| De Oerknal tot 115.000 jaar v Chr.
|
1 | 2 |

13,7
miljard jaar geleden.
Oerknal
of Big Bang is de populaire
benaming van de kosmologische theorie die op
basis van de algemene relativiteitstheorie
veronderstelt dat 13,7 miljard jaar geleden het
heelal ontstond uit een enorm heet punt (ca. 1028°C),
met een oneindig grote dichtheid, ofwel een
singulariteit. Tegelijkertijd met de oerknal
zouden ruimte en tijd zijn ontstaan. De theorie
is onder meer gebaseerd op de waarneming van het
voortdurend uitdijende heelal, in het bijzonder
de roodverschuiving van de spectraallijn en van
licht van verre sterrenstelsels, het
dopplereffect. De algemene relativiteitstheorie
is op dit punt echter nog niet volledig,
aangezien het idee van een oneindig grote
dichtheid strijdig is met de fundamentele wetten
van de natuurkunde.●●●
13,6 miljard
jaar v. Chr.
Vorming van
het Melkwegstelsel.
In de
Orion-arm van het Melkwegstelsel, op 23.000 lichtjaar van
het galactische centrum, zweefde geruisloos een reusachtige
wolk van gas en stof door de ruimte. Het was inmiddels
alweer minstens acht miljard jaar geleden dat het heelal, en
alle materie daarin, was ontstaan na een gebeurtenis die de
oerknal wordt genoemd. Kort daarna was de materie gaan
samenklonteren tot sterren en melkwegstelsels. Het
melkwegstelsel was dus al miljarden jaren oud en rijk aan
sterren. Reuzensterren en kleinere sterren. Als een
reuzenster sterft dan ondergaat hij een supernova-explosie.
Zo'n explosie is dermate heftig dat er schokgolven van
witheet plasma door naburige gaswolken gaan, waardoor het
wankele evenwicht ter plaatse wordt verstoord en er nieuwe
materieconcentraties beginnen te ontstaan. In een uithoek
van die gaswolk in de Orion-arm van het melkwegstelsel moet
4,6 miljard jaar geleden zo'n schokgolf van een supernova
zijn aangekomen. Met een snelheid van meer dan 32 miljoen
kilometer per uur werd het gas in de wolk opgezweept. En
vrijwel onmiddellijk begon een gasconcentratie samen te
trekken en te roteren, al snel overgaand in een wervelende
schijf van materiedeeltjes, met in het midden een nieuwe
lichtbron: onze zon.
Volgens de achttiende-eeuwse Duitse filosoof Immanuel Kant,
waren de planeten, net zoals de zon, uit een wolk van gas en
stof ontstaan. Hij had sterrenkundigen bovendien horen
spreken over platte, grillige patronen van materie die her
en der aan de hemel zouden staan. Tegenwoordig weten we dat
die patronen gewoon ver afgelegen sterrenstelsels zijn. Maar
toen wist men dat nog niet en Kant, bracht dus het briljante
idee dat planeten op soortgelijke wijze zijn ontstaan: uit
een wolk van stof die om de zon draaide.
Maar goed, niet iedereen was er mee eens. Er waren ook
andere 'lachwekkende' theorieën. Sommigen beweerden dat de
planeten oorspronkelijk door het Melkwegstelsel hadden
gezworven en pas later door de zon waren ingevangen. Anderen
meenden dat de planeten uit de zon waren getrokken bij een
nabij ontmoeting met een voorbijkomende ster! Kant, stond
met zijn theorie er eigenlijk een beetje buiten, alhoewel
hij wel een medestander had, namelijk de Franse wiskundige
Pierre Simon de Laplace. "Waarom bewegen alle planeten in
dezelfde richting om de zon?" Dat was de vraag die hem bij
deze theorie hield.

360-graden
panoramische foto van onze Melkweg. Afdruk van
wikipedia.org
●●●
13,7 miljard jaar v.
Chr.- De Oerknal -
Oerknal of Big Bang
is de populaire benaming van de kosmologische theorie die
beschrijft hoe het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden met
een enorme explosie is ontstaan. De term explosie is
eigenlijk niet juist. Bij een explosie worden brokstukken
materie de ruimte in geslingerd, terwijl bij de oerknal
ruimte en tijd ontstonden. De term 'Big Bang' werd voor het
eerst door Fred Hoyle in 1950 gebruikt - als een
sarcastische aanduiding om zijn afkeer van de theorie tot
uitdrukking te brengen.
Onderzoek met de Wilkinson
Microwave Anisotropy Probe, heeft de leeftijd van het heelal
met een nauwkeurigheid van 1 procent op 13,7 miljard jaar
weten te bepalen. Voordat de theorie van de Big Bang werd
geformuleerd ging men uit van een statisch heelal: een
heelal dat er altijd was en altijd zal zijn. Uit de
zwaartekrachtwet van Newton volgt echter dat zo'n heelal zou
instorten. Newton onderkende dat probleem, maar poogde dat
in een briefwisseling met Richard Bentley te weerleggen door
te stellen dat als de materie gelijkmatig in een oneindige
ruimte verdeeld was er geen middelpunt zou zijn, waar het
naar toe zou vallen.

●●●
5 miljard jaar v. Chr.
Vorming van de zon.
Een internationaal team van
astronomen heeft een uniek infrarood spectra verkregen van
het stof in de binnenste gebieden van portoplanetaire
schijven rond drie jongen sterren, die zich in een staat
bevinden als de zon toen het zonnestelsel in de maak was.
Alle drie tonen, dankzij de ongeëvenaarde scherpte en
doorzichtbaarheid van de interferometrie, de juiste
ingrediënten op de juiste plaats voor de vorming van
rotsachtige planeten.
Onze zon is 4,5 miljard jaar geleden geboren uit een koude
en massieve wolk van interstellair gas en stof dat onder de
eigen zwaartekracht naar elkaar begon te vallen. Een
stoffige schijf kwam rond de jonge ster, waarin de aarde en
de andere planeten, als wel de kometen en asteroïden werden
gevormd. Dat epoche is lang voorbij, maar we kunnen dat
zelfde proces nog observeren rond jonge sterren. Tot nu toe
waren de instrumenten nog niet geavanceerd genoeg om een
studie van de distributie van de componenten van stof in
zulke schijven te houden. Nu kan dat wel, dankzij de
combinatie van licht van twee verschillende telescopen
dankzij VLTI. Dit heeft wetenschappers voor de eerste keer
de mogelijkheid gesteld om door het stof heen te kijken en
in de binnenste gebieden van schijven rond nabije, jonge
sterren te kijken, op de plaats waar planeten zoals onze
aarde vormen of zullen vormen.
De nieuwe interferometrie observaties van drie jonge sterren
door een internationaal team, heeft een hoeksresolutie van
0,02 boogseconden, geproduceerd door twee 8.2 meter VLT
telescopen die honderd meter uit elkaar staan.
Het is al langer bekend dat de stof in schijven rond jonge
sterren gemaakt is uit silicaten. In de geboortewolk zijn de
atomen en moleculen die deze stof vormen erg chaotisch bij
elkaar gezet. Ze zijn dan ongeveer 0,0001 mm in grootte. Bij
de jonge sterren waar de temperatuur en de dichtheid het
hoogste zijn, blijken de stofdeeltjes bij elkaar te blijven
en groter te worden. De stof wordt ook verhit door de
stellaire radiatie, en dit zorgt ervoor dat de moleculen in
de stofdeeltjes zich herordenen in geometrische (kristal
vormige) patronen. Deze grotere en stevigere deeltjes zijn
de bouwstenen voor een zonnestelsel. Verder naar buiten in
de stofwolk zijn minder stevige, "pristine" deeltjes.
Vlakbij de ster zijn de stevigste, de "geprocesseerde"
deeltjes.
Deze observaties hebben ook implicaties voor de studie van
kometen. Sommige en misschien wel alle kometen in het
zonnestelsel bevatten beiden pristine en geprocesseerde
stofdeeltjes. Kometen werden zeker op een grote afstand
gevormd van de zon, in de buitenste gebieden van het
zonnestelsel. Daardoor is het nog niet duidelijk hoe
geprocesseerde deeltjes in de kometen zijn gekomen. In een
theorie wordt geprocesseerde stof getransporteerd naar
buiten door turbulentie in de stofschijf. Dit is de meest
aanneembare theorie. Anderen doelen op schokgolven vanaf de
zon, bliksem in de stofwolken of botsingen tussen deeltjes.
Als deze theorie juist is, zijn de lange periode kometen die
uit de uiterste gebieden komen echte pristine lichamen.
Studie van zulke kometen zal dus meer duidelijkheid geven
over de vorming van het zonnestelsel.

