11.000 v. Chr.
Van de huidige
bevolking van Noord -, Midden - en Zuid-Amerika is slechts een
klein percentage afstammeling van de oorspronkelijke bewoners.
Voor Canada is dit bijvoorbeeld nog 4%, voor de Verenigde Staten
amper 0,7%. De rest van de bewoners zijn afstammelingen van
vooral Europese immigranten die na de ontdekkingsreizen van
onder andere Christophorus Columbus naar het Amerikaanse
continent zijn uitgeweken.
Het staat vast dat de eerste bewoners van
Noord-Amerika via de Beringstraat vanuit Azië kwamen. Het
precieze tijdstip daarvan is niet met zekerheid gekend, maar
ligt zeker tussen ongeveer 40.000 en 12.000 jaar geleden, omdat
in die tijd de Beringstraat droog lag doordat een groot deel van
het water op de wereld bevroren was en de zeespiegel ongeveer
100 meter was gedaald. In Alaska zijn voorwerpen gevonden van
minstens 12.000 jaar oud, maar in Zuid-Amerika voorwerpen van
zelfs 30.000 jaar oud.
De eerste inwijkelingen uit Azië waren met
zekerheid groepen jagers die niet het plan hadden om naar
Amerika te gaan. Ze volgden gewoon de kuddes bizons, mammoeten
en andere grote wilde dieren. Zonder dat ze het wisten betraden
ze zo een andere continent. Vervolgens verspreidden deze jagers
zich over het hele continent.
Doordat de stammen in Noord-Amerika geen
geschriften hadden, was het voor de historici moeilijk om een
duidelijk inzicht te krijgen over het leven van de Indianen.
Gelukkig hebben archeologen een enorme hoeveelheid voorwerpen
uitgegraven, zoals werktuigen, wapens, en aardewerk. Ook onze
landgenoot Dixie Dansercoer probeerde in
april van dit jaar de Beringstraat heen en weer over te steken
al skiënd, zwemmend, peddelend en zeilend, maar moest zijn
poging op 7 april staken wegens de slechte weersomstandigheden.
De tijd tussen de eerste Aziatische
immigranten tot ongeveer 8.000 jaar voor Christus wordt door
archeologen het Paleo-Indiaans Tijdperk genoemd. De
Paleo-Indianen waren jagers op groot wild, maar verzamelden ook
plantaardig voedsel zoals bessen, vruchten en noten.
De Paleo-Indianen zijn in beschavingen
verdeeld volgens het type van stenen werktuigen dat zij maakten.
De meest verspreide beschaving is de Clovis-cultuur, die duurde
ongeveer van 10.000 tot 9.200 voor Christus. De naam Clovis komt
van de archeologische vindplaats in New Mexico. De mensen die
leefden in de Clovis-cultuur waren zwervende jagers die leefden
van dieren als de tapir, kleine historische paarden, bizons en
vooral mammoeten. De dieren werden gedood en ze sneden hun prooi
in stukken met Clovis-spitsen en andere werktuigen die gemaakt
werden door laagjes van steen te beitelen.
De Folsom-cultuur.
Een andere Paleo-Indiaanse cultuur was de
Folsom-cultuur. Deze cultuur moet iets later op de tijdsbalk
worden gezocht. Het waren eveneens jagers op groot wild, maar in
tegenstelling tot de Clovis-indianen jaagden ze voornamelijk op
bizons. Hun werktuigen waren kleiner en verfijnder.
Het Archaïsch Tijdperk.
Het einde van de ijstijd
ongeveer 11.000 jaar geleden bracht grote veranderingen aan in
Noord-Amerika. Het landschap en het klimaat veranderden. De
eeuwig groene wouden maakten plaats voor uitgestrekte
graslanden. Op dezelfde tijd stierven mammoeten en veel andere
zoogdieren uit. Daardoor moesten de bewoners hun leefgewoonten
aanpassen. Ze werden minder afhankelijk van het jagen op groot
wild. Ze verspreidden zich verder over Noord-Amerika. Eénmaal ze
een woongebied hadden gevonden vestigden ze zich er. Dit was
natuurlijk alleen mogelijk op plaatsen waar genoeg voedsel te
vinden was. Dat is het belangrijkste verschil tussen de Paleo-
en de Archaïsche Indianen.
Vroege beschavingen.
Aan het Archaïsche tijdperk kwam een einde
toen de Noord-Amerikanen aan landbouw begonnen te doen. In
sommige gebieden zoals het noordoosten gebeurde dit rond 1.000
voor Christus. Andere volkeren bleven jagers en verzamelaars van
planten tot dat de Europeanen kwamen. De volkeren van
Noord-Amerika die aan het eind van de Archaïsche periode met
landbouw begonnen, verbouwden gewassen zoals kalebassen,
pompoenen en zonnebloemen.
In het begin maakten de zelf gekweekte
gewassen maar een klein deel uit hun voeding, dat verder bestond
uit vlees, vis, wilde bessen, noten en wortels. Geleidelijk
verbeterden de Indianen hun landbouwmethoden en werden de
gewassen steeds belangrijker. Eerst werden de voedingsmiddelen
onmiddellijk na de oogst opgegeten, maar later leerden ze ook
voedsel te bewaren. Daardoor konden ze periodes van schaarste
overleven.
Chronologie bijbelse geschiedenis
Voor Christus
1700 - 1500 v Chr.
De 16e eeuw wordt doorgaans beschouwd als de
tijd van de
aartsvaders: Abraham, Isaak en Jakob. Abraham,
leider van een nomadische stam,
migreerde vanuit Mesopotamië naar Kanaän, het
gebied ten westen van de Jordaan. Hij aanbad een god
die men de 'God van Abraham' noemde; de bijbehorende
cultus wordt soms als de oorsprong van het jodendom
gezien. Hongersnood dwong het volk verder te trekken
naar Egypte, waar het na verloop van tijd tot
slavernij werd gedwongen.
God van Abraham, Isaäk en Jakob
Abraham, Isaäk en Jakob en hun vrouwen waren
gewone mensen. Natuurlijk leefden ze bijna
vierduizend jaar geleden en in een andere
cultuur. Maar het waren wel mensen met
dezelfde gevoelens, verlangens en
onzekerheden als wij. Wie ook nog altijd
Dezelfde is, is de God van Abraham, Isaäk en
Jakob. Hij kwam steeds weer in hun leven.
Hij beloofde hen veel. Sommige beloften
werden gedurende hun leven vervuld. Andere
lagen in de toekomst. Hij vermaande hen
nooit. Soms leerde Hij hen door te zwijgen.
Hij leerde hen door hun beslissingen, hun
falen, hun zelfzucht en hun liefde. Door hen
te laten zien wat hun daden opleverden.
Zowel negatief als positief. Maar Hij bleef
altijd achter hen staan. Hij nam het altijd
voor ze op.

Abraham, Isaak en Jakob
1400 v Chr.
Slavernij in Egypte
zie 1, geboorte van Mozes zie 2,
opstand, uittocht uit Egypte (ca. 1300) zie 3.
1) De
Bijbel verhaalt vaak en uitvoerig over
slaven, slavernij en slavenhandel,
bijvoorbeeld de bijvrouw van Abraham, Hagar,
was een Egyptische slavin die hem zijn
eerste zoon, Ismael, schonk Of de verkoop
van Jozef als slaaf naar Egypte. Het hele
Joodse volk was in slavernij in Babylon en
ook Egypte geraakt, waaraan het kon
ontsnappen onder leiding van Mozes (en dit
wordt nog steeds herdacht met het joodse
paasfeest, Pascha). De Bijbel geeft ook
uitvoerige regels voor het behandelen van
slaven. Zo is het volgens het Oude Testament
verboden om Joden voor altijd in slavernij
te houden , wordt de verkoop van dochters
als slavinnen gereguleerd, of de toepassing
van de doodstraf voor degene die Joden
roofde om hen als slaaf te verkopen Vroeger
dacht men ook dat bv. de Egyptische
Piramiden door massale inzet van slaven
gebouwd werden. Recent archeologisch
onderzoek heeft aanwijzingen gevonden dat
dit voornamelijk door de Egyptische boeren
en arbeiders zelf werd gedaan als
'herendienst' aan de farao op tijdstippen
dat het land toch niet bewerkt kon worden
(tijdens de periodieke Nijl overstromingen
die het land bevruchtten met vers slib.) Ook
in het oude China en India bestond de grote
massa der bevolking uit nominaal vrije
boeren, wier positie echter vaak niet veel
verschilde van die van horigen.
In de
Romeinse keizertijd, toen de grote
veroveringsoorlogen hadden opgehouden, begon
de aanvoer van "verse slaven" te stokken. De
grondbezitters gingen toen bevorderen dat de
slaven op hun plantages een gezin konden
stichten ("servi casati") (slaven met een
eigen huishouding), zodat de slavenpopulatie
langs natuurlijke weg in stand kon worden
gehouden.Tegelijk was een groot deel van de
voorheen vrije boeren, de coloni,
langzamerhand in een soort toestand van
horigheid vervallen. Op den duur zou het
onderscheid tussen "servi casati" en "coloni"
grotendeels verdwijnen.

"Waarom is dit feest niet zoals een ander?",
vraagt het Joodse kind aan de familievader
bij het begin van Paassover, het Joodse paasfeest.
Met matzes, de wijn, kaarsen en het paaslam
viert men het vertrek van Israël uit de slavernij in Egypte.
†
2) Mozes
hoorde bij de stam Levi en bij het geslacht Kahath. Hij
was de zoon van Amram en Jochebed, ongeveer twaalf jaar
jonger dan zijn zuster Mirjam en drie jaar jonger dan zijn
broer Aäron (zie artikelen). Direct na zijn geboorte werd
zijn leven bedreigd: De koning van Egypte had bevolen alle
Hebreeuwse jongens na de geboorte te doden om de sterke
groei van het volk Israël tegen stoppen. Jochebed verborg
haar zoon enige tijd, maar legde hem daarna in een kistje
van papyrus en met asfalt bestreken. Zij zette dit kistje in
het hoge riet aan de oever van de Nijl in de hoop dat het
door een Egyptische vrouw ontdekt zou worden. Herhaaldelijk
baden in de Nijl was voor Egyptenaren niet alleen een
gebruik maar ook een godsdienstige plicht; ook konden de
Oosterse vrouwen zich destijds veel vrijer bewegen dan later
onder de Islam.
De dochter van de
koning vond het kind, herkende het aan zijn uiterlijk als
Joods en gaf het door tussenkomst van de slimme Mirjam aan
zijn eigen moeder terug om het te zogen en op te voeden. De
naam van de prinses noemt de Bijbel niet: volgens Josefus
heette zij Termuthis volgens Eusebius Merris, volgens
de rabbijnen Bitja, "dochter van de Here"; Nadat het kind
enige jaren bij zijn moeder geweest was, werd het weer naar
de dochter van de koning gebracht, die het liet opvoeden als
haar eigen zoon. Ex. 2:10 vermeldt dat zij hem Mozes noemde.
Hoogst waarschijnlijk is Mozes een Hebreeuwse vorm van een
oorspronkelijk Egyptisch woord. Moscheh kan bevrijder,
redder betekenen; ook kan hij volgens dezelfde Psalm de
betekenis hebben van de (uit het water) "opgetrokkene".
Over de opvoeding van
Mozes lezen we dat hij werd onderwezen "in al de wijsheid
der Egyptenaren". Dit is op zichzelf waarschijnlijk en werpt
een verrassend licht op het latere werk van Mozes. Volgens
Josefus heeft Mozes een Egyptisch leger tegen de Ethiopiërs
aangevoerd. Intussen doofde zijn verblijf aan het hof zijn
liefde voor Israël niet. Integendeel: In zijn drift,
meegesleept door zijn gevoel voor recht, doodde hij een
Egyptenaar die een Hebreeër mishandelde . Toen de koning dit
hoorde, was hij verontwaardigd: Mozes had veel weldaden van
de koninklijke familie genoten. Mozes moest onmiddellijk
vluchten en kwam bij een Midianitische stam terecht (zie de
artikelen Jethro en Midian). Deze stam woonde in het
gebergte van de Sinaï. Nog in de 19e eeuw was bij de
Bedoeïnen in het schiereiland Sinaï het weiden van de kudde
het werk van de meisjes. Mozes hielp de dochters van Jethro
of Rehuël, en kreeg een veilig onderkomen bij de priester.
Later trouwde hij met een van zijn dochters, Zippora. Deze
Zippora heet een Kuschitische. Dit is óf omdat de Semieten
en Kuschieten zich met elkaar vermengd hadden, óf het is een
verachtelijke bijnaam omdat zij een vreemdeling was. Maar
andere uitleggers houden deze Kuschitische voor de tweede
vrouw van Mozes.
Bij de berg Horeb
ontving kreeg Mozes bevel om Israël uit de macht van Egypte
te verlossen en naar Kanaän te leiden. Hij aarzelde en
bracht allerlei bedenkingen in. God beloofde hem behalve
Zijn hulp ook de bijstand van zijn broer Aäron, die hem zou
helpen als zijn "mond" en "profeet" . Mozes nam afscheid van
Jethro en reisde met vrouw en kind naar Egypte. Onder welke
Egyptische Farao Mozes leefde en de uittocht plaatshad, is
ook in de 20e eeuw moeilijk te bepalen. Volgens 1 Kon. 6:1
waren er 480 jaar verlopen tussen de uittocht uit Egypte en
het begin van de tempelbouw door Salomo. Dit zou de uittocht
in ongeveer 1491 v. Chr. plaatsen. De beschrijving van de
toestand van de Israëlieten past bij de tijd van de grote
Farao Ramses II, die al jong mederegent van zijn vader Seti
I was en 67 jaar regeerde. Hij liet juist in Beneden-Egypte
grote bouwwerken uitvoeren. In Ex. 1:11 worden > twee steden
bij name genoemd, Pithom en Ramses, steden in het door de
Hebreeën bewoonde Gosen. Onder de ruïnes van deze plaatsen
vindt men nog zwarte, van klei en stro gemaakte
tichelstenen.
Onderzoekers hebben de
Joden aangezien voor de Hyksos, Semieten die 500 jaar over
Egypte heersten en daarna verdreven werden, maar dat is
onwaarschijnlijk. Riehm denkt aan de opvolger van Ramses II,
Mineptah, als de Farao van de uittocht. Hij had niet de
eerzucht die zijn vader eigen was, zodat hij de Israëlieten
ook niet al slaven nodig had. Mozes en zijn broer kregen te
maken met onwil en moedeloosheid onder hun eigen volk. Het
motief van het offeren bij de Horeb leefde meer bij Mozes
dan in de harten van het volk. De eerste plagen zijn meer
tekenen, die het bestaan van Israëls God bewijzen. Eerst
zijn Mozes en Aäron de handelende personen, maar de
eerstgeborenen van mensen en vee doodt de Here Zelf. De
eerste tekenen kunnen de Egyptische priesters en tovenaars
nadoen, maar niet de plaag van de muggen . Door het werk van
Mozes na te bootsen vergrootten zij wel de ellende in
Egypte, maar zij konden deze niet wegnemen.
De zg. "tien plagen"
hangen gedeeltelijk samen met toestanden en
natuurverschijnselen in Egypte. Maar de zwaarte van de
plagen en het verband waarin zij staan met het woord van
Mozes, maken ze tot tekenen van de macht van de Here.
Tenslotte gaf de koning het gevraagde verlof en liet Israël
vertrekken. Aanvankelijk volgde Mozes de gewone weg naar
Kanaän, maar daarna sloeg hij een zuidoostelijke richting
in, omdat de gewone weg door het gebied van de Filistijnen
liep Over de doortocht van de Rode Zee, de grote
verlossingsdaad van God, zie men het artikel Zee, Rode.

