Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

De Oerknal.

 

Chronologie Bijbelse geschiedenis Voor Christus.

 

1. Oerknal

2. De Chronologie Bijbelse geschiedenis Voor Christus

3. Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken.

 

 
 

1700 - 1500 v Chr. De 16e eeuw wordt doorgaans beschouwd als de tijd van de aartsvaders: Abraham, Isaak en Jakob. Abraham, leider van een nomadische stam, emigreerde vanuit MesopotamiŽ naar Kanašn, het gebied ten westen van de Jordaan. Hij aanbad een god die men de 'God van Abraham' noemde; de bijbehorende cultus wordt soms als de oorsprong van het Jodendom gezien. Hongersnood dwong het volk verder te trekken naar Egypte, waar het na verloop van tijd tot slavernij werd gedwongen.

God van Abraham, Isašk en Jakob.
 
Abraham, Isašk en Jakob en hun vrouwen waren gewone mensen. Natuurlijk leefden ze bijna vierduizend jaar geleden en in een andere cultuur. Maar het waren wel mensen met dezelfde gevoelens, verlangens en onzekerheden als wij. Wie ook nog altijd Dezelfde is, is de God van Abraham, Isašk en Jakob. Hij kwam steeds weer in hun leven. Hij beloofde hen veel. Sommige beloften werden gedurende hun leven vervuld. Andere lagen in de toekomst. Hij vermaande hen nooit. Soms leerde Hij hen door te zwijgen. Hij leerde hen door hun beslissingen, hun falen, hun zelfzucht en hun liefde. Door hen te laten zien wat hun daden opleverden. Zowel negatief als positief. Maar hij bleef altijd achter hen staan. Hij nam het altijd voor ze op.

Abraham, Isaak en Jakob.

ca. 1400 v.Chr. - Einde van de MinoÔsche beschaving op Kreta.

Farao Achnaton introduceert het monotheÔsme in Egypte. -MonotheÔsme, is het geloof in het bestaan van ťťn god, in tegenstelling met het polytheÔsme waarbij men in het bestaan van meer goden gelooft. Een vroege monotheÔst was Akhenaten, een Egyptische farao uit de 18e dynastie. Hij schafte alle goden af behalve de zonnegod Aton, waarvan hij geloofde dat het zijn herrezen vader (Amenhotep III) was.

Van de wereldgodsdiensten zijn het Jodendom, het christendom en de islam monotheÔstische religies. Naar de wel geduide gemeenschappelijke oorsprong of aartsvader Abraham worden ze ook wel Abrahamitische religies genoemd. Ook bepaalde groepen hindoes beschouwen zich als monotheÔst. Zoals het christendom de Heilige Drie-eenheid als ťťn god beschouwt, zo zien zij eveneens een enkele god (Brahman) vertegenwoordigd door talrijke menselijke of dierlijke verschijningsvormen. Er zijn nog tal van kleinere monotheÔstische religies, zoals brahmanisme en zoroastrisme, en er zijn ook monotheÔsten die zich niet tot een georganiseerde godsdienst rekenen.

De Bijbel verhaalt vaak en uitvoerig over slaven, slavernij en slavenhandel, bijvoorbeeld de bijvrouw van Abraham, Hagar, was een Egyptische slavin die hem zijn eerste zoon, Ismael, schonk. Of de verkoop van Jozef als slaaf naar Egypte. Het hele Joodse volk was in slavernij in Babylon en ook Egypte geraakt, waaraan het kon ontsnappen onder leiding van Mozes (en dit wordt nog steeds herdacht met het joodse paasfeest, Pascha). De Bijbel geeft ook uitvoerige regels voor het behandelen van slaven.

Zo is het volgens het Oude Testament verboden om Joden voor altijd in slavernij te houden, wordt de verkoop van dochters als slavinnen gereguleerd, of de toepassing van de doodstraf voor degene die Joden roofde om hen als slaaf te verkopen Vroeger dacht men ook dat bv. de Egyptische Piramiden door massale inzet van slaven gebouwd werden. Recent archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen gevonden dat dit voornamelijk door de Egyptische boeren en arbeiders zelf werd gedaan als 'herendienst' aan de farao op tijdstippen dat het land toch niet bewerkt kon worden (tijdens de periodieke Nijl overstromingen die het land bevruchtten met vers slib.) Ook in het oude China en India bestond de grote massa der bevolking uit nominaal vrije boeren, wier positie echter vaak niet veel verschilde van die van horigen.

In de Romeinse keizertijd, toen de grote veroveringsoorlogen hadden opgehouden, begon de aanvoer van "verse slaven" te stokken. De grondbezitters gingen toen bevorderen dat de slaven op hun plantages een gezin konden stichten ("servi casati") (slaven met een eigen huishouding), zodat de slavenpopulatie langs natuurlijke weg in stand kon worden gehouden. Tegelijk was een groot deel van de voorheen vrije boeren, de coloni, langzamerhand in een soort toestand van horigheid vervallen. Op den duur zou het onderscheid tussen "servi casati" en "coloni" grotendeels verdwijnen.

Mozes hoorde bij de stam Levi en bij het geslacht Kahath. Hij was de zoon van Amram en Jochebed, ongeveer twaalf jaar jonger dan zijn zuster Mirjam en drie jaar jonger dan zijn broer Ašron. Direct na zijn geboorte werd zijn leven bedreigd: De koning van Egypte had bevolen alle Hebreeuwse jongens na de geboorte te doden om de sterke groei van het volk IsraŽl tegen stoppen. Jochebed verborg haar zoon enige tijd, maar legde hem daarna in een kistje van papyrus en met asfalt bestreken. Zij zette dit kistje in het hoge riet aan de oever van de Nijl in de hoop dat het door een Egyptische vrouw ontdekt zou worden. Herhaaldelijk baden in de Nijl was voor Egyptenaren niet alleen een gebruik, maar ook een godsdienstige plicht; ook konden de Oosterse vrouwen zich destijds veel vrijer bewegen dan later onder de Islam.

De dochter van de koning vond het kind, herkende het aan zijn uiterlijk als Joods en gaf het door tussenkomst van de slimme Mirjam aan zijn eigen moeder terug om het te zogen en op te voeden. De naam van de prinses noemt de Bijbel niet: volgens Josefus heette zij Termuthis  volgens Eusebius Merris, volgens de rabbijnen Bitja, "dochter van de Here"; Nadat het kind enige jaren bij zijn moeder geweest was, werd het weer naar de dochter van de koning gebracht, die het liet opvoeden als haar eigen zoon. Ex. 2:10 vermeldt dat zij hem Mozes noemde. Hoogst waarschijnlijk is Mozes een Hebreeuwse vorm van een oorspronkelijk Egyptisch woord. Moscheh kan bevrijder, redder betekenen; ook kan hij volgens dezelfde Psalm de betekenis hebben van de (uit het water) "opgetrokkene".

Over de opvoeding van Mozes lezen we dat hij werd onderwezen "in al de wijsheid der Egyptenaren". Dit is op zichzelf waarschijnlijk en werpt een verrassend licht op het latere werk van Mozes. Volgens Josefus heeft Mozes een Egyptisch leger tegen de EthiopiŽrs aangevoerd. Intussen doofde zijn verblijf aan het hof, zijn liefde voor IsraŽl niet. Integendeel: In zijn drift, meegesleept door zijn gevoel voor recht, doodde hij een Egyptenaar die een HebreeŽr mishandelde.

Toen de koning dit hoorde, was hij verontwaardigd: Mozes had veel weldaden van de Koninklijke familie genoten. Mozes moest onmiddellijk vluchten en kwam bij een Midianitische stam terecht. Deze stam woonde in het gebergte van de SinaÔ. Nog in de 19e eeuw was bij de BedoeÔnen in het schiereiland SinaÔ het weiden van de kudde het werk van de meisjes. Mozes hielp de dochters van Jethro of RehuŽl, en kreeg een veilig onderkomen bij de priester. Later trouwde hij met een van zijn dochters, Zippora. Deze Zippora heet een Kuschitische. Dit is ůf omdat de Semieten en Kuschieten zich met elkaar vermengd hadden, ůf het is een verachtelijke bijnaam omdat zij een vreemdeling was. Maar andere uitleggers houden deze Kuschitische voor de tweede vrouw van Mozes.

Bij de berg Horeb ontving kreeg Mozes bevel om IsraŽl, uit de macht van Egypte te verlossen en naar Kanašn te leiden. Hij aarzelde en bracht allerlei bedenkingen in. God beloofde hem behalve Zijn hulp ook de bijstand van zijn broer Ašron, die hem zou helpen als zijn "mond" en "profeet" . Mozes nam afscheid van Jethro en reisde met vrouw en kind naar Egypte. Onder welke 'Egyptische Farao' Mozes leefde en de uittocht plaatshad, is ook in de 20e eeuw moeilijk te bepalen. Volgens 1 Kon. 6:1 waren er 480 jaar verlopen tussen de uittocht uit Egypte en het begin van de tempelbouw door Salomo.

Dit zou de uittocht in ongeveer 1491 v. Chr. plaatsen. De beschrijving van de toestand van de IsraŽlieten past bij de tijd van de grote Farao Ramses II, die al jong mederegent van zijn vader Seti I was en 67 jaar regeerde. Hij liet juist in Beneden-Egypte grote bouwwerken uitvoeren. In Ex. 1:11 worden twee steden bij name genoemd, Pithom en Ramses, steden in het door de HebreeŽn bewoonde Gosen. Onder de ruÔnes van deze plaatsen vindt men nog zwarte, van klei en stro gemaakte tichelstenen.

Onderzoekers hebben de Joden aangezien voor de Hyksos, Semieten die 500 jaar over Egypte heersten en daarna verdreven werden, maar dat is onwaarschijnlijk. Riehm denkt aan de opvolger van Ramses II, Mineptah, als de Farao van de uittocht. Hij had niet de eerzucht die zijn vader eigen was, zodat hij de IsraŽlieten ook niet al slaven nodig had. Mozes en zijn broer kregen te maken met onwil en moedeloosheid onder hun eigen volk.

Het motief van het offeren bij de Horeb, leefde meer bij Mozes dan in de harten van het volk. De eerste plagen zijn meer tekenen, die het bestaan van IsraŽls God bewijzen. Eerst zijn Mozes en Ašron de handelende personen, maar de eerstgeborenen van mensen en vee doodt de Here Zelf. De eerste tekenen kunnen de Egyptische priesters en tovenaars nadoen, maar niet de plaag van de muggen. Door het werk van Mozes na te bootsen vergrootten zij wel de ellende in Egypte, maar zij konden deze niet wegnemen.

De zg. "tien plagen" hangen gedeeltelijk samen met toestanden en natuurverschijnselen in Egypte. Maar de zwaarte van de plagen en het verband waarin zij staan met het woord van Mozes, maken ze tot tekenen van de macht van de Here.

Tenslotte gaf de koning het gevraagde verlof en liet IsraŽl vertrekken. Aanvankelijk volgde Mozes de gewone weg naar Kanašn, maar daarna sloeg hij een zuidoostelijke richting in, omdat de gewone weg door het gebied van de Filistijnen liep  Over de doortocht van de Rode Zee, de grote verlossingsdaad van God

Met de term de uittocht uit Egypte wordt verwezen naar het verhaal uit het boek Exodus uit de Hebreeuwse Bijbel. Hierin wordt verhaald hoe de IsraŽlitische slaven onder leiding van Mozes uit Egypte ontkwamen. Aan deze uittocht gingen de tien plagen van Egypte vooraf.

Mozes zou volgens de Hebreeuwse Bijbel door middel van de kracht van God de Schelfzee in tweeŽn hebben gedeeld en zo een doortocht hebben geschapen voor het IsraŽlitische volk naar de vrijheid. De eindbestemming was Kanašn dat als het door God Beloofde Land werd aangeduid. Toen het volk bijna op de plaats van bestemming was aangekomen begon het bezwaren aan te voeren tegen de inneming van Kanašn op grond waarvan God hen als straf veertig jaar lang door de SinaÔwoestijn liet trekken alvorens zij een tweede poging mochten wagen Kanašn te veroveren. Hun leider was al die tijd Mozes.

De uittocht uit Egypte wordt in het Jodendom elk jaar feestelijk herdacht met het feest van Pesach dat in het voorjaar valt.

Zie: wikipedia.org-Mozes

1260 v Chr. Begin intocht in Kanašn, onder leiding van Jozua. (Toen Ašron en ook Mozes in de woestijn waren omgekomen had Jozua het leiderschap van het volk van IsraŽl overgenomen. Onder zijn commando gebeurde de invasie van Kanašn, beginnend bij Jericho dat geheel werd geplunderd en platgebrand). De IsraŽlieten troffen een ontwikkelde samenleving aan, deels levend in de bronstijd, met stadstaatjes en een eigen alfabetisch schrift. Kennelijk werd deze beschaving als bedreigend ervaren en moest ze hardhandig onderworpen worden.

Nieuwe visie op de verwoesting van Jericho.

Resultaten van opgravingen die plaats vonden in de ruÔneheuvel Tell es-Sultan, de plaats van de oude stad Jericho, hebben regelmatig een rol gespeeld in de discussie over de betrouwbaarheid van de verhalen over de Intocht van IsraŽl in Kanašn in het boek Jozua.

In de jaren dertig groef de archeoloog John Garstang in de ruÔneheuvel Tell es-Sultan,, een ineengestorte stadsmuur op, die verwoest was door een hevige brand, die hij dateerde in ca. 1400 v Chr. Hij legde ook een stadsgebied bloot waarvan hij aannam dat het verdedigd werd door de opgegraven muur. Garstang dateerde de ondergang van die stad (Jericho IV) in ca. 1400 v Chr. wat in overeenstemming leek te zijn met de datering van de Intocht op grond van gegevens in de Bijbel. Garstang schreef de verwoesting toe aan de IsraŽlieten onder leiding van Jozua.

In de jaren 1952 tot 1958 vonden onder leiding van de archeologe Kathleen Kenyon opnieuw opgravingen plaats in Jericho. Ze concludeerde dat de verwoesting van een stadsmuur door een hevige brand, die Garstang had gedateerd in ca. 1400 v Chr., in werkelijkheid plaatsvond aan het eind van Vroeg Brons (ongeveer 2250 v Chr.).

Volgens Kenyon werd de laatste versterkte stad Jericho verwoest door de Egyptenaren, bij hun achtervolging van de Hyksos na hun verdrijving uit Egypte, in ca. 1550 v Chr. Kenyon kwam verder tot de volgende conclusie: "Door de opgravingen is vast komen te staan dat er een Laat Brons stad heeft bestaan en er is een bescheiden aanwijzing gevonden inzake de datering van de verwoesting van die stad.

Over het gehele oppervlak hebben huizen uit Midden Brons en uit de tijd daarna het lot van de verdedigingswerken gedeeld en zijn weggeŽrodeerd." Er waren volgens haar dus bewijzen van bewoning van een kleine stad Jericho uit de 14e eeuw v Chr., blijkend uit het voorkomen van Myceens III aardewerk dat gedateerd werd tussen ca. 1380 en 1300 v Chr. Het stadje Jericho uit deze tijd was echter onverdedigd of de bewoners gebruikten de overgebleven delen van de verwoeste muren als verdediging. De laatste bewoning tijdens Laat Brons kan volgens Kenyon gedateerd worden in ca. 1300 v Chr.

In ca. 1220 v Chr., de tijd waarin vele Bijbelkritische geleerden de Intocht van IsraŽl dateren, bestond er geen stad Jericho meer. De geleerden concludeerden dan ook dat het verhaal in Jozua 6 over de verwoesting van Jericho niet berustte op een historische gebeurtenis. Kenyons datering van de verwoesting van de laatste versterkte stad Jericho in ca. 1550 v Chr. gold jarenlang als onomstreden. Velen hebben daardoor het geloof in de historische betrouwbaarheid van de Bijbel verloren.

Onder leiding van Jozua, trok het hele volk van IsraŽl vervolgens over de Jordaan.

Het verhaal van de uittocht uit Egypte en de verovering van het Beloofde Land speelt in het joodse gedachtegoed een centrale rol. Hiervan wordt verhaald in de bijbelboeken "Exodus", "Numeri" en "Jozua". Mozes zou het volk IsraŽl uit Egypte hebben bevrijd; onder leiding van Jozua zou veertig jaar later een groot deel van Kanašn zijn veroverd.

Volgens "Exodus" en "Numeri" telde het volk IsraŽl dat Mozes volgde zo'n 600.000 strijdbare mannen. Vrouwen en kinderen meegerekend zou de totale bevolking op basis van dat cijfer meer dan twee miljoen zielen hebben geteld. De bevolking van Egypte wordt in deze periode geschat op ongeveer drie miljoen inwoners. Een dergelijke massale uittocht of migratiestroom wordt in geen enkele Oud-Egyptische bron vermeld; evenmin is er enige archeologische aanwijzing van een dergelijke massale migratie gevonden, terwijl men dat redelijkerwijs mag verwachten, indien het verhaal op waarheid berust. Bron: Wikipedia.

1100 v Chr. Gideon, belangrijke 5e richter. De richteren waren leiders in deze periode zonder centraal gezag; ze traden naar voren als naburige stammen verslagen moesten worden. Sommigen spraken ook recht.

Gideon, ook wel Jerubbašl genoemd, is een persoon uit het Bijbelboek 'Richteren' in het Oude Testament en dus ook de Tenach. Gideon was de zoon van Joas en werd door God benoemd om de IsraŽlieten te bevrijden van de Midianietenbezetting.

Eerst haalde hij op bevel van de Here het altaar en de cultuskolom van de Bašl-cultus naar beneden. "Daarom werd Gideon van die dag af Jerubbašl genoemd Ė het betekent: Bašl mogen tegen u strijden Ė omdat hij het altaar naar beneden haalde".Vervolgens droeg God hem op om de Midianieten aan te vallen en te verdrijven. Met zijn leger van 32.000 trok hij op tegen de 150.000 Midianieten. Maar de Here liet hem zijn leger terugbrengen van 32000 tot 300 man. Gideon was erg onzeker, maar God kende Gideon's onzekerheid, en Hij hielp hem daarmee. Ze deden een verrassingsaanval en de Midianieten gingen in de paniek elkaar te lijf. Het leger van Gideon won van de Midianieten. Gideon was een richter (ook wel rechter). Hij was de door God aangestelde leider. Na zijn dood keerden de IsraŽlieten weer terug naar hun oorspronkelijke geloof.

De laatste richter was SamuŽl. Hij volgde Eli op als hogepriester en wist de Filistijnen terug te drijven. Het volk vroeg om een koning, en op last van God zalfde SamuŽl, Saul tot eerste koning van IsraŽl.

1104 v.Chr. - Brutus van Troje (1104 - 1081 v.Chr.) wordt de eerste koning van BrittanniŽ. Hij is de stichter van "Nieuw Troje", het latere Londen. Bron: Wikipedia.

1050 v. Chr. Samuel (ook wel SamuŽl) was een profeet uit de tijd van koning Saul. Tevens was hij een tijdlang richter van de IsraŽlieten en bovendien priester. Hij zalfde namens God 'Saul' en later David tot koning. Samuel wordt geacht een deel van het eerste naar hem genoemde boek 1 Samuel uit het Oude Testament te hebben geschreven. wikipedia.org -Samuel

Saul, was volgens de Hebreeuwse Bijbel de eerste koning van de IsraŽlieten. Hij was afkomstig van de stam Benjamin. Zijn koningschap wordt gedateerd in de elfde eeuw voor de gangbare jaartelling. In het boek 1 Samuel staat de levensloop van koning Saul beschreven. Saul had verschillende zonen, onder andere: Jonatan, Abinadab en Malkisua. Daarnaast had hij twee dochters, Merab en Michal.

Volgens de Bijbel werd hij tot koning uitgeroepen als reactie op de dreiging van de Filistijnen en Amelekieten. Na een overwinning op de Amelekieten liet hij na om hun koning te doden en hun vee te vernietigen hoewel Samuel hem dit had opgedragen. Samuel zei hem dat hierdoor zijn koningschap zou worden beŽindigd. Om zijn depressies te verdrijven liet hij de herder David naar zijn hof komen. Door zijn vriendschap met Sauls zoon Jonathan en zijn heldendaden in de oorlogen tegen de Filistijnen maakte David steeds meer naam. Davids reputatie nam zo toe dat Saul hem als een concurrent ging zien en een poging deed David uit de weg te ruimen. Doordat Jonathan David inlichtte kon deze vluchten. De dreiging van de Filistijnen was niet geweken, na een inval in het noorden van IsraŽl leverde Saul onder diverse slechte voortekenen slag tegen Gilboa. De slag liep uit op een grote nederlaag waarin ook de zoons van de koning sneuvelden. Wanhopig en geen uitweg meer ziende wil Saul zich door een bediende laten doden. Deze weigert, waarop Saul met zijn eigen zwaard zichzelf het leven ontneemt.

Saul werd opgevolgd door zijn zoon Isboset, behalve bij de stam Juda, waar David tot koning werd uitgeroepen. De volgende jaren was er een strijd tussen de familie van Saul en David, die door David werd gewonnen. In de Bijbel wordt Saul gezien als een tragisch figuur. Gekozen tot koning en een groot leider in verschillende oorlogen, gaat hij ten onder omdat hij niet genoeg vertrouwen heeft in God. Bron: Wikipedia.

Samuel en Saul.

1000 - 960 v Chr. Koningschap van David. Jeruzalem wordt hoofdstad van het door veroveringen gegroeide IsraŽlitische rijk.

Over Davids leven valt te lezen in het boek SamuŽl. Hij regeerde van 1010 voor Chr. tot 970 voor Chr. Hij was de jongste zoon in een groot gezin en werd in zijn jeugd geacht op de schapen te passen - vanwege het verschijnen van roofdieren geen ongevaarlijke baan, die desondanks in weinig aanzien stond. Onverwachts werd hij gekroond tot de opvolger van de toen heersende koning Saul. Het zou echter nog jaren duren voordat hij de troon besteeg.

Zijn eerste beschreven wapenfeit was het vellen van de reus Goliath met een steen uit zijn slinger, een wapen waarmee hij tijdens het hoeden van de schapen ruimschoots had kunnen oefenen. Zijn succes in het leger en het feit dat David tot zijn opvolger was gekroond leidde echter tot brandende afgunst van koning Saul. Een groot deel van zijn leven was David op de vlucht voor deze koning; pas na diens dood (waarin David overigens geen aandeel had) kwam David aan de macht, maar alhoewel zijn koningschap stabiliteit en militair succes bracht, kreeg hij het later weer bijzonder moeilijk door het optreden van sommige van zijn (al te ambitieuze) zoons waaronder Absalom.

Omdat hij met meerdere vrouwen was getrouwd, had hij heel veel zonen: de eerste: Amnon, van Ahinoam, de JezreŽlitische; de tweede: Daniel, van Abigail, de weduwe van Nabal; de derde: Absalom, van MŠšcha, dochter van de koning van Gesur; de vierde: Adonia, van Haggith; de vijfde: Sefatja, van Abithal; de zesde: Jithream, van zijn huisvrouw Egla; daarna volgde:Simea, Sobab, Nathan en Salomo, van Bathseba, weduwe van Uria; en daarna Jibchar, Elisama, Elifelet, Noga, Nefeg, Jafia, Eljada en hun zuster Thamar. Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen van de bijvrouwen. Zijn zoon, koning Salomo, bouwde uiteindelijk de Tempel van Jeruzalem, iets wat David dolgraag zelf had willen doen, maar wat hij vanwege zijn bloedige veldslagen niet mocht.

Historiciteit.

Sommige historici beweren dat koning David en zijn koninkrijk nooit hebben bestaan, en dat de verhalen over zijn leven later door joodse nationalisten zijn opgetekend. Andere historici nemen wel aan dat koning David heeft bestaan, maar dat (net als bijvoorbeeld Koning Arthur) veel van de verhalen over zijn leven eerder tot de mythen dan als harde geschiedschrijving moeten worden gerekend. De enige aanwijzing voor het bestaan van koning David - buiten de Hebreeuwse Bijbel om - is een oude inscriptie die gevonden is in Tel Dan. Hierin staat verwijzing te lezen naar een koning uit het "Huis van David". Deze inscriptie bevestigt indirect dus het bestaan van de historische koning David.

David in het christendom.

Voor christenen is David belangrijk, omdat hij een verre voorvader zou zijn van Jozef van Nazareth. Verschillende profetieŽn in het Oude Testament voorspelden dat de Messias zelf een afstammeling van koning David zou zijn. In het Evangelie naar MattheŁs wordt de stamboom van koning David naar Jozef uitgewerkt. Maar ook de moeder van Jezus, Maria, zou volgens het geslachtsregister een nakomeling van David zijn. Bron: Wikipedia.

1000 v.Chr. Helladische periode eindigt in het Oude Griekenland.

Bloeitijd uit de geschiedenis van IsraŽl, nooit was het rijk zo groot. Tijd van David, de onbetwiste held van het Oude Testament, en zijn zoon Salomo, symbool voor rijkdom en wijsheid. Hun beider bestaan is overigens buiten de bijbel nergens op schrift gesteld, en is het onder deskundigen omstreden of er in de 10e eeuw werkelijk een ongedeeld rijk heeft bestaan.

Jeruzalem wordt hoofdstad van het door veroveringen gegroeide IsraŽlitische rijk.

964 - 926 v Chr. Koningschap Salomo; bouw eerste tempel (1 Kon. 6, 2 Kron. 3). Door zijn onderdanen werd Salomo waarschijnlijk als een tiran ervaren.

Koning Salomo (Hebreeuws: שלמה) van IsraŽl was een zoon en de troonopvolger van David en bouwde de eerste Joodse Tempel. Hij regeerde van ongeveer 970 v. Chr. tot 930 v. Chr..

Wijsheid.

Salomo (of Salomon) staat bekend vanwege zijn wijsheid, onder meer blijkend uit zijn vermogen recht te spreken (bijvoorbeeld het beroemde salomonsoordeel). Verschillende Bijbelboeken Prediker en Spreuken - die tot de wijsheidliteratuur worden gerekend- worden traditioneel beschouwd als van de hand van Salomo, al wordt door velen tegenwoordig aangenomen dat de boeken een latere (2e - 3e eeuw v. Chr.) compilatie zijn van verschillende bundels die in omloop waren. Overigens kunnen onder deze bundels heel goed originele geschriften van Salomo zijn geweest maar werd zijn naam aan de hele compilatie gegeven. Ook bij de naburige beschavingen van Egypte en MesopotamiŽ deden dergelijke wijsheids geschriften de ronde. Een bekende Egyptische bundel wijze spreuken wordt toegeschreven aan farao Ramses I.

Regering.

Salomo regeerde tijdens de Gouden Eeuw van het oude IsraŽl. Het rijk strekte zich uit van Egypte tot de Eufraat en van de zee tot diep in het huidige JordaniŽ. Gedurende zijn regering was er geen oorlogsvoering nodig en konden de bewoners zich wijden aan de winstgevende tussenhandel via de vele handelswegen die door IsraŽl en Jeruzalem liepen. Samen met zijn bondgenoot koning Hiram van Tyrus breidde Salomo ook de scheepvaart en handel op de Middellandse Zee en de Rode Zee uit.

Volgens sommige legendarische verhalen gingen op deze reizen vele IsraŽlieten mee als scheepsbemanning en als kooplieden die zich vaak ook vestigden op verre handelsposten zoals in Tharsish, LibiŽ, EtruriŽ en Ophir (wat misschien het huidige Jemen was). Zo begon er al een soort vrijwillige Diaspora 500 jaar voor de latere val van Jeruzalem door de BabyloniŽrs.

De keerzijde van de glorie die Salomo zijn land bracht waren de zware belastingen die hij hief om zijn vele bouwprojecten en zijn extravagante levensstijl te bekostigen. Zo was hij een groot liefhebber van vrouwen en hield er een uitgebreide harem op na. De bewering in de Bijbel dat hij 700 echtgenotes en 300 bijvrouwen had moet misschien met een korreltje zout worden genomen (hoewel bv. de latere Sultans van het Ottomaanse Rijk er wel degelijk zoveel vrouwen op na hielden). De 'verzamelwoede' voor vrouwen van Salomo werd overigens streng afgekeurd door de toenmalige profeten en ook de Tenach verbiedt de veelwijverij.

Op het laatst van z'n leven kwam hij, door o.a. de invloed van zijn vele heidense vrouwen en buitenlandse bezoekers, tot afgoderij, of tenminste tot het gedogen daarvan, hetgeen in de ogen van steile joden bijna even erg was. Dat was de reden dat de profeten van God zijn nageslacht zware tijden voorspelden en de spoedige ondergang van de eenheidsstaat.

Na zijn dood brak er bijna onmiddellijk een burgeroorlog uit die uitdraaide op de splitsing van het rijk in de koninkrijken Juda en IsraŽl. En mede als gevolg daarvan begonnen ook weer de overvallen en invasies van de buurlanden, die al in de tijd van de Richteren gebruikelijk waren, totdat binnen 400 jaar IsraŽl en Juda als zelfstandige naties verdwenen waren. Tot aan de stichting van de moderne staat IsraŽl hadden de joden geen zelfstandig thuisland meer.

Koninkrijk Juda.

Juda (zuidelijke rijk; hoofdstad: Jeruzalem) 926 - 586

Vooral in het IsraŽl van David en Salomo werd heel veel geschreven, maar het Joodse volk bezat op dat moment eigenlijk nog geen algemeen erkend heilig boek. De schrijfkunst had er min of meer dezelfde functie als in elke andere ontwikkelde samenleving.

Op een gegeven moment besloot David om in zijn gloednieuw koninkrijk een volkstelling te organiseren en dit met het oog op de belastingen en de militaire dienst. Alles moest dus opgeschreven worden. David had daarvoor zijn toevlucht genomen tot geoefende ambtenaren uit het buitenland, voornamelijk uit Egypte. De nieuwe hoofdstad Jeruzalem telde zodoende heel snel heel wat ontwikkelde mensen, waaronder beroepsschrijvers. Een van die schrijvers heeft wellicht de mooie "novelle" van Jozef in Egypte geschreven. Zo is het met heel wat zaken gegaan die neergeschreven werden en die gewoon als literatuur werden beschouwd. Sommige van die zaken werden voor ons bewaard omdat ze uiteindelijk in de bijbel terechtkwamen.

In vele heiligdommen van IsraŽl werden voorts geschriften van religieuze aard bewaard en gebruikt (verhalen, beschrijvingen van riten, gezangen), maar zij functioneerden niet in die zin als heilige boeken, dat zij het leven van de hele gemeenschap bepaalden.

Dit bleef allemaal zo maar verder lopen toen het rijk in twee delen uiteenviel. Vooral de profeten ELia en Elisa waren bekend met overleveringen uit IsraŽls verleden, waarvan mogelijkerwijs sommige ook schriftelijk waren vastgelegd. Daaronder bevonden zich zowel verhalen over oude stamvaders en over de uittocht uit Egypte als collecties van rechtsregels en voorschriften. In 721 voor Christus werd het Noordelijke rijk IsraŽl door AssyriŽ onder de voeten gelopen.

De leden der leidende klassen werden verspreid over het immense Assyrische rijk en werden vervangen door kolonisten uit het stamland AssyriŽ. Daardoor werden vreemde goden, priesters en riten ingevoerd in IsraŽl. Een aantal trouwe vereerders van Jahweh zochten hun toevlucht in het Zuidelijke rijk Juda en namen daarbij mee wat hun was overgeleverd, ook in schriftelijke vorm.

Latere invloed van Salomo's regering.

In de Arabische literatuur zijn nog vele verhalen overgeleverd over de wijsheid, rijkdom en magische krachten die Salomo (Suleiman) bezeten zou hebben. In de archeologie van IsraŽl zijn tot nu toe weinig sporen van Salomo's regering gevonden, wat waarschijnlijk te wijten is aan de vele verwoestingen en wederopbouwperiodes, waarbij oud bouwmateriaal hergebruikt werd, die bijna alle plaatsen en steden in IsraŽl hebben ondergaan in de 3000 jaar sinds Salomo.

In het christendom wordt de regering van Salomo en de voorspoed die er toen was wel gezien als een voorafschaduwing van de regering van de Messias tijdens het 1000-jarige rijk. Bron: Wikipedia.

De Dordtse schout Jan van Drenckwaert, liet dit schilderij maken door de kunstschilder Jan van Cuyck, die hij gevangen had gezet wegens ketterij.

Op dit schilderij is de schout afgebeeld als Koning Salomo, die in de bijbel als een rechtvaardige koning wordt beschreven. Van Cuyck schilderde het in de gevangenis, kort voordat de schout hem in het openbaar liet verbranden.

Twee vrouwen hebben elk een kind gekregen. Eťn van die kinderen ging 's nachts dood. Nu zeggen beiden dat het levende kind van haar is. Salomo zegt: "Hak het kind in tweeŽn en geef ze allebei de helft". Eťn van de vrouwen protesteert hevig. Dan weet Salomo dat het kind van haar is en niet van de ander, die niets zei.

926 v Chr. Dood Salomo; scheuring van het rijk in IsraŽl en Juda (ook wel: Judea). Het verval was al ingezet tijdens Salomo's bewind, doordat hij vreemde erediensten toeliet die de eenheid van het rijk verzwakten.

De scheuring van het rijk.

Rechabeam, was koning van Juda. Zijn echtgenote was koningin Mašcah. Hij volgde zijn vader Salomo op. Rechabeam ging naar Sichem, waar heel IsraŽl was samengekomen om hem tot koning uit te roepen. Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde hiervan, maar hij bleef in Egypte, waarheen hij voor koning Salomo was gevlucht.  Daarom werden er boden gestuurd om hem te halen, en samen met de verzamelde IsraŽlieten wendde hij zich tot Rechabeam met het volgende verzoek: "Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd.

Maakt u onze taak nu minder zwaar, verlicht het juk waarmee uw vader ons heeft belast, dan zullen wij u dienen." "Geef me drie dagen bedenktijd," antwoordde Rechabeam, "en kom dan bij me terug." Toen het volk was weggegaan, raadpleegde Rechabeam de oudsten die zijn vader Salomo ter zijde hadden gestaan toen die nog leefde: "Wat raadt u mij aan? Wat moet ik het volk antwoorden?" "Als u zich nu een dienaar van het volk toont," zeiden ze, "en het van dienst bent met een welwillend antwoord, zal het u voor altijd dienen."Maar hij legde de raad van de oudsten naast zich neer en raadpleegde de jongemannen die met hem waren opgegroeid en die hem nu ter zijde stonden:"Wat raden jullie aan? Wat moeten wij het volk antwoorden op zijn verzoek om het juk te verlichten dat mijn vader het heeft opgelegd?" De jongemannen zeiden tegen hem: "Het volk heeft je gevraagd om het te ontlasten van het zware juk dat je vader het heeft opgelegd. Welnu, zeg tegen hen: 'Mijn pink is dikker dan het lid van mijn vader! Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen!'

Toen Jerobeam en de andere IsraŽlieten na drie dagen bij koning Rechabeam terugkwamen, zoals hun gezegd was, gaf de koning hun een hardvochtig antwoord. Hij legde de raad van de oudsten naast zich neer en antwoordde zoals de jongemannen hem hadden aangeraden: "Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen."De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek van het volk. De HEER had dit zo beschikt om in vervulling te laten gaan wat hij bij monde van Achia uit Silo aan Jerobeam, de zoon van Nebat, had voorzegd.

Toen de IsraŽlieten merkten dat de koning aan hun verzoek geen gehoor gaf, zeiden ze tegen hem: "Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van IsaÔ! We breken op, volk van IsraŽl! Het koningshuis van David zorgt maar voor zichzelf!" En de IsraŽlieten braken op. Rechabeam bleef alleen koning over de IsraŽlieten die in de steden van Juda woonden. Hij stuurde Adoniram, de opzichter van de herendienst, nog naar de IsraŽlieten, maar die werd gestenigd. De koning zelf kon nog net op een wagen klimmen en naar Jeruzalem ontkomen. Zo brak IsraŽl met het koningshuis van David, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag.

De IsraŽlieten, die hadden gehoord dat Jerobeam was teruggekeerd, lieten hem vragen om voor de volksvergadering te verschijnen. Daar werd hij uitgeroepen tot koning van heel IsraŽl. Er was niemand meer die het koningshuis van David steunde, behalve de stam Juda.

Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de stammen Juda en Benjamin honderd tachtig duizend, geoefende krijgslieden op om de strijd aan te binden met de IsraŽlieten en het koningschap voor hem, de zoon van Salomo, terug te winnen. Maar God richtte zich tot de godsman Semaja met de woorden:"Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en koning van Juda, en tegen Juda en Benjamin en de rest van het volk: 'Dit zegt de HEER: Trek niet ten strijde tegen de IsraŽlieten, jullie broeders, maar keer terug naar huis, want dit alles is van mij uitgegaan.' Ze gehoorzaamden en gingen terug naar huis, zoals de HEER had gezegd.

871 v Chr. Abia, zijn naam betekent "Vader van de zee", "Zeeman" of "Jahweh is mijn vader" was koning van Juda. Hij was de zoon en opvolger van Rechabeam. Over wie zijn moeder was, is de Bijbel niet eenduidig: in 1 Koningen wordt gesproken van Mašcha, de dochter van Abisalomin, van Micha, de dochter van UriŽl, uit Gibea. De regeerperiode van Abia wordt tegenwoordig gedateerd 914 v.Chr. tot 913 v.Chr. of van 913 v.Chr. tot 911 v.Chr.

Aan het begin van zijn regeerperiode voerde Abia oorlog tegen koning Jerobeam van IsraŽl in een poging beide landen weer te verenigen. Ondanks de overmacht van de IsraŽliers, wist Abia de slag te winnen en niet minder dan 500.000 soldaten van IsraŽl kwamen om het leven. Abia veroverde de steden Betel, Jesana en Efron.

Abia had veertien vrouwen, bij wie hij tweeŽntwintig zonen en zestien dochters verwekte. Na zijn dood werd hij begraven in de Davidsburcht in Jeruzalem en opgevolgd door zijn zoon Asa.

871-852 v Chr. Koning Achab voert de Bašlverering in. De profeet Elia.

Achab, was de zoon van Omri en is een van de koningen van het toenmalige tienstammen koninkrijk IsraŽl dat tegenover Juda stond. Hij huwde met Izebel, de dochter van koning Eth-bašl van Tyrus. De juiste periode waarin hij juist regeerde is onzeker, omstreeks 900 voor onze tijdrekening.

In het Oude Testament en de Tenach.

De geschiedenis rond Achab wordt beschreven in de bijbel in de boeken 1 Koningen en 2 Koningen. Hij bevorderde de welvaart van zijn volk en men neemt aan dat tot Achabs bouwwerkzaamheden ook de voltooiing behoorde van de versterkingen van de stad Samaria. De tempel voor aanbidding van de God van IsraŽl stond echter in Jeruzalem (Juda) en Achab deed alles wat mogelijk was om het godsdienstig volk in zijn tienstammen koninkrijk te houden. Zijn huwelijk met Izebel bewerkte dat hij de Bašlsaanbidding (sterk afgodisch in de ogen van de God van IsraŽl: Jahwe bevorderde. Achab liet zich er door zijn vrouw Izebel toe bewegen Bašl te aanbidden, een tempel voor Bašl te bouwen en een heilige paal ter ere van Astarte (Astoreth) op te richten.

In Samaria werden bij archeologische opgravingen verschillende gedeelten blootgelegd die dit ondersteunen.
In de bijbelse geschiedenis komt de strijd tussen de aanbidding van de God van IsraŽl (Jahwe) en Bašl in deze periode tot een hoogtepunt onder de profeet Elia, beide groepen aanbidders vragen hun God het klaargemaakte offer te aanvaarden en zodoende hun gelijk te ondersteunen. Hier is het de God van IsraŽl die zich duidelijk boven Bašl manifesteerde door het offer van Elia te aanvaarden en bovendien de drie jaar durende droogte ophief. Ondersteuning voor deze droogte vinden we onder meer in het Nieuwe testament bij Lukas Hfdst 4:25.

Volgens het bijbelverslag in 2 Koningen is het Jehu die als koning van IsraŽl een einde maakt aan het bewind van Achab. Volgens de Joodse overlevering rekent men Achab onder de drie koningen die geen aandeel hebben in het eeuwig leven.

Zegelring met daaronder een vergroting van de inscriptie ('Achab, koning van Israel')

863 v.Chr. Bath wordt gesticht: Bath is een stad (city) in het bestuurlijke gebied Bath and North East Somerset, in het Engelse graafschap Somerset. De stad, gelegen aan de rivier de Avon, heeft ongeveer 80.000 inwoners en is na Londen de drukst bezochte toeristenplaats in Engeland. Al in de tijd van de Romeinen werd de stad druk bezocht vanwege de geneeskrachtige warme bronnen. Een tempel en thermen zijn deels bewaard gebleven. In de 18e eeuw werd Bath een moderne badplaats, goed bezocht door het rijkere deel van de bevolking. Hieraan is de naam van Beau Nash, de dandy, verbonden.

Bron: Wikipedia.

845 v Chr. Asa, was koning van Juda. Hij volgde zijn vader Abiam op. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateeerd op 913 v.Chr. tot 873 v.Chr. of van 911 v.Chr. tot 870 v.Chr..

Asa wordt beschreven als een goede koning. Hij was actief in het vernietigen van afgodsbeelden en joeg mannen die in de tempel prostitutie bedreven hadden het land uit. Hij ontnam zelfs zijn grootmoeder Mašcha de titel van koningin, omdat ze een afgodsbeeld had laten maken.

De eerste tien jaar van Asa's regeerperiode heerste er rust in Juda. Asa gebruikte deze periode om de steden in Juda te versterken. Daarnaast richtte hij een groot leger op. Na tien jaar werd Juda aangevallen door de NubiŽrs. De oorlog werd echter overtuigend door Juda gewonnen. Hierna leefde Juda 25 jaar in vrede, totdat koning Basa van IsraŽl Juda aanviel. Asa sloot daarop een bondgenootschap met koning Benhadad I van Aram, die zijn hoofdstad in Damascus had. Samen versloegen ze IsraŽl. Toen de profeet Chanani Asa kwam vertellen dat hij er fout aan had gedaan om met Aram een bondgenootschap te sluiten, ontstak Asa in woede. Hij liet Chanani opsluiten en beging wreedheden tegen zijn volk. Korte tijd later werd Asa getroffen door een ziekte aan zijn voet, waardoor hij slecht ging lopen. Hij overleed twee jaar later en werd opgevolgd door zijn zoon Josafat. Asa werd begraven in de Davidsburcht in Jeruzalem.

871-849 v Chr. Koning Josafat.

Josafat (Hebreeuws יְהוֹשָׁפָט, zijn naam betekent "De Heer is rechter") was koning van Juda. Hij was de opvolger van zijn vader Asa. Over zijn leven is in de Bijbel te lezen in 1 Koningen 22 en in 2 Kronieken 17-20. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd op 873 v. Chr. tot 849 v. Chr. of van 870 v. Chr. tot 849 v. Chr..

In het begin van zijn regeerperiode versterkte Josafat zijn koninkrijk tegen de IsraŽlieten. Daarnaast vernietigde hij afgodsbeelden van Bašl die in Juda te vinden waren. In het derde jaar van zijn regering stuurde hij priesters en Levieten het land in om zijn onderdanen te onderrichten in de wetten van de Thora. Middels een huwelijk kreeg Josafat een familieband met koning Achab van IsraŽl. Samen trokken zij enkele jaren later ten oorlog tegen koning Ramot van Aram in Gilead. Achab kwam bij de stijd om het leven, maar Josafat wist ongeschonden van het slagveld terug te keren. Terug in zijn eigen rijk werd Josafat terechtgewezen door de profeet Jehu vanwege zijn alliantie met Achab.

Desondanks sloot Josafat later een overeenkomst met koning Achazja van IsraŽl om samen een vloot te bouwen om handel te kunnen drijven met Tarsis. Maar de schepen gingen op de eerste tocht verloren. Samen met koning Joram voerde Josafat oorlog tegen de Moabieten. Aan het eind van Josafats regeerperiode vielen de Moabieten hem opnieuw aan, samen met de Ammonieten. Josafat won de oorlog. Korte tijd later overleed Josafat op zestigjarige leeftijd na 25 jaar geregeerd te hebben. Hij werd begraven in de Davidsburcht in Jeruzalem. Hij werd opgevolgd door zijn Joram.

Josafat.

845 v Chr. Machtsgreep Jehu, moord op aanhangers Bašl; profeet Elisa:

Ondertussen riep de profeet Elisa een van de leerlingen van de profetengemeenschap bij zich en droeg hem op: "Neem dit kruikje met olie en ga zo snel mogelijk naar Ramot in Gilead. Daar aangekomen moet je Jehu opzoeken, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar hem toe en neem hem apart. Ga met hem naar een afgezonderd vertrek en giet het kruikje olie over zijn hoofd uit met de woorden: 'Dit zegt de HEER: Hierbij zalf ik je tot koning van IsraŽl.' Daarna moet je het vertrek verlaten en maken dat je wegkomt."

De jonge profeet ging naar Ramot in Gilead. Toen hij daar aankwam, zaten de bevelhebbers van het leger bij elkaar. "Kan ik u spreken, overste?" vroeg hij. "Wie van ons wilt u spreken?" vroeg Jehu. "U, overste," antwoordde hij. Jehu stond op en ging met de jonge profeet mee naar binnen. Daar goot de profeet de olie over Jehu"s hoofd uit en zei: "Dit zegt de HEER, de God van IsraŽl: Hierbij zalf ik je tot koning over IsraŽl, het volk van de HEER. Ruim het koningshuis van Achab, waarbij je in dienst staat, uit de weg, want ik wil het bloed wreken van de profeten en van al mijn andere dienaren die door Izebel ter dood zijn gebracht.

Heel het koningshuis van Achab zal ten onder gaan, alle mannelijke leden van zijn familie zal ik uitroeien, van hoog tot laag. Het zal het koningshuis van Achab vergaan als het koningshuis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en het koningshuis van Basa, de zoon van Achia. En Izebel zal op de akkers van JizreŽl door de honden worden opgevreten, niemand zal haar begraven." Daarop verliet de profeet het vertrek en maakte dat hij wegkwam.

Toen Jehu terugkwam bij de dienaren van zijn heer vroegen ze hem: "Is alles in orde? Wat moest die gek van jou?" "Ach, het gewone gezeur, jullie kennen dat wel," antwoordde Jehu. "Maak dat een ander wijs," zeiden ze. "Zeg op, wat had hij te vertellen?" Toen zei Jehu: "Hij heeft me het volgende gezegd: 'Dit zegt de HEER: Hierbij zalf ik jou tot koning van IsraŽl.'" Ogenblikkelijk deden ze allemaal hun mantels af en spreidden die voor hem als loper over de traptreden uit. Toen bliezen ze op de ramshoorn en riepen: "Jehu is koning!"

Elisa is een profeet waarover geschreven staat in de Hebreeuwse Bijbel. Hij is de opvolger van de profeet Elia. De levensloop van Elisa is met name terug te vinden aan het einde van het Bijbelboek 1 Koningen en voor de rest in het Bijbelboek 2 Koningen.

Zijn naam komt het eerst voor in de opdracht aan Elia om hem tot opvolger te zalven. Op zijn weg van SinaÔ naar Damascus treft de profeet Elia hem aan terwijl hij met de runderen het land ploegt. Hij roept Elisa door zijn mantel over diens schouders te gooien. Hij neemt hem aan als zoon en roept hem tot het profetenambt.

Gedurende twaalf jaar horen we weinig over Elisa, tot het overlijden van Elia. Hierna wordt gezegd dat hij 'een dubbel deel' van de geest van Elia heeft gekregen, en wel omdat hij de wonderbaarlijke hemelvaart van Elia heeft mogen aanschouwen. Hij heeft de leiding van de profetenschool in Jericho, redt Samaria en Dothan van een Syrische belegering, en geneest de Syrische generaal Našman van melaatsheid. Hij zalft HazaŽl tot koning over SyriŽ en Jehu tot koning over IsraŽl. Jaren later, op zijn sterfbed, komt koning Joas, de kleinzoon van Jehu, om te rouwen over zijn naderende einde. Hij spreekt tot Elisa dezelfde woorden als Elisa bij Elia's dood: "Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van IsraŽl!" Volgens 2 Koningen 13:20-21 werd een jaar na zijn begrafenis het lichaam van een overleden man 'weer levend toen het diens beenderen aanraakte'.

De profeet Elisa.

Voorganger:
Abia
Koning van Juda Opvolger:
Josafat

800 v.Chr. Opkomst van de Etruskische beschaving wikipedia-Etrusken.

787-747 v Chr. Bloeiperiode onder Jerobeam, wiens godsdienstbeleid veroordeeld wordt door de profeet Hosea. Geschriften van de profeet Amos.

Het paslood.

De Here stond bij een muur, die destijds loodrecht gemaakt was, met een paslood in Zijn hand. Hij zou dit paslood gebruiken in het midden van 'Zijn volk IsraŽl' en dit volk voortaan niet meer voorbijgaan, voor oordeel niet meer sparen. De hoogten van Izašk zouden verwoest, de heiligdommen van IsraŽl vernield worden, en tegen het huis van Jerobeam zou met het zwaard worden opgetreden.

Het beeld van een paslood is eenvoudig: het wijst elke afwijking aan. Het bewijst of een muur uit het lood is gezakt. Zo ja, dan kan er maar ťťn ding gedaan worden: afbreken en opnieuw bouwen. Dit zou ten aanzien van IsraŽl dan ook geschieden. In dit derde visioen is geen sprake van bemiddeling, er zou een definitief oordeel over IsraŽl worden uitgeoefend, n.l. de wegvoering van de tien stammen door de Assyrische koning Salmanťser, 2 Kon. 17:1-6.

Hoe veelzeggend zijn de woorden: 'Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan'. En dit was de tweede aankon≠diging. Tevoren had de Here reeds gezegd, dat Hij IsraŽl zou be≠handelen, zoals Hij destijds Egypte had gedaan, 5:17. Nu werd deze uitspraak nog aangevuld met: 'Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Zoals aan IsraŽl in Egypte was geschied, en zoals IsraŽl ook nog gespaard was voor de oordelen van de twee vorige visioenen. Een lam waarvan het bloed IsraŽl beveiligde, zou er nu niet zijn.

Aan het volksbestaan van IsraŽl zou een einde worden gemaakt, de 'heiligdommen' van IsraŽl zouden worden verwoest en het huis van Jehu, waarvan Jerobeam II de derde afstammeling was, door het zwaard getroffen. Dit is dan ook geschied. Zacharia, de zoon van Jerobeam werd, na een regering van zes maanden, doodgeslagen.

Toen was de belofte aan Jehu, dat van zijn zonen tot in het vierde geslacht op de troon van IsraŽl zouden zitten, vervuld geworden, 2 Kon. 15:8-12. Na Zacharia hebben nog vijf koningen korter of langer over IsraŽl geregeerd, in totaal ruim 41 jaar. Onder Hosťa, de laatste van deze vijf, en ook de laatste van alle koningen van IsraŽl, is het oordeel, dat een einde maakte aan het volksbestaan, gekomen. Samaria werd na een beleg van drie jaar verwoest en IsraŽl, voor zover niet gesneuveld, naar AssyriŽ weggevoerd. Dat gebeurde in het jaar 722 vůůr Christus, 2 Kon. 17:6.

Er gaat een geweldige spraak uit van het paslood. Als de Heer dit gebruikt in onze dagen, in ons midden, in onze familie, in ons  gezin, wat zal het dan aanwijzen? De verzen 10-17 van dit hoofdstuk onderbreken de visioenen van de profeet Amos, en beschrijven het verzet tegen zijn profeteren in IsraŽl.

Amos was naar Bethel gegaan om daar te profeteren. Amazia, de priester van Bethel (niet de priester des Heren), kwam tegen de profeet in verzet en zond aan Jerobeam II, koning van IsraŽl, bericht dat Amos een samenzwering tegen hem sprak in het midden van het volk, woorden die door het land, het koninkrijk, niet konden worden verdragen. - Want hij had gezegd, dat de koning Jerobeam door het zwaard zou sterven, en dat IsraŽl ge≠vankelijk uit het land zou worden weggevoerd. Het eerste heeft de profeet zeker niet gezegd.

De Here had hem immers niet medegedeeld, dat  Jerobeam door het zwaard zou sterven, maar dat het huis van Jerobeam door het zwaard zou worden getroffen. Priesters, door mensen aangesteld, hebben zich altijd verzet tegen de dienaren des Heren, die door de Heilige Geest gedreven het Woord van God spraken. - Amazia gedoogde het optreden van Amos in het tienstammenrijk niet, in welk rijk hij zichzelf geestelijke rechten aanmatigde. Amos kwam door zijn profeteren op Amazia"s terrein.

Om zich van de profeet te ontdoen, wiens woorden hem toch verontrustten, schakelde hij de wereldlijke overheid in, opdat deze de profeet zou veroordelen. Vooruitlopende op een besluit van Jerobeam, zei hij tot Amos: 'Gij ziener, ga weg, vlucht in het land van Juda, en eet aldaar brood en profeteer aldaar. Maar te Bethel zult gij voortaan niet meer profeteren, want dit is een koninklijk heiligdom en een rijkstempel'. Zo wilde Amazia zich van Amos ontdoen.

Maar hij vergat, dat God Zich geen beperkingen laat opleggen door mensen en dat alleen 'Zijn' gezag wettig en beslissend is. Amos verkondigde in IsraŽl de waarheid, maar het was voor de priester Amazia van het hoogste belang, dat hieraan paal en perk werd gesteld. Want op die manier werd heel het godsdienstige systeem, door Jerobeam I uitgedacht, te gronde gericht, en daarmede ook de positie van de geestelijke leiders in IsraŽl. Vandaar de valse aanklacht, en een inschakeling van de overheid om dwang uit te oefenen.

 Zegel van de Sema: een minister van de koning Jerobeam II (787-747 v. Chr.)

Amos, profeteerde onder de regering van Uzzia,, koning van Juda, die tweeŽnvijftig jaar te Jeruzalem regeerde en onder het bewind van Jerobeam II, koning van IsraŽl, die eenenveertig jaar te Samaria regeerde. Er is slechts ťťn koning geweest die nog langer dan de eerstgenoemde op de troon heeft gezeten, nl. Manasse, koning van Juda, die vijfenvijftig jaar heeft geregeerd.

Een langdurige regering betekende echter nog niet een goedkeuring van dat bewind door God. Want die van Manasse was een aaneenschakeling van zonde en ongerechtigheid. Uzzia, de koning van Juda, deed wat recht is in de ogen des Heren (2 Kon. 15:3). Zijn regering was zeer voorspoedig, het rijk werd zeer versterkt. Tot op de dag, waarop deze koning, door hoogmoed gedreven, tevens priesterlijke dienst in de tempel wilde verrichten. Als straf hierover werd hij melaats tot zijn dood toe. De na hem komende koningen Jotham, Hizkia en Josia wandelden in de wegen des Heren. Door de trouw van deze ware nakomelingen van David werd het oordeel, dat Juda bedreigde, o.a. door de goddeloze koningen van Juda: Achaz, Manasse en Amon, nog uitgesteld.

Met Jerobeam II was het geheel anders gesteld. Hij deed wel grote daden in de ogen van mensen, maar hij wordt gekenmerkt door 'hij deed wat kwaad was in de ogen des Heren.'. Toch heeft God hem nog willen gebruiken om IsraŽl te verlossen. De Here had toen nog niet gezegd, dat Hij de naam van het tien≠stammenrijk IsraŽl, van onder de hemel zou uitwissen (2 Kon. 14:23-29). Na de dood van Jerobeam II en de regering van nog zes hem opvolgende koningen, die gezamenlijk 41 jaar en 7 maanden geregeerd hebben is dit tienstammenrijk geheel ten onder gegaan, door de wegvoering van de bevolking naar AssyriŽ. De regering van Uzzia, koning van Juda, en die van Jerobeam II, koning van IsraŽl, vielen samen gedurende een periode van veertien jaar. Maar het is niet zo dat Amos gedurende deze veertien jaar heeft geprofeteerd. Het eerste vers van hoofdstuk 1 zegt, dat hij profeteerde twee jaar vůůr de aardbeving.

Amos.

 

Uzzia (in de bijbel wordt ook de naam Azarja gebruikt) was koning van Juda. Hij werd door het volk van Juda als opvolger van zijn vader Amasja benoemd. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd van 783 v. Chr. tot 742 v. Chr. of van 767 v. Chr. tot 740 v. Chr..

Over zijn leven valt in de Bijbel te lezen in 2 Koningen 14 en 2 Kronieken 26. Hij zou 52 jaar hebben geregeerd, ťťn van de langste regeerperiodes in de geschiedenis van Juda. Uzzia, die de troon besteeg op 16-jarige leeftijd, stond bekend als een doortastende en goede vorst. Hij zorgde voor een groot en sterk leger en bouwde verschillende verdedigingswerken, zoals verschillende wachttorens in de stadsmuur van Jeruzalem. Hij voerde oorlogen tegen de Filistijnen, de Arabieren en de MeŁnieten. Daarnaast kreeg hij schatting (een afkoopsom voor oorlog) van de Ammonieten. Op het hoogtepunt van zijn macht, reikte zijn rijk tot aan de grens met Egypte. Aan het eind van zijn regeerperiode werd hij echter getroffen door huidvraat, nadat hij -tegen de regels in- zelf wierook had geofferd in de tempel van Jeruzalem. De laatste jaren van zijn leven moest Uzzia daarom in afzondering leven (mensen met huidvraat waren onrein en mochten niet in contact komen met anderen): zijn zoon Jotam was in deze periode regent van Juda.

Na zijn dood werd hij begraven in een apart graf in het veld waar ook zijn voorouders waren begraven. Hij werd als koning opgevolgd door Jotam.

Uzzia steen.

In 1931 werd door professor E.I. Sukenik van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem een steen ontdekt, die tegenwoordig bekend staat onder de naam 'Uzzia steen'. Op de steen staat in het oud-Hebreeuws te lezen De beenderen van Uzzia, koning van Juda, rusten hier. Niet openen.... De stijl van de tekst is Aramees en de tekst wordt daarom gedateerd op 700 jaar na Uzzia. Niet achterhaald kan worden of de plaats waar de steen gevonden werd daadwerkelijk het graf van Uzzia was.

Uzzia.

Egyptische kalender. De Egyptenaren verdeelden het jaar in 12 maanden van 30 dagen met 5 extra dagen elke twaalfde maand. Omdat het geen rekening hield met de kwart dag, liep het ook door de jaren terug in 1460 jaar. Dus 1461 Egyptische jaren komen overeen met 1460 Juliaanse jaren. De Egyptische kalender is heel vaag omdat de verschillende seizoenen in verschillende maanden vielen. De telling begon 747 v. Chr.

● 776 v.Chr. Eerste Olympiade.

● 753 v.Chr. Rome wordt gesticht. Het Romeinse Rijk (Latijn: Imperium Romanum) was van oorsprong een stadstaat, die zich vanaf de zesde eeuw voor Christus begon uit te breiden en uitgroeide tot een rijk dat op zijn hoogtepunt alle landen rond de Middellandse Zee omvatte. Het bereikte zijn grootste omvang onder keizer Trajanus (98-117).

De Romeinse geschiedenis wordt traditioneel in drie perioden onderverdeeld:

725-697 v Chr. Koning Hizkia, bestrijdt de Filistijnen, geprezen om zijn vroomheid

Hizkia (ook wel Jechizkia, overleden in 687 v. Chr.) was een bijbels-historisch figuur. Hizkia was van (vermoedelijk) 715 v. Chr. tot zijn dood koning van Juda. Hij was de opvolger van zijn vader Achaz.

Leven.

Ten tijde van Hizkia's leven was IsraŽl opgedeeld in een noord-rijk (onder de naam IsraŽl) en een zuidrijk (Juda). In 722 v. Chr. veroverden de AssyriŽrs het noordrijk. Zijn vader was toen koning van het zuidelijke Juda, dat een vazalstaat van de AssyriŽrs was. Desondanks liep ook Juda het gevaar veroverd te worden. Hizkia toonde zich naar buiten toe loyaal ten opzichte van de AssyriŽrs, maar bereidde tegelijkertijd de hoofdstad van Juda Jeruzalem voor op een beleg. Hij versterkte de stadsmuren en liet een 533 meter lang ondergronds kanaal (de Hizkia-tunnel) aanleggen van het bij de stad gelegen Gihonbron naar binnen de stad. De bouw van dit kanaal was voor die tijd een technisch meesterwerk.

Toen in 704 v. Chr. de BabyloniŽrs tegen de AssyriŽrs ten strijde trokken, steunde Hizkia met andere Syrische vorsten en in de hoop op steun van Egypte de opstand tegen de AssyriŽrs. De Assyrische koning Sanherib ondernam hierop een veldtocht tegen de SyriŽrs en veroverde het zuiden van Palestina (701 v. Chr.) voordat Egyptische hulp kon arriveren. Ondanks dat Hizkia 30 talenten goud en 300 talenten zilver betaalde aan Sanherib, begon Sanherib een belegering van Jeruzalem. Om onbekende redenen werd deze belegering echter afgebroken. Volgens Herodotus werd het leger van de AssyriŽrs getroffen door een muizenplaag, in de Bijbel wordt gesproken van de totale vernietiging van het leger van Sanherib) en een andere theorie is dat Sanherib het beleg staakte nadat Hizkia hem goud en zilver had betaald.

Tijdens zijn bewind stelde Hizkia religieuze veranderingen in. Hij schafte de verering van de Assyrische goden af en concentreerde zich op de verering van JHWH. Hizkia overleed uiteindelijk in 687 v. Chr. Zijn opvolger was zijn twaalfjarige zoon Manasse.

722 v Chr. Verovering door de AssyriŽrs o.l.v. Salmanasser V, (koning van AssyriŽ).

De Assyrische koning Salmanasser V (727 - 722 v.Chr.) nam Samaria in na een lang beleg (724 - 722 v.Chr.), waarbij hij echter overleed. Salmanasser V was een zwakke koning en zette de politiek van zijn vader zonder veel succes voort. Een staatsgreep in Assoer maakte een einde aan zijn regering. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Sargon II.

Als een volk voor de derde keer zou rebelleren was het officiŽle Assyrische antwoord kort en krachtig: dat volk zou ophouden te bestaan. Het Assyrische leger zou nagenoeg de hele bevolking met geweld in ballingschap drijven. De AssyriŽrs verspreidden de ballingen door hun hele rijk en herbevolkten de leeggekomen gebieden met mensen uit andere verre gebieden. Eenmaal uit hun eigen land verwijderd en hun land door anderen bevolkt zouden de verspreide ballingen weinig middelen of motivatie meer hebben om nog eens tegen de Assyrische heerschappij in opstand te komen.

Een pro-Assyrische, maar onbetrouwbare IsraŽlitische vazal, koning Hosea (ca. 731-722 v. Chr.) bracht de gebeurtenissen op gang die de ontbinding van het noordelijke koninkrijk veroorzaakten. In de hoop op belangrijke steun van Egypte in het zuiden verraadde Hosea omstreeks 724 v. Chr. het Assyrische vertrouwen reageerde met een beleg (ca. 724-722 v. Chr.) dat ten slotte de val van IsraŽl"s hoofdstad Samaria tot gevolg had. Op dat punt hield het noordelijke koninkrijk op te bestaan als politieke entiteit.

De geschiedenis bevat een naschrift op de val van Samaria in 722 v. Chr. Na met succes 'IsraŽl"s Beloofde Land' te zijn binnengevallen door de overwinning op het noordelijke koninkrijk, keerden de AssyriŽrs spoedig terug om het zuidelijke koninkrijk Juda aan te vallen. Binnen tien jaar kwam het Assyrische leger terug en veroverde bijna alle versterkte steden van Juda (2 Kon. 18:9, 13-14). Jeruzalem echter viel in deze invasie niet en het koninkrijk herstelde voldoende om nog 135 jaar te blijven  587 v. Chr. de Babylonische legers Jeruzalem veroverden en verwoestten.

Het Assyrische Rijk onder Sargon II.

 

● Koning Sargon II (722 - 705 v.Chr.) regeert over het Assyrische Rijk.

● Samaria wordt na een belegering van bijna drie jaar door de AssyriŽrs ingenomen. -Het Assyrische Rijk of kortweg AssyriŽ was een rijk dat bestond tussen 2000 v.Chr. en 612 v.Chr. De AssyriŽrs veroverden het rijk vanuit hun kerngebied rond de stad Aööur (of Assoer) in MesopotamiŽ. Op het hoogtepunt van hun macht besloeg het rijk MesopotamiŽ, het grootste deel van IsraŽl en (gedurende een korte periode) zelfs Egypte. Omstreeks 2500 v.Chr. vestigden de voorlopers van de AssyriŽrs zich aan de bovenloop van de Tigris. Het Assyrische volk is ontstaan uit een vermenging van de oorspronkelijke oerbevolking en Semitische immigranten.

● Sargon II verslaat een coalitie van Syrische en Fenicische steden.

● Sargon II laat de tien noordelijke stammen van IsraŽl afvoeren naar Aööur.

● Palestina wordt ingelijfd bij het Assyrisch Rijk, einde van het koninkrijk IsraŽl. Bron: Wikipedia.

701 v Chr. belegering van Jeruzalem door de AssyriŽrs o.l.v. Sanherib

Sanherib (ca. 705-681 v. Chr.) (ook bekend als Sennacherib) was een koning van AssyriŽ.

Hij is de zoon van Sargon II, was getrouwd met Naqi'a en was vader van Esarhaddon en grootvader van Assurbanipal.

Hij had bij zijn troonbestijging weinig last van lokale opstanden, want Assurs overmacht was zo groot geworden door de militaire ondernemingen van zijn voorganger Sargon II. Daardoor hoefde Sanherib zich niet meer bezig te houden met de jaarlijkse veldtocht. Intussen voerden de met de Meden verbonden KimmeriŽrs een vriendschappelijke politiek ten overstaan van Urartu, niet om het Assyrische maar wel om het Frygische Rijk ten val te brengen. Sanherib slaagde er door toedoen van Egypte niet in de problemen in Juda volledig op te lossen.

Op het moment dat de Chaldese vorst van Babylon een verbond sloot met Elam, rukte Sanherib tegen hem op met het landleger en een door Westerlingen bemande en door FrygiŽrs gebouwde vloot. Op dat moment viel Elam Assyrisch grondgebied binnen. Sanherib overwon zowel Babylon als Elam en op onnavolgbare wijze liet hij Babylon verwoesten (hij liet het water van de Eufraat over de stad vloeien), wat in de latere Messopotamische literatuur werd gezien als een belediging van Babylons goden. Sanheribs nieuwe residentiestad Ninive werd door kanaten van water voorzien.

Egypte.

● Farao Shebitku verslaat in de slag bij Eltekh de AssyriŽrs en verijdelt de inname van Jeruzalem.

AssyriŽ.

 

● Koning Sanherib onderwerpt Juda en verovert de Fenicische havensteden Byblos en Sidon.

● Sanherib verwoest Ekron en neemt als oorlogsbuit paarden, muilezels en kamelen mee naar huis.

● Sanherib belegert Jeruzalem, maar door een epidemie moeten de AssyriŽrs zich terugtrekken.

Libanon.

● Koning LulÍ van Sidon wordt gedwongen naar Cyprus te vluchten. Bron: Wikipedia.

638-608 v Chr. Koning Josia, vergroot de zelfstandigheid van Juda, annexeert de noordelijke provincies Galilea, Gilead en Samaria; hij verwijdert afgodsbeelden uit de tempel en voert hervormingen door, mede gerechtvaardigd door de vondst van een oud wetboek in de tempel.

Religie Ė aangepast aan de markt.

IsraŽl had zich in de tijd totaal aangepast aan de religie en de goden van de buurlanden. En van Jahwe, van de God van IsraŽl zelf, was nauwelijks nog sprake. Hij werd op een zijspoor gezet. Men vond hem minder boeiend, minder prikkelend. Van Hem kon je je geen voorstelling maken, niemand had Hem nog ooit gezien. De afgodsbeelden van de buurlanden spraken veel meer tot de verbeelding. En als je die ging aanbidden, kreeg je er ook best veel voor terug.

De god Jahwe was anders dan de andere goden, en omdat je Hem niet kon zien, was in Hem geloven moeilijker: je kon je geen voorstelling van Hem maken. En als je in Hem ging geloven, bracht je ook een scheiding aan in je relatie met de omliggende landen en culturen. En daar was het koning Salomo en zijn opvolgers vooral ook altijd om te doen geweest: om een goede relatie met je buren, de buurlanden.

IsraŽl was in die tijd vooral een transitland, een doorvoerland van allerlei goederen naar de andere landen. Als de goederen vanuit het noorden naar het zuiden werden gebracht, van waar vandaag Turkije ligt, naar Egypte; of vanuit het westen naar het oosten, van Griekenland naar waar vandaag Irak ligt, kwamen ze door de gebieden van de stammen van IsraŽl heen. Iemand vergeleek het land IsraŽl van toen eens met het BelgiŽ van nu, waar ook maar weinige reizigers blijven hangen, maar de meesten doorheen rijden.

Zo was IsraŽl toen ook vooral een land waar de karavanen doorheen trokken; een land waar niemand echt langer bleef vertoeven. Tenzij, tenzij, dacht toen menige koning van IsraŽl, wij een oponthoud voor hen zo aangenaam mogelijk maken, ze zich bij ons thuis gaan voelen, doordat ze onder andere hun eigen goden bij ons kunnen aanbidden. Dan blijven ze misschien wel wat langer en geven ze hun geld ook in onze gebieden uit. Zo was het langzamerhand tot het beleid van de koningen van IsraŽl geworden, zich zeer aan de buurlanden, aan hun cultuur en religie aan te passen. Dit was de situatie tot het moment dat Josia als koning aan de macht kwam.

Josia"s heimwee naar iets anders.

Josia gaat dan opeens weer een heel ander beleid voeren, een beleid tegen al deze aanpassingen en religies in? Hoe zou dat zo gekomen zijn? Ergens in de bijbel lezen we dat hij al op zijn achtste levensjaar koning wordt. En als hij dan net koning is, staat er in 2 Kronieken 34: 3, gaat hij op zoek naar zijn eigen wortels, naar de god van zijn vader David. Als hij dan vervolgens twaalf jaar aan de macht is, durft hij al de eerste keer toe te slaan in de tempel van Jeruzalem, en daar de heidense goden te verwijderen.

Maar helemaal anders wordt het in het 18e jaar van zijn regering, hij is dan zo"n 26 jaar. Dan vindt zijn priester Chilkia bij een opknapbeurt in de tempel een oude boekrol, waarschijnlijk het boek Deuteronomium, of heel de Joodse Thora, dat weet men helaas niet. En als koning Josia daar in begint te lezen, krijgt Josia de schrik van zijn leven: in dat boek wordt met heel veel woorden gewaarschuwd tegen het aanbidden van al de afgoden. In het boek Deuteronomium worden wij opgeroepen om alleen God te dienen, Hem alleen, met heel ons hart, onze ziel en ons verstand, en met Hem een relatie aan te gaan, een verbond te sluiten, met Hem alleen.

Josia ziet dat wel zitten. Hij wil terug naar het eigen geloof. Hij wil terug naar de God van de bijbel. En de internationale relaties? Het onderhouden van die relaties? Die spelen bij hem niet meer zo"n grote rol. Blijkbaar staat Josia er economisch op dat moment zo sterk voor, dat hij denkt het bewandelen van een eigen weg economisch wel weer aan te kunnen, ook al kapt hij daarmee dan wel met de internationale godenverering en daarmee: met een groot deel van de vele buitenlandse contacten die er in IsraŽl onderhouden worden. Josia wil terug naar het eigen geloof, dat door de tijd heen helemaal is ondergesneeuwd. En zo begint hij aan zijn zuiveringsactie, die hij met harde hand uitvoert.

Met dit alles, met de bezinning op het eigene, met de bezinning alleen nog maar op Gůd, is Josia dan later tot een voorbeeld of naamgenoot van Jezus geworden. Ook Jezus voltrok later weer eens een reiniging van de tempel. En ook Hij riep heel het volk IsraŽl weer terug naar de kern, naar zijn eigen oorsprong. Daarin is Josia Hem voorgegaan. - Maar de vraag, de hamvraag is dan natuurlijk, hoe wij mensen van vandaag onze tekst van vanmorgen kunnen toepassen in ons leven. Dat zuiveren, dat uitzuiveren van ons eigen geloof, of misschien wel: het zuiveren van het geloof van heel onze samenlevingÖ, hoe kunnen wij dat dan doen in onze dagen. Kunnen we de manier van doen van Josia zomaar klakkeloos overnemen? Zouden ook wij dan weer eens met een wat hardere hand moeten doen? En tot hoe ver gaat dat dan? Mag dat dan gaan?

Egypte.

● Farao Necho II versterkt zijn grip op Palestina en SyriŽ.

● Necho II voert het oppergezag over de Levant tot Karkemish, hij steekt de Eufraat over en belegert Harran.

 

Palestina.

● Koning Josia van Juda trekt op tegen Necho II en sneuvelt in de slag bij Megiddo.

● Kroonprins Joachaz volgt zijn vader op als koning van Juda, maar wordt na drie maanden afgezet door Necho II.

● Koning Jojakim (609 - 598 v.Chr.) bestijgt de troon van het koninkrijk Juda.

BabyloniŽ.

● Koning Nabopolassar van Babylon verwoest de Assyrische stad Harran.

● Het verlies van Egypte in het jaar 4141 van de Assyrische kalender betekent het einde van het Assyrische Rijk. Bron: Wikipedia.

627 v Chr. Jeremia krijgt een visioen en treedt op als profeet (tot ca. 586)

"Het volk en het koninkrijk nu, dat hem, Nebukadnessar, de koning van Babel, niet zal willen dienstbaar zijn en zijn hals niet zal willen voegen onder het juk van de koning van Babel, over dat volk zal Ik bezoeking doen met het zwaard, de honger en de pest, luidt het woord des Heren, tot Ik hen volkomen in zijn macht zal hebben gebracht".                                                                                         

"Toen ik mijn ogen opsloeg, zag ik, en zie, een ram stond voor de stroom; hij had twee horens, en die horens waren hoog, de ene echter was hoger dan de andere, en de hoogste rees het laatste op. Ik zag de ram stoten naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden, en geen enkel dier kon tegen hem standhouden"

"Gij, o koning, koning der koningen, wie de God des hemels het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft, ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die Hij tot heerser over die alle heeft gemaakt- gij zijt dat gouden hoofd".

De BabyloniŽrs behoorden tot de belangrijkste bewerkers van Assurs ondergang. Nadat Ninevť verwoest en Farao Necho bij Karkamis aan de Eufraat verslagen was, veroverde Nebukadnessar II SyriŽ. Ook dwong hij Jeruzalem tot het betalen van zware belastingplicht. Het waren de profeten Jeremia(25:5) en Habakuk (1) die Juda en zijn koning vele malen hadden gewaarschuwd zich te bekeren van de heilloze weg die zij bewandelden. Helaas vonden zij geen gehoor.

De vruchten der goddeloosheid zouden de koning en het volk dan ook spoedig plukken. Koning Jojakim en diens zoon Jojakin werden beiden naar BabyloniŽ afgevoerd en in hun plaats werd er een vazalkoning op de troon geplaatst. Ondanks de woorden Gods, zich geheel naar de wil van Nebukadnessar te schikken, rebelleerde ook deze koning tegen de opgelegde belastingplicht.

"Zo zegt de Here, de God van IsraŽl: Ga heen en spreek tot Sedekia, de koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de Here: zie, Ik geef deze stad in de macht van de koning van Babel, die haar met vuur zal verbranden; gij zult niet ontkomen aan zijn macht, maar voorzeker gegrepen en in zijn macht gegeven worden; van aangezicht tot aangezicht zult gij de koning van Babel zien, van mond tot mond zal hij met u spreken en gij zult in Babel komen".

In 586 v Chr. ging deze profetie in vervulling. Nebukadnessar viel Juda binnen, verwoestte Jeruzalem en haar tempel en liet de Joodse bevolking naar Babel afvoeren. Alle zonen van koning Sedekia werden voor diens ogen gedood terwijl hij zelf verblind naar Babel werd overgebracht. In Jeremia 25:11-12 verkondigt de profeet, dat zijn volk zeventig jaar in ballingschap zal blijven.

Dan zal de Here Zijn volk verlossen en de ongerechtigheid van Babel bezoeken en het Koninkrijk verwoesten.

Jeremia.

612 v Chr. Verovering Ninive door de Meden, beschreven door de profeet Nahum; feitelijk einde Assyrische invloed.

Het boek Nahum is een van de boeken in het Oude Testament en de Tenach. De naam Nahum (in het Hebreeuws: Nachoem, in de Septuaginta en in het Nieuwe Testament: Naoum) betekent Trooster.

Ontstaan en datering.

Nahum profeteerde volgens sommigen tijdens het begin van de regering van Ahazia (743 v. Chr.). Anderen geven de voorkeur aan een datering tijdens de tweede helft van de regering van Hizkia, rond 709 v. Chr. Waarschijnlijk is het boek geschreven in Jeruzalem spoedig na 709 v. Chr. waar hij getuige was van de inval van Sanherib en de vernietiging van diens leger (2 Koningen 19:35).

Wanneer de ondergang van Nineve in 607 v. Chr. geplaatst wordt, en omdat de ondergang van Nineve als toekomstige gebeurtenis in het boek wordt afgeschilderd, kan men aannemen dat het boek voor dit jaar geschreven is. In hoofdstuk 3:8 wordt de ondergang van de Egyptische stad No of No-amon als gebeurtenis in het verleden genoemd, een gebeurtenis die rond 663 v. Chr. geplaatst kan worden.

Het boek vermeld in 1:1 dat het geschreven is door Nahum, de 'Elkosiet', dwz afkomstig uit Elko, een plaats waarvan de ligging niet bekend is.

Onderwerp en inhoud.

Het onderwerp van de profetieŽn wordt gevormd door de komende ondergang van Nineve, de hoofdstad van het grote en toen florerende Assyrische rijk. De assyrische vorst Assur-banipal stond op het hoogtepunt van zijn macht. Nineve was een uitgebreide stad, en een centrum van de toenmalige beschaafde wereld en van de internationale handel.

Het beschikte over een sterke verdediging aan alle zijden. God keek echter anders tegen Nineve aan. Hij zag het als een 'bloedstad, die geheel vol leugen en verscheuring' is. Jona had reeds zijn waarschuwingsboodschap gebracht. Nahum werd gevolgd door Zefanja, die ook de ondergang van de stad voorspelde (hoofdstuk 2:4-15). Voorspellingen, die opmerkelijk nauwkeurig vervuld werden in 607 v. Chr, toen Nineve door vuur verwoest werd, en het Assyrische rijk ten einde kwam.

Profeet Nahum. Aan de profeet Nahum, wordt het gelijknamige boek Nahum in de Bijbel toegeschreven dat het zevende is in de serie zogenoemde Kleine profeten.

612 v Chr. Verovering Ninive door de Meden, beschreven door de profeet Nahum; feitelijk einde Assyrische invloed. Bron: Wikipedia.

608 v Chr. Egyptische opmars, slag bij Megiddo (bij de berg Karmel): dood Josia, volgens Jeremia de laatste grote Judese koning

Josia is een persoon uit de hebreeuwse bijbel. Hij was koning van Juda, en volgde daarin zijn vader Amon op. Over het leven van Josia valt in de Bijbel te lezen in onder meer 2 Koningen 22-23 en in 2 Kronieken 34-35. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd op 640 v. Chr. tot 609 v. Chr. of van 641 v. Chr. tot 609 v. Chr.

Tijdens het bewind van Josia kon Juda aanvankelijk profiteren van de tijdelijke zwakheid van enkele buurlanden. Het rijk van AssyriŽ raakte langzaam in verval en het Babylonische Rijk was nog niet sterk genoeg om de rol van AssyriŽ over te nemen. Ook Egypte beleefde een minder sterke periode. Juda was hierdoor in staat aan macht te winnen. Josia veroverde gebied dat tot de verovering van IsraŽl door AssyriŽ bij IsraŽl had gehoord. Met Egypte sloot Josia een bondgenootschap tegen AssyriŽ en in 612 v. Chr. werd de hoofdstad van AssyriŽ Nineve veroverd.

Onder Josia begon Juda met het verzamelen en redigeren van de Bijbelse geschriften. Dit gebeurde nadat bij restauratiewerkzaamheden van de Tempel van Jeruzalem een boekrol met daarin een oude wettekst gevonden was (tegenwoordig denken veel wetenschappers dat het om het Bijbelboek Deuteronomium gaat of om een oude wettekst die later het Bijbelboek Deuteronomium werd). Vooral de profeet Jeremia maakte zich hier sterk voor. Hierdoor werd het geloof in JHWH (Jahweh, Hebreeuwse naam van God.) gecentraliseerd en verdwenen veel lokale religies. Het verzamelen en redigeren werd pas voltooid ten tijde van de Babylonische ballingschap.

Later bond Josia de strijd aan met Egypte, nadat de farao Necho II met AssyriŽ oorlog ging voeren tegen MesopotamiŽ en Juda had gevraagd om vrije doorgang. Josia viel het leger van Necho echter aan en werd bij Megiddo verslagen. Josia kwam hierbij om het leven. In het Bijbelboek 2 Koningen staat geschreven dat Josia op het slagveld omkwam, in het Bijbelboek 2 Kronieken dat Josia zwaargewond raakte en later in Jeruzalem stierf. Tot opvolger van Josia werd zijn zoon Joachaz benoemd, die echter korte tijd later door de Egyptenaren in ballingschap werd gezet.

Reconstructie Jeruzalem, ten tijde van Josia.

608 v Chr. Egyptische opmars, slag bij Megiddo (bij de berg Karmel): dood Josia, volgens Jeremia de laatste grote Judese koning. Bron: Wikipedia.

597 v Chr. BabyloniŽrs o.l.v. Neboekadnezar II voeren koning Jojakim en de profeet EzechiŽl weg in ballingschap.

586 v Chr. BabyloniŽrs verwoesten nu Jeruzalem en de tempel (onder het oog van de profeet Jeremia); begin Babylonische ballingschap.

De Babylonische ballingschap verwijst naar de ballingschap van de joden nadat zij werden meegevoerd, volgend op de verwoesting van de tempel van Jeruzalem in 586 v.Chr. door de BabyloniŽrs onder Nebukadnezar II. Ze mochten hun geloof blijven belijden en hadden betrekkelijke vrijheid. Sommigen, zoals DaniŽl, kregen hoge posities binnen de regering. In 539 v.Chr. werd Babylon door de Perzen veroverd en werd het de joden toegestaan terug te keren naar Juda. Het boek Ezra verhaalt hierover. De Babylonische ballingschap is voor het jodendom een zwarte periode waarin evenwel het merendeel van hun heilige schriften tot stand is gekomen.

Daarom is het een periode waarin de politieke omstandigheden een enorme invloed hadden op de verdere geschiedenis van de joods-christelijke wereld. Bron: Wikipedia.

BabyloniŽrs o.l.v. Neboekadnezar II voeren koning Jojakim en de profeet EzechiŽl weg in ballingschap.

Jesaja, Jeremia en EzechiŽl staan bekend als de belangrijkste profeten en schreven de boeken die hun naam dragen (samen met de steun van persoonlijke secretarissen). Maar dat is niet het enige waar het om gaat. Iedere persoon leverde zijn eigen fascinerende bijdrage aan de Bijbel. Uiteindelijk is het Jezus Christus Zelf die de twee delen van de Bijbel, het Oude en het Nieuwe Testament, samenvoegt. Hij smeedt de Hebreeuwse profeten aan het Nieuwe Testament. Dus moeten we ons voornamelijk tot Christus richten voor hulp bij het bestuderen van de latere of belangrijkste profeten.

'... Terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd...'

'Hij 'Johannes de Doper' toch is het, van wie door de profeet Jesaja gesproken werd...

Het is duidelijk dat de profeet Jesaja deze woorden sprak. Net als Paulus in het samenstellen van zijn brieven in het Nieuwe Testament, heeft hij delen van zijn boek waarschijnlijk gedicteerd aan een assistent. Bedenk dat het officiŽle systeem van schriftgeleerden en secretarissen (ingesteld door koning David) nog steeds in werking was in Juda gedurende Jesajaís leven. Zijn profetische dienaarschap duurde voort tijdens de regeringen van diverse koningen van Juda

'... Nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken.

'Het woord des HEREN nu kwam tot mij: Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld'

Deze uitdrukking 'het woord des HEREN kwam tot mij' (met kleine verschillen) wordt vaak herhaald in het boek van Jeremia. De boodschap van de profeet komt rechtstreeks van God; Jeremia fungeert slechts als Zijn menselijke instrument.

'Jeremia dan schreef al het onheil dat over Babel komen zou, in een boek, al deze woorden die over Babel geschreven zijn

'... Kwam dit woord van de HERE tot Jeremia: Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over IsraŽl, Juda en alle volken gesproken heb, sedert de dag dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden'

'Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jeremiaís mond al de woorden die de HERE tot hem gesproken had, op een boekrol'

Jeremia had zijn eigen secretaris, die kennelijk ook een gevorderd lezer was Baruch las de woorden van Jeremia in 'het huis van de Heer,' de tempel in Jeruzalem.

'Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in het bekken was'

In de geschiedenis zijn er vele pogingen gedaan om Gods Woord in zijn geheel of ten dele te vernietigen. Dit specifieke voorval staat in de Bijbel zelf beschreven. Soms zijn bijbelse schrijvers of vertalers gevangengenomen of gedood. Mensen hebben letterlijk hun leven gegeven om u dit boek te brengen. In dit voorbeeld in de Schriften werd er een poging gedaan om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen; maar 'de Here hield hen verborgen'

'Toen kwam het woord des HEREN tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden die Baruch had opgetekend uit de mond van Jeremia, verbrand had, aldus: Neem weer een andere rol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de eerste rol stonden, welke Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft'

'Jeremia nam een andere rol en gaf die aan de schrijver Baruch ... en deze schreef daarop uit de mond van Jeremia al de woorden uit het boek dat Jojakim, de koning van Juda, in het vuur verbrand had; en nog vele dergelijke woorden werden daaraan toegevoegd'

Zelfs koningen hebben niet het recht of de toestemming om Gods woord te veranderen of te vernietigen. Hij heeft de Bijbel door de eeuwen heen bewaard in weerwil van vastberaden pogingen om alle sporen ervan uit te wissen. Trouwe mannen en vrouwen hebben hun leven geriskeerd om de Geschriften te behouden, te verspreiden en te publiceren.

'...Kwam het woord des HEREN tot de priester EzechiŽl, de zoon van Buzi, in het land der ChaldeeŽn, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem' (EzechiŽl)

EzechiŽl wordt slechts tweemaal vermeld in de Bijbel Ė beide keren in het boek dat zijn naam draagt. Naast verwijzingen naar de tempelhoofdstukken van EzechiŽl ) in Openbaring 21, wordt het boek zelf diverse malen in het Nieuwe Testament geciteerd. Jezus beeld van Zichzelf als de Goede Herder is een duidelijke verwijzing naar passages uit EzechiŽl, God duidt EzechiŽl 90 keer aan als 'de Zoon des mensen,' en Jezus Christus refereert zoín 80 keer in de evangeliŽn naar Zichzelf als de 'Zoon des Mensen'.

Jojachim werpt de wet in het vuur.

EzechiŽl

De lijst van naties en volken die om Jeruzalem hebben gestreden is bijna eindeloos. Tussen 587 voor Christus en heden werd de stad meer dan twintig keer veroverd en vele malen totaal verwoest, om daarna weer uit haar as te herrijzen. Jeruzalem werd veroverd door de legers van alle grote naties uit het verleden en dat gebeurde meestal wanneer het volk van IsraŽl hun geloof in God hadden verzaakt.

De stad werd onder Joodse heerschappij voor het eerst volledig verwoest door Nebukadnezar. De Bijbel vertelt dat in het negende regeringsjaar van Sedekia, de koning van Juda, Nebukadnezar de koning van Babel met zijn gehele leger tegen Jeruzalem oprukte. Hij belegerde de stad en bouwde er een belegeringswal omheen.

Jeruzalem werd achttien maanden lang, tot de zomer van 587, belegerd. De omstandigheden werden door het langdurige beleg zo nijpend dat sommige bewoners door de honger gedreven hun toevlucht namen tot kannibalisme. Toen de BabyloniŽrs de stad in handen kregen, probeerde koning Sedekia naar het gebied aan de overkant van de Jordaan te vluchten, maar hij werd bij Jericho gevangen genomen en naar Ribla gebracht.

Omdat hij zijn verdrag met Babylon had geschonden werd hij voor Nebukadnezar geleid. Hij moest toezien hoe zijn zoons werden geŽxecuteerd, waarna hemzelf de ogen werden uitgestoken en hij in ketenen werd weggevoerd naar BabyloniŽ waar hij stierf. Gedurende de maand daarop legden de BabyloniŽrs Jeruzalem en de Tempel volledig in de as.

De stadsmuren werden geslecht en de bevolking gedeporteerd. Slechts enige families mochten achterblijven als wijngaardeniers en als landbouwers. Door deze deportatie en verwoesting werd het land een oord van puinhopen en woestenij en hield het koninkrijk Juda op te bestaan. Voor talrijke Joden was de ballingschap al tien jaar eerder begonnen toen koning Jojakin na Nebukadnezars eerste aanval op Jeruzalem had gecapituleerd. Die keer had de capitulatie nog tot gevolg dat Juda een totale verwoesting bespaard bleef, ook al werd er, zoals zowel de Bijbelse als de Babylonische kronieken getuigen, een enorme oorlogsbuit geroofd.

Hoewel er over de aantallen gedeporteerden onduidelijkheid bestaat, staat vrijwel vast dat reeds bij de eerste deportatie het grootste deel van de heersende klasse naar Babylon verdween. Als de Perzische koning Cyrus de opperheerschappij in Babel krijgt, mogen de ballingen terug. In 520 voor Christus wordt een nieuwe Tempel gebouwd en begint Ezra en later Nehemia aan de mentale opbouw van het Joodse volk. Met kracht wijzen zij op het feit dat het volk drager is van de belofte voor land en volk. In de jaren die volgden werd de stad in al zijn glorie hersteld.

Jeruzalem werd nu het middelpunt van een kleine Joodse staat, die bestuurd werd door een hogepriester. Maar het werd allesbehalve rustig, want in 200 voor Christus verovert de Seleucide Antiochus 3 Jeruzalem. Diens opvolger, de beruchte Antiochus 4 Epiphanus trachtte de Joden de Hellenistische cultuur op te dringen. De Tempel in Jeruzalem werd aan Zeus gewijd en alle religieuze voorschriften vooral inzake de viering van de hoogtijdagen, sabbat en besnijdenis werden op straffe des doods verboden.

538 v Chr. Eerste terugkeer, o.l.v. Zerubbabel, kleinzoon van Jojakim.

Zerubbabel (zaad van BabyloniŽ) is een Assyrische naam. Betekent letterlijk "Spruit van Babel". In het Perzisch heet hij ook wel Sheshbazzar en was de kleinzoon van Jeconia, de tweede tot de laatste koning van het Koninkrijk van Juda. Zerubbabel was ook een van de eerste die de fundatie legde voor de Tweede tempel in Jeruzalem het jaar daarna. Zurubbabel was een tijdlang stadhouder in Jeruzalem. In de geschiedenis is later niets van hem vernomen.

Volgens het boek Ezra-Nehemia (het ongedeelde boek dat in de Bijbel twee boeken zijn: Ezra en Nehemia) eindigde de ballingschap in 538 v.Chr. toen de Pers Cyrus II de Grote Babylon veroverde. Een andere interpretatie stelt dat de ballingschap eindigde toen Cyrus in 538 v.Chr. het "Edict van Cyrus" uitvaardigde, dat de Joden toestond naar Jeruzalem terug te keren. Weer een andere interpretatie stelt dat de ballingschap eindigde met de terugkeer van Zerubbabel de Vorst van David (zo genoemd omdat hij een afstammeling van koninklijk bloed was) en Jozua de hogepriester (een afstammeling van de lijn van vroegere hogepriesters van de tempel) en de bouw van de Tweede Tempel in de periode 520 - 515 v.Chr.

De Babylonische ballingschap had een aantal gevolgen voor het JudaÔsme en de Joodse cultuur, zoals veranderingen in het Hebreeuwse alfabet, de Joodse kalender en fundamentele gewoonten en gebruiken binnen de Joodse religie. Deze periode kende het laatste hoogtepunt van Bijbelse profetie in de persoon van EzechiŽl, gevolgd door de opkomst van de centrale rol van de Thora in het Joodse leven.

Zerubbabel.

538 v Chr. Koning Cyrus II verovert Juda en vergroot het Perzische Rijk, hij laat de tempel in Jeruzalem herstellen.

538 v Chr. Cyrus II laat de JudeeŽrs gedwongen in ballingschap in Babylon terugkeren naar het Beloofde Land.

538 v Chr. Zerubbabel wordt satraap van Juda, de Perzen nemen Damascus in. Bron: Wikipedia.

516 v Chr. Herbouw van de tempel, met Perzisch geld en aanbevolen door de profeten Haggai en Zacharia.

Het boek Haggai behoort tot de minst begrepen en dus minst gelezen bijbelboeken. Sommigen menen zelfs dat dit boek wel historische waarde heeft, maar dat het voor het christelijk geloof nauwelijks iets betekent. Toch komt Gods heil ook door deze profeet naar ons toe. Haggai's oproep aan het volk om de tempel te herbouwen, betekent dat de Here God bij Zijn volk wil wonen!

Dat is voluit evangelie, ook in deze tijd. Juist in onze tijd denken mensen dat ze God wel kunnen dienen zonder dat ze daarvoor de kerk nodig hebben. Haggai laat met grote klem zien, dat we dat huis van God nodig hebben, als plaats waar Hij Zijn profetisch Woord laat horen; in dat huis laat de Hogepriester door Zijn Heilige Geest de bediening van de verzoening plaatsvinden.

Zacharia, de iets latere tijdgenoot van Haggai, is ook een profeet die in de schaduw van de 'grote' profeten staat. Zijn nachtgezichten en de apocalyptische hoofdstukken lijken ontoegankelijk. Toch loont het de moeite naar Zacharia te luisteren, want hij mag deze boodschap doorgeven: heb moed voor Gods volk, want het komt goed met Gods volk. Veel in die boodschap verwijst naar de komende Christus.

Daarbij mogen we ook Zacharia een profeet van het huis des Heren noemen. In het hele boek is er sprake van dat huis van God. Zacharia eindigt er zelfs mee. De stad zal tempel zijn. De priester Zacharia, die zijn optreden als profeet begint op een tempelplein dat uitzicht geeft op een niet herbouwde tempel, mag eindigen met het machtige uitzicht op het volmaakte huis met een volmaakte dienst.

De profeet Haggai.

De profeet, Zacharia.

509 v.Chr. De Romeinse Republiek, wordt gevestigd.  De Romeinse Republiek, was een fase in de geschiedenis van de Romeinen tussen het Romeins Koninkrijk en het Romeinse Keizerrijk. In deze periode groeide Rome uit van een stad die lokale oorlogen uitvocht met buursteden tot een wereldrijk. De republiek begon met de eerste verkiezing van de consuls in 509 v.Chr. en eindigde 478 jaar later toen Octavianus de eerste keizerlijke dynastie vestigde. Deze fase moet niet worden verward met de kort bestaande Romeinse republieken uit de Moderne Tijd, zie daarvoor de Romeinse Republiek van 1798-1799 en de Romeinse Republiek van 1849.

Met de expansie van de Republiek veranderden de sociale en politieke verhoudingen; vooral in de loop van de tweede eeuw voor Christus werd dit proces onmiskenbaar. Het landbezit van de patriciŽrs nam toe; met hun politieke connecties wisten zij een groot deel van het bij de veroveringen verworven land in de wacht te slepen en zij bezaten tenslotte grote landgoederen, de latifundia,van vele honderden, zo niet duizenden of tienduizenden hectaren land.

De kleine boer, de steunpilaar van het Romeinse leger, kreeg het echter moeilijker. De oorlogen werden steeds vaker ver van huis gevoerd en vereisten een afwezigheid van maanden, zo niet jaren. Nu betaalde de Republiek haar soldaten wel een soldij, maar die was net voldoende om de soldaten te velde hun eigen voedsel te laten kopen. De familie moest zich thuis zien te redden zonder de sterkste man voor het zware werk.

Bij een langdurige afwezigheid kon dit gemakkelijk tot de ondergang van het gezinsbedrijf leiden. Men maakte schulden en moest uiteindelijk het beetje land dat men bezat verkopen. Het aantal kleine boeren nam af en het aantal slaven toe. De grondbezitters lieten een steeds groter deel van hun land rechtstreeks door legertjes van slaven bewerken. Verarmde boeren trokken naar de hoofdstad, waar zij een omvangrijk proletariaat vormden. Bron: Romeinse Republiek.

Foto van Rome Republiek.

● Lucius Tarquinius Superbus, de laatste Etruskische heerser over Rome, wordt door de Romeinse bevolking verdreven. Etruskische troepen onder Lars Porsenna rukken op naar Rome. Een veldslag bij de Pons Sublicius eindigt in een kortstondige bezetting van Rome.

● Met de vlucht van Tarquinius Superbus komt een einde aan de Etruskische heerschappij over Rome. Rome wordt een republiek; de Senaat kiest jaarlijks twee consuls.

● Lucius Junius Brutus en Lucius Tarquinius Collatinus worden benoemd tot consul van Rome. Bron: Wikipedia.

450 v Chr. Nehemia herbouwt stadsmuren Jeruzalem; Ezra rondt herbouw tempel af.

Nehemia was een persoon uit de Hebreeuwse Bijbel. Hij werd rond 445 voor Christus aangesteld als landvoogd over Juda. Onder zijn leiding werd de stadsmuur rond Jeruzalem herbouwd. Het Bijbelboek Nehemia is naar hem genoemd.

Persoon.

Nehemia is de zoon van Chachalja en de broer van Chanani. Hij was wijnproever en schenker aan het hof van koning Artaxerxes I. Het bekleden van deze functie houdt in dat hij een vertrouweling van de koning is geweest. Nehemia woonde in Susa, een van de hoofdsteden van het Perzische Rijk. Nehemia is de laatste Perzische landvoogd geweest. Over zijn levenseinde is niets bekend.

Activiteiten.