Afdruk:
www.iau.org-wikipedia.org
●●●
4,6 miljard jaar v. Chr.
Vorming van het Zonnestelsel.
Ons zonnestelsel bestaat
uit de zon, een klasse G2 ster met een diameter van 1,39
miljoen kilometer. De zon neemt 99,86% van de massa in het
zonnestelsel voor zijn rekening. Traditioneel bevatte ons
zonnestelsel negen planeten, maar naar aanleiding van
recente ontdekkingen en inzichten was het noodzakelijk dit
aantal aan te passen. In de jaren '90 werd ontdekt dat Pluto
geen planeet op zich is, maar slechts één van een klasse van
vele soortgelijke objecten in de Kuipergordel. Naarmate
steeds grotere objecten ontdekt werden, zoals Quaoar en
Varuna kwam het klassieke aantal van negen planeten onder
druk te staan en met de ontdekking van de nog veel grotere
Eris werd deze onhoudbaar. Volgens de nieuwe definitie zijn
dit geen planeten en telt ons zonnestelsel slechts acht
planeten.
Op dit moment bevinden we
ons in een overgangsperiode en zult u nog veel informatie
aantreffen die de klassieke 9 planeten behandelt.
Een ezelsbruggetje om de
juiste volgorde van de (klassieke) planeten te onthouden is
de volgende zin: "Maak Van Acht Meter Japanse Stof Uw Nieuwe
Pyjama,"of "Mickey Vraagt Aan Minnie Joh, Smaken Uien Naar
Pannenkoeken?" Of: "Mijn Vader At Meestal Jonge Spruitjes
Uit Nieuwe Pekela". De beginletter van elk woord is de
beginletter van de naam van een planeet. Sinds Pluto geen
planeet meer is, zou "Mijn Vader At Meestal Jonge
Sinaasappels Uit Nicaragua" of "Maak Van Acht Meter Japanse
Stof Uw Nachthemd" een nieuwe zin kunnen zijn.
Tussen Mars en Jupiter ligt
een band met planetoïden, de planetoïdengordel. Voorbij
Pluto bevindt zich ook een wolk met kleinere hemellichamen,
de Kuipergordel. De discussie over het planetenaantal in het
zonnestelsel is op gang gebracht door deze Kuipergordel.
Wetenschappers raken er de laatste jaren namelijk van
overtuigd dat Pluto een object is dat tot de Kuipergordel
behoort. Er was dus behoefte aan een definitie van wat een
planeet is en als voorbereiding op de 26e
algemene vergadering van de IAU in augustus 2006 is een
commissie opgericht die zich over deze vraag gebogen heeft.
Eén van de voorstellen zou het aantal planeten verhogen tot
12. De objecten Ceres, Eris en Charon draaien immers rond de
zon en zijn groot en zwaar genoeg zijn om onder hun eigen
zwaartekracht een bolvorm aan te nemen. In een ander
voorstel bleef Pluto planeet, maar zouden andere
kandidaat-planeten onherroepelijk planetoïden blijven. In
het definitieve voorstel verliest Pluto zijn status als
planeet, en wordt een dwergplaneet, zoals andere objecten
kleiner dan Mercurius die wel door de eigen zwaartekracht
bolvormig zijn geworden.
De buitenste ring van ons
zonnestelsel wordt gevormd door de Oortwolk. Dit is een
vooralsnog hypothetische wolk van ijsachtige objecten die de
bron zou zijn van de kometen die door het zonnestelsel
bewegen. Wellicht is Sedna het eerst waargenomen object in
deze wolk.

De schepping
van de sterren en planeten zoals Michelangelo deze
schilderde in de Sixtijnse Kapel, in het Vaticaan. Afdruk
van
wikipedia.org
●●●
4.5 miljard jaar v. Chr.
Vorming van de aarde.
Tijdens het samenklonteren van
de planeet komen brokstukken regelmatig met elkaar in
botsing, waarbij veel hitte vrijkomt. Als gevolg van
kernreacties en continu inslaande meteorieten wordt de
temperatuur hoger en uiteindelijk smelt de jonge planeet.
Zware elementen zoals ijzer en nikkel zinken naar het
middelpunt en lichtere materialen zoals silicium, aluminium
en magnesium komen bovendrijven. Het duurt zo'n 100 miljoen
jaar voordat deze materie een vaste massa begint te vormen.
Het Aardoppervlak koelt af en de aardkorst wordt gevormd.
Als gevolg van vulkaanuitbarstingen vormen grote
hoeveelheden vrijgekomen gassen van eenvoudige moleculen de
eerste atmosfeer. Hieruit condenseert water dat samen met
het gesmolten ijs van ingeslagen kometen de eerste zeeën
vormt. Deze periode duurt van 4,6 tot 3,8 miljard jaar
geleden en staat bekend als het Hadeïcum. In deze "oersoep"
vormen zich, uit anorganische stoffen onder invloed van
bliksem en kosmische straling, de eerste organische
materialen zoals aminozuren en nucleotiden, welke later
uitgroeien tot eiwitten en RNA, de bouwstoffen voor leven.
3,8 miljard jaar geleden
ontstaan vlak onder het oppervlak van de oceaan, de eerste
levensvormen. Tussen 1,6 miljard en 600 miljoen jaar geleden
ontwikkelen zich de eerste meercellige organismen. In de
daaropvolgende 450 miljoen jaar ontstaan en verdwijnen als
gevolg van platentektoniek meerdere oercontinenten. 225
miljoen jaar geleden vormt alle landmassa één geheel
(Pangaea). Rond 200 miljoen jaar geleden treedt er rifting
op waarbij tussen het noordelijke deel Laurazië en het
zuidelijke Gondwanaland een zee ontstaat. Dit proces blijft
doorgaan en rond 135 miljoen jaar geleden beginnen de
continenten langzaamaan hun huidige vorm aan te nemen. Het
is de tijd dat het land wordt bevolkt door de dinosaurussen,
waar zo'n 65 miljoen jaar terug abrupt een eind aan komt,
waarschijnlijk als gevolg van een meteorietinslag in de
buurt van het huidige Chicxulub.
●●●
280 - 225 miljoen v. Chr.
Geologisch tijdvak Perm.
Opkomst reptielen en moderne insekten.
IJstijd op het zuidelijk halfrond. Vanaf deze periode dreef
het Pangea, het grote supercontinent, langzaam uiteen tot
onze huidige werelddelen. Massale uitroeing van 95% van alle
leven op aarde aan het einde van het Perm.
Men is
veel te weten gekomen over het klimaat zoals dat tijdens het
Perm geheerst moet hebben op basis van onderzoek naar
gesteenten en fossielen. Op veel plaatsen over de gehele
oppervlakte van Gondwana zijn tillieten gevonden. Een
tilliet is een verhard morene-sediment. Het vóórkomen van
tillieten wijst waarschijnlijk op een bestaande bedekking
met gletsjers. Op andere plaatsen zijn afwisselend tillieten
en interglaciale afzettingen gevonden. In het oosten van het
hedendaagse Zuid-Amerika zijn er sporen achtergelaten door
het ijs in het Perm. Deze sporen lopen van oost naar west,
wat er op zou wijzen dat er beweging van het ijs op Gondwana,
destijds situerend rond de polen, heeft plaatsgevonden.
Bekende dieren uit het Perm
Dimetrodon, Diplocaulus, Edaphosaurus,
Eryops, Estemmenosuchus, Inostrancevia en de Mesosaurus.

De Paleo-Tethysoceaan aan het
begin van het Perm (290 Ma). De oceaan vormde een grote
inham in het supercontinent Pangea. Afdruk van
wikipedia.org
●●●
225 - 195 miljoen v. Chr.
Geologisch tijdvak Trias.
Het
Trias is een geologisch tijdvak dat duurde
van 251,0 tot 199,6 miljoen jaar (Ma) geleden.
De periode, het vroegste tijdvak van het era
Mesozoïcum, wordt in West-Europa onderverdeeld
in de volgende subperiodes:
·
Keuper (228 - 199,6 Ma)
· Muschelkalk
(237 - 228 Ma)
· Buntsandstein
(251 - 237 Ma)
Fauna.
Het Trias werd ingeleid door de
Perm-Trias massa-extinctie; het uitsterven van
meer dan driekwart van alle diersoorten die
leefden aan het eind van het Perm. Aan het begin
van het Trias was de biodiversiteit dan ook
extreem laag, wat nieuwe diersoorten echter de
kans gaf zich te ontwikkelen. In dit tijdperk
verschenen de eerste dinosauriërs,
pterosaurussen, ichthyosaurussen, zoogdieren en
volgens sommigen ook de eerste vogels (zie:
Protoavis). Aan het eind van het Trias werd de
Aarde getroffen door een meteoriet. De inslag
zorgde voor het uitsterven van enkele groepen,
zoals alle Therapsiden, behalve de cynodonten,
en enkele groepen thecodonten. Deze inslag had
echter lang niet zulke dramatische gevolgen als
de inslagen aan het einde van het Perm en het
Krijt.
Bekende dieren uit het Trias.
Coelophysis,
Cynognathus, Eoraptor, Euparkeria, Herrerasaurus,
Lystrosaurus, Megazostrodon, Placerias,
Plateosaurus, Postosuchus, Protoavis en de
Staurikosaurus.

Ligging van de continenten aan het begin van het
Trias. Afdruk van
wikipedia.org
●●●
195 - 136 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak
Jura.
Bloeiperiode ammonieten, belemoieten en grote
reptielen. Eerste (oer)vogel.
Het geologisch tijdvak
Jura is een periode van het era Mesozoïcum dat duurde
van ongeveer 199,6 tot 145,5 miljoen jaar geleden (Ma) en
wordt onderverdeeld in de subperiodes:
Vroeg Jura of Lias (199,6 - 175,6 Ma)
Midden Jura of Dogger (175,6 - 161,2 Ma)
Laat Jura of Malm (161,2 - 145,5 Ma)
Naamgeving.
Het tijdvak Jura is genoemd naar het
gelijknamige gebergte in Zwitserland, de Jura.
West-Europa.
In Nederland komt het Lias slechts bij
Winterswijk in enkele beekbeddingen aan de oppervlakte. In
Zuid-België komen Lias en Dogger aan de oppervlakte aan de
oostrand van het Parijse bekken.
Flora en fauna.
Veel Jurassische gesteenten zijn rijk aan
planten- en dierenfossielen. De plantenwereld was goed
ontwikkeld met nieuwe groepen van varens en naaktzadigen. De
dierenwereld werd beheerst door reptielen (dinosauriërs);
zij bevolkten in uiteenlopende vormen en afmetingen zowel
land, zee als luchtruim. Beroemd is Archaeopteryx, de
'oervogel', die mogelijk een schakel vormt tussen reptielen
en moderne vogels.
Bekende dieren uit de Jura.
Allosaurus, Ammoniet, Apatosaurus,
Archaeopteryx, Brachiosaurus, Ceratosaurus, Diplodocus,
Dilophosaurus, Eustreptospondylus, Fruitafossor Hybodus,
Ichthyosaurus, Liopleurodon, Marsupialia,
Megalosaurus, Ornitholestes, Plesiosaurus, Rhamphorhynchus,
Seismosaurus, Stegosaurus en de Ultrasaurus
Anatosaurus
is een geslachtsnaam die vroeger gebruikt werd om een aantal
fossielen van dinosauriërs behorende tot de Hadrosauria in
onder te brengen.

