Smeerlapjen:
zetschippers leverde de gevangen vis, niet aan hun
hangbazen.
Tussen Urk en Schokland ligt
het polderdorp Nagele. Dat Nakala of Naghele heette een
water en een dorp dat voor 1300 tussen Urk en Schokland
heeft gelegen. De Heer Zandstra verteld dat hij wel op Nagel
gevist heeft. Daar lagen allemaal stenen op de bodem van de
zee. Er werd wel gezegd dat daar, een kerkhof geweest was.
Zo tegen het kuitschieten, kwamen daar vroeger veel
haringen, die de harde grond op zochten. De schippers zeiden
vroeger, we gaan de Nagel door, dat wil zeggen men voer
tussen Urk en Schokland, dat deden o.a. de oude Lemmer
nachtboten veel bij storm weer. De boten durfde dan niet te
westen van Urk te varen, want daar stond die rare zware zee.
Smeerlapjen.
Volgens de Heer Zandstra werd
er van maart tot mei op haring gevist en van eind mei tot
juli op ansjovis gevist. Hoe zeewaardiger schip men had hoe
westelijker men de Zuiderzee op voer, op zoek naar vis. Veel
haring bleef in het binnenland, maar de ansjovis was in
Duitsland erg populair en prijzig, Duitse mijnwerkers zouden
op "Glück auf" met een ansjovis in de mond de mijnen in
gaan. Van zijn vader heeft Zandstra gehoord, dat er in 1890
een hele strenge winter was, in dat jaar bracht de ansjovis
5 tot 6 Gulden per 1000 op.
De vis werd opgekocht door de
Lemster rokerijen ( de hang bazen ) zoals de Rook, gebr. de
Jager, Johannes Sterk, (grootvader van Wiro Sterk), Scheffer
en Sjeerp. Volgens Zandstra had de Rook de grootste Rokerij.
En dan dikke Johannes Sterk. De rokers werden hang bazen
genoemd. Vele schippers waren zetschippers bij de rokers. Ze
kregen vaak goed materiaal van de rokers. Er waren ook wel
eens ruzies tussen de zetschippers en de hangbazen. Sommige
vissers gingen smeerlapjen, dat betekende dat ze de gevangen
vis elders verkochten, maar niet bij hun baas. Van die vis
kreeg de hangbaas niets, en dat was binnen natuurlijk.
Het gebeurde wel dat de
politie er aan te pas kwam. Het schip kwam op last van de
hangbaas dan aan de ketting en de schipper moest er van af.
De Rokers hebben het wel goed gedaan, maar ook wel heel
slecht. Ze hebben flinke klappen te verduren gekregen. De
Rokerijen verspreiden soms een houtlucht door de Lemmer, die
het ademhalen bemoeilijkte. Zandstra zegt dat je soms geen
hand voor ogen kon zien, zo'n dikke rook, dat was gezond
zeiden ze in Lemmer. De rokerijen maakte de gerookte haring
beroemd en de Lemster bokking beroemd.
Jagen op zeehonden.
Er heeft wel eens een premie
op zeehonden gestaan. Ze pikten de vissen uit de netten. Was
je aan het binnen halen, dan staken ze je de gek aan met een
vis in de bek. Je kon aan de netten zien of er zeehonden aan
geweest waren. Er zaten dan van die witte vlekjes op het net
en het net was kapot. Mijn vader had een oud geweer
aanboord. Bij hem was Jappie Thijsseling. Met zijn beiden
zouden ze een zeehond schieten. Ze stampten het oude geweer
vol met lood en kruit en plaatsten het geweer op de knier,
aan de haan werd een draad katoen bevestigd. Beiden gingen
voor op het schip zitten, en trokken aan de draad. Klets het
hele geweer was weg en de knier was achter uit de aak.
Lemster loodsen.
Geladen tjalken uit Groningen
werden door loodsen uit Lemmer, als Scheffer, Evert en Koert
de vries, en Evert van Ferdinand, over de Zuiderzee naar
Amsterdam gevaren. Dat kon alleen bij mooi weer, met storm
weer voeren de tjalken niet uit. . Stak onderweg een storm
op... dan gebeurde het wel dat ze een halve week in de
schokker haven lagen te wachten op mooi weer. Loods zijn was
niet zo goed beroep, voor een reis naar Amsterdam kregen ze
5 tot 6 gulden. De zonen namen meestal het beroep van Vader
over.
Ies Boel.
Leeuwke Zandstra weet nog
enkele middenstanders van vroeger op te noemen. Doede
Gaastra was de grootste kruidenier, de Heer Oosten had een
kruidenierszaak in de roggemolen bij de gasfabriek, C. Pé
had een winkel, Piet Waaier had een tabakskerverij, daar
waar booms een scheerwinkel had aan de Prinsessekade, Siemen
Pil en Sieberen Lichthart, hadden een tabaks winkel, Klare
Bosma verkocht 10 sigaren voor een dubbeltje, Ida (van de
Bijl) verkocht Schnaps, Botte verhuurde oude Pramen, Fortuin
had een bakkerij in de schans, Davidson verkocht schaatsen,
kleine David de Jong had een zaak waar later Molenberg in
zat, Benninga had een vetsmelterij (die kon bliksem
hardrijden) Blok was een Joodse veekoopman, Zandbergen had
een melkfabriek (dat was een dik kort kereltje waar we wel
vroegen om kaaskorsten) en dan was er slager Ies Boel. Deze
Joodse slager liep eens met een forse stier door de Lemmer
op weg naar zijn slagerij, Andries van Jelle stond op de
hoek en riep naar de slager Boel Boel Boel, de stier
schrok.. werd door de slager losgelaten en de viervoeter
brulde door de Lemmer een stuk of zes kinderen gingen
onderste boven, sindsdien heet de slager Ies Boel.
Hotels en Herbergen waren er
ook genoeg, Boukje Meijer had een herberg. Wies Nikelma had
een Hotel. Faber zat in 'De Wildeman'. Jentsje Knol had een
Hotel. Evenals van der Hof die had de deftigste. Nu heet het
Hotel de Haas. Door Lemmer ging altijd een belangrijke
vaarroute en daarom was het hebben van een Hotel of Herberg
een lonende zaak. Andries Pippie had een vlooien Hotel in
het Achterom wat bedoeld was voor marskramers.
Vermaak.
Gedanst werd er vaak in de
gebraden Haan welk gebouw nog steeds staat aan het
Tjeukermeer in de nabijheid van de snelweg Emmeloord Joure.
Het pand doet nu dienst als tweede woning. Zo
herinnert Zandstra zich een toneelstuk waarin een oude vrouw
luid huilde.. Sake de Rus, vond dat meer dan genoeg, en
stoof het toneel op om die oude toneel spelende vrouw een
pak rammel te geven. Meteen had hij een paar toneel spelers
achter de broek hangen, en die hebben hem weer van het
podium afgewerkt, hij had een borrel op.