|
Henny
Kingma (Geb.1917)

De LE 88, 'Spes
Salutis' tijdens de op 4 september 1915 op het
buiten IJ gehouden zeilwedstrijden van de
Koninklijke Nederlandse Zeil en Roeivereniging te
Amsterdam. Het schip eindigde als tweede.
Overheidspolitiek en
sombere vooruitzichten verhinderen dat veel
visserszoons die rond de afsluiting de leeftijd
bereikten om aan boord te stappen, dat inderdaad ook
deden. Met twijfels in het hart werd gekozen voor
een beroep aan de wal. De grote werkloosheid van de
crisisjaren brachten verschillende van deze jongens
alsnog aan boord en gedurende de oorlog nog meer,
die daarmee aan tewerkstelling door de Duitsers
wisten te ontsnappen. Voor die laatste groep luide
de bevrijding doorgaans ook een eind van hun
vissersloopbaan, Henny Kingma, telg uit een bekende
Lemster geslacht, was een van hen.
Maar zijn wortels
verloochenden zich op den duur niet. In 1957 kocht
hij uit de visserij het aakje LE 10 en richtte het
in als jacht. Na zijn pensionering begon hij zich in
de historie van de Lemmer te verdiepen en
bestudeerde vele archieven, wat uitmondde in
artikelen in de Lemster Courant, Spiegel der
zeilvaart en andere bladen. Zijn bijdragen aan deze
geschiedschrijving behelst dan ook niet zo zeer het
door geven van eigen ervaring, alswel het aanreiken
van talloze kopieën van archiefstukken, artikelen
enz. Bovendien begeleide hij op tal van punten het
onderzoek en las kritisch de teksten. Zelf schreef
hij over zijn familie en periode in de visserij
onder meer het volgende.
Naarmate men ouder
word en meer in het verleden leeft, terugkijkende,
dan was er voor ons jongens, altijd wat te beleven
op de haven. Moeder zei dan: Ga eens kijken of ze
binnen zijn. Verschillende vissers ging je dan
vragen: "Komt m′n vader d′r ook aan?" Met een grap
zeiden ze: "oh die roestbak komt nog lang niet"
Mijn grootvader
Jilling Kingma (geboren 1856) in Echten, ging na
zijn militaire dienst vissen in Lemmer. De turf
ontginning in Echten was afgelopen en er moest
verdiend worden. Hij moet een man zijn geweest van
doorzicht. In de snij en bestekboeken van zeilmaker
De Vries heb ik gevonden dat in zijn opdracht bij De
Boer 3 houten aken zijn gebouwd. van resp. 36,40,en
42 voet; de eerste in 1884 de tweede in 1896 en de
laatste in 1903. In 1913 nog een ijzeren aak van 45
voet, de laatste aak die voor de visserij is gebouwd
en nog in de vaart is als jacht, "De Zwerver".
Grootvader was toen 50 jaar en is aan de wal
gebleven, er was volop werk op de nettenzolder;
insimmen, boeten, enz. Zes broers visten toen met
drie aken. Waaronder de ijzeren aak de LE 88 die was
genaamd " Spes Salutis "

Veel vissers werden
met geld en goederen geholpen door de hangbazen. Ik
heb hier niets van mijn grootvader kunnen vinden.
Met hangbaas Poppe de Rook was er wel een heel goede
verhouding; in de ansjovis handel was er ook
samenwerking. zoals in die tijd gebruikelijk visten
de zoons niet direct zelfstandig, die oudjes hielde
de touwtjes lang in handen. Ze visten met allerlei
vistuigen en waren ondermeer echte hoekers. In
Makkum hebben ze ook gevist, maar zijn toch weer
terug gegaan naar Lemmer. De chaos in Duitsland, de
vis was waardeloos; later ging het weer beter, maar
toen kwam de tweede wereldoorlog al in zicht. Na de
afsluiting moest er met de dwarskuil worden gevist
en dat beviel hun helemaal niet. Je moet van ieder
halfuurtje gebruik kunnen maken om te kunnen slapen,
en dat lukt niet bij iedereen. Na 1932 was er ook
geen snoekbaars meer; de vissers waren er niet best
aan toe. Met de verdeel en heerspolitiek van de
overheid en de toekenning van steun is er veel
onvrede geweest.