Stegosaurus is een geslacht van
ornithischische dinosauriërs. Hij behoort tot de Stegosauria,
een groep planteneters die in het Jura haar hoogtepunt
bereikte. Stegosaurus leefde 150 miljoen jaar geleden
tijdens het Late Jura in Noord-Amerika en is met negen meter
lengte de grootste bekende stegosauriër.
●●●
136 - 65 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak
Krijt.
Tijdens het Laat-Krijt is de temperatuur daar
altijd boven het vriespunt gebleven. De gemiddelde
jaartemperatuur moet toen min. 14° C hebben bedragen en
tijdens de koudste maanden moet het er niet kouder zijn
geweest dan ca. 5° C boven nul, terwijl het tijdens de
zomermaanden zo’n 35 á 40° C was.
De hoge temperatuur in het Noordpoolgebied
wordt toegeschreven aan een broeikaseffect, veroorzaakt door
een periode van sterke vulkaanactiviteit. De poolkappen
kenden in die periode dan ook geen ijskappen, maar bestonden
uit open water en weelderige bossen. Een fossiel gevonden
van een grote Ammoniet, gevonden in het
Zuidpoolgebied (nu in Pools bezit) is een fraai bewijs voor
het broeikaseffect in deze periode.
De laatste periode van het Krijt werd
anderhalve eeuw geleden door de Belgische geoloog André
Dumont het Maastrichtien genoemd. Dumont was geïnteresseerd
in de opbouw van aardlagen en constateerde in de mergelrijke
omgeving van de Limburgse hoofdstad opvallende afwijkingen
in het systeem van afzettingen. Europa was in die periode
een verzameling eilanden.
Tussen 80 en 70 miljoen jaar geleden namen de
onderlinge verschillen tussen de Zoogdieren enorm toe,
doordat zij zich gingen aanpassen aan hun functie in de
natuur en op hun eigen wijze hun voedselprobleem oplosten In
het Laat-Krijt ontwikkelden zich uit de Laurasiatheria de
Hoefdieren, de Insectivoren (Egels, Mollen en Spitsmuizen)
en uit de Eurarchontoglires de Vroegste primaten.
Van de eencellige Foraminiferen tot de
Ammonieten en Belemmieten. Ook alle zeereptielen
(waaronder de Mosasaurus), de vliegende reptielen (Pterosauriërs)
en de Gevederde Dinosauriërs verdwenen. Op het vasteland
overleefde geen enkel dier dat meer dan 25 kg woog: Het
tijdperk van de reusachtige Sauriërs was definitief voorbij.
Dit massale uitsterven markeert het einde van het Krijt. Hun
plaats werd ingenomen door de Zoogdieren. De grens tussen
Krijt en Tertiair is wereldwijd zichtbaar als een duidelijke
kleilaag. Ook in Zuid-Limburg is die laag gevonden.
Tyrannosaurus
is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs,
behorend tot de groep van de Tyrannosauridae, dat tijdens
het late Krijt, ongeveer 66 miljoen jaar geleden, leefde in
het westen van het huidige Noord-Amerika.

Triceratops
is een geslacht van plantenetende ornithischische
dinosauriërs uit de groep van de Ceratopia, dat tijdens het
late Krijt leefde in het gebied van het huidige
Noord-Amerika.

Parasaurolophus
("verwant aan Saurolophus") is een dinosauriër die ongeveer
76 tot 73 miljoen jaar geleden leefde, in het Campanien
tijdens het Late Krijt. Hij behoorde tot de groep van de
Hadrosauridae, die tegenwoordig als een klade
geïnterpreteerd wordt, ondanks een uitgang die naar de
taxonomische rang van familie verwijst.

Spinosaurus aegyptiacus
is een vleesetende theropode dinosauriër,
behorend tot de Spinosauroidea, die tijdens het
midden van het Krijt leefde in het gebied van
het huidige Egypte. Spinosaurus is het grootste
bekende landroofdier uit de wereldgeschiedenis.
●●●
65 - 53 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak
Paleoceen.
Belangrijke periodes in het Cenozoïcum
waren het Paleoceen (65 tot 55 miljoen jaar geleden) en het
Eoceen (55 tot 34 miljoen jaar geleden). In het Paleoceen,
de periode die op het Krijt volgt, was er een eerste
radiatie van eerder vreemde, archaïsche soorten, die snel
uitstierven. Maar van de huidige egels en andere
insectivoren vinden we hier al voorouders terug!
Aan het begin van het Eoceen verschijnen
de eerste echt bekende zoogdiergroepen, zoals de
onevenhoevigen (zoals primitieve paardjes), de evenhoevigen
(zoals primitieve runderen), de walvissen, de knaagdieren,
de vleermuizen en de eerste primaten (zoals Teilhardina
belgica). De voorlopers van de moderne carnivoren (zoals
Mesonyx) komen pas op het einde van het Eoceen tot bloei.
De plotse opkomst en bloei van deze nieuwe
groepen is opmerkelijk, en wordt vaak gebruikt als één van
de belangrijkste kenmerken van de overgang van het Paleoceen
naar het Eoceen. Toch is er nog weinig bekend over deze
gebeurtenissen: Waar en wanneer ontstonden deze dieren? En
uit welke groep? Dat zijn enkele van de vragen waarover ons
expeditieteam zich in China zal buigen.

Afbeelding van een vleermuis uit het Paleoceen.

Gastornis
is een 2,1 meter hoge prehistorische vogel die tijdens het
Paleoceen en het Eoceen (61-40 miljoen jaar geleden) leefde.
Varianten van Gastornis zijn zowel in West-Europa (België,
Engeland en Frankrijk) als in de VS (New Jersey, New Mexico
en Wyoming) gevonden. Met de grote snavels en sterke poten
werden waarschijnlijk paardachtigen en hoefdieren
overmeesterd. Het is echter niet geheel zeker of Gastornis
een carnivoor was: sommige wetenschappers menen dat het dier
zijn scherpe snavel gebruikte om grasbundels, riet en andere
planten door te snijden.
Wikipedia.org
Lijst van dinosauriërs
●●●
53 - 37 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak
Eoceen.
Het geologisch tijdvak Eoceen (eos
= oud) is een subperiode van de Cenozoïsche periode
Paleogeen. De wereldwijde temperatuur was gedaald, en er had
zich ijs gevormd op Antarctica. De oceaanstromingen raakten
verzadigd met het koude zeewater van de Zuidpool, en
beïnvloedden op hun beurt het klimaat. Deze
klimaatsverandering werd vormgegeven door een globale El
Niño die leidde tot een extinctie van 20% van de plant- en
diersoorten.
Flora en fauna.
Dit was de grootste extinctie sinds de K-T
overgang, tijdens welke 70% van het leven uitstierf,
waaronder de dinosauriërs. Door de klimaatsveranderingen
werden de regenwouden kleiner, waardoor de zoogdier op de
pampa's konden gaan leven. Hier werden ze groter en sterker
en konden de vleesetende Creodonta en Carnivora het van de
vogels overnemen. In het Eoceen verschenen de echte apen en
slurfdieren en begonnen de Carnivora zich verder te
ontwikkelen. Veel van de families van de knaagdieren en
vleermuizen zijn in het Eoceen ontstaan. Ook verscheen het
allereerste gras.
Bekende dieren uit het Eoceen.
Andrewsarchus, Apidium, Arsinoitherium,
Basilosaurus, Batodonoides, Brontotherium, Diacodexis,
Dorudon Gondwanatheria, Moeritherium, Nimravidae, Notharctus,
Patriofelis, Sarkastodon en de Tingamarra
●●●
37 - 22 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak
Oligoceen.
Het
geologisch tijdvak Oligoceen is de jongste/bovenste
subperiode van de periode Paleogeen, dat duurde van 33,9 tot
23,03 Ma. Het komt na het Eoceen en na/op het Oligoceen komt
het Neogene Mioceen.
Flora en fauna
In het Oligoceen herstelde de flora en fauna
zich van de massa-extinctie aan het einde van het Eoceen.
Het klimaat begon te lijken op dat van nu. De Creodonta
hadden al zware klappen gekregen tijdens de extinctie en
kregen nu de groeiende concurrentie van de Carnivora te
verduren. In het Oligoceen ontwikkelden de paarden zich
verder en ontstonden de haasachtigen. De neushoorns
ontwikkelden enkele zeer grote soorten. De allereerste
hominiden ontstonden in Afrika.
Bekende dieren uit het Oligoceen
Aegyptopithecus, Arsinoitherium, Beerhond,
Brontotherium, Chalicotherium, Entelodont, Hyaenodon,
Nimravidae en de Paraceratherium
In het Oligoceen was de wereld weer een
beetje tot rust gekomen van de klimaatschaos. De oude
soorten die zich niet aan de klimaatsverandering hadden
kunnen aanpassen waren uitgestorven, en de nieuwe soorten
begonnen zich te handhaven in een nieuwe wereld van open
vlaktes. Tijdens het Oligoceen heersten de dieren voor wie
grote belangrijk was. Nog steeds leefden de Brontotheren, en
zij hadden gezelschap gekregen van Indricotheren,
Chalicotheren en neushoorns. De roofdieren waren
Mesonychiden en Creodonten, en ook zij hadden enorme
groottes bereikt. En niet te vergeten de Entelodonten, de
enorme aaseters.
Voor al deze dieren was het goed om groot te zijn. Niet
alleen konden ze zich dan beter verdedigen tegen rovers, of
konden de rovers juist beter hun prooi grijpen, ze konden
ook langer zonder water of voedsel in barre tijden.
Bijvoorbeeld in het droge seizoen.
Tijdens het Oligoceen stierven de multituberculata uit, een
oude groep zoogdieren die uit het Krijt stamden.
Voordat we in het heden aankomen stonden er nog twee grote
gebeurtenissen te wachten; de ijstijden en het ontstaan van
het gras. Gras kunnen we tegenwoordig niet meer uit ons
leven wegdenken, maar het is feitelijk iets van de laatste
miljoenen jaren. Gras fossiliseert niet zo goed, maar we
denken dat de eerste grassen ontstonden ergens in het
Oligoceen, 25 miljoen jaar geleden. In dat prille begin
waren er nog niet veel dieren die zich met gras voeden. Gras
is nou niet bepaald het voedzaamste en goed verteerbaar
voedsel, bovendien kwam het nog niet zo veel voor
toendertijd en de dieren hadden nog geen tijd gehad om zich
er aan aan te passen. Maar het zou niet lang meer duren
voordat dat gebeurde.

