Honderd jaar Lemster schippers (1809-1920)

Door Jaap van der Zwaag.

 

"De tjalken schieten aan tussen de strakke dijken

en vullen ’t glad kanaal met driftig schuimgedruis,

totdat zij met een vaart de lange zeilen strijken

en glijdend binnengaan in ’t veilig vak der sluis

Daar dringen zij dooreen; de harde boorden kraken,

Zodat een druk rumoer zich opzet in de lucht,

Totdat de wachters weer de poorten openmaken

En al dat ongeduld ver in de ruimte vlucht."

(uit: de schutsluis door Jan Prins)

 

Voor de sluis te Lemmer.

Inleiding

De ligging van Nederland in een van de belangrijkste rivierdelta’s van Europa heeft ons land van nature tot een land van transport over water gemaakt. Toch is de kennisachterstand over de mens in de binnenvaart erg groot. Ten onrechte.

De omvang van de binnenvloot in de 17de eeuw heeft ongeveer 8.000 schepen en in de daarop volgende twee eeuwen ongeveer 10.000 schepen bedragen, vele malen groter dan de vloot van zeeschepen. Over het aantal opvarenden per schip en de werkgelegenheid in de binnenvaart is echter zo goed als niets bekend. Schattingen liggen tussen de 20.000 en 40.000 mensen die in de binnenvaart in de 19de eeuw hebben gewerkt, gezinsleden niet meegerekend.

De binnenwateren waren tot in de 19de eeuw in duidelijk te onderscheiden regio’s te verdelen. De belangrijkste waren: de noordelijke provincies (Groningen, Friesland, Drenthe en Noord-Overijssel), de regio Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht en tenslotte het rivierengebied. Elk vaargebied stelde andere eisen aan de eigenschappen van de schepen. De maximale lengte, breedte en diepgang werden bepaald door de knelpunten op de route. Bovendien verschilden de vaarseizoenen en de te transporteren goederen. Hierdoor had elke regio zijn eigen, soms zeer specifieke scheepstypes en kenden de streken in bepaalde opzichten verschillende economische conjuncturen.

Kooplieden vervoerden heel vroeger zelf hun goederen van de ene plaats naar de andere. Naarmate de vraag naar producten steeg, nam ook de hoeveelheid te vervoeren goederen toe. Dit had tot gevolg, dat kooplieden steeds meer gebruik gingen maken van de diensten van personen die van het goederen (en -personen)vervoer hun beroep maakten. Nog tot ver in de 19de eeuw bestond het merendeel van de verbindingen over land uit onverharde klei- en zandwegen, waarover het vervoer niet bepaald vlot en gemakkelijk verliep, ik heb daarover op een andere plaats op deze site uitvoerig geschreven. Het vervoer ging dan ook meestal over het water.

Rivieren en kanalen vormden in die tijd de belangrijkste handelsverbindingen. Niet alleen waren vaarwegen relatief veiliger, ook konden goederen in grotere hoeveelheden en daardoor goedkoper van de ene naar de andere plaats worden getransporteerd. Vooral turf werden in grote hoeveelheden over het water vervoerd. In de veengebieden waren daarvoor grote en kleine kanalen gegraven. De zeilende binnenvaart in Nederland heeft haar oorsprong voor een groot deel te danken aan de turfwinning. Vooral Friese schippers zijn actief geweest op het vervoer van turf. Allerlei soorten schepen werden hiervoor gebruikt: pramen, schuiten, tjalken, noem maar op. Erg druk was het tegen de winter, wanneer iedereen turfvoorraden aanlegde.

"De turf was zo duur geworden. Want nu alle vaarten waren dichtgevroren, kwamen er geen schepen met nieuwe voorraad. De enige turfschipper, van wie het schip in de dorpsvaart lag vastgevroren, maakte van deze gelegenheid gebruik om zijn waar duur te verkopen" (Afke’s tiental" van Nynke van Hichtum, ca. 1890)

Turf werd in de loop der jaren steeds minder als brandstof gebruikt, onder meer door de opkomst van steenkool. De schippers schakelden dan ook langzamerhand over op het vervoer van andere producten, zoals aardappelen, mest, graan, hout, stenen, etc.

 

 

De beurtvaart

Het vervoer per schip was aanvankelijk ongeregeld. De schippers bleven met hun schepen net zolang aan de kade liggen, totdat zij voldoende lading hadden om te kunnen vertrekken. Voor de koopman die slechts een geringe hoeveelheid goederen had te vervoeren was dat uiteraard nadelig. Hij moest immers wachten totdat het schip voldoende geladen was. Alleen kooplieden die veel goederen te vervoeren hadden konden het vertrek, de route en de bestemming van het schip beïnvloeden. Door de toename van de handel en het goederenvervoer ontstond de zogenaamde beurtvaart.

Onder "beurtvaart" mag worden verstaan de tak van vervoer, waarbij schepen om beurten en op vaste tijden een vervoersdienst onderhouden tussen twee (of meer) plaatsen. Van het instellen van deze veerdiensten of "beurtveren" hadden zowel schippers als kooplieden profijt. De schipper kon erop rekenen dat kooplieden op geregelde tijden lading aanboden, waardoor lange wachttijden aan de kade werden vermeden. Hierdoor kreeg de schipper een redelijk gegarandeerd bestaan. En kooplieden waren ervan verzekerd dat een schip op gezette tijden vertrok en op een vaste verbinding voer, waardoor een betrouwbaarder vorm van vrachtvervoer was verkregen. Soms ontstonden beurtveren uit overeenkomsten tussen plaatsen. Zo verkreeg in 1625 bijvoorbeeld het Grootschippersgilde het uitsluitend recht van beurtvaart tussen Groningen en De Lemmer.

