Home  De Lemmer Verhalen, feiten, historie...   Wie zoekt Wie ? Gastenboek Contact Links

Wilt U een pagina (artikel) of een foto,  willen kopiëren voor schoolverslagen - privé gebruik: neem dan even contact op.

 

Vanaf 100.000 jaar v Chr tot de geboorte van Chr

 

100.000 v. Chr. Eemien van 130.000 tot 100.000 jaar geleden

Na het Saalien brak een lange en vrij warme periode aan: het Eemien of de Eemtijd. Het klimaat in het Noordzeegebied werd langzamerhand subtropisch. Het grootste deel van West-Europa liep onder water door het smelten van de gigantische ijskap: Texel lag toen aan de kust van de Eemzee. Fossiele schelpen uit de Eemzee zijn in het op het strand te vinden, tussen de gewone schelpen. De bekendste en algemeenste zijn de fossiele tapijtschelp Venerupis pullastra en de fossiele hartschelp Cardium tuberculatum. Deze soorten komen tegenwoordig nog voor in het Middellandse Zee-gebied. In de Noordzee is het te koud voor ze. De Eemtijd heeft ongeveer 30.000 jaar geduurd.

Aan het begin van het Eemien bestaat de vegetatie vooral uit berken en hier en daar jeneverbesstruiken. Deze pioniersvegetatie wordt vervangen door uitgestrekte dennenbossen. Vervolgens nemen de soorten die het gemengde eikenbos typeren (eik, iep, linde en esdoor) geleidelijk in aantal toe. In dezelfde periode doet de hazelaar zijn intrede in Nederland en gaat met de eik de vegetatie overheersen. Daarna breekt een periode aan, waarin Taxus opvallend sterk in de pollendiagrammen voorkomt. Vervolgens volgt een lange periode waarin de haagbeuk de meest opvallende boomsoort in ons land is. Tegen het koudere einde van het Eemien nemen de spar en de den weer belangrijke plaatsen in de vegetatie in.

Door het afsmelten van de grote landijskappen in Noord-Europa en Noord-Amerika stijgt de zeespiegel weer aanzienlijk. Tijdens het Eemien wordt uiteindelijk een niveau bereikt dat wellicht 1 tot 2 meter hoger lag dan tegenwoordig. Grote delen van het Nederlandse vasteland worden daarbij, voor het eerst na bijna 1,8 miljoen jaar, weer door de zee overspoeld. De Rijn liep via het glaciale dal van de IJssel naar het noorden. De Maas volgde tijdens het Eemien in Limburg ongeveer dezelfde route als tegenwoordig.


75.000 v. Chr. Toba (vulkaan)

De supervulkaan Toba ligt in Indonesië op het eiland Sumatra. Hij barst ongeveer éénmaal per 400.000 jaar uit, waarbij de uitbarsting van ongeveer 70-75.000 jaar geleden de laatste en grootste was. Deze geldt zelfs als de grootste vulkaanuitbarsting op aarde van de laatste 2 miljoen jaar. De door de uitbarsting gevormde caldera is het tegenwoordige Tobameer, 100 km lang en 30 km breed.

Door de uitbarsting van 73.000 jaar geleden kwam een groot gedeelte van het eiland onder een dikke laag lava en de vulkaan blies tussen de 25.000 en 30.000 km³ as de lucht in (ter vergelijking: bij de uitbarsting van Mount Saint Helens in 1980 kwam 1 km³ as in de lucht). Hierdoor werd een groot gebied ten Noordwesten van de vulkaan onder een dikke laag as bedolven en de temperatuur daalde overal op aarde, doordat de asdeeltjes (met name het gevormde zwavelzuur) het zonlicht blokkeerden (een verschijnsel vergelijkbaar met een nucleaire winter). Over de mate van afkoeling zijn de geleerden het niet eens; sommigen (zoals Clive Oppenheimer) menen dat dat niet meer dan 1 graad kan zijn geweest, maar anderen (zoals Stanley H. Ambrose van de Universiteit van Illinois) postuleren een dramatische temperatuurdaling met een ijstijd van vele eeuwen tot gevolg.

Vulkanische winter

Volgens de bovengenoemde antropoloog Ambrose en de vulkanoloog Mike Rampino kan de uitbarsting van Toba hebben geleid tot een soort ijstijd van een tiental eeuwen: de scherpe temperatuurdaling in de eerste jaren kan voor een snelle toename van de hoeveelheid ijs op het aardoppervlak hebben gezorgd; omdat ijs zonlicht terugkaatst, kon de aarde daarna nog verder afkoelen en nog wel een tiental eeuwen te koud blijven. Ambrose beweert vervolgens dat de langdurige afkoeling tot een vermindering van alle populaties op de wereld leidde, waarbij sommige soorten zelfs zouden zijn uitgestorven. Dit had dan ongetwijfeld ook gevolgen voor de evolutie van mens. De uitbarsting van de Toba zou de menselijke populatie in een populatieknelpunt van niet meer dan 10.000 individuen hebben gebracht. Daardoor zou het de oorzaak zijn van de huidige kleine genetische variabiliteit van de mens, maar ook van de verspreiding van Homo sapiens over de aarde ten koste van Homo erectus.Toch lijkt Toba niet, zoals aanvankelijk door Ambrose gedacht, de directe oorzaak voor het uitsterven van oudere mensensoorten te zijn. Homo erectus leefde nog tot ca. 50.000 jaar geleden op Java, en Homo floresiensis is zelfs van nog recentere datum. Bovendien denken de meeste genetici dat het populatieknelpunt (de 'bottleneck') niet 70.000 jaar geleden, maar 200.000 jaar geleden lag.

 

Foto van het Toba meer


70.000 v. Chr. de mensheid

70.000 jaar geleden leefden er nog maar ongeveer 2000 mensen op aarde. De mensheid telt tegenwoordig zes miljard zielen, maar er is een tijd geweest dat er maar 2000 mensen op aarde waren. Dat blijkt uit een genetisch onderzoek, dat is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift The American Journal of Human Genetics.

De mensheid was 70.000 jaar geleden maar zo klein, dat een epidemie, een natuurramp of een oorlog het einde van onze soort had kunnen betekenen. Volgens het onderzoek heeft de mensheid rond diezelfde tijd pas voor het eerst Afrika verlaten, meldt de BBC. Voor die tijd bestonden er zowel jagende mensrassen als menselijke rassen die zich specialiseerden in landbouw.

Mensen hebben vrijwel identieke DNA-kenmerken. Wanneer de DNA van bijvoorbeeld chimpansees wordt vergeleken, zijn er onderling meer verschillen dan bij de zes miljard mensen. Dat wijst volgens onderzoekers erop, dat de mensheid van een klein groepje afstamt, waardoor de genetische variatie klein is.

Het onderzoek werd uitgevoerd door de universiteit in de Amerikaanse stad Stanford en de Russische academie voor de wetenschappen, die DNA-materiaal verzamelden uit 52 gebieden over de hele wereld. Ze denken dat een Mbuti-pygmeeënstam in Congo en de Khosian-bosjesmannen in Botswana de oudste soort van de moderne mens zijn, omdat hun genetische verwantschap het grootst is.

70.000 jaar geleden hebben er "Moderne Mensen" geleefd in de Blombos Grot in Zuid-Afrika.

Op 8 december 2001 had de New York Times een hoofdonderwerp in het wetenschapskatern met de titel: "Afrikaanse kunstvoorwerpen suggereren de vroege aanwezigheid van een Moderne Mens". Het onderwerp gaat over de archeologische opgravingen in de Blombos grot, 300 km. ten oosten van Kaapstad. Een team onderleiding van Dr. Christopher Henshilwood, een bekend archeoloog, heeft daar gepolijste en verfijnde gereedschappen gevonden die gemaakt waren van botten, prachtig gesneden punten waarvan sommige zo dun waren dat ze alleen maar gediend kunnen hebben als kunstvoorwerp en rode oker dat net zolang geschraapt is dat er poeder onststond, waarschijnlijk voor grotschilderingen of misschien lichaamsversiering. Al deze fysieke bewijzen wijzen op de vroege aanwezigheid van menselijk leven en de mogelijkheid van deze mensen om deze vondsten te maken, hetgeen erop duidt dat ze veel verder ontwikkeld waren dan de primaten. Toch is de bodemlaag waarin deze vondsten gedaan werden gedateerd op 70.000 jaar geleden.Dr. Henhilwood zei: "we zijn stellig overtuigd van de leeftijd van de vondsten", en de New York Times beschreef de ontdekkingen als volgt: "Een theorie waaraan lang is vastgehouden, wordt op zijn kop gezet."

De reden hiervan? In de 20ste eeuw werd de prehistorie en de gebeurtenissen in het Neanderthal door archeologen en antropologen gezien als de missing link tussen de zich ontwikkelende primaten en de Cro-Magnon Homo Sapiens Sapiens. Maar toen die missing link denkbeeldig was gebleken, begon onderzoek in Afrika het denkbeeld over het ontstaan van de mens te beïnvloeden. Nieuwe feiten zoals ontdekt in de Blombos grot wijzen erop dat zowel de restanten als het gedrag van de moderne mens afkomstig is uit zuidelijk Afrika en dat dit misschien zelfs 100.000 jaar terug gaat. Dit is 30.000 jaar meer als eerst gedacht werd in academische kringen.

Tot de nieuwe ontdekking in de Blombos grot, waarover geschreven zal worden in de december uitgave "the journal of Human Evolution", waren de oudste bewerkte botten gedateerd op een ouderdom van 25.000 jaar. Sommige wetenschappers redeneren dat de menselijke taal en het moderne gedrag zich pas 50.000 jaar geleden begonnen te ontwikkelen als het resultaat van een genetische mutatie in de hersenen.

Het kruisje op de kaart hierboven markeert de plaats van de Blombos grot.

 

Ingang van de Blombos grot.


45.000 v. Chr. Moderne mens al 45.000 jaar in Europa

De moderne mens was al 45.000 jaar geleden in Europa, zo blijkt uit de vondst van stenen, botten en ivoren gereedschap in Rusland.

Archeologen vonden de eeuwenoude spullen onder een flinke laag laag vulkanische as in Kostenki, aan de rivier Don. De vondst duidt erop dat mensen via een andere route Europa zijn binnengekomen dan voorheen werd gedacht. Tot nu toe werd altijd vermoed dat de moderne mens via centraal-zuid Europese landen als Griekenland en Bulgarije op het continent terecht waren gekomen. Maar de nieuwe ontdekking suggereert een noordelijkere entree.

Neanderthalers
Het verbaast de wetenschappers vooral dat mensen zich kennelijk ophielden in een van de koudste en droogste gebieden van Europa. Een mogelijke reden hiervoor is dat er in die regionen geen neanderthalers voorkwamen. Dat waren grote concurrenten voor de moderne mens op het gebied van voedselvoorziening. Van alle mogelijke routes die de moderne mens genomen kan hebben om in Europa te komen, is de route via Rusland wellicht de oudste, aldus de archeologen.

Naast stenen, botten en ivoren gereedschap zijn er in Kostenki ook resten van tanden gevonden. Dat zijn echter de enige menselijke overblijfselen die in dat gebied zijn aangetroffen. De gevonden artefacten zijn allemaal ongeveer 45.000 jaar oud. Ze wijken af van andere Europese vondsten uit de oudheid.

Fossielen
Uit verschillende fossielen die eerder op verschillende locaties zijn gevonden, blijkt dat de moderne mens ongeveer 200.000 jaar geleden in Afrika opdook. Bijna 60.000 jaar geleden begonnen ze zich te spreiden over de aardbol. Het eerste bewijs van hun aanwezigheid in Australië dateert van 50.000 jaar geleden.

De onderzoekers presenteren hun bevindingen in het nieuwe nummer van het wetenschappelijk tijdschrift Science. Het team stond onder leiding van de Russische Academie van Wetenschappen en de universiteit van Boulder (Colorado).

