Al problemen genoeg zonder die
schavuit Israel Falk Cohen.
Het nieuwe Israëlitisch
Weekblad van 18 Januari 1984/14 sjewat 5744. Is een thema
nummer, dat handelt over de medienes, de Joodse
gemeenschappen. In dit bijzondere nummer worden elf gemeente
beschreven, in iedere provincie een, waaraan het Joodse
leven van voor 1940 nog uiterlijke herinneringen zijn, in de
provincie Friesland is Lemmer het onderwerp van een
artikel van Tamara Benima, welk artikel wij hierbij
onverkort plaatsen.
Ze hadden hem snel gevonden en
een brandmerk op hem aangetroffen, als teken dat hij al
eerder wegens criminele daden was veroordeeld. De politie
had hem flink aan de tand gevoeld, maar hij hij had ontkend
iets van deze diefstal te weten. Hij vertelde wel in
Amsterdam te zijn gegeseld en gebrandmerkt en dat hij in
1809 in de hoofdstad voor zes jaar was veroordeeld. Het was
nu mei 1814 en men kon er niet zeker van zijn dat de zes
jaren van het vonnis al geheel waren verstreken. De
verklaring die Cohen gaf was dat hij op 7 januari gratie had
gekregen van de koning. Dat was mogelijk want Willem 1 had
bij zijn terugkeer uit Engeland tal van veroordeelden gratie
verleend, maar het bewijs van zijn vrijlating was hij
verloren, zo had Cohen beweerd.
Hij was een onguur type. De
schout had de leiders van de Joodse Gemeenschap laten
oproepen om te weten welke kontakten de Joden van Lemmer met
de bandiet hadden. Geen enkele zo was gebleken. Ze wilden
ook niets met de man te maken hebben, de zorg voor de
talloze armen was hen genoeg. De gemeenschap was meer dan
gehalveerd door de oorlog tussen Engeland en Frankrijk. In
1808 had koning Lodewijk Napoleon om een beschrijving
gevraagd van de grietenij (landgemeente) van het stads
gebied, de oude cijfers van dat jaar gebaseerd op informatie
uit 1805 had nogmaals een opgave moeten plaats vinden over
hoeveel Joden er in Lemsterland woonden. Het aantal was
geslonken tot 31 van de 131 die in totaal door de slechte
tijden waren weggetrokken.
Bar en Boos.
Het was ook bar en boos
geweest in die jaren. Door de strijd tussen de Fransen en de
Engelsen, was de koophandel en de scheepsvaart in Lemmer in
een rampzalige slechte staat. De doorgangsroute van
Amsterdam en Zuid-Holland naar Embden, Hamburg, Noorwegen en
de Oostzee had een zware klap te verduren gehad en Lemmer
had als havenplaats op die route de gevolgen daarvan
ondervonden.
De mensen waren arm geworden,
nog armer als ze doorgaans al waren, en overal in het stadje
had men de letter op de linkermouw kunnen waarnemen van
degenen die grietenij alimentatie ontvingen. Men had zich
zwaar verkeken op de Fransen die in 1795 als bevrijders
waren binnen gehaald, nadat stadhouder Willem de Vijfde naar
Engeland was gevlucht. Aanvankelijk had het er nog wel
gunstig uitgezien, maar langzaam kwamen de bedrijven stil te
liggen, staakte de scheepsvaart, nam de werkloosheid toe, en
werd de last van de zorg voor de armen ondragelijk zwaar.
Evenals de belastingen die dag na dag door de Fransen werden
verhoogd om geld te hebben voor de financiering van hun
armee (leger), een naam die die bende nauwelijks verdienden.
Voor veel joden in Lemmer was
het genoeg geweest om naar economisch hoopvoller oorden te
vertrekken. In 1812 waren er slechts 1460 schepen geweest
die de haven van het Friese, gereformeerde dorp hadden
aangedaan. De omslag was pas gekomen met de komst van de
Pruisische troepen en de Russische kozakken die de Franse
uit het land hadden gejaagd. Lemmer had hen voedsel, drank
en onderdak moeten verschaffen, het geen de Lemmerse
bevolking met graagte had gedaan, want daardoor konden zij
zich van de Fransen bevrijden, en had Nederland een Oranje
als soeverein.
Alles was ten goede gekeerd,
behalve dan de problemen met deze door Willem gegratieerde
Jood, die aangetrokken door de bedrijvigheid die Lemmer weer
kenmerkte. Robide van der Aa
Christianus
Petrus
Eliza Robidé van der Aa
-
speelde met de
gedachten om een beetje meer controle uit te gaan oefenen op
de wassende droom reizigers, handelaren en zwervers gelijk.
