Home  De Lemmer Verhalen, feiten, historie...   Wie zoekt Wie ? Gastenboek Contact Links

Wilt U een pagina (artikel) of een foto,  willen kopiëren voor schoolverslagen - privé gebruik: neem dan even contact op.


De Oerknal tot 115.000 jaar v Chr

 

13,7 miljard jaar v. Chr.- De Oerknal -

Oerknal of Big Bang is de populaire benaming van de kosmologische theorie die beschrijft hoe het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden met een enorme explosie is ontstaan. De term explosie is eigenlijk niet juist. Bij een explosie worden brokstukken materie de ruimte in geslingerd, terwijl bij de oerknal ruimte en tijd ontstonden. De term 'Big Bang' werd voor het eerst door Fred Hoyle in 1950 gebruikt - als een sarcastische aanduiding om zijn afkeer van de theorie tot uitdrukking te brengen.

Onderzoek met de Wilkinson Microwave Anisotropy Probe heeft de leeftijd van het heelal met een nauwkeurigheid van 1 procent op 13,7 miljard jaar weten te bepalen. Voordat de theorie van de Big Bang werd geformuleerd ging men uit van een statisch heelal: een heelal dat er altijd was en altijd zal zijn. Uit de zwaartekrachtwet van Newton volgt echter dat zo'n heelal zou instorten. Newton onderkende dat probleem, maar poogde dat in een briefwisseling met Richard Bentley te weerleggen door te stellen dat als de materie gelijkmatig in een oneindige ruimte verdeeld was er geen middelpunt zou zijn, waar het naar toe zou vallen.

 


13,6 miljard jaar v. Chr. Vorming van het  Melkwegstelsel

In de Orion-arm van het Melkwegstelsel, op 23.000 lichtjaar van het galactische centrum, zweefde geruisloos een reusachtige wolk van gas en stof door de ruimte. Het was inmiddels alweer minstens acht miljard jaar geleden dat het heelal, en alle materie daarin, was ontstaan na een gebeurtenis die de oerknal wordt genoemd. Kort daarna was de materie gaan samenklonteren tot sterren en melkwegstelsels. Het melkwegstelsel was dus al miljarden jaren oud en rijk aan sterren. Reuzensterren en kleinere sterren. Als een reuzenster sterft dan ondergaat hij een supernova-explosie. Zo'n explosie is dermate heftig dat er schokgolven van witheet plasma door naburige gaswolken gaan, waardoor het wankele evenwicht ter plaatse wordt verstoord en er nieuwe materieconcentraties beginnen te ontstaan. In een uithoek van die gaswolk in de Orion-arm van het melkwegstelsel moet 4,6 miljard jaar geleden zo'n schokgolf van een supernova zijn aangekomen. Met een snelheid van meer dan 32 miljoen kilometer per uur werd het gas in de wolk opgezweept. En vrijwel onmiddellijk begon een gasconcentratie samen te trekken en te roteren, al snel overgaand in een wervelende schijf van materiedeeltjes, met in het midden een nieuwe lichtbron: onze zon.

Volgens de achttiende-eeuwse Duitse filosoof Immanuel Kant waren de planeten, net zoals de zon, uit een wolk van gas en stof ontstaan. Hij had sterrenkundigen bovendien horen spreken over platte, grillige patronen van materie die her en der aan de hemel zouden staan. Tegenwoordig weten we dat die patronen gewoon ver afgelegen sterrenstelsels zijn. Maar toen wist men dat nog niet en Kant bracht dus het briljante idee dat planeten op soortgelijke wijze zijn ontstaan: uit een wolk van stof die om de zon draaide.

Maar goed, niet iedereen was er mee eens. Er waren ook andere 'lachwekkende' theorieën. Sommigen beweerden dat de planeten oorspronkelijk door het Melkwegstelsel hadden gezworven en pas later door de zon waren ingevangen. Anderen meenden dat de planeten uit de zon waren getrokken bij een nabij ontmoeting met een voorbijkomende ster! Kant stond met zijn theorie er eigenlijk een beetje buiten, alhoewel hij wel een medestander had, namelijk de Franse wiskundige Pierre Simon de Laplace. "Waarom bewegen alle planeten in dezelfde richting om de zon?" Dat was de vraag die hem bij deze theorie hield.

 

Dit panorama geeft een overzicht van de gehele hemel, zoals vastgelegd bij de Two Micron All-Sky Survey (2MASS). Van een half miljard (!) sterren zijn de helderheden gemeten op drie golflengten in het nabij-infrarood (1,2, 1,6 en 2,2 µm). Met behulp van deze gegevens heeft men de sterren natuurlijk ogende kleuren gegeven. Alle aandacht wordt natuurlijk getrokken door de melkweg – het Melkwegstelsel gezien vanuit onze positie in de schijf. In het midden is de kern of centrale verdikking van het stelsel te zien, dat zich in het sterrenbeeld Boogschutter bevindt. De twee vage vlekjes rechtsonder het melkwegvlak zijn de Kleine en de Grote Magelhaense Wolk, de meest nabije satellietstelsels van het Melkwegstelsel.


 

5 miljard jaar v. Chr. Vorming van de  zon

Een internationaal team van astronomen heeft een uniek infrarood spectra verkregen van het stof in de binnenste gebieden van portoplanetaire schijven rond drie jongen sterren, die zich in een staat bevinden als de zon toen het zonnestelsel in de maak was. Alle drie tonen, dankzij de ongeëvenaarde scherpte en doorzichtbaarheid van de interferometrie, de juiste ingrediënten op de juiste plaats voor de vorming van rotsachtige planeten.

Onze zon is 4,5 miljard jaar geleden geboren uit een koude en massieve wolk van interstellair gas en stof dat onder de eigen zwaartekracht naar elkaar begon te vallen. Een stoffige schijf kwam rond de jonge ster, waarin de aarde en de andere planeten, als wel de kometen en asteroïden werden gevormd. Dat epoche is lang voorbij, maar we kunnen dat zelfde proces nog observeren rond jonge sterren. Tot nu toe waren de instrumenten nog niet geavanceerd genoeg om een studie van de distributie van de componenten van stof in zulke schijven te houden. Nu kan dat wel, dankzij de combinatie van licht van twee verschillende telescopen dankzij VLTI. Dit heeft wetenschappers voor de eerste keer de mogelijkheid gesteld om door het stof heen te kijken en in de binnenste gebieden van schijven rond nabije, jonge sterren te kijken, op de plaats waar planeten zoals onze aarde vormen of zullen vormen.

De nieuwe interferometrie observaties van drie jonge sterren door een internationaal team, heeft een hoeksresolutie van 0,02 boogseconden, geproduceerd door twee 8.2 meter VLT telescopen die honderd meter uit elkaar staan.

Het is al langer bekend dat de stof in schijven rond jonge sterren gemaakt is uit silicaten. In de geboortewolk zijn de atomen en moleculen die deze stof vormen erg chaotisch bij elkaar gezet. Ze zijn dan ongeveer 0,0001 mm in grootte. Bij de jonge sterren waar de temperatuur en de dichtheid het hoogste zijn, blijken de stofdeeltjes bij elkaar te blijven en groter te worden. De stof wordt ook verhit door de stellaire radiatie, en dit zorgt ervoor dat de moleculen in de stofdeeltjes zich herordenen in geometrische (kristal vormige) patronen. Deze grotere en stevigere deeltjes zijn de bouwstenen voor een zonnestelsel. Verder naar buiten in de stofwolk zijn minder stevige, "pristine" deeltjes. Vlakbij de ster zijn de stevigste, de "geprocesseerde" deeltjes.

Deze observaties hebben ook implicaties voor de studie van kometen. Sommige en misschien wel alle kometen in het zonnestelsel bevatten beiden pristine en geprocesseerde stofdeeltjes. Kometen werden zeker op een grote afstand gevormd van de zon, in de buitenste gebieden van het zonnestelsel. Daardoor is het nog niet duidelijk hoe geprocesseerde deeltjes in de kometen zijn gekomen. In een theorie wordt geprocesseerde stof getransporteerd naar buiten door turbulentie in de stofschijf. Dit is de meest aanneembare theorie. Anderen doelen op schokgolven vanaf de zon, bliksem in de stofwolken of botsingen tussen deeltjes. Als deze theorie juist is, zijn de lange periode kometen die uit de uiterste gebieden komen echte pristine lichamen. Studie van zulke kometen zal dus meer duidelijkheid geven over de vorming van het zonnestelsel.

 

Een foto van de zon, waarop de protuberansen zichtbaar zijn.


 

4,6 miljard jaar v. Chr. Vorming van het Zonnestelsel

Ons zonnestelsel bestaat uit de zon, een klasse G2 ster met een diameter van 1,39 miljoen kilometer. De zon neemt 99,86% van de massa in het zonnestelsel voor zijn rekening. Traditioneel bevatte ons zonnestelsel negen planeten, maar naar aanleiding van recente ontdekkingen en inzichten was het noodzakelijk dit aantal aan te passen. In de jaren '90 werd ontdekt dat Pluto geen planeet op zich is, maar slechts één van een klasse van vele soortgelijke objecten in de Kuipergordel. Naarmate steeds grotere objecten ontdekt werden, zoals Quaoar en Varuna kwam het klassieke aantal van negen planeten onder druk te staan en met de ontdekking van de nog veel grotere Eris werd deze onhoudbaar. Volgens de nieuwe definitie zijn dit geen planeten en telt ons zonnestelsel slechts acht planeten.