De klimaatwisselingen van de laatste 500.000 jaar, met onder meer een zeer droog interval van 270.000-220.000 jaar geleden, blijken nauwelijks van invloed te zijn geweest op de megafauna. Daaruit moet worden afgeleid dat ze daartegen goed bestand waren. Het is daarom des te opvallender dat in de tweede helft van de laatste ijstijd een groot aantal van deze dieren binnen korte tijd uitstierf; zo’n 90% van de megafauna was omstreeks 45.000 jaar geleden verdwenen, d.w.z. binnen zo’n 5.000 jaar na de aankomst van de mens. Tot de uitgestorven soorten behoorden buideldieren ter grootte van een neushoorn, en een kangoeroe van 3 m hoog. In totaal werden in het grottencomplex van 62 soorten niet-vliegende zoogdieren gevonden. Deze dieren leefden overigens niet in de grotten zelf, maar moeten daarin gEvallen zijn via karstgaten in de kalksteen, terwijl sommige restanten mogelijk prooi vertegenwoordigen van vogels (waarschijnlijk uilen) die de grot bewoonden.

 


De schedel van een andere uitgestorven
kangoeroe, Simosthenurus occidentalis,
van 270.000 jaar oud in the Cathedral Grot

 

De ontdekking in de Flightstar Grot van het
skelet van deze ‘buidelleeuw’, Thylaceo
carnifex, was aanleiding voor het onderzoek

 

Enkele van de bewerkte voorwerpen. Middenboven het op een mensenhoofd gelijkende beeldje (drie aanzichten).


40.000 v. Chr.

Van 75.000 jaar geleden  dateren de in 2002 in een grot aan de Zuid-Afrikaanse oostkust oudste bekende menselijke "kunstuitingen": een stuk of zeven bekraste stukjes rode oker, ruim 7 en 5 centimeter lang. Dankzij de erin gekraste lijnpatronen hebben de stukjes de chronologie van het moderne menselijke gedrag, waarvan "nutteloze" versieringen een cruciaal onderdeel vormen, met 40.000 jaar verlengd. De oudste onomstotelijke bewijzen voor menselijk symboolgebruik waren tot nu toe zo'n 40.000 jaar oud. In het archeologische materiaal uit die tijd duiken niet alleen handige stenen werktuigen op, maar ook "nutteloze" versieringen en symbolen; van mooi afgevijlde ivoren kraaltjes tot indrukwekkende rotstekeningen. 

Er zijn wel oudere aanwijzingen voor versieringen en symboolgebruik, tot aan een gezichtachtig steentje dat drie miljoen jaar geleden door de oermens Australopithecus zou zijn meegenomen. Maar die zijn nooit wetenschappelijk geaccepteerd wegens ernstige interpretatie- en vooral ook dateringproblemen. Het gaat bij in stukjes oker gekraste lijnen om een vrij complex geometrisch patroon, er zit een systeem in. Dat er tenminste twee stenen zijn met een vergelijkbaar patroon, wijst er ook op dat het niet gaat om een toEvalligheid. Wat het betekent is niet bekend, maar geometrische patronen als deze zijn niet onbekend uit de jongere prehistorische kunst. Dat zo'n vroeg symboolgebruik is aangetoond in (Zuid-) Afrika komt niet helemaal als een verrassing. Al lange tijd is bekend dat de moderne mens ca. 130.000 jaar geleden in Afrika was ontstaan en zich ca. 40.000 jaar geleden over de rest van de wereld heeft verspreid. Dat er 90.000 jaar lang een anatomisch moderne mens bestond zonder aanwijzingen voor symboolgebruik is altijd al als een raadsel beschouwd. Sommige archeologen opperden zelfs dat misschien pas 40.000 jaar geleden écht modern gedrag is ontstaan, met taal en met complexe sociale interacties. 

 

Stukje rode oker van 7,5 centimeter lengte uit de Blombos-grot in Zuid-Afrika, 77.000 jaar oud: het oudste kunstvoorwerp ter wereld.


Wat is de eerste stap naar taal? Symbolisch denken, zegt Terrence Deacon. `Dat is de drempel naar taal. De onderlinge verwijzing van woorden is cruciaal.'


Taal is niet ontstaan omdat de oermens langzaam slimmer werd. Taal is ook niet ontstaan omdat de mens ging zingen. En er is al helemaal niet ooit een keer een gelukkige mutatie geweest waardoor in één klap het taalsysteem kon ontstaan. Nee, neurobioloog Terrence Deacon (Universiteit van Boston en Harvard Medical School) is er van overtuigd dat de eerste taal ontstond vóórdat er zoiets als menselijke spraak was. Taal ontstond ongeveer twee miljoen jaar geleden, toen de voorlopers van Homo erectus symbolisch gingen denken. Dat wil zeggen dat ze abstracte begrippen gingen gebruiken, woorden die niet alleen maar naar concrete voorwerpen verwezen maar ook naar elkaar. Die onderlinge verwijzing van woorden vormt het cruciale verschil met de communicatie van dieren, die ook `woorden' gebruiken maar uitsluitend met verwijzingen naar de werkelijkheid.
Drie belangrijke evolutionaire aanpassingen zijn nodig voor spraak zoals we die nu kennen, betoogde Deacon vorige maand in de drie Nijmegen Lectures die hij gaf op een driedaags aan zijn werk gewijd congres. Deacon was te gast bij de Katholieke Universiteit Nijmegen en het Max Planckinstituut voor psycholinguïstiek. Het gaat daarbij om het vermogen symbolen te kunnen leren, om controle over het vocale systeem en, ten derde, om de automatisering van de grammatica. Deze drie vernieuwingen vonden niet gelijktijdig plaats. De eerste en belangrijkste stap was dat mensen symbolen gingen begrijpen: dingen die niet alleen naar iets anders verwijzen maar óók en vooral naar elkaar. Op dat moment maakte de vroege mens de sprong die alle andere ontwikkelingen mogelijk maakte. Symbolisch denken is de drempel voor taal. Deacon: ``Gecompliceerdheid van taal is niet het probleem, getting started is the problem.'' Grammatica is secondair, is Deacons overtuiging, dat komt later. ``Grammatica gaat over symbolen, je moet eerst symbolen hebben'', zeg Deacon in een pauze tussen een lecture en een seminar.
Taal is in deze opvatting meer dan onderlinge communicatie, het is een heel nieuwe manier van denken. Vrijwel al onze woorden (behalve eigennamen) verwijzen naar andere woorden. Een woord als `walvis' staat bijvoorbeeld in verband met `vis', `zoogdier' maar ook met spek, jacht, zee, eskimo's, enzovoorts. Zo staan uiteindelijke alle woorden van een taal met elkaar in verband. De omschrijvingen in het woordenboek vormen het bewijs.
De oorsprong van de menselijke taal is in nevelen gehuld. Niet voor niets wordt in dit verband vrijwel altijd een befaamd besluit van de Franse Société de Linguistique in 1866 vermeld: de Société besloot voortaan alle artikelen over de oorsprong van taal te weigeren omdat dat onderwerp toch slechts verzinsels en verhaaltjes opleverde. En heel veel verder zijn we nog altijd niet, aldus een vrij brede wetenschappelijke consensus. Harde feiten zijn er niet.
Strikt genomen zijn de oudst bekende bewijzen van taalgebruik nog geen 6.000 jaar oud: de oudst bekende geschreven teksten uit Sumerië en India. Maar tegelijk gaat niemand ervan uit dat de kunstvoorwerpen en rotsschilderingen die Homo sapiens rond 40.000 jaar geleden ging produceren (in de `laat-paleolithische revolutie') mogelijk zouden zijn geweest zonder taal. Het minimum is dus 40.000 jaar. Er zijn verschillende mogelijkheden om het gebruik van taal verder terug in de tijd te brengen. Taal zal minstens 140.000 jaar oud moeten zijn omdat de laat-paleolithische revolutie natuurlijk niet uit de lucht kwam vallen. Er zijn ook aanwijzingen voor `modern' gedrag gevonden die ouder zijn dan 40.000 jaar: begrafenissen, bewerkte voorwerpen, gebruik van verfstoffen, ruilhandel. En rond 140.000 jaar geleden ontstond in Afrika ook de anatomisch moderne mens, Homo sapiens, met 75 procent grotere hersenen dan zijn voorganger Homo erectus. Een andere redelijke gedachte is dat enigerlei vorm van taal al zo'n 1 miljoen jaar onder de mensen bestaat. Want rond 1 miljoen jaar geleden zouden mond, strottenhoofd en ademhalingsspieren al enigszins geschikt zijn voor spraak (aldus berekeningen van Philip Lieberman van Brown University). Een derde mogelijkheid om taal nòg veel eerder te laten beginnen ligt circa 2,5 miljoen geleden, toen de voorouders van de mens op grote schaal vlees gingen eten (door jacht of het niet zo veel minder gEvaarlijke aaseten). Bij die activiteit zouden onderlinge communicatie en coördinatie een groot voordeel zijn geweest. Iets later, zo'n 2 miljoen jaar geleden, ging het menselijk hersenvolume flink groeien (met Homo habilis en Homo erectus).

Twee Neanderthalers (100.000 - 40.000 jaar geleden) die terugkeren van de jacht. Ze houden voorzichtig stil als zij hun weg zoeken door de met korstmos begroeide stenen. Deze stenen werden door een gletsjer meegevoerd.


35.000 v. Chr. De prehistorische Pinatubo

Een groot deel van het ruige landschap om de huidige vulkaan heen, is gevormd door de vulkanische activiteit van de Pinatubo zelf, die ongeveer 1,1 miljoen jaar geleden tijdens het Pleistoceen begon. Uit de tegenwoordig nog overgebleven lagere hellingen van de berg is afgeleid dat de prehistorische Pinatubo een hoogte gehad zou kunnen hebben van zo'n 2300 meter boven zeeniveau.

Diverse bergen in de nabijheid van Pinatubo zijn oude satellietuitgangen van de prehistorische Pinatubo in de vorm van vulkanische pluggen en lavakoepels. Enkele toppen rondom de Pinatubo zijn overblijfselen van de meer competente berghellingen, die overbleven na erosie van het minder resistente gesteente.

De uitbarstingen van de prehistorische Pinatubo waren vermoedelijk veel minder explosief dan de uitbarsting van 1991 en waarschijnlijk stokte de activiteit zo'n 45.000 jaar geleden. Na een vrij lange periode van rust, ontstond het hedendaagse uiterlijk van de Pinatubo na uitbarstingen van zo'n 35.000 jaar geleden.

De hedendaagse Pinatubo

De geboorte van de hedendaagse Pinatubo vond plaats middels de meest explosieve uitbarsting uit haar geschiedenis, de eruptie van 35.000 jaar geleden. Pyroclastische gesteentelagen tot 100 meter dik aan alle zijden van de berg werden hierbij afgezet. Het totale volume van het materiaal dat bij die uitbarsting vrijkwam zou zo'n 25 kubieke kilometer geweest kunnen zijn en het verdwijnen van dit materiaal uit de onderliggende magmakamer heeft geleid tot de vorming van een grote caldera.

Daarna deden zich grote uitbarstingen voor: 17.000 jaar, 9000 jaar, 6000 jaar, 5000 jaar en 3900 tot 2300 jaar geleden. Elk van deze uitbarstingen lijkt hevig geweest te zijn waarbij meer dan 10 km3 materiaal vrijkwam en grote omringende gebieden bedekt werden met het materiaal van lahars. Wetenschappers schatten dat de meest recente uitbarsting van voor 1991 zo'n 500 jaar daarvoor plaatsvond, waarna de vulkaan relatief rustig bleef. De hellingen van de vulkaan raakten compleet begroeid met dichte regenwouden die vele geulen en ravijnen bedekten.