Een voorstel zou moeten worden voorbereid voor de
grietmannen (burgermeesters) om de herbergiers te
verplichten de passen in te nemen van vreemdelingen en deze
op het stadhuis te laten aftekenen. Het geval van de
gearresteerde Jood zou hij kunnen aanvoeren als
ondersteuning van zijn pleidooi, voor een betere handhaving
van het gezag in de stad. Een niet altijd makkelijke
opdracht in een havenplaats.
De schout hoefde niet lang te
wachten op het antwoord van de rechtbank uit Amsterdam. Het
bleek dat de informatie die Cohen over zich zelf had gegeven
juist was maar onvolledig, hij had inderdaad gratie gekregen
van de koning, echter niet 7 januari maar op 24 december van
het jaar daarvoor.
Op 7 januari was hij door de
politie van Amsterdam naar Abcoude getransporteerd, in het
bezit van een schrijven waarin stond dat hij bevel kreeg
zich te houden aan zijn verbanning uit Amsterdam en Holland.
Geen wonder dat hij dat papier was kwijtgeraakt. Zijn
strafblad was begonnen in 1801, toen hij in Utrecht wegens
gepleegde bedriegerijen voor 6 jaar gedetineerd werd in een
werkhuis. Uit Utrecht was hij verbannen voor de rest van
zijn leven. Na zijn vrijlating was hij naar Nijmegen gegaan
waar hij in 1808 werd gearresteerd en veroordeeld voor
zakkenrollerij. Ook voor die stad was hem verbanning
opgelegd en voor heel Gelderland. Amsterdam was de volgende
plaats geweest waar hij de boel onveilig had gemaakt.
Gevaarlijk sujet.
De officier van de rechtbank
schreef dat Cohen in de nagt van den 2e en 3e maart 1809 bij
gelegenheid van ene ontstane brand alhier opnieuw heeft
schuldig gemaakt aan zakkenrollerij, waarom altoos bij
vonnis van voormalige schepen dezer stad gecondemneerd om te
worden gegeseld, gebrandmerkt en te worden geconfineerd in
het Rapshuis alhier voor een tijd van 6 jaren, ingaanden 24
maart 1809, na experatie van welk confinement hij voor
eeuwig is verbannen geweest uit het voormalig koninkrijk
Holland, aldus officier A. de Visser die evenmin als Robide
van der Aa, geen hoge dunk had van de mogelijk heden tot
verbetering van Israel Cohen. Visser schreef hem dat hij hen
altijd als een voor de maatschappij gevaarlijk sujet (had)
gehouden die geen ogenblik om zo te spreken zonder
surveillance behoorde te zijn en die zeker nog eens zijn
leven op het schavot zal moeten eindigen.
Heel aardig dat Visser schreef
dat men in Amsterdam gedwongen was geweest hem tot over de
grenzen van Holland te verwijderen zodat wij dan tenminste
voor enige tijd onze medeburgers van een slecht sujet
verlost hebben, want het betekende dat Lemmer nu met deze
crimineel zit opgescheept. Van der Aa had besloten dat het
niet voor lang zou zijn. Ook als de Jood voor de rechtbank
in Sneek, die hij had verwittigd van de arrestatie niet
schuldig zou worden bevonden aan de diefstal, dan nog zouden
ze hem weren uit de stad en als het even kon weren uit
Friesland en de Nederlanden in het geheel.
Robide van der Aa kreeg zijn
zin. Israel Cohen bleef volhouden dat hij de diefstal van de
tabaksdoos niet had gepleegd, maar dat verhinderde de schout
van Lemmer niet een schrijven uit te doen aan alle civiele
autoriteiten teneinde de Nederlanden van dit schadelijk lid
der maatschappij te ontslaan, met het verzoek Israel Falk
Cohen als zijn route langs langs hun plaats kwam te
transporteren ieder naar zo ver hunlieden aangaat en wel van
de Lemmer op de Kuinder, Wolvega, Blesse, Steenwijk, Meppel,
Coevorden en zo tot over de grenzen. En zo gebeurde het.
Het kwam niet vaak voor dat
een zo onverbeterlijke misdadiger van de Joodse geloof
gemeenschap voet aan wal zette in Lemmer. Wel kwamen er
regelmatig bedelaars en marskramers de stad aan doen.
Begrijpelijk, want door de haven was er veel verkeer.
Normaliter had de grietenij slechts over gebruikelijke zaken
contact met de Joden uit het stadje, of liever de Lemster
Joden zochten contact met de grietenij als hun gemeenschap
in moeilijkheden was. Zo zou het ook wel in de toekomst gaan
meende Robide van der Aa.