Aan het eind van de 16de en in de loop van de 17de eeuw was in Nederland een netwerk van beurtveren ontstaan. De beurtvaart genoot op den duur dan ook een bevoorrechte plaats boven de ongeregelde (wilde) vaart. De beurtschippers hadden de "uitsluitende vaart", we zouden nu zeggen "monopolie". Andere schippers waren in principe van het goederenvervoer op die verbinding uitgesloten. In principe, want op bepaalde, drukke, routes voeren soms meer beurtschippers.

Na de Bataafse omwenteling in 1795 werden o.m. de gilden afgeschaft en vrije uitoefening van bedrijf van beroep erkend. In 1798 werd bepaald dat deze maatregelen niet de beurtvaart en de wagenveren zouden betreffen. De positie van de beurtvaart bleef hierdoor onaangetast.

Pas na de komst van de Wet Openbare Vervoersmiddelen, die op 1 september 1880 in werking trad, kwam er een eind aan het monopoliekarakter van de beurtvaart. In veel plaatsen waren inmiddels al veel beurtveren opgeheven, terwijl de nog bestaande – zeilende – beurtvaart steeds meer concurrentie kreeg van de stoomvaart, de spoorwegen en het wegtransport, dat laatste vooral door de betere wegen. En in De Lemmer werd de goederentram van de NTM een geduchte concurrent.

Inmiddels waren steeds meer schippers in de landelijke wilde vaart gegaan. Een belangrijke aanbieder van lading werd de akkerbouw, die meer en meer gingen produceren voor fabrieken, die de producten vervolgens verwerkten. Het ging vooral om graan, peulvruchten, vlas, suikerbieten en aardappelen. Daarnaast was er toenemende vraag naar mest. Vooral de bloembollenteelt in het westen van het land had veel mest nodig, welke bijvoorbeeld uit Friesland kwam. De binnenvaart nam door de groei van de economie en de industrialisatie in die jaren een enorme schaalvergroting door en daardoor ook de werkgelegenheid.

De tjalk

Pramen en tjalken waren in de 19de eeuw de meest gangbare binnenschepen. Er waren heel veel soorten tjalken. De tjalk is vooral te herkennen aan het voorschip met zijn bolle wangen met daartussen een stevige neus, de grote kromme steven. Vandaar lopen de berghouten (stootbalken) over de hele lengte van het schip naar de achtersteven, in een fraaie gebogen lijn (de "zeeg"). Het boord boven het berghout heet "boeisel". Een tjalk heeft geen kiel en daarom hangen aan weerszijden van het schip eivormige zwaarden.

Op het achterschip bevindt zich de roef, het verblijf van de schipper en zijn gezin. Vroeger huisde het hele gezin in het "paviljoen", een piepkleine ruimte onder het achterdek, nu meestal nog in gebruik als slaapruimte en herkenbaar aan de twee klokvormige poortjes aan weerszijden van het roer onder het berghout. Deze tjalken werden dan ook "paviljoentjalken" genoemd.

 

Paviljoentjalk.

Tot in de 18de eeuw hadden de meeste tjalken een bijzondere hekvorm, waarbij de boorden van het achterschip naar boven waren verhoogd en spits toelopend waren samengebouwd. Dit opbouwsel werd "staats" of "staatsie" genoemd, waarin een driehoekige opening was uitgespaard, het "hennegat", waardoor de helmstok liep. De onderkant van het hennegat werd gevormd door de hekbalk die horizontaal op de achtersteven rustte. Dit type schepen werd "hektjalk" genoemd. De zwaai die de helmstok bij deze schepen kon maken was beperkt, zulks in tegenstelling met de gewone tjalk, waar de helmstok over het boord heendraait. Verschillende Lemster schippers hebben vroeger een hektjalk gehad. De enige originele hektjalk in Nederland is in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen te vinden.

Hoewel "tjalk" van oorsprong een Fries woord is, werd (en wordt) in Friesland gesproken van "skûte" en "skûtsje".

De stoommachine, die al sinds het midden van de 19de eeuw functioneerde als voortstuwer van schepen, heeft, uitgezonderd in de beurtvaart, niet veel belangstelling gehad van de particuliere binnenvaart. Dat is niet verwonderlijk, want een stoommachine met ketel en stookplaats had erg veel plaatsruimte nodig, waardoor in de betrekkelijk kleine schepen veel laadruimte verloren ging. Hierdoor kwam het dat tot en met de Tweede Wereldoorlog de zeilende binnenvaart zich behoorlijk kon handhaven.

De schipper was ook in de meeste gevallen de eigenaar van het schip. Maar er werden ook wel schepen gehuurd, zoals bijvoorbeeld in De Lemmer in een aantal gevallen is gebeurd in de laatste helft van de 19de eeuw.  Hier heeft de burgemeester van Gaasterland, jonkheer Jan Hendrik Frans Karel van Swinderen, schepen verhuurd aan Lemster schippers, waaronder Eelke de Boer, Romke Andries Boonstra, Gerrit Pieters Faber, Jan Hoeksma, Johannes Egberts Poepjes, Sjouke Aants Riemersma, Reinder Cornelis Smit en Wigle Cornelis de Vries En de grietman Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer (1752-1813) stelde op een eigen schip een schipper aan, namelijk Frans Frans Menses (ook geschreven als Mensesz).