Het ontwaken in 1991

Op 16 juli 1990 trof een aardbeving van 7,8 op de schaal van Richter Centraal-Luzon. Omdat het epicentrum op ongeveer 100 kilometer ten noordoosten van Pinatubo lag, denken sommige vulkanologen dat dit uiteindelijk de uitbarsting van 1991 heeft opgestart. Het is echter onmogelijk om deze hypothese te bewijzen. Twee weken na de aardbeving rapporteerden bewoners van het gebied dat er stoom uit de vulkaan kwam, maar wetenschappers die de berg bezochten concludeerden dat kleine aardverschuivingen hier de oorzaak van waren geweest.

 

                                                                     

Pinatubo voor de hevige uitbarsting van 1991 en de uitbarstingen van de Pinatubo in april 1991. Een voorbode voor asregens.

 


Mount PinatuboTijdens de uitbarsting van 1991


30.000-9700 v. Chr. Oude Steentijd

Met het aanbreken van een nieuw geologische tijdperk Kwartair, begon-nen de contouren van de huidige Lage Landen aan de Noordzee hun huidige vorm te krijgen. De lage landen zagen er in de Romeinse tijd tot het einde van de derde eeuw uit, zoals dit plaatje laat zien.
De Benedenrijnse laagvlakte was aan een voortdurend proces van daling onderworpen. Tijdens het Pleistoceen, de eerste fase van het Kwartair die duurde tot ongeveer tienduizend jaar geleden werd het klimaat in deze streken beheerst door zeker een tiental ijstijden. Ze duurden elk vele tien-duizenden jaren en werden afgewisseld door warme perioden. Gedurende de koude perioden werden de Noordelijke Nederlanden twee keer bedekt met zware pakken landijs ter dikte van zo'n 225 meter.
De eerste sporen van menselijk leven dateren uit de Holsteinien, zo'n 200.000 jaar geleden. In de Midden Nederlandse stuwwallen zijn eenvoudige stenen werktuigen uit die periode gevonden.
Tussen 75.000 jaar voor Christus en 8.000 jaar voor Christus schoof opnieuw een ijsdek over Noord-Europa. Ongeveer 30.000 jaar geleden moest de toen hier aanwezige Neanderthaler wijken voor de Homo Sapiens, de moderne mens. Naast de jacht op klein en groot wild nam ook de visvangst in betekenis toe. In 1955 is bij Pesse in Drente het oudste schip van de wereld gevonden, dat zo'n 9.000 jaar geleden gemaakt werd.

Met de intrede van sikkels, dissels, graafstokken, hakken, houwelen, maalstenen en vijzels deed een nieuwe landbouwcultuur zijn intrede, de band keramiekers. Zij zorgden in de Nederlanden voor een beslissende omwenteling op maatschappelijk gebied. In hun nederzettingen ontstond een toenemende economische en sociale differentiatie op basis van de eerste vormen van grondeigendom Het individu scheidde zich af van de gemeenschap en dat vereiste nieuwe vormen van bestuur, waarin priester-koningen waarschijnlijk een belangrijke rol speelden.
Een van de nieuwe culturen die over de Lage Landen golfde was de trechterbeker-cultuur, die zich omstreeks 27000 voor Chr. op het Drentse plateau vestigde. Een van de kenmerken zijn de hunebedden. Voor het vervoer van de zware stenen waren 500 man nodig en dat vereiste de mobilisatie van tal van dorpen.
Toen tegen 1700 v. Chr. de steentijd een einde nam kwam er de bronstijd. Naast bronzen voorwerpen kwamen ook geleidelijk aan ijzeren voorwerpen in omloop. IJzeren wapens en uitrustingsstukken als paardenbitten hielpen een heersende kaste in het zadel. De versterkte heuvelforten bij Nijmegen tonen aan dat de gewelddadigheid toenam. Na 70 begon een periode van rust die twee eeuwen duurde.

 

Hunnebedden

Bezigheden van de mens 30.000 jaar geleden.


27.000 v. Chr.In de Apollo 11 grot in Zuid Namibië worden de oudst bekende rotsschilderingen van Afrika gemaakt.

De mysterieuze rotskunst van Namibië

Sinds meer dan honderd jaar zijn archeologen in de ban van prehistorische rotsschilderingen in Namibië. Deze avond zendt Arte de documentaire 'Namibias rätselhafte Felsbilder' uit, waarin men een team van wetenschappers volgt in hun zoektocht naar de betekenis van de schilderingen, tekeningen en gravures. In de Duitse documentaire zijn voor het eerst beelden te zien van de ontoegankelijke Apollo 11-grot, de oudste gedateerde vindplaats van rotskunst in Afrika.

Samen met archeologen Tilman Lenssen-Erz en Marie-Theres Erz van het departement Afrikanistiek van de Universiteit van Keulen ging het filmteam op zoek naar de interessantste voorbeelden van rotskunst in Namibië, door prehistoricus Abbé Breuil ook wel "de Périgord van Afrika" genoemd. De tocht leidt eerst naar Twyfelfontein, waar de 6.000 jaar oude rotsgravures in de vorm van dieren worden toegeschreven aan de voorouders van de Bosjesmannen, de San. Een andere opmerkelijke site is het ravijn van Tsibab, in het massief van de Brandberg. Talrijke rotsschilderingen kwamen hier aan het licht. Tussen 1969 en 1972 ontdekte archeoloog Erich Wolgang Wendt hier, in de Apollo 11-grot, zeven versierde en beschilderde platte stenen, die zo'n 27.000 jaar oud zouden zijn en daarmee de oudste Afrikaanse kunstvoorwerpen zouden zijn.

 

 

Het Lagar Velho kind, bewijs voor een gemengde populatie van moderne mensen en Neanderthalers?

Het is de controversie van de paleoantropologie. Eigenlijk al vanaf het begin, sinds de ontdekking van de eerste Neanderthaler fossielen, vragen de geleerden zich af wat we toch moeten maken van deze robuuste, krachtige, Europese hominiden. De Neanderthalers, die gemiddeld een grotere herseninhoud hadden dan wij, stierven kort na de verschijning van de moderne mensen uit.

Zo rond 30.000 jaar geleden hielden de Neanderthalers op met bestaan, niet alleen zijn de gevonden Neanderthaler fossielen ouder dan + 30.00 jaar, ook het type stenen werktuigen die zij maakten, de zogenaamde Mousteriaanse cultuur, is sindsdien in zijn geheel verdwenen. Werden zij door de moderne mens uitgeroeid, of vermengden zij zich met de moderne mens?

Voor lange tijd was de eerste theorie, de vervangings- of Out of Africa theorie dominant, de abrupte verdwijning van de Neanderthalers na de komst van de moderne mens moest haast wel betekenen dat de Neanderthalers de plotselinge concurrentie niet aan konden. Dat was echter voor de vondst van het Lagar Velho kind. Een van de punten van kritiek op de continuïteits- of Multi Regionale theorie was dat als de Neanderthalers en de moderne mensen zich onderling kruisten, waar waren dan de tussenvormen, de missing links. De vinders van het Lagar Velho kind denken zo'n hybride of tussenvorm gevonden te hebben. Het Lagar Velho kind werd eind 1998 gevonden in Portugal. Het kind was begraven in rode oker en was, op de schedel na, nog helemaal in takt. Het kind werd gedateerd op ongeveer 24.500 jaar oud, en was dus jonger dan de laatste Neanderthalers. Er waren echter bepaalde kenmerken die toch erg aan de Neanderthalers deed denken. De leider van het Portugese team, João Zilhoã, riep de hulp in van Erik Trinkaus, een vooraanstaande Neanderthaler deskundige van de Washington universiteit in St. Louis. Hij was het eens met Zilhoã en samen met nog een aantal deskundigen schreven zij een artikel in de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS). Een dergelijk artikel wordt, volgens goede wetenschappelijke traditie, ingeleid door een collega deskundige. De deskundigen in dit gEval waren Ian Tattersall, hoofd van de afdeling antropologie van het Amerikaanse Natuurhistorisch museum, en Jeffrey Swartz. Uit het stukje blijkt duidelijk dat de auteurs het niet eens zijn

met de conclusies van Trinkaus en Zilhoã en mede auteur Cidália Duarte: "..de analyse van het skelet van het Lagar Velho kind door Duarte et al. is een dappere en creatieve interpretatie, waarbij het onwaarschijnlijk is dat een meerderheid van de paleoantropologen die als bewezen zal beschouwen."

In een reactie noemde Trinkaus het stukje van Tattersall en Swartz geen inleiding maar "... openlijke kritiek op ons artikel, een directe poging om onze hypothese te weerleggen, dat het Lagar Velho kind een mozaïek van kenmerken bezit van zowel de Neanderthalers als de eerste moderne mensen die wij interpreteren als een indicatie voor enige vermenging tussen deze twee menselijke groepen in het zuiden van Iberia". De PNAS staat auteurs niet toe zelf weer commentaar te leveren op het artikel of de inleiding, dus plaatsen Trinkaus en Zilhoã de reactie op de site van het Instituto Português de Arqueologia. Zij staken flink van wal tegen Tattersall en Swartz, aan het einde van het artikel plaatsten zij zelf een tabel met een opsomming van de fouten die Tattersall en Swartz volgens hen gemaakt hadden, Achter elke opsomming stond het aantal keren dat dit volgens hen was voorgekomen. Zij kwamen op een totaal van 32 fouten, waaronder: foutief gebruik van cladistische termen, anatomische fouten en het verkeerd weergeven van de meningen van anderen.

De interpretatie van de fossielen van een onvolwassen hominide is altijd moeilijk. Aan het begin van de 20ste eeuw van Raymond Dart in Zuid-Afrika de eerste Australopithecus: het Taung kind. Het Taung kind was pas 3 of 4 vier jaar toen het stierf. Veel wetenschappers van die tijd dachten dat het een jonge baviaan was of een andere uitgestorven aap. Later werd duidelijk, met de vondst van volwassen Australopitheken hoe het Taung kind in het geheel paste. In 1997 kondigde Spaanse wetenschappers een nieuwe soort aan: Homo antecessor. Alle exemplaren van de nieuwe soort waren tieners, en dat zorgde er voor dat veel wetenschappers de soort meteen in twijfel trokken. Dat is ook een van de strijdpunten tussen Trinkaus en Tattersall: de een beschuldigd de ander er van geen rekening te houden met de verdere ontwikkeling van het kind, de ander vindt dat de een de ontwikkeling van het kind zodanig verdraaid dat deze een anders dubieuze theorie ondersteunt.

 

Skelet van het Lagar Velho kind.

 

Het Lagar Velho kind werd gevonden op het Iberische schiereiland (Het schiereiland waarop Spanje en Portugal liggen). Deze plaats is van belang omdat de laatste overblijfselen van de Neanderthalers en hun cultuur hier worden gevonden. De Ebro rivier, die ontspringt in het Cantabrisch gebergte en uitmondt in de Middellandse Zee, diende waarschijnlijk als een grens tussen de moderne mensen in de Pyreneeën en de Neanderthalers in de rest van Iberia. In deze geïsoleerde cul-de-sac waren de Neanderthalers vrij van invloeden van buitenaf, en hier hielden zij het langste stand. In Zafaraya aan de Spaanse Costa Blanca zijn Mousteriaanse werktuigen gevonden die waarschijnlijk slechts 27.000 jaar oud zijn. De laatste fossiele overblijfselen zijn een aantal geïsoleerde tanden die in Portugal zijn gevonden. Zij zijn gedateerd op 29 - 30 duizend jaar oud. Zoals Tattersall opmerkte:"... als er een bewering zou worden gedaan dat, welk 24.500 jaar oud fossiel dan ook, een hybride Neanderthaler/moderne mens is, dan zou de meest logische plaats om dat te proberen Iberia zijn, vooral in Portugal waar het tijdsgat tussen dit individu en de laatste plausibele verschijning van de Neanderthalers slechts 2-3 millennia is".