Hij had gelijk, met dien
verstande, dat de Lemster Joden eerst in 1837 om hulp
vroegen. Terwijl er toch in de tussenliggende jaren ook zo
het een en ander was voor gekomen. De aaneenschakeling van
ziektes en rampen had de stad geteisterd. Enkele jaren later
was de discussie uitvoerig losgebarsten over de invoering
van stoomschepen in plaats van zeilschepen. De grietenij had
niet gedacht dat een stoomschip de afstand Lemmer-Amsterdam
sneller dan ongeveer 6 uur kon afleggen.
Maar toen bleek dat dat wel
het geval was, betekende het dat de inwoners van Lemmer die
hun bestaan vonden op de zeilboten die de lijnen bedienden
over de Zuiderzee, hun nering in rook zagen vervliegen. In
1825 was er de watervloed geweest, die de stad onder water
had gezet en tallozen dakloos achterliet. Een jaar later was
de Galkoorts uitgebroken. In heel Lemsterland waren er 1325
bij wie de ziekte had toegeslagen, in Lemmer zelf hadden 620
mensen er onder geleden.
Dan brak van tijd tot tijd
hondsdolheid uit. In al die jaren richten de Lemster Joden
zich niet tot hun burgermeester, maar in 1837, toen vrijwel
de gehele gemeente armlastig was geworden, werd door de
grietenij honderd gulden subsidie aan de Joodse gemeente ten
einde hun arme. te onderhouden.
Cholera.
Pas vijftien jaar later
klopten de Joden weer aan bij de burgervaderen. De cholera
die drie jaar eerder, in 1849, had gewoed, had ook onder de
Joden slachtoffers gemaakt. Een jaar later in 1853 zou een
onderzoekscommissie vaststellen dat de cholera zich had
verspreid vanaf de mestvaalt aan de Schans, dicht bij het
armen huis van de diaconie, dezelfde Schans waaraan de
Synagoge lag. De armenzorg was inmiddels geformaliseerd. De
grietenij haalde belasting op voor de armen onder de
verschillende geloofgemeenschappen, die dat daarna weer
verdeelden onder de ongelukkigen.
Zo had men dat jaar 265 gulden
onder de Israëlieten op gehaald en 260 gulden aan hen
gespendeerd. Nee het verzoek aan de grietenij betrof
financiële steun voor het opknappen van de sjoel.
Dat was de sjoel waar men in
1870 Mozes Salomon Springer kon ontvangen. Springer was de
eerste sinds Israël Falk Cohen wiens naam verbonden aan
misdaad in de boeken van de grietenij voor kwam, echter niet
als misdadiger maar als degene die zich zeer van zijn goede
kant had laten zien, door een medeschipbreukeling te redden
in een wel zeer onaangenamen situatie wat was er gebeurd.
Plotseling was er een zeer
zware vorst ingevallen, op 8 februari 1870 waardoor de
zeeboot uit Amsterdam niet meer door het IJs kon komen en in
het zicht van Lemmer bleef liggen. Ondanks de messcherpen
wind uit het Oosten, had de kade vol gestaan met
belangstellenden die de mogelijkheden bespraken. Aan een
volledige bevriezing van het water, van het schip tot aan de
stadswallen. Dat men over het IJs kon lopen viel niet aan te
denken. Doordat de wind het water uit de haven had geslagen,
kon ook het reddingsschip de haven niet verlaten. De enige
mogelijkheid was geweest om nog een nacht te wachten en te
zien of het weer zou om slaan.
Toen dat niet gebeurde en de
schipper van de ongelukkige boot, Ruurd van der wal, een
teken om hulp had gegeven waren de kapiteins van de
nachtbootdienst tot de slotsom gekomen dat er niets anders
over bleef dan met de sloepen erop uit te trekken en hulp te
verlenen.

Ruurd van der wal.
Mozes Salomon Springer
sleurde de schipbreukelingen aan boord.
Dikke George Warcken ging erop
uit om vissers en sjouwers over te halen om met hun man
kracht de reddingsploeg te versterken, het waren onbehouwen
kerels op wie men lang moest inpraten en die uiteindelijk
door de knieën gingen toen Warcken hen beloofde dat hij hen
ruimschoots zou betalen, en zoveel als zij na de redding
verlangden. Zo kon men lezen in de brief die de
burgermeester van Lemsterland. Van Beijma op 11 januari 1870
had verstuurd aan de officier van justitie te Sneek.
Nadat de redders op die manier
ware aangelokt gingen twee schippers over het IJs en door de
wakken met enige manschappen op het stoomschip los, aldus
burgemeester Beijma.
Op de wal had men kunnen
waarnemen dat steeds meer mensen het ijs op gingen blijkbaar
omdat het op het stoomschip niet meer te harden was. Twee
hadden zich al vrij ver van het schip verwijderd en waren
zover afgedwaald dat zij op flinter dun ijs terecht waren
gekomen, waar zij niet met zijn tweeën op durfden te staan.