Schippers woonden op hun schip, maar ook aan de wal, zoals bijvoorbeeld de beurtschippers. Een voorbeeld van schippers die aan de wal woonden waren Kleis Johannes (mijn voorvader) en zijn zoon Jan Kleises. Kleis Johannes was op 5 januari 1727 geboren in Oosterzee. Hij trouwde op 12 april 1750 in Delfstrahuizen met Geertje Jans. Kleis ging met zijn vrouw in Delfstrahuizen wonen. Hij "gebruykt maar een halve schoorsteen onder een afdak", staat ergens in een akte. Dat scheelde dus in de belastingen. Zijn gezin bestond uit twee "halve hoofden". Er waren dus twee personen boven de zestien jaar, die, gezien hun vermogenspositie, slechts half hoofdgeld verschuldigd waren. Alleen rijke mensen draaiden op als "hele hoofden" voor het hoofdgeld.

Na verschillende malen te zijn verhuisd bewoonden Kleis en zijn gezin in 1805 in een "arme woning". Hij was toen 78 jaar oud; een jaar later zou hij overlijden. Hij was door het schippersvak niet rijk geworden.

Kleis was schipper en woonde niet op zijn schip zoals hierboven dus blijkt. Ook zijn zoon, Jan Kleises, geboren op 6 maart 1752 in Delfstrahuizen was schipper. Hij trouwde in 1774 in Echten met Lammigje Jans Lamberts. Hun zoon, Kleis Jans, geboren in 1779 en getrouwd met de in 1784 in De Lemmer geboren Grietje Taekes de Boer, was ook schipper, net als zijn vader en zijn grootvader. In 1811 nam Kleis Jans de achternaam "Visser" aan, evenals zijn vader.

Nadat Kleis Jans Visser op 47-jarige leeftijd in 1826 plotseling was overleden nam zijn vrouw Grietje het beroep van haar man over en werd "potschipperin". Potschipper was een specifiek beroep. Het was iemand die met een schip vol potten en pannen van dorp naar dorp voer om die daar te verkopen.

Het echtpaar Visser/de Boer had een zoon, Lammert Kleizes (mijn bet-overgrootvader), geboren in 1822 in Delfstrahuizen. Lammert zou in 1820 in De Lemmer trouwen met een dochter (Albertje Nolkes Hoekstra) van de tapper/schipper Nolke Hylkes Hoekstra in De Lemmer.

Het schippersleven.

Een schippersfamilie had een vrij leven. Desondanks was het voor veel schippers een hard en moeizaam bestaan. In de winter kon vaak niet worden gevaren en waren er dus ook geen inkomsten. Het schip lag doelloos aan de kant, soms héél lang. In de zomer werkte men dag en nacht. Maar soms lag men dan ook lange tijd langs de wal wegens gebrek aan vrachten of door ongunstig weer. De romantische plaatjes en foto’s die wij kennen van grachten en kanalen met schilderachtige binnenschepen, soms overdekt met een laag sneeuw, laten niet zien dat deze schepen vaak daar lang werkloos lagen en dat de schippers maar moesten zien hoe ze de eindjes aan elkaar moesten knopen.

Bij een goed bezeilde wind werden vaak lange dagen gemaakt en werd ook wel ’s nachts doorgevaren. De schipper kon dan geen oog dichtdoen. Met slecht weer was het koud aan boord. Alles was dan nat en kil. Als men bedenkt dat de schippers altijd in weer en wind buiten stonden (er waren (nog) geen stuurhutten) dan is er weinig fantasie nodig om te beseffen, wat ze moeten hebben geleden. Het hele gezin werkte mee, moest meewerken, omdat er vaak geen geld was voor een knecht.

 

In de haven van Lemmer kwam een schip aan, dat na een koude tocht van onder tot boven met ijs bedekt was.

 

De schippers leefden letterlijk van de wind en in het bijzonder met de richting en de kracht van de wind. De nauwe vaarwateren, waar niet gelaveerd kon worden en die bovendien nog extra bochtig waren, veranderde de situatie steeds weer en moest men, ook dicht bij bebossing en hoge gebouwen, soms jagen en bomen om vooruit te komen. Het hele gezin (behalve de baby’s) hielp bij het jagen. Met het eigen gewicht, enigszins steil voorover gebogen, werd de lijn stevig en gelijkmatig strak gehouden. Ook vrouwen en kinderen trokken mee en ik heb vaak mijn grootmoeder (Grietje Lubbers) aan de lijn zien hangen, stapje voor stapje het zware schip trekkend, zonder protest, terwijl mijn grootvader (Siebe van der Zwaag) aan zijn pijpje lurkend op de helmstok zat. Uiteraard werd er voortdurend gewisseld van taak.

Dat jagen was een gebeurtenis apart. Een lange lijn, met daaraan een soort tuig, waarmee het schip werd voortgetrokken. Bij sommige bruggen moest de mast naar beneden. Beulswerk, maar ook vakwerk. Schippers waren uitstekende vakmensen. Ze moesten kunnen navigeren, maar ook nog een soort weerman zijn.