†
3) Met
de term de uittocht uit Egypte wordt
verwezen naar het verhaal uit het boek
Exodus uit de Hebreeuwse Bijbel. Hierin
wordt verhaald hoe de Israëlitische slaven
onder leiding van Mozes uit Egypte
ontkwamen. Aan deze uittocht gingen de tien
plagen van Egypte vooraf.
Mozes zou
volgens de Hebreeuwse Bijbel door middel van
de kracht van God de Schelfzee in tweeën
hebben gedeeld en zo een doortocht hebben
geschapen voor het Israëlitische volk naar
de vrijheid. De eindbestemming was Kanaän
dat als het door God Beloofde Land werd
aangeduid. Toen het volk bijna op de plaats
van bestemming was aangekomen begon het
bezwaren aan te voeren tegen de inneming van
Kanaän op grond waarvan God hen als straf
veertig jaar lang door de Sinaïwoestijn liet
trekken alvorens zij een tweede poging
mochten wagen Kanaän te veroveren. Hun
leider was al die tijd Mozes.
De
uittocht uit Egypte wordt in het jodendom
elk jaar feestelijk herdacht met het feest
van Pesach dat in het voorjaar valt.

1260
v Chr. Begin intocht in Kanaän, onder leiding van
Jozua. De Israëlieten troffen een ontwikkelde
samenleving aan, deels levend in de bronstijd, met
stadstaatjes en een eigen alfabetisch schrift.
Kennelijk werd deze beschaving als bedreigend
ervaren en moest ze
hardhandig
onderworpen worden.
Nieuwe visie op de
verwoesting van Jericho
Resultaten van
opgravingen die plaats vonden in de ruïneheuvel Tell
es-Sultan, de plaats van de oude stad Jericho, hebben
regelmatig een rol gespeeld in de discussie over de
betrouwbaarheid van de verhalen over de Intocht van Israël
in Kanaän in het boek Jozua.
In de jaren dertig
groef de archeoloog John Garstang in de ruïneheuvel Tell
es-Sultan,, een ineengestorte stadsmuur op, die verwoest was
door een hevige brand, die hij dateerde in ca. 1400 v. C..
Hij legde ook een stadsgebied bloot waarvan hij aannam dat
het verdedigd werd door de opgegraven muur. Garstang
dateerde de ondergang van die stad (Jericho IV) in ca. 1400
v. C. wat in overeenstemming leek te zijn met de datering
van de Intocht op grond van gegevens in de Bijbel. Garstang
schreef de verwoesting toe aan de Israëlieten onder leiding
van Jozua.
In de jaren 1952 tot
1958 vonden onder leiding van de archeologe Kathleen Kenyon
opnieuw opgravingen plaats in Jericho. Ze concludeerde dat
de verwoesting van een stadsmuur door een hevige brand, die
Garstang had gedateerd in ca. 1400 v. C., in werkelijkheid
plaatsvond aan het eind van Vroeg Brons (ongeveer 2250 v.
C.).
Volgens Kenyon werd de
laatste versterkte stad Jericho verwoest door de Egyptenaren,
bij hun achtervolging van de Hyksos na hun verdrijving uit
Egypte, in ca. 1550 v. C. Kenyon kwam verder tot de volgende
conclusie: "Door de opgravingen is vast komen te staan dat
er een Laat Brons stad heeft bestaan en er is een bescheiden
aanwijzing gevonden inzake de datering van de verwoesting
van die stad. Over het gehele oppervlak hebben huizen uit
Midden Brons en uit de tijd daarna het lot van de
verdedigingswerken gedeeld en zijn weggeërodeerd." Er waren
volgens haar dus bewijzen van bewoning van een kleine stad
Jericho uit de 14e eeuw v. C., blijkend uit het voorkomen
van Myceens III aardewerk dat gedateerd werd tussen ca. 1380
en 1300 v. C.Het stadje Jericho uit deze tijd was echter
onverdedigd of de bewoners gebruikten de overgebleven delen
van de verwoeste muren als verdediging. De laatste bewoning
tijdens Laat Brons kan volgens Kenyon gedateerd worden in
ca. 1300 v. C..
In ca. 1220 v.C., de
tijd waarin vele bijbelkritische geleerden de Intocht van
Israël dateren, bestond er geen stad Jericho meer. De
geleerden concludeerden dan ook dat het verhaal in Jozua 6
over de verwoesting van Jericho niet berustte op een
historische gebeurtenis. Kenyons datering van de verwoesting
van de laatste versterkte stad Jericho in ca. 1550 v. C.
gold jarenlang als onomstreden. Velen hebben daardoor het
geloof in de historische betrouwbaarheid van de Bijbel
verloren.

Onder leiding van Jozua trok het hele volk van Israël
vervolgens over de Jordaan
1100 v Chr.
Gideon, belangrijke richter. De
richteren waren leiders in deze periode zonder
centraal gezag; ze traden naar voren als naburige
stammen verslagen moesten worden. Sommigen spraken
ook recht.
Gideon (גדעון) ook wel
Jerubbaäl genoemd, is een
persoon uit het Bijbelboek
Richteren in het Oude
Testament en dus ook de
Tenach. Gideon was de zoon
van Joas en werd door God
benoemd om de Israëlieten te
bevrijden van de
Midianietenbezetting.
Eerst haalde hij op bevel
van de Here het altaar en de
cultuskolom van de
Baäl-cultus naar beneden.
"Daarom werd Gideon van die
dag af Jerubbaäl genoemd –
het betekent: Baäl mogen
tegen u strijden – omdat hij
het altaar naar beneden
haalde".Vervolgens droeg God
hem op om de midianieten aan
te vallen en te verdrijven.
Met zijn leger van 32.000
trok hij op tegen de 150.000
midianieten. Maar de Here
liet hem zijn leger
terugbrengen van 32000 tot
300 man. Gideon was erg
onzeker, maar God kende
Gideon's onzekerheid, en Hij
hielp hem daarmee. Ze deden
een verrassingsaanval en de
midianieten gingen in de
paniek elkaar te lijf. Het
leger van Gideon won van de
Midianieten. Gideon was een
richter (ook wel rechter).
Hij was de door God
aangestelde leider. Na zijn
dood keerden de Israëlieten
weer terug naar hun
oorspronkelijke geloof.

Gideon
040 - 1000 v Chr.
Tijd van
Samuël zie 1, de laatste richter, en
Saul zie 2, de eerste koning
1)
Samuel (ook wel Samuël) was een profeet
uit de tijd van koning Saul. Tevens was hij
een tijdlang richter van de Israëlieten en
bovendien priester. Hij zalfde namens God
Saul en later David tot koning. Samuel wordt
geacht een deel van het eerste naar hem
genoemde boek 1 Samuel uit het Oude
Testament te hebben geschreven. Zijn
Hebreeuwse naam luidt Sjemoe'eel en maakt in
de Tenach deel uit van het Tenachdeel
Profeten (Neviiem). Als voornaam komt het
meestal voor in de verkorte vorm Sam.

Samuël
†
2)
Saul was volgens de Hebreeuwse Bijbel de
eerste koning van de Israëlieten. Hij was
afkomstig van de stam Benjamin. Zijn
koningschap wordt gedateerd in de elfde eeuw
voor de gangbare jaartelling. In het boek 1
Samuel staat de levensloop van koning Saul
beschreven. Saul had verschillende zonen,
onder andere: Jonatan, Abinadab en Malkisua.
Daarnaast had hij twee dochters, Merab en
Michal.Volgens
de Bijbel werd hij tot koning uitgeroepen
als reactie op de dreiging van de
Filistijnen en Amelekieten. Na een
overwinning op de Amelekieten liet hij na om
hun koning te doden en hun vee te
vernietigen hoewel Samuel hem dit had
opgedragen. Samuel zei hem dat hierdoor zijn
koningschap zou worden beëindigd. Om zijn
depressies te verdrijven liet hij de herder
David naar zijn hof komen. Door zijn
vriendschap met Sauls zoon Jonathan en zijn
heldendaden in de oorlogen tegen de
Filistijnen maakte David steeds meer naam.
Davids reputatie nam zo toe dat Saul hem als
een concurrent ging zien en een poging deed
David uit de weg te ruimen. Doordat Jonathan
David inlichtte kon deze vluchten. De
dreiging van de Filistijnen was niet
geweken, na een inval in het noorden van
Israël leverde Saul onder diverse slechte
voortekenen slag tegen Gilboa. De slag liep
uit op een grote nederlaag waarin ook de
zoons van de koning sneuvelden. Wanhopig en
geen uitweg meer ziende wil Saul zich door
een bediende laten doden. Deze weigert,
waarop Saul met zijn eigen zwaard zichzelf
het leven ontneemt.
Saul
werd opgevolgd door zijn zoon Isboset,
behalve bij de stam Juda, waar David tot
koning werd uitgeroepen. De volgende jaren
was er een strijd tussen de familie van Saul
en David, die door David werd gewonnen. In
de Bijbel wordt Saul gezien als een tragisch
figuur. Gekozen tot koning en een groot
leider in verschillende oorlogen, gaat hij
ten onder omdat hij niet genoeg vertrouwen
heeft in God.

Samuel en
Saul
1000 - 960 v Chr.
Koningschap van
David. Jeruzalem wordt hoofdstad van het door
veroveringen gegroeide Israëlitische rijk.
Over
Davids leven valt te lezen in het boek
Samuël. Hij regeerde van 1010 voor Chr. tot
970 voor Chr. Hij was de jongste zoon in een
groot gezin en werd in zijn jeugd geacht op
de schapen te passen - vanwege het
verschijnen van roofdieren geen
ongevaarlijke baan, die desondanks in weinig
aanzien stond. Onverwachts werd hij gekroond
tot de opvolger van de toen heersende koning
Saul. Het zou echter nog jaren duren voordat
hij de troon besteeg.
Zijn
eerste beschreven wapenfeit was het vellen
van de reus Goliath met een steen uit zijn
slinger, een wapen waarmee hij tijdens het
hoeden van de schapen ruimschoots had kunnen
oefenen. Zijn succes in het leger en het
feit dat David tot zijn opvolger was
gekroond leidde echter tot brandende afgunst
van koning Saul. Een groot deel van zijn
leven was David op de vlucht voor deze
koning; pas na diens dood (waarin David
overigens geen aandeel had) kwam David aan
de macht, maar alhoewel zijn koningschap
stabiliteit en militair succes bracht, kreeg
hij het later weer bijzonder moeilijk door
het optreden van sommige van zijn (al te
ambitieuze) zoons waaronder Absalom. Omdat
hij met meerdere vrouwen was getrouwd, had
hij heel veel zonen: de eerste: Amnon, van
Ahinoam, de Jezreëlitische; de tweede:
Daniel, van Abigail, de weduwe van Nabal; de
derde: Absalom, van Máächa, dochter van de
koning van Gesur; de vierde: Adonia, van
Haggith; de vijfde: Sefatja, van Abithal; de
zesde: Jithream, van zijn huisvrouw Egla;
daarna volgde:Simea, Sobab, Nathan en
Salomo, van Bathseba, weduwe van Uria; en
daarna Jibchar, Elisama, Elifelet, Noga,
Nefeg, Jafia, Eljada en hun zuster Thamar.
Deze allen zijn zonen van David, behalve de
kinderen van de bijvrouwen. Zijn zoon,
koning Salomo, bouwde uiteindelijk de Tempel
van Jeruzalem, iets wat David dolgraag zelf
had willen doen, maar wat hij vanwege zijn
bloedige veldslagen niet mocht.
Historiciteit
Sommige historici beweren dat koning David
en zijn koninkrijk nooit hebben bestaan, en
dat de verhalen over zijn leven later door
joodse nationalisten zijn opgetekend. Andere
historici nemen wel aan dat koning David
heeft bestaan, maar dat (net als
bijvoorbeeld Koning Arthur) veel van de
verhalen over zijn leven eerder tot de
mythen dan als harde geschiedschrijving
moeten worden gerekend. De enige aanwijzing
voor het bestaan van koning David - buiten
de Hebreeuwse Bijbel om - is een oude
inscriptie die gevonden is in Tel Dan.
Hierin staat verwijzing te lezen naar een
koning uit het "Huis van David". Deze
inscriptie bevestigt indirect dus het
bestaan van de historische koning David.
David in het christendom
Voor
christenen is David belangrijk, omdat hij
een verre voorvader zou zijn van Jozef van
Nazareth. Verschillende profetieën in het
Oude Testament voorspelden dat de Messias
zelf een afstammeling van koning David zou
zijn. In het Evangelie naar Mattheüs wordt
de stamboom van koning David naar Jozef
uitgewerkt. Maar ook de moeder van Jezus,
Maria, zou volgens het geslachtsregister een
nakomeling van David zijn.

Jan
Mostaert, De boom van Jesse, 1485, olieverf op paneel, 89 x
59 cm, Rijksmuseum Amsterdam
De
afstamming is voorgesteld als een echte boom. Die boom
ontspruit aan Isaï, ook wel Jesse genoemd, de vader van
David. Op de takken zitten de twaalf koningen van Juda,
allemaal gekleed in kleurrijke middeleeuwse kledij. Onderaan
zit koning David. David speelde harp, zo vertelt de bijbel,
vandaar dat hij altijd met een harp wordt afgebeeld.
Boven
in de boom zit Maria met het kindje Jezus op haar schoot. De
non links was de opdrachtgeefster en de mannen links en
rechts zijn misschien de profeten Jesaja en Jeremia.
964 - 926 v Chr.
Koningschap
Salomo; bouw eerste tempel (1
Kon. 6,
2 Kron. 3). Door zijn onderdanen werd Salomo
waarschijnlijk als een tiran ervaren.
Koning Salomo (Hebreeuws: שלמה) van
Israël was een zoon en de troonopvolger
van David en bouwde de eerste Joodse
Tempel. Hij regeerde van ongeveer 970 v.
Chr. tot 930 v. Chr..
Wijsheid
Salomo (of Salomon) staat bekend vanwege
zijn wijsheid, onder meer blijkend uit
zijn vermogen recht te spreken
(bijvoorbeeld het beroemde
salomonsoordeel). Verschillende
Bijbelboeken Prediker en Spreuken - die
tot de wijsheidliteratuur worden
gerekend- worden traditioneel beschouwd
als van de hand van Salomo, al wordt
door velen tegenwoordig aangenomen dat
de boeken een latere (2e - 3e eeuw v.
Chr.) compilatie zijn van verschillende
bundels die in omloop waren. Overigens
kunnen onder deze bundels heel goed
originele geschriften van Salomo zijn
geweest maar werd zijn naam aan de hele
compilatie gegeven. Ook bij de naburige
beschavingen van Egypte en Mesopotamië
deden dergelijke wijsheids geschriften
de ronde. Een bekende Egyptische bundel
wijze spreuken wordt toegeschreven aan
farao Ramses I.
Regering
Salomo regeerde tijdens de Gouden Eeuw
van het oude Israël. Het rijk strekte
zich uit van Egypte tot de Eufraat en
van de zee tot diep in het huidige
Jordanië. Gedurende zijn regering was er
geen oorlogsvoering nodig en konden de
bewoners zich wijden aan de winstgevende
tussenhandel via de vele handelswegen
die door Israël en Jeruzalem liepen.
Samen met zijn bondgenoot koning Hiram
van Tyrus breidde Salomo ook de
scheepvaart en handel op de Middellandse
Zee en de Rode Zee uit. Volgens sommige
legendarische verhalen gingen op deze
reizen vele Israëlieten mee als
scheepsbemanning en als kooplieden die
zich vaak ook vestigden op verre
handelsposten zoals in Tharsish, Libië,
Etrurië en Ophir (wat misschien het
huidige Jemen was). Zo begon er al een
soort vrijwillige Diaspora 500 jaar voor
de latere val van Jeruzalem door de
Babyloniërs.
De
keerzijde van de glorie die Salomo zijn
land bracht waren de zware belastingen
die hij hief om zijn vele bouwprojecten
en zijn extravagante levensstijl te
bekostigen. Zo was hij een groot
liefhebber van vrouwen en hield er een
uitgebreide harem op na. De bewering in
de Bijbel dat hij 700 echtgenotes en 300
bijvrouwen had moet misschien met een
korreltje zout worden genomen (hoewel bv.
de latere Sultans van het Ottomaanse
Rijk er wel degelijk zoveel vrouwen op
na hielden). De 'verzamelwoede' voor
vrouwen van Salomo werd overigens streng
afgekeurd door de toenmalige profeten en
ook de Tenach verbiedt de veelwijverij.
Op het laatst van z'n leven kwam hij,
door o.a. de invloed van zijn vele
heidense vrouwen en buitenlandse
bezoekers, tot afgoderij, of tenminste
tot het gedogen daarvan, hetgeen in de
ogen van steile joden bijna even erg
was. Dat was de reden dat de profeten
van God zijn nageslacht zware tijden
voorspelden en de spoedige ondergang van
de eenheidsstaat. Na zijn dood brak er
bijna onmiddellijk een burgeroorlog uit
die uitdraaide op de splitsing van het
rijk in de koninkrijken Juda en Israël.
En mede als gevolg daarvan begonnen ook
weer de overvallen en invasies van de
buurlanden, die al in de tijd van de
Richteren gebruikelijk waren, totdat
binnen 400 jaar Israël en Juda als
zelfstandige naties verdwenen waren. Tot
aan de stichting van de moderne staat
Israël hadden de joden geen zelfstandig
thuisland meer.
Latere invloed van Salomo's regering
In
de Arabische literatuur zijn nog vele
verhalen overgeleverd over de wijsheid,
rijkdom en magische krachten die Salomo
(Suleiman) bezeten zou hebben. In de
archeologie van Israël zijn tot nu toe
weinig sporen van Salomo's regering
gevonden, wat waarschijnlijk te wijten
is aan de vele verwoestingen en
wederopbouwperiodes, waarbij oud
bouwmateriaal hergebruikt werd, die
bijna alle plaatsen en steden in Israël
hebben ondergaan in de 3000 jaar sinds
Salomo.
In
het christendom wordt de regering van
Salomo en de voorspoed die er toen was
wel gezien als een voorafschaduwing van
de regering van de Messias tijdens het
1000-jarige rijk.