Tekening van fossielen van Oligocene hondachtigen (Canidae)
uit de Amerikaanse John Day Formation, door de paleontoloog
Edward Drinker Cope in 1884.
Afdruk van
wikipedia.org
●●●
22 - 7 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak
Mioceen.
Bruinkoolvorming en planteneters (herbivoren).Gedurende het
Mioceen, zo'n 20 miljoen jaar geleden, kwam Afrika steeds
dichter bij Europa te liggen, waardoor de Thetyszee tussen
deze continenten steeds smaller werd. Italië, dat ooit deel
uitmaakte van Gondwana brak los en werd tegen Europa
aangeduwd waardoor de Alpen verder werden opgestuwd. Vroeg
in het Mioceen kwam er een einde aan Afrika's langdurige
isolement, toen het continent zich, evenals Arabië,
samenvoegde met Eurazië en er allerlei diersoorten het
continent binnenkwamen die door ons altijd als inheems
Afrikaans zijn beschouwd.
Het Mioceen was een rustige tijd voor de
aarde. Weliswaar was het ontstaan van gras een enorme
revolutie, maar er vonden geen rampen of kolossale
klimaatsveranderingen plaats. In het Oligoceen waren de
eerste graseters ontstaan. Dit waren er niet zo veel, en het
waren maar kleine dieren, de Hazen bijvoorbeeld. Maar deze
kleine verandering zette een kettingreactie in gang. De
nieuwe graseters - de voorouders van de Antilopen - waren
snelle kuddedieren, veel Hoefdieren die vroeger in het bos
leefden hadden stevige poten ontwikkeld om het gras overal
te volgen waar het opkwam. In het Mioceen stierven de
bladeters uit en werden vervangen door graseters. De grote,
robuuste jagers zoals de Mesonychiden (Adrewsarchus) en
Creodonten (groep primitieve roofdieren uit het vroeg
Eoceen, waartoe de Hyaenodon behoorde), die zich met de
bladeters voeden verdwenen ook. India dreef tegen het
zuiden van Azië aan waardoor het Himalaya gebergte werd
gevormd.
In deze nieuwe wereld ging het om snelheid en
bewegelijkheid. Om de snelle hoefdieren achterna te gaan
ontstonden een nieuwe groep van snelle, slanke roofdieren:
de Carnivora. Dit is de groep roofdieren die we nu kennen,
de beren, katten en wolven zijn allemaal Carnivora. Tijdens
het Eoceen waren de Carnivora kleine roofdieren die in bomen
leefden. Ook voor de dieren die geen gras aten, of op de
graseters jaagden had deze groene revolutie consequenties.
In het
Laat-Mioceen ontstonden de eerste Mensapen. Apen waren van
oorsprong bomenklimmende dieren, maar in het Mioceen maakten
de bossen plaats voor graslanden, en de apen die niet
wegtrokken op zoek naar overgebleven woud rond de evenaar
moesten zich aanpassen in een wereld waar ze meer tijd op de
grond doorbrachten. In het Mioceen waren de veranderingen
nog maar klein, De mensapen brachten nog steeds het grootste
deel van hun tijd in de bomen door. Pas later zouden ze zich
echt op de grond gaan thuis voelen, wat resulteerden in de
Hominiden, de rechtoplopende apen.
rechts: Het geslacht Dryopithecinae, dat ca.
18 miljoen jaar geleden ontstond staat dicht bij de de
gorilla en de chimpansee. Het geslacht speelde in het
Midden-Mioceen (ca. 16 - 12 miljoen jaar geleden) een grote
rol in Indië en Afrika. Ook kwamen de Dryopithecinae voor in
Europa.
Eerst kwamen de voorouders van de Antilopen,
de Katachtigen, de Giraffen en de Neushoorns. Bijna elk die
dat nu over de Serengeti zwerft, is een relatieve
nieuwkomer. Afrika gaf in ruil daarvoor ook wat terug. De
apen koloniseerden Eurazië en gedijden er goed. Olifanten en
hun verwanten verspreidden zich over de gehele wereld, tot
in het zuidelijkste puntje van Patagonië.
Aan het begin van het langdurige Mioceen was
er opnieuw sprake van een ingrijpende klimaatverandering. De
aarde warmde weer op en er waren seizoengebonden
klimaatpatronen ontstaan. In veel gebieden op hogere
breedten maakte het woud geleidelijk plaats voor grasland en
savanne. Gras is rus, vandaar dat sommige zoogdieren een
nieuwe tandformule ontwikkelden. Zo kregen paarden sterk
aangepaste kiezen voor het eten van gras. In 2000 werden in
Venezuela de restanten gevonden van een uitgestorven
reuzencavia die de afmetingen had van een koe en meer dan
700 kg moet hebben gewogen. Daarmee was het dier, Phoberomys
pattersoni genaamd, ruim tien keer zo zwaar als het grootste
moderne knaagdier, de capibara. De onderzoekers groeven een
nagenoeg compleet skelet en een gave schedel van het dier op
uit de sedimenten van de Urumaco-formatie in een gebied, 400
km ten westen van de hoofdstad Caracas. Tot voor kort waren
er slechts tand- en botfragmenten gevonden, maar met deze
nieuwe vondst is voor het eerst een betrouwbare schatting
van de omvang van het dier mogelijk. Het dier leefde tijdens
het late Mioceen, 8 miljoen jaar geleden, had relatief
fragiele voorpoten, maar zeer robuust uitgevoerde
achterpoten.
Uit de dikte van die laatste beenderen
berekenden de wetenschappers het gewicht van de Phoberomys
pattersoni. Bij een schatting op basis van de voorpoten zou
de reuzencavia uitkomen op een gewicht van 436 kg. Maar
omdat de gewichtsschattingen op basis van de achterpoten
over het algemeen het betrouwbaarst zijn, meenden de
onderzoekers toch daarvoor te moeten kiezen en kwamen zij
uit op 741 kg. Uit analyse van het gebit blijkt dat de
reuzencavia een grazer was, die zich voedde met grassen in
moerassen en lagunes. Het dier leefden waarschijnlijk deels
in het water en deels op het land, net als zijn modernere en
veel kleinere neef, de capibara. De reuzencavia had een
lange staart, kennelijk om zijn evenwicht te bewaren. Het
dier stond recht op zijn poten en moet op een afstand meer
op een grazende koe hebben geleken, dan op een uitvergrote
cavia.
Aan het eind van het Mioceen veranderden de
geologische en klimatologische omstandigheden voor de
zoogdieren opnieuw. De aarde werd nu nog kouder en droger.
In de Poolgebieden vormden zich dikke ijskappen, de Sahara
nam geleidelijk bezit van Noord-Afrika. Een groot deel van
het continent veranderde in een savanne.
Het zeeniveau daalde en er ontstonden
landbruggen tussen Europa en Azië. Het klimaat werd
voortdurend kouder. In Europa en Azië ontstonden grote
grasvlakten.
Het veranderende klimaat leidde ertoe dat het
verspreidingsgebied van de Primaten zich beperkte tot de
equatoriale zone. De resterende mensapen werden groter en
sterker gespecialiseerd. Aan het eind van het Mioceen
ontstonden de Hominiden, de rechtoplopende apen en onze
voorouders.
Eigenlijk was het voor alle primaten een goede tijd, behalve
de Hominiden leefden er ook veel andere mensapen zoals de
Gigantopithecus en de Ramapithecus. De Hominiden
ontwikkelden hun rechtopgaande gang omdat dit efficiënter
was in een savanne. In het open terrein is het als aap beter
om op twee dan op vier benen te lopen.
Bekende dieren uit het Mioceen
Dromornis, Megalodon, Odobenocetops,
Phiomia, Megistotherium, Ramapithecus en de Sahelanthropus
tchadensis.

●●●
7 - 2 miljoen v. Chr. Geologisch tijdvak
Plioceen.
Het
geologisch tijdvak Plioceen is de jongste/bovenste
subperiode van het in verouderde indelingen gebruikte
sub-era Tertiair, dat duurde van 5,332 tot 2,588 Ma.
Flora en fauna
In het Plioceen leek de natuur al veel
op die van tegenwoordig; er waren veel dieren die nu nog
steeds bestaan- neushoorns, stekelvarkens, leeuwen,
luipaarden, otters, gieren en zebra's. Echter, er waren ook
nog hominiden, sabeltandkatten, schaarse looproofvogels en
mastodonten. Aan het einde van het Plioceen begonnen de
ijstijden van het Pleistoceen.
Bekende dieren uit het Plioceen
Australopithecus, Deinotherium,
Gigantopithecus, Dinofelis en de Ankylotherium.
●●●
3.400.000 v. Chr Geologisch tijdvak Late
plioceen.
In het onder Plioceen van India, Pakistan en
Kenia zijn fossiele kaakfragmenten en kiezen gevonden van de
eerste hominide, Ramapithecus, dit dier (of mens) vormde een
zijtak van de dryopithecinen (bospapen).
In acht miljoen jaar jongere afzettingen
komen de eerste fossielen van mensachtige voor. In die
periode leefden er vier hominide soorten waarvan twee
soorten Australopithicus, een late vorm van Ramapithecus en
de vroegste vertegenwoordiger van het geslacht Homo waartoe
de moderne mens wordt gerekend.