Mijn Vader (Roelof
Kingma) viste met z′n broer en ik ben dus, net als
vele anderen, naar de ambachtschool geweest. In 1940
ben ik aan boord gekomen, mijn neef Gerrit Kalfsvel
ook. Oom Renze ging aan de wal; 50 jaar op zee was
wel genoeg. Met het kuilen visten we altijd om de
Noord. In het begin van de oorlog is er veel paling
gevangen in de geulen bij het vrouwenzand, de
Hofstedegeul en de Kreil. Nachten van 500 á 600 pond
in soms zes korte streken op een nacht. In de Lemmer
zat je altijd op lagerwal, daarom waren we veel in
Enkhuizen en Medemblik.
Om de Zuid waren ze
zelden. De week van 18 op 23 augustus 1941 was dat
wel het geval. Van het ongeluk van vader en zoon
Veerman, VD 15, waren wij getuigen. In de herfst en
winter waren wij aan het snoekbaarsslepen. Onze maat
was Harrit Kingma, LE 9, ook een stalen aak van 45
voet; een mooi gelijkwaardig span. Op een nacht met
mooi weer vertrokken we precies de grote afbakening
van de Hofstede-geul tussen de netten; ik meen dat
ze die de sigaar noemde?
Met een opkomende
depressie lagen we een keer aan de sleepnetten,
ongeveer ter hoogte van Oude Zeug. Het halve zeil
stond aan de mast en net voor het halen scheurde dit
bij ons van onder naar boven, we hebben toen de
netten laten drijven. Ondertussen was het stormweer,
en we zijn zo door het buitengat bij Staveren naar
Lemmer gekomen. Al met al hebben de netten vier
dagen op zee gedreven, dit gebeurde in 1941. De
prijzen waren laag en de winters lang. Er is dan ook
wel eens iets verkocht buiten de afslag om. De
Bunschoters kochten veel op zee.
Een nacht is er een
Duitser met ons mee geweest, dit was een journalist.
Om 5 uur ′s morgens, hij lag mooi te slapen als een
onschuldig kind, hebben we de klaarzak met aal maar
bij een Bunschoter aan boord gegooid, de afrekening
later was in orde. De IJsselmeer vissers verkochten
in de oorlog veel vis buiten de afslag om ten einde
te voorkomen dat deze in handen van de bezetter zou
vallen.
In de herfst en winter
was het soms moeilijk de haven uit te komen. De
Duitsers voeren vaak in konvooi met zo′n twintig
schepen vanaf Amsterdam. Ze gooiden dan maar gauw
vast in de buiten haven, dan was er soms nog maar
een klein gaatje over. Steenkool, dieselolie, en
ruwe suiker was een gewild ruilartikel voor vis. Bij
Amels was er een nieuwe giek besteld. Wij na het
kuilen daar ′s morgens naar toe. Tussen Staveren en
Hindelopen dreef er een parachutist. Dit was 12 mei
1943, hij was al neergeschoten in maart, wij hebben
het lijk meegenomen naar Makkum.
Tijdens de invasie op
de kust van Frankrijk in juni 1944 was het
buitengewoon slecht weer; de hele week vissen met
een reef in het zeil en de halve fok. Oktober visten
we ook wel om de noord, ons haventje was dan
Breezand. ′s Avonds een streekje met de kuul en ′s
Morgens (staande) snoekbaars netten in halen. Ik
weet nog van ′n keer dat dit gebeurde met stil weer.
Toen om een uur of negen de netten binnen waren, zei
vader trek ′t oliegoed maar aan, even later kwam er
zoveel wind, pal noorden,dat met een reef in ′t zeil
zijn we onderlangs de afsluitdijk gezeild. Het boord
ging eronder; met zware zeegang hadden we het niet
gered!