Op dit moment bevinden we ons in een overgangsperiode en zult u nog veel informatie aantreffen die de klassieke 9 planeten behandelt.

Een ezelsbruggetje om de juiste volgorde van de (klassieke) planeten te onthouden is de volgende zin: "Maak Van Acht Meter Japanse Stof Uw Nieuwe Pyjama,"of "Mickey Vraagt Aan Minnie Joh, Smaken Uien Naar Pannenkoeken?" Of: "Mijn Vader At Meestal Jonge Spruitjes Uit Nieuwe Pekela". De beginletter van elk woord is de beginletter van de naam van een planeet. Sinds Pluto geen planeet meer is, zou "Mijn Vader At Meestal Jonge Sinaasappels Uit Nicaragua" of "Maak Van Acht Meter Japanse Stof Uw Nachthemd" een nieuwe zin kunnen zijn.

Tussen Mars en Jupiter ligt een band met planetoïden, de planetoïdengordel. Voorbij Pluto bevindt zich ook een wolk met kleinere hemellichamen, de Kuipergordel. De discussie over het planetenaantal in het zonnestelsel is op gang gebracht door deze Kuipergordel. Wetenschappers raken er de laatste jaren namelijk van overtuigd dat Pluto een object is dat tot de Kuipergordel behoort. Er was dus behoefte aan een definitie van wat een planeet is en als voorbereiding op de 26e algemene vergadering van de IAU in augustus 2006 is een commissie opgericht die zich over deze vraag gebogen heeft. Eén van de voorstellen zou het aantal planeten verhogen tot 12. De objecten Ceres, Eris en Charon draaien immers rond de zon en zijn groot en zwaar genoeg zijn om onder hun eigen zwaartekracht een bolvorm aan te nemen. In een ander voorstel bleef Pluto planeet, maar zouden andere kandidaat-planeten onherroepelijk planetoïden blijven. In het definitieve voorstel verliest Pluto zijn status als planeet, en wordt een dwergplaneet, zoals andere objecten kleiner dan Mercurius die wel door de eigen zwaartekracht bolvormig zijn geworden.

De buitenste ring van ons zonnestelsel wordt gevormd door de Oortwolk. Dit is een vooralsnog hypothetische wolk van ijsachtige objecten die de bron zou zijn van de kometen die door het zonnestelsel bewegen. Wellicht is Sedna het eerst waargenomen object in deze wolk.

 

Foto van het spiraalvormige melkwegstelsel


 

4.5 miljard jaar v. Chr. Vorming van de aarde

Tijdens het samenklonteren van de planeet komen brokstukken regelmatig met elkaar in botsing, waarbij veel hitte vrijkomt. Als gevolg van kernreacties en continu inslaande meteorieten wordt de temperatuur hoger en uiteindelijk smelt de jonge planeet. Zware elementen zoals ijzer en nikkel zinken naar het middelpunt en lichtere materialen zoals silicium, aluminium en magnesium komen bovendrijven. Het duurt zo'n 100 miljoen jaar voordat deze materie een vaste massa begint te vormen. Het Aardoppervlak koelt af en de aardkorst wordt gevormd. Als gevolg van vulkaanuitbarstingen vormen grote hoeveelheden vrijgekomen gassen van eenvoudige moleculen de eerste atmosfeer. Hieruit condenseert water dat samen met het gesmolten ijs van ingeslagen kometen de eerste zeeën vormt. Deze periode duurt van 4,6 tot 3,8 miljard jaar geleden en staat bekend als het Hadeïcum. In deze "oersoep" vormen zich, uit anorganische stoffen onder invloed van bliksem en kosmische straling, de eerste organische materialen zoals aminozuren en nucleotiden, welke later uitgroeien tot eiwitten en RNA, de bouwstoffen voor leven.

3,8 miljard jaar geleden ontstaan vlak onder het oppervlak van de oceaan de eerste levensvormen. Tussen 1,6 miljard en 600 miljoen jaar geleden ontwikkelen zich de eerste meercellige organismen. In de daaropvolgende 450 miljoen jaar ontstaan en verdwijnen als gevolg van platentektoniek meerdere oercontinenten. 225 miljoen jaar geleden vormt alle landmassa één geheel (Pangaea). Rond 200 miljoen jaar geleden treedt er rifting op waarbij tussen het noordelijke deel Laurazië en het zuidelijke Gondwanaland een zee ontstaat. Dit proces blijft doorgaan en rond 135 miljoen jaar geleden beginnen de continenten langzaamaan hun huidige vorm aan te nemen. Het is de tijd dat het land wordt bevolkt door de dinosaurussen, waar zo'n 65 miljoen jaar terug abrupt een eind aan komt, waarschijnlijk als gevolg van een meteorietinslag in de buurt van het huidige Chicxulub.

 

Ware kleuren foto van flets blauwe melkwegstelsels


 

280 - 225 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak Perm

Opkomst reptielen en moderne insekten. IJstijd op het zuidelijk halfrond. Vanaf deze periode dreef het Pangea, het grote supercontinent, langzaam uiteen tot onze huidige werelddelen. Massale uitroeing van 95% van alle leven op aarde aan het einde van het Perm.

Men is veel te weten gekomen over het klimaat zoals dat tijdens het Perm geheerst moet hebben op basis van onderzoek naar gesteenten en fossielen. Op veel plaatsen over de gehele oppervlakte van Gondwana zijn tillieten gevonden. Een tilliet is een verhard morene-sediment. Het vóórkomen van tillieten wijst waarschijnlijk op een bestaande bedekking met gletsjers. Op andere plaatsen zijn afwisselend tillieten en interglaciale afzettingen gevonden. In het oosten van het hedendaagse Zuid-Amerika zijn er sporen achtergelaten door het ijs in het Perm. Deze sporen lopen van oost naar west, wat er op zou wijzen dat er beweging van het ijs op Gondwana, destijds situerend rond de polen, heeft plaatsgevonden.

Bekende dieren uit het Perm

Dimetrodon, Diplocaulus, Edaphosaurus, Eryops, Estemmenosuchus, Inostrancevia en de Mesosaurus

 

 


 

225 - 195 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak Trias

 

Het Trias is een geologisch tijdvak dat duurde van 251,0 tot 199,6 miljoen jaar (Ma) geleden. De periode, het vroegste tijdvak van het era Mesozoïcum, wordt in West-Europa onderverdeeld in de volgende subperiodes:
  • Keuper (228 - 199,6 Ma)
  • Muschelkalk (237 - 228 Ma)
  • Buntsandstein (251 - 237 Ma)

Fauna

Het Trias werd ingeleid door de Perm-Trias massa-extinctie; het uitsterven van meer dan driekwart van alle diersoorten die leefden aan het eind van het Perm. Aan het begin van het Trias was de biodiversiteit dan ook extreem laag, wat nieuwe diersoorten echter de kans gaf zich te ontwikkelen. In dit tijdperk verschenen de eerste dinosauriërs, pterosaurussen, ichthyosaurussen, zoogdieren en volgens sommigen ook de eerste vogels (zie: Protoavis). Aan het eind van het Trias werd de Aarde getroffen door een meteoriet. De inslag zorgde voor het uitsterven van enkele groepen, zoals alle Therapsiden, behalve de cynodonten, en enkele groepen thecodonten. Deze inslag had echter lang niet zulke dramatische gevolgen als de inslagen aan het einde van het Perm en het Krijt.

Bekende dieren uit het Trias

Coelophysis, Cynognathus, Eoraptor, Euparkeria, Herrerasaurus, Lystrosaurus, Megazostrodon, Placerias, Plateosaurus, Postosuchus, Protoavis en de Staurikosaurus

 

De wereld die de Dinosauriërs in de Trias had voor de inslag


195 - 136 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak Jura

Bloeiperiode ammonieten, belemoieten en grote reptielen. Eerste (oer)vogel.

Het geologisch tijdvak Jura is een periode van het era Mesozoïcum dat duurde van ongeveer 199,6 tot 145,5 miljoen jaar geleden (Ma) en wordt onderverdeeld in de subperiodes:

Vroeg Jura of Lias (199,6 - 175,6 Ma)

Midden Jura of Dogger (175,6 - 161,2 Ma)

Laat Jura of Malm (161,2 - 145,5 Ma)

Naamgeving

Het tijdvak Jura is genoemd naar het gelijknamige gebergte in Zwitserland, de Jura.

West-Europa

In Nederland komt het Lias slechts bij Winterswijk in enkele beekbeddingen aan de oppervlakte. In Zuid-België komen Lias en Dogger aan de oppervlakte aan de oostrand van het Parijse bekken.

Flora en fauna

Veel Jurassische gesteenten zijn rijk aan planten- en dierenfossielen. De plantenwereld was goed ontwikkeld met nieuwe groepen van varens en naaktzadigen. De dierenwereld werd beheerst door reptielen (dinosauriërs); zij bevolkten in uiteenlopende vormen en afmetingen zowel land, zee als luchtruim. Beroemd is Archaeopteryx, de 'oervogel', die mogelijk een schakel vormt tussen reptielen en moderne vogels.