Onder de meest erbarmelijke weersomstandigheden werd er doorgevaren. Ook op de Zuiderzee. Soms vergingen schepen met man en muis, d.w.z. de schipper, zijn vrouw, zijn kinderen en zijn knecht. Verschrikkelijke drama’s hebben zich op de Zuiderzee afgespeeld. Elke schipper die de Zuiderzee moest oversteken deelde het traject zoveel mogelijk op in etappes die langs geschikte vluchthavens en veilige ankerplaatsen liepen. Voer men bijvoorbeeld van Amsterdam naar Stavoren dan werden de volgende etappes in acht genomen: 1. Oranjesluizen (bij Amsterdam) naar de rede van het eiland Marken; 2. de rede van Marken, via Oosterleek naar het Krabbersgat bij Enkhuizen); 3. de oversteek Enkhuizen naar Stavoren. Omdat er in Nederland overwegend westelijke winden waaien had bovenvermelde route langs de kust van Noord-Holland het voordeel, dat er betrekkelijk weinig zeegang was, belangrijk voor een volgeladen schip. Pas bij Enkhuizen werd de oversteek gewaagd. Bij een opkomende storm uit het noordwesten kon eventueel nog worden afgeweken naar De Lemmer, voor de wind en de golven uit.

De meest veilige, maar niet de kortste route van Amsterdam naar De Lemmer ging eveneens via Enkhuizen, maar bij bestendig weer kon ook vanuit Amsterdam rechtstreeks naar De Lemmer worden gevaren, meestal eerst op de Zuidwal aan om vervolgens achter de beschutting biedende uitgestrekte zandplaat de Knar koers te zetten naar het noorden. Bij opkomende noordwester storm waren er overigens weinig uitwijkmogelijkheden. Eventueel kon men Urk aanlopen of  voor anker te gaan op de rede van Schokland.

Bij stormweer werd bij het binnenlopen van De Lemmer de nok gevierd en werden zowel fok als grootzeil gereefd.

Overigens moet men zich niet een te primitief denkbeeld van het vervoer per zeilend vrachtschip. Vaak werden bij gunstige winden per dag zeer behoorlijke afstanden afgelegd.

De schippersvrouw had geen gemakkelijk bestaan. Als ze in verwachting was bleef ze zolang mogelijk meewerken, ook al was dat soms zeer zwaar. Kinderen werden aan boord geboren en dat gebeurde soms erg vaak. Was de baby geboren, dan ging men zo snel mogelijk weer aan de slag, soms zelfs dezelfde dag. Net als op de wal kwamen ook op  binnenvaartschepen gezinnen voor van tien kinderen. En dat woonde allemaal in de roef op het achterdek. Zo´n roef leek op een miniatuurhuiskamer. Naarmate de schepen groter werden, nam ook de oppervlakte van een roef toe, maar een dergelijke oppervlakte was nooit meer dan acht vierkante meter, de meeste schepen hadden kleinere roeven. De ruimte werd zeer efficiënt gebruikt. Aan de zijkanten van de roef waren bankjes geplaatst. Onder de wegneembare zittingen van deze bankjes werden de levensmiddelen en andere spullen opgeborgen. Boven de banken waren kastjes voor kleding en andere huisraad. Aardappelen werden in een ruimte onder vloer opgeborgen. In het midden stond een tafel, waarboven een petroleumlamp hing. Een klein fornuis zorgde voor de verwarming en het koken. Sommige protestantse schippers hadden een orgeltje (harmonium) aan boord.

 

Onder het achterdek sliepen vader en moeder in een tweepersoonskooi (met een kribje voor een baby) en  in smalle kooien lagen de kinderen. Ook onder het voordek waren er slaapkooien. Uiteraard was geen enkele roef gelijk. Gebruikte men stoelen in een roef, dan moest een stuk van de stoelpoten worden afgezaagd, om rechtop te kunnen zitten. De roeven waren allemaal zeer klein, maar wel gezellig. Zó klein, dat wanneer er ’s avonds visite kwam, de kinderen naar hun kooi moesten, omdat er niet genoeg ruimte was in de roef.  En erg lang moest je ook niet zijn, want de hoogte van een roef was meestal minder dan 1,80 meter. Met mijn lengte van 1,89 meter heb ik héél vaak mijn hoofd gestoten, wanneer ik bij een schipperfamilielid op visite was. IJskasten waren er niet aan boord. Door geregeld koken kon je melk een week goed houden.

Had de schipper volwassen zoons, dan voer men met eigen mensen, maar die zonen liet men ook wel bij andere schippers als knecht varen om hen te leren later beter op eigen benen te staan. Bovendien had dit als voordeel, dat men een kind minder aan boord had.

 

Sake Visser (Sake de Rus)

Theunis  Visser (De Flapper)

Leeuwke Bootsma.

Drie  schippers/vissers uit de Lemmer.