De Dordtse
schout Jan van Drenckwaert liet dit schilderij maken
door de kunstschilder Jan van Cuyck, die hij gevangen
had gezet wegens ketterij.
Op dit
schilderij is de schout afgebeeld als Koning Salomo, die
in de bijbel als een rechtvaardige koning wordt
beschreven. Van Cuyck schilderde het in de gevangenis,
kort voordat de schout hem in het openbaar liet
verbranden.
Twee vrouwen
hebben elk een kind gekregen. Eén van die kinderen ging
's nachts dood. Nu zeggen beiden dat het levende kind
van haar is. Salomo zegt: "Hak het kind in tweeën en
geef ze allebei de helft". Eén van de vrouwen
protesteert hevig. Dan weet Salomo dat het kind van haar
is en niet van de ander, die niets zei.
926 v Chr. Dood Salomo;
scheuring van het rijk in Israël en Juda (ook
wel: Judea). Het verval was al ingezet tijdens
Salomo's bewind, doordat hij vreemde erediensten
toeliet die de eenheid van het rijk verzwakten.
De
scheuring van het rijk
Rechabeam ging
naar Sichem, waar heel Israël was samengekomen om hem tot
koning uit te roepen. Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde
hiervan, maar hij bleef in Egypte, waarheen hij voor koning
Salomo was gevlucht. Daarom werden er boden gestuurd
om hem te halen, en samen met de verzamelde Israëlieten
wendde hij zich tot Rechabeam met het volgende verzoek: ‘Uw
vader heeft ons een zwaar juk opgelegd. Maakt u onze taak nu
minder zwaar, verlicht het juk waarmee uw vader ons heeft
belast, dan zullen wij u dienen.’ ‘Geef me drie dagen
bedenktijd,’ antwoordde Rechabeam, ‘en kom dan bij me
terug.’ Toen het volk was weggegaan, raadpleegde Rechabeam
de oudsten die zijn vader Salomo ter zijde hadden gestaan
toen die nog leefde: ‘Wat raadt u mij aan? Wat moet ik het
volk antwoorden?’ ‘Als u zich nu een dienaar van het volk
toont,’ zeiden ze, ‘en het van dienst bent met een
welwillend antwoord, zal het u voor altijd dienen.’Maar hij
legde de raad van de oudsten naast zich neer en raadpleegde
de jongemannen die met hem waren opgegroeid en die hem nu
ter zijde stonden:‘Wat raden jullie aan? Wat moeten wij het
volk antwoorden op zijn verzoek om het juk te verlichten dat
mijn vader het heeft opgelegd?’ De jongemannen zeiden tegen
hem: ‘Het volk heeft je gevraagd om het te ontlasten van het
zware juk dat je vader het heeft opgelegd. Welnu, zeg tegen
hen: “Mijn pink is dikker dan het lid van mijn vader! Mijn
vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog
verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u
gehoorzaamheid leren met schorpioenen!”’Toen Jerobeam en de
andere Israëlieten na drie dagen bij koning Rechabeam
terugkwamen, zoals hun gezegd was, gaf de koning hun een
hardvochtig antwoord. Hij legde de raad van de oudsten naast
zich neer en antwoordde zoals de jongemannen hem hadden
aangeraden: ‘Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik
zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid
geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met
schorpioenen.’De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek
van het volk. De HEER had dit zo beschikt om in vervulling
te laten gaan wat hij bij monde van Achia uit Silo aan
Jerobeam, de zoon van Nebat, had voorzegd.
Toen de Israëlieten merkten dat de koning aan hun verzoek
geen gehoor gaf, zeiden ze tegen hem: ‘Wat hebben wij met
David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaï!
We breken op, volk van Israël! Het koningshuis van David
zorgt maar voor zichzelf!’ En de Israëlieten braken op.
Rechabeam bleef alleen koning over de Israëlieten die in de
steden van Juda woonden. Hij stuurde Adoniram, de opzichter
van de herendienst, nog naar de Israëlieten, maar die werd
gestenigd. De koning zelf kon nog net op een wagen klimmen
en naar Jeruzalem ontkomen. Zo brak Israël met het
koningshuis van David, en dat is zo gebleven tot op de dag
van vandaag.
De Israëlieten, die hadden gehoord dat Jerobeam was
teruggekeerd, lieten hem vragen om voor de volksvergadering
te verschijnen. Daar werd hij uitgeroepen tot koning van
heel Israël. Er was niemand meer die het koningshuis van
David steunde, behalve de stam Juda.
Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de
stammen Juda en Benjamin honderdtachtigduizend geoefende
krijgslieden op om de strijd aan te binden met de
Israëlieten en het koningschap voor hem, de zoon van Salomo,
terug te winnen. Maar God richtte zich tot de godsman Semaja
met de woorden:‘Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en
koning van Juda, en tegen Juda en Benjamin en de rest van
het volk: “Dit zegt de HEER: Trek niet ten strijde tegen de
Israëlieten, jullie broeders, maar keer terug naar huis,
want dit alles is van mij uitgegaan.”’ Ze gehoorzaamden en
gingen terug naar huis, zoals de HEER had gezegd.

Het rijk
van Jerobeam
Israël
(noordelijke rijk; hoofdstad: Samaria) 926 - 722
Tiglat-Pileser I
stichtte het Nieuw-Assyrische rijk dat onder zijn opvolgers
sterk werd uitgebreid. Tiglat-Pileser III (745-727 v Chr)
was het die een einde maakte aan een Syrische coalitie waar
ook het koninkrijk Israël toebehoorde en onder leiding stond
van Damascus. De Israëlieten kregen toen een bijna niet te
torsen belastingplicht opgelegd door de nieuwe heerser.
Tijdens de regering van Hosea, Israëls laatste koning,
weigerde men nog langer aan deze schatting te voldoen. De
Assyrische koning Salmanasser V viel zijn koninkrijk binnen
en sloeg rondom de hoofdstad Samaria een wurgend beleg. Na
een langdurige strijd wist koning Sargon II Samaria in het
jaar 722 v Chr. in te nemen, waarbij de stad grondig
verwoest werd.

871-852 v Chr.
Koning Achab voert de
Baälverering in. De profeet
Elia.
Achab
(אַחְאָב : broeder van vader) was de zoon
van Omri en is een van de koningen van het
toenmalige tienstammen koninkrijk Israël dat
tegenover Juda stond. Hij huwde met Izebel,
de dochter van koning Eth-baäl van Tyrus. De
juiste periode waarin hij juist regeerde is
onzeker, omstreeks 900 voor onze
tijdrekening. William F. Albright plaatst
zijn regeringsperiode van 869 - 850 , E. R.
Thiele dateert het van 874 - 853 en volgens
de Catholic Encyclopedoa CD-Rom is deze
periode van 918 - 896. Hij heeft dus
gedurende ongeveer 22 jaar geregeerd.
In het
Oude Testament en de Tenach
De
geschiedenis rond Achab wordt beschreven in
de bijbel in de boeken 1 Koningen en 2
Koningen. Hij bevorderde de welvaart van
zijn volk en men neemt aan dat tot Achabs
bouwwerkzaamheden ook de voltooiing behoorde
van de versterkingen van de stad Samaria. De
tempel voor aanbidding van de God van Israël
stond echter in Jeruzalem (Juda) en Achab
deed alles wat mogelijk was om het
godsdienstig volk in zijn tienstammen
koninkrijk te houden. Zijn huwelijk met
Izebel bewerkte dat hij de Baälsaanbidding
(sterk afgodisch in de ogen van de God van
Israël: Jahwe bevorderde. Achab liet zich er
door zijn vrouw Izebel toe bewegen Baäl te
aanbidden, een tempel voor Baäl te bouwen en
een heilige paal ter ere van Astarte (Astoreth)
op te richten. In Samaria werden bij
archeologische opgravingen verschillende
gedeelten blootgelegd die dit ondersteunen.
In de bijbelse geschiedenis komt de strijd
tussen de aanbidding van de God van Israël
(Jahwe) en Baäl in deze periode tot een
hoogtepunt onder de profeet Elia, beide
groepen aanbidders vragen hun God het
klaargemaakte offer te aanvaarden en
zodoende hun gelijk te ondersteunen. Hier is
het de God van Israël die zich duidelijk
boven Baäl manifesteerde door het offer van
Elia te aanvaarden en bovendien de drie jaar
durende droogte ophief. Ondersteuning voor
deze droogte vinden we onder meer in het
Nieuwe testament bij Lukas Hfdst 4:25.
Volgens het bijbelverslag in 2 Koningen is
het Jehu die als koning van Israël een einde
maakt aan het bewind van Achab.
Volgens de Joodse overlevering rekent men
Achab onder de drie koningen die geen
aandeel hebben in het eeuwig leven.

Zegelring met daaronder een vergroting van
de inscriptie ('Achab, koning van Israel')
845 v Chr. Machtsgreep
Jehu zie 1, moord op aanhangers
Baäl; profeet
Elisa zie 2
1) Jehu, koning
van Israël
Ondertussen riep de profeet Elisa een van de leerlingen van
de profetengemeenschap bij zich en droeg hem op: ‘Neem dit
kruikje met olie en ga zo snel mogelijk naar Ramot in Gilead.
Daar aangekomen moet je Jehu opzoeken, de zoon van Josafat,
de zoon van Nimsi. Ga naar hem toe en neem hem apart. Ga met
hem naar een afgezonderd vertreken giet het kruikje olie
over zijn hoofd uit met de woorden: “Dit zegt de HEER:
Hierbij zalf ik je tot koning van Israël.” Daarna moet je
het vertrek verlaten en maken dat je wegkomt.’
De jonge profeet ging naar Ramot in Gilead.Toen hij daar
aankwam, zaten de bevelhebbers van het leger bij elkaar.
‘Kan ik u spreken, overste?’ vroeg hij. ‘Wie van ons wilt u
spreken?’ vroeg Jehu. ‘U, overste,’ antwoordde hij. Jehu
stond op en ging met de jonge profeet mee naar binnen. Daar
goot de profeet de olie over Jehu’s hoofd uit en zei: ‘Dit
zegt de HEER, de God van Israël: Hierbij zalf ik je tot
koning over Israël, het volk van de HEER. Ruim het
koningshuis van Achab, waarbij je in dienst staat, uit de
weg, want ik wil het bloed wreken van de profeten en van al
mijn andere dienaren die door Izebel ter dood zijn gebracht.
Heel het koningshuis van Achab zal ten onder gaan, alle
mannelijke leden van zijn familie zal ik uitroeien, van hoog
tot laag. Het zal het koningshuis van Achab vergaan als het
koningshuis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en het
koningshuis van Basa, de zoon van Achia. En Izebel zal op de
akkers van Jizreël door de honden worden opgevreten, niemand
zal haar begraven.’ Daarop verliet de profeet het vertrek en
maakte dat hij wegkwam.
Toen Jehu terugkwam bij de dienaren van zijn heer vroegen ze
hem: ‘Is alles in orde? Wat moest die gek van jou?’ ‘Ach,
het gewone gezeur, jullie kennen dat wel,’ antwoordde Jehu.
‘Maak dat een ander wijs,’ zeiden ze. ‘Zeg op, wat had hij
te vertellen?’ Toen zei Jehu: ‘Hij heeft me het volgende
gezegd: “Dit zegt de HEER: Hierbij zalf ik jou tot koning
van Israël.”’ Ogenblikkelijk deden ze allemaal hun mantels
af en spreidden die voor hem als loper over de traptreden
uit. Toen bliezen ze op de ramshoorn en riepen: ‘Jehu is
koning!’

2)
Elisa is een profeet waarover geschreven
staat in de Hebreeuwse Bijbel. Hij is de
opvolger van de profeet Elia. De levensloop
van Elisa is met name terug te vinden aan
het einde van het Bijbelboek 1 Koningen en
voor de rest in het Bijbelboek 2 Koningen.
(אלישע
"Mijn God is redding", Standaard Hebreeuws
Elišaʿ, Tiberiaans? Hebreeuws ʾĔlîšaʿ) was
de zoon van Shaphat uit Abel-meholah; hij
werd de dienaar en volgeling van Elia (1
Koningen 19:16-19). Zijn naam komt het eerst
voor in de opdracht aan Elia om hem tot
opvolger te zalven. Op zijn weg van Sinaï
naar Damascus treft de profeet Elia hem aan
terwijl hij met de runderen het land ploegt.
Hij roept Elisa door zijn mantel over diens
schouders te gooien. Hij neemt hem aan als
zoon en roept hem tot het profetenambt.
Gedurende twaalf jaar horen we weinig over
Elisa, tot het overlijden van Elia. Hierna
wordt gezegd dat hij 'een dubbel deel' van
de geest van Elia heeft gekregen, en wel
omdat hij de wonderbaarlijke hemelvaart van
Elia heeft mogen aanschouwen. Hij heeft de
leiding van de profetenschool in Jericho,
redt Samaria en Dothan van een Syrische
belegering, en geneest de Syrische generaal
Naäman van melaatsheid. Hij zalft Hazaël tot
koning over Syrië en Jehu tot koning over
Israël. Jaren later, op zijn sterfbed, komt
koning Joas, de kleinzoon van Jehu, om te
rouwen over zijn naderende einde. Hij
spreekt tot Elisa dezelfde woorden als Elisa
bij Elia's dood: "Mijn vader, mijn vader!
Wagens en ruiters van Israël!" Volgens 2
Koningen 13:20-21 werd een jaar na zijn
begrafenis het lichaam van een overleden man
'weer levend toen het diens beenderen
aanraakte'.