Als het Lagar Velho kind inderdaad een hybride vorm is, dan houdt dat dus in dat de moderne mensen en de Neanderthalers niet dusdanig van elkaar afweken dat zij geen kinderen meer samen konden krijgen. Soorten die te lang gescheiden van elkaar hebben geleefd verliezen het vermogen samen kinderen te krijgen, of in ieder gEval gezonde kinderen die zich ook weer voort kunnen planten. Een voorbeeld van een hybride is bijvoorbeeld het Muildier of Muilezel. Het Muildier is het kruisingsproduct van een paard en een ezel. Het muildier lijkt op een paard, maar heeft de kleur en stem van een ezel. Het probleem van deze hybride is, dat de hengst onvruchtbaar is. Een kolonie muildieren die geïsoleerd wordt van de paarden en ezel populaties, zal dus spoedig uitsterven. De vraag is dus hoe verschillend waren de Neanderthalers, moeten wij spreken van Homo neanderthalensis, Homo sapiens neanderthalensis of Homo sapiens? Trinkaus ziet in het Lagar Velho kind een mozaïek van Neanderthaler en moderne kenmerken. Hij denkt dat omdat de tijd tussen de laatste Neanderthaler zo'n 30 tot misschien wel 28 duizend jaar geleden en het Lagar Velho kind, 26.500 jaar geleden, zo groot is, het kind niet het product kan zijn geweest van een incidentele paring tussen een moderne mens en een Neanderthaler. Tattersall beweert dat de mate van hybridisering die Trinkaus voorstelt, een beetje Neanderthaler en een beetje modern, alleen voorkomt in de eerste twee a drie generaties. De vier- tot tweeduizend jaar die het kind scheidt van de Neanderthalers zou toch zeker 100 tot 150 generaties omspannen.

Het valt niet te ontkennen dat Trinkaus de fossielen beter bestudeerd heeft dan Tattersall. Trinkaus beweerd zelfs dat de enige basis voor sommige van Tattersall’s beweringen een diapresentatie is die Trinkaus hield voor de American Association of Physical Anthropologists (AAPA), niet de beste manier om fossielen te beoordelen. Aan de andere kant maakt Trinkaus wel erg spectaculaire veronderstelling aan de hand van een onvolwassen hominide.

Alleen de tijd zal ons leren hoe dit fascinerende skelet past in de evolutie van de mens. Het is echter wel zeker dat dit skelet de gemoederen rond de discussie over het uitsterven van de Neanderthalers weer hoog zal doen oplaaien.


18.000 v. Chr.

Het wereldgemiddelde klimaat zegt iets over de toestand van onze planeet. De planeet aarde kent sinds haar geboorte, zo'n vijf miljard jaar geleden, grote en kleine klimaatveranderingen. In feite vormen klimaatschommelingen een normaal onderdeel van het aarde- atmosfeersysteem. Zo was het ten tijde van de dinosauriërs, dat 65 miljoen jaar geleden abrupt eindigde, veel warmer op aarde. Sindsdien is de aarde langzaam aan het afkoelen. Circa 35 miljoen jaar geleden werd de ijskap van Antarctica gevormd. Vanaf vier miljoen jaar geleden kwam op het noordelijke halfrond ook de vorming van grote hoeveelheden landijs op gang. Dit resulteerde vanaf drie miljoen jaar geleden regelmatig in het optreden van ijstijden.

Glacialen en interglacialen


Zo'n 140.000 jaar geleden was Noord-Europa bedekt met een ijskap die zich tot aan de Utrechtse heuvelrug uitstrekte. De zeespiegel lag zo'n 120 meter onder het huidige niveau. Na het verstrijken van deze ijstijd steeg de temperatuur in het Eemien, het interglaciaal van 125.000 jaar geleden, tot circa 1,5 graden boven het huidige niveau Daarna volgde een nieuwe IJstijd, die bijna 100.000 jaar duurde. Zo'n 18.000 jaar geleden begon een snelle opwarming naar de warmere periode waarin we nu leven. IJskerndata en diepzee sedimentgegevens tonen dat in de overgang van de laatste ijstijd naar het huidige interglaciaal verschillende snelle klimaatveranderingen zijn opgetreden (de zogeheten Dansgaard-Oeschger en Heinrich gebeurtenissen). Dit geldt in het bijzonder voor het Noord Atlantisch gebied, maar er zijn ook aanwijzingen voor wereldwijde synchrone klimaatveranderingen. Waarschijnlijk hing dit allemaal samen met de abrupte instroom van grote hoeveelheden smeltwater vanuit Noord Amerika in de Atlantische Oceaan, waardoor de Warme Golfstroom ermee ophield. Het gevolg was ijzige kou in Europa met perioden waarin de ijsbedekking weer kon uitbreiden.
Ongeveer 12000 jaar geleden, na de laatste ijstijd, bereikte de wereldgemiddelde temperatuur het huidige niveau van 15ºC. Sindsdien zijn er talrijke kleinere temperatuurschommelingen geweest. Voorbeelden hiervan zijn de warme middeleeuwen en de kleine ijstijd rond 1600, waarin de temperatuur waarschijnlijk zo'n 0,4 tot 0,8 ºC lager uitviel.

Een schedeltje van Homo erectus, dat in augustus 2003 is opgegraven in een grot op het Indonesische eiland Flores, doet paleoantropologen versteld staan. Het schedeltje is slechts 18.000 jaar oud.  Andere resten die gevonden werden zijn zelfs vijfduizend jaar jonger. Dat betekent dat Homo erectus nog op Flores leefde, toen zijn soortgenoten elders op de wereld al vierhonderdduizend jaar waren uitgestorven.

Even opmerkelijk is de omvang van het schedeltje. Het is niet groter dan een kokosnoot en daarmee de kleinste mensachtige ooit gevonden. Een volwassen Homo floresiensis, zoals ontdekker Mike Morwood de variant van Homo erectus noemt, had een lichaamslengte van ongeveer een meter: even groot als een kind van vier jaar.

 

Schedel van Homo floresiensis.
 


De schedel toont typische Homo erectus-kenmerken als een terugwijkend voorhoofd, het ontbreken van een kin, en prominente wenkbrauwbogen boven de oogkassen. De wenkbrauwbogen zijn echter niet zo zwaar als bij de meeste Homo erectus-schedels. Ook onbreekt de voor Homo erectus typerende 'snuit':  het aangezicht van Homo floresiensis is vrij vlak en voor een groot deel onder de hersenpan geschoven.

Homo erectus

Homo erectus is de directe voorloper van de moderne mens (Homo sapiens). Homo erectus ontstond zo'n twee miljoen jaar geleden in Afrika en heeft zich geleidelijk over Europa en Azië  verbreid. Rond één miljoen jaar geleden kwam Homo erectus in Indonesië aan. De eerste schedel werd in 1891 gevonden op Java, door de Nederlandse arts Eugène Dubois. Hoe de ontwikkeling van Homo erectus tot Homo sapiens is verlopen is onderwerp van fel debat onder paleoantropologen. Een kleine groep denkt dat Homo erectus zich op verschillende plekken op de wereld ontwikkelde tot de moderne mens. Meer aanhangers heeft de theorie die zegt dat Homo erectus in Afrika tot de moderne mens evolueerde. De moderne mens zou vervolgens omstreeks 150.000 jaar geleden begonnen zijn aan een nieuwe uittocht uit Afrika. Volgens de algemene opvatting was Homo erectus toen al lang uitgestorven. De vondst van de 'late' Homo erectus van Flores brengt deze opvatting aan het wankelen.

Geen kind

De schedel van Homo floresiensis is opgegraven in de grot Liang Bua, in het westen van Flores. Het Australische opgraving team, dat onder leiding stond van Dr. Peter Brown en Dr. Mike Morwood van de University of New England Armidale in Australië, vond samen met de schedel ook resten aan van een dijbeen en van een heupbeen. Ook deze botten zijn erg klein, maar duidelijk afkomstig van een volwassen individu. Het heupbeen heeft vrouwelijke kenmerken.

 

Het eiland Flores, in de Indonesische archipel. De rode stip op Flores duidt de vindplaats van Homo floresiensis aan.

 

Dat de schedel niet van een kind is geweest, is te zien aan de schedelnaden en de kiezen. De schedelnaden zijn met elkaar vergroeid, en duiden dus op een volwassen individu. Het gebit vertoont forse slijtage en bestaat uit ware kiezen. De minimens van Flores had dus al heel wat jaren achter de rug en het melkgebit al lang in gewisseld voor het permanente gebit. De gewrichten van het dijbeen waren vergroeid met de schacht. Ook dit duidt op een volwassen individu. Op grond van de omvang van de schedel en de grootte van het dijbeen schatten de ontdekkers de lengte van Homo floresiensis op ongeveer één meter. Dat is erg klein, als men bedenkt dat een skelet van Homo erectus dat in Oost-Afrika gevonden is, de zogenaamde Turkana boy (1,8 miljoen jaar oud), een lengte heeft van 1.80 meter. Dit skelet is van een ongeveer dertienjarige jongen die bovendien nog in de groei zat.
De schedelinhoud van Homo floresiensis bedraagt ongeveer 380 kubieke centimeter. Dat is twee tot drie keer zo klein als van de 'gewone' Homo erectus, die een hersenvolume had van 900 tot 1100 kubieke centimeter. Het is zelfs kleiner dan het hersenvolume van Australopithecus, de voorloper van Homo erectus. Deze aapmensachtige had ongeveer 600 kubieke centimeter. Ondanks de kleine hersenen beschikte Homo floresiensis over een behoorlijke intelligentie. In dezelfde laag als de fossielen zijn namelijk verschillende typen werktuigen gevonden. Ook zijn er resten van dieren gevonden die hij bejaagd en gegeten moet hebben. Sommige daarvan, zoals de botten van een Komodovaraan, vertonen brandsporen. Wellicht beheerste Homo floresiensis de kunst om vuur te maken. En dan is er nog de kwestie hoe Homo erectus op Flores terecht kwam. Dat kan eigenlijk alleen maar per vlot zijn gegaan, aangezien tussen Flores en het dichtstbijzijnde eiland 25 kilometer zee zit. Een onoverbrugbare afstand voor een zwemmende mens.
 
 

17.000 v. Chr.

De oudst bekende Engelsman was tot voor korst de 'Boxgrove Man', die ongeveer 500.000 jaar geleden leefde. Er is overigens weinig van hem bekend: tanden en een scheenbeen werden tussen 1993 en 1996 ontdekt in een grindgroeve in Boxgrove. Hij wordt gerekend tot Homo heidelbergensis, een voorloper van de Neanderthaler. Hoewel de Boxgrove Man voorlopig de oudst bekende Engelsman blijft, was hij volgens recent onderzoek niet de eerste bewoner van Engeland. Er zijn namelijk op diverse plaatsen werktuigen gevonden die wijzen op een veel eerdere bewoning. Wanneer die begon is nog niet geheel duidelijk, maar het was mogelijk niet lang nadat de eerste hominiden in Europa aankwamen (1.000.000-800.000 jaar geleden, in Spanje en Italië).


Vuistbijl van Boxgrove (W.Sussex), ongeveer 500.000 jaar oud

De vraag is natuurlijk wat de vroege hominiden ertoe bracht in Engeland te gaan wonen. Dat moet het zachte klimaat van destijds zijn geweest. Niet omdat de hominiden een aantrekkelijk klimaat opzochten, maar omdat ze de grote prooidieren volgden (nijlpaarden, olifanten, hyena’s, etc.) die door de vegetatie of door hun eigen prooidieren werden aangetrokken. De overstap van het huidige vasteland van Europa naar Engeland was destijds gemakkelijk, doordat er destijds een landbrug bestond.