De Lemmerboot is toen
van zijn koers afgeweken: van Amsterdam naar
Vrouwenzand gevaren en zo maar naar Lemmer. De
Engelse hebben in de oorlog wel de boot beschoten,
met dodelijke ongelukken. In Enkhuizen bracht ik wel
eens wat vis naar een kennis. In het park zegt zo'n
agent; Wat heb je daar? vis, hoe kom je daar aan?
Gekocht van wie? Noem zijn naam! Ik gaf geen draad.
Enfin zegt hij, als je het niet weet dan maar in de
cel. Vader ongerust, om 4 uur ben ik weer vrij
gelaten, f 10,- boete!. September moest ieder zich
melden om in Drente te gaan werken. Wij gingen niet
en zijn twee weken in Medemblik geweest. M′n oom lag
in Middemeer met 300 ton vlas, daar is mijn neef
toen onder gedoken.
Twee weken later
zaterdags maar weer eens naar de Lemmer. Bij het
licht van de vier kilometer (nu bekend als de
Rotterdamse hoek om dat de dijk hier versterkt is
met puin uit Rotterdam) op de Noordoostpolderdijk
stond tot aan Lemmer op iedere 50 meter een Duitser
er was razzia in de polder. Wij kregen geen last.
Einde maart hebben we gekuild, zo vroeg was er aal
te vangen. Na vier dagen zijn we weer naar Lemmer
gegaan. 18 april zijn we bevrijd, toen moest je
beslissen wat te doen door vissen of een baan
zoeken. In 1946 ben ik in Amsterdam gaan werken.
Toen viel het doek en was het met de visserij van
Kingma afgelopen. Vader leverde zijn vergunning in
met de daaraan verbonden ondersteuning. Toen hij in
1954 overleed kreeg mijn moeder niks. Toen er in
1970 niet meer gekuild mocht worden kreeg ze alsnog
Zuiderzeesteun. Met nog 80 anderen.
'De risico's van het
vak'.
Hendrik Bijma weet er
niet van dat bij het vissen op de Zuiderzee ooit één
Lemster verdronken is. Wel kan men zich voorvallen
herinneren, en ook uit de pers zijn daar voorbeelden
van bekend, waar bij goede afloop kantje boord was.
Eén van de vroegste bronnenwaar uit het een en ander
over de risico's van het vak geput kan worden, is de
visserijcourant. een goed voorbeeld daarvan is de
verslaggeving rond het stormweer dat op vrijdag 6
mei 1910 over de Zuiderzee raasde. Vooral rond Urk
kwamen er veel in de problemen, en lied een Huizer
het leven. De volgende dag was het nog niet veel
beter, zoals een verslaggever uit De Lemmer berichte.
Bijna had hier
Zaterdag 7 mei de zee een offer geeischt. Daar het
weer 's morgens te slecht was geweest om de netten
te halen, zeilden de vloot in de middag uit. Toen de
schuit van schipper W. van der Bijl een 15 minuten
buiten de haven was viel er weer een bui in en moest
de halve fok gezet worden. De knecht K. Bijlsma
wilde de ringen voor vast maken, doch viel daarbij
achterover buiten boord. Men stond achter in klaar
om hem te grijpen, doch hij kwam niet meer boven
voor de aak al een eindje van hem af was.
Direct werden alle
middelen in het werk gesteld, men bemande de vlet,
Doch kon deze niet roeien, de vlet dreef harder weg
dan de drenkeling zwemmen kon. Toen met de aak er
op af, doch deze weigerde. De fok werd weer opgezet,
het nog eens geprobeerd en ja, de aak ging door de
wind. Vlug naar de plaats van het onheil, de
drenkeling was niet meer te zien, ja, daar zag men
hem boven op de zee, vlug de boom klaar, hem die toe
gestoken, gelukkig hij was binnen boord.
Het was een groot
wonder, maar Bijlsma was een ontzettend goed
zwemmer, dat was zijn geluk. Hij had met dat al toch
in stormweer meer dan een half uur buiten boord
gelegen. Het is te Lemmer nog eens voor gekomen dat
G.L. Bootsma, die uit de vlet viel, door deze na te
zwemmen zich het leven redde. De visschers zij toch
geraden wel te leren zwemmen.