Ikoon, "Heilige
profeet Elisa".
Centraal-Rusland, midden 17e eeuw.
De profeet Elisa, afgebeeld in halformaat, toont met beide
handen een geopende tekstrol. De ikoon vormde een onderdeel
van een grote ikonostase in een orthodoxe kerk.
787-747 v Chr.
Bloeiperiode onder
Jerobeam II zie 1, wiens godsdienstbeleid veroordeeld
wordt door de profeet
Hosea. Geschriften van de profeet
Amos zie 2.
1) Het
paslood
De
Here stond bij een muur, die destijds loodrecht
gemaakt was, met een paslood in Zijn hand. Hij
zou dit paslood gebruiken in het midden van
Zijn volk Israël en dit volk voortaan niet meer
voorbijgaan, voor oordeel niet meer sparen. De
hoogten van Izaäk zouden verwoest, de
heiligdommen van Israël vernield worden, en
tegen het huis van Jerobeam zou met het zwaard
worden opgetreden.
Het beeld van een paslood is eenvoudig: het
wijst elke afwijking aan. Het bewijst of een
muur uit het lood is gezakt. Zo ja, dan kan er
maar één ding gedaan worden: afbreken en opnieuw
bouwen. Dit zou ten aanzien van Israël dan ook
geschieden. In dit derde visioen is geen sprake
van bemiddeling, er zou een definitief oordeel
over Israël worden uitgeoefend, n.l. de
wegvoering van de tien stammen door de
Assyrische koning Salmanéser, 2 Kon. 17:1-6. Hoe
veelzeggend zijn de woorden: ”Ik zal het
voortaan niet meer voorbijgaan”. En dit was de
tweede aankondiging. Tevoren had de Here reeds
gezegd, dat Hij Israël zou behandelen, zoals
Hij destijds Egypte had gedaan, 5:17. Nu werd
deze uitspraak nog aangevuld met: ”Ik zal het
voortaan niet meer voorbijgaan. Zoals aan Israël
in Egypte was geschied, en zoals Israël ook nog
gespaard was voor de oordelen van de twee vorige
visioenen. Een lam waarvan het bloed Israël
beveiligde, zou er nu niet zijn.
Aan het volksbestaan van Israël zou een einde
worden gemaakt, de ”heiligdommen” van Israël
zouden worden verwoest en het huis van Jehu,
waarvan Jerobeam II de derde afstammeling was,
door het zwaard getroffen. Dit is dan ook
geschied. Zacharia, de zoon van Jerobeam werd,
na een regering van zes maanden, doodgeslagen.
Toen was de belofte aan Jehu, dat van zijn zonen
tot in het vierde geslacht op de troon van
Israël zouden zitten, vervuld geworden, 2 Kon.
15:8-12. Na Zacharia hebben nog vijf koningen
korter of langer over Israël geregeerd, in
totaal ruim 41 jaar. Onder Hoséa, de laatste van
deze vijf, en ook de laatste van alle koningen
van Israël, is het oordeel, dat een einde maakte
aan het volksbestaan, gekomen. Samaria werd na
een beleg van drie jaar verwoest en Israël, voor
zover niet gesneuveld, naar Assyrië weggevoerd.
Dat gebeurde in het jaar 722 vóór Christus, 2
Kon. 17:6.
Er
gaat een geweldige spraak uit van het paslood.
Als de Heer dit gebruikt in onze dagen, in ons
midden, in onze familie, in ons gezin, wat zal
het dan aanwijzen? De verzen 10-17 van dit
hoofdstuk onderbreken de visioenen van de
profeet Amos, en beschrijven het verzet tegen
zijn profeteren in Israël.
Amos was naar Bethel gegaan om daar te
profeteren. Amazia, de priester van Bethel (niet
de priester des Heren), kwam tegen de profeet in
verzet en zond aan Jerobeam II, koning van
Israël, bericht dat Amos een samenzwering tegen
hem sprak in het midden van het volk, woorden
die door het land, het koninkrijk, niet konden
worden verdragen. - Want hij had gezegd, dat de
koning Jerobeam door het zwaard zou sterven, en
dat Israël gevankelijk uit het land zou worden
weggevoerd. Het eerste heeft de profeet zeker
niet gezegd. De Here had hem immers niet
medegedeeld, dat Jerobeam door het zwaard zou
sterven, maar dat het huis van Jerobeam door het
zwaard zou worden getroffen. Priesters, door
mensen aangesteld, hebben zich altijd verzet
tegen de dienaren des Heren, die door de Heilige
Geest gedreven het Woord van God spraken. -
Amazia gedoogde het optreden van Amos in het
tienstammenrijk niet, in welk rijk hij zichzelf
geestelijke rechten aanmatigde. Amos kwam door
zijn profeteren op Amazia’s terrein. Om zich van
de profeet te ontdoen, wiens woorden hem toch
verontrustten, schakelde hij de wereldlijke
overheid in, opdat deze de profeet zou
veroordelen. Vooruitlopende op een besluit van
Jerobeam, zei hij tot Amos: ”Gij ziener, ga weg,
vlucht in het land van Juda, en eet aldaar brood
en profeteer aldaar. Maar te Bethel zult gij
voortaan niet meer profeteren, want dit is een
koninklijk heiligdom en een rijkstempel”. Zo
wilde Amazia zich van Amos ontdoen. Maar hij
vergat, dat God Zich geen beperkingen laat
opleggen door mensen en dat alleen Zijn gezag
wettig en beslissend is. Amos verkondigde in
Israël de waarheid, maar het was voor de
priester Amazia van het hoogste belang, dat
hieraan paal en perk werd gesteld. Want op die
manier werd heel het godsdienstige systeem, door
Jerobeam I uitgedacht, te gronde gericht, en
daarmede ook de positie van de geestelijke
leiders in Israël. Vandaar de valse aanklacht,
en een inschakeling van de overheid om dwang uit
te oefenen.

Siegel des Sema: eines Ministers des Königs
Jerobeam II (787-747 v. Chr.)
2) Amos profeteerde onder de regering van
Uzzia (ook wel genoemd Azaria), koning van Juda,
die tweëenvijftig jaar te Jeruzalem regeerde (2
Kron. 26:3) en onder het bewind van Jerobeam II,
koning van Israël, die eenenveertig jaar te
Samaria regeerde. Er is slechts één koning
geweest die nog langer dan de eerstgenoemde op
de troon heeft gezeten, nl. Manasse, koning van
Juda, die vijfenvijftig jaar heeft geregeerd.
Een
langdurige regering betekende echter nog niet
een goedkeuring van dat bewind door God. Want
die van Manasse was een aaneenschakeling van
zonde en ongerechtigheid. Uzzia, de koning van
Juda, deed wat recht is in de ogen des Heren (2
Kon. 15:3). Zijn regering was zeer voorspoedig,
het rijk werd zeer versterkt. Tot op de dag,
waarop deze koning, door hoogmoed gedreven,
tevens priesterlijke dienst in de tempel wilde
verrichten. Als straf hierover werd hij melaats
tot zijn dood toe. De na hem komende koningen
Jotham, Hizkia en Josia wandelden in de wegen
des Heren. Door de trouw van deze ware
nakomelingen van David werd het oordeel, dat
Juda bedreigde, o.a. door de goddeloze koningen
van Juda: Achaz, Manasse en Amon, nog
uitgesteld.
Met Jerobeam
II was het geheel anders gesteld. Hij deed wel
grote daden in de ogen van mensen, maar hij
wordt gekenmerkt door ”hij deed wat kwaad was in
de ogen des Heren.”. Toch heeft God hem nog
willen gebruiken om Israël te verlossen. De Here
had toen nog niet gezegd, dat Hij de naam van
het tienstammenrijk Israël van onder de hemel
zou uitwissen (2 Kon. 14:23-29). Na de dood van
Jerobeam II en de regering van nog zes hem
opvolgende koningen, die gezamenlijk 41 jaar en
7 maanden geregeerd hebben is dit
tienstammenrijk geheel ten onder gegaan, door de
wegvoering van de bevolking naar Assyrië. De
regering van Uzzia, koning van Juda, en die van
Jerobeam II, koning van Israël, vielen samen
gedurende een periode van veertien jaar. Maar
het is niet zo dat Amos gedurende deze veertien
jaar heeft geprofeteerd. Het eerste vers van
hoofdstuk 1 zegt, dat hij profeteerde twee jaar
vóór de aardbeving.

Amos
722 v Chr. Verovering door de
Assyriërs o.l.v. Salmaneser V
Als een volk voor de
derde keer zou rebelleren was het officiële Assyrische
antwoord kort en krachtig: dat volk zou ophouden te
bestaan. Het Assyrische leger zou nagenoeg de hele
bevolking met geweld in ballingschap drijven. De
Assyriërs verspreidden de ballingen door hun hele rijk
en herbevolkten de leeggekomen gebieden met mensen uit
andere verre gebieden. Eenmaal uit hun eigen land
verwijderd en hun land door anderen bevolkt zouden de
verspreide ballingen weinig middelen of motivatie meer
hebben om nog eens tegen de Assyrische heerschappij in
opstand te komen.Een pro-Assyrische,
maar onbetrouwbare Israëlitische vazal, koning Hosea (ca.
731-722 v. Chr.) bracht de gebeurtenissen op gang die de
ontbinding van het noordelijke koninkrijk veroorzaakten.
In de hoop op belangrijke steun van Egypte in het zuiden
verraadde Hosea omstreeks 724 v. Chr. het Assyrische
vertrouwen
(2 Kon. 18:9-10).
reageerde met een
beleg (ca. 724-722 v. Chr.) dat ten slotte de val van
Israël’s hoofdstad Samaria tot gevolg had. Op dat punt
hield het noordelijke koninkrijk op te bestaan als
politieke entiteit.
De geschiedenis
bevat een naschrift op de val van Samaria in 722 v. Chr.
Na met succes Israël’s Beloofde Land te zijn
binnengevallen door de overwinning op het noordelijke
koninkrijk, keerden de Assyriërs spoedig terug om het
zuidelijke koninkrijk Juda aan te vallen. Binnen tien
jaar kwam het Assyrische leger terug en veroverde bijna
alle versterkte steden van Juda (2 Kon. 18:9, 13-14).
Jeruzalem echter viel in deze invasie niet en het
koninkrijk herstelde voldoende om nog 135 jaar te
blijven 587 v. Chr. de Babylonische legers Jeruzalem
veroverden en verwoestten.

The Assyrian Empire
under Sargon II
Salmaneser V
besieged Samaria but the final conquest of the city was
achieved by Sargon II,
that deported about 30,000 Israelites of the Tribes of
Efrayim and Menasheh
to the cities of Media, besides the previous resettlement
areas:
"In the ninth year of Hoshea the king of Ashur took Shomron,
and carried Israel away to Ashur, and placed them in Chalach,
and on the Chavor, the river of Gozan,
and in the cities of the Madai" (2Kings 17:6).
Juda (zuidelijke
rijk; hoofdstad: Jeruzalem) 926 - 586
Vooral in het Israël van David en Salomo werd heel veel
geschreven, maar het Joodse volk bezat op dat moment
eigenlijk nog geen algemeen erkend heilig boek. De
schrijfkunst had er min of meer dezelfde functie als in elke
andere ontwikkelde samenleving.
Op een gegeven
moment besloot David om in zijn gloednieuw koninkrijk een
volkstelling te organiseren en dit met het oog op de
belastingen en de militaire dienst. Alles moest dus
opgeschreven worden. David had daarvoor zijn toevlucht
genomen tot geoefende ambtenaren uit het buitenland,
voornamelijk uit Egypte. De nieuwe hoofdstad Jeruzalem telde
zodoende heel snel heel wat ontwikkelde mensen, waaronder
beroepsschrijvers. Een van die schrijvers heeft wellicht de
mooie ‘novelle’ van Jozef in Egypte geschreven. Zo is het
met heel wat zaken gegaan die neergeschreven werden en die
gewoon als literatuur werden beschouwd. Sommige van die
zaken werden voor ons bewaard omdat ze uiteindelijk in de
bijbel terechtkwamen.
In vele heiligdommen
van Israël werden voorts geschriften van religieuze aard
bewaard en gebruikt (verhalen, beschrijvingen van riten,
gezangen), maar zij functioneerden niet in die zin als
heilige boeken, dat zij het leven van de hele gemeenschap
bepaalden.
Dit bleef allemaal
zo maar verder lopen toen het rijk in twee delen uiteenviel.
Vooral de profeten ELia en Elisa waren bekend met
overleveringen uit Israëls verleden, waarvan mogelijkerwijs
sommige ook schriftelijk waren vastgelegd. Daaronder
bevonden zich zowel verhalen over oude stamvaders en over de
uittocht uit Egypte als collecties van rechtsregels en
voorschriften. In 721 voor Christus werd het Noordelijke
rijk Israël door Assyrië onder de voeten gelopen.
De leden der
leidende klassen werden verspreid over het immense
Assyrische rijk en werden vervangen door kolonisten uit het
stamland Assyrië. Daardoor werden vreemde goden, priesters
en riten ingevoerd in Israël. Een aantal trouwe vereerders
van Jahweh zochten hun toevlucht in het Zuidelijke rijk Juda
en namen daarbij mee wat hun was overgeleverd, ook in
schriftelijke vorm.

Kingdom
of Juda
871-849 v Chr. Koning
Josafat
Josafat
(Hebreeuws יְהוֹשָׁפָט, zijn naam betekent
"De Heer is rechter") was koning van Juda.
Hij was de opvolger van zijn vader Asa. Over
zijn leven is in de Bijbel te lezen in 1
Koningen 22 en in 2 Kronieken 17-20. Zijn
regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd
op 873 v. Chr. tot 849 v. Chr. of van 870 v.
Chr. tot 849 v. Chr..
In het
begin van zijn regeerperiode versterkte
Josafat zijn koninkrijk tegen de
Israëlieten. Daarnaast vernietigde hij
afgodsbeelden van Baäl die in Juda te vinden
waren. In het derde jaar van zijn regering
stuurde hij priesters en Levieten het land
in om zijn onderdanen te onderrichten in de
wetten van de Thora. Middels een huwelijk
kreeg Josafat een familieband met koning
Achab van Israël. Samen trokken zij enkele
jaren later ten oorlog tegen koning Ramot
van Aram in Gilead. Achab kwam bij de stijd
om het leven, maar Josafat wist ongeschonden
van het slagveld terug te keren. Terug in
zijn eigen rijk werd Josafat terechtgewezen
door de profeet Jehu vanwege zijn alliantie
met Achab.
Desondanks sloot Josafat later een
overeenkomst met koning Achazja van Israël
om samen een vloot te bouwen om handel te
kunnen drijven met Tarsis. Maar de schepen
gingen op de eerste tocht verloren. Samen
met koning Joram voerde Josafat oorlog tegen
de Moabieten. Aan het eind van Josafats
regeerperiode vielen de Moabieten hem
opnieuw aan, samen met de Ammonieten.
Josafat won de oorlog. Korte tijd later
overleed Josafat op zestigjarige leeftijd na
25 jaar geregeerd te hebben. Hij werd
begraven in de Davidsburcht in Jeruzalem.
Hij werd opgevolgd door zijn Joram.

Josafat
787-736
v Chr. Koning
Azaria (Uzzia) zie1: voorspoedige ontwikkeling, o.a.
verovering Negev zie 2.
1) Uzzia
(in de bijbel
wordt ook de naam Azarja
gebruikt) was koning van Juda.
Hij werd door het volk van Juda
als opvolger van zijn vader
Amasja benoemd. Zijn
regeerperiode wordt tegenwoordig
gedateerd van 783 v. Chr. tot
742 v. Chr. of van 767 v. Chr.
tot 740 v. Chr..
Over zijn leven valt in de
Bijbel te lezen in 2 Koningen 14
en 2 Kronieken 26. Hij zou 52
jaar hebben geregeerd, één van
de langste regeerperiodes in de
geschiedenis van Juda. Uzzia,
die de troon besteeg op
16-jarige leeftijd, stond bekend
als een doortastende en goede
vorst. Hij zorgde voor een groot
en sterk leger en bouwde
verschillende
verdedigingswerken, zoals
verschillende wachttorens in de
stadsmuur van Jeruzalem. Hij
voerde oorlogen tegen de
Filistijnen, de Arabieren en de
Meünieten. Daarnaast kreeg hij
schatting (een afkoopsom voor
oorlog) van de Ammonieten. Op
het hoogtepunt van zijn macht,
reikte zijn rijk tot aan de
grens met Egypte. Aan het eind
van zijn regeerperiode werd hij
echter getroffen door huidvraat,
nadat hij -tegen de regels in-
zelf wierook had geofferd in de
tempel van Jeruzalem. De laatste
jaren van zijn leven moest Uzzia
daarom in afzondering leven
(mensen met huidvraat waren
onrein en mochten niet in
contact komen met anderen): zijn
zoon Jotam was in deze periode
regent van Juda.
Na zijn dood werd hij begraven
in een apart graf in het veld
waar ook zijn voorouders waren
begraven. Hij werd als koning
opgevolgd door Jotam.
Uzzia steen
In 1931 werd door professor E.I.
Sukenik van de Hebreeuwse
Universiteit van Jeruzalem een
steen ontdekt, die tegenwoordig
bekend staat onder de naam "Uzzia
steen". Op de steen staat in het
oud-Hebreeuws te lezen De
beenderen van Uzzia, koning van
Juda, rusten hier. Niet
openen.... De stijl van de tekst
is Aramees en de tekst wordt
daarom gedateerd op 700 jaar na
Uzzia. Niet achterhaald kan
worden of de plaats waar de
steen gevonden werd
daadwerkelijk het graf van Uzzia
was.