"Schipper te Lemmer"

We kennen de verhalen van vroeger, van de zwaar geladen tjalk, die met volle zeilen vanaf de Zuiderzee op de sluis van De Lemmer aanstuift. Aan het roer de schipper, met schippersbaardje aan een verweerde kop, ringetjes in de oren en in de mond een pijp geklemd. Voorop de knecht. Met zijn tweeën zijn ze het grote schip volledig de baas. Een woord, een gebaar en daar valt de piek. Even later valt het grootzeil aan dek. De tjalk vermindert vaart, maar kan door de fok nog voldoende hoogte houden om de sluis te bereiken. En dan, precies op het juiste moment, komt ook de fok naar beneden. Het schip drijft daarna de sluis in waar schipper en knecht ieder een landvast over de op de wal aanwezige bolders leggen.

Zo zijn de loop der jaren honderden binnenvaartschepen de sluis van De Lemmer binnengekomen. De meeste schepen hadden De Lemmer niet als eindbestemming, maar voeren verder Friesland in of nog verder. Maar er waren ook Lemster schippers die hun schip na gedane arbeid ergens in het dorp aanmeerden, in de Rien of in het Dok. In De Lemmer hebben altijd veel schippers gewoond, meer dan ik dacht. In de loop der eeuwen hebben veel binnenschippers De Lemmer als hun thuishaven opgegeven in ambtelijke of andere officiële stukken. Over een periode van honderd jaar, d.w.z. van 1809 tot 1920 heb ik ongeveer 160 namen gevonden, waarvan bekend is dat ze "schipper te Lemmer" waren. Deze namen staan in onderstaande lijst. Van een aantal van die schippers heb ik wat bijzonderheden gevonden, van andere is weinig of niets bekend. Wellicht zijn er afstammelingen van deze mensen, die nog iets over hun voorvader-schipper weten.

 

 

Lijst van Lemster schippers in de periode 1809-1920.

Abels, Gerbrand

Trouwde 15 juni 1788 Sietske Minses

Ages, Tiemen Hendriks

Trouwde ca. 1820 Grietje Alberts Beekerk en ca. 1840 Geesje Appeldoorn.

Andries, Lammert

Trouwde op 6 jan.1805 in De Lemmer met Klaaske Joostes. In 1811 verkocht Lammert Andries de helft van een schip

Annes, Hans

Getrouwd met Janneke Alberts

Annes, Johannes (Brouwer?)

Was getrouwd met Trijntje Jacobs

Arbeider, Albert

Bakker, Anne

Klaas Bakker te Leeuwarden verkocht in 1904 de ijzeren tjalk Petronella voor 3500 gulden aan Anne Bakker

Bakker, Klaas

Beer, Jouke Lolkes de

Trouwde in 1814 Baukje Gerrits Veersma

Bla(a)uw, Ebele

Boer, Eelke de (1853-1934)

Trouwde 1883 Cornelis de Graad. Huurde in 1880 van burgemeester van Gaasterland overdekte praamschip De Goede Verwachting voor 16 jaar. Huur 295 gulden per jaar en "ieder jaar 7 gulden minder".

Boer, Fokke Jacobus de (1848-1904)

Trouwde in 1875 Aaltje Woudstra

Boer, Linze Sibbeles de (1843-     )

Trouwde Grietje Hendriks. Linze de Boer, koopman in De Lemmer, verhuurde in 1876 overdekte tjalk De Twee Zusters voor 17 jaar aan Linze Sibles de Boer. Huur 92 gulden per jaar en "ieder volgend jaar 2 gulden minder".

Boer, Poppe de

Boer, Roelof Thomas de (1825-    )

Trouwde 1855 Rinske Koopmans.

Boer, Sibbele Linzes

Verkocht in 1900 het praamschip Christiana voor 1465 gulden aan schipper Romke Keuning in Amsterdam.

Boon, Jan Lips (1833-1915)

Trouwde in 1882 Oedske Wagenmakers                 

Boonstra, Romke Andries (1839-    )

Trouwde 1870 Pietertje Propsma. Huurde in 1878 van de burgemeester van Gaasterland overdekte tjalk De Goede Verwachting voor 9 jaar. Huur 145 gulden per jaar en "ieder jaar 5 gulden minder".

Brouwer, A.W.

Bijlsma, Minke Taekes

In 1883 verkocht Minke, samen met zijn broer Uilke Taekes de overdekte tjalk De Twee Gebroeders voor 527 gulden aan de zeilmaker Siemen Jans Visser in Lemmer

Bijlsma, Tietje

Beurtdienst tussen Lemmer en Leeuwarden

Cornel, Marten Jans

Trouwde Grietje Heins. Bezat een "coffijschip".

Driest, Jelke Jans (1789-1844)

Trouwde ca. 1816 Tjaltje Alberts Oosterhout.

Dijkstra, Bouwe Alberts (1829-    )

Trouwde 1859 Johanna Christiaans Krips. Verkocht in 1882 het hektjalkschip De Vier Gebroeders voor 3375 gulden aan Cornelis Krijnsen in Broekerhaven (NH). Was broer van Jelle Alberts Dijkstra

Dijkstra, Jelle Alberts (1831-    )

Trouwde 1862 Antje Roelofs de Jong.

Esther, Bartele (Bartle) Barres (1851-1931)

Verkocht in 1879 het kofscheepje De Goede Hoop. Hij trouwde in 1882 Ymkje de Boer, dochter van Jacobus Poppes de Boer. Hij was broer van Jan en Pier Barres Esther.