Detail van een schedel uit de grot van Coughs (ouderdom 12.380 jaar), met sporen die wijzen op scalperen en villen. De bewoners waren waarschijnlijk kannibalen

 

Kannibalen



De werktuigen van de vroege hominiden werden aangetroffen in enkele van de oudste terrassen langs de Bytham. Hun ouderdom blijkt uit fossielen (onder meer insecten) die in hetzelfde pakket werden aangetroffen. Volgen Chris Springer, een paleoanthropoloog van het Museum voor Natuurlijke Historie in Londen, die daarover begin april een voordracht hield in Milwaukee, zouden de werktuigen wel 700.000 jaar oud kunnen zijn.

Opvallend is dat bij de vrij talrijke gevonden werktuigen de vuistbijl ontbreekt, terwijl die elders in het Paleolithicum veel werd gebruikt. Omdat de Boxgrove Man en zijn metgezellen wel over vuistbijlen beschikten, kwamen zij waarschijnlijk later in Engeland aan. Of ze toen de nazaten van de eerste hominiden aantroffen, staat niet vast; het lijkt erop dat de bewoning van Engeland niet continue was: waarschijnlijk een direct gevolg van fluctuaties van het klimaat (en dus van vegetatie en dus van dieren). De meest duidelijke periode waarvan geen bewoning in Engeland bekend is, dateert van 180.000 tot 130.000 jaar geleden. Dat is opvallend omdat er in die tijd wel mammoeten en rendieren door Engeland zwierven. Dat was echter wellicht niet genoeg: nijlpaarden en olifanten ontbraken (die keerden terug toen het landijs 130.000 jaar geleden (aan het einde van de voorlaatste ijstijd) begon te smelten.

Mensen (Neanderthalers) verschenen pas veel later weer, zo’n 60.000 jaar geleden. De moderne mens kwam nog later, maar hield Engeland tussen 25.000 en 17.000 jaar geleden voor gezien: het was toen te koud tijdens de laatste ijstijd. Ook nadien trokken ze overigens soms weer weg: pas de laatste 12.000 jaar eis er continue bewoning; opnieuw een duidelijke aanwijzing dat menselijke bewoning direct verband houdt met het klimaat.


15.000 v. Chr.

Britse geoarcheologen hebben in Mexico voetafdrukken gevonden in vulkanische as . Twee jaar na de vondst komen ze nu met de schokkende datering: de afdrukken zijn 40.000 jaar oud. Die uitspraak werpt het gangbare beeld van de kolonisatie van Amerika omver. "Dit is een ongelofelijk controversiële vondst," weet onderzoeksleidster Silvia Gonzalez.

Twee jaar geleden was de van oorsprong Mexicaanse geoarcheologe Silvia Gonzalez terug in Mexico met haar collega David Huddart van de John Moores Universiteit uit Liverpool. Ze waren er om de geologie van gebied rond het Valsequilo meer in kaart te brengen. Ze liepen er tussen twee archeologische vindplaatsen en kwamen bij een grijze vlakte terecht. Na een meter bleef Silvia geschokt staan. "Ik voelde me als door de bliksem getroffen," vertelt ze nu aan de New Scientist. Het hele veld was bedekt met voetstappen. Voetafdrukken van volwassenen, kinderen, vogels, katten en honden.

De vlakte maakt deel uit van een steengroeve buiten de stad Puebla, 130 kilometer ten zuidoosten van Mexico-City. De voetafdrukken liggen er open en bloot. Duizenden steenhouwers en nog meer fietsende toeristen zijn er al langsgekomen, maar niemand zag er iets bijzonders in. Tot twee jaar geleden.

Silvia Gonzalez denkt dat er ooit mensen door de as liepen van de nabij gelegen vulkaan Cerro Toluquilla. De as zou daarna onder invloed van water als cement verhard zijn en kort daarna onder het stijgende water verdwenen. Vervolgens raakten ze bedekt onder een groeiende laag sediment.

Oude menselijke sporen in Amerika zijn al gauw controversiële vondsten, zeker als ze ouder zijn dan 15.000 jaar. De gangbare theorie is namelijk dat de eerste immigranten Amerika tussen 10.000 en 15.000 jaar geleden bereikten via de landtong bij de Beringstraat tussen Siberië en Alaska. Die landtong lag toen, aan het eind van de ijstijd, boven water. Daardoor zouden de immigranten de reis te voet hebben kunnen maken.

 

 

Een ijkpunt in de Amerikaanse archeologie zijn de langgerekte pijlpunten die vanaf 13.500 jaar geleden overal in Noord-Amerika voorkomen. De pijlpunten en de bijbehorende cultuur zijn vernoemd naar de eerste vindplaats Clovis (1932) in Nieuw Mexico. Nog ouder, en ook enigszins omstreden, zijn de vondsten van ruïnes en stookplaatsen in het Chileense Monte Verde die op 14.500 jaar geleden gedateerd zijn. Dat kan nog net. Alles wat ouder is dan dat, is strijdig met immigratie langs de Beringstraat en dus controversieel.

Met die kennis in het achterhoofd heeft het team van Silvia Gonzalez twee jaar de tijd genomen om de voetafdrukken te dateren. In die periode hebben ze een spectrum van verschillende technieken gebruikt. De doorbraak kwam van schelpresten in het sediment vlak boven de voetafdrukken. De schelpen waren volgens de koolstofdatering 38.000 jaar oud. Daarna heeft Tom Higham van de Universiteit van Oxford met andere technieken bepaald hoe oud het zand was en de voorkomende isotopen onderzocht. Alles wees in dezelfde richting. "De voetstappen zijn duidelijk ouder dan 38.000 jaar", weet Higham nu. En dat is dus minstens 25.000 jaar te vroeg.

Gisteren maakte onderzoeksleidster Silvia Gonzalez de resultaten bekend tijdens de Sumer Science Exhibition van de Royal Society in Londen. Haar artikel moet nog verschijnen in het blad Quaternary Science Review. Maar de storm van controverse begint al op gang te komen.

De datering lijkt waterdicht, maar op de vondst zelf is wel kritiek. Zo zegt de geochronoloog Paul Renne van de Universiteit van Califonië in Berkeley tegen de nieuwsdienst van Nature: "Ik heb ze van dichtbij gezien, maar ik denk niet dat het voetstappen zijn." Teamlid Matthew Benett van de Universiteit van Bournemouth houdt vol: "De voetafdrukken voldoen aan de criteria die in 1976 zijn opgesteld naar aanleiding van de afdrukken bij Laetoli in Tanzania." En Silvia Gonzalez is voorzichtig geworden: "Ik geloof dat het voetsporen zijn, maar we moeten het verder uitzoeken."

Hoe mensen 40.000 jaar geleden al in Mexico terecht zijn gekomen blijft onderwerp van speculatie. Gonzalez heeft er wel ideeën over en op de website over het onderzoek doet ze die ook uit de doeken. Ze denkt dat de eerste immigranten kustvaarders zijn geweest die eilandhoppend vanuit Siberië via Alaska de kust van de Stille Oceaan zijn afgezakt. Ze wil die hypothese testen met genetisch onderzoek naar de verwantschappen van uitgestorven jagersstammen aan de westkust.

Recent onderzoek naar de menselijke migratie op basis van het DNA uit mitochondrieën (de energiecentrales binnen een cel) wijst ook op een vroege migratie (tussen 24.000 en 36.000 jaar geleden) vanuit Siberië naar Amerika. Tot nu toe werd dat niet erg serieus genomen omdat er geen archeologisch bewijs bestond voor zo'n vroege bewoning in Amerika. Mogelijk gaat dat nu veranderen.

 


14.000 v. Chr.

Wereldwijd vertellen mythen over een periode in de geschiedenis van de aarde waarin grote beschavingen en uitgestrekte landstreken door rampzalige overstromingen werden verwoest. Wie waren de mensen die deze beschavingen vormden, waar en hoe leefden ze, wat gebeurde er met hun steden en nederzettingen en de landstreken waarin ze leefden? In zijn nieuwste boek, Onderwereld: De mysterieuze wortelen van onze beschaving, verkent Graham Hancock deze mysteries. Hij breidt het onderzoek dat in zijn boeken Het ontstaan en het einde van alles en Spiegel van de hemel is vastgelegd uit, en brengt bewijsmateriaal naar voren op basis van modern wetenschappelijk onderzoek, vergelijkende mythologie, religieuze en spirituele aantekeningen, duikonderzoek uit de eerste hand naar megalitische onderwaterstructuren, en oude kaarten om aan te tonen dat een door de wetenschap onaanvaarde, technologisch ontwikkelde, beschaving – in staat de wereld te bevaren en met een diepgaande kennis van architectuur en bouwkunst, astronomie en geografie – naar alle waarschijnlijkheid heeft bestaan vóór en tijdens de laatste ijstijd en dat deze door wereldwijde overstromingen werd weggevaagd.

Pas de laatste vijftig jaar, nadat de moderne duikersuitrusting was uitgevonden, is systematische zeearcheologie mogelijk. Door de beperkte geldmiddelen en de enorme omvang van de wereldzeeën zijn zeearcheologen nog maar nauwelijks begonnen met het onderzoeken van de miljoenen vierkante kilometers van de kustgebieden die sinds het einde van de laatste ijstijd onder water zijn komen te liggen. En wanneer dat gebeurt, heeft men meestal scheepswrakken op het oog, niet aanwijzingen voor antediluviale beschavingen, ‘want sporen van onder water verdwenen bouwwerken, overal en waar ook ter wereld, passen niet in het huidige model van de geschiedenis’. Het gevolg is dat de onderwaterwereld een hiaat vormt in de kennis over onze planeet en onszelf. Mythen vertellen ons echter veel:

Beschrijvingen van een allesvernietigende wereldwijde overstroming die de bewoonde landen van de wereld onder water zette, duiken overal in de mythen van de Oudheid op. In veel gevallen verwijzen ze onomwonden naar het feit dat de overstroming een hoge beschaving heeft weggespoeld die op de een of andere manier de goden had vertoornd, waarbij ‘niemand behalve de ongeletterde en de onbeschaafde’ werd gespaard en die de overlevenden dwong ‘om als kinderen opnieuw te beginnen in volstrekte onwetendheid van wat er in vroege tijden was gebeurd’.

. . . De huidige academische opvatting, en die bestaat al een eeuw, is dat de mythen òf pure fantasie zijn òf het opgeblazen verhaal over plaatselijke en beperkte overstromingen, bijvoorbeeld veroorzaakt door rivieren die buiten hun oevers traden of vloedgolven.   

Bij het zoeken naar bewijs voor cataclysmische overstromingen in de oudheid, verkent Onderwereld up-to-date geologisch en klimatologisch onderzoek over wat er de afgelopen 17.000 jaar gebeurd zou kunnen zijn. Overstromingskaarten, gemaakt door dr. Glen Milne van de universiteit van Durham, staan in Hancocks onderzoek centraal en laten grote stukken, voornamelijk kuststreken, zien die door drie golven van cataclysmische overstromingen tussen 17.000 en 8.000 jaar geleden onder water kwamen te liggen. Het landoppervlak – kwalitatief het best bewoonbare land uit die tijd – dat in zee verloren ging was enorm: 5 procent van de oppervlakte van de aarde oftewel 25 miljoen vierkante kilometer. Hoewel zulke kaarten niet 100 procent nauwkeurig kunnen zijn, gelooft Hancock dat ze nauwkeurig genoeg zijn om daarmee zijn theorieën te onderbouwen.