Aan de wal was men bang dat de
twee zouden verdrinken, want het ijs was zo dun vertelden
Beijma in zijn brief, dat het ieder ogenblik onder hun
voeten brak. Aan teruggaan was niet te denken, want het ijs
was van het ijsveld afgescheurd en zij waren dus op een
ijsschots. Als namen van de twee ongelukkigen gaf Beijma op
die van Mozes Salamon Springer, (venter/milicien,
koopman, geboren op 25-07-1831 te Amsterdam) en Johannes
Verhoef, (geboren op
19-07-1834 zoon van Arie
Klazes Verhoef
en Antje Koopman),varensgezel te Delfstrahuizen.
Een van de sloepen had
onmiddellijk koers gezet en hen ook bereikt. Maar van dat
moment af hadden de sjouwers in de sloep zich schandelijk
misdragen Springer en Verhoef hadden wel de hand mogen slaan
aan boord van het scheepje doch hun redders weigerden hen
aan boort te laten, ze wilden van deze ongelukkigen eerst
vooraf geld en wel een rijksdaalder. Springer wist vlug
genoeg in het schuitje te komen doch moest betalen anders
zouden ze hem er weer uitwerpen. Hij betaalde, ondertussen
zag het er voor Verhoef heel wat minder gunstig uit.
Hij bad en smeekte ja schreide
om hulp toch 'versuijpen' of betalen... betalen kon hij
echter niet, alles was op het schip achter gebleven.
Gelukkig had koopman Springer hem in die hachelijke toestand
niet achter kunnen laten. Hij sleurde hem aan boord en
betaalde voor hem, zo werden beide gered. Nog dertien andere
waren ieder 3 gulden of een Rijksdaalder afgeperst, onder
bedreiging dat zij anders hun redding wel konden vergeten.
De reden waarom de
burgemeester Beijma naar de officier in Sneek schreef was om
uitsluitsel te krijgen over de legaliteit van deze wandaad.
Als zijn eigenmening gaf hij dat het zijns inziens onwettig
was geld te eisen van de schipbreukelingen om dat Wracken de
vissers en sjouwers had beloofd iedere prijs te betalen voor
hun actie. Beijma wilde dit afkeurenswaardige gedrag
straffen om daardoor een voorbeeld te stellen voor anderen
aan de havenplaats. Maar hij wist niet of hij daarin door de
wet werd gesteund. Voor de Joodse gemeenschap waren de
belevenissen van Springer zo op het nippertje gunstig
afgelopen, een gebeuren van ongekend formaat geweest.
Eindelijk eens iets om over te
roddelen zonder dat het over chassenes, rebbes, kawod, en
kapsones ging, alles verdeeld dan eens over de een dan weer
over de ander. Ze hadden Springer alle eer betuigd die er
maar in huis was en in de sjoel aan de Schans was het vol
geweest toen hij daar zijn dank gebeden kwam opzeggen.
De manhigiem (bestuurders) van
de gemeente waren bij elkaar gekomen om te zien of zij op de
een of andere manier Springer schadeloos konden stellen, al
was het maar gedeeltelijk, voor het door de sjouwers
afgetroggelde geld, maar Springer had dat resoluut
afgewezen. Niet nodig, voor hem was de ontvangst in Lemmer
genoeg.
Springer maakte de gemeente
nog mee in haar bloei mee. In 1876 kreeg ze officieel een
begraafplaats op Tacozijl. De grond was hen toe gewezen door
de burgermeester van Tacozijl, Jonkheer van Zwinderen. Maar
ze hadden er al kunnen begraven vanaf 1872. De eerste die er
een graf vond was -Billa Joels Haasma, geweest.
Met synagoge waarvan het
gebouw er nog is, en begraafplaats zou het aantal Joden nog
groeien. Tot 100 in 1877, 106 in 1878 en 138 in 1883. Maar
na 1885 met de drooglegging van de Zuiderzee, was het
definitief verval, thans uit het gezichtspunt van de Joodse
bevolking. Het karakter van Lemmer was daardoor verandert,
geen vissers en havenplaats meer. Dus ook geen
doorgaanshandel. Maar het zou nog tot 1920 duren voor de
uittocht der Joden uit Lemmer begon. Toen kon de synagoge
niet meer gehandhaafd worden en de overgebleven Joden sloten
zich aan bij de Joodse gemeente in Sneek.
De laatste Jood Simon Jacobs
uit Lemmer werd in 1938 op Tacozijl begraven. Hij ligt op
het hogere gedeelte, samen met nog zeven anderen. (Simon
Jacobs werd geboren op 26 oktober 1850 en overleed op 30
september 1938.), met Simon Jacobs die zijn platte kar
door Lemmer duwde om er steengoed koffie en thee te
verkopen, verdwenen bijna de laatste Joden uit Lemmer. Zij
waren al weg voor de Duitsers kwamen.