Evenals op andere
plaatsen kende de ijsvisserij zijn specifieke
gevaren. Hoewel men bij de Lemmer veel minder snel
kans liep op afzettend ijs, zuidwestelijke winden
dreven immers het ijs naar de wal toe, doen ook in
deze plaats de ronde over op ijsschotsen afgedreven
vissers. Op 14 januari 1893 overkwam dat ondermeer
Roelof Hoekstra, terwijl hij doende was met de
spieringnetjes. Door de noordoosten wind was even
buiten de kust een brede scheur ontstaan die
Hoekstra dacht over te steken met een vlet. Hij liet
echter de vaarboom uit zijn verkleumde handen
glippen en zag geen kans het vaste ijs te bereiken.
Van Zaterdagmiddag tot maandagmiddag, bij Oudemirdum
dreef hij rond,toen hij door boeren van zijn schots
gehaald werd. Inmiddels ondernomen zoekacties,
waarbij men ondermeer met veel moeite de Lemmerboot
buitengaats bracht, hadden niets opgeleverd.
Ook de visserijcourant
van 22-12-1906 berichten over ongelukken bij het
ijsvissen. De krant schrijft over het gebruik van
ijsbootjes bij de spieringvangst, waarvan er één
gekanteld was in een wak. Deden de meest riskante
situaties zich voor op zee, ook bij werkzaamheden in
of rond de haven kon er iets mis gaan. Onderstaand
berichtje uit De Lemmer, opgenomen in de krant van
30 mei 1914, geeft daar een tweetal voorbeelden van.
De knecht van B. Poepjes, had terwijl hij bezig was
met het tanen van netten het ongeluk een deel van
het taan over zijn voeten te krijgen, waardoor hij
onmogelijk zijn werk kon doen doorzetten.
Zaterdag L.L. tijdens
een omweer sloeg de bliksem in de mast van de
schuit, van H. ter Heide van Kuinre, waardoor de
splinters in het rond vlogen. Persoonlijke
ongelukken kwamen echter niet voor. Een datum die
Willem Toering, en met hem verschillende andere
Lemsters, in het geheugen gegrift staat is 25
september 1935. Ik was 15 en het eerste jaar dat ik
voor volle knecht moest staan.
We gingen 's morgens
uit Lemmer vandaan met een klein zuidoostelijk
windje en d'r was 'n regentje. We zeiden zo met ze
allen 'n eindje zuidwest in en toen d'r an. We
trokken zo west over boven de Frieschewal tot 'n
klein eindje van 't vrouwenzand af en daar werd het
helemaal stil. Zo ineens uit 't niets, schoot die
wind uit naar 't noordwesten, en orkanen! Zijn we
vandaar helemaal voor de kalemast tot onder
Schokland gekomen.
Dat is 't ergste weer
geweest wat ik ooit heb meegemaakt. Je kon geen hand
voor ogen zien, al 't water waaide uit zee weg! Twee
keer zei vader: nou moet je zien of je ook wat ziet,
want achterin zag je niets. Ik de plecht op en zou
me omdraaien om wat te roepen in de wind op, maar ik
kon geen geluid uit brengen, zo waaide 't! We hebben
zo-voor-de- wind af, twee keer 'n zee in gehad die
't deurtje open drukte en zo 't vooronder in liep,
dat is een kluit water hoor! Voor dat je dat d'r
weer uit hebt.
We zouden Schokland
in, maar dat haventje was in de wind en we konden
nooit die motor aan krijgen, want die had onder
water gezeten. Zijn we met 'n stuk of wat onder
Schokland onder anker gekomen, de LE 16 ook. Die
knecht had de fok niet goed vast gemaakt en toen die
op- de- wind kwam te leggen, was 't zo in één keer,
joets, die fok aan boven toe! 't Was twee klappen en
een heel stuk sloeg d'r af. Toen met z'n beiden die
fok naar beneden wroeten. 't Heeft 'n een uur of
vier zo achter mekaar gestormd en we hebben die hele
nacht daar gelegen.
