Robert Rintje Ritsma. (Beer van Lemmer) 13 maart 1970 Lemmer
Hardrijderij in Lemmer. Foto's zijn van, IJsvereniging Lemmer Met dank aan Frans Visser, Lemmer. Winterhelden. In de kunst van schaats-rijden zijn de Friezen altijd meesters geweest. Het is meermalen gebeurd dat rijders op eenen winterdag de elf steden van Friesland bezochten; in den langen winter van 1890 op 1891 hebben dit meer dan tweehonderd rijders, sommigen vergezeld van rijdsters, gedaan. Het laat zich denken, dat men dan nergens lang kon vertoeven en dat het ijs overal te vertrouwen moest zijn. De namen van verscheidene vroeger beroemde Friese hardrijders leven nog in den mond des volks voort. Iedere Fries weet iets te vertellen van Adam hardrijder, die in de vorige eeuw leefde. Men verhaalt dat hij 16 ellen in ééne seconde aflegde. Is dit waar, dan zullen het oude Friesche ellen geweest zijn, ter lengte van 0.688 meter. Men zegt ook dat hij eens in de vaart van zijn rijden een sprong deed over eenn opening in het ijs, bij de Oude Schouw, ter lente van 22 voet. Een oude Friesche voet is nagenoeg 30 centimeter. En toen iemand hem hierover zijn verwondering te kennen gaf zeide Adam droogjes: "Dat is geen boon waard". In zijnen tijd was er in Groningen een pottenbakkersknecht, die bij zijne stad en gewest-genooten voor den baas van alle hardrijders werd gehouden. Een heer van Leeuwarden bezocht toen eens in den winter een der herbergen te Groningen, waar hij den pottenbakker aantrof, die genoemden knecht in dienst had. Deze zeide: "De Friezen hebben den naam dat zij het hardst van allen kunnen schaatsrijden; maar indien er één Fries is die het van mijn knecht kan winnen, wil ik een goede geldsom verloren hebben". De friesche heer zei hierop: "Ik hou U aan uw woord". - Best! De dag en het uur werden bepaald, waarop een wedstrijd zoude plaats hebben, te Groningen op de stadsgracht. Onze Adam werd daarvoor uitgenoodigd en verzocht des avonds vóór den bepaalden dag te Groningen te komen, om des nachts voor den wedloop te kunnen uitrusten. Het geld, waarom werd gewed, zou hem ten deel vallen indien hij overwinnaar werd. Adam berichtte wel dat hij zoude komen, maar des avonds toen men hem verwachte bleef hij weg. Den andere morgens tien uur zou de kampstrijd aanvangen, en was de aangewezen kamper met klokslag tien niet aanwezig, dan had de Leeuwarder heer de weddenschap verloren. Het werd half tien en Adam kwam niet. De Groningers dachten reeds, dat hij den strijd niet aandurfde en zich stil zou terughouden. Adams beschermheer maakte zich zeer bezorgd en dacht: "Als hij nu nog komt zal hij te vermoeid zijn om te kunnen winnen". Eindelijk tegen tienen, daar kwam de man op zijn doode gemak aangereden. "Mijn goede vriend wat kom je laat!"- "Ja," zei Adam, ik "heb mij vanmorgen wat verslapen." De Groningers stonden er natuurlijk op, dat de wedloop op den bepaalde tijd zoude aanvangen. De pottenbakkersknecht ontdeed zich van zijne boven kleeding. Adam niet, hij was daar voor te bezweet, zei hij. Maar toen hij den eersten rit verloor, drong zijn heerschap er op aan, dat ook hij kleeren zoude afleggen. Hij verkoos dit niet te doen. De tweede rit won hij, ja, maar eventjes. Een derde rit moest volgen en deze was beslissend. Adam was nog niet te bewegen om zich te ontkleeden. De derde rit won hij ook, maar al weêr met moeite, althans naar 't scheen. De Groningers moesten erkennen dat de Fries overwinnaar was, "maar"- zeiden zij, "dat hij sneller kan rijden dan onze man, mag eigenlijk niet gezegd worden." Nu zeide Adam "Ik houd niet van grootspraak, maar ik wil jelui nu toch vertellen, dat ik eigenlijk nog niet gereden heb." - Nu, dit wás pocherij, zeide men.- "Welnu," hernam hij, "als mijn tegenpartij er lust in heeft, wil ik nog een rit tegen hem doen enkel uit liefhebberij." Dit voorstel werd aangenomen, en nu trok ook Adam zijne bovenkleeren uit. De twee rijders gingen tegelijk van streek; toen Adam aan het einde der baan kwam reed hij onmiddellijk terug, en nu ontmoete hij zijn tegenpartij terwijl deze pas het midden der baan had bereikt. "Zieje" voegde hij nu den toeschouwers toe, "nu heb ik eens een beetje mijn best gedaan." In vroegeren tijd stond tusschen Dokkum en Leeuwarden, aan de zuidoostzijde van het vaarwater de Ee, des winters dikwijls veel land onder water. Kwam er dan ijs, dan kon men per schaats van Dokkum nagenoeg recht op Leeuwarden