Esther, Jan Barres

Trouwde ca. 1873 met Froukje Rippen

Esther, Pier Barres (1848-    )

Trouwde in 1877 met Akke de Hengst

Faber, Gerrit Pieters (1814-1888)

Trouwde in 1846 Akke Visser. In 1871 huurde hij van de burgemeester van Gaasterland tjalk De Twee Gebroeders voor 10 jaar. Huur 91 gulden per jaar.

Feenstra, Jacob Sierds (1860-      )

Trouwde ca. 1890 Taetske Fokkes Veltman

Finnema, J.

Fortuin, Carst Dirks (1758-1843)

Overleden in 1843 (85 jaar oud).

Fortuin, Hans Carstes (Cerstes)

Trouwde in 1860 Met Trijntje Sienes Koopman. Hij was schipper en winkelier. Zoon van Carst Dirks Fortuin. Hij huurde in 1875 van de ontvanger der Gemeente Lemsterland Rienk Sleeswijk het overdekte beurtschip De Drie Gebroeders voor 16 jaar. Huur 213 gulden per jaar.

Geerts, Jan

Geerts, Rommert

Schip "Le Jeune Nicolas’

Gerrits, Johannes

Trouwde 1804 Tietske Wiebes

Groot, Gerben Lolkes de

Geboren 10 nov. 1857 als zoon van Lolke Gerbens de Groot

Hij trouwde op 13 jan. 1882 Grietje Bijlsma

Groot, Lolke Gerbens de

Trouwde op 21 sept. 1856 met Jacoba Ennes Drent

Haan, de

Haarsma, Johannes Annes (1750-1824)

Hage, Pieter Johannes

Haringsma, Pier

Heimans, Klaas (1832-1900)

Heimans, Tiede Gerrits (1791-1862)

Trouwde ca. 1836 Trijntje Remmelts (Rimmerts)

Heymans, Hendrik Tiedes

Hoeksma, Fokke (1812-1894)

Trouwde ca. 1851 Geertje Jacobs de Jong

Hoeksma, Hylke Feytes

Hoeksma, Jan

Huurde in 1881 overdekte tjalk Vrouw Geertje voor 10 jaar van de burgemeester van Gaasterland. Huur 126 gulden per jaar.

Hoeksma, Pieter Fokkes

Zoon van Fokke Hoeksma. Trouwde 1870 Geeske Johannes van der Meer.

Hoekstra, Nolke Hylkes (1785-1859)
Was schipper/tapper

Hoekstra, Rinze Rinzes

Trouwde 1853 Elizabeth Roelofs Groen.

Hoekstra, Ruurd Pieters

Trouwde ca. 1847 Jantje Hendriks Meyer.

Hoekstra, Wouter Rinzes (1862-1912)

Trouwde 1887 Joltje Tjalma. Was schipper en winkelier. Zoon van Rinze Rinzes Hoekstra.

Hoff, Anne

Beurtschip Lemmer-Leeuwarden. In 1872 kocht Anne van Jogchum Sibbeles Lemstra, stoombootkapitein te De Lemmer het overdekte veerschip Dorothea voor 650 gulden.

Trouwde op 27 jan. 1867 met Geertje Rinderts de Vries

Hoff, Gerrit (1878-   )

Hoff, Pieter (1875-1915)

Zoon van Anne Hoff. Trouwde in 1904 met Djoeke Ena van der Veen.

Hoornstra, Jacob (1858-1917)

Trouwde op 4 februari 1888 met Afke de Vries te Amsterdam. Na het overlijden van Afke de Vries (3 feb 1898 R'dam) hertrouwde hij op 9 december 1898 te Lemsterland met Jantje Dijkstra, die weduwe was van Roelof de Jong. Jacob verkocht in 1898 het houten roefschip "De Jonge Jan" voor 650 gulden aan Pieter Schotsman. Verdere gegevens kunt U vinden op www.hoornstra.org onder Jacob Sjoerds Hoornstra.

Hukema, Reintje

Trouwde ca. 1867 met Ietje Oosterveld

Jellings, Wiebe

Jong, Ale de

Jong, Benjamin Pieters

Trouwde 1788 Pietje Falkama

Jong, Cornelis Oenes de

Jong, Dirk Douwes de

Trouwde ca. 1849 Jantje Jochums Mast. Voer als schipper op het stoomschip Willem II.

Jong, Jan Gerrits de

Trouwde 1854 Iemkjen (Ymkje) Ieges (Iges, Yges) Vlieger (Flieger)

Jong, Johannes Uilkes de

Trouwde ca. 1838 Trijntje Abrahams ten Cate.

Jong, Klaas Gijsberts de

Jongsma, Bauke

Schip De Twee Gebroeders. Trouwde met Jeltje van der Zande

Jonkes, Ynse

Bezat een tjalk die hij in 1810 verkocht aan Pieter Roelofs Siegers

Keimpema, Gerrit Rienks van (1820-1898)

Trouwde ca. 1865 Dieuwke Gorter

Keimpema, Rienk van

Kliphuis, Stoffel

Koe, Greelt Harings de (1790-1826)

Trouwde 1817 Aaltje Karstes Fortuin.

Kooistra, Kornelis Piebes

Trouwde 1886 Aaltje Zeilstra. Broer van Lieuwe Piebes Kooistra

Kooistra, Lieuwe Piebes (1830-1889)

Trouwde 1860 Grietje Sloterdijk.