Het is moeilijk om een nauwkeurig model te vinden voor het gedrag van de oceanen tijdens het hoogtepunt van de smeltperiode aan het einde van de laatste ijstijd (ongeveer 14.000 tot 7.000 jaar geleden). Deskundigen zijn het oneens over de volgorde, chronologie, en gevolgen van gebeurtenissen, en zelfs over de terminologie die wordt gebruikt. Bij het onderzoek in Onderwereld gebruikt Hancock de term ‘de laatste ijstijd’ om te verwijzen naar de periode tussen 125.000 en 17.000 jaar geleden; en de term Laatste Glaciale Maximum (LGM) om de periode tussen ongeveer 22.000 en 17.000 jaar geleden aan te duiden toen de ijskappen het grootst waren. In die tijd lagen Noord-Europa en Noord-Amerika grotendeels onder een paar kilometer dik ijs, dat zoveel water bEvatte dat het zeeniveau wereldwijd tussen de 115 en 120 meter lager was dan tegenwoordig. Veel landstreken, vooral langs laaggelegen kuststreken, die tegenwoordig bewoonbaar zijn, waren vóór de overstroming onbewoonbaar, en omgekeerd.

De wereld tijdens het Laatste Glaciale Maximum. Het extra land dat toen boven zeeniveau lag
is met een donkere grijstint aangegeven.


11.000 v. Chr.

Van de huidige bevolking van Noord -, Midden - en Zuid-Amerika is slechts een klein percentage afstammeling van de oorspronkelijke bewoners. Voor Canada is dit bijvoorbeeld nog 4%, voor de Verenigde Staten amper 0,7%. De rest van de bewoners zijn afstammelingen van vooral Europese immigranten die na de ontdekkingsreizen van onder andere Christophorus Columbus naar het Amerikaanse continent zijn uitgeweken.

Het staat vast dat de eerste bewoners van Noord-Amerika via de Beringstraat vanuit Azië kwamen. Het precieze tijdstip daarvan is niet met zekerheid gekend, maar ligt zeker tussen ongeveer 40.000 en 12.000 jaar geleden, omdat in die tijd de Beringstraat droog lag doordat een groot deel van het water op de wereld bevroren was en de zeespiegel ongeveer 100 meter was gedaald. In Alaska zijn voorwerpen gevonden van minstens 12.000 jaar oud, maar in Zuid-Amerika voorwerpen van zelfs 30.000 jaar oud.

De eerste inwijkelingen uit Azië waren met zekerheid groepen jagers die niet het plan hadden om naar Amerika te gaan. Ze volgden gewoon de kuddes bizons, mammoeten en andere grote wilde dieren. Zonder dat ze het wisten betraden ze zo een andere continent. Vervolgens verspreidden deze jagers zich over het hele continent.

Doordat de stammen in Noord-Amerika geen geschriften hadden, was het voor de historici moeilijk om een duidelijk inzicht te krijgen over het leven van de Indianen. Gelukkig hebben archeologen een enorme hoeveelheid voorwerpen uitgegraven, zoals werktuigen, wapens, en aardewerk. Ook onze landgenoot Dixie Dansercoer probeerde in april van dit jaar de Beringstraat heen en weer over te steken al skiënd, zwemmend, peddelend en zeilend, maar moest zijn poging op 7 april staken wegens de slechte weersomstandigheden.

De tijd tussen de eerste Aziatische immigranten tot ongeveer 8.000 jaar voor Christus wordt door archeologen het Paleo-Indiaans Tijdperk genoemd. De Paleo-Indianen waren jagers op groot wild, maar verzamelden ook plantaardig voedsel zoals bessen, vruchten en noten.

De Paleo-Indianen zijn in beschavingen verdeeld volgens het type van stenen werktuigen dat zij maakten. De meest verspreide beschaving is de Clovis-cultuur, die duurde ongeveer van 10.000 tot 9.200 voor Christus. De naam Clovis komt van de archeologische vindplaats in New Mexico. De mensen die leefden in de Clovis-cultuur waren zwervende jagers die leefden van dieren als de tapir, kleine historische paarden, bizons en vooral mammoeten. De dieren werden gedood en ze sneden hun prooi in stukken met Clovis-spitsen en andere werktuigen die gemaakt werden door laagjes van steen te beitelen.

De Folsom-cultuur.

Een andere Paleo-Indiaanse cultuur was de Folsom-cultuur. Deze cultuur moet iets later op de tijdsbalk worden gezocht. Het waren eveneens jagers op groot wild, maar in tegenstelling tot de Clovis-indianen jaagden ze voornamelijk op bizons. Hun werktuigen waren kleiner en verfijnder.

Het Archaïsch Tijdperk.

Het einde van de ijstijd ongeveer 11.000 jaar geleden bracht grote veranderingen aan in Noord-Amerika. Het landschap en het klimaat veranderden. De eeuwig groene wouden maakten plaats voor uitgestrekte graslanden. Op dezelfde tijd stierven mammoeten en veel andere zoogdieren uit. Daardoor moesten de bewoners hun leefgewoonten aanpassen. Ze werden minder afhankelijk van het jagen op groot wild. Ze verspreidden zich verder over Noord-Amerika. Eénmaal ze een woongebied hadden gevonden vestigden ze zich er. Dit was natuurlijk alleen mogelijk op plaatsen waar genoeg voedsel te vinden was. Dat is het belangrijkste verschil tussen de Paleo- en de Archaïsche Indianen.

Vroege beschavingen.

Aan het Archaïsche tijdperk kwam een einde toen de Noord-Amerikanen aan landbouw begonnen te doen. In sommige gebieden zoals het noordoosten gebeurde dit rond 1.000 voor Christus. Andere volkeren bleven jagers en verzamelaars van planten tot dat de Europeanen kwamen. De volkeren van Noord-Amerika die aan het eind van de Archaïsche periode met landbouw begonnen, verbouwden gewassen zoals kalebassen, pompoenen en zonnebloemen.

In het begin maakten de zelf gekweekte gewassen maar een klein deel uit hun voeding, dat verder bestond uit vlees, vis, wilde bessen, noten en wortels. Geleidelijk verbeterden de Indianen hun landbouwmethoden en werden de gewassen steeds belangrijker. Eerst werden de voedingsmiddelen onmiddellijk na de oogst opgegeten, maar later leerden ze ook voedsel te bewaren. Daardoor konden ze periodes van schaarste overleven.

Beringroute


9700-4900 v. Chr. middensteentijd)

Het mesolithicum (middensteentijd) is een aanduiding voor een cultuurperiode in Europa die begint na het aflopen van de laatste ijstijd en eindigt wanneer een samenleving overschakelt op landbouw en veeteelt en tal van nieuwe technologieën ontwikkelt of overneemt. Jagen, vissen en verzamelen waren de middelen van bestaan van de mensen in mesolithische culturen, die doorgaans als nomaden leefden; nederzettingen zijn zeldzaam en meestal tijdelijk. Vondsten uit het mesolithicum tonen aan dat steenbewerkingstechnieken verfijnder werden en dat magisch-religieuze gebruiken veelvuldiger voorkwamen.

De term mesolithicum wordt overigens bij voorkeur niet gebruikt voor die gebieden waar de ijstijden geen grote invloed hadden, zoals Zuid- en Zuidoost-Europa. In die gebieden spreekt men liever van het epipaleolithicum aangezien een zinnig criterium voor de overgang van paleolithicum naar mesolithicum ontbreekt.

Het mesoliticum begint en eindigt niet overal tegelijkertijd; de landbouw verspreidde zich geleidelijk over Europa. In het Nabije Oosten volgde de neolithische revolutie vrij snel op het einde van de ijstijd; het mesolithicum is daar om die reden slechts lokaal gedefinieerd. In Nederland zijn bij archeologisch onderzoek sporen van mesolithische culturen gevonden bij onder andere Swifterbant en het Hoetmansmeer. Ook de boot van Pesse is een product van het mesolithicum.

In het zuiden van Scandinavië konden mesolithische culturen door de overvloed aan vis en wild duizenden jaren naast zuidelijker neolithische culturen voortbestaan. De Fosna-Hensbackacultuur (ca. 8300-7300 v. Chr.) in Zweden en Noorwegen maakte de overgang van paleolithicum naar mesoliticum en werd opgevolgd door de Nøstvet- en Lihultcultuur. Meer naar het zuiden, vooral in Denemarken en het zuiden van Zweden, volgden de Maglemosecultuur (vanaf ca. 7500 v. Chr., verspreid over een groot deel van noordelijk Europa), de Kongemosecultuur en de Ertebøllecultuur elkaar op. Tussen 4000 en 3200 v. Chr. namen de neolithische trechterbekercultuur en pitted-warecultuur hun plaats in.

 


5300-2000 v. Chr. Steentijdmensen

In Ypenburg zijn op een oud duin enkele huisplattegronden en een grafveld opgegraven. De kustlijn lag toen ongeveer ter plaatse van Ypenburg, dus veel meer landinwaarts dan nu. De archeologische vondsten zijn uniek en van nationaal belang, en nemen dan ook een belangrijke plaats in, in het huidige onderzoek naar het Neolithicum in Nederland.

Tijdens de aanleg van de wijk zijn restanten van een moerasbos aangetroffen. Het bos bestond vooral uit eiken, berken en elzen. Een groot aantal bomen is bewaard gebleven. Zij hebben een lengte van ongeveer elf meter en een doorsnede van 60 tot 80 centimeter. Vermoedelijk heeft het bos van 2.900 tot 2.600 v. Chr. bestaan. Daarna deed een drogere periode haar intrede en stierf het bos af. 

De opgravingen zijn tot en met 2001 door de gemeente Rijswijk uitgevoerd. Sinds de gemeentelijke herindeling hoort de wijk Ypenburg bij het achtste stadsdeel van de gemeente Den Haag en is Den Haag mede verantwoordelijk voor de goede uitwerking van het onderzoek. Daar wordt nu hard aan gewerkt. Uiteindelijk komt er een publicatie van het onderzoek, die naar verwachting in 2007 zal verschijnen. Daarnaast zullen de originele vondsten aan het publiek worden getoond. Momenteel zijn al twee skeletten in het Museum in Den Haag te bezichtigen. Het is de bedoeling dat de archeologie in de nieuwbouwwijk een eigen plek krijgt. De archeologische vondsten worden gebruikt als inspiratiebron voor de nieuwe inrichting van de openbare ruimte ter plekke. Dit geeft de wijk een bijzonder accent en herinnert de bewoners tevens aan het rijke verleden van hun wijk. Over op welke manier de archeologie in de nieuwbouw een plaats krijgt wordt nog nagedacht. In ieder geval worden er reconstructies gemaakt van mensen op basis van de opgegraven schedels en komen er bronzen replica’s van de eerste bewoners van Ypenburg in de wijk. Inmiddels zijn er 9 straatnamen in de wijk te vinden met als thema steentijd. Het zijn: Kling, Klopsteen, Oude Kustlijn, Pijlpunt, Schrabber, Speerpunt, Steentijdsingel, Vuistbijl en Vuursteen. De realisatie van deze plannen zal in 2006/2007 plaatsvinden.

 

Opgravingen en het meisje Ypkje van Rijswijk (Het gezicht van één van de skeletten in het grafveld, een vrouw van ongeveer 35 jaar oud, heeft men gereconstrueerd.)


2000-800 v. Chr.  Bronstijd

De bronstijd (ca. 3000 tot 800 voor Christus) is de periode die volgde op het Neolithicum. In Midden-Europa is er tussen de nieuwe steentijd en de bronstijd nog een kopertijd (die vaak tot het neolithicum gerekend wordt) te onderscheiden; in West-Europa en ook in Nederland zijn wel enige koperen voorwerpen gevonden (Veluwe), maar dit waren uitzonderingen.

Brons verving gedurende de bronstijd geleidelijk vuursteen als belangrijkste materiaal voor gereedschap en wapens en werd ook gebruikt voor sieraden. De eerste voorwerpen van brons waren voornamelijk bijlen, en ook enkele dolken, hellebaarden en sieraden zoals armbanden. Brons werd langzaam algemener, en steeds meer soorten metalen voorwerpen kwamen in gebruik.