Bekende dieren uit de Jura

Allosaurus, Ammoniet, Apatosaurus, Archaeopteryx, Brachiosaurus, Ceratosaurus, Diplodocus, Dilophosaurus, Eustreptospondylus, Fruitafossor Hybodus, Ichthyosaurus, Liopleurodon, Marsupialia, Megalosaurus, Ornitholestes, Plesiosaurus, Rhamphorhynchus, Seismosaurus, Stegosaurus en de Ultrasaurus

 

Marsupialia (buideldieren) 

 


136 - 65 miljoen v. Chr.  Geologisch tijdvak Krijt

Tijdens het Laat-Krijt is de temperatuur daar altijd boven het vriespunt gebleven. De gemiddelde jaartemperatuur moet toen min. 14° C hebben bedragen en tijdens de koudste maanden moet het er niet kouder zijn geweest dan ca. 5° C boven nul, terwijl het tijdens de zomermaanden zo’n 35 á 40° C was. 

De hoge temperatuur in het Noordpoolgebied wordt toegeschreven aan een broeikaseffect, veroorzaakt door een periode van sterke vulkaanactiviteit. De poolkappen kenden in die periode dan ook geen ijskappen, maar bestonden uit open water en weelderige bossen.  Een fossiel gevonden van een grote Ammoniet, gevonden in het Zuidpoolgebied (nu in Pools bezit) is een fraai bewijs voor het broeikaseffect in deze periode.

De laatste periode van het Krijt werd anderhalve eeuw geleden door de Belgische geoloog André Dumont het Maastrichtien genoemd. Dumont was geïnteresseerd in de opbouw van aardlagen en constateerde in de mergelrijke omgeving van de Limburgse hoofdstad opvallende afwijkingen in het systeem van afzettingen. Europa was in die periode een verzameling eilanden. 

Tussen 80 en 70 miljoen jaar geleden namen de onderlinge verschillen tussen de Zoogdieren enorm toe, doordat zij zich gingen aanpassen aan hun functie in de natuur en op hun eigen wijze hun voedselprobleem oplosten In het Laat-Krijt ontwikkelden zich uit de Laurasiatheria de Hoefdieren, de Insectivoren (Egels, Mollen en Spitsmuizen) en uit de Eurarchontoglires de Vroegste primaten. 

Van de eencellige Foraminiferen tot de Ammonieten en Belemmieten. Ook alle zeereptielen (waaronder de Mosasaurus), de vliegende reptielen (Pterosauriërs) en de Gevederde Dinosauriërs verdwenen.  Op het vasteland overleefde geen enkel dier dat meer dan 25 kg woog: Het tijdperk van de reusachtige Sauriërs was definitief voorbij. Dit massale uitsterven markeert het einde van het Krijt. Hun plaats werd ingenomen door de Zoogdieren. De grens tussen Krijt en Tertiair is wereldwijd zichtbaar als een duidelijke kleilaag. Ook in Zuid-Limburg is die laag gevonden.

 

De oceanen waren tijdens het Krijt voor veel dieren een gevaarlijke plaats. Boven: de reusachtige Xiphactinus audax. Deze vis verorberde zijn prooi in één enkele hap. Ook de Squalicorax was een gevaarlijke roofvis. Overblijfselen van deze haaiensoort zijn gevonden in Maastricht, maar ook in Oman en New Yersey.


 

65 - 53 miljoen v. Chr.. Geologisch tijdvak Paleoceen

Belangrijke periodes in het Cenozoïcum waren het Paleoceen (65 tot 55 miljoen jaar geleden) en het Eoceen (55 tot 34 miljoen jaar geleden). In het Paleoceen, de periode die op het Krijt volgt, was er een eerste radiatie van eerder vreemde, archaïsche soorten, die snel uitstierven. Maar van de huidige egels en andere insectivoren vinden we hier al voorouders terug!

Aan het begin van het Eoceen verschijnen de eerste echt bekende zoogdiergroepen, zoals de onevenhoevigen (zoals primitieve paardjes), de evenhoevigen (zoals primitieve runderen), de walvissen, de knaagdieren, de vleermuizen en de eerste primaten (zoals Teilhardina belgica). De voorlopers van de moderne carnivoren (zoals Mesonyx) komen pas op het einde van het Eoceen tot bloei.

De plotse opkomst en bloei van deze nieuwe groepen is opmerkelijk, en wordt vaak gebruikt als één van de belangrijkste kenmerken van de overgang van het Paleoceen naar het Eoceen. Toch is er nog weinig bekend over deze gebeurtenissen: Waar en wanneer ontstonden deze dieren? En uit welke groep? Dat zijn enkele van de vragen waarover ons expeditieteam zich in China zal buigen.

 

Afbeelding van een vleermuis uit het Paleoceen


 

53 - 37 miljoen v. Chr.  Geologisch tijdvak  Eoceen

Het geologisch tijdvak Eoceen (eos = oud) is een subperiode van de Cenozoïsche periode Paleogeen. De wereldwijde temperatuur was gedaald, en er had zich ijs gevormd op Antarctica. De oceaanstromingen raakten verzadigd met het koude zeewater van de Zuidpool, en beïnvloedden op hun beurt het klimaat. Deze klimaatsverandering werd vormgegeven door een globale El Niño die leidde tot een extinctie van 20% van de plant- en diersoorten.

Flora en fauna

Dit was de grootste extinctie sinds de K-T overgang, tijdens welke 70% van het leven uitstierf, waaronder de dinosauriërs. Door de klimaatsveranderingen werden de regenwouden kleiner, waardoor de zoogdier op de pampa's konden gaan leven. Hier werden ze groter en sterker en konden de vleesetende Creodonta en Carnivora het van de vogels overnemen. In het Eoceen verschenen de echte apen en slurfdieren en begonnen de Carnivora zich verder te ontwikkelen. Veel van de families van de knaagdieren en vleermuizen zijn in het Eoceen ontstaan. Ook verscheen het allereerste gras.

Bekende dieren uit het Eoceen

Andrewsarchus, Apidium, Arsinoitherium, Basilosaurus, Batodonoides, Brontotherium, Diacodexis, Dorudon Gondwanatheria, Moeritherium, Nimravidae, Notharctus, Patriofelis, Sarkastodon en de Tingamarra

 

Fytoliet van een palm uit het ecoceen, opaal uit planten kan vroeger milieu helpen reconstrueren

Veel vaatplanten bevatten fytolieten. Dat zijn microscopisch kleine (1-150 micron) deeltjes van opaal, die ontstaan als silicium - in de vorm van een zuur - met het grondwater door een plant wordt opgezogen, en daar neerslaat in ruimten binnen en tussen de afzonderlijke cellen. Daardoor geven fytolieten, zij het in sterk wisselende nauwkeurigheid, een beeld van de vorm van de cel waarin of waaromheen ze zijn gevormd. Daarnaast kunnen opaaldeeltjes waarvan de vorm niet samenhangt met die van de 'moedercel' neerslaan in daartoe gespecialiseerde cellen. Beide typen fytolieten vertonen kenmerken die, ook weer in verschillende mate, afhangen van de soort plant. Als de planten afsterven, komen de opaaldeeltjes in de bodem terecht; ze vormen in principe - net als pollen - een weergave van de regionale vegetatie.


 

37 - 22 miljoen v. Chr.  Geologisch tijdvak Oligoceen

Het geologisch tijdvak Oligoceen is de jongste/bovenste subperiode van de periode Paleogeen, dat duurde van 33,9 tot 23,03 Ma. Het komt na het Eoceen en na/op het Oligoceen komt het Neogene Mioceen.

Flora en fauna

In het Oligoceen herstelde de flora en fauna zich van de massa-extinctie aan het einde van het Eoceen. Het klimaat begon te lijken op dat van nu. De Creodonta hadden al zware klappen gekregen tijdens de extinctie en kregen nu de groeiende concurrentie van de Carnivora te verduren. In het Oligoceen ontwikkelden de paarden zich verder en ontstonden de haasachtigen. De neushoorns ontwikkelden enkele zeer grote soorten. De allereerste hominiden ontstonden in Afrika.

Bekende dieren uit het Oligoceen

Aegyptopithecus, Arsinoitherium, Beerhond, Brontotherium, Chalicotherium, Entelodont, Hyaenodon, Nimravidae en de  Paraceratherium

In het Oligoceen was de wereld weer een beetje tot rust gekomen van de klimaatschaos. De oude soorten die zich niet aan de klimaatsverandering hadden kunnen aanpassen waren uitgestorven, en de nieuwe soorten begonnen zich te handhaven in een nieuwe wereld van open vlaktes. Tijdens het Oligoceen heersten de dieren voor wie grote belangrijk was. Nog steeds leefden de Brontotheren, en zij hadden gezelschap gekregen van Indricotheren, Chalicotheren en neushoorns. De roofdieren waren Mesonychiden en Creodonten, en ook zij hadden enorme groottes bereikt. En niet te vergeten de Entelodonten, de enorme aaseters.
Voor al deze dieren was het goed om groot te zijn. Niet alleen konden ze zich dan beter verdedigen tegen rovers, of konden de rovers juist beter hun prooi grijpen, ze konden ook langer zonder water of voedsel in barre tijden. Bijvoorbeeld in het droge seizoen.
Tijdens het Oligoceen stierven de multituberculata uit, een oude groep zoogdieren die uit het Krijt stamden.
Voordat we in het heden aankomen stonden er nog twee grote gebeurtenissen te wachten; de ijstijden en het ontstaan van het gras. Gras kunnen we tegenwoordig niet meer uit ons leven wegdenken, maar het is feitelijk iets van de laatste miljoenen jaren. Gras fossiliseert niet zo goed, maar we denken dat de eerste grassen ontstonden ergens in het Oligoceen, 25 miljoen jaar geleden. In dat prille begin waren er nog niet veel dieren die zich met gras voeden. Gras is nou niet bepaald het voedzaamste en goed verteerbaar voedsel, bovendien kwam het nog niet zo veel voor toendertijd en de dieren hadden nog geen tijd gehad om zich er aan aan te passen. Maar het zou niet lang meer duren voordat dat gebeurde.