Kooistra (Kooystra), Siebe

Zoon van Klaas Siebes Kooystra

Kooistra, Uiltje

In 1904 kocht Uiltje een werkplaats met erf van de Vissersvereeniging Lemmer. Trouwde ca. 1888 Hendrikje Koenen.

Koopman, Jacob Luitzens (1833-1900)

Trouwde 1861 Fim Hielkes Haagsma

Kuyper, Franke

Trouwde 1866 Hendrikje Jochums Muurling. Voer met de tjalk Engelina.

Kuipers, Rouke

Trouwde 1853 Hendrika Abrahams Tappers.

Lemstra, Bartele Sibbeles (1824-)

Trouwde in 1852 Geertruida Egberts Meyer. Verkocht in 1851 de helft van de tjalk De Vier Gebroeders aan zijn broer Jelke Sibbeles Lemstra

Lemstra, Jan Jelles (1778-1849, ongehuwd)

Lemstra, Jelke Sibbeles (1821-1851)

Trouwde 1850 Jacoba Ennes Drent.Kocht in 1851 de helft van tjalk De Vier Gebroeders van zijn broer Bartele Sibbeles Lemstra

Lemstra, Sibbele Jelles (1779-)

Was veerschipper. Hij was geboren in Oosterzee/Echten op 11 okt. 1779. Hij trouwde op 25 dec.  1805 met Roelofje Jochems Dijkstra. In 1811 kocht Sibbele de helft van veerschip van Hans Annes.

Masseur, Jozef

Mastenbroek, Jozef (Joseph)

Trouwde ca. 1889 Aaltje van der Plas

Meer, Reinder Rudolphus van der (1868- )

Zoon van Rudolphus van der Meer. Trouwde 1897 Jantje de Vries.

Meer, Rudolphus van der (1837-1913)

Trouwde 1868 Antje Siebes Visser.

Menses (Mensesz), Frans Frans

Hij was schipper op een schip van R.L. van Andringa de Kempenaar. Hij was getrouwd met Tijsjen (Tiesje) Bokkes (de Vries)

Meulen, Sjirk van der

Trouwde 1877 Gjilkje de Weerd.

Meyer, Hielke Everts (1839-1909).

Trouwde met Wiepkje Hessels de Jong 1874

Meyer, Machiel (Michiel)

Trouwde ca. 1882 Geertje Wayer. Hij verkocht in 1887 hektjalk De Jonge Antje voor 1235 gulden aan Koop van Veen in Makkum

Mulder, Klaas Freerks

Nijdam, Sibbele

Trouwde met Susanna Lips Boon ca. 1876

Nijdam, Sietze Wietzes

Oord, Siebe Piers (1844-1932)

Was schipper en winkelier. Trouwde 1877 Bontje de Jong

Pal, Dirk Wiebes van der

Trouwde ca. 1886 Trijntje Akkerman

Pilon, Jacob

Trouwde met Reinke Valk ca. 1900

Poepjes, Hendrik Johannes

Was zoon van Johannes Egberts Poepjes

Poepjes, Johannes Egberts

Trouwde ca. 1865 Hiltje Hendriks. Huurde in 1875 schip van burgemeester van Gaasterland, namelijk het kofscheepje De Vrouwe Hiltje voor 9 jaar. Huur 117 gulden per jaar.

Postma, Johannes Sikkes

Zoon van Sikke Postma

Postma, Sikke

Prins, Harmen Jelles

Prins, Hendrik

Prins, Jan Hendriks (1828-)

Zoon van Hendrik Prins

Riemersma, Arent Andries (1785-1865)

Riemersma, Sjouke Aants

Trouwde 1859 Maria Joseph Oosterwelder. Huurde in 1881 overdekte schuit Hoop op Zegen voor 16 jaar van burgemeester van Gaasterland. Huur 142 gulden per jaar.

Rientsma, Rient

Rippen, Jurjen Lourens (1859-1935)

Trouwde in 1889 met Grietje Mulder

Rogaar, Reintje (1842-1902)

Sakes, Keimpe (1784-1826)

Zoon van Tjets Keimpes. Trouwde in 1811 met Elisabeth Hendriks Hergarden.

Scheepstra, Egbert Feddes

Trouwde in 1879 Hendrikje Reyenga.Hij kocht in 1879 overdekte praamschip De Twee Gebroeders voor 1650 gulden van Roiuke Jans Kuipers, schipper te Echten.

Schippers, Jan Roelofs (1850-1908)

Trouwde Dieuwke Jans Bok.

Schotsman, Pieter

Pieter kocht in 1898 roefschip De Jong Jan voor 650 gulden van Jacob Hoornstra.

Siegers, Bronne Roelofs

Huurde in 1832 schip van Cornelis Sleeswijk. Hij was zoon van Roelof Siegers

Siegers, Pieter Roelofs

Trouwde 1809 Geertje Feytes Hoeksma. Bezat tjalk De Vrouwe Roelfina, die hij in 1810 verkocht voor 3090 gulden aan Haring Martens de Koe (te Sneek). In 1810 had hij van Ynse Jonkers een tjalk voor 2000 gekocht. Of het om dezelfde tjalk gaat, weet ik (nog) niet. Hij was zoon van Roelof Siegers en Hendrika ter Spek.

Sleeswijk, Cornelis

Verhuurde in 1832 schip aan Bronne Roelofes Siegers en was in 1838 gemachtigde bij de verkoop van de tjalk De Drie Gezusters door Helmer Roelof Siegers te Middelburg aan Kerst Jans Woudstra.