Willem Toering weet
van nog enkele Lemsters hoe het hun in het noodweer
is vergaan. "De Lemmer 88 Henny Kingma en zijn
vader, die zaten in 't Lemstervaarwater. En ja, die
vertrouwde 't niet waar ze terecht zouden komen, dat
die gooide de aak dwars en 't anker overboord. Dat
anker houd en de aak zet de kop d'r in, dat toen
dachten ze: Hij komt nooit meer boven! Maar ja, toen
ze één keer die zet gedaan hadden, bleef ie zo op en
neer rijen. D'r was één Lemster, die was binnen de
gasboei van de steilebank, en die dacht: 't anker
over boord. Eind aan de masten laat die kabel nou
achter de bolder weggaan, de aak dwars en tjak, die
kabel af. Die is geloof ik in de Kuinder terecht
gekomen".
"En mijn jongste oom,
met de botter van Pake Jelle, die waren aan 't halen
onder de afsluitdijk, bot-opper om 't zomaar es te
zeggen. Ze konden geen gaffel krijgen en die zijn op
verzuipen af in Workum gekomen".
In Lemster
visserskringen is ook de stranding van de ijzeren
aak LE 9 H. Kingma, een veel aangehaalde
gebeurtenis. Henny Kingma viste toen bij zijn vader
op de LE 88 en was er getuige van. -4 December 1940
visten we in span met de snoekbaarssleepnetten. Om
15.00 uur maakte wij ons klaar om te halen: toen
begon het al wat donker te worden door een opkomende
depressie. De wind zuidwest en we waren dicht bij de
Stillebank.
Toen we de netten
binnenboord hadden, gauw het zeil er bij want het
was lagerwal. Onze maat lukte dat niet zo snel en
raakte vast. Vader zei dit is de slechtste plek; 't
schip wekt zich in het levende zand. Wij naar
Lemmer. Om 16.40 uur zijn we met de reddingsboot
weggevaren, vader ook mee. Toen ze daar kwamen,
zaten ze op de plecht; ondertussen was het
windkracht 8... twee dagen heeft 't toen gestormd.
De derde dag hebben we de aak gelicht tussen twee
dekschuiten in. 't Was bladstil dus 't ging vlot.
Zo'n ravage na twee dagen onder water is
onvoorspelbaar! Een krantenbericht uit die tijd
vermeld dat reddingsboot "Hilda", onder kapitein
Kolk, de bemanning van de LE 9 door middel van een
vlet van boord haalde.
Wederom een zeer zware
noordwester overviel de zeevarenden op 17
december1949, wind uit deze hoek is in het noorden
doorgaans nog krachtiger dan op de rest van her
IJsselmeer. Hendrik Bijma was die dag met zijn
spekbak op zee en kan zich niet herinneren ooit
eerder, noch later, zulk slecht weer te hebben
meegemaakt. "We kwamen uit Wieringen, hadden 's
morgens de botnetten gehaald en toen was 't al
slecht weer: in buien de fok neer en dan voor 't
kale rifzeil, zo ging dat. We zouden naar Medeblik,
onderwijl deden we de vis d'r uit, en op het laatst
kwam d'r zo'n lucht op zetten, je zag geen horizon
meer. Ik dacht bij me zelf; dit heb ik nog nooit
meegemaakt. D'r kwam een stuk wind aan en ik zeg
tegen Minse: Doe de fok neer, maar hij talmt zo dat
ik roep: Hou vast dat roer, en ik spring voorop.
Toen zag ik 't wel: 'n meter of tien van me af
waaide 't water zo uit zee vandaan! dat onderwijl ik
de fok neerhaalde, riep ik gooi 't zeil ook neer!
Hij liet het zeil vallen en toen schepte die schuit
toch 'n kolk water d'r in! met een spekbak ga je zo
maar onderstboven als 't tegen zit, want bij 't
Rooie Zand ging Tjalling Kuiper met 'n ijzeren
schouw ook ondersteboven. Hij had het geluk dat
Nicolaas Poepjes d'r bij was, die had een kottertje
en het d'r afgepakt met moeite. Nou, wij gingen voor
anker, touw om de mast vast. We hadden nog twee
vingerdiktes over met de bun, dat toen we goed en
wel met de kop op zee lagen, zei ik: "nou scheppen
op leven en dood, voordat er één over de plecht
komt". We lagen langer dan een halfuur, maar d'r
kwam niet minder wind. Ik dacht eerst dat 't een
buitje was, maar 't bleef waaien. Wel zo hard niet
meer, maar toch zoveel dat we voor 't rifzeil net
zo'n beetje zeilen konden. Maar ja, toen moest 't
anker op poeltje voor poeltje. Ik zeg : "De motor
maar aan, kunnen we tenminste het anker krijgen".
Komt me daar 'n zee aan, over de plecht heen en 'n
stuk water (de kap stond open) op de motor! Ik zeg :
"Nou ben we wel uitgewerkt". 't Was ook zo, konden
hem nooit meer aan de gang krijgen. Ik zeg: "We
moeten toch zien dat we hier weg komen, begin maar
vast 'n klein stukje zeil op te zetten, dat we de
goede kant aanstonds overvallen". Paltje voor paltje
dat anker zat er ook stijf in, en ja het lukte, we
kregen dat anker. Op het laatst kwamen we bij de
zeug onderwal. Nou, ze praten wel: de stront waait
van de dijk af, maar toen we in Medeblik kwamen,
hadden we toch een stuk zand onder in 't zeil
zitten. Dat was uit die polder, over de dijk heen,
bij ons in het zeil gewaaid. We gingen meteen onder
de dijk, daar stond geen zee, op het kale zeil zo
van de zeug af naar Medeblik toe. Toen we d'r waren,
rookte 't nog d'r over, uren heeft 't nog gehangen".
Onze zoetwatervisserij
van 29 december 1949 berichte over het door Hendrik
Bijma genoemde omslaan van de LE 31 en kon daar aan
toevoegen; zoals wij maandag 20 december vernamen,
werden pogingen in het werk gesteld om het schip te
bergen. De vis word nog steeds duur betaald. Hulde
aan de Redders.

Kingma’s speuren
naar familiedetails.
Door Symen Kingma. 1
augustus 1998.
Eens kwamen er een
paar neven langs die Kees Kingma, familiegegevens
vroegen- maar van informant werd hijzelf een
onderzoeker een ’sneuper’- de geestdrift van de neven Wieb en Joost sloeg over op de gepensioneerde
elektrotechnisch ingenieur. Gedrieën hebben ze de
Kingma familie doorvorst tot het jaar 1450. Dat is
voorgenealogische begrippen vér in het verleden.
Kees die in Emmen woont "Ik heb bij het Centraal
Bureau voor de Genealogie geïnformeerd en ze geven
ons daar niet veel kans om nog dieper in de
geschiedenis te kunnen graven" Maar Kingma heeft het
goede voorbeeld bij de hand. Z’n schoonvader kan een
stamboom laten zien die tot midden veertiende eeuw
teruggaat. De familie van Kees komt uit Wytgaard.
Z’n vader Sake kreeg een leraarsbaan op
Oud-Beijerland later in Hilversum. Daar mocht hij
een jaar met buitengewoon verlof om zich te bekwamen
in de automobieltechniek. Verder terug in de tijd
naar Ynte Oenes Kingma die kuiper was in Raerd. Op
zeker moment gaat de naam Kingma over in de
vrouwelijke lijn. Opvallend is dat de naspeuringen
van het Kingma partuur steeds leiden naar de
omgeving Raerd, Aldeboarn, Poppenwier en Wytgaard
totdat de vervoersmogelijkheden toenemen en ook
verder gelegen plaatsen zoals Beijerland in de
belangstelling komen. Maar de wortels liggen
duidelijk in Friesland. Een sprong terug in de
familiehistorie.
