn heerschap er op aan, dat ook hij kleeren zoude afleggen. Hij verkoos dit niet te doen. De tweede rit won hij, ja, maar eventjes. Een derde rit moest volgen en deze was beslissend. Adam was nog niet te bewegen om zich te ontkleeden. De derde rit won hij ook, maar al weer met moeite, althans naar 't scheen. De Groningers moesten erkennen dat de Fries overwinnaar was, "maar"- zeiden zij, "dat hij sneller kan rijden dan onze man, mag eigenlijk niet gezegd worden." Nu zeide Adam "Ik houd niet van grootspraak, maar ik wil jelui nu toch vertellen, dat ik eigenlijk nog niet gereden heb." -

Nu, dit wás pocherij, zeide men.- "Welnu," hernam hij, "als mijn tegenpartij er lust in heeft, wil ik nog een rit tegen hem doen enkel uit liefhebberij." Dit voorstel werd aangenomen, en nu trok ook Adam zijne bovenkleeren uit. De twee rijders gingen tegelijk van streek; toen Adam aan het einde der baan kwam reed hij onmiddellijk terug, en nu ontmoete hij zijn tegenpartij terwijl deze pas het midden der baan had bereikt. "Zie je" voegde hij nu den toeschouwers toe, "nu heb ik eens een beetje mijn best gedaan."

In vroegeren tijd stond tusschen Dokkum en Leeuwarden, aan de zuidoostzijde van het vaarwater de Ee, des winters dikwijls veel land onder water. Kwam er dan ijs, dan kon men per schaats van Dokkum nagenoeg recht op Leeuwarden aan rijden, over de Trynwouden en zoo vervolgens. Over dit ijsveld reden in Adams tijd eens twee mannen, ieder achter eene zwaar beladen slede, van Dokkum naar Leeuwarden. Zij werden door een schaatsrijder ingehaald, die zeide: "Ik kan haast bij deze felle koude haast niet warm worden, ik wil wel eens een poosje zoo'n slede schuiven, dan kunt gij met je beiden aan de anderen gaan." Hiertegen hadden de mannen niets. Maar de onbekende gedienstige schoof zo geweldig aan, dat de twee stevige mannen tezamen achter ééne slede, moeite hadden hem bij te blijven. Al spoedig konden konden ze dit niet meer; hij snelde hun vooruit en 't duurde niet lang, toen hadden ze hem uit het oog verloren.

Ze keken elkander aan en zeiden: "Als dat de duivel niet is dan weten we er niets van. Maar dan is ook de geheele slede met koopmansgoederen naar zijn grootje." Ontmoeten zij een schaatsrijder, dan vroegen ze, "Heb je den duivel ook gezien met eene slede vol goederen als deze? -  Maar niemand wist er iets van. Eindelijk in Leeuwarden komende, vonden zij den onbekenden man bij de beladen slee op hen wachten. En nu kwamen zij te weten dat hij Adam de hardrijder was.

Van Kornelis Ynses, (overleden op 18 maart 1772)een hardrijder van Kubaard, verteld men, dat hij in zijne jeugd zich in 't schaats rijden oefende op smalle greppels in het land, om zich zoo te gewennen aan het maken van lange recht-vooruitgaande streken. Als zijne vrouw hem 's middags zei, dat de aardappels kookten en dat zij heel graag wat mosterd bij den maaltijd zou hebben, dan reed Kornelis op schaatsen van Kubaard naar Bolsward (1½ uur gaans) om mosterd te halen en kon terug zijn tegen den tijd dat de aardappels gaar waren.

Op hardrijderijen haalde hij meestal altijd den prijs. Hij kwam, zoo verteld men, eens toevallig op een dorp in Groningerland, waar dien dag eene hardrijderij zoude plaats hebben. Hij zat bedaard in de herberg bij 't vuur en gaf te kennen dat hij wel mee van de partij wou zijn. Men kenden hem niet en beschouwde hem voor niet bijzonder vlug; hij werd toegelaten. Maar toen hij los kwam begreep men spoedig dat hij daar aller baas was. Toch zou men dien vreemden vent niet gaarne met den prijs zien weggaan. Toen de laatste rit gedaan werd, liet men, schijnbaar bij ongeluk, eene slede op de baan glijden om Kornelis daar over te laten vallen. Maar tot aller verbazing sprong hij in zijne vaart over de slede; hij won nog den rit en daarmede den prijs.

In den winter van 1808 reden drie flinke schaatsrijders op een Leeuwarder marktdag van Bolsward naar  Frieslands hoofdstad. Het woei stevig uit het Noordoosten en men had dus bijna de geheele reis recht tegen den wind in. Men reed daarom achterelkander, met zijn drieën aan een stok. Dit gaf vastheid in het rijden, en spoedig werd dan ook het dorp Wommels bereikt. Daar kwam Kornelis Ynses langs de Kubaarder opvaart, onder het bruggetje door, dat daar in den trekweg is, de drie Bolswarders achterin rijden. Zij kenden den man niet. Als men zelf zwaar tegen den wind op moet schuiven, en er komt dan iemand in uw zog rijden (dat is onmiddellijk schuins achter U in de luwte), dan valt het nog moeilijker.