aan rijden, over de Trynwouden en zoo vervolgens. Over dit ijsveld reden in Adams tijd eens twee mannen, ieder achter eene zwaar beladen slede, van Dokkum naar Leeuwarden. Zij werden door een schaatsrijder ingehaald, die zeide: "Ik kan haast bij deze felle koude haast niet warm worden, ik wil wel eens een poosje zoo'n slede schuiven, dan kunt gij met je beiden aan de anderen gaan." Hiertegen hadden de mannen niets. Maar de onbekende gedienstige schoof zo geweldig aan, dat de twee stevige mannen tezamen achter ééne slede, moeite hadden hem bij te blijven. Al spoedig konden konden ze dit niet meer; hij snelde hun vooruit en 't duurde niet lang, toen hadden ze hem uit het oog verloren. Ze keken elkander aan en zeiden: "Als dat de duivel niet is dan weten we er niets van. Maar dan is ook de geheele slede met koopmansgoederen naar zijn grootje." Ontmoeten zij een schaatsrijder, dan vroegen ze, "Heb je den duivel ook gezien met eene slede vol goederen als deze? - Maar niemand wist er iets van. Eindelijk in Leeuwarden komende, vonden zij den onbekenden man bij de beladen slee op hen wachten. En nu kwamen zij te weten dat hij Adam de hardrijder was. Van Kornelis Ynses, (overleden op 18 maart 1772)een hardrijder van Kubaard, verteld men, dat hij in zijne jeugd zich in 't schaats rijden oefende op smalle greppels in het land, om zich zoo te gewennen aan het maken van lange recht-vooruitgaande streken. Als zijne vrouw hem 's middags zei, dat de aardappels kookten en dat zij heel graag wat mosterd bij den maaltijd zou hebben, dan reed Kornelis op schaatsen van Kubaard naar Bolsward (1½ uur gaans) om mosterd te halen en kon terug zijn tegen den tijd dat de aardappels gaar waren. Op hardrijderijen haalde hij meestal altijd den prijs. Hij kwam, zoo verteld men, eens toevallig op een dorp in Groningerland, waar dien dag eene hardrijderij zoude plaats hebben. Hij zat bedaard in de herberg bij 't vuur en gaf te kennen dat hij wel meê van de partij wou zijn. Men kenden hem niet en beschouwde hem voor niet bijzonder vlug; hij werd toegelaten. Maar toen hij los kwam begreep men spoedig dat hij daar aller baas was. Toch zou men dien vreemden vent niet gaarne met den prijs zien weggaan. Toen de laatste rit gedaan werd, liet men, schijnbaar bij ongeluk, eene slede op de baan glijden om Kornelis daar over te laten vallen. Maar tot aller verbazing sprong hij in zijne vaart over de slede; hij won nog den rit en daarmede den prijs. In den winter van 1808 reden drie flinke schaatsrijders op een Leeuwarder marktdag van Bolsward naar Frieslands hoofdstad. Het woei stevig uit het Noordoosten en men had dus bijna de geheele reis recht tegen den wind in. Men reed daarom achterelkander, met zijn drieën aan een stok. Dit gaf vastheid in het rijden, en spoedig werd dan ook het dorp Wommels bereikt. Daar kwam Kornelis Ynses langs de Kubaarder opvaart, onder het bruggetje door, dat daar in den trekweg is, de drie Bolswarders achterin rijden. Zij kenden den man niet. Als men zelf zwaar tegen den wind op moet schuiven, en er komt dan iemand in uw zog rijden (dat is onmiddellijk schuins achter U in de luwte), dan valt het nog moeilijker. De drie stedelingen trokken daarom wat harder aan om van den boer ontlast te geraken, maar dit gelukte hen niet. Ze kwamen bij het tolhuis Hulkenstein te Oosterlittens. De Bolswarders vonden goed daar eens aan te leggen. En Kornelis deed eveneens. Toen zij in de herberg zaten, bemerkte hij wel, maar liet dit niet blijken, dat de drie reisgezellen met elkander overlegden om nog eens te beproeven den boer te ontrijden. Men zette de reis voort, zonder praatjes volgde Kornelis weer en bleef hen onmiddellijk op de hielen. Er werd kracht ontwikkeld van belang, in een ommezien was men te Baard. Nu zeide Kornelis: "Kan ik niet met jelui aan de stok rijden? Dat rijdt wat vaster dan zoo alleen," Maar hij kreeg barsch ten antwoord, dat ieder zichzelf maar moest redden.