Koning Uzzia met melaatsheid
olieverf op paneel (103 × 79
cm) — 1639
Duke of Devonshire, Chatsworth
House, Derbyshire
Uzzia, koning van Juda tussen
787 en 736 v.C., werd volgens de
Kronieken gestraft met
melaatsheid voor een overtreding
begaan in de tempel van
Jeruzalem. Hij had er wierook
gebrand, een handeling
voorbehouden aan priesters.
†
2) Voor meer dan duizend
jaar was de Negev het het
territorium van de Nabateanen,
woestijnnomaden met een eigen,
sterk ontwikkelde cultuur. Meer
informatie over de Nabateanen
vind je onder het kopje 'Bedouïnen'
Toen het Christendom de
nationale godsdienst werd in de
derde eeuw van deze jaartelling,
groeide de betekenis van de
Negev als Christelijk centrum.
Asceten zochten spiritualiteit
in de afzondering van verlaten
grotten, er vomde zich kloosters
en de routes door de woestijn
vulden zich met pelgrims.
Na de Arabische verovering van
de Negev in de zevende eeuw,
raakten de wegen naar het Westen
en het Byzantijnse rijk
geblokkeerd. Wijn, eens een bron
van inkomen voor de bewoners van
de woestijn, werd niet langer
verkocht. Langzamerhand raakte
de Negev verlaten. Maar de
steden, forten en nederzettingen
werden niet verwoest en zorgen
ook vandaag de dag voor
afwisseling in het uitgestrekte
woestijnlandschap
Maar ook heden wordt er gewerkt
aan een nieuwe bijdrage aan de
eeuwenoude cultuur van de
woestijn. In de omgeving van de
wouden worden beeldenparken
aangelegd, met kunstwerken
gemaakt van materialen uit de
directe omgeving, zodat een
andere, eigen verbinding onstaat
tussen de oude en hedendaagse
werkelijkheid.

740-700 v Chr.
Profeten
Jesaja en
Micha; beide veroordelen de heersende afgoderij
Jesaja
in het christelijk geloof
In het
christendom wordt veel waarde aan het
Bijbelboek Jesaja toegekend vanwege de als
zodanig opgevatte verwijzingen naar de komst
van Jezus als de Messias, met name de
hoofdstukken 9, 11, 42, 49, 50, 52 en 53
zijn in dat kader van belang. In het Nieuwe
Testament wordt dan ook veelvuldig naar
Jesaja verwezen, onder andere door Jezus
zelf.
Een selectie van Nieuwtestamentische
passages die naar Jesaja verwijzen: Mattheüs
3:3, Lukas 3:4-6 en 4:16-41, Johannes 12:38,
Handelingen 8:28 en Romeinen 10:16-21.

De profeet Jesaja
Het boek Micha (spr.u. als
Miga) is een van de boeken in de Hebreeuwse
Bijbel. Zowel in het Oude Testament als de
Tenach valt hij onder de twaalf kleine
profeten. De naam Micha betekent "Wie is
gelijk aan God?".
Plaats
in de bijbel
Micha
is de zesde van de twaalf kleine profeten.
De aanhef van het boek geeft aan dat hij
optrad tijdens de regeringsperioden van de
koningen Jotham, Ahaz en Hizkia. Wanneer we
vanaf het begin van Jotham's regering
rekenen (759-698 v. Chr.), dan heeft hij 59
jaar gediend, maar wanneer we van het eind
van Jothams regering tot de troonsbestijging
van Hizkia rekenen dan duurde zijn bediening
slechts 16 jaar. Het is als opvallend
beschouwd dat dit boek begint met de laatste
woorden van een andere profeet met dezelfde
naam namelijk Micha ben Jimla, (1 Koningen
22:28): "Hoort, gij volken, al te zamen!"
Tijdgenoten van Micha waren Amos, Hosea en
Jesaja. Micha was afkomstig uit het
zuidwesten van Juda.

De profeet Micha
735 v Chr. Assyrië verslaat de vijanden van Juda, maar
keert zich daarna tegen Juda
Assur (Assyrië)
In noordelijk Mesopotamië bevond
zich het machtige land Assyrië, genoemd naar de oudste
hoofdplaats Assur. De koningen van dit volk hebben het
tienstammenrijk in ballingschap weggevoerd uit Samaria. Dat
was in het jaar 722 voor Christus. Die plaats was de
residentie van de koningen van Israël, het rijk van de tien
stammen.
Een bekende koning van het
tienstammenrijk was koning Achab. Na de val van Samaria in
722 voor Christus wordt het tienstammenrijk in ballingschap
weggevoerd naar Assyrië. Er is geen spoor meer ge vonden
van de tien stammen. Assyrië is meer dan een eeuw een
constante bedreiging geweest voor Juda.
En met de definitieve val van
Jeruzalem in 586 voor Christus gaat óók het tweestammenrijk
in ballingschap.De stammen Juda en Bejamin zijn de twee
stammen van dit rijk. De Joden stammen af van Juda, zoals de
naam al zegt. Onder koning Cyrus van Perzië komen de Joden
terug naar Jeruzalem.
Waar zijn de
tien stammen gebleven ?
Eigenlijk bestaat het volk Israël
niet meer. Hoe komt dit toch ? Dat is het gevolg van een
geraffineerde opzet van de koningen van Assyrië. Koning
Tiglatpilezer heeft een systeem bedacht om opstanden van
overwonnen volken zo goed als onmogelijk te maken. In de
ontvolkte steden en dorpen vestigde hij weer gevangenen uit
andere streken. . Dat was een heel andere tactiek dan die
van Nebukadnezar, die de Joden niet uit elkaar dreef. Nadat
het tienstammenrijk naar Assyrië was weggevoerd, bleef
Assyrië een voortdurende bedreiging voor Juda en Jeruzalem
Een dieptepunt in het beleid van
Achaz (de koning van Juda) was, dat hij al het goud en
zilver dat in de tempel van Jeruzalem aanwezig was,
verzamelde en als een geschenk naar de koning van Assur zond
in Damascus. Hij werd ook gedwongen om Assyrische goden
offers te brengen. Hij stuurde zelfs een boodschap naar
Jeruzalem met de opdracht dat dáár - in de tempel - een
nauwkeurige kopie van het Assyrische altaar geplaatst moest
worden.
Eens toen de Assyrische koning al
een heel gedeelte van Juda veroverd had, belegerde hij
Jeruzalem. Koning Hizkia zat als het ware in een kooi. Hij
kon geen kant meer uit. En toen zond de Assyrische koning
een boodschap naar Hizkia door bemiddeling van Rabsaké:
Dacht je nu werkelijk, Hizkia,dat jouw god, de god van
Israël Jeruzalem uit mijn macht zou kunnen redden? Laat me
niet lachen. De boodschap was vervat in een vreselijke
dreigbrief: Je weet wat er met Hamat en Arpad gebeurd is,
Hizkia. Zij zijn niet gered door hun goden. Ze zijn door de
legers van mijn koning verwoest. En zou de god van Israël
dan Jeruzalem sparen? Kom nou! Toen koning Hizkia de
dreigbrief had gelezen, ging hij naar de tempel en spreidde
de brief openlijk voor het aangezicht van de Here God uit en
bad "Luister, Here en hoor met welke woorden Sanherib U, de
levende God hoont (2 Kon. 19:16)!

Op deze
afbeelding zie je hoe de koning van Israël, Jehu zich diep
in het stof voorover buigt voor Salmanassar de koning van
Assyrië als teken van zijn onderwerping. Het is een heel
bijzónder beeld, omdat het het enige portret is dat we
kennen van een Joodse vorst. Achter hem zien we een
hoveling met een deel van de enorme schatting aan goud en
zilver die Jehu moest betalen aan de koning van Assur. Het
beeld komt voor op de Zwarte Obelisk van Salmanassar. Juda
werd zodoende schatplichtig aan Assyrië!
725-697 v Chr.
Koning
Hizkia, bestrijdt de Filistijnen, geprezen om
zijn vroomheid
Hizkia
(ook wel Jechizkia, overleden in 687 v.
Chr.) was een bijbels-historisch figuur.
Hizkia was van (vermoedelijk) 715 v. Chr.
tot zijn dood koning van Juda. Hij was de
opvolger van zijn vader Achaz.
Leven
Ten
tijde van Hizkia's leven was Israël
opgedeeld in een noordrijk (onder de naam
Israël) en een zuidrijk (Juda). In 722 v.
Chr. veroverden de Assyriërs het noordrijk.
Zijn vader was toen koning van het
zuidelijke Juda, dat een vazalstaat van de
Assyriërs was. Desondanks liep ook Juda het
gevaar veroverd te worden. Hizkia toonde
zich naar buiten toe loyaal ten opzichte van
de Assyriërs, maar bereidde tegelijkertijd
de hoofdstad van Juda Jeruzalem voor op een
beleg. Hij versterkte de stadsmuren en liet
een 533 meter lang ondergronds kanaal (de
Hizkia-tunnel) aanleggen van het bij de stad
gelegen Gihonbron naar binnen de stad. De
bouw van dit kanaal was voor die tijd een
technisch meesterwerk.
Toen
in 704 v. Chr. de Babyloniërs tegen de
Assyriërs ten strijde trokken, steunde
Hizkia met andere Syrische vorsten en in de
hoop op steun van Egypte de opstand tegen de
Assyriërs. De Assyrische koning Sanherib
ondernam hierop een veldtocht tegen de
Syriërs en veroverde het zuiden van
Palestina (701 v. Chr.) voordat Egyptische
hulp kon arriveren. Ondanks dat Hizkia 30
talenten goud en 300 talenten zilver
betaalde aan Sanherib, begon Sanherib een
belegering van Jeruzalem. Om onbekende
redenen werd deze belegering echter
afgebroken. Volgens Herodotus werd het leger
van de Assyriërs getroffen door een
muizenplaag, in de Bijbel wordt gesproken
van de totale vernietiging van het leger van
Sanherib) en een andere theorie is dat
Sanherib het beleg staakte nadat Hizkia hem
goud en zilver had betaald.
Tijdens zijn bewind stelde Hizkia religieuze
veranderingen in. Hij schafte de verering
van de Assyrische goden af en concentreerde
zich op de verering van JHWH. Hizkia
overleed uiteindelijk in 687 v. Chr. Zijn
opvolger was zijn twaalfjarige zoon Manasse.

Hizkia
701v Chr.
belegering van Jeruzalem door de Assyriërs
o.l.v. Sanherib
Sanherib (ca. 705-681 v. Chr.) (ook
bekend als Sennacherib) was een koning van
Assyrië.Hij is de
zoon van Sargon II, was getrouwd met Naqi'a
en was vader van Esarhaddon en grootvader
van Assurbanipal.
Hij
had bij zijn troonbestijging weinig last van
lokale opstanden, want Assurs overmacht was
zo groot geworden door de militaire
ondernemingen van zijn voorganger Sargon II.
Daardoor hoefde Sanherib zich niet meer
bezig te houden met de jaarlijkse veldtocht.
Intussen voerden de met de Meden verbonden
Kimmeriërs een vriendschappelijke politiek
ten overstaan van Urartu, niet om het
Assyrische maar wel om het Frygische Rijk
ten val te brengen. Sanherib slaagde er door
toedoen van Egypte niet in de problemen in
Juda volledig op te lossen.
Op het
moment dat de Chaldese vorst van Babylon een
verbond sloot met Elam, rukte Sanherib tegen
hem op met het landleger en een door
Westerlingen bemande en door Frygiërs
gebouwde vloot. Op dat moment viel Elam
Assyrisch grondgebied binnen. Sanherib
overwon zowel Babylon als Elam en op
onnavolgbare wijze liet hij Babylon
verwoesten (hij liet het water van de
Eufraat over de stad vloeien), wat in de
latere Messopotamische literatuur werd
gezien als een belediging van Babylons
goden. Sanheribs nieuwe residentiestad
Ninive werd door kanaten van water voorzien.

Oil painting
entitled
‘King Sanherib’s defeat at the gates of Jerusalem’
638-608 v Chr.
Koning Josia, vergroot de zelfstandigheid van
Juda, annexeert de noordelijke provincies Galilea,
Gilead en Samaria; hij verwijdert afgodsbeelden uit
de tempel en voert
hervormingen door, mede gerechtvaardigd door de
vondst van een oud wetboek in de tempel .
Religie –
aangepast aan de marktIsraël had zich in de
tijd totaal aangepast aan de religie en de goden van de
buurlanden. En van Jahwe, van de God van Israël zelf,
was nauwelijks nog sprake. Hij werd op een zijspoor
gezet. Men vond hem minder boeiend, minder prikkelend.
Van Hem kon je je geen voorstelling maken, niemand had
Hem nog ooit gezien. De afgodsbeelden van de buurlanden
spraken veel meer tot de verbeelding. En als je die ging
aanbidden, kreeg je er ook best veel voor terug. De god
Jahwe was anders dan de andere goden, en omdat je Hem
niet kon zien, was in Hem geloven moeilijker: je kon je
geen voorstelling van Hem maken. En als je in Hem ging
geloven, bracht je ook een scheiding aan in je relatie
met de omliggende landen en culturen. En daar was het
koning Salomo en zijn opvolgers vooral ook altijd om te
doen geweest: om een goede relatie met je buren, de
buurlanden.
Israël was in die
tijd vooral een transitland, een doorvoerland van
allerlei goederen naar de andere landen. Als de goederen
vanuit het noorden naar het zuiden werden gebracht, van
waar vandaag Turkije ligt, naar Egypte; of vanuit het
westen naar het oosten, van Griekenland naar waar
vandaag Irak ligt, kwamen ze door de gebieden van de
stammen van Israël heen. Iemand vergeleek het land
Israël van toen eens met het België van nu, waar ook
maar weinige reizigers blijven hangen, maar de meesten
doorheen rijden. Zo was Israël toen ook vooral een land
waar de karavanen doorheen trokken; een land waar
niemand echt langer bleef vertoeven. Tenzij, tenzij,
dacht toen menige koning van Israël, wij een oponthoud
voor hen zo aangenaam mogelijk maken, ze zich bij ons
thuis gaan voelen, doordat ze onder andere hun eigen
goden bij ons kunnen aanbidden. Dan blijven ze misschien
wel wat langer en geven ze hun geld ook in onze gebieden
uit. Zo was het langzamerhand tot het beleid van de
koningen van Israël geworden, zich zeer aan de
buurlanden, aan hun cultuur en religie aan te passen.
Dit was de situatie tot het moment dat Josia als koning
aan de macht kwam.
Josia’s heimwee
naar iets anders
Josia gaat dan
opeens weer een heel ander beleid voeren, een beleid
tegen al deze aanpassingen en religies in? Hoe zou dat
zo gekomen zijn? Ergens in de bijbel lezen we dat hij al
op zijn achtste levenjaar koning wordt. En als hij dan
net koning is, staat er in 2 Kronieken 34: 3, gaat hij
op zoek naar zijn eigen wortels, naar de god van zijn
vader David. Als hij dan vervolgens twaalf jaar aan de
macht is, durft hij al de eerste keer toe te slaan in de
tempel van Jeruzalem, en daar de heidense goden te
verwijderen. Maar helemaal ánders wordt het in het 18e
jaar van zijn regering, hij is dan zo’n 26 jaar. Dan
vindt zijn priester Chilkia bij een opknapbeurt in de
tempel een oude boekrol, waarschijnlijk het boek
Deuteronomium, of heel de Joodse Thora, dat weet men
helaas niet. En als koning Josia daar in begint te
lezen, krijgt Josia de schrik van zijn leven: in dat
boek wordt met heel veel woorden gewaarschuwd tegen het
aanbidden van al de afgoden. In het boek Deuteronomium
worden wij opgeroepen om alleen God te dienen, Hem
alleen, met heel ons hart, onze ziel en ons verstand, en
met Hem een relatie aan te gaan, een verbond te sluiten,
met Hem alleen.
Josia ziet dat wel
zitten. Hij wil terug naar het eigen geloof. Hij wil
terug naar de God van de bijbel. En de internationale
relaties? Het onderhouden van die relaties? Die spelen
bij hem niet meer zo’n grote rol. Blijkbaar staat Josia
er economisch op dat moment zo sterk voor, dat hij denkt
het bewandelen van een eigen weg economisch wel weer aan
te kunnen, ook al kapt hij daarmee dan wel met de
internationale godenverering en daarmee: met een groot
deel van de vele buitenlandse contacten die er in Israël
onderhouden worden. Josia wil terug naar het eigen
geloof, dat door de tijd heen helemaal is
ondergesneeuwd. En zo begint hij aan zijn
zuiveringsactie, die hij met harde hand uitvoert.
Met dit alles, met
de bezinning op het eigene, met de bezinning alleen nog
maar op Gód, is Josia dan later tot een voorbeeld of
naamgenoot van Jezus geworden. Ook Jezus voltrok later
weer eens een reiniging van de tempel. En ook Hij riep
heel het volk Israël weer terug naar de kern, naar zijn
eigen oorsprong. Daarin is Josia Hem voorgegaan. - Maar
de vraag, de hamvraag is dan natuurlijk, hoe wij mensen
van vandaag onze tekst van vanmorgen kunnen toepassen in
ons leven. Dat zuiveren, dat uitzuiveren van ons eigen
geloof, of misschien wel: het zuiveren van het geloof
van heel onze samenleving…, hoe kunnen wij dat dan doen
in onze dagen. Kunnen we de manier van doen van Josia
zomaar klakkeloos overnemen? Zouden ook wij dan weer
eens met een wat hardere hand moeten doen? En tot hoe
ver gaat dat dan? Mag dat dan gaan?