De drie stedelingen trokken daarom wat harder aan om van den boer ontlast te geraken, maar dit gelukte hen niet. Ze kwamen bij het tolhuis Hulkenstein te Oosterlittens. De Bolswarders vonden goed daar eens aan te leggen. En Kornelis deed eveneens. Toen zij in de herberg zaten, bemerkte hij wel, maar liet dit niet blijken, dat de drie reisgezellen met elkander overlegden om nog eens te beproeven den boer te ontrijden. Men zette de reis voort, zonder praatjes volgde Kornelis weer en bleef hen onmiddellijk op de hielen. Er werd kracht ontwikkeld van belang, in een ommezien was men te Baard. Nu zeide Kornelis: "Kan ik niet met jelui aan de stok rijden? Dat rijdt wat vaster dan zoo alleen," Maar hij kreeg barsch ten antwoord, dat ieder zichzelf maar moest redden.- "O,zoo?" zei de snaak, "als 't zoo staat, zal ik te Leeuwarden maar gaan zeggen dat gij komt. Goeden morgen!"

Hij legde de handen op den rug en snelde hen vooruit met kogelsvaart. De Bolswarders zagen dit met verbazing en schimpten op den olijken boer, die hen zoo leuk in het zweet had gejaagd. Hem in te halen, hieraan viel niet aan te denken; hij was hen spoedig uit het gezicht. Met dat al reden zij ook volstrekt niet langzaam en kwamen spoedig genoeg in Leeuwarden aan. Hier stond Kornelis op de wal voor eene herberg aan de buitengracht, met de handen in de broekzakken, en smakelijk uit zijn pijpje dampende  hen op te wachten. Hij riep hun toe: "Komt, ben jelui er? Welkom hier! Komt maar in huis ik heb reeds boeren-koffie voor jelui besteld." Kornelis Ynses was toen niet vermaard als hardrijder, maar is het spoedig daarna geworden, daar de drie Bolswarders hem aanmoedigden naar stadsprijzen te dingen.

Atse Geerts van Terzool was ook zulk ouderwetsche hardrijder, en die het lang heeft volgehouden. Hij bloeide in de eerste helft van dezer eeuw. Van hem verteld men het volgende. Op zekere fraaien winterdag kwamen drie boerenknapen de herberg bij de Dille, aan de Leeuwarder-sneeker trekvaart, binnenstormen. Zij waren geheel in het zweet en achter adem. Een bejaard man die daar zat zeide: "Wat is het toch dwaas, jongens, bij zulk koud weder je zoo in het zweet te rijden. Dat kan ernstige gevolgen hebben; zoo iets blijft een mensch niet in de kleeren zitten."- "Gij kunt best wel heel best gelijk hebben man," zeide een der drie. "maar 't was om gloeiend te worden. Verbeeld je! Wij alle drie zijn zeer goede rijders,dat durf ik te zeggen, en daar komt ons op de vaart zoo'n oud boertje met een korten broek achter in rijden en maakt een praatje.

Wij meenden hem spoedig te kunnen ontrijden en deden daar ons best op. Maar dat hielp niet, hij bleef ons bij. Mijn maat werd driftig en zeide: "Laten we ons toch schrap zetten, dat we den oude kwijt geraken." Dit scheen de oude gehoord te hebben, hij zeide: "Wilt ge van mij ontlast zijn? Dat kan wel." - Nu zette zich schrap en schoot vooruit. Och, mijn lieve man! het geleek er niet naar, dat wij hem konden volgen." Hierop zeide de kastelein: "Dan denk ik dat gij met Met Atse van Terzool te doen hebt gehad, hij is zoo pas hier voorbij gereden." Deze Atse is op hoogen ouderdom omstreeks 1860 overleed, was tevens een uitstekend springer. In zijn besten leeftijd sprong hij in Goredijk eens 18 Frieschen voeten, ongeveer 5 meter, over den vlakken grond. Hij was van beroep praamschipper of schuitenvoerder, varende met turf, hooi riet en dergelijke, en bij dit werk was hij loom van aard. Hij kwam eens bij een der kleine schutsluizen in de nabijheid van Drachten, waar een praam of schuit, hoog opgeladen met hooi in de sluiskolk lag. Met den schipper hiervan ging Atse eene weddenschap aan, dat hij over de lading hooi en tevens over de kolk zoude springen. Volbracht hij dezen sprong, dan werd het hooi zijn eigendom, zoo niet, dan zou hij aan de schipper de volle waarde van het hooi betalen. Dat Atse winnaar werd zal men reeds geraden hebben. Men vertelt hierbij dat hij, door de nabijheid van een huis slechts een korten aanloop konde nemen. (Atse Geerts was op 27 november 1785 te Sijbrandaburen geboren).