In Aldeboarn woonde in
de zeventiende eeuw Ynte Dirksz meester-bakker en
koopman. Hij noemde zich Kingma en hij is bewijsbaar
een voorvader van Kees. Wie in die
voor-Napoleontische tijden een echte achternaam had
moest maatschappelijk wel iets betekenen zegt Kees
Kingma. Zo was het ook met Dirck Claes Kingma
meestertimmerman omstreeks 1620 geboren en ook
afkomstig uit de vrouwelijke familielijn. Z’n moeder
heette Trijncke Dircks Kingma. Moeders naam aannemen
was toentertijd heel gewoon om de eenvoudige redenen
dat er nog geen burgerlijke stand was. Ieder was
vrij om een naam aan te nemen maar als de eenvoudige
man dat deed werd hij door z’n
omgeving wel scheef aangekeken. "Wat hat dy man it
heech yn’e holle wat sjucht dy man heech"
De familieannalen van
deze Kingma-tak vermelden ook een zekere Dirck
Jelles Kingma die omstreeks 1513 boer was op
Wiardastate ’te
Lambertsbuyren onder Dronryp’. Dirck Jelles’ vrouw
was namelijk een Wiarda. Z’n broer Ynte Jelles ligt
begraven in de Regina-kerk van Zweins. Hij stierf 18
augustus 1590 zoals de nog steeds bestaande rijk
bewerkte grafsteen vermeldt. Nu breekt de tijd aan
dat de
Kingma’s van Makkum in het vizier van de genealoog
komen - hoewel die hun eigen weg gingen ter zee en
later ook op het land. Een zekere Jelle Pieters
Kingma geboren in 1528 op Kingmastate te Zweins was
de vader van Dirck Jelles en Ynte Jelles. Hij was
eigenaar van Kingmastate onder Dronrijp zoals oude
geschriften melden. Jelle Pieters was getrouwd met
Hylckje Geryts Fogelsangh een in Friesland al even
bekende familie als de Kingma’s. Zoals dat vroeger
ging en soms nog wel in bepaalde families werden de
namen elke generatie opnieuw doorgegeven Pieter
Jelles werd Jelle Pieters en geen Patrick of Robin.
Die traditie maakt het voor de genealogen bij hun
naspeuringen ook wat gemakkelijker. De voorlaatste
Pieter Jelles die door het Kingma-trio is getraceerd
leefde in het midden van de vijftiende eeuw. Hij
staat genoteerd als een (thoe) Kingma. De
familienaam werd verschillend geschreven volgens
Joh. Winkler is ook de
spelling Kinguma en Kingsma bekend terwijl in oude
rekeningen van de rentmeester van Friesland in 1516
ook sprake is van een Peter Jelles te Kingum by
Sweins Mr W.W Buma noemt in z’n aantekeningen over
het geslacht Kingma ook de naam "Kingghum" onder
Sweyns.

Kingmastate,
bij Zweins anno 1700.
Kingmastate de
stamplaats van een geslacht Kingma is in 1864
gesloopt maar in Zweins en Kingmatille kunnen ze de
locatie nog aanwijzen. Julius Matthijs van Beyma
thoe Kingma was de laatste bewoner tot zijn dood in
1847. "Op zeker ogenblik zaten we vast met onze
naspeuringen. Toen heeft Hennie Kingma uit Lemmer
ons een gouden tip gegeven" vertelt Kees Kingma. Hij
is naarstig op zoek naar nieuwe gegevens en als het
kan tekeningen van de state. Z’n neef Wieb uit
Valkenswaard pluist de stamboom uit. Zijn neef Joost
in Driebergen is gespitst op belangrijke Friese
gebeurtenissen waarvan z’n voorouders getuige zijn
geweest. Die zichzelf opgelegde opdracht wordt na
1752 vergemakkelijkt omdat toen de Leeuwarder
Courant verscheen als nog steeds gewichtige Friese
nieuwsbron
Noten
1 Artikel in de
Leeuwarder Courant door D.M. van der Woude
(ongedateerd waarschijnlijk eind 1970)
2 Henny Kingma
vertelde dat de aak van zijn vader, de laatste die
de Boer bouwde, als enige een ankerketting had.

Home |