Ramapithecus.
●●●
1.720.000 v. Chr. Geologisch tijdvak vroeg
pleistoceen.
In de
klassieke Noord-Europese Kwartairstratigrafie omvat het
Vroeg-Pleistoceen de etages Pretiglien, Tiglien, Eburonien,
Waalien, Menapien en Bavelien. Het Vroeg-Pleistoceen duurde
ongeveer 1,75 miljoen jaar. Het Pretiglien- 2,6 tot 2,45
miljoen jaar geleden
Op het noordelijk halfrond beginnen zich
omstreeks 2,5 miljoen jaar geleden tijdens het Pretiglien
tamelijk grote landijskappen te ontwikkelen. IJsbergen laten
tot vrij ver zuidelijk puin achter op de bodem van de
Atlantische Oceaan. De zeespiegelstand beweegt gedurende het
Pretiglien tot drie keer toe minimaal 50 meter op en neer.
De invloed van kouder water vanuit het noordoostelijk deel
van de Atlantische Oceaan neemt toe. Warmteminnende
loofbomen en subtropische Tertiaire flora-elementen zijn
geheel uit de vegetatie verdwenen. De opheffing langs de
randen van het Noordzeebekken, die in het Laat-Mioceen begint,
zet door in het Pretiglien. Behalve het zuidoosten en oosten
maakt het grootste deel van ons land gedurende het
Pretiglien nog deel uit van de Noordzee.
Het Tiglien - 2,45 tot 1,8 miljoen jaar
geleden.
Aan deze periode gaven zij de
naam 'Teglian', naar de Noord-Limburgse plaats Tegelen.
De term 'Tiglien' wordt door
Van der Vlerk & Florschütz in 1950 ingevoerd. In de kleigroeven in de
directe omgeving van deze plaats zijn in het begin van de
twintigste eeuw fossielen van opmerkelijke zoogdieren
gevonden. Het begin van het Tiglien is duidelijk veel warmer
dan het voorafgaande Pretiglien. Uit het laatste deel van
het Tiglien, ongeveer 1,9 miljoen jaar geleden, zijn
aanwijzingen voor extreme koude aangetroffen. In de
bovenkant van de kleilagen bij Tegelen komen namelijk resten
van vorstwiggen voor, die wijzen op toendra-achtige
omstandigheden met een permafrostbodem. Tegen het einde van
het Tiglien, ligt de kustlijn bijna geheel ten westen en
noordwesten van de huidige kust.
●●●
730.000 v. Chr. Geologisch tijdvak midden
pleistoceen.
Droogte en vegetatie in grote delen van
Afrika hangen af van de oppervlaktetemperatuur van het water
van de tropische Atlantische Oceaan. Dit concluderen
paletklimatologen en geochemici van het Koninklijk
Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) in een
artikel in Nature van 27 maart 2003.
Een gevoelige balans tussen verdamping en
neerslag bepaalt de luchtvochtigheid boven de tropische
Atlantische Oceaan en in grote delen van (sub)tropisch
Afrika. Veranderingen in die balans kunnen leiden tot
inkrimpen van regenwouden en uitbreiding van savannes en
woestijnen. Dr. Enno Schefuß bestudeerde deze veranderingen
voor het midden-Pleistoceen (1.300.000 tot 400.000 jaar
geleden).
Hij ontdekte dat in deze periode de
oppervlaktetemperatuur van het zeewater in de tropische
Atlantische Oceaan een grote invloed had op de hoeveelheid
neerslag in Afrika.
In het midden-Pleistoceen zijn de grote
ijskappen op het noordelijk halfrond ontstaan.
Diepzeeboringen in het Angola Bekken voor de westkust van
Afrika onthullen het klimaat in Afrika en in de tropische
Atlantische Oceaan in deze periode. De onderzoekers hebben
in een door NWO gefinancierd project landplant-wassen uit
een diepzeekern geanalyseerd. De was die normaal de bladeren
van planten bedekt, wordt door regen, wind of zandstormen
makkelijk verwijderd. Stof in de lucht vervoert deze
plantenwassen vervolgens naar de tropische Atlantische
Oceaan. De diepzeekern bevat bovendien informatie over de
oude oceaan zelf, zoals temperatuurschommelingen aan het
zeeoppervlak.
Gedurende het midden-Pleistoceen waren de
overgangen van regenwoud naar grasland nauw gekoppeld aan
veranderingen van de temperaturen van het zeewateroppervlak
in het Angola Bekken. De tropische vegetatie gedroeg zich
echter onafhankelijk van andere klimaatsveranderingen, zoals
de opbouw van de ijskappen op het noordelijk halfrond. De
neerslaghoeveelheid in Afrika en daarmee de aard van de
vegetatie is dus voornamelijk gevoelig voor
temperatuurschommelingen in het Atlantische
warmwaterreservoir. Afkoeling van de tropische Atlantische
Oceaan leidt uiteindelijk tot droogte in Afrika. Deze
bevinding wordt door recente klimaatmodellen en
meteorologische observaties ondersteund.
●●●
600.000 v. Chr. Geologisch tijdvak mammoeten.
Mammoeten
(Mammuthus) zijn een geslacht van uitgestorven
olifantachtigen.
Verschillende soorten
Er hebben verschillende soorten mammoeten
bestaan. Het zijn waarschijnlijk afstammelingen van een
gezamenlijke voorouder. Doordat ze verschillende leefwijzen
hadden konden ze naast elkaar bestaan.
● Zuidelijke mammoet (Mammuthus
meridionalis) uit zuidelijk Europa;
● Steppenmammoet (M. trogontherii) uit
Europa
● Wolharige mammoet (M. primigenius)
uit noordelijk Europa, Azië en Noord-Amerika;
● Sardinische Dwergmammoet, (M. lamarmorae)
uit Sardinië (Italië)
● Keizersmammoet (M. imperator) uit
Noord-Amerika;
● Amerikaanse mammoet (M. columbi) uit
Noord- en Midden-Amerika
De wolharige mammoet is van deze soorten
waarschijnlijk de bekendste. Hij leefde rond 600.000 jaar
geleden, in het Pleistoceen. Hij had een dikke vacht waarvan
de haren soms tot aan de grond reikten. De oren waren klein
(30 centimeter) en ook bedekt met haren ter bescherming
tegen de kou. Van de andere mammoetsoorten was alleen de
steppenmammoet dik behaard, de andere soorten leefden in
veel warmere gebieden en waren dan ook vrijwel onbehaard,
net als de huidige olifanten. Het lijkt er ook op dat de
wolharige mammoet een kortere levensduur had, ze werden
hooguit 35 jaar. De huidige olifant haalt makkelijk 50 jaar.
Vaak wordt gedacht dat mammoeten immens groot waren, en
'mammoet' is in onze taal een aanduiding voor 'gigantisch'
geworden, bijvoorbeeld in 'mammoettanker' of 'mammoetwet'.
Dit geldt zeker voor de grootste soorten, de keizersmammoet
en de Amerikaanse mammoet van Noord Amerika, maar de andere
mammoeten waren niet groter dan de hedendaagse Aziatische
olifant. Wel hadden ze gigantische slagtanden, bij stieren
konden die wel 4 meter lang zijn.
Evolutie.
Volgens de nieuwste inzichten zouden de
mammoeten zich ongeveer 4,8 miljoen jaar geleden hebben
afgesplitst van de voorouders van de Aziatische olifant,
terwijl hun gemeenschappelijke voorouder zich ongeveer 7,3
miljoen jaar geleden heeft afgesplitst van de
gemeenschappelijke voorouder met de Afrikaanse olifant. Dat
betekent dus dat er in feite een nauwere verwantschap
bestaat tussen de mammoet en de aziatische olifant dan
tussen de afrikaanse en de aziatische olifant. De Latijnse
naam "Mammut" wordt gegeven aan een andere familie van
uitgestorven olifantachtigen, de mastodonten. Deze familie
heeft zich al bijna 30 miljoen jaar geleden afgesplitst van
die van de huidige olifanten en de mammoeten. De mastodont
is dus niet bijzonder nauw verwant aan de mammoet.
Ontdekking en naam.
Al eeuwen lang werd er in Noord-Europa,
Rusland en Siberië fossiel ivoor gevonden. In de 18e en 19e
eeuw ontdekten Russische onderzoekers in Siberië diverse
tamelijk goed bewaarde ingevroren lichamen in de permafrost
van Siberië. Een buitengewoon volledig lichaam werd in 1901
gevonden aan de oevers van de rivier Berezovka. De Jakoeten
(een Mongools, Turks-sprekend volk) waren al eeuwenlang
bekend met dergelijke resten en hadden daaraan de naam "mamont"
gegeven, hetgeen "aardworm" betekent in hun taal. Zij
dachten namelijk dat de in de grond gevonden overblijfselen
afkomstig waren van een reusachtige aardworm. In het
Russisch heet het dier nog altijd "mamont". Via Franse
publicaties raakte, door een spelfout, echter in West-Europa
de vorm "mammouth" verspreid.
Leefgebied.
Omdat tijdens de ijstijd veel van het water
op aarde bevroren was, waren sommige zeeën drooggevallen.
Daardoor kon de wolharige mammoet zich verspreiden over
grote delen van de wereld. De mammoeten hadden als
woongebied toendra- en permafrostgebieden van noordelijk
Europa, Azië en Noord-Amerika. Net als bij vele andere
bewoners van deze streken het geval was, zoals de wolharige
neushoorn, was het lichaam bedekt met een dichte en
isolerende laag haar om het te beschermen tegen het koude
klimaat. Het leefgebied was overigens volgens recentere
inzichten wel koud maar niet zo koud dat er geen gras kon
groeien, waarvan een mammoet naar schatting 180 kilo per dag
nodig had. Ze hadden sterke kiezen om de taaie, harde
grassen op de steppen te kunnen vermalen.
Uitgestorven.
De mammoet stierf waarschijnlijk vlak na het
einde van de laatste ijstijd uit, zo'n 12.000 jaar geleden.
Er bestaan sterke vermoedens dat bejaging door de mens hier
een groot aandeel in had. Of dit inderdaad de oorzaak was of
bijvoorbeeld de klimaatsverandering aan het eind van de
ijstijd is nog onderwerp van een hevige wetenschappelijke
controverse. In de Siberische permafrost zijn nog
aanzienlijke aantallen ingevroren mammoeten te vinden die
voldoende goed geconserveerd zijn om een heleboel over de
dieren te weten te komen, zelfs wat voor kleur haar ze
hadden en hoe ze roken (als hedendaagse olifanten).