Enkele voorbeelden van bronzen voorwerpen:

Wapens: hellebaarden, dolken, zwaarden, speerpunten, pijlpunten

Gebruiksvoorwerpen: bijlen, sikkels, beitels, messen, gereedschap voor metaalbewerking

Sieraden: mantelspelden, armbanden, torques (hals versiering), spiralen, kralen

In verschillende streken vond brons niet tegelijk ingang en de exacte datering van de bronstijd kan dus per land of zelfs per streek variëren. Zo was er, getuige de vondsten, duidelijk meer sprake van bronsgieten in Drenthe dan in de rest van Nederland. Mogelijk kwam dit doordat er een pan-Europese handelsweg liep over de Drentse heuvelrug naar de barnsteenrijke Oostzeekust. De kennis voor het bewerken van metalen, inclusief brons ontstond in het Midden-Oosten. Daar werd brons sinds ca. 3000 v. Chr. gebruikt. Deze kennis heeft zich langzaam aan verspreid door Europa tot het ook ons land bereikte.

Sommige van de oudste bekende verhalen, zoals de Ilias, de Odyssee, delen van de Bijbel en het Gilgamesj-epos spelen zich in de bronstijd af.

De bronstijd wordt in een schriftloze cultuur opgevolgd door de ijzertijd.

Nederland en België

De bronstijd in Nederland en België kan worden onderverdeeld in:

Vroege bronstijd (2000 - 1800 v. Chr.)

Midden bronstijd (1800 - 1100 v. Chr. - midden A: 1800 - 1500 v. Chr., midden B: 1500 - 1100 v. Chr.))

Late bronstijd (1100 - 800 v. Chr.)

(Deze datering volgt de Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (R.A.C.M.), voorheen Rijksinstituut Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort (R.O.B.)).

Brons was schaars in de Lage Landen. De grondstoffen voor brons, koper- en tin-erts, komen namelijk niet voor in Nederland. Al het brons moest dus worden geïmporteerd. Veel geschikte ruilmiddelen waren niet aanwezig. Mogelijk werden barnsteen en zout als ruilmiddel gebruikt. Deze werden dan geruild tegen kant-en-klare producten of tegen bronsschroot. Van opgebruikte voorwerpen werden lokaal weer nieuwe voorwerpen gegoten. Doordat het brons zo schaars was, heeft het vuursteen nooit helemaal verdrongen. Ook toen er al ijzer was bleef vuursteen nog lange tijd in gebruik. Maar vreemd genoeg zijn daar in Zuid-Nederland tot nu toe nog geen aanwijzingen voor gevonden.

 

Een kijkje in een ijzer winoven uit de bronstijd

 

Staal gieten

 


Portret gemaakt naar God

 

De tien geboden wordt aangereikt

 

Chronologie bijbelse geschiedenis Voor Christus

1700 - 1500 v Chr. De 16e eeuw wordt doorgaans beschouwd als de tijd van de aartsvaders: Abraham, Isaak en Jakob. Abraham, leider van een nomadische stam, migreerde vanuit Mesopotamië naar Kanaän, het gebied ten westen van de Jordaan. Hij aanbad een god die men de 'God van Abraham' noemde; de bijbehorende cultus wordt soms als de oorsprong van het jodendom gezien. Hongersnood dwong het volk verder te trekken naar Egypte, waar het na verloop van tijd tot slavernij werd gedwongen.

 

God van Abraham, Isaäk en Jakob


 
Abraham, Isaäk en Jakob en hun vrouwen waren gewone mensen. Natuurlijk leefden ze bijna vierduizend jaar geleden en in een andere cultuur. Maar het waren wel mensen met dezelfde gevoelens, verlangens en onzekerheden als wij. Wie ook nog altijd Dezelfde is, is de God van Abraham, Isaäk en Jakob. Hij kwam steeds weer in hun leven. Hij beloofde hen veel. Sommige beloften werden gedurende hun leven vervuld. Andere lagen in de toekomst. Hij vermaande hen nooit. Soms leerde Hij hen door te zwijgen. Hij leerde hen door hun beslissingen, hun falen, hun zelfzucht en hun liefde. Door hen te laten zien wat hun daden opleverden. Zowel negatief als positief. Maar Hij bleef altijd achter hen staan. Hij nam het altijd voor ze op.

 

Abraham, Isaak en Jakob


1400 v Chr. Slavernij in Egypte zie 1, geboorte van Mozes zie 2, opstand, uittocht uit Egypte (ca. 1300) zie 3.

1) De Bijbel verhaalt vaak en uitvoerig over slaven, slavernij en slavenhandel, bijvoorbeeld de bijvrouw van Abraham, Hagar, was een Egyptische slavin die hem zijn eerste zoon, Ismael, schonk Of de verkoop van Jozef als slaaf naar Egypte. Het hele Joodse volk was in slavernij in Babylon en ook Egypte geraakt, waaraan het kon ontsnappen onder leiding van Mozes (en dit wordt nog steeds herdacht met het joodse paasfeest, Pascha). De Bijbel geeft ook uitvoerige regels voor het behandelen van slaven. Zo is het volgens het Oude Testament verboden om Joden voor altijd in slavernij te houden , wordt de verkoop van dochters als slavinnen gereguleerd, of de toepassing van de doodstraf voor degene die Joden roofde om hen als slaaf te verkopen Vroeger dacht men ook dat bv. de Egyptische Piramiden door massale inzet van slaven gebouwd werden. Recent archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen gevonden dat dit voornamelijk door de Egyptische boeren en arbeiders zelf werd gedaan als 'herendienst' aan de farao op tijdstippen dat het land toch niet bewerkt kon worden (tijdens de periodieke Nijl overstromingen die het land bevruchtten met vers slib.) Ook in het oude China en India bestond de grote massa der bevolking uit nominaal vrije boeren, wier positie echter vaak niet veel verschilde van die van horigen.

In de Romeinse keizertijd, toen de grote veroveringsoorlogen hadden opgehouden, begon de aanvoer van "verse slaven" te stokken. De grondbezitters gingen toen bevorderen dat de slaven op hun plantages een gezin konden stichten ("servi casati") (slaven met een eigen huishouding), zodat de slavenpopulatie langs natuurlijke weg in stand kon worden gehouden.Tegelijk was een groot deel van de voorheen vrije boeren, de coloni, langzamerhand in een soort toestand van horigheid vervallen. Op den duur zou het onderscheid tussen "servi casati" en "coloni" grotendeels verdwijnen.

 

"Waarom is dit feest niet zoals een ander?",
vraagt het Joodse kind aan de familievader
bij het begin van Paassover, het Joodse paasfeest.
Met matzes, de wijn, kaarsen en het paaslam
viert men het vertrek van Israël uit de slavernij in Egypte.

 

2)  Mozes hoorde bij de stam Levi en bij het geslacht Kahath. Hij was de zoon van Amram en Jochebed, ongeveer twaalf jaar jonger dan zijn zuster Mirjam en drie jaar jonger dan zijn broer Aäron (zie artikelen). Direct na zijn geboorte werd zijn leven bedreigd: De koning van Egypte had bevolen alle Hebreeuwse jongens na de geboorte te doden om de sterke groei van het volk Israël tegen stoppen. Jochebed verborg haar zoon enige tijd, maar legde hem daarna in een kistje van papyrus en met asfalt bestreken. Zij zette dit kistje in het hoge riet aan de oever van de Nijl in de hoop dat het door een Egyptische vrouw ontdekt zou worden. Herhaaldelijk baden in de Nijl was voor Egyptenaren niet alleen een gebruik maar ook een godsdienstige plicht; ook konden de Oosterse vrouwen zich destijds veel vrijer bewegen dan later onder de Islam.

De dochter van de koning vond het kind, herkende het aan zijn uiterlijk als Joods en gaf het door tussenkomst van de slimme Mirjam aan zijn eigen moeder terug om het te zogen en op te voeden. De naam van de prinses noemt de Bijbel niet: volgens Josefus heette zij Termuthis  volgens Eusebius Merris, volgens de rabbijnen Bitja, "dochter van de Here"; Nadat het kind enige jaren bij zijn moeder geweest was, werd het weer naar de dochter van de koning gebracht, die het liet opvoeden als haar eigen zoon. Ex. 2:10 vermeldt dat zij hem Mozes noemde. Hoogst waarschijnlijk is Mozes een Hebreeuwse vorm van een oorspronkelijk Egyptisch woord. Moscheh kan  bevrijder, redder betekenen; ook kan hij volgens dezelfde Psalm de betekenis hebben van de (uit het water) "opgetrokkene".

Over de opvoeding van Mozes lezen we dat hij werd onderwezen "in al de wijsheid der Egyptenaren". Dit is op zichzelf waarschijnlijk en werpt een verrassend licht op het latere werk van Mozes. Volgens Josefus heeft Mozes een Egyptisch leger tegen de Ethiopiërs aangevoerd. Intussen doofde zijn verblijf aan het hof zijn liefde voor Israël niet. Integendeel: In zijn drift, meegesleept door zijn gevoel voor recht, doodde hij een Egyptenaar die een Hebreeër mishandelde . Toen de koning dit hoorde, was hij verontwaardigd: Mozes had veel weldaden van de koninklijke familie genoten. Mozes moest onmiddellijk vluchten en kwam bij een Midianitische stam terecht (zie de artikelen Jethro en Midian). Deze stam woonde in het gebergte van de Sinaï. Nog in de 19e eeuw was bij de Bedoeïnen in het schiereiland Sinaï het weiden van de kudde het werk van de meisjes. Mozes hielp de dochters van Jethro of Rehuël, en kreeg een veilig onderkomen bij de priester. Later trouwde hij met een van zijn dochters, Zippora. Deze Zippora heet een Kuschitische. Dit is óf omdat de Semieten en Kuschieten zich met elkaar vermengd hadden, óf het is een verachtelijke bijnaam omdat zij een vreemdeling was. Maar andere uitleggers houden deze Kuschitische voor de tweede vrouw van Mozes.

Bij de berg Horeb ontving kreeg Mozes bevel om Israël uit de macht van Egypte te verlossen en naar Kanaän te leiden. Hij aarzelde en bracht allerlei bedenkingen in. God beloofde hem behalve Zijn hulp ook de bijstand van zijn broer Aäron, die hem zou helpen als zijn "mond" en "profeet" . Mozes nam afscheid van Jethro en reisde met vrouw en kind naar Egypte. Onder welke Egyptische Farao Mozes leefde en de uittocht plaatshad, is ook in de 20e eeuw moeilijk te bepalen. Volgens 1 Kon. 6:1 waren er 480 jaar verlopen tussen de uittocht uit Egypte en het begin van de tempelbouw door Salomo. Dit zou de uittocht in ongeveer 1491 v. Chr. plaatsen. De beschrijving van de toestand van de Israëlieten past bij de tijd van de grote Farao Ramses II, die al jong mederegent van zijn vader Seti I was en 67 jaar regeerde. Hij liet juist in Beneden-Egypte grote bouwwerken uitvoeren. In Ex. 1:11 worden > twee steden bij name genoemd, Pithom en Ramses, steden in het door de Hebreeën bewoonde Gosen. Onder de ruïnes van deze plaatsen vindt men nog zwarte, van klei en stro gemaakte tichelstenen.

Onderzoekers hebben de Joden aangezien voor de Hyksos, Semieten die 500 jaar over Egypte heersten en daarna verdreven werden, maar dat is onwaarschijnlijk. Riehm denkt aan de opvolger van Ramses II, Mineptah, als de Farao van de uittocht. Hij had niet de eerzucht die zijn vader eigen was, zodat hij de Israëlieten ook niet al slaven nodig had. Mozes en zijn broer kregen te maken met onwil en moedeloosheid onder hun eigen volk. Het motief van het offeren bij de Horeb leefde meer bij Mozes dan in de harten van het volk. De eerste plagen zijn meer tekenen, die het bestaan van Israëls God bewijzen. Eerst zijn Mozes en Aäron de handelende personen, maar de eerstgeborenen van mensen en vee doodt de Here Zelf. De eerste tekenen kunnen de Egyptische priesters en tovenaars nadoen, maar niet de plaag van de muggen . Door het werk van Mozes na te bootsen vergrootten zij wel de ellende in Egypte, maar zij konden deze niet wegnemen.