Chalicotherium


22 - 7 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak Mioceen

Bekende dieren uit het Mioceen

Dromornis, Megalodon, Odobenocetops, Phiomia, Megistotherium, Ramapithecus en de Sahelanthropus tchadensis

 

Sahelanthropus tchadensis

 

Bruinkoolvorming en planteneters (herbivoren).Gedurende het Mioceen, zo'n 20 miljoen jaar geleden, kwam Afrika steeds dichter bij Europa te liggen, waardoor de Thetyszee tussen deze continenten steeds smaller werd. Italië, dat ooit deel uitmaakte van Gondwana brak los en werd tegen Europa aangeduwd waardoor de Alpen verder werden opgestuwd. Vroeg in het Mioceen kwam er een einde aan Afrika's langdurige isolement, toen het continent zich, evenals Arabië, samenvoegde met Eurazië en er allerlei diersoorten het continent binnenkwamen die door ons altijd als inheems Afrikaans zijn beschouwd.

Het Mioceen was een rustige tijd voor de aarde. Weliswaar was het ontstaan van gras een enorme revolutie, maar er vonden geen rampen of kolossale klimaatsveranderingen plaats. In het Oligoceen waren de eerste graseters ontstaan. Dit waren er niet zo veel, en het waren maar kleine dieren, de Hazen bijvoorbeeld. Maar deze kleine verandering zette een kettingreactie in gang. De nieuwe graseters - de voorouders van de Antilopen - waren snelle kuddedieren, veel Hoefdieren die vroeger in het bos leefden hadden stevige poten ontwikkeld om het gras overal te volgen waar het opkwam. In het Mioceen stierven de bladeters uit en werden vervangen door graseters. De grote, robuuste jagers zoals de Mesonychiden (Adrewsarchus) en Creodonten (groep primitieve roofdieren uit het vroeg Eoceen, waartoe de Hyaenodon  behoorde), die zich met de bladeters voeden verdwenen ook.  India dreef tegen het zuiden van Azië aan waardoor het Himalaya gebergte werd gevormd.

In deze nieuwe wereld ging het om snelheid en bewegelijkheid. Om de snelle hoefdieren achterna te gaan ontstonden een nieuwe groep van snelle, slanke roofdieren: de Carnivora. Dit is de groep roofdieren die we nu kennen, de beren, katten en wolven zijn allemaal Carnivora. Tijdens het Eoceen waren de Carnivora kleine roofdieren die in bomen leefden. Ook voor de dieren die geen gras aten, of op de graseters jaagden had deze groene revolutie consequenties.

In het Laat-Mioceen ontstonden de eerste Mensapen. Apen waren van oorsprong bomenklimmende dieren, maar in het Mioceen maakten de bossen plaats voor graslanden, en de apen die niet wegtrokken op zoek naar overgebleven woud rond de evenaar moesten zich aanpassen in een wereld waar ze meer tijd op de grond doorbrachten. In het Mioceen waren de veranderingen nog maar klein, De mensapen brachten nog steeds het grootste deel van hun tijd in de bomen door. Pas later zouden ze zich echt op de grond gaan thuis voelen, wat resulteerden in de Hominiden, de rechtoplopende apen.

rechts: Het geslacht Dryopithecinae, dat ca. 18 miljoen jaar geleden ontstond staat dicht bij de de gorilla en de chimpansee. Het geslacht speelde in het Midden-Mioceen (ca. 16 - 12 miljoen jaar geleden) een grote rol in Indië en Afrika. Ook kwamen de Dryopithecinae voor in Europa.

Eerst kwamen de voorouders van de Antilopen, de Katachtigen, de Giraffen en de Neushoorns. Bijna elk die dat nu over de Serengeti zwerft, is een relatieve nieuwkomer. Afrika gaf in ruil daarvoor ook wat terug. De apen koloniseerden Eurazië en gedijden er goed. Olifanten en hun verwanten verspreidden zich over de gehele wereld, tot in het zuidelijkste puntje van Patagonië.

Aan het begin van het langdurige Mioceen was er opnieuw sprake van een ingrijpende klimaatverandering. De aarde warmde weer op en er waren seizoengebonden klimaatpatronen ontstaan. In veel gebieden op hogere breedten maakte het woud geleidelijk plaats voor grasland en savanne. Gras is rus, vandaar dat sommige zoogdieren een nieuwe tandformule ontwikkelden. Zo kregen paarden sterk aangepaste kiezen voor het eten van gras.  In 2000 werden in Venezuela de restanten gevonden van een uitgestorven reuzencavia die de afmetingen had van een koe en meer dan 700 kg moet hebben gewogen. Daarmee was het dier, Phoberomys pattersoni genaamd, ruim tien keer zo zwaar als het grootste moderne knaagdier, de capibara. De onderzoekers groeven een nagenoeg compleet skelet en een gave schedel van het dier op uit de sedimenten van de Urumaco-formatie in een gebied, 400 km ten westen van de hoofdstad Caracas. Tot voor kort waren er slechts tand- en botfragmenten gevonden, maar met deze nieuwe vondst is voor het eerst een betrouwbare schatting van de omvang van het dier mogelijk. Het dier leefde tijdens het late Mioceen, 8 miljoen jaar geleden, had  relatief fragiele voorpoten, maar zeer robuust uitgevoerde achterpoten. 

Uit de dikte van die laatste beenderen berekenden de wetenschappers het gewicht van de Phoberomys pattersoni Bij een schatting op basis van de voorpoten zou de reuzencavia uitkomen op een gewicht van 436 kg. Maar omdat de gewichtsschattingen op basis van de achterpoten over het algemeen het betrouwbaarst zijn, meenden de onderzoekers toch daarvoor te moeten kiezen en kwamen zij uit op 741 kg. Uit analyse van het gebit blijkt dat de reuzencavia een grazer was, die zich voedde met grassen in moerassen en lagunes. Het dier leefden waarschijnlijk deels in het water en deels op het land, net als zijn modernere en veel kleinere neef, de capibara. De reuzencavia had een lange staart, kennelijk om zijn evenwicht  te bewaren. Het dier stond recht op zijn poten en moet op een afstand meer op een grazende koe hebben geleken, dan op een uitvergrote cavia. 

Aan het eind van het Mioceen veranderden de geologische en klimatologische omstandigheden voor de zoogdieren opnieuw. De aarde werd nu nog kouder en droger. In de Poolgebieden vormden zich dikke ijskappen, de Sahara nam geleidelijk bezit van Noord-Afrika. Een groot deel van het continent veranderde in een savanne.

Het zeeniveau daalde en er ontstonden landbruggen  tussen Europa en Azië. Het klimaat werd voortdurend kouder. In Europa en Azië ontstonden grote grasvlakten. 

Het veranderende klimaat leidde ertoe dat het verspreidingsgebied van de Primaten zich beperkte tot de equatoriale zone. De resterende mensapen werden groter en sterker gespecialiseerd. Aan het eind van het Mioceen ontstonden de Hominiden, de rechtoplopende apen en onze voorouders.
Eigenlijk was het voor alle primaten een goede tijd, behalve de Hominiden leefden er ook veel andere mensapen zoals de Gigantopithecus en de Ramapithecus. De Hominiden ontwikkelden hun rechtopgaande gang omdat dit efficiënter was in een savanne. In het open terrein is het als aap beter om op twee dan op vier benen te lopen.

 

Skelet van Archaeohippus, een paard uit het Mioceen van Florida
 


7 - 2 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak Plioceen

Het geologisch tijdvak Plioceen is de jongste/bovenste subperiode van het in verouderde indelingen gebruikte sub-era Tertiair, dat duurde van 5,332 tot 2,588 Ma.

Flora en fauna

In het Plioceen leek de natuur al veel op die van tegenwoordig; er waren veel dieren die nu nog steeds bestaan- neushoorns, stekelvarkens, leeuwen, luipaarden, otters, gieren en zebra's. Echter, er waren ook nog hominiden, sabeltandkatten, schaarse looproofvogels en mastodonten. Aan het einde van het Plioceen begonnen de ijstijden van het Pleistoceen.

Bekende dieren uit het Plioceen

Australopithecus, Deinotherium, Gigantopithecus, Dinofelis  en de Ankylotherium

 

Het verloop van de kuslijnen in zuidelijk Nederland tijdens het Mioceen en het Plioceen. Tevens is de grootste verbreiding van het Miocene bruinkoolgebied aangegeven


3.400.000 v. Chr Geologisch tijdvak Late plioceen

In het onder Plioceen van India, Pakistan en Kenia zijn fossiele kaakfragmenten en kiezen gevonden van de eerste hominide, Ramapithecus, dit dier (of mens) vormde een zijtak van de dryopithecinen (bospapen).

In acht miljoen jaar jongere afzettingen komen de eerste fossielen van mensachtige voor. In die periode leefden er vier hominide soorten waarvan twee soorten Australopithicus, een late vorm van Ramapithecus en de vroegste vertegenwoordiger van het geslacht Homo waartoe de moderne mens wordt gerekend

Ramapithecus


1.720.000 v. Chr. Geologisch tijdvak vroeg pleistoceen

Het Vroeg-Pleistoceen

In de klassieke Noord-Europese Kwartairstratigrafie omvat het Vroeg-Pleistoceen de etages Pretiglien, Tiglien, Eburonien, Waalien, Menapien en Bavelien. Het Vroeg-Pleistoceen duurde ongeveer 1,75 miljoen jaar. Het Pretiglien- 2,6 tot 2,45 miljoen jaar geleden

Op het noordelijk halfrond beginnen zich omstreeks 2,5 miljoen jaar geleden tijdens het Pretiglien tamelijk grote landijskappen te ontwikkelen. IJsbergen laten tot vrij ver zuidelijk puin achter op de bodem van de Atlantische Oceaan. De zeespiegelstand beweegt gedurende het Pretiglien tot drie keer toe minimaal 50 meter op en neer. De invloed van kouder water vanuit het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan neemt toe. Warmteminnende loofbomen en subtropische Tertiaire flora-elementen zijn geheel uit de vegetatie verdwenen. De opheffing langs de randen van het Noordzeebekken, die in het Laat-Mioceen begint, zet door in het Pretiglien. Behalve het zuidoosten en oosten maakt het grootste deel van ons land gedurende het Pretiglien nog deel uit van de Noordzee.

Het Tiglien - 2,45 tot 1,8 miljoen jaar geleden

De naam Tiglien is afgeleid van de Noord-Limburgse plaats Tegelen. In de kleigroeven in de directe omgeving van deze plaats zijn in het begin van de twintigste eeuw fossielen van opmerkelijke zoogdieren gevonden. Het begin van het Tiglien is duidelijk veel warmer dan het voorafgaande Pretiglien. Uit het laatste deel van het Tiglien, ongeveer 1,9 miljoen jaar geleden, zijn aanwijzingen voor extreme koude aangetroffen. In de bovenkant van de kleilagen bij Tegelen komen namelijk resten van vorstwiggen voor, die wijzen op toendra-achtige omstandigheden met een permafrostbodem. Tegen het einde van het Tiglien ligt de kustlijn bijna geheel ten westen en noordwesten van de huidige kust.

 

Flora en fauna in de omgeving van Tegelen tijdens het Tiglien zoals gereconstrueerd op het in 1978 door B.F.M. Collet vervaardigde schilderij. Het geeft een indruk van de weelderige vegetatie rond een verlaten en dichtgroeiende rivierarm


730.000 v. Chr. Geologisch tijdvak midden pleistoceen

Droogte en vegetatie in grote delen van Afrika hangen af van de oppervlaktetemperatuur van het water van de tropische Atlantische Oceaan. Dit concluderen paletklimatologen en geochemici van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) in een artikel in Nature van 27 maart 2003.

Een gevoelige balans tussen verdamping en neerslag bepaalt de luchtvochtigheid boven de tropische Atlantische Oceaan en in grote delen van (sub)tropisch Afrika. Veranderingen in die balans kunnen leiden tot inkrimpen van regenwouden en uitbreiding van savannes en woestijnen. Dr. Enno Schefuß bestudeerde deze veranderingen voor het midden-Pleistoceen (1.300.000 tot 400.000 jaar geleden).

Hij ontdekte dat in deze periode de oppervlaktetemperatuur van het zeewater in de tropische Atlantische Oceaan een grote invloed had op de hoeveelheid neerslag in Afrika.

In het midden-Pleistoceen zijn de grote ijskappen op het noordelijk halfrond ontstaan. Diepzeeboringen in het Angola Bekken voor de westkust van Afrika onthullen het klimaat in Afrika en in de tropische Atlantische Oceaan in deze periode. De onderzoekers hebben in een door NWO gefinancierd project landplantwassen uit een diepzeekern geanalyseerd. De was die normaal de bladeren van planten bedekt, wordt door regen, wind of zandstormen makkelijk verwijderd. Stof in de lucht vervoert deze plantenwassen vervolgens naar de tropische Atlantische Oceaan. De diepzeekern bevat bovendien informatie over de oude oceaan zelf, zoals temperatuurschommelingen aan het zeeoppervlak.

Gedurende het midden-Pleistoceen waren de overgangen van regenwoud naar grasland nauw gekoppeld aan veranderingen van de temperaturen van het zeewateroppervlak in het Angola Bekken. De tropische vegetatie gedroeg zich echter onafhankelijk van andere klimaatsveranderingen, zoals de opbouw van de ijskappen op het noordelijk halfrond. De neerslaghoeveelheid in Afrika en daarmee de aard van de vegetatie is dus voornamelijk gevoelig voor temperatuurschommelingen in het Atlantische warmwaterreservoir. Afkoeling van de tropische Atlantische Oceaan leidt uiteindelijk tot droogte in Afrika. Deze bevinding wordt door recente klimaatmodellen en meteorologische observaties ondersteund.

De sabeltand tijger leefde in Europa nog in het Laat-Pleistoceen
Het bewijs komt van de bodem van de Noordzee


600.000 v. Chr. Geologisch tijdvak mammoeten

Mammoeten (Mammuthus) zijn een geslacht van uitgestorven olifantachtigen.

Verschillende soorten

Er hebben verschillende soorten mammoeten bestaan. Het zijn waarschijnlijk afstammelingen van een gezamenlijke voorouder. Doordat ze verschillende leefwijzen hadden konden ze naast elkaar bestaan.

Zuidelijke mammoet (Mammuthus meridionalis) uit zuidelijk Europa;

Steppenmammoet (M. trogontherii) uit Europa

Wolharige mammoet (M. primigenius) uit noordelijk Europa, Azië en Noord-Amerika;

Sardinische Dwergmammoet, (M. lamarmorae) uit Sardinië (Italië)

Keizersmammoet (M. imperator) uit Noord-Amerika;

Amerikaanse mammoet (M. columbi) uit Noord- en Midden-Amerika

De wolharige mammoet is van deze soorten waarschijnlijk de bekendste. Hij leefde rond 600.000 jaar geleden, in het Pleistoceen. Hij had een dikke vacht waarvan de haren soms tot aan de grond reikten. De oren waren klein (30 centimeter) en ook bedekt met haren ter bescherming tegen de kou. Van de andere mammoetsoorten was alleen de steppenmammoet dik behaard, de andere soorten leefden in veel warmere gebieden en waren dan ook vrijwel onbehaard, net als de huidige olifanten. Het lijkt er ook op dat de wolharige mammoet een kortere levensduur had, ze werden hooguit 35 jaar. De huidige olifant haalt makkelijk 50 jaar. Vaak wordt gedacht dat mammoeten immens groot waren, en 'mammoet' is in onze taal een aanduiding voor 'gigantisch' geworden, bijvoorbeeld in 'mammoettanker' of 'mammoetwet'. Dit geldt zeker voor de grootste soorten, de keizersmammoet en de Amerikaanse mammoet van Noord Amerika, maar de andere mammoeten waren niet groter dan de hedendaagse Aziatische olifant. Wel hadden ze gigantische slagtanden, bij stieren konden die wel 4 meter lang zijn.

Evolutie

Volgens de nieuwste inzichten zouden de mammoeten zich ongeveer 4,8 miljoen jaar geleden hebben afgesplitst van de voorouders van de Aziatische olifant, terwijl hun gemeenschappelijke voorouder zich ongeveer 7,3 miljoen jaar geleden heeft afgesplitst van de gemeenschappelijke voorouder met de Afrikaanse olifant. Dat betekent dus dat er in feite een nauwere verwantschap bestaat tussen de mammoet en de aziatische olifant dan tussen de afrikaanse en de aziatische olifant. De Latijnse naam "Mammut" wordt gegeven aan een andere familie van uitgestorven olifantachtigen, de mastodonten. Deze familie heeft zich al bijna 30 miljoen jaar geleden afgesplitst van die van de huidige olifanten en de mammoeten. De mastodont is dus niet bijzonder nauw verwant aan de mammoet.

Ontdekking en naam

Al eeuwen lang werd er in Noord-Europa, Rusland en Siberië fossiel ivoor gevonden. In de 18e en 19e eeuw ontdekten Russische onderzoekers in Siberië diverse tamelijk goed bewaarde ingevroren lichamen in de permafrost van Siberië. Een buitengewoon volledig lichaam werd in 1901 gevonden aan de oevers van de rivier Berezovka. De Jakoeten (een Mongools, Turks-sprekend volk) waren al eeuwenlang bekend met dergelijke resten en hadden daaraan de naam "mamont" gegeven, hetgeen "aardworm" betekent in hun taal. Zij dachten namelijk dat de in de grond gevonden overblijfselen afkomstig waren van een reusachtige aardworm. In het Russisch heet het dier nog altijd "mamont". Via Franse publicaties raakte, door een spelfout, echter in West-Europa de vorm "mammouth" verspreid.

Leefgebied

Omdat tijdens de ijstijd veel van het water op aarde bevroren was, waren sommige zeeën drooggevallen. Daardoor kon de wolharige mammoet zich verspreiden over grote delen van de wereld. De mammoeten hadden als woongebied toendra- en permafrostgebieden van noordelijk Europa, Azië en Noord-Amerika. Net als bij vele andere bewoners van deze streken het geval was, zoals de wolharige neushoorn, was het lichaam bedekt met een dichte en isolerende laag haar om het te beschermen tegen het koude klimaat. Het leefgebied was overigens volgens recentere inzichten wel koud maar niet zo koud dat er geen gras kon groeien, waarvan een mammoet naar schatting 180 kilo per dag nodig had. Ze hadden sterke kiezen om de taaie, harde grassen op de steppen te kunnen vermalen.