Bijzondere vondsten.
In 1993 rapporteerden Russische
wetenschappers dat ze resten van mammoeten hadden gevonden
op Wrangel eiland, 200 km uit de Siberische kust, die
gedateerd werden op 3700 jaar geleden (dus pas 1700 jaar
voor Christus). Hierdoor zou het uitsterven van de mammoet
met 6000 jaar naar voren worden gehaald. Deze vondst geeft
steun aan de hypothese dat de mammoet is uitgestorven als
gevolg van bejaging door de mens. De op Wrangel gevonden
mammoeten leken erg klein; hoewel aanvankelijk werd gerept
van 'dwergmammoeten' lijkt het er nu op dat het om
vrouwtjesmammoeten gaat die, net als hedendaagse olifanten,
na hun eerste dracht niet meer groeiden en beduidend kleiner
bleven dan mannetjes. Overigens zijn van vele, ook
hedendaagse, andere diersoorten kleinere ondersoorten bekend
die op geïsoleerde eilanden leven. Eind 2002 werd in de
Siberische provincie Jakoetië de zogenoemde Yukagir-mammoet
(een wolharige mammoet) gevonden van 18.000 jaar oud. Eerder
waren er al ongeveer een dozijn mammoeten gevonden in
Siberië en Alaska, maar dit was een zeer goed bewaard
gebleven exemplaar. Zo was de kop (op de slurf na) vrijwel
intact. Ook trof men een complete poot en een maag met goed
geconserveerde inhoud aan.
Nederland mammoetland.
De grootste mammoetverzameling (7500 botten)
ter wereld ligt in het Naturalis-museum te Leiden. Dat is te
danken aan het onder water komen te staan van de Noordzee en
de daarin gelegen Doggersbank. Wat tegenwoordig de Noordzee
is, was tijdens de laatste ijstijd een boven de zeespiegel
liggende vlakte. Doordat veel water was vastgelegd in de
immense ijskappen lag de zeespiegel zo'n 150 meter lager dan
tegenwoordig. Door het smelten van het ijs kwam deze vlakte
geleidelijk onder water te staan. Het merendeel van de
Noordzee heeft tegenwoordig een diepte van 100 tot 120
meter. Maar midden in de Noordzee ligt een reusachtige
zandbank die nu zo'n 40 meter onder de zeespiegel ligt. Ten
tijde van het smelten van de ijskap was deze Doggersbank een
tijdlang een boven de rijzende zeespiegel uit stekende
heuvelrug. De dieren die de vlakte bevolkten vluchtten hier
naartoe. Toen ook dit laatste toevluchtsoord onder water
kwam te staan verdronken grote massa's dieren jammerlijk.
Vissers die hun sleepnetten boven, of in de buurt van, de
Doggersbank uitgooien halen regelmatig botten naar boven.
Een groot deel daarvan is voor onderzoek aan Naturalis
afgedragen. Veel Nederlandse onderzoekers spelen een
prominente rol in mammoetonderzoek en expedities.

De Mammoet.
Afdruk van
wikipedia.org
De ijstijd.
Zo’n 600.000 jaar geleden veranderde
het klimaat
op de aarde. De straling van de zon werd minder, de winter
werd kouder en ook ’s zomers ging de temperatuur omlaag. De
zomers werden ook korter. In de winter viel er veel sneeuw.
In honderden jaren werd Noord-Europa en de Alpentoppen
bedekt met sneeuw.
Omdat de zomers te kort en te koud waren dooide de sneeuw
nooit helemaal, alleen de bovenste laag smolt. Als het dan
weer kouder werd veranderde de gesmolten sneeuw in
ijskorreltjes en de noemden we firn. De overgang van sneeuw
naar firn duurde maar een paar dagen. Het gebeurde vooral op
beschutte plaatsen, zoals in bergdalen. Op deze firn viel
weer nieuwe sneeuw, zodat er een steeds zwaardere firn-laag
ontstond. De lucht tussen de ijskorrels werd weggeperst. Zo
ontstond er een ijsmassa die we een gletsjer noemen.
Het kon wel honderden jaren duren voor dat sneeuw en firn
een gletsjer waren. Wanneer de ijsmassa een bepaalde dikte
had, begon hij te schuiven, dan zeggen we dat de gletsjer
stroomt.
Lage zeespiegel.
Door de kou kwam de sneeuw steeds verder naar het zuiden. De
gletsjers rukten op tot in het laagland. Waar eerst altijd
regen viel viel nu sneeuw. Het verschil is dat regen
terugstroomt naar zee, en sneeuw en ijs niet. Dus bleef er
veel meer water op het land liggen. De zeespiegel lag
daardoor 90 meter lager!! De kustgebieden vielen droog, de
eilanden werden met het vasteland verbonden. Bijvoorbeeld de
Britse eilanden en Noord-Frankrijk waren een geheel. Veel
later, toen het klimaat verbeterde smolt de sneeuw weer. In
de ijstijd was een vierde deel van de aarde bedekt met een
dikke ijslaag. Behalve Groenland, Spitsbergen en het
Zuidpoolgebied lagen ook grote gebieden in Amerika,
Argentinië onder het ijs. Ook de Britse eilanden lagen onder
een dik ijspak. In de Vogezen waren grote gletsjers.
Vier ijstijden.
De ijstijd duurde van 600.000 tot 10.000 jaar voor Christus.
Tijdens die 6000 eeuwen was het niet altijd even koud. Soms
waren er ook warmere tijden. Eigenlijk was het dus niet een
grote ijstijd.
Er waren vier ijstijden met daartussen drie
warmere perioden:
● 1e ijstijd: 600.000 - 540.000 jaar
geleden.
● 2e ijstijd: 480.000 - 430.000 jaar
geleden.
● 3e ijstijd: 300.000 - 180.000 jaar
geleden.
● 4e ijstijd: 120.000 - 10.000 jaar
geleden.



IJstijd-dieren. Ook in vele
grotten in de Dordogne (b.v. van Lascaux bij Montignac) zijn
muurschilderingen ontdekt van bizons, paarden en herten in
zwart, geel en rood.
●●●
500.000 v. Chr. Geologisch tijdvak. Prettig
klimaat trok al vroeg hominiden naar Engeland.
De oudst bekende Engelsman was tot voor korst
de 'Boxgrove Man', die ongeveer 500.000 jaar geleden leefde.
Er is overigens weinig van hem bekend: tanden en een
scheenbeen werden tussen 1993 en 1996 ontdekt in een
grindgroeve in Boxgrove. Hij wordt gerekend tot Homo
heidelbergensis, een voorloper van de Neanderthaler. Hoewel
de Boxgrove Man voorlopig de oudst bekende Engelsman blijft,
was hij volgens recent onderzoek niet de eerste bewoner van
Engeland. Er zijn namelijk op diverse plaatsen werktuigen
gevonden die wijzen op een veel eerdere bewoning. Wanneer
die begon is nog niet geheel duidelijk, maar het was
mogelijk niet lang nadat de eerste hominiden in Europa
aankwamen (1.000.000-800.000 jaar geleden, in Spanje en
Italië
Uit de Homo Antecessor ontwikkelde zich ca.
500.000 jaar geleden de Homo Heidelbergensis, de voorouder
van de Vroege Neanderthaler.Vanaf ± 500.000 geleden waagde
de Homo Heidelbergenis zich ook in de noordelijke streken
van Europa. Tussen 400 - 300.000 jaar geleden verspreidde
deze mensensoort zich over Europa, waar zij zich blijvend
vestigden.


Homo
heidelbergensis is een uitgestorven mensensoort
die leefde tussen 500.000 tot 200.000 jaar
geleden.
De soort wordt beschouwd als directe voorouder
van de moderne mens (Homo sapiens). Vroeger werd
deze soort aangeduid als 'pre-Neanderthaler' of
'archaïsche Homo sapiens'. Homo heidelbergensis
vertoont gelijkenis met zowel de neanderthaler,
Homo sapiens als Homo erectus.
●●●
400.000 v. Chr. Geologisch tijdvak
Neanderthaler.
Onderzoek naar Neanderthal genen duidt op
vroege splitsing. Een nieuw genenonderzoek ondersteunt de
theorie dat de lijnen van de moderne mens en de
Neanderthalers al vroeg splitsten en stelt wetenschappers
beter in staat aan te geven wat de mens uniek maakt. Er was
een controverse ontstaan in de wetenschappelijke wereld over
in hoeverre de harige Eurazische jagers op de mens leek,
waarbij sommige wetenschappers zelfs claimden dat de
Neanderthalers deel uit maakten van onze eigen soort Homo
sapiens.Nieuw onderzoek van geneticus James Noonan van het
het Lawrence Berkeley National Laboratory, laat echter zien
dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van de moderne
mens en de Neanderthalers zo’n 400.000 jaar geleden het
lootje legde. Het onderzoek werd eerder deze maand
gepresenteerd tijdens een conferentie van de American
Society of Human Genetics in het Amerikaanse New Orleans.
Richard Potts, directeur van het van het human origins
programma van het natuurhistorisch museum in Washington,
noemde het werk van Noonan “zeer belangwekkend”. “Elk deel
van het Neanderthal genoom is een archief van de gelijkheid
van, en de verschillen [tussen de Neanderthalers en] alle
mensen die op dit moment leven,” zei hij. “Een vergelijking
met een lijn in onze eigen stamboom help ons begrijpen welke
elementen van de genetische code ons mens maken.”
Nucleair onderzoek.
Om het basismateriaal voor zijn onderzoek te verkrijgen
moest Noonan DNA uit fossielen Neanderthal botten
onttrekken. Het filteren van de Neanderthal specifieke
genetische fragmenten was een tijdrovend karwei, met name
ook vanwege de grote hoeveelheid verontreiniging. “Het
grootste deel van het DNA dat we aantroffen was bacterieel
DNA van organismes die de fossielen hadden gekoloniseerd,”
zei Noonan. “We kunnen de oude DNA fragmenten er uit pikken
doordat ze korter zijn en meer verweerd.” Nadat ze de
genetische inhoud van de fragmenten hadden geanalyseerd,
catalogiseerden Noonan en zijn collega’s ze in een
bibliotheek vergelijkbaar aan die die gebruikt is voor het
menselijk genoom. De eerste resultaten tonen aan dat de
Neanderthalers verassend weinig hebben bijgedragen aan de
genetische samenstelling van de moderne mens. Het werk van
Noonan is een enorme stap vooruit vergeleken bij eerdere
onderzoeken. Dat eerdere werk behelsde het analyseren van
mitochondrisch DNA, wat over het algemeen langer bewaard
blijft dan het DNA dat in de nucleus van de cel wordt
gevonden. Noonan onderzocht dit nucleaire DNA, waar veel
meer informatie te vinden is. “Het is het nucleaire DNA waar
alle biologie zich bevind,” aldus Noonan. “We willen
begrijpen waar eigenschappen als taal en bewustzijn
gecodeerd zitten, geen van die kenmerken kunnen in
mitochondrisch DNA worden gevonden. ”Zoals er ook meerdere
groepen tegelijkertijd werkten aan het ontrafelen van de
menselijke genoom, heeft Noonan te maken met de concurrentie
van andere teams. Genetisch antropoloog Svante Paabo van het
Max Planck instituut in Leipzig (Dld) werkt aan een
vergelijkbaar onderzoek met DNA van in Kroatië gevonden
fossielen van een Neanderthaler die 45.000 jaar geleden
leefde. “Een ontrafelt Neanderthal genoom geeft ons een
catalogus van alle verandering die plaatshadden in het
menselijk genoom nadat de mensen splitsten van de
Neanderthalers, het zal dus een prachtig instrument zijn
voor wetenschappers die uit willen zoeken wat de moderne
mens uniek maakt,” zei Paabo.
Terwijl het werk van Noonan zich richt op het bestuderen van
de fragmenten van het Neanderthal genoom die hij het meest
interessant vindt – de fragmenten die hij kan vergelijken
met vergelijkbare fragmenten van het menselijk genoom – is
het doel van Paabo om het hele Neanderthal genoom binnen
twee jaar te hebben ontrafelt. Gezien de resultaten tot nu
toe, verwacht Paabo nog wel een aantal verassingen tegen te
komen verderop in zijn project. “Neanderthal DNA is
vervallen op een specifieke manniet die we niet hadden
verwacht en op bepaalde punten lijken de Neanderthalers
zelfs meer op ons dan we dachten,” aldus Paabo. Richard
Potts hoopt dat het werk van Noonan en Paabo naast een
genetisch profiel, zal leiden tot inzichten in het dagelijks
leven van de Neanderthalers en de uitdagingen voor deze
soort die leiden tot specifieke genetische aanpassingen.
“Analyse van de genetisch opbouw van de Neanderthalers voegt
toe aan het onderzoek naar de fossielen en het
archeologische bestand dat we hebben van het gedrag van de
Neanderthalers,” vind Potts. “Al dit bewijs stelt ons in
staat om te begrijpen hoe de Neanderthalers nou precies
leefden en hoe zij zich aan wisten
te passen aan een veranderende wereld die uiteindelijk ook
onze soort bevatte.”


●●●
300.000 v. Chr. Geologisch tijdvak Saalien.
Het Saalien was de laatste periode waarin
landijs tot in Noord-Nederland kwam. Voor het tijdvak van
360.000 tot 10.000 v. Chr. is het niet eenvoudig een
eenduidige tijdlijn op te stellen. Dat komt voor een deel
omdat datering met steeds grotere onnauwkeurigheid gepaard
gaat naarmate we terug gaan in de tijd. Voor een deel komt
het ook omdat het tijdvak door verschillende wetenschappen
vanuit hun eigen gezichtspunt bestudeerd wordt. Bij gebrek
aan absolute datering werken wetenschappers vaak met namen
om zo toch zeker te stellen dat zij over de zelfde tijd
spreken. Iedere wetenschap (bijvoorbeeld de geologie,
paleontologie en archeologie) heeft zijn eigen namen gegeven
aan verschillende tijdvakken en het begint pas langzamerhand
duidelijk te worden hoe deze fases, tijdperken en culturen
qua tijd in elkaar te vertalen zijn. Bovendien kan iedere
nieuwe vondst de bestaande denkbeelden weer omverwerpen.
Na de warme Holstein-tijd begon ± 380.000
geleden de voorlaatste ijstijd: het Saalien., die duurde van
380.00 - 150.000 jaar geleden. Het Saalien is het laatst
grote tijdvak van het Midden-Pleistoceen, duurde 230.000
jaar. De naam Saale-ijstijd of Saalien is genoemd naar de
Saale, een zijrivier van de Elbe. Deze ijstijd, die van ca.
380.000 tot ca. 150.000 geleden duurde, kende drie koude
fasen en twee warmere perioden. De naam saalien wordt alleen
in Noord-Europa gebruikt. In Midden-Europa noemt men dit
glaciaal Riss-glaciaal (naar de rivier de Riss in
Zuid-Duitsland), op de Britse Eilanden Wolstonian glaciation
en in Noord-Amerika Illinois glaciation. Andere glacialen en
interglacialen van het Pleistoceen hebben ook regionaal
verschillende namen. Tussen ± 300.000 en ± 250.000 geleden
evolueerde de Homo Heidelbergenis zich langzaam tot Vroege
Neanderthaler. Tegelijkertijd verspreidden zij zich vanuit
Europa over Midden-Azië.
In Slowakije werden vuurstenen werktuigen
gevonden uit deze Oud-Palaeolithische periode (ca. 270.000
jaar geleden). Ze zijn gevonden in de buurt van Nové Mesto
nad Váhom. Deze gebruiksvoorwerpen werden gemaakt door
middel van een clactonische techniek (bepaalde
afslagtechniek).In 2001 werd door de Britse archeoloog prof.
David Trump op een congres op Mallorca een serie
vroeg-Paleolithsche vuurstenen werktuigen gepresenteerd, die
hij had aangetroffen in de Grotta di Su Coluru op het eiland
Sardinië.Deze werktuigen van het Clactonian-type werden
lagen in afzettingen die dateren uit de Midden-IJstijd,
ongeveer 300.000 jaar geleden. Sardinië was toen net als nu
een eiland. Ook tijdens een laag zeespiegelniveau, zoals dat
tijdens het Pleistoceen regelmatig voorkwam (en waarbij
Sardinië en Corsica verenigd waren) was de minimum afstand
tussen eiland en vasteland zo'n 15 kilometer. Dat zou
betekenen dat de Vroege Neanderthalers 300.000 jaar geleden
in staat moet zijn geweest minstens 15 kilometer over zee te
reizen met vlotten of mogelijk met zelfgemaakte vaartuigen.
Neanderthalers.
In de jaren zestig van de vorige eeuw stapte
men aan de hand van Tjerk Vermaning gretig het tijdperk van
de Neanderthalers binnen. Nooit eerder waren zulke oude
vuistbijlen in Nederland gevonden en Tjerk vond ze in
overvloed in Drente. Tot men begon te twijfelen. Maar zelfs
een rechtszaak verschafte geen duidelijkheid over de
echtheid van de stenen bijlen. De controverse splijt tot op
heden de archeologische wereld. Geen donkere vondstlaag.
Vermaning beschreef het zelf als volgt de
vondstomstandigheden aan Wouters; "In mijn..lange brief,
schreef ik je, dat ik verweg de meeste artefacten had
aangetroffen in een band van geelachtig leemhoudend zand, en
dat de artefacten van Eemster helemaal voor het grootste
deel uit dit gele zand tevoorschijn kwamen. Sommige stukken
hebben de geelachtige kleur van dit zand aangenomen".

De Leemdijkbijl: één van de omstreden werktuigen uit de
collectie van Tjerk Vermaning sr.
Bron:
www.toonbeeld.com,
Frans de Vries.

Bron:
www.toonbeeld.com,
Frans de Vries.
●●●
250.000 v. Chr. Jagers aan de Maas.
In de Belvédère-groeve nabij Maastricht zijn
twaalf kampjes gevonden waar de eerste mensen die de lage
landen bezochten verbleven. Er zijn dierenbotten en
vuurstenen werktuigen gevonden. In het gebied rond
Maastricht joegen zij op egel, steppeneushoorns, bosolifant,
herten, reeën, paarden, beren en vis. Zij verzamelden
wortels, noten en wilde appels. Het zijn jagers en
verzamelaars die in kleine groepjes leven en nog niets weten
van landbouw.
Homo sapiens
neanderthalers.
Vernoemd naar de vindplaats Neanerthal bij
Dusseldorf in Duitsland waar in 1856 enkele skeletten werden
gevonden. Het waren krachtige intelligente mensen die
ongeveer 30% groter en zwaarder waren dan de moderne mens,
ze verschenen 250.000 jaar geleden en stierven 30.000 jaar
geleden uit en is daarmee de meest recente uitgestorven
zijtak van de mensen. Hun lichaam was kort 1,7 meter, en
stevig met grote handen een bolvormige neus en
vooruitstekende wenkbrauwen. Het hersenvolume was vaak groter
dan 1400 cc. en dus gemiddeld groter dan dat van de moderne
mens.
Sinds men resten van neanderthalers
gevonden heeft, bestaat er discussie in wetenschappelijke
kringen of wij afstammen van de neanderthaler, of dat dit
een uitgestorven zijtak van Homo sapiens is. Veelal
wordt aangenomen dat de neanderthaler wel onze directe
voorganger in de evolutie is, maar niet onze voorouder.
Echter, aanwijzingen naar het bestaan van archaïsch
genetisch materiaal in Europese en West-Afrikaanse
populaties en nieuwe projecten ter ontrafeling van het
neanderthalergenoom, maken dat er hoop is op een definitief
antwoord op de vraag of er menging heeft plaatsgevonden. De
eerste volledige analyse van het mitochondriaal genoom van
een neanderthaler plaatste dit "onbetwistbaar buiten de
variabiliteit van modern menselijk mitochondriaal DNA, met
een geschatte divergentiedatum van 660 000 - 140 000 jaar
geleden". Bron: Wikipedia.

●●●
200.000 v. Chr. Taalgen ontstond 200.000 jaar
geleden.
Een gen dat nauw samenhangt met het
taalvermogen van de mens heeft ergens in de afgelopen
200.000 jaar op twee plaatsen een belangrijke verandering
ondergaan. Deze mutaties in het zogeheten FOXP2-gen, dat
miljoenen jaren daarvoor niet veranderde, markeren mogelijk
een doorbraak in de evolutie van het taalvermogen. Duitse en
Britse onderzoekers beschrijven hun ontdekking vandaag in
het wetenschappelijk tijdschrift Nature.
Het is niet bekend hoe oud menselijke taal
is. Volgens sommige theorieën ontstond het taalvermogen in
rudimentaire vorm al twee miljoen jaar geleden, met de komst
van Homo erectus. Tijdens de menselijke evolutie, met
de groei van de hersenen, is dit taalvermogen steeds
complexer geworden. De mutaties van het FOXP2-gen zouden
ongeveer samenvallen met het ontstaan, zo'n 150.000 jaar
geleden, van de moderne mens: Homo sapiens, met
aanzienlijk grotere hersenen dan Homo erectus.
Ook chimpansees, gorilla's en mogelijk zelfs
papegaaien hebben het vermogen om dingen (knoppen, gebaren
of klanken) te laten verwijzen naar andere dingen. Maar
alleen de mens bezit het vermogen om woorden naar andere
woorden te laten verwijzen. Door deze complexe manipulatie
van symbolen is de mens in staat een eigen wereld in taal op
te bouwen.
Uit vorig jaar gepubliceerd onderzoek was al
duidelijk dat een bepaald gen, het FOXP2-gen, een
belangrijke rol speelt in het menselijk taalvermogen.
Wetenschappers uit Oxford en Londen onderzochten een familie
waarvan sommige leden problemen hebben met de fijne
mondmotoriek. Ook hebben ze moeite met het onderscheiden van
lettergrepen, met de vervoeging van werkwoorden en de
vorming van grammaticale zinnen. Bovendien hebben ze
afwijkingen in de basale ganglia, een groep hersengebieden
die met elkaar verbonden zijn en een rol spelen bij de
motoriek. Voor buitenstaanders zijn de lijders aan dit
syndroom vrijwel onverstaanbaar. De afwijkingen bleken terug
te voeren op een fout in het FOXP2-gen.
Het onderzoek in Nature vergelijkt het
FOXP2-eiwit van de muis, de chimpansee, de gorilla, de
rhesusaap, de orang-oetang en de mens. Het eiwit is 715
aminozuren (de bouwstenen van een eiwit) lang. Bij de
chimpansee, de gorilla en de rhesusaap vertoont het eiwit
geen enkel verschil. Het FOXP2-eiwit van de mens verschilt
twee aminozuren met dat van deze apen, en drie aminozuren
met dat van de muis en de orang-oetang. De verschillen met
de gorilla en de chimpansee zijn zo'n 200.000 jaar geleden
ontstaan, aldus de onderzoekers. Ze onderzochten het
FOXP2-eiwit ook bij honderd mensen over de hele wereld. Bij
99 personen was het eiwit volkomen identiek, bij slechts één
week het een klein beetje af. Als een eiwit zo constant is
binnen een soort, is het waarschijnlijk erg belangrijk.
●●●
120.000 v. Chr. De Khoisan.
De Khoisantalen sprekende mensen van het
Capoïde ras, L1 = mtDNA, M91 = Y-chromosoom (chr) Haplogroep
A genomen van zuidelijk Afrika – leidden tot de evolutie van
de moderne Hazda van Tanzania en de Bosjesmannen (San) en de
sprekers van de Hottentottalen (Khoikhoi). Volgens sommigen
heeft deze groep veel kenmerken van de voorlopers van de
moderne mens bewaard die niet meer bij andere populaties
voorkomen. Zo zijn de kliktalen van de Khoisanvolkeren uniek
(ze hebben meer dan 130 taalklanken tegenover 40 taalklanken
in het Engels) en ook verder hebben ze eigenschappen die bij
andere menselijke populaties verloren zijn gegaan. Deze
groep kan afstammen van populaties die veel lijken op de
vondsten bij de Borger Cave, de Klassiesrivier en de
Leeuwengrot in zuidelijk Afrika waar een lang bestaande
middenpaleolithische technologie wijst op een variatie in de
voeding die kenmerkend is voor Homo sapiens en op het
bestaan van handel in goederen met naburige groepen.
De dominante technologie van dit gebied is
Sangoan genoemd naar de typesite bij de Sangobaai in Uganda
maar ook Tumbian. De Sangoan technologie was in gebruik van
120.000 jaar geleden tot 10.000 jaar geleden. De Blombosgrot,
opgegraven tussen 1997 en 2000, moet dateren van voor 70.000
jaar geleden maar was een typisch middenpaleolithische
culturele assemblage die mogelijk verwant is aan de naburige
Stillbay assemblages. Desondanks een verzameling van benen
gereedschappen, nauwkeurig gemaakte bifaciale stenenpunten,
stukken oker waarin volgens een duidelijk ontwerp gegraveerd
is, een gegraveerd botfragment en bewijzen voor 'moderne'
middelen van bestaan zoals vissen, die kenmerkend zijn voor
bovenpaleolithische culturen vanaf 40.000 jaar geleden. Een
gegraveerde kerfstok van 77.000 jaar oud is het eerste
geboekstaafde bewijs dat mensen systematisch telden ter
wereld. De Apolo 11 grot in Namibië, die 70.000 jaar lang
bewoond is geweest, bevat okerversieringen die gedateerd
zijn op 100.000 jaar oud, het eerste voorbeeld van
menselijke kunst op aarde.

Artefacten gevonden in de Blombos-grot. Let op de abstracte
versiering. Het is een aanwijzing voor abstract, symbolisch
denken.
●●●
115.000 v. Chr.
Door het warme interglaciaal en de groene
Sahara konden mensen die in Ethiopië en de zuidelijke Soedan
leefden 115.000 jaar geleden naar het noorden reizen en door
de Sinaï naar het huidige Israël trekken. Dat vormde de
basis voor de Sahulpopulaties die in dat gebied zijn
gevonden. Met de sterke afkoeling van het klimaat van
ongeveer 90.000 jaar geleden werd het in het Midden-Oosten
ook weer zeer droog, en het grote wild verdween en toen er
een einde kwam aan de droogte, waren de anatomisch moderne
mensen die bij Jebel Qafseh in Israël zijn gevonden
vervangen door groepen aan de kou aangepaste Neanderthalers,
wat blijkt uit vondsten bij Skhul in de grotten van de
Karmel. Onderzoek aan het X-chromosoom zou het eerste
genetische bewijs tegen dit model te hebben opgeleverd, wat
pleit voor een alternatief model waarin kruising optrad
tussen divergente Afrikaanse takken van het geslacht Homo.
Voor het begin van de laatste ijstijd
(115.000 jaar geleden) bouwden koralen riffen op de toppen
van nauwelijks door de zee overstroomde vulkaantoppen. Op
het hoogtepunt van de ijstijd, 95.000 jaar geleden, staken
die vulkanen door de zeespiegeldaling ver boven zee uit; ze
vormden eilanden met steile rotskusten. Regenwater op die
eilanden drong de grond binnen, loste daar kalk op en voerde
het mee naar de buitenzijde van het eiland. Daar kwam het
kalkrijke grondwater weer naar buiten, waarbij het deels
verdampte zodat het oververzadigd aan kalk raakte. Daardoor
sloeg kalk uit het water chemisch neer, waarbij het harde
korsten op de kliffen vormde. Erosie zorgde ervoor dat deze
verkorste stroken aan de buitenzijde van het eiland
langzamer werden afgebroken dan de koraalgesteenten zonder
zo’n korst. Het eiland veranderde zo op den duur in een
harde, ringvormige wal rondom een depressie van relatief
zacht gesteente.
De laatste ijstijd begon
ongeveer 115.000 jaar geleden en bereikte zijn hoogtepunt
tussen 60.000 en 15.000 voor Christus. Een groot deel van
Noord-Amerika lag verborgen onder een 2 kilometer dikke
ijslaag. Ook Noordelijk Europa, inclusief ons land, had te
lijden van de kou. De laatste aardkorstverschuiving voltrok
zich, volgens Hapgood, aan het einde van deze laatste
ijstijd (tussen 15.000 en 8.000 jaar voor Christus). Hoogst
waarschijnlijk was dat rond 10.500 voor onze tijdrekening,
toen het aardmagnetisme op zijn laagste peil was.
|