Koning Josia van
Juda heeft later de offerhoogten van Betel weer gereinigd (2
Kon. 23: 15-18) Hierboven is een echt altaar waarop geofferd
werd
627 v Chr. Jeremia krijgt een visioen en treedt op als
profeet (tot ca. 586)
"Het
volk en het koninkrijk nu, dat hem, Nebukadnessar, de koning
van Babel, niet zal willen dienstbaar zijn en zijn hals niet
zal willen voegen onder het juk van de koning van Babel,
over dat volk zal Ik bezoeking doen met het zwaard, de
honger en de pest, luidt het woord des Heren, tot Ik hen
volkomen in zijn macht zal hebben
gebracht".
"Toen ik mijn ogen
opsloeg, zag ik, en zie, een ram stond voor de stroom; hij
had twee horens, en die horens waren hoog, de ene echter was
hoger dan de andere, en de hoogste rees het laatste op. Ik
zag de ram stoten naar het westen, naar het noorden en naar
het zuiden, en geen enkel dier kon tegen hem standhouden"
"Gij, o koning,
koning der koningen, wie de God des hemels het
koningschap, macht,
sterkte en eer geschonken heeft, ja, in wiens hand Hij
de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des
velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die
Hij tot heerser over die alle heeft gemaakt- gij zijt
dat gouden hoofd".
De Babyloniërs behoorden
tot de belangrijkste bewerkers van Assurs ondergang. Nadat
Ninevé verwoest en Farao Necho bij Karkamis aan de Eufraat
verslagen was, veroverde Nebukadnessar II Syrië. Ook dwong
hij Jeruzalem tot het betalen van zware belastingplicht. Het
waren de profeten Jeremia(25:5) en Habakuk (1) die Juda en
zijn koning vele malen hadden gewaarschuwd zich te bekeren
van de heilloze weg die zij bewandelden. Helaas vonden zij
geen gehoor. De vruchten der goddeloosheid zouden de koning
en het volk dan ook spoedig plukken. Koning Jojakim en diens
zoon Jojakin werden beiden naar Babylonië afgevoerd en in
hun plaats werd er een vazalkoning op de troon geplaatst.
Ondanks de woorden Gods, zich geheel naar de wil van
Nebukadnessar te schikken, rebelleerde ook deze koning tegen
de opgelegde belastingplicht.
"Zo zegt de
Here, de God van Israël: Ga heen en spreek tot Sedekia, de
koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de Here: zie, Ik
geef deze stad in de macht van de koning van Babel, die haar
met vuur zal verbranden; gij zult niet ontkomen aan zijn
macht, maar voorzeker gegrepen en in zijn macht gegeven
worden; van aangezicht tot aangezicht zult gij de koning van
Babel zien, van mond tot mond zal hij met u spreken en gij
zult in Babel komen".
In 586 v Chr. ging deze
profetie in vervulling. Nebukadnessar viel Juda binnen,
verwoestte Jeruzalem en haar tempel en liet de Joodse
bevolking naar Babel afvoeren. Alle zonen van koning Sedekia
werden voor diens ogen gedood terwijl hij zelf verblind naar
Babel werd overgebracht. In Jeremia 25:11-12 verkondigt de
profeet, dat zijn volk zeventig jaar in ballingschap zal
blijven.
Dan zal de Here Zijn
volk verlossen en de ongerechtigheid van Babel bezoeken
en het Koninkrijk verwoesten.

De profeet
Jeremia
612 v Chr. Verovering
Ninive door de
Meden, beschreven door de profeet
Nahum; feitelijk einde Assyrische invloed.
Het boek
Nahum is een van de boeken in het Oude
Testament en de Tenach. De naam Nahum (in
het Hebreeuws: Nachoem, in de Septuaginta en
in het Nieuwe Testament: Naoum) betekent
Trooster.Ontstaan
en datering
Nahum
profeteerde volgens sommigen tijdens het
begin van de regering van Ahazia (743 v.
Chr.). Anderen geven de voorkeur aan een
datering tijdens de tweede helft van de
regering van Hizkia, rond 709 v. Chr.
Waarschijnlijk is het boek geschreven in
Jeruzalem spoedig na 709 v. Chr. waar hij
getuige was van de inval van Sanherib en de
vernietiging van diens leger (2 Koningen
19:35).Wanneer de ondergang van Nineve in
607 v. Chr. geplaatst wordt, en omdat de
ondergang van Nineve als toekomstige
gebeurtenis in het boek wordt afgeschilderd,
kan men aannemen dat het boek voor dit jaar
geschreven is. In hoofdstuk 3:8 wordt de
ondergang van de Egyptische stad No of
No-amon als gebeurtenis in het verleden
genoemd, een gebeurtenis die rond 663 v.
Chr. geplaatst kan worden.
Het
boek vermeld in 1:1 dat het geschreven is
door Nahum, de 'Elkosiet', dwz afkomstig uit
Elko, een plaats waarvan de ligging niet
bekend is.
Onderwerp en inhoud
Het
onderwerp van de profetiën wordt gevormd
door de komende ondergang van Nineve, de
hoofdstad van het grote en toen florerende
Assyrische rijk. De assyrische vorst
Assur-bani-pal stond op het hoogtepunt van
zijn macht. Nineve was een uitgebreide stad,
en een centrum van de toenmalige beschaafde
wereld en van de internationale handel. Het
beschikte over een sterke verdediging aan
alle zijden. God keek echter anders tegen
Nineve aan. Hij zag het als een 'bloedstad,
die geheel vol leugen en verscheuring' is.
Jona had reeds zijn waarschuwingsboodschap
gebracht. Nahum werd gevolgd door Zefanja,
die ook de ondergang van de stad voorspelde
(hoofdstuk 2:4-15). Voorspellingen, die
opmerkelijk nauwkeurig vervuld werden in 607
v. Chr, toen Nineve door vuur verwoest werd,
en het Assyrische rijk ten einde kwam.

De profeet Nahum
608 v Chr. Egyptische opmars, slag bij Megiddo (bij
de berg Karmel):
dood Josia, volgens Jeremia de laatste grote
Judese koning
Josia is
een persoon uit de hebreeuwse bijbel. Hij
was koning van Juda, en volgde daarin zijn
vader Amon op. Over het leven van Josia valt
in de Bijbel te lezen in onder meer 2
Koningen 22-23 en in 2 Kronieken 34-35. Zijn
regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd
op 640 v. Chr. tot 609 v. Chr. of van 641 v.
Chr. tot 609 v. Chr.
Tijdens
het bewind van Josia kon Juda aanvankelijk
profiteren van de tijdelijke zwakheid van
enkele buurlanden. Het rijk van Assyrië
raakte langzaam in verval en het
Babylonische Rijk was nog niet sterk genoeg
om de rol van Assyrië over te nemen. Ook
Egypte beleefde een minder sterke periode.
Juda was hierdoor in staat aan macht te
winnen. Josia veroverde gebied dat tot de
verovering van Israël door Assyrië bij
Israël had gehoord. Met Egypte sloot Josia
een bondgenootschap tegen Assyrië en in 612
v. Chr. werd de hoofdstad van Assyrië Nineve
veroverd.
Onder
Josia begon Juda met het verzamelen en
redigeren van de Bijbelse geschriften. Dit
gebeurde nadat bij restauratiewerkzaamheden
van de Tempel van Jeruzalem een boekrol met
daarin een oude wettekst gevonden was
(tegenwoordig denken veel wetenschappers dat
het om het Bijbelboek Deuteronomium gaat of
om een oude wettekst die later het
Bijbelboek Deuteronomium werd). Vooral de
profeet Jeremia maakte zich hier sterk voor.
Hierdoor werd het geloof in JHWH
gecentraliseerd en verdwenen veel lokale
religies. Het verzamelen en redigeren werd
pas voltooid ten tijde van de Babylonische
ballingschap.
Later
bond Josia de strijd aan met Egypte, nadat
de farao Necho II met Assyrië oorlog ging
voeren tegen Mesopotamië en Juda had
gevraagd om vrije doorgang. Josia viel het
leger van Necho echter aan en werd bij
Megiddo verslagen. Josia kwam hierbij om het
leven. In het Bijbelboek 2 Koningen staat
geschreven dat Josia op het slagveld omkwam,
in het Bijbelboek 2 Kronieken dat Josia
zwaargewond raakte en later in Jeruzalem
stierf. Tot opvolger van Josia werd zijn
zoon Joachaz benoemd, die echter korte tijd
later door de Egyptenaren in ballingschap
werd gezet.

Jeruzalem,
ten tijde van Josia Reconstructie
Babyloniërs o.l.v. Neboekadnezar II
voeren koning Jojakim en de profeet
Ezechiël weg in ballingschap.
Jesaja, Jeremia en Ezechiël staan
bekend als de belangrijkste profeten en schreven de boeken
die hun naam dragen (samen met de steun van persoonlijke
secretarissen). Maar dat is niet het enige waar het om gaat.
Iedere persoon leverde zijn eigen fascinerende bijdrage aan
de Bijbel. Uiteindelijk is het Jezus Christus Zelf die de
twee delen van de Bijbel, het Oude en het Nieuwe Testament,
samenvoegt. Hij smeedt de Hebreeuwse profeten aan het Nieuwe
Testament. Dus moeten we ons voornamelijk tot Christus
richten voor hulp bij het bestuderen van de latere of
belangrijkste profeten.
“... Terecht heeft Jesaja over u
geprofeteerd...”
“Hij [Johannes de Doper] toch is het, van wie door de
profeet Jesaja gesproken werd...
Het is duidelijk
dat de profeet Jesaja deze woorden sprak. Net als Paulus in
het samenstellen van zijn brieven in het Nieuwe Testament,
heeft hij delen van zijn boek waarschijnlijk gedicteerd aan
een assistent. Bedenk dat het officiële systeem van
schriftgeleerden en secretarissen (ingesteld door koning
David) nog steeds in werking was in Juda gedurende Jesaja’s
leven. Zijn profetische dienaarschap duurde voort tijdens de
regeringen van diverse koningen van Juda
“... Nadat Paulus
dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de Heilige Geest
door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken.
“Het woord des
HEREN nu kwam tot mij: Eer Ik u vormde in de moederschoot,
heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder,
heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik
u gesteld”
Deze uitdrukking
“het woord des HEREN kwam tot mij” (met kleine verschillen)
wordt vaak herhaald in het boek van Jeremia. De boodschap
van de profeet komt rechtstreeks van God; Jeremia fungeert
slechts als Zijn menselijke instrument.
“Jeremia dan
schreef al het onheil dat over Babel komen zou, in een boek,
al deze woorden die over Babel geschreven zijn
“... Kwam dit woord van de HERE tot
Jeremia: Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden
die Ik tot u over Israël, Juda en alle volken gesproken heb,
sedert de dag dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van
Josia tot op heden”
“Toen riep Jeremia Baruch, de zoon
van Neria, en Baruch schreef uit Jeremia’s mond al de
woorden die de HERE tot hem gesproken had, op een boekrol”
Jeremia had zijn eigen secretaris,
die kennelijk ook een gevorderd lezer was Baruch las de
woorden van Jeremia in “het huis van de Heer,” de tempel in
Jeruzalem.
“Telkens als Jehudi drie of vier
kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een
schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken
was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in
het bekken was”
In de geschiedenis zijn er vele
pogingen gedaan om Gods Woord in zijn geheel of ten dele te
vernietigen. Dit specifieke voorval staat in de Bijbel zelf
beschreven. Soms zijn bijbelse schrijvers of vertalers
gevangengenomen of gedood. Mensen hebben letterlijk hun
leven gegeven om u dit boek te brengen. In dit voorbeeld in
de Schriften werd er een poging gedaan om de schrijver
Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen; maar “de
Here hield hen verborgen”
“Toen kwam het woord des HEREN tot
Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden die Baruch
had opgetekend uit de mond van Jeremia, verbrand had, aldus:
Neem weer een andere rol en schrijf daarop al de vorige
woorden die op de eerste rol stonden, welke Jojakim, de
koning van Juda, verbrand heeft”
“Jeremia nam een andere rol en gaf
die aan de schrijver Baruch ... en deze schreef daarop uit
de mond van Jeremia al de woorden uit het boek dat Jojakim,
de koning van Juda, in het vuur verbrand had; en nog vele
dergelijke woorden werden daaraan toegevoegd”
Zelfs koningen hebben niet het
recht of de toestemming om Gods woord te veranderen of te
vernietigen. Hij heeft de Bijbel door de eeuwen heen bewaard
in weerwil van vastberaden pogingen om alle sporen ervan uit
te wissen. Trouwe mannen en vrouwen hebben hun leven
geriskeerd om de Geschriften te behouden, te verspreiden en
te publiceren.
“...Kwam het woord des HEREN tot de
priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der
Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was
daar op hem” (Ezechiël
Ezechiël wordt slechts tweemaal
vermeld in de Bijbel – beide keren in het boek dat zijn naam
draagt. Naast verwijzingen naar de tempelhoofdstukken van
Ezechiël ) in Openbaring 21, wordt het boek zelf diverse
malen in het Nieuwe Testament geciteerd. Jezus beeld van
Zichzelf als de Goede Herder is een duidelijke verwijzing
naar passages uit Ezechiël God duidt Ezechiël 90 keer aan
als “de Zoon des mensen,” en Jezus Christus refereert zo’n
80 keer in de evangeliën naar Zichzelf als de “Zoon des
Mensen”.

Jojachim werpt
de wet in het vuur. Hoe velen volgen hem daarin niet met het
verachten van de Wet?

Ezechiël
586
v Chr. Babyloniërs
verwoesten nu Jeruzalem en de tempel (onder het
oog van de profeet
Jeremia); begin Babylonische ballingschap.
De lijst van naties
en volken die om Jeruzalem hebben gestreden is bijna
eindeloos. Tussen 587 voor Christus en heden werd de
stad meer dan twintig keer veroverd en vele malen totaal
verwoest, om daarna weer uit haar as te herrijzen.
Jeruzalem werd veroverd door de legers van alle grote
naties uit het verleden en dat gebeurde meestal wanneer
het volk van Israël hun geloof in God hadden verzaakt.
De stad werd onder Joodse heerschappij voor het eerst
volledig verwoest door Nebukadnezar. De Bijbel vertelt
dat in het negende regeringsjaar van Sedekia, de koning
van Juda, Nebukadnezar de koning van Babel met zijn
gehele leger tegen Jeruzalem oprukte. Hij belegerde de stad en
bouwde er een belegeringswal omheen. Jeruzalem werd
achttien maanden lang, tot de zomer van 587, belegerd.
De omstandigheden werden door het langdurige beleg zo
nijpend dat sommige bewoners door de honger gedreven hun
toevlucht namen tot kannibalisme. Toen de Babyloniërs de
stad in handen kregen, probeerde koning Sedekia naar het
gebied aan de overkant van de Jordaan te vluchten, maar
hij werd bij Jericho gevangen genomen en naar Ribla
gebracht.
Omdat hij zijn
verdrag met Babylon had geschonden werd hij voor
Nebukadnezar geleid. Hij moest toezien hoe zijn zoons
werden geëxecuteerd, waarna hemzelf de ogen werden
uitgestoken en hij in ketenen werd weggevoerd naar
Babylonië waar hij stierf. Gedurende de maand daarop
legden de Babyloniërs Jeruzalem en de Tempel volledig in
de as. De stadsmuren werden geslecht en de bevolking
gedeporteerd. Slechts enige families mochten
achterblijven als wijngaardeniers en als landbouwers.
Door deze deportatie en verwoesting werd het land een
oord van puinhopen en woestenij en hield het koninkrijk
Juda op te bestaan. Voor talrijke Joden was de
ballingschap al tien jaar eerder begonnen toen koning
Jojakin na Nebukadnezars eerste aanval op Jeruzalem had
gecapituleerd. Die keer had de capitulatie nog tot
gevolg dat Juda een totale verwoesting bespaard bleef,
ook al werd er, zoals zowel de Bijbelse als de
Babylonische kronieken getuigen, een enorme oorlogsbuit
geroofd. Hoewel er over de aantallen gedeporteerden
onduidelijkheid bestaat, staat vrijwel vast dat reeds
bij de eerste deportatie het grootste deel van de
heersende klasse naar Babylon verdween.
Als de Perzische
koning Cyrus de opperheerschappij in Babel krijgt, mogen
de ballingen terug. In 520 voor Christus wordt een
nieuwe Tempel gebouwd en begint Ezra en later Nehemia
aan de mentale opbouw van het Joodse volk. Met kracht
wijzen zij op het feit dat het volk drager is van de
belofte voor land en volk. In de jaren die volgden werd
de stad in al zijn glorie hersteld. Jeruzalem werd nu
het middelpunt van een kleine Joodse staat, die bestuurd
werd door een hogepriester. Maar het werd allesbehalve
rustig, want in 200 voor Christus verovert de Seleucide
Antiochus 3 Jeruzalem. Diens opvolger, de beruchte
Antiochus 4 Epiphanus trachtte de Joden de
Hellenistische cultuur op te dringen. De Tempel in
Jeruzalem werd aan Zeus gewijd en alle religieuze
voorschriften vooral inzake de viering van de
hoogtijdagen, sabbat en besnijdenis werden op straffe
des doods verboden.

538 v Chr. Eerste
terugkeer, o.l.v. Zerubbabel, kleinzoon van
Jojakim.
Zerubbabel
(zaad van Babylonië) is een Assyrische naam. Betekent
letterlijk "Spruit van babel". In het Perzisch heet hij ook
wel Sheshbazzar en was de kleinzoon van Jeconia, de tweede
tot de laatste koning van het Koninkrijk van Juda.
Zerubbabel was ook een van de eerste die de fundatie legde
voor de Tweede tempel in Jeruzalem het jaar daarna.
Zurubbabel was een tijdlang stadhouder in Jeruzalem. In de
geschiedenis is later niets van hem vernomen.

Zerubbabel
516 v Chr. Herbouw van de tempel, met Perzisch geld
en aanbevolen door de profeten Haggai en
Zacharia
Het boek Haggai
behoort tot de minst begrepen en dus minst gelezen
bijbelboeken. Sommigen menen zelfs dat dit boek wel
historische waarde heeft, maar dat het voor het christelijk
geloof nauwelijks iets betekent. Toch komt Gods heil ook
door deze profeet naar ons toe. Haggai's oproep aan het volk
om de tempel te herbouwen, betekent dat de Here God bij Zijn
volk wil wonen! Dat is voluit evangelie, ook in deze tijd.
Juist in onze tijd denken mensen dat ze God wel kunnen
dienen zonder dat ze daarvoor de kerk nodig hebben. Haggai
laat met grote klem zien, dat we dat huis van God nodig
hebben, als plaats waar Hij Zijn profetisch Woord laat
horen; in dat huis laat de Hogepriester door Zijn Heilige
Geest de bediening van de verzoening plaatsvinden.
Zacharia, de iets latere tijdgenoot van Haggai, is ook een
profeet die in de schaduw van de 'grote' profeten staat.
Zijn nachtgezichten en de apocalyptische hoofdstukken lijken
ontoegankelijk. Toch loont het de moeite naar Zacharia te
luisteren, want hij mag deze boodschap doorgeven: heb moed
voor Gods volk, want het komt goed met Gods volk. Veel in
die boodschap verwijst naar de komende Christus. Daarbij
mogen we ook Zacharia een profeet van het huis des Heren
noemen. In het hele boek is er sprake van dat huis van God.
Zacharia eindigt er zelfs mee. De stad zal tempel zijn. De
priester Zacharia, die zijn optreden als profeet begint op
een tempelplein dat uitzicht geeft op een niet herbouwde
tempel, mag eindigen met het machtige uitzicht op het
volmaakte huis met een volmaakte dienst.

De profeet
Haggai en Zacharia
450 v Chr. Nehemia herbouwt stadsmuren Jeruzalem;
Ezra rondt herbouw tempel af.
Nehemia was een persoon uit de
Hebreeuwse Bijbel. Hij werd rond 445 voor
Christus aangesteld als landvoogd over Juda.
Onder zijn leiding werd de stadsmuur rond
Jeruzalem herbouwd. Het Bijbelboek Nehemia
is naar hem genoemd.
Persoon
Nehemia is de zoon van Chachalja en de broer
van Chanani. Hij was wijnproever en schenker
aan het hof van koning Artaxerxes I. Het
bekleden van deze functie houdt in dat hij
een vertrouweling van de koning is geweest.
Nehemia woonde in Susa, een van de
hoofdsteden van het Perzische Rijk. Nehemia
is de laatste Perzische landvoogd geweest.
Over zijn levenseinde is niets bekend.
Activiteiten
In 446
voor Christus hoort Nehemia dat het slecht
gaat met de Joden die in Juda wonen. Als
reactie hierop rouwt en vast Nehemia
dagenlang. De koning merkt dat Nehemia
somber is, en Nehemia vraagt aan de koning
om naar Juda te gaan om de stad Jeruzalem
weer op te bouwen. De koning geeft
toestemming en biedt Nehemia een vrijgeleide
aan. Nadat Nehemia de toestand van Jeruzalem
geïnspecteerd heeft, stelt hij een plan op
voor de herbouw, en voltooit hij dit in 6
maanden, ondanks veel tegenstand.
Daarna
blijft Nehemia 13 jaar in Jeruzalem als
landvoogd en voert een rechtvaardig bewind.
Na een afwezigheid van 2 jaar merkt hij het
morele verval op. Vervolgens leest Ezra het
boek van de wet voor, waarna het verbond
vernieuwd wordt. Ook laat Nehemia de
herbouwde stadmuur inwijden. Aan het eind
van het boek is te lezen dat hij hard
optreed tegen het feit dat Judeese mannen
trouwen met buitenlandse vrouwen.

300 v Chr. Ptolemaeus I, veldheer van
Alexander de Grote, verovert vanuit
Alexandrië Palestina
Ptolemaeus I
was een veldheer onder
Alexander de Grote en na diens dood koning
van Egypte. Hij was de stichter van de
Egyptische dynastie, de Ptolemaeën.
Afkomst
Ptolemaeus I Soter werd geboren rond 367-366
v. Chr.. Over zijn exacte afkomst bestond
reeds in de Oudheid veel onduidelijkheid.
Officieel was hij de zoon van een zekere
Lagos, een verder onbekend Macedonisch
edelman, maar er waren ook geruchten dat
zijn natuurlijke vader Philippus II was, de
vader van Alexander III "de Grote" (356-323
v. Chr.) en koning van Macedonië. Over zijn
jeugd is weinig bekend. Hij was
waarschijnlijk bevriend met Alexander en zou
met hem verbannen geweest zijn door
Philippus II, maar keerde in 336 v. Chr. bij
de dood van Philippus naar Macedonië terug.
In
dienst van Alexander
Ptolemaeus zou deelgenomen hebben aan
Alexanders veldtocht in het noorden tegen
onder meer de Triballiërs en zou ook
aanwezig geweest zijn bij de verwoesting van
Thebe. Ook aan Alexanders grote veldtocht
tegen Perzië nam hij deel. Aanvankelijk was
hij hier een achtergrondfiguur, maar hij
kreeg steeds belangrijkere commando's
toegewezen, zoals de arrestatie van de Pers
Bessos, die de Perzische koning Darius III
vermoord had.
Diadochos
In 323
v. Chr. overleed Alexander III "de Grote" in
Babylon. Te Alexandrië zorgde Ptolmaeus I
voor een grootse begrafenis. Hij nam, zoals
afgesproken, het bestuursapparaat in Egypte
over, maar stoorde zich niet aan de
misstappen van Perdiccas in Babylon.
Perdiccas en zijn trawanten beschouwden hem
als ongevaarlijk, dat ze hem met Alexanders'
lijk naar Alexandrië stuurden. 64 muilezels
trokken de gouden sarcofaag door de woestijn
van Egypte. Al snel ontstond er een
opvolgingsconflict, waarbij besloten werd
dat Alexanders pasgeboren zoon (Alexander IV)
en zijn zwakzinnige halfbroer Philippus
Arrhidaeus hem zouden opvolgen. Ze werden
gesteund door een soort driemanschap (met de
Macedonische generaals Antipater, Perdiccas
en Craterus), dat de centrale macht zou
beheren. In werkelijkheid hadden ze echter
weinig macht, omdat de provincies toegewezen
werden aan andere generaals. Ptolemaeus
pikte Egypte in (de daar door Alexander
aangestelde gouverneur Cleomenes van
Naukratis werd kort daarop in onduidelijke
omstandigheden vermoord door Ptolemaeus) en
richtte het in als zijn basis. Hij veroverde
Cyprus en Cyrene (ten westen van Egypte) en
liet daardoor blijken dat hij weinig gaf om
het centrale gezag. Daarop ondernam
Perdiccas een veldtocht naar Egypte (321 v.
Chr.), maar deze had geen succes en
Perdiccas werd vermoord; Egypte bleef van
Ptolemaeus.
Koning
In de
jaren daarna hield Ptolemaeus zich rustig in
Egypte. Door diplomatie probeerde hij zijn
gebied te behouden, zonder zich te fel in de
voorraden verspillende oorlogen van de
andere generaals te mengen. Bijzondere
aandacht had hij voor Syrië, dat de enige
toegangspoort tot Egypte vormde en dat hij
als een soort van buffer trachtte te
veroveren, ook al liep dat niet van een
leien dakje. Nog éénmaal werd zijn
heerschappij serieus bedreigd, namelijk in
306 v. Chr.. Toen werd hij namelijk
verslagen in de slag bij Salamis bij Cyprus,
dat door Antigonos veroverd werd. Deze
waagde een aanval op Egypte zelf, maar
Ptolemaeus wist deze te weerstaan. Kort
daarop liet hij zich tot koning kronen en
nam ook de officiële titel van Farao aan om
de autochtone aristocratie en priesters
gunstig te stemmen. Ook nam hij de naam
Soter (d.w.z. redder) aan. Ptolemaeus Soter
begon met de bouw van de vuurtoren van Faros
en had ook plannen voor de bouw van een
grote bibliotheek. Beiden werden voltooid
door zijn zoon en opvolger Ptolemaeus II
Philadelphus.
Ptolemaeus stierf in 285 v. Chr. op circa
82-jarige leeftijd, na ruim 30 jaar over
Egypte geheerst te hebben. Hij werd
opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus II
Philadelphus.

Ptolemaios
I. Soter
200 v Chr. De Romeinen hebben de macht van de
Ptolemeërs in de regio gebroken, waarop de Seleuciden
vanuit Syrië Palestina
veroveren. Onder koning Antiochos IV ontwijden zij de
tempel.
Onder de Egyptische
Ptolemeërs, de opvolgers van Alexander the Grote, kende
Kos een florerende cultuur dat de Hellenistische periode
wordt genoemd. Ptolemy II Philadelphos werd op het eiland
geboren in 309. Cleopatra wordt toegeschreven dat zij het
eiland gebruikte om daar enkele van haar schatten op te
slaan. Cleopatra zou zelf Kos hebben bezocht om met haar
financiers te overleggen.
Seleuciden (ook Seleukiden genoemd) is
de naam van een hellenistische dynastie in
een koninkrijk in het huidige Syrië
("Koninkrijk der Seleuciden") van 311 tot 63
v. Chr..Het
koninkrijk werd gesticht door Seleucus I
Nicator (Nicator, "de Overwinnaar") (rond
358-281 v. Chr.). Hij was een van de
generaals van Alexander de Grote, die na
diens dood in 323 v. Chr., zichzelf in
Mesopotamië en de hoogvlakte van Iran
vestigde, en een gebied beheerste dat tot
aan de rivier de Indus reikte. Hij stichtte
Seleucia aan de Tigris (rond 305) als zijn
nieuwe hoofdstad. Later werd de hoofdstad
van zijn dynastie echter verplaatst naar
Antiochië waardoor het machtscentrum zich
verplaatste van Mesopotamië naar Syrië.
Na een
korte expansie onder Antiochus de Grote
raakte het rijk van de Seleuciden snel
in verval tijdens de 2e eeuw v. Chr. De
Parthen slaagden erin een groot deel van het
oosten over te nemen. Eindeloze conflicten
tussen twee linies van het vorstenhuis
bepaalden de laatste decennia en leidden tot
de definitieve ondergang in 64 v. Chr.,
wanneer de Romeinen hier door het optreden
van Pompeius hun gezag vestigden.

Antiochos IV
160 v Chr. O.l.v. Judas Makkabeüs verslaan de joden
de Seleuciden.
Judas
Makkabeüs of de Makkabeeër was een
belangrijk leider in de Makkabeese opstand
tegen de Seleucidische overheersing. Hij
maakte deel uit van de familie van de
Hasmoneeën. De Makkabeese opstand was in 167
v. Chr. geïnitieerd door zijn vader
Mattatias. Nadat Mattatias in 165 v. Chr.
overleed, nam Judas het leiderschap van de
opstand over. Onder Judas' leiderschap
groeide de opstand uit tot een ware
guerrillastrijd. Judas' belangrijkste
wapenfeiten was de verovering en reiniging
van de tempel in 164 v. Chr., een
gebeurtenis die nog jaarlijks in het
Chanoeka-feest wordt herdacht. Bovendien
breidde door zijn toedoen het gebied van het
Joodse land zich steeds verder uit.
Uiteindelijk heeft Judas het einde van de
Makkabeese opstand niet meer meegemaakt. In
160 v. Chr. sneuvelde hij in een veldslag
tegen de Seleucidische troepen.
Na Judas'
dood werd de leiding van de opstand
overgenomen door zijn broer Jonathan
Makkabeüs.