Uitgestorven

De mammoet stierf waarschijnlijk vlak na het einde van de laatste ijstijd uit, zo'n 12.000 jaar geleden. Er bestaan sterke vermoedens dat bejaging door de mens hier een groot aandeel in had. Of dit inderdaad de oorzaak was of bijvoorbeeld de klimaatsverandering aan het eind van de ijstijd is nog onderwerp van een hevige wetenschappelijke controverse. In de Siberische permafrost zijn nog aanzienlijke aantallen ingevroren mammoeten te vinden die voldoende goed geconserveerd zijn om een heleboel over de dieren te weten te komen, zelfs wat voor kleur haar ze hadden en hoe ze roken (als hedendaagse olifanten).

Bijzondere vondsten

In 1993 rapporteerden Russische wetenschappers dat ze resten van mammoeten hadden gevonden op Wrangel eiland, 200 km uit de Siberische kust, die gedateerd werden op 3700 jaar geleden (dus pas 1700 jaar voor Christus). Hierdoor zou het uitsterven van de mammoet met 6000 jaar naar voren worden gehaald. Deze vondst geeft steun aan de hypothese dat de mammoet is uitgestorven als gevolg van bejaging door de mens. De op Wrangel gevonden mammoeten leken erg klein; hoewel aanvankelijk werd gerept van 'dwergmammoeten' lijkt het er nu op dat het om vrouwtjesmammoeten gaat die, net als hedendaagse olifanten, na hun eerste dracht niet meer groeiden en beduidend kleiner bleven dan mannetjes. Overigens zijn van vele, ook hedendaagse, andere diersoorten kleinere ondersoorten bekend die op geïsoleerde eilanden leven. Eind 2002 werd in de Siberische provincie Jakoetië de zogenoemde Yukagir-mammoet (een wolharige mammoet) gevonden van 18.000 jaar oud. Eerder waren er al ongeveer een dozijn mammoeten gevonden in Siberië en Alaska, maar dit was een zeer goed bewaard gebleven exemplaar. Zo was de kop (op de slurf na) vrijwel intact. Ook trof men een complete poot en een maag met goed geconserveerde inhoud aan.

Nederland mammoetland

De grootste mammoetverzameling (7500 botten) ter wereld ligt in het Naturalis-museum te Leiden. Dat is te danken aan het onder water komen te staan van de Noordzee en de daarin gelegen Doggersbank. Wat tegenwoordig de Noordzee is, was tijdens de laatste ijstijd een boven de zeespiegel liggende vlakte. Doordat veel water was vastgelegd in de immense ijskappen lag de zeespiegel zo'n 150 meter lager dan tegenwoordig. Door het smelten van het ijs kwam deze vlakte geleidelijk onder water te staan. Het merendeel van de Noordzee heeft tegenwoordig een diepte van 100 tot 120 meter. Maar midden in de Noordzee ligt een reusachtige zandbank die nu zo'n 40 meter onder de zeespiegel ligt.Ten tijde van het smelten van de ijskap was deze Doggersbank een tijdlang een boven de rijzende zeespiegel uit stekende heuvelrug. De dieren die de vlakte bevolkten vluchtten hier naartoe. Toen ook dit laatste toevluchtsoord onder water kwam te staan verdronken grote massa's dieren jammerlijk. Vissers die hun sleepnetten boven, of in de buurt van, de Doggersbank uitgooien halen regelmatig botten naar boven. Een groot deel daarvan is voor onderzoek aan Naturalis afgedragen. Veel Nederlandse onderzoekers spelen een prominente rol in mammoetonderzoek en expedities.

 

Mammoet

De ijstijd

Zo’n 600.000 jaar geleden veranderde
het klimaat op de aarde. De straling van de zon werd minder, de winter werd kouder en ook ’s zomers ging de temperatuur omlaag. De zomers werden ook korter. In de winter viel er veel sneeuw. In honderden jaren werd Noord-Europa en de Alpentoppen bedekt met sneeuw.
Omdat de zomers te kort en te koud waren dooide de sneeuw nooit helemaal, alleen de bovenste laag smolt. Als het dan weer kouder werd veranderde de gesmolten sneeuw in ijskorreltjes en de noemden we firn. De overgang van sneeuw naar firn duurde maar een paar dagen. Het gebeurde vooral op beschutte plaatsen, zoals in bergdalen. Op deze firn viel weer nieuwe sneeuw, zodat er een steeds zwaardere firn-laag ontstond. De lucht tussen de ijskorrels werd weggeperst. Zo ontstond er een ijsmassa die we een gletsjer noemen. Het kon wel honderden jaren duren voor dat sneeuw en firn een gletsjer waren. Wanneer de ijsmassa een bepaalde dikte had, begon hij te schuiven, dan zeggen we dat de gletsjer stroomt.

Lage zeespiegel

Door de kou kwam de sneeuw steeds verder naar het zuiden. De gletsjers rukten op tot in het laagland. Waar eerst altijd regen viel viel nu sneeuw. Het verschil is dat regen terugstroomt naar zee, en sneeuw en ijs niet. Dus bleef er veel meer water op het land liggen. De zeespiegel lag daardoor 90 meter lager!! De kustgebieden vielen droog, de eilanden werden met het vasteland verbonden. Bijvoorbeeld de Britse eilanden en Noord-Frankrijk waren een geheel. Veel later, toen het klimaat verbeterde smolt de sneeuw weer. In de ijstijd was een vierde deel van de aarde bedekt met een dikke ijslaag. Behalve Groenland, Spitsbergen en het Zuidpoolgebied lagen ook grote gebieden in Amerika, Argentinië onder het ijs. Ook de Britse eilanden lagen onder een dik ijspak. In de Vogezen waren grote gletsjers. 

Vier ijstijden

De ijstijd duurde van 600.000 tot 10.000 jaar voor Christus. Tijdens die 6000 eeuwen was het niet altijd even koud. Soms waren er ook warmere tijden. Eigenlijk was het dus niet een grote ijstijd.

Er waren vier ijstijden met daartussen drie warmere perioden:
       1e  ijstijd: 600.000 - 540.000 jaar geleden.
       2e  ijstijd: 480.000 - 430.000 jaar geleden.
       3e  ijstijd: 300.000 - 180.000 jaar geleden.
      
4e  ijstijd: 120.000 -   10.000 jaar geleden.

Mammoet in de ijstijd

 


500.000 v. Chr. Geologisch tijdvak Prettig klimaat trok al vroeg hominiden naar Engeland

De oudst bekende Engelsman was tot voor korst de 'Boxgrove Man', die ongeveer 500.000 jaar geleden leefde. Er is overigens weinig van hem bekend: tanden en een scheenbeen werden tussen 1993 en 1996 ontdekt in een grindgroeve in Boxgrove. Hij wordt gerekend tot Homo heidelbergensis, een voorloper van de Neanderthaler. Hoewel de Boxgrove Man voorlopig de oudst bekende Engelsman blijft, was hij volgens recent onderzoek niet de eerste bewoner van Engeland. Er zijn namelijk op diverse plaatsen werktuigen gevonden die wijzen op een veel eerdere bewoning. Wanneer die begon is nog niet geheel duidelijk, maar het was mogelijk niet lang nadat de eerste hominiden in Europa aankwamen (1.000.000-800.000 jaar geleden, in Spanje en Italië).

 

Vuistbijl van Boxgrove (W.Sussex), ongeveer 500.000 jaar oud

Uit de Homo Antecessor ontwikkelde zich ca. 500.000 jaar geleden de Homo Heidelbergensis, de voorouder van de Vroege Neanderthaler.Vanaf ± 500.000 geleden waagde de Homo Heidelbergenis zich ook in de noordelijke streken van Europa. Tussen 400 - 300.000 jaar geleden verspreidde deze mensensoort zich over Europa, waar zij zich blijvend vestigden. 

 


400.000 v. Chr. Geologisch tijdvak Neanderthaler

Onderzoek naar Neanderthal genen duidt op vroege splitsing. Een nieuw genenonderzoek ondersteunt de theorie dat de lijnen van de moderne mens en de Neanderthalers al vroeg splitsten en stelt wetenschappers beter in staat aan te geven wat de mens uniek maakt. Er was een controverse ontstaan in de wetenschappelijke wereld over in hoeverre de harige Eurazische jagers op de mens leek, waarbij sommige wetenschappers zelfs claimden dat de Neanderthalers deel uit maakten van onze eigen soort Homo sapiens.Nieuw onderzoek van geneticus James Noonan van het het Lawrence Berkeley National Laboratory, laat echter zien dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van de moderne mens en de Neanderthalers zo’n 400.000 jaar geleden het lootje legde. Het onderzoek werd eerder deze maand gepresenteerd tijdens een conferentie van de American Society of Human Genetics in het Amerikaanse New Orleans. Richard Potts, directeur van het van het human origins programma van het natuurhistorisch museum in Washington, noemde het werk van Noonan “zeer belangwekkend”. “Elk deel van het Neanderthal genoom is een archief van de gelijkheid van, en de verschillen [tussen de Neanderthalers en] alle mensen die op dit moment leven,” zei hij. “Een vergelijking met een lijn in onze eigen stamboom help ons begrijpen welke elementen van de genetische code ons mens maken.”

Nucleair onderzoek


Om het basismateriaal voor zijn onderzoek te verkrijgen moest Noonan DNA uit fossielen Neanderthal botten onttrekken. Het filteren van de Neanderthal specifieke genetische fragmenten was een tijdrovend karwei, met name ook vanwege de grote hoeveelheid verontreiniging. “Het grootste deel van het DNA dat we aantroffen was bacterieel DNA van organismes die de fossielen hadden gekoloniseerd,” zei Noonan. “We kunnen de oude DNA fragmenten er uit pikken doordat ze korter zijn en meer verweerd.” Nadat ze de genetische inhoud van de fragmenten hadden geanalyseerd, catalogiseerden Noonan en zijn collega’s ze in een bibliotheek vergelijkbaar aan die die gebruikt is voor het menselijk genoom. De eerste resultaten tonen aan dat de Neanderthalers verassend weinig hebben bijgedragen aan de genetische samenstelling van de moderne mens. Het werk van Noonan is een enorme stap vooruit vergeleken bij eerdere onderzoeken. Dat eerdere werk behelsde het analyseren van mitochondrisch DNA, wat over het algemeen langer bewaard blijft dan het DNA dat in de nucleus van de cel wordt gevonden. Noonan onderzocht dit nucleaire DNA, waar veel meer informatie te vinden is. “Het is het nucleaire DNA waar alle biologie zich bevind,” aldus Noonan. “We willen begrijpen waar eigenschappen als taal en bewustzijn gecodeerd zitten, geen van die kenmerken kunnen in mitochondrisch DNA worden gevonden. ”Zoals er ook meerdere groepen tegelijkertijd werkten aan het ontrafelen van de menselijke genoom, heeft Noonan te maken met de concurrentie van andere teams. Genetisch antropoloog Svante Paabo van het Max Planck instituut in Leipzig (Dld) werkt aan een vergelijkbaar onderzoek met DNA van in Kroatië gevonden fossielen van een Neanderthaler die 45.000 jaar geleden leefde. “Een ontrafelt Neanderthal genoom geeft ons een catalogus van alle verandering die plaatshadden in het menselijk genoom nadat de mensen splitsten van de Neanderthalers, het zal dus een prachtig instrument zijn voor wetenschappers die uit willen zoeken wat de moderne mens uniek maakt,” zei Paabo.

Terwijl het werk van Noonan zich richt op het bestuderen van de fragmenten van het Neanderthal genoom die hij het meest interessant vindt – de fragmenten die hij kan vergelijken met vergelijkbare fragmenten van het menselijk genoom – is het doel van Paabo om het hele Neanderthal genoom binnen twee jaar te hebben ontrafelt. Gezien de resultaten tot nu toe, verwacht Paabo nog wel een aantal verassingen tegen te komen verderop in zijn project. “Neanderthal DNA is vervallen op een specifieke manniet die we niet hadden verwacht en op bepaalde punten lijken de Neanderthalers zelfs meer op ons dan we dachten,” aldus Paabo. Richard Potts hoopt dat het werk van Noonan en Paabo naast een genetisch profiel, zal leiden tot inzichten in het dagelijks leven van de Neanderthalers en de uitdagingen voor deze soort die leiden tot specifieke genetische aanpassingen. “Analyse van de genetisch opbouw van de Neanderthalers voegt toe aan het onderzoek naar de fossielen en het archeologische bestand dat we hebben van het gedrag van de Neanderthalers,” vind Potts. “Al dit bewijs stelt ons in staat om te begrijpen hoe de Neanderthalers nou precies leefden en hoe zij zich aan wisten te passen aan een veranderende wereld die uiteindelijk ook onze soort bevatte.”

 

 

Reconstructie van een Neanderthaler in het museum te Mettmann


300.000 v. Chr. Geologisch tijdvak Saalien

Het Saalien was de laatste periode waarin landijs tot in Noord-Nederland kwam. Voor het tijdvak van 360.000 tot 10.000 v. Chr. is het niet eenvoudig een eenduidige tijdlijn op te stellen. Dat komt voor een deel omdat datering met steeds grotere onnauwkeurigheid gepaard gaat naarmate we terug gaan in de tijd. Voor een deel komt het ook omdat het tijdvak door verschillende wetenschappen vanuit hun eigen gezichtspunt bestudeerd wordt. Bij gebrek aan absolute datering werken wetenschappers vaak met namen om zo toch zeker te stellen dat zij over de zelfde tijd spreken. Iedere wetenschap (bijvoorbeeld de geologie, paleontologie en archeologie) heeft zijn eigen namen gegeven aan verschillende tijdvakken en het begint pas langzamerhand duidelijk te worden hoe deze fases, tijdperken en culturen qua tijd in elkaar te vertalen zijn. Bovendien kan iedere nieuwe vondst de bestaande denkbeelden weer omverwerpen. 

Na de warme Holstein-tijd begon ± 380.000 geleden de voorlaatste ijstijd: het Saalien., die duurde van 380.00 - 150.000 jaar geleden. Het Saalien is het laatst grote tijdvak van het Midden-Pleistoceen, duurde 230.000 jaar. De naam Saale-ijstijd of Saalien is genoemd naar de Saale, een zijrivier van de Elbe. Deze ijstijd, die van ca. 380.000 tot ca. 150.000 geleden duurde, kende drie koude fasen en twee warmere perioden. De naam saalien wordt alleen in Noord-Europa gebruikt. In Midden-Europa noemt men dit glaciaal Riss-glaciaal (naar de rivier de Riss in Zuid-Duitsland), op de Britse Eilanden Wolstonian glaciation en in Noord-Amerika Illinois glaciation. Andere glacialen en interglacialen van het Pleistoceen hebben ook regionaal verschillende namen. Tussen ± 300.000 en ± 250.000 geleden evolueerde de Homo Heidelbergenis zich langzaam tot Vroege Neanderthaler. Tegelijkertijd verspreidden zij zich vanuit Europa over Midden-Azië. 

In Slowakije werden vuurstenen werktuigen gevonden uit deze Oud-Palaeolithische periode (ca. 270.000 jaar geleden). Ze zijn gevonden in de buurt van Nové Mesto nad Váhom. Deze gebruiksvoorwerpen werden gemaakt door middel van een clactonische techniek (bepaalde afslagtechniek).In 2001 werd door de Britse archeoloog prof. David Trump op een congres op Mallorca een serie vroeg-Paleolithsche vuurstenen werktuigen gepresenteerd, die hij had aangetroffen in de Grotta di Su Coluru op het eiland Sardinië.Deze werktuigen van het Clactonian-type werden lagen in afzettingen die dateren uit de Midden-IJstijd, ongeveer 300.000 jaar geleden. Sardinië was toen net als nu een eiland. Ook tijdens een laag zeespiegelniveau, zoals dat tijdens het Pleistoceen regelmatig voorkwam (en waarbij Sardinië en Corsica verenigd waren) was de minimum afstand tussen eiland en vasteland zo'n 15 kilometer. Dat zou betekenen dat de Vroege Neanderthalers 300.000 jaar geleden in staat moet zijn geweest minstens 15 kilometer over zee te reizen met vlotten of mogelijk met zelfgemaakte vaartuigen.

Neanderthalers


In de jaren zestig van de vorige eeuw stapte men aan de hand van Tjerk Vermaning gretig het tijdperk van de Neanderthalers binnen. Nooit eerder waren zulke oude vuistbijlen in Nederland gevonden en Tjerk vond ze in overvloed in Drente. Tot men begon te twijfelen. Maar zelfs een rechtszaak verschafte geen duidelijkheid over de echtheid van de stenen bijlen. De controverse splijt tot op heden de archeologische wereld. Geen donkere vondstlaag. Vermaning beschreef het zelf als volgt de vondstomstandigheden aan Wouters; "In mijn..lange brief, schreef ik je, dat ik verweg de meeste artefacten had aangetroffen in een band van geelachtig leemhoudend zand, en dat de artefacten van Eemster helemaal voor het grootste deel uit dit gele zand tevoorschijn kwamen. Sommige stukken hebben de geelachtige kleur van dit zand aangenomen".

 

Bron www.toonbeeld.com, Frans de Vries.


 

De Leemdijkbijl: één van de omstreden werktuigen uit de collectie van Tjerk Vermaning sr. Bron www.toonbeeld.com, Frans de Vries.


 

250.000 v. Chr. Jagers aan de Maas - In de Belvédère-groeve nabij Maastricht zijn twaalf kampjes gevonden waar de eerste mensen die de lage landen bezochten verbleven. Er zijn dierenbotten en vuurstenen werktuigen gevonden. In het gebied rond Maastricht joegen zij op egel, steppeneushoorns, bosolifant, herten, reeën, paarden, beren en vis. Zij verzamelden wortels, noten en wilde appels. Het zijn jagers en verzamelaars die in kleine groepjes leven en nog niets weten van landbouw.

Homo sapiens neanderthalis

Vernoemd naar de vindplaats Neanerthal bij Dusseldorf in Duitsland waar in 1856 enkele skeletten werden gevonden. Het waren krachtige intelligente mensen die ongeveer 30% groter en zwaarder waren dan de moderne mens, ze verschenen 250.000 jaar geleden en stierven 30.000 jaar geleden uit en is daarmee de meest recente uitgestorven zijtak van de mensen. Hun lichaam was kort 1,7 meter, en stevig met grote handen een bolvormige neus en vooruitstekende wenkbrauwen.Het hersenvolume was vaak groter dan 1400 cc. en dus gemiddeld groter dan dat van de moderne mens.