De zg. "tien plagen" hangen gedeeltelijk samen met toestanden en natuurverschijnselen in Egypte. Maar de zwaarte van de plagen en het verband waarin zij staan met het woord van Mozes, maken ze tot tekenen van de macht van de Here. Tenslotte gaf de koning het gevraagde verlof en liet Israël vertrekken. Aanvankelijk volgde Mozes de gewone weg naar Kanaän, maar daarna sloeg hij een zuidoostelijke richting in, omdat de gewone weg door het gebied van de Filistijnen liep  Over de doortocht van de Rode Zee, de grote verlossingsdaad van God, zie men het artikel Zee, Rode.

 

 

 

3) Met de term de uittocht uit Egypte wordt verwezen naar het verhaal uit het boek Exodus uit de Hebreeuwse Bijbel. Hierin wordt verhaald hoe de Israëlitische slaven onder leiding van Mozes uit Egypte ontkwamen. Aan deze uittocht gingen de tien plagen van Egypte vooraf.

Mozes zou volgens de Hebreeuwse Bijbel door middel van de kracht van God de Schelfzee in tweeën hebben gedeeld en zo een doortocht hebben geschapen voor het Israëlitische volk naar de vrijheid. De eindbestemming was Kanaän dat als het door God Beloofde Land werd aangeduid. Toen het volk bijna op de plaats van bestemming was aangekomen begon het bezwaren aan te voeren tegen de inneming van Kanaän op grond waarvan God hen als straf veertig jaar lang door de Sinaïwoestijn liet trekken alvorens zij een tweede poging mochten wagen Kanaän te veroveren. Hun leider was al die tijd Mozes.

De uittocht uit Egypte wordt in het jodendom elk jaar feestelijk herdacht met het feest van Pesach dat in het voorjaar valt.

 


1260 v Chr. Begin intocht in Kanaän, onder leiding van Jozua. De Israëlieten troffen een ontwikkelde samenleving aan, deels levend in de bronstijd, met stadstaatjes en een eigen alfabetisch schrift. Kennelijk werd deze beschaving als bedreigend ervaren en moest ze hardhandig onderworpen worden.

Nieuwe visie op de verwoesting van Jericho

Resultaten van opgravingen die plaats vonden in de ruïneheuvel Tell es-Sultan, de plaats van de oude stad Jericho, hebben regelmatig een rol gespeeld in de discussie over de betrouwbaarheid van de verhalen over de Intocht van Israël in Kanaän in het boek Jozua.

In de jaren dertig groef de archeoloog John Garstang in de ruïneheuvel Tell es-Sultan,, een ineengestorte stadsmuur op, die verwoest was door een hevige brand, die hij dateerde in ca. 1400 v. C.. Hij legde ook een stadsgebied bloot waarvan hij aannam dat het verdedigd werd door de opgegraven muur. Garstang dateerde de ondergang van die stad (Jericho IV) in ca. 1400 v. C. wat in overeenstemming leek te zijn met de datering van de Intocht op grond van gegevens in de Bijbel. Garstang schreef de verwoesting toe aan de Israëlieten onder leiding van Jozua.

In de jaren 1952 tot 1958 vonden onder leiding van de archeologe Kathleen Kenyon opnieuw opgravingen plaats in Jericho. Ze concludeerde dat de verwoesting van een stadsmuur door een hevige brand, die Garstang had gedateerd in ca. 1400 v. C., in werkelijkheid plaatsvond aan het eind van Vroeg Brons (ongeveer 2250 v. C.).

Volgens Kenyon werd de laatste versterkte stad Jericho verwoest door de Egyptenaren, bij hun achtervolging van de Hyksos na hun verdrijving uit Egypte, in ca. 1550 v. C. Kenyon kwam verder tot de volgende conclusie: "Door de opgravingen is vast komen te staan dat er een Laat Brons stad heeft bestaan en er is een bescheiden aanwijzing gevonden inzake de datering van de verwoesting van die stad. Over het gehele oppervlak hebben huizen uit Midden Brons en uit de tijd daarna het lot van de verdedigingswerken gedeeld en zijn weggeërodeerd." Er waren volgens haar dus bewijzen van bewoning van een kleine stad Jericho uit de 14e eeuw v. C., blijkend uit het voorkomen van Myceens III aardewerk dat gedateerd werd tussen ca. 1380 en 1300 v. C.Het stadje Jericho uit deze tijd was echter onverdedigd of de bewoners gebruikten de overgebleven delen van de verwoeste muren als verdediging. De laatste bewoning tijdens Laat Brons kan volgens Kenyon gedateerd worden in ca. 1300 v. C..

In ca. 1220 v.C., de tijd waarin vele bijbelkritische geleerden de Intocht van Israël dateren, bestond er geen stad Jericho meer. De geleerden concludeerden dan ook dat het verhaal in Jozua 6 over de verwoesting van Jericho niet berustte op een historische gebeurtenis. Kenyons datering van de verwoesting van de laatste versterkte stad Jericho in ca. 1550 v. C. gold jarenlang als onomstreden. Velen hebben daardoor het geloof in de historische betrouwbaarheid van de Bijbel verloren.

 

Onder leiding van Jozua trok het hele volk van Israël vervolgens over de Jordaan


1100 v Chr. Gideon, belangrijke richter. De richteren waren leiders in deze periode zonder centraal gezag; ze traden naar voren als naburige stammen verslagen moesten worden. Sommigen spraken ook recht.

Gideon (גדעון) ook wel Jerubbaäl genoemd, is een persoon uit het Bijbelboek Richteren in het Oude Testament en dus ook de Tenach. Gideon was de zoon van Joas en werd door God benoemd om de Israëlieten te bevrijden van de Midianietenbezetting.

Eerst haalde hij op bevel van de Here het altaar en de cultuskolom van de Baäl-cultus naar beneden. "Daarom werd Gideon van die dag af Jerubbaäl genoemd – het betekent: Baäl mogen tegen u strijden – omdat hij het altaar naar beneden haalde".Vervolgens droeg God hem op om de midianieten aan te vallen en te verdrijven. Met zijn leger van 32.000 trok hij op tegen de 150.000 midianieten. Maar de Here liet hem zijn leger terugbrengen van 32000 tot 300 man. Gideon was erg onzeker, maar God kende Gideon's onzekerheid, en Hij hielp hem daarmee. Ze deden een verrassingsaanval en de midianieten gingen in de paniek elkaar te lijf. Het leger van Gideon won van de Midianieten. Gideon was een richter (ook wel rechter). Hij was de door God aangestelde leider. Na zijn dood keerden de Israëlieten weer terug naar hun oorspronkelijke geloof.

 

Gideon


040 - 1000 v Chr. Tijd van Samuël zie 1, de laatste richter, en Saul zie 2, de eerste koning

1) Samuel (ook wel Samuël) was een profeet uit de tijd van koning Saul. Tevens was hij een tijdlang richter van de Israëlieten en bovendien priester. Hij zalfde namens God Saul en later David tot koning. Samuel wordt geacht een deel van het eerste naar hem genoemde boek 1 Samuel uit het Oude Testament te hebben geschreven. Zijn Hebreeuwse naam luidt Sjemoe'eel en maakt in de Tenach deel uit van het Tenachdeel Profeten (Neviiem). Als voornaam komt het meestal voor in de verkorte vorm Sam.

 

Samuël

 

2) Saul was volgens de Hebreeuwse Bijbel de eerste koning van de Israëlieten. Hij was afkomstig van de stam Benjamin. Zijn koningschap wordt gedateerd in de elfde eeuw voor de gangbare jaartelling. In het boek 1 Samuel staat de levensloop van koning Saul beschreven. Saul had verschillende zonen, onder andere: Jonatan, Abinadab en Malkisua. Daarnaast had hij twee dochters, Merab en Michal.

Volgens de Bijbel werd hij tot koning uitgeroepen als reactie op de dreiging van de Filistijnen en Amelekieten. Na een overwinning op de Amelekieten liet hij na om hun koning te doden en hun vee te vernietigen hoewel Samuel hem dit had opgedragen. Samuel zei hem dat hierdoor zijn koningschap zou worden beëindigd. Om zijn depressies te verdrijven liet hij de herder David naar zijn hof komen. Door zijn vriendschap met Sauls zoon Jonathan en zijn heldendaden in de oorlogen tegen de Filistijnen maakte David steeds meer naam. Davids reputatie nam zo toe dat Saul hem als een concurrent ging zien en een poging deed David uit de weg te ruimen. Doordat Jonathan David inlichtte kon deze vluchten. De dreiging van de Filistijnen was niet geweken, na een inval in het noorden van Israël leverde Saul onder diverse slechte voortekenen slag tegen Gilboa. De slag liep uit op een grote nederlaag waarin ook de zoons van de koning sneuvelden. Wanhopig en geen uitweg meer ziende wil Saul zich door een bediende laten doden. Deze weigert, waarop Saul met zijn eigen zwaard zichzelf het leven ontneemt.

Saul werd opgevolgd door zijn zoon Isboset, behalve bij de stam Juda, waar David tot koning werd uitgeroepen. De volgende jaren was er een strijd tussen de familie van Saul en David, die door David werd gewonnen. In de Bijbel wordt Saul gezien als een tragisch figuur. Gekozen tot koning en een groot leider in verschillende oorlogen, gaat hij ten onder omdat hij niet genoeg vertrouwen heeft in God.

 

Samuel en Saul

 


1000 - 960 v Chr. Koningschap van David. Jeruzalem wordt hoofdstad van het door veroveringen gegroeide Israëlitische rijk.

Over Davids leven valt te lezen in het boek Samuël. Hij regeerde van 1010 voor Chr. tot 970 voor Chr. Hij was de jongste zoon in een groot gezin en werd in zijn jeugd geacht op de schapen te passen - vanwege het verschijnen van roofdieren geen ongevaarlijke baan, die desondanks in weinig aanzien stond. Onverwachts werd hij gekroond tot de opvolger van de toen heersende koning Saul. Het zou echter nog jaren duren voordat hij de troon besteeg.

Zijn eerste beschreven wapenfeit was het vellen van de reus Goliath met een steen uit zijn slinger, een wapen waarmee hij tijdens het hoeden van de schapen ruimschoots had kunnen oefenen. Zijn succes in het leger en het feit dat David tot zijn opvolger was gekroond leidde echter tot brandende afgunst van koning Saul. Een groot deel van zijn leven was David op de vlucht voor deze koning; pas na diens dood (waarin David overigens geen aandeel had) kwam David aan de macht, maar alhoewel zijn koningschap stabiliteit en militair succes bracht, kreeg hij het later weer bijzonder moeilijk door het optreden van sommige van zijn (al te ambitieuze) zoons waaronder Absalom. Omdat hij met meerdere vrouwen was getrouwd, had hij heel veel zonen: de eerste: Amnon, van Ahinoam, de Jezreëlitische; de tweede: Daniel, van Abigail, de weduwe van Nabal; de derde: Absalom, van Máächa, dochter van de koning van Gesur; de vierde: Adonia, van Haggith; de vijfde: Sefatja, van Abithal; de zesde: Jithream, van zijn huisvrouw Egla; daarna volgde:Simea, Sobab, Nathan en Salomo, van Bathseba, weduwe van Uria; en daarna Jibchar, Elisama, Elifelet, Noga, Nefeg, Jafia, Eljada en hun zuster Thamar. Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen van de bijvrouwen. Zijn zoon, koning Salomo, bouwde uiteindelijk de Tempel van Jeruzalem, iets wat David dolgraag zelf had willen doen, maar wat hij vanwege zijn bloedige veldