Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 

 

De Oerknal.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken.

Te Leeuwarden, bij Wopke Eekhoff.
1851.

1. Oerknal

● 2. De Chronologie Bijbelse geschiedenis Voor Christus

3. Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken.

 

Eerste Tijdvak.

 

 
 

The Project Gutenberg eBook, Beknopte Geschiedenis van Friesland, by Wopke Eekhoff.

Project Gutenberg at www.gutenberg.org

 

 

Volgens het ontwerp van Dr J. G. Ottema. Uitgegeven door W. Eekhoff, 1851. Steendr der Wed. C. Brantsma.

 

Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde schets en die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de Richara, de Reker of Kinhem, waarvan Kennemerland zijn naam draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die zich langs Alkmaar bij Petten in de Noordzee stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. Schotanus, Beschrijv. end Chronijck, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: „de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde.”

 

VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING.

Eerste Tijdvak. Het Oude Friesland. Van de vroegste tijden of de komst der Romeinen in Friesland tot op het einde van den strijd der Friezen en Franken onder Keizer karel den groote. Van 11 jaren vóór christus tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.

1.  De Afkomst der Friezen
2.  De omvang en toestand van het Oude Friesland
3.  De Oude Friezen
4.  Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen, 11 j. voor en 28 j. na Chr
5.  De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen
6.  Der Friezen Afgezanten te Rome, 59
7.  Uitbreiding van Friesland, 240-455
8.  Der Friezen togt naar Brittanië, 449
9.  De strijd der Friezen tegen de Franken
10.  De pogingen der Franken ter invoering van de Christel. Godsdienst, 630-800

Tweede Tijdvak. Het Vrije Friesland. Van karel den groote of de invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers en het verlies der onafhankelijkheid onder Hertog albert van Saksen. Van omstreeks het jaar 800 tot 1498.

Derde Tijdvak. Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten. Van de aanneming van Hertog albert van Saksen tot Erfpotestaat van Friesland tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het Spaansche juk. Van 1498 tot 1580.

Vierde Tijdvak. Friesland onder de Staten en de Stadhouders uit het Huis van Nassau. Van de invoering der Hervorming tot de ontbinding der Nederlandsche republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580 tot 1795.

Vijfde Tijdvak. Friesland tijdens de Fransche overheersching. Van de Staats-omwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de herstelling van Nederland en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot 1813.

Zesde Tijdvak. Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering. Van 1813 tot 1850.

BIJLAGEN.
I.  Tijdrekenkundig Overzigt van de voornaamste Gebeurtenissen der Friesche Geschiedenis
II.  Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten, Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz. van de vroegste tijden tot 1851

 

EERSTE TIJDVAK.

HET OUDE FRIESLAND.

VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL DEN GROOTE.

Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus.

Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder vertelt zult vinden.

Cornelis van Grebber, van Egmond.
(1198)
1: Vermeld in de Aantt. op hofdijk’s Jonker van Brederode, Amst. 1849, bl. 208.
 

 

Beeltenis van Karel de Grote op een denarius uit Mainz (812-814) met het opschrift KAROLVS IMP AVG ("Carolus Imperator Augustus") (Cabinet des Médailles, Parijs).

Foto van: wikipedia.org Beeltenis van Karel de Grote op een denarius uit Mainz (812-814) met het opschrift KAROLVS IMP AVG ("Carolus Imperator Augustus") (Cabinet des Médailles, Parijs).

1. De Afkomst der Friezen.

De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende geschiedenis van ons vaderland, zóó lang vooraf, dat niemand daaromtrent bepaalde berigten kan mededeelen.

Het ontbreekt echter niet aan gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden, uit Scandinavië of Zweden en Noorwegen afstammen, wordt evenzeer beweerd, als dat zij uit Azië of het oosten afkomstig en dóór Germanië getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen genoemd) in een gedeelte van Friesland, het hooggelegene Drenthe, de stichters waren van de reusachtige Hunebedden of opeengestapelde steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering zijn geweest.

Ook in Gaasterland is in 1849 een dergelijk Hunebed, steengraf of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt, bestaande uit eene massa zware steenbrokken, waar tusschen vuursteenen wiggen, urnscherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het gebruik van de metalen nog niet kenden.

Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat friso, eens Konings zoon uit Indië, na den dood van alexander den groote uit zijn vaderland verdreven, zich met zijne broeders saxo en bruno en vele anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met eene vloot in Friesland zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor den stichter van Stavoren, voor den bevolker van dit land en alzoo voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden ontvangen hebben.

Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit aloude volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die Prins friso in het bestuur van Friesland zouden opgevolgd zijn [4]. Bestendig is dit verhaal het voorwerp geweest van geschil tusschen vele geleerden, die het bestreden en verdedigd hebben. De dichter willem van haren heeft het zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht.

Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent den oorsprong der Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den naams-oorsprong. Waarom zouden wij niet liever bekennen, dat de hooge oudheid ons verhindert deswege eenige zekerheid te bekomen, en dat er weinige trekken bekend zijn uit de eerste kindschheid der levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte Duitschland of Germanië.

Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11 jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste bronnen der geschiedenis van Nederland, maken melding van hen. Hoe lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook nimmer na te sporen.


4: Zie het Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten, Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz., en de daar vóór geplaatste inleiding, achter de Aanteekeningen als Tweede Bijlage medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging, duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.

2. De omvang en toestand van het Oude Friesland.

Het gansche noordelijk gedeelte van Nederland, hetwelk thans de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe, benevens een deel van Overijssel, Noord-Holland en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den aanvang van onze tijdrekening, het land der Friezen. De rivier de Eems aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij Alkmaar), aan de zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land [7].

Daar tusschen bevond zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen.

De rij dezer door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen, elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.

De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van Friesland levert bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen, waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren.

Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in Friesland binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond, doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam boven en werd bewoonbaar.

Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee, waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven.


7: Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde schets en Aanteekening 1. Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de Richara, de Reker of Kinhem, waarvan Kennemerland zijn naam draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die zich langs Alkmaar bij Petten in de Noordzee stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. Schotanus, Beschrijv. end Chronijck, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: „de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde.” Zie daarover vooral huydecoper op melis stoke, I 515; van den bergh, de Nederl. Wateren, in nijhoff’s Bijdragen, VII 208; acker stratingh, I 197 en ottema, in de Vrije Fries, IV 110; w. j. hofdijk noemt in zijn Kennemerland, 1850, 33: „het Reeker-wed, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die zich van beneden Koedijk tot aan de Syper golf uitstrekte: alzoo eene natuurlijke grens vormende tusschen West-Friesland en ’t noordelijkst einde van Kennemerland.” Zie ook het Jaarboekje: Holland, 1851, bl. 175.

3. De Oude Friezen.

Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door de Friezen, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan de Groote Friezen ten oosten en de Kleine Friezen ten westen van den Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten zuiden, tot naburen [9].

De gezinnen, familiën en horden, welke dezen Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen, dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste natuur, eene onvruchtbare oppervlakte.

Lang bleven de noordelijke, in de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch veiliger zandstreken en wouden van Gaasterland, Opsterland, de Stellingwerven en Drenthe op te zoeken, ten einde daar te overwinteren.

Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of terpen op, welke nog in Friesland, Groningen en elders onze bewondering verdienen.

Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen hunner afgestorvenen begroeven, sloegen zij hunne woningen op. Nog waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld. Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne forsch gebouwde leden heensloegen.

Als in een natuurstaat leefden zij hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de vereering van de heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner dankbaarheid toebragten.

Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens, van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt. Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.


9: Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de vermelde Schetskaart.

4. Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren voor- en 28 na Christus.)

Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten overwonnen- en ook Gallië (Frankrijk), België, de Batavieren en andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben, ook de rustige volken van het noordelijk Germanië ten onder brengen.

Het was hun veldheer drusus, die (11 jaren voor den aanvang onzer tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden, jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.

Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden, verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren, waarover hunne vlooten daarna vele malen door Friesland stevenden.

Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd, olennius, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch, toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen, vrouwen en kinderen meester maakte,—toen stonden de Friezen tegen de Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de sterkte Flevum, gevlugt was.

Te vergeefs werd dit kasteel door de moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen. Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, apronius, met eene talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg, dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, Baduhenna geheeten, 900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde Friezen den dood vonden.

Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer tiberius ontzette, hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver, die deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: Sinds dien tijd werd de Friesche naam vermaard onder de Germanen. (Zie Aant. 2.)

Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam twintig jaren daarna hun veldheer corbulo hier op nieuw, om eene bezetting in Friesland te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer claudius bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te trekken.

Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang bezorgde in de geschiedenis der volken.

Indien alle voorvallen uit de vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het schoone gezegde van onzen Frieschen dichter willem van haren:

O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon
Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.—
Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,
Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan
Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!

5. De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen.

Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving.

In bestendigen vrede rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken, die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is het zoo belangrijk de gevolgen na te gaan van elke groote gebeurtenis en ook van deze.

Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden bevredigd zien.

Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel ontstond, mede met naburige volksstammen.

Want ook het aanleggen van wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste behoeften behoorden.

Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw, en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit Brittannië werd gehaald.

Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk. Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger, toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond.

De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt, zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het verkeer met de Romeinen. (Aanteekening 3.)

De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:

Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt,
Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,
En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,
Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen.

6. Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)

Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven.

Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De bevelhebber van Neder-Germanië beval hun echter deze oorden te verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden, door de Romeinen verritus en malorix genoemd, ten jare 59, tot hen te zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer nero voor te dragen.

Zij reisden naar Rome; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen, bragt men hen in den schouwburg van pompejus. De eenvoudige Friezen begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren gezeten.

Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze eer werd bewezen. "Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in dapperheid en trouw,” antwoordden verritus en malorix, en, hunne plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde gezanten neder.

Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots, zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op; zelfs de wreede Keizer nero duidde hun deze handelwijze niet ten kwade: want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche burgerregt, als een uitnemend eerbewijs.

7. Uitbreiding van Friesland. (240-455)

Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten. Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in den toestand veler volken van Europa gaf eerlang aanleiding, om die zucht voedsel te geven en te bevredigen.

Want de Romeinen, nadat zij eenmaal ten top van grootheid en magt waren gestegen, verzwakten onder hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om Rome tegenstand te bieden.

Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk. Meer andere stammen trachtten zich allengs van Rome los te scheuren; bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten gevolge.

Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van een aantal volken, tusschen den Rijn, de Noordzee, de Elbe en de Main woonachtig. Onder den naam van Franken of Vrijen was hun doel het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun gebied, vooral in het meer vruchtbare Gallië. Dit doel gelukte hun na langen strijd, en de naam van het tegenwoordige Frankrijk, dat zij veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.

Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. Het vuur der vrijheidsmin ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken.

Door deze hun aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door andere volken werden aangevallen, met weergâloozen moed, een onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben. Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene groote uitgestrektheid heeft uitgezet. Zuidwaarts breidden zij zich alzoo over den Rijn en de Maas tot aan het Zwin of het Sincfal, een zeeboezem in West-Vlaanderen, uit en oostwaarts over de Eems tot den Wezer of zelfs verder, welke laatste streken door de Cauchen en andere stammen waren verlaten.

Evenzoo deden de Saksers, welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der Noordzee, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige Vlaanderen, Zeeland, Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland, Groningen, Drenthe, Oost-Friesland, Oldenburg enz., met de landen, later door de Zuiderzee ingenomen. Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van Europa drie magtige vrije volken gevestigd: de Franken, de Friezen en de Saksers. (Aanteek. 4.)

8. Der Friezen togt naar Brittannië. (449)

Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke bewoners van Brittannië of het tegenwoordige Engeland, zeer ontrust door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen, die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer verwachten.

Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de Neder-Saksers, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de Anglen en Warners, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal gevestigd hadden en de Friezen, die het verdere kustland bezaten. Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.

Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee kloeke krijgshelden, hengist en hors geheeten, en boden der Britten Koning vortigern hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.

Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het eiland voort.

Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen namen de vlugt, en hengist, weldra bezitter van geheel Kent, werd tot Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de gebergten van Wallis, deels in het tegenwoordige Brétagne in Frankrijk, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in Engeland ingevoerd.

Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming met de taal, de zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt in het midden der vijfde eeuw. (Zie Aanteekening 5.)

9. De strijd der Friezen tegen de Franken.

Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het Westersche keizerrijk waren de in Gallië gevestigde Franken magtig geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning klovis de Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.

Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls geduchte legers wederstonden—dit blijkt uit de langdurigheid van dien krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog grooten roem bij andere volken verwierven.

"Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des Christendoms en de kracht van karel den groote, maar niet tot oneer der overwonnenen,—die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven.”

De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij de vermelding van:

 

10. De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke Godsdienst in Friesland. (630-800)

In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des Christendoms te doen deelen.

Schijnbaar zouden zij die leer des evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde, welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne zelfstandigheid te bewaren.

Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de 6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer verbonden met hunne naburen,—totdat de aanvallen der Franken hen opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet weêrstaan.

Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning dagobert I, die ten jare 630 te Wiltenburg of Utrecht eene eerste Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe leer.

De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van Europa door de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den ijverigen prediker eligius herwaarts, om onder de heidensche Friezen het evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den vreedzamen Koning der Friezen adgild I, die zelfs den bisschop wilfried, op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst ebroin, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van de Franken.

Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger radboud I. Den Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van dagobert gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en Utrecht weder te bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680).

Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter pepyn van Herstal met een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en, na hardnekkigen tegenstand, radboud eene nederlaag toebragt bij Dorestad, het latere Wijk bij Duurstede, toenmaals de stapelplaats van den Frieschen handel (692).

Hij dwong radboud, zich te onderwerpen en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger willebrord, in Engeland geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne taal bekend [17].

Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer voort te planten. Daarom werd hij in 696 te Rome tot Aartsbisschop der Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van radboud andermaal door pepyn was overwonnen (697), gelukte het willebrord, te Utrecht op nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd. IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van Vlaardingen af tot Heilo toe, het Christelijk geloof uit te breiden. Zij bleven echter meest tot den omtrek van Utrecht bepaald, dewijl de ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van Friesland de algemeene verbreiding moeijelijker maakte.

Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de onverzettelijke radboud het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks was pepyn in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716).

Hij trekt voort tot Utrecht en verjaagt daar willebrord en zijne geestelijken, die de vlugt nemen naar Trier. Ook Dorestad valt in zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het zelfs met zijn leger langs dien stroom naar Keulen op te varen, waar plectrude, pepyn’s weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het Frankische leger onder karel martel eene volkomene overwinning, verwoest de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk terug.

Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den Frieschen landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd?

Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid. En zulks te meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden, waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.

Reeds in het volgende jaar (717) kwam karel herwaarts, om over de geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd, aan den Rijn bij Utrecht, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning te behalen op radboud, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen.

Doch toen de Bisschop wulfram hem daartoe te Medemblik, zijn zetel, den doop plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug, verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard.

Met groote standvastigheid en ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken. Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en onafhankelijkheid.

Zijn opvolger adgild II was even vredelievend als de eerste vorst van dien naam. Terwijl willebrord de Utrechtsche kerk in luister herstelde en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet verhinderen, dat in het noorden of het hart van Friesland, waar het heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen.

Daarom kwam karel martel in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer poppo sneuvelde, terwijl Koning adgild van hartzeer daarover stierf. Door het vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu in Oostergoo en Westergoo het heidendom te verdelgen, en door prediking de nieuwe leer te planten.

Doch te vergeefs: want zulke geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer, waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen radboud II, een even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken als zijn voorzaat van dien naam.

Of deze radboud een Fries was, dan wel een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop bonifacius, die reeds zoo lang in Friesland en Duitschland het evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide Christenen.

Bij Dokkum gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken, toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.

Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De eigenlijke Friezen, de kern van den ouden volksstam, woonden in het midden, tusschen de rivieren de Reker of Kinhem en de Eems.

Alle landstreken bezuiden de Reker (den vroeger vermelden Rijnmond bij Petten, benoorden Alkmaar), welke de Friezen van tijd tot tijd veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt reeds ten gevolge der veroveringen van pepyn van Herstal in 692 en 697, of van karel martel in 715.

De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier de Eems (Oost-Friesland, Oldenburg enz.), weêrstonden het langst de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van dezen deelden.

De oorspronkelijke Friezen, tusschen de Reker en de Eems (een gedeelte van Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe enz. bewonende), waarover radboud II regeerde, stonden dus op zich zelve tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van den vromen Bisschop bonifacius, zagen velen hunner in, dat alle tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn.

Doch hun Koning bleef zich met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van bonifacius, zoo men wil op aanstoken van radboud geschied, bragt echter weldra eene groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde, Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En toen radboud, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van witikind, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen hier gruwelijk vervolgden,—toen werden de Friezen zóó afkeerig van hunnen Koning, dat zij de bescherming inriepen van den Koning der Franken, op wiens komst radboud naar Denemarken vlugtte en de Saksers naar hun land terugtrokken (775).

Die Koning der Franken was karel, eerlang de groote bijgenaamd, wegens zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader pepyn de korte (768) en van zijn broeder karloman (771) was hij meester geworden van geheel Frankrijk, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden, een gedeelte van Spanje, Beijeren enz. vergrootte.

Gaarne verleende hij zijne bescherming aan een volk, dat zijne achting had verworven wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als Beschermheer van dit volk aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het geheel anders behandelde dan volken, welke hij overwon of veroverde, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp [19].

De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te weeg gebragt.

Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen heerschen,—toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.


17: De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit Engeland, waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was, om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook Aanteekening 5.

19: De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken van scharlensis, 1597, winsemius, 1622 en schotanus, 1658, alsmede foeke sjoerds, Friesche Jaarboeken, 1768, I; Tegenw. Staat van Friesland, 1785, I; wagenaar, Vad. Historie, 1749, I; cerisier, Gesch. der Ned., 1781, I, 24, 29, 82-136; gaillard, Geschied. van karel den grooten, 1785, I 225, II 32 enz.; westendorp, Jaarboek, Gron. 1829, 1-97; van leeuwen’s Kronyk der vrije Friezen, 1834, 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men Aanteekening 6.

 

Aanteekening 1

De Oude Toestand van Friesland.

Vermits de voorstelling van den ouden toestand van Friesland, in den tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in vroegere geschriften over dit onderwerp, ook door mij zelven, is voorgedragen, zoo is het noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik daarin meestal gevolgd ben de denkbeelden van Dr. J. G. Ottema, in zijne uitmuntende verhandeling, getiteld: Over den loop der Rivieren door het land der Friezen en Batavieren, in het Romeinsche tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van ons Friesch Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk maakt. Deze nieuwe voorstelling is met zóó grondige bewijzen gestaafd, dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en vergeleken te worden met de vermelde voorstelling van Dr. G. Acker Stratingh, in zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland. Ook om de eerste reden heb ik, met goedvinden en onder opzigt van mijn vriend Ottema, eene dergelijke Schetskaart (met nederduitsche benamingen) bij dit werk gevoegd, ter verklaring van de anders al te beknopte beschrijving.

Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en eenvoudig mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht, hierbij eenige Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap te geven van het gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen, en om eere te geven aan hen, die deze denkbeelden het eerst openbaar gemaakt en elders uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook voor hen, die de kort behandelde onderwerpen nader willen onderzoeken, kan het nuttig zijn, hier telkens de bijzondere bronnen aangewezen te zien. Het is echter mijn plan niet, om in deze Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde of kritische aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de Heer J. van Leeuwen heeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche Terp, welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen, die uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen. Juist omdat dáár zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou zien, dat die speciale Kronyk nevens mijne globale voorstelling van de geschiedenis, in hoofdtrekken, gebruikt wierde, om te zamen een voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijne aanhalingen van algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die daar kan vinden, alsmede in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2 dln. uitgegeven.

Aant. 2, op bladz. 16.

Oudste Bronnen.

Het is de Romeinsche Geschiedschrijver Tacitus, die aangaande der Romeinen verkeer in Friesland en hunne nederlaag ons de vermelde berigten medegedeeld heeft. Zie Tacitus, vert. van Hooft, 4e Jaarb. 182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch Baduhenna of Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele gissingen. Winsemius, Chronique, 22 verklaart dien naam niet onaardig als een Friesche Wapenkreet: Ba, du hinne! welke als een echo door het bosch klonk! Even zonderling is de vermelding van dit feit in de hoogst zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke Beschryvinghe van de wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie van Vrieslandt, mitsgaders de daden, het leven ende handelinge der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm ghestelt door Jacob Liefs Amstelredammer, 1636:

Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken:
Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken,
Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen:
Doen ghy t’ Romeynsche volck so machtich gingt verslaen,
Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh’len
En het Romeynsche rot begroet met Is’re Cogh’len.(!)

Mr. A. van Halmael Jr. heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen eenige ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt Overzigt van de Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte voorkomt achter van Leeuwen’s uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 289, 298, 300, en vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar 1831 en vervolgens.

Aant. 3

Oude Handels-geschiedenis.

Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen of feiten vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige bijzonderheden na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke toestand was van een volk in verschillende tijden. Omtrent dit duistere tijdperk is zulks vooral gedaan door den Heer Mr. J. Dirks, in zijne bekroonde verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen, van de vroegste tijden tot aan den dood van Karel den Grooten, Utrecht 1846. Bij de lezing van dit hoogst belangrijke geschrift staat men verbaasd over den rijkdom van bijzonderheden, welke de Schrijver met uitstekende vlijt uit de bronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in zulk een werk van veel belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de Hollandsche geschiedschrijvers, die over Friesland en de Friezen hebben geschreven, zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde denkbeelden en ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren, dat zij, die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig kennis dragen van die der provinciën, inzonderheid van Friesland.

Aant. 4

De Oude Grenzen van Friesland.

Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de uitbreiding en grenzen van Friesland in verschillende tijdperken, heeft in de laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik bedoel de te Groningen in 1834 bekroonde verhandeling van den Heer Mr. J. van Doorninck, later Archivarius van Overijssel, Commentatio de Frisiae Terminis, waarvan de Heer I. A. Nijhoff een uitvoerig verslag heeft gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis en oudheidkunde, I Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de mededeelingen van Karl Türk in zijn werkje: Altfrisland und Dänemark, Parchim 1835.

Aant. 5

De verovering van Brittannië

door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn zeer uitvoerig behandeld door den Hoogleeraar A. Ypey in zijne Geschiedenis der Ned. Taal, Ie dl. 1812, 174 en IIe dl. 1832, 152; een werk, ook in andere opzigten voor de Friesche geschiedenis en letterkunde van zeer veel belang. De overeenkomst van het Friesch met het Engelsch is met proeven aangewezen in het eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl. Harl. 1785, bl. 156. Bekend is het gezegde:

Boetter, Brea in griene Tsies
Is goed Ingelsch in eak goed Friesch.

Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr. Bowring’s vertaling der opdragt van Posthumus’ Keapman fen Venetien in Julius Cesar fen Shakspeare, voorkomende in zijne schets der Friesche Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829, No. 23 en vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, No. 66:

Lyk az Gods sinne  swiet uus  wrâd oerschijnt;
Like  as  God’s  sun sweetly  our world  o’ershines;
Her  warmtme  in ljeacht  in groed in libben  schinkt;
Her warmth and  light and  growth  and  life sends;
Lijk  az  de mijlde  rein  elke eker fijnt:
Like as the  mild rain each  acre  finds:
So dogt  eak  dat, wat ijn  uus,  minsken,  tinkt.
So  does eke that,  what  in us, men, thinks.
Dij sprankel  fen  Gods fjoer,  ijn  uus  lein,  jouwt
That  sparkle of God’s  fire, in us laid, gives
Oeral eak ljeacht  in freugde  oon  Adams team.
O’erall  eke  light and  joij on Adam’s  train.
Wer dij wenn’t,  hulken, oaf  paleisen,  bouwt,
Where  they  dwelt, hulk (cottage)  or palaces build,
In fen  wat folk hij  iz,  ho hij  him neam.
And  of what  folk  he is, how  he him (self)  names.

Bij deze vergelijking (voegt Bowring er achter) zal men hebben opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in het Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden; terwijl alleen het woord freugde voor een van Normanschen oorsprong heeft moeten wijken.—Doch ook in zijne schoone Brieven over Friesland (1829) en Iets over de Friesche Letterkunde spreekt Bowring bij herhaling van der Friezen verwantschap en overeenkomst met den Angel-Saxischen stam, als van eene natie, „wier voorvaderen onze voorvaderen waren, wier taal en zeden eene zeer sterke overeenkomst hebben met de onze.” Die overeenkomst in taal en volkskarakter haalden hem allereerst tot een onderzoek over. Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid, zoodat hij zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. „Spreekwijzen, (zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in onze ooren, en wij konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst tusschen hen en onze voorouders te ontdekken. Hunne taal, zeer veel overeenkomende met die, welke in Engeland gesproken werd, vele honderden van jaren voor dat Shakespeare schreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en wijsgeerige geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van den Engelschen volksstam—dit alles boezemde mij belang in.” Zie ook Wagenaar, Vad. Hist. I 289; Cerisier, Gesch. der Ned. I 80; Molhuysen in Nijhoff’s Bijdragen, VI 244, VII 180, 184, en de door van Leeuwen opgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op de Kronyk, bl. 332.

Aant. 6

Der Friezen strijd tegen de Franken.

Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van de Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den jongsten tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht verschenen en door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut bekroonde verhandelingen van Prof. H. J. Royaards en Do. E. J. Diest Lorgion bevatten vele merkwaardige berigten, welke uit de overgeblevene bronnen geput zijn, even als de vroeger aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr. B. J. L. de Geer, de strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls gebruik gemaakt heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do. A. Winkler Prins, over Radbout I, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, en van Loon, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744, I 110 en verv. II 5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde plaats verklaart, dat Holland „tot in de elfde eeuwe toe, altyd VRIESLAND is genaamd geworden,” is het een aangenaam verschijnsel van onzen tijd, dat in de geleerde en grondig bewerkte verhandelingen van Royaards en van Asch van Wijck bij herhaling gewezen wordt op het hoog belang der geschiedenis van Friesland voor of als de geschiedenis van Nederland in de tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van de Friezen naauwelijks gewagen en van de hooggevierde Batavieren, de vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen op de Franken en de Hollandsche Graven. Dáárom heb ik eene wederlegging van dit verkeerde denkbeeld, uit het werk van Prof. Royaards, tegenover den titel geplaatst, opdat ook deze mijne Geschiedenis niet beschouwd zou worden als slechts ééne provincie betreffende en daarin met die van andere gewesten gelijkstaande.

 

Naar het: Tweede Tijdvak

 

Terug

Home

 

 

 

Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.