Homo sapiens neanderthalis

De eerste mensen van wie we weten dat ze op Nederlandse bodem rondliepen, leefden ongeveer 250.000 jaar geleden. Hun vuurstenen gereedschap is teruggevonden in de groeve Belvedere bij Maastricht en in zandgroeves bij Rhenen. Deze mensen worden Neandertalers genoemd, mensen van de soort Homo sapiens die al erg op ons leken. Het Nederland van 250.000 jaar geleden zag er heel anders uit dan het land van nu en het was er iets warmer dan tegenwoordig. Omstreeks 200.000 jaar geleden werd het veel kouder. Toen brak er een IJstijd aan en maakte een dik pak ijs het land onbewoonbaar. Daarna hebben er tienduizenden jaren lang Neandertalers in Nederland gewoond, tot het opnieuw te koud werd om hier te leven.

 

Vuursteen bewerker


200.000 v. Chr. Taalgen' ontstond 200.000 jaar geleden

Een gen dat nauw samenhangt met het taalvermogen van de mens heeft ergens in de afgelopen 200.000 jaar op twee plaatsen een belangrijke verandering ondergaan. Deze mutaties in het zogeheten FOXP2-gen, dat miljoenen jaren daarvoor niet veranderde, markeren mogelijk een doorbraak in de evolutie van het taalvermogen. Duitse en Britse onderzoekers beschrijven hun ontdekking vandaag in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.

Het t is niet bekend hoe oud menselijke taal is. Volgens sommige theorieën ontstond het taalvermogen in rudimentaire vorm al twee miljoen jaar geleden, met de komst van Homo erectus. Tijdens de menselijke evolutie, met de groei van de hersenen, is dit taalvermogen steeds complexer geworden. De mutaties van het FOXP2-gen zouden ongeveer samenvallen met het ontstaan, zo'n 150.000 jaar geleden, van de moderne mens: Homo sapiens, met aanzienlijk grotere hersenen dan Homo erectus.

Ook chimpansees, gorilla's en mogelijk zelfs papegaaien hebben het vermogen om dingen (knoppen, gebaren of klanken) te laten verwijzen naar andere dingen. Maar alleen de mens bezit het vermogen om woorden naar andere woorden te laten verwijzen. Door deze complexe manipulatie van symbolen is de mens in staat een eigen wereld in taal op te bouwen.

Uit vorig jaar gepubliceerd onderzoek was al duidelijk dat een bepaald gen, het FOXP2-gen, een belangrijke rol speelt in het menselijk taalvermogen. Wetenschappers uit Oxford en Londen onderzochten een familie waarvan sommige leden problemen hebben met de fijne mondmotoriek. Ook hebben ze moeite met het onderscheiden van lettergrepen, met de vervoeging van werkwoorden en de vorming van grammaticale zinnen. Bovendien hebben ze afwijkingen in de basale ganglia, een groep hersengebieden die met elkaar verbonden zijn en een rol spelen bij de motoriek. Voor buitenstaanders zijn de lijders aan dit syndroom vrijwel onverstaanbaar. De afwijkingen bleken terug te voeren op een fout in het FOXP2-gen.

Het onderzoek in Nature vergelijkt het FOXP2-eiwit van de muis, de chimpansee, de gorilla, de rhesusaap, de orang-oetang en de mens. Het eiwit is 715 aminozuren (de bouwstenen van een eiwit) lang. Bij de chimpansee, de gorilla en de rhesusaap vertoont het eiwit geen enkel verschil. Het FOXP2-eiwit van de mens verschilt twee aminozuren met dat van deze apen, en drie aminozuren met dat van de muis en de orang-oetang. De verschillen met de gorilla en de chimpansee zijn zo'n 200.000 jaar geleden ontstaan, aldus de onderzoekers. Ze onderzochten het FOXP2-eiwit ook bij honderd mensen over de hele wereld. Bij 99 personen was het eiwit volkomen identiek, bij slechts één week het een klein beetje af. Als een eiwit zo constant is binnen een soort, is het waarschijnlijk erg belangrijk.

 

Schematische weergave van een coronale doorsnede van de menselijke hersenen. Aangegeven zijn de basale ganglia, bestaande uit: striatum (blauw), globus pallidus (groen), subthalamische kern (geel) en de substantia nigra (rood).


 

120.000 v. Chr. de Khoisan

De Khoisantalen sprekende mensen van het Capoïde ras, L1 = mtDNA, M91 = Y-chromosoom (chr) Haplogroep A genomen van zuidelijk Afrika – leidden tot de evolutie van de moderne Hazda van Tanzania en de Bosjesmannen (San) en de sprekers van de Hottentottalen (Khoikhoi). Volgens sommigen heeft deze groep veel kenmerken van de voorlopers van de moderne mens bewaard die niet meer bij andere populaties voorkomen. Zo zijn de kliktalen van de Khoisanvolkeren uniek (ze hebben meer dan 130 taalklanken tegenover 40 taalklanken in het Engels) en ook verder hebben ze eigenschappen die bij andere menselijke populaties verloren zijn gegaan. Deze groep kan afstammen van populaties die veel lijken op de vondsten bij de Borger Cave, de Klassiesrivier en de Leeuwengrot in zuidelijk Afrika waar een lang bestaande middenpaleolithische technologie wijst op een variatie in de voeding die kenmerkend is voor Homo sapiens en op het bestaan van handel in goederen met naburige groepen. De dominante technologie van dit gebied is Sangoan genoemd naar de typesite bij de Sangobaai in Uganda maar ook Tumbian. De Sangoan technologie was in gebruik van 120.000 jaar geleden tot 10.000 jaar geleden. De Blombosgrot, opgegraven tussen 1997 en 2000, moet dateren van voor 70.000 jaar geleden maar was een typisch middenpaleolithische culturele assemblage die mogelijk verwant is aan de naburige Stillbay assemblages. Desondanks een verzameling van benen gereedschappen, nauwkeurig gemaakte bifaciale stenenpunten, stukken oker waarin volgens een duidelijk ontwerp gegraveerd is, een gegraveerd botfragment en bewijzen voor 'moderne' middelen van bestaan zoals vissen, die kenmerkend zijn voor bovenpaleolothische culturen vanaf 40.000 jaar geleden. Een gegraveerde kerfstok van 77.000 jaar oud is het eerste geboekstaafde bewijs dat mensen systematisch telden ter wereld. De Apollo 11 grot in Namibië, die 70.000 jaar lang bewoond is geweest, bevat okerversieringen die gedateerd zijn op 100.000 jaar oud, het eerste voorbeeld van menselijke kunst op aarde.

 

  

                                                                          Very few Khoisan live in the traditional way
 


115.000 v. Chr.

Door het warme interglaciaal en de groene Sahara konden mensen die in Ethiopië en de zuidelijke Soedan leefden 115.000 jaar geleden naar het noorden reizen en door de Sinaï naar het huidige Israël trekken. Dat vormde de basis voor de Sahulpopulaties die in dat gebied zijn gevonden. Met de sterke afkoeling van het klimaat van ongeveer 90.000 jaar geleden werd het in het Midden-Oosten ook weer zeer droog, en het grote wild verdween en toen er een einde kwam aan de droogte, waren de anatomisch moderne mensen die bij Jebel Qafseh in Israël zijn gevonden vervangen door groepen aan de kou aangepaste Neanderthalers, wat blijkt uit vondsten bij Skhul in de grotten van de Karmel.Onderzoek aan het X-chromosoom zou het eerste genetische bewijs tegen dit model te hebben opgeleverd, wat pleit voor een alternatief model waarin kruising optrad tussen divergente Afrikaanse takken van het geslacht Homo.

Voor het begin van de laatste ijstijd (115.000 jaar geleden) bouwden koralen riffen op de toppen van nauwelijks door de zee overstroomde vulkaantoppen. Op het hoogtepunt van de ijstijd, 95.000 jaar geleden, staken die vulkanen door de zeespiegeldaling ver boven zee uit; ze vormden eilanden met steile rotskusten. Regenwater op die eilanden drong de grond binnen, loste daar kalk op en voerde het mee naar de buitenzijde van het eiland. Daar kwam het kalkrijke grondwater weer naar buiten, waarbij het deels verdampte zodat het oververzadigd aan kalk raakte. Daardoor sloeg kalk uit het water chemisch neer, waarbij het harde korsten op de kliffen vormde. Erosie zorgde ervoor dat deze verkorste stroken aan de buitenzijde van het eiland langzamer werden afgebroken dan de koraalgesteenten zonder zo’n korst. Het eiland veranderde zo op den duur in een harde, ringvormige wal rondom een depressie van relatief zacht gesteente.

De laatste ijstijd begon ongeveer 115.000 jaar geleden en bereikte zijn hoogtepunt tussen 60.000 en 15.000 voor Christus. Een groot deel van Noord-Amerika lag verborgen onder een 2 kilometer dikke ijslaag. Ook Noordelijk Europa, inclusief ons land, had te lijden van de kou. De laatste aardkorstverschuiving voltrok zich, volgens Hapgood, aan het einde van deze laatste ijstijd (tussen 15.000 en 8.000 jaar voor Christus). Hoogst waarschijnlijk was dat rond 10.500 voor onze tijdrekening, toen het aardmagnetisme op zijn laagste peil was.

 

From Sunda and Sahul 60,000 years ago, through to Austronesia and the Lapita ancestors of the Bismarck Archipelago 6000 years ago, the origins and migrations of the Polynesian people are traced on