Het aantal hardrijders dat de 19e eeuw heeft opgeleverd, zou haast legio kunnen heeten. De omstandigheid, dat er gedurende de laatste zestig jaren veel meer hardrijderijen op schaatsen werden gehouden dan vroeger, zal hier toe hebben bijdragen. Er zouden wel meer dan vijftig namen te noemen zijn van rijders, die zich gedurende korte of langere tijd beroemd hebben gemaakt.

Schetsen uit het Noorden

 

V.l.n.r: Politie Bosma, Ate Knol, Djoeke van Tiggelen Knol, ?, Stoffel Blessinga, ?, mevr. Tjalma, daarboven Jotsje, ?, vrouw Rottiné (de moeder van de klûtskes), dhr. Tjalma, daarachter Vrouw Meijer, Dorus Meijer, ?, ?, en als laatste Rienk Coehoorn.

 

Harmonie Excelsior, voor 'ít mopke muzyk', tijdens een hardrijderij op de ijsbaan bij 'Siberie'. De foto is waarschijnlijk gemaakt omstreeks 1920.

 

Staande bij de slee, Evert de Vries, de schaatser links is Gerrit de Blauw, de man met hoed naast Gerrit is Siebe de Jong. 't Gaat in deze rit waarschijnlijk om prijs en premie.

 

V.l.n.r. Rense Tjalma (boer), Froukje Knol van Zandbergen, Wiebren Tjalma met echtgenote, Mevr. Tjalma (echtgenote van Rense) ?, Mevr. Kokje, staande met hoed Titie Lenz (de latere echtgenote van de heer Faber (directeur v.d. gasfabriek) en Gezina Anna Visser (van de drankhandel) dan de heer Kokje, zittend op de stoel Lex Loen.

 

 

"Koek en Zopie"

 

Hardrijderij op de Lemmer, jaren twintig, Lammert Dijkstra is links te zien, tegen Lykele Geert Poepjes. De starter, met pikhaak (voor valse starts?), is Jurjen Rippen. De man die achter de slee staat is, Evert de Vries. Links op de foto is Djoeke Knol, echtgenote van Arie van Tiggelen. Op de achtergrond de "Koek en Zopie" van Doris Meijer.

 

Onderstaande foto's zijn van, IJsvereniging Lemmer

Met dank aan Frans Visser, Lemmer.

 

Harmonie Excelsior.

 

 

Aan de start: rechts Janus Coehoorn en zijn broer Dirk Coehoorn.

 

 

 

 

 

Marten en Gea Coehoorn.

Nieuw: 150 jaar IJsvereniging Lemmer. In het boek van 170 pagina’s, zijn prachtige verhalen en foto’s te bewonderen. Ook worden er de Lemsters in vermeld, die aan de verschillende Elfstedentochten hebben meegedaan. Informatie bij de IJsvereniging

 

De "IJsvereniging Lemmer" is één van de oudste ijsverenigingen van Friesland. De vereniging werd officieel opgericht op 29 januari 1861.

21-01-1862

 

 

23-12-1864

 

30-12-1864

 

10-01-1868

 
 

29-01-1869

15-02-1870

22-02-1870

27-12-1870

03-02-1871

19-02-1871

03-01-1875

25-01-1879

 

23-12-1879

 

16-01-1883

26-01-1883

 

26-01-1885

 
 

20-01-1887

17-01-1889

 
 

18-01-1901

15-12-1902

 
 

23-01-1905

04-02-1907

 

07-02-1907

04-01-1908

 
 

25-01-1909

17-01-1912

 

 

29-01-1912

29-01-1914

 
 

22-01-1917

13-02-1922

 
 

05-12-1925

19-01-1929

 
 

23-01-1933

25-10-1934. Op 6 December 1930, werd er in de Nieuwe Friesche Courant melding gemaakt dat het ledental van de IJsclub "De Kweekschool" 190 bedroeg. Tevens werd in het verslag den afgetreden penningmeester, den heer Th. de Vries, een woord van dank gebracht, voor hetgeen hij in die functie vanaf de oprichting (1912) voor de club heeft gedaan. Op deze dag werd ook de toestand van de dijken rond de ijsbaan besproken, terwijl tevens aan het bestuur machtiging werd verleend om bij den Raad een verzoek in te dienen, om bij het maken van een nieuwe bemaling op het ijsbaanterrein, deze zoodanig te maken, dat ook het inmalen van water mogelijk zal zijn.

 

Advertenties zijn van www.archiefleeuwardercourant.nl

 

Robert Rintje Ritsma. (Beer van Lemmer) 13 maart 1970 Lemmer. Rintje's eigen website

 

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.