Makkabeüs.
63 v Chr. De Romeinen o.l.v. Pompejus nemen
Jeruzalem in
In 63 v. Chr. vangt de
Romeinse tijd aan door de
verovering van de stad door
Pompejus. Judea werd
hierdoor een vazalstaat van
Rome waar de Hasmoneese
macht geleidelijk overging
in die van de Herodianen.
Het was onder koning Herodes
I van Judea dat Jezus van
Nazareth werd geboren.
In het jaar 66 begon de
desastreuze Joodse Opstand.
Deze werd onderdrukt door
Vespasianus en Titus in het
jaar 70. Hierbij verwoestten
de Romeinen de stad en de
(tweede) tempel werd in
brand gestoken. Het enige
overblijfsel van de tempel
is een deel van de
Westelijke muur, die nu
bekend staat als de
Klaagmuur. Op de ruïnes van
de stad werd een Romeins
legerkamp opgericht.
Keizer Hadrianus bezocht in
het jaar 130 de stad en
besloot er een Romeinse
kolonie te vestigen. In het
jaar 135 werd, onder leiding
van Bar Kochba, Jeruzalem
door de Joden veroverd en ze
maakten Jeruzalem opnieuw
tot hun hoofdstad en richtte
er een voorlopige tempel op.
De reactie van Hadrianus
bleef niet uit en hij
heroverde de stad en gaf
haar een andere naam (Aelia
Capitolina). Op de
tempelberg werd een Romeinse
tempel gebouwd (ter verering
van Jupiter). De Joden werd
de toegang tot de stad
ontzegd. Pas in het jaar 438
werd dit toegangsverbod
opgeheven. In 326 bezoekt
Helena, moeder van keizer
Constantijn de Grote de stad
en krijgt deze opnieuw de
naam Jeruzalem. In 335 beval
Constantijn de bouw van de
Heilige Grafkerk.
Op het Concilie van
Chalcedon (451) werd het
patriarchaat Jeruzalem
opgericht. De patriarch, de
bisschop van Jeruzalem,
kreeg jurisdictie over de 3
toenmalige provincies van
Palestina.

De val van Jeruzalem op de binnenzijde van
de Boog van Titus te Rome
37 v Chr. Herodes de Grote, koning der joden,
viervorst namens Rome, voert een wreed beleid, o.a.
kindermoord te Bethlehem
Herodes de Grote
laat de tempel in Jeruzalem drastisch restaureren en
gedeeltelijk vernieuwen. Om die reden is hij ook nu nog bij
de meeste joden ongekend populair.Volgens geschiedschrijvers
is hij extreem wreed: zo laat hij enkele van zijn vrouwen en
zonen gewelddadig om het leven brengen.Hij zou volgens het
evangelie van Mattheüs opdracht gegeven hebben voor een van
de meest afschuwelijke wreedheden van de oudheid, de
Kindermoord te Bethlehem. De aanleiding is zijn vrees dat de
nieuw geboren ‘Koning der Joden’ (Jezus) zijn positie in
gevaar zal brengen.Hij wordt opgevolgd door zijn zoon
Herodes Antipas.

Herodes de
Grote
Herodes, die rond het
begin van onze jaartelling het onder de Romeinse bezetting
staande Israël bestuurde, stond bekend om zijnwreedheden.
Volgens de Bijbel is onder zijn leiding een kindermoord
georganiseerd die wel de wreedste aller wreedheden wordt
genoemd.
Omdat hij bang was dat de
nieuwe aangekondigde koning der Joden zou worden geboren,
liet Herodes. alle kinderen jonger dan 2 jaar in de omgeving
(‘landpalen’) van Bethlehem vermoorden. De geschiedenis is
verbonden met die van de drie wijzen uit het Oosten, die
wordt herdacht op de (r.-k.) feestdag Driekoningen.Voor het
zeer aangrijpende verhaal is uit andere historische bronnen
(Flavius Josephus) geen bevestiging te vinden. Sommige
bijbelgeleerden komen zelfs tot de conclusie dat
evangelieschrijver Mattheüs het verzonnen moet hebben.
De kindermoord
te Bethlehem. Doek (245 x 358 cm) van Cornelis van Haarlem.
Rijksmuseum, Amsterdam.
7 of 6 v.C
geboorte van Jezus
Geboorte
van Jezus volgens Lukas 2
Het
kerstfeest is een herinnering aan de
geboorte van Jezus. Deze geboorte wordt
beschreven in de Bijbel. Het belangrijkste
hoofdstuk voor de geboorte van Jezus is
Lukas 2 vers 1-20. Dit lemma somt enkele
belangrijke gegevens over de geboorte van
Jezus volgens Lukas 2 op. De kern van het
kerstgebeuren is Het kind in de kribbe.
Lukas wil zijn lezers daarop attent maken.
Structuur van het bijbelgedeelte
De
structuur van dit bijbelgedeelte is
opmerkelijk. Lukas schrijft in vers 1, 6 en
15 En het geschiedde. Deze enigszins
plechtige formulering geeft structuur aan
dit bijbelgedeelte en het roept associaties
op met het taaleigen van het Oude Testament,
het Hebreeuws.
Het is
van belang dat Lukas zijn evangelie heeft
geschreven ongeveer 60 jaar na de geboorte
van Christus. Ook gaat men er over het
algemeen van uit dat Lukas zijn evangelie
heeft geschreven vóór de verwoesting van
Jeruzalem in 70 na Christus door de
Romeinen. Tevens moet er op worden gewezen
dat Lukas een zeer nauwe medewerker en
leerling is geweest van de apostel Paulus,
die in de jaren 40-60 het evangelie in de
Romeinse wereld heeft verkondigd. Met andere
woorden: in de beschrijving van Lukas zullen
elementen van de visie van Paulus terug
komen. Lukas schreef geen geboorteverhaal an
sich maar een verhaal ten dienste van de
verkondiging van het evangelie. De
beschrijving van Lukas is dus
tendenzliteratuur. Lukas plaats de feiten in
het kader van een boodschap, de boodschap
die Paulus heeft gebracht in de Romeinse
wereld. In de belichting van de feiten
klinkt het element van verkondiging
(prediking) derhalve voortdurend door. Lukas
laat zich typeren als his masters voice.
Tegen de achtergrond van de reeds bestaande
prediking en brieven van Paulus moet het
verhaal van Lukas worden beoordeeld. Dit
element van afhankelijkheid wordt vaak over
het hoofd gezien in allerlei beschouwingen
over dit bijbelgedeelte.
Inleiding op
het kerstgebeuren - vers 1-5
De geboortegeschiedenis van Jezus begint,
in Lukas 2 vers 1, met een verwijzing naar
de dagen van Herodes de Grote, die regeerde
als vazalkoning over Judea van 40 voor
Christus tot 4 na Christus, en met een
verwijzing naar de keizer van het Romeinse
rijk. Lukas attendeert de lezer op de keizer
Augustus, die regeerde van 27 voor Christus
tot 14 na Christus. Lukas plaatst de
geboorte van Jezus hiermee in mondiaal
perspectief.
Lukas wijst er ook op dat de aanwezigheid
van Jozef en Maria in Bethlehem samenhangt
met een gebod (Grieks: dogma) van keizer
Augustus waarbij alle mensen van het rijk
zich moesten laten registreren in verband
met de belastingpolitiek van de Romeinen. In
de regel riepen dit soort beschrijvingen,
die vrij algemeen voorkwamen in het gehele
Romeinse rijk, veel weerstand op bij de
lokale bevolking.
In vers 2 wijst Lukas op Quirinius, de
stadhouder over Syrië. De vermelding in vers
2 heeft vragen opgeroepen. Quirinius immers
was stadhouder over Syrië van 6 tot 9 na
Christus. De vraag is hoe Jezus dan kan
geboren zijn onder zijn stadhouderschap over
Syrië. Het is waarschijnlijk dat Lukas
bedoelt aan te geven dat deze eerste telling
geschiedde voordat Quirinius
stadhouder was over Syrië. Er zijn dus rond
het begin van de jaartelling twee tellingen
geweest. De eerste was ongeveer 5 jaar voor
de dood van Herodes. De tweede, die met veel
geweld en bloedvergieten gepaard ging en die
Lukas vermeldt in Handelingen 5 vers 37,
vond plaats tijdens het stadhouderschap van
Quirinius. Jezus is geboren in de tijd van
de eerste volkstelling, waarschijnlijk circa
5 jaar voor het begin van de christelijke
jaartelling.
In Lukas 2 vers 3 wordt het opgaan van de
joden naar de plaats van hun voorgeslacht
beschreven. Weliswaar was dit niet altijd
gebruikelijk bij Romeinse volkstellingen,
maar er zijn uit Epypte vergelijkbare
volkstellingen bekend. Daar moesten de
inwoners ook worden ingeschreven in de
streek van herkomst. Dit gedeelte beschrijft
de volksbewegingen die met dergelijke
tellingen gepaard gingen.
In de verzen 4 en 5 valt het accent op
Jozef en Maria. Het valt op dat Jozef ook
opgaat. Nazareth in Galilea, de woonplaats
van Jozef en Maria, lag geografisch lager
dan Judea. Men ging dus daadwerkelijk op
vanuit Galilea naar Judea. Lukas meldt dat
Jozef, afkomstig uit het huis van David,
opgaat naar Bethlehem. De davidische afkomst
herinnert aan de belofte in het Oude
Testament dat de Messias zou voortkomen uit
het huis en geslacht van David. Ook
Bethlehem is een stad die voluit staat in
het messiaanse perspectief. De profeet Micha
(Micha 5 vers 1) had reeds gewezen op
Bethlehem als belangrijke plaats in dit
opzicht. Kennelijk wil Lukas de lijn vanuit
het Oude Testament en de verwachting van de
joden tegenover zijn niet-joodse lezers
benadrukken.
Het eigenlijke
kerstgebeuren - vers 6-14
De geboorte van Jezus staat in Lukas 2
vers 6-7. In de statenvertaling luidt deze
tekst:
En het geschiedde, als zij daar waren,
dat de dagen vervuld werden, dat zij baren
zou. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon,
en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in
de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats
was in de herberg.
In deze tekst vallen een aantal zaken op:
Lukas schrijft dat de dagen vervuld
werden . Vervuld worden is een
opmerkelijk en meer voorkomend woord in de
beschijvingen van Lukas. Ook het
Pinksterfeest was vervulling (Handelingen
2:1-4). In het woord vervullen ligt de
gedachte dat de Oud-Testamentische
profetieën in vervulling gaan. Lukas
behandelt de geboorte van Jezus vanuit het
perspectief van Gods handelen en spreken in
het Oude Testament. Dat handelen is in het
Oude Testament voorzegd. Het komt in het
Nieuwe Testament tot vervulling en
uitvoering.
Lukas schrijft over de eerstgeboren
Zoon . Uit zijn verdere beschrijvingen
blijkt Maria na de geboorte van Jezus nog
andere kinderen heeft gehad. Jezus is de
eerste zoon. De joodse wetten schrijven voor
de eerstgeborenen speciale rituele
handelingen voor. De eerstgeborene
bijvoorbeeld moest gelost worden, dat
betekent dat er in de tempel aan bepaalde
verplichtingen moest worden voldaan. Uit
vers 22-24 blijkt dat Jozef en Maria hieraan
hebben voldaan.
Lukas spreekt over winden in doeken.
In de oudheid had men de gewoonte om rond
geboorteverhalen van goden allerlei
buitengewone zaken te melden. Het valt op
dat de geboorte van Jezus zo gewoon mogelijk
beschreven wordt. Lukas wil kennelijk
benadrukken dat Jezus mens was. Jezus werd
geboren als alle andere kinderen. Ook valt
op dat hij Zoon wordt genoemd. Jezus was dus
een man. De wijze waarop Jezus verwekt is
beschrijft Lukas in hoofdstuk 1 vers 35.
Lukas meldt dat Jezus is geboren zonder
bevruchting door een man (1) .
De evangelist schrijft over een kribbe,
voederbak (grieks: phatnei). Het
Griekse woord heeft een enigszins ruige
betekenis. Lukas ontneemt het kerstgebeuren
alle romantiek. Jezus wordt geboren in diepe
armoede. Een voertrog voor het vee is zijn
wieg! Lukas meldt niet de locatie waarop
Jezus geboren is. Sommigen denken aan een
grot, anderen aan een huis en weer anderen
aan een stal. Het is niet onwaarschijnlijk
om aan een stal te denken, gelet op de
aanwezigheid van een voertrog voor dieren.
Tenslotte wijst Lukas op geen plaats
in de herberg . In het overvolle
Bethlehem was waarschijnlijk weinig ruimte
om te bevallen. In de herberg was
daarvoor kennelijk geen plaats. Deze
uitdrukking kan er ook op duiden dat voor
deze nazaten van David niet veel respect was
in Bethlehem. De geboorte van Jezus voltrok
zich voor menselijke begrippen in armoedige
en geringe omstandigheden. De aardse glorie
van het huis van David was vergaan. Ook hier
speelt weer een profetisch motief een rol.
Jesaja had gewezen op de Messias als een
rijsje uit een afgehouwen boomtronk (Jesaja
11 vers 1). Kennelijk wil Lukas dit
profetisch gegeven onderstrepen.
Het globale beeld is dat Lukas elke
romantiek wil vermijden. Jezus werd geboren
en is mens onder de mensen. In armoede en
nederigheid is Jezus gekomen. Slechts vanuit
de hemel is er een eerste en grootse
reactie. Op de aarde blijft het stil. Het
joodse volk is kennelijk niet in blijde
verwachting van de Messias. In Jezus ziet
men van meet af aan kennelijk niet de
beloofde Messias. Dit voorteken geeft de
beschrijving van de geboorte ook iets
beklemmends.
De armoede van Jezus is een bekend motief
in de prediking van Paulus. In de
beschrijving van de geboorte toont Lukas
afhankelijkheid van zijn leermeester Paulus.
Paulus schrijft in de herfst van 57 aan de
Korintiërs het volgende:Want gij weet de
genade van onzen Heere Jezus Christus, dat
Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij
rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt
rijk worden. (2 Kor. 8:9;
statenvertaling). Het armoedemotief wordt
door Lukas verwerkt.
In de verzen 8-14 geeft Lukas de
aankondiging van de geboorte van Jezus.
Opvallend is dat engelen de eerste
boodschappers zijn van de geboorte van
Jezus. Engelen brengen aan herders de
boodschap van zijn geboorte. In het Oude
Testament komen engelen regelmatig naar
voren als boden en dienstknechten van God.
Ook hierin zien we weer een teruggrijpen van
Lukas op de Oud Testamentische gegevens.
Zijn leermeester Paulus spreekt ook
regelmatig over ontmoetingen met engelen.
Deze twee lijnen zien we terugkeren in de
vertelling door Lukas.
De engelen brengen de boodschap 's nachts
aan herders. Dit is opmerkelijk omdat
herders in de joodse maatschappelijke
verhoudingen van die dagen niet behoren tot
de voornaamste in synagoge en samenleving.
Een herder mocht bijvoorbeeld niet als
getuige optreden in een rechtsgeding.
Kennelijk is de geboorte van Jezus een
boodschap voor verachte mensen. Een motief
dat ook weer bij Paulus breed wordt terug
gevonden. Tevens roepen herders gedachten op
aan het Oude Testament. David was
aanvankelijk herder in de velden van Efratha.
Keer op keer vinden we in het Oude Testament
het motief terug van de herder die zorgt
voor zijn schapen. God zorgt voor zijn volk
als een herder voor zijn schapen. Het
herdersmotief is dus ook een herinnering aan
het Oude Testament. Tenslotte brengen de
engelen de boodschap van de geboorte 's
nachts. De herders houden de wacht over de
kudde. Zij zijn ook de enigen die
beschikbaar zijn om de boodschap aan te
horen. De engel typeert de geboorte van
Jezus als een blijde boodschap. Jezus is
Christus (Messias) en Zaligmaker (Redder,
grieks: soter). Ook hier knoopt Lukas weer
aan bij een belangrijk motief in de
prediking van Paulus. Jezus is de beloofde
wereldredder. Jezus redt van de zonde, de
dood en de duivel.
De aankondiging wordt vervolgd door een
groots eerbetoon vanuit de hemel. Lukas
meldt een grote menigte engelen die zingen
ter ere van Jezus. In Jezus is Gods reddend
handelen in deze wereld zichtbaar en
tastbaar geworden. De engelen zingen tot eer
van God. Hun lofzang luidt:
Ere zij God in de hoogste hemelen,
en vrede op aarde,
in de mensen een welbehagen. (Luk.
2:14, statenvertaling)