- "O,zoo?" zei de snaak, "als 't zoo staat, zal ik te Leeuwarden maar gaan zeggen dat gij komt. Goeden morgen!" Hij legde de handen op den rug en snelde hen vooruit met kogelsvaart. De Bolswarders zagen dit met verbazing en schimpten op den olijken boer, die hen zoo leuk in het zweet had gejaagd. Hem in te halen, hieraan viel niet aan te denken; hij was hen spoedig uit het gezicht. Met dat al reden zij ook volstrekt niet langzaam en kwamen spoedig genoeg in Leeuwarden aan. Hier stond Kornelis op de wal voor eene herberg aan de buitengracht, met de handen in de broekzakken, en smakelijk uit zijn pijpje dampende hen op te wachten. Hij riep hun toe: "Komt, ben jelui er? Welkom hier! Komt maar in huis ik heb reeds boeren-koffie voor jelui besteld." kornelis Ynses was toen niet vermaard als hardrijder, maar is het spoedig daarna geworden, daar de drie Bolswarders hem aanmoedigden naar stadsprijzen te dingen. Atse Geerts van Terzool was ook zulk ouderwetsche hardrijder, en die het lang heeft volgehouden. Hij bloeide in de eerste helft van dezer eeuw. Van hem verteld men het volgende. Op zekere fraaien winterdag kwamen drie boerenknapen de herberg bij de Dille, aan de Leeuwarder-sneeker trekvaart, binnenstormen. Zij waren geheel in het zweet en achter adem. Een bejaard man die daar zat zeide: "Wat is het toch dwaas, jongens, bij zulk koud weder je zoo in het zweet te rijden. Dat kan ernstige gevolgen hebben; zoo iets blijft een mensch niet in de kleêren zitten."- "Gij kunt best wel heel best gelijk hebben man," zeide een der drie. "maar 't was om gloeiend te worden. Verbeeld je! Wij alle drie zijn zeer goede rijders,dat durf ik te zeggen, en daar komt ons op de vaart zoo'n oud boertje met een korten broek achter in rijden en maakt een praatje. Wij meenden hem spoedig te kunnen ontrijden en deden daar ons best op. Maar dat hielp niet, hij bleef ons bij. Mijn maat werd driftig en zeide: "Laten we ons toch schrap zetten, dat we den oude kwijt geraken." Dit scheen de oude gehoord te hebben, hij zeide: "Wilt ge van mij ontlast zijn? Dat kan wel." - Nu zette zich schrap en schoot vooruit. Och, mijn lieve man! het geleek er niet naar, dat wij hem konden volgen." Hierop zeide de kastelein: "Dan denk ik dat gij met Met Atse van Terzool te doen hebt gehad, hij is zoo pas hier voorbij gereden." Deze Atse is op hoogen ouderdom omstreeks 1860 overleed, was tevens een uitstekend springer. In zijn besten leeftijd sprong hij in Goredijk eens 18 Frieschen voeten, ongeveer 5 meter, over den vlakken grond. Hij was van beroep praamschipper of schuitenvoerder, varende met turf, hooi riet en dergelijke, en bij dit werk was hij loom van aard. Hij kwam eens bij een der kleine schutsluizen in de nabijheid van Drachten, waar een praam of schuit, hoog opgeladen met hooi in de sluiskolk lag. Met den schipper hiervan ging Atse eene weddenschap aan, dat hij over de lading hooi en tevens over de kolk zoude springen. Volbracht hij dezen sprong, dan werd het hooi zijn eigendom, zoo niet, dan zou hij aan de schipper de volle waarde van het hooi betalen. Dat Atse winnaar werd zal men reeds geraden hebben. Men vertelt hierbij dat hij, door de nabijheid van een huis slechts een korten aanloop konde nemen. (Atse Geerts was op 27 november 1785 te Sijbrandaburen geboren). Het aantal hardrijders dat de 19e eeuw heeft opgeleverd, zou haast legio kunnen heeten. De omstandigheid, dat er gedurende de laatste zestig jaren veel meer hardrijderijen op schaatsen werden gehouden dan vroeger, zal hier toe hebben bijdragen. Er zouden wel meer dan vijftig namen te noemen zijn van rijders, die zich gedurende korte of langere tijd beroemd hebben gemaakt.
V.l.n.r: Politie Bosma, Ate Knol, Djoeke van Tiggelen Knol, ?, Stoffel Blessinga, ?, mevr. Tjalma, daarboven Jotsje, ?, vrouw Rottiné (de moeder van de klûtskes), dhr. Tjalma, daarachter Vrouw Meijer, Dorus Meijer, ?, ?, en als laatste Rienk Coehoorn.
Harmonie Excelsior, voor ít mopke muzyk, tijdens een hardrijderij op de ijsbaan bij 'Siberie'. De foto is waarschijnlijk gemaakt omstreeks 1920.
Staande bij de slee, Evert de Vries, de schaatser links is Gerrit de Blaauw, de man met hoed naast Gerrit is Siebe de Jong. 't Gaat in deze rit waarschijnlijk om prijs en premie.
V.l.n.r. Rense Tjalma (boer), Froukje Knol van Zandbergen, Wiebren Tjalma met echtgenote, mevr, Tjalma (echtgenote van Rense) ?, mevr. Kokje, staande met hoed Titie Lenz (de latere echtgenote van de heer Faber (directeur v.d. gasfabriek) en Gezina Anna Visser (van de drankhandel) dan de heer Kokje, zittend op de stoel Lex Loen.
Hardrijderij op de Lemmer, jaren twintig, Lammert Dijkstra is links te zien, tegen Lyckele Geert Poepjes. De starter, met pikhaak (voor valse starts?), is Jurjen Rippen.
Robert Rintje Ritsma. (Beer van Lemmer) 13 maart 1970 Lemmer Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|