Smit, Reinder Cornelis

Reinder huurde in 1879 van burgemeester van Gaasterland overdekte tjalk De Vriendschap voor 10 jaar. Huur 240 gulden per jaar en `ieder jaar 8 gulden minder`.

Stapert, Sjoerd Jouwerts

Verkocht in 1810 tjalk voor 1999 gulden aan Jan Roelof Siegers te Sappemeer.

Steensma, Bouwe Gerkes

Zoon van Gerke Steensma

Steensma, Gerke

Trouwde in 1892  Froukje Jans Visser.

Taekema, Doekele (1847-1913)

Trouwde ca. 1879 Baukje Molenaar.

Veen, Johannes Lippes van der

Geboren in 1771. Overl. 22 okt. 1855, 84 jaar oud..Was getrouwd met Ynske Zeverijns. Zoon van Lippe Gerbens van der Veen

Veen, Jurjen van der

Veen, Lippe Gerbens van der  (1803-      )

Geboren in De Lemmer op 22 april 1803. Trouwde ca. 1832 Froukje Christiaans Wagenaar.. Getrouwd met Froukjen Christiaans

Veen, Sybrand (Siebren) Johannes van der

Was getrouwd met Dieuwke Hanzes Wouda

Veenstra, Auke Annes (1836-1917)

Trouwde in 1862 Aaltje Hessels de Jong

Vegter, Jan Jacobs (1833-1889)

Trouwde ca. 1862 Popkjen Andries Feenstra

Vegter, Jelle Jacobs (1831-1895)

Trouwde ca. 1864 Janke Rienks Vlieger.

Vegter, Reinhard (1837-1902

Trouwde in 1861 Hester Sipkes Koster

Velde, Gerrit Lases ter

Zoon van Laas Fokkes ter Velde

Velde, Laas Fokkes ter

Verbeek, Jan Folkerts (1823/1908)

Trouwde in 1859 Beeuw Sjirks Haga en in 1868 Eefje Dierdorp

Schipper en winkelier.

Visser, Jan Jans

Visser, Jan Rinzes

Trouwde Hinke Tjerks van der Ley ca. 1869.

Visser, Jelte Harmens

Bezat hektjalk De Vrouwe Janna

Visser, Lupke Rinzes

Visser, Pietje Rinzes

Visser, Rinze Lupkes (1878-1941)

Zoon van Lupke Visser en Aaltje Visser.

Visser, Tjerk Jans

Trouwde 1896 met Gepke Scheffer

Vlieger, Fedderik Gerkes

Vlietstra, Duye Poppes

Trouwde 1871 Anna Schroor en 1875  Jetske van Brug

Vos, Berend

Trouwde in 1881 Tettje Talsma

Vries, Anne Haitzes de (1844-         )

Trouwde 1862 Sjoerdtje Siebolts Hilsma

Vries, Berend Jelles de

Verkocht tjalk in 1820 voor 2344 gulden aan Marten Verschuur te Waspik.

Vries, Christiaan de (1840-1926)

Trouwde in 1867 met Trijntje Dirks Plug

Vries, Geert de

Vries, Gerrit Hendriks de

Vries, Haitze Jans de

Vries, Jan Martens de

Vries, Jan Siemens de

Vries, Rindert Siebes de (1813-1876)

Trouwde ca. 1837 Hanske Gerrits de Leeuw

Vries, Wigle Cornelis de (1848-1891)

Trouwde 1877 Goske de Weerd.

Wigle huurde in 1881 van de burgemeester van Gaasterland overdekte praamschip De Voorwaarts voor 15 jaar. Huur 140 gulden per jaar.

Waning, Wouter (1810-1891)

Wapstra, Jan Jans

Bezat hekschip De Drie Gebroeders

Weerman, Gabriel

Getrouwd ca. 1894 met Annechiena Fransen

Willems, Klaas

Wind, Obbe de

Wint (Wind),  Girbe Jans de (1796-1836)

Trouwde 1833 Rigtje Minnes Conradi

Witkop, Lammert Hoites

Wouda, Anne Hanses (Hanzes)

Beurtschipper. Was in 1802 geboren en overleden op 3 okt. 1869, 67 jaar oud.

Was op 28 nov. 1824 getrouwd met Minke Martens en op 9 dec. 1827 met Pietje Jans Mensesz

Wouda, Hans Annes

Was zoon van Anne Hanses Wouda

Wouda, Jan Annes (1833-1895) was ongehuwd.

Woudstra, Durk Eelkes

Woudstra, Kerst Jans

Kocht in 1838 tjalk De Drie Gezusters voor 1000 gulden van Helmer Roelofs Siegers te Middelburg. Gemachtigde bij deze koop was Cornelis Sleeswijk.

Wouters, Stoffel

Zoon van Wouter Stoffels uit Eesterga

Zande, Lammert Hendriks van der (1844-1921)

Zoon van Hendrik Andries van der Zande en Jeltje Alles de Vries. Lammert trouwde in 1875 met Akke Tuinman.

Zee, Gerrit Harmens van der

Trouwde in 1885 Tjitske Lamsma

Zee, Gerrit Jacobs van der

Trouwde met Rinskje de Jong.

Zoethout, Jelle.

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.