In 446 voor Christus hoort Nehemia dat het slecht gaat met de Joden die in Juda wonen. Als reactie hierop rouwt en vast Nehemia dagenlang. De koning merkt dat Nehemia somber is, en Nehemia vraagt aan de koning om naar Juda te gaan om de stad Jeruzalem weer op te bouwen. De koning geeft toestemming en biedt Nehemia een vrijgeleide aan. Nadat Nehemia de toestand van Jeruzalem geÔnspecteerd heeft, stelt hij een plan op voor de herbouw, en voltooit hij dit in 6 maanden, ondanks veel tegenstand.

Daarna blijft Nehemia 13 jaar in Jeruzalem als landvoogd en voert een rechtvaardig bewind. Na een afwezigheid van 2 jaar merkt hij het morele verval op. Vervolgens leest Ezra het boek van de wet voor, waarna het verbond vernieuwd wordt. Ook laat Nehemia de herbouwde stadmuur inwijden. Aan het eind van het boek is te lezen dat hij hard optreed tegen het feit dat Judeese mannen trouwen met buitenlandse vrouwen. wikipedia-Nehemia boek Bron: Wikipedia.

450 v Chr. In Rome heerst door oorlog een hongersnood, de bevolking komt in opstand. 
431 v.Chr. Peloponnesische Oorlog
400 v Chr. In Syracuse ontwikkelen de Grieken de katapult, een wapen dat stenen en rotsblokken over grote afstanden kan wegslingeren.

● Lucius Titinius Pansa Saccus van de Gens Titinia wordt consulair tribunus.

Europa.

Rond deze periode stromen een reeks volkeren door Midden-Europa naar het westen. Zij noemen zichzelf Kelten of GalliŽrs en spreken een taal vol medeklinkers. Sommige horden GalliŽrs dringen door tot diep in het gebied van de beschavingen rond de Middellandse Zee. Het woord "GalliŽr" krijgt voor de zuidelijke volkeren dezelfde gevoelswaarde, als "Hunnen" voor ons. Vaste voet hebben de GalliŽrs in het zuiden gekregen in het bergland van Klein-AziŽ. De Galaten zijn afstammelingen van hen, waar later de apostel Paulus zijn befaamde brieven aan schrijft.

395 v.Chr. Korinthische Oorlog

350 v Chr. De Romeinse havenstad Ostia wordt ten westen van Rome gesticht.

350 v Chr. ItaliŽ. Agathocles voert een plundertocht in Zuid-ItaliŽ tegen de Bruttii en verovert het eiland Korfu.

Marcus Valerius Corvus en Quintus Appuleius Pansa zijn consul in het Imperium Romanum.

Europa.

De Friezen vestigen zich in Nederland en bouwen terpen of wierden om zich te beschermen tegen hoogwater.

De Friezen zijn een Germaans volk dat tot de Ingvaeones gerekend wordt. De Ingvaeones zijn de Germaanse volken die langs de Noordzeekust voorkomen. In zijn boek Germania verdeelt Tacitus de Friezen (op grond van hun krachtsverhoudingen) onder in maioribus minoribusque Frisiis (grote en kleine Friezen). Tevens is het niet met zekerheid te zeggen hoe de relatie tussen Frisii en Frisiavones is, die (onder andere) door Plinius de Oudere in een adem worden genoemd.

325 v Chr. Agathocles wordt verbannen uit Syracuse.

300 v Chr. Egypte. Ptolemaeus I sluit een verbond met Lysimachus van ThraciŽ en laat zijn 16-jarige dochter ArsinoŽ II met hem in het huwelijk treden.

Ptolemaeus I, was een veldheer onder Alexander de Grote en na diens dood koning van Egypte. Hij was de stichter van de Egyptische dynastie, de PtolemaeŽn.

Afkomst.

Ptolemaeus I Soter, werd geboren rond 367-366 v. Chr. Over zijn exacte afkomst bestond reeds in de Oudheid veel onduidelijkheid. Officieel was hij de zoon van een zekere Lagos, een verder onbekend Macedonisch edelman, maar er waren ook geruchten dat zijn natuurlijke vader Philippus II was, de vader van Alexander III "de Grote" (356-323 v. Chr.) en koning van MacedoniŽ. Over zijn jeugd is weinig bekend. Hij was waarschijnlijk bevriend met Alexander en zou met hem verbannen geweest zijn door Philippus II, maar keerde in 336 v. Chr. bij de dood van Philippus naar MacedoniŽ terug.

In dienst van Alexander.

Ptolemaeus zou deelgenomen hebben aan Alexanders veldtocht in het noorden tegen onder meer de TriballiŽrs en zou ook aanwezig geweest zijn bij de verwoesting van Thebe. Ook aan Alexanders grote veldtocht tegen PerziŽ nam hij deel. Aanvankelijk was hij hier een achtergrondfiguur, maar hij kreeg steeds belangrijkere commando's toegewezen, zoals de arrestatie van de Pers Bessos, die de Perzische koning Darius III vermoord had.

Diadochos.

In 323 v. Chr. overleed Alexander III "De Grote" in Babylon. Te AlexandriŽ zorgde Ptolmaeus I, voor een grootse begrafenis. Hij nam, zoals afgesproken, het bestuursapparaat in Egypte over, maar stoorde zich niet aan de misstappen van Perdiccas in Babylon. Perdiccas en zijn trawanten beschouwden hem als ongevaarlijk, dat ze hem met Alexanders' lijk naar AlexandriŽ stuurden. 64 muilezels trokken de gouden sarcofaag door de woestijn van Egypte.

Al snel ontstond er een opvolgingsconflict, waarbij besloten werd dat Alexanders pasgeboren zoon (Alexander IV) en zijn zwakzinnige halfbroer Philippus Arrhidaeus hem zouden opvolgen. Ze werden gesteund door een soort driemanschap (met de Macedonische generaals Antipater, Perdiccas en Craterus), dat de centrale macht zou beheren.

In werkelijkheid hadden ze echter weinig macht, omdat de provincies toegewezen werden aan andere generaals. Ptolemaeus pikte Egypte in (de daar door Alexander aangestelde gouverneur Cleomenes van Naukratis werd kort daarop in onduidelijke omstandigheden vermoord door Ptolemaeus) en richtte het in als zijn basis. Hij veroverde Cyprus en Cyrene (ten westen van Egypte) en liet daardoor blijken dat hij weinig gaf om het centrale gezag. Daarop ondernam Perdiccas een veldtocht naar Egypte (321 v. Chr.), maar deze had geen succes en Perdiccas werd vermoord; Egypte bleef van Ptolemaeus.

Koning.

In de jaren daarna hield Ptolemaeus zich rustig in Egypte. Door diplomatie probeerde hij zijn gebied te behouden, zonder zich te fel in de voorraden verspillende oorlogen van de andere generaals te mengen. Bijzondere aandacht had hij voor SyriŽ, dat de enige toegangspoort tot Egypte vormde en dat hij als een soort van buffer trachtte te veroveren, ook al liep dat niet van een leien dakje. Nog ťťnmaal werd zijn heerschappij serieus bedreigd, namelijk in 306 v. Chr.

Toen werd hij namelijk verslagen in de slag bij Salamis bij Cyprus, dat door Antigonos veroverd werd. Deze waagde een aanval op Egypte zelf, maar Ptolemaeus wist deze te weerstaan. Kort daarop liet hij zich tot koning kronen en nam ook de officiŽle titel van Farao aan om de autochtone aristocratie en priesters gunstig te stemmen. Ook nam hij de naam Soter (d.w.z. redder) aan. Ptolemaeus Soter begon met de bouw van de vuurtoren van Faros en had ook plannen voor de bouw van een grote bibliotheek. Beiden werden voltooid door zijn zoon en opvolger Ptolemaeus II Philadelphus.

Ptolemaeus stierf in 285 v. Chr. op circa 82-jarige leeftijd, na ruim 30 jaar over Egypte geheerst te hebben. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus II Philadelphus.

Ptolemaeus.

264 v.Chr. Eerste Punische Oorlog
218 v.Chr. Tweede Punische Oorlog

200 v Chr. De Romeinen hebben de macht van de PtolemeŽrs in de regio gebroken, waarop de Seleuciden vanuit SyriŽ Palestina veroveren. Onder koning Antiochos IV, ontwijden zij de tempel.

Onder de Egyptische PtolemeŽrs, de opvolgers van Alexander the Grote, kende Kos een florerende cultuur dat de Hellenistische periode wordt genoemd. Ptolemy II Philadelphos, werd op het eiland geboren in 309. Cleopatra, wordt toegeschreven dat zij het eiland gebruikte om daar enkele van haar schatten op te slaan. Cleopatra, zou zelf Kos, hebben bezocht om met haar financiers te overleggen.

Seleuciden (ook Seleukiden genoemd) is de naam van een hellenistische dynastie in een koninkrijk in het huidige SyriŽ ("Koninkrijk der Seleuciden") van 311 tot 63 v. Chr..

Het koninkrijk werd gesticht door Seleucus I Nicator (Nicator, "de Overwinnaar") (rond 358-281 v. Chr.). Hij was een van de generaals van Alexander de Grote, die na diens dood in 323 v. Chr., zichzelf in MesopotamiŽ en de hoogvlakte van Iran vestigde, en een gebied beheerste dat tot aan de rivier de Indus reikte. Hij stichtte Seleucia aan de Tigris (rond 305) als zijn nieuwe hoofdstad. Later werd de hoofdstad van zijn dynastie echter verplaatst naar AntiochiŽ waardoor het machtscentrum zich verplaatste van MesopotamiŽ naar SyriŽ.

Na een korte expansie onder Antiochus de Grote raakte het rijk van de Seleuciden snel in verval tijdens de 2e eeuw v. Chr. De Parthen slaagden erin een groot deel van het oosten over te nemen. Eindeloze conflicten tussen twee linies van het vorstenhuis bepaalden de laatste decennia en leidden tot de definitieve ondergang in 64 v. Chr., wanneer de Romeinen hier door het optreden van Pompeius hun gezag vestigden.

Antiochos IV

 

Mattathias

Mattathias  Ü 165 v.Chr.) was degene die in 167 v.Chr. het initiatief nam voor de Makkabeese opstand tegen de Seleucidische koning Antiochus IV Epiphanes.

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Johannes MakkabeŁs

Johannes (Hebreeuws: Jochanan) MakkabeŁs is de oudste van de vijf zonen van Mattathias, die een belangrijke rol speelden in de Makkabeese opstand

 

 

Simon MakkabeŁs

Simon MakkabeŁs (ook wel Simon de MakkabeeŽr) was de tweede van de vijf Makkabeese broers, die in opstand kwamen tegen de Seleucidische overheersing.

 

 

Judas MakkabeŁs

Judas MakkabeŁs of de MakkabeeŽr was een belangrijk leider in de Makkabeese opstand tegen de Seleucidische overheersing.

 

 

 

Eleazar MakkabeŁs

Eleazar MakkabeŁs (Ü 164 v.Chr.) was de vierde van de vijf zonen van Mattathias, die een belangrijke rol speelden in de Makkabeese opstand

 

 

Jonathan MakkabeŁs

Jonathan MakkabeŁs (ook wel Jonathan de MakkabeeŽr) behoorde tot de Joodse familie van de HasmoneeŽn en was van 160 v.Chr. tot 143 v.Chr. de leider in de Makkabeese opstand tegen de Seleucidische overheersing.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Judas

Judas of Juda was een zoon van Simon MakkabeŁs, koning van het Hasmoneese rijk in Judea.

 
Mattathias
 

Johannes Hyrkanus

Johannes Hyrkanus was van 134 v.Chr. tot 104 v.Chr. koning en hogepriester over de Joodse Hasmoneese staat.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Aristobulus I

Aristobulus I volgde in 104 v.Chr. zijn vader Johannes Hyrcanus op als koning en hogepriester van de Joodse Hasmoneese staat.

 

 

 
Antigonus
 

Alexander JanneŁs

Alexander JanneŁs (ook wel Alexander Jannai genoemd) was van 103 v.Chr. tot 76 v.Chr. koning en hogepriester van de Joodse Hasmoneese staat.

 

Salome Alexandra

Salome Alexandra (* 140 v.Chr.) was van 76 v.Chr. tot haar dood in 67 v.Chr. koningin van de Joodse Hasmoneese staat.

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aristobulus II
 

Hyrkanus II

Hyrkanus II was de laatste heerser uit de Joodse dynastie van de HasmoneeŽn. Hij was de oudste zoon van Alexander JanneŁs en Salome Alexandra en de broer van Aristobulus II.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Antigonus

Antigonus was de zoon van Aristobulus II uit het Joodse koningsgeslacht van de HasmoneeŽn.

 
Alexander
 
Alexandra
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Aristobulus III

Aristobulus III (53 v.Chr. - 35 v.Chr.) was een van de laatste nazaten uit het Joodse koningsgeslacht van de HasmoneeŽn. Via zijn vader Alexander was hij een kleinzoon van Aristobulus II, via zijn moeder Alexandra van Hyrcanus II,

 

 

Herodes I

Herodes I de Grote (ca. 73 v.Chr. Ė Jericho, 4 v.Chr.) was een vazalkoning onder de Romeinen over (delen van) Palestina (37 v.Chr. - 4 v.Chr.).Hij was heerser ten tijde van de geboorte van Jezus.

 

Mariamne

Mariamne (54 v.Chr. - 29 v.Chr.) - haar naam wordt ook wel gespeld als Mariamme - was een prinses uit het Joodse koningsgeslacht van de HasmoneeŽn en de vrouw van Herodes I.

 

 

Bron: Wikipedia.

De traditioneel-christelijke benadering behandelt Jezus (Jesjoea in het Hebreeuws) zoals hij in de (orthodox-christelijke) traditie van het christendom wordt opgevat, namelijk dat hij de Ďgezalfdeí van God is en zelf ook (onderdeel van) God is (de leer van de goddelijke drie-eenheid). In de traditioneel-christelijke benadering wordt Jezus daarom aangeduid als Jezus Christus; soms ook als Jezus de Messias.

Jezus (traditioneel-christelijk)

Voor de geschiedenis van Nederland in de 1e na Chr, die sterk verbonden was met het ontstaan van de Nederlandse ondergrond. Verwijs ik u graag naar onderstaande links.

Geschiedenis van Nederland - Wikipedia

1. Oerknal

2. De Chronologie Bijbelse geschiedenis Voor Christus

3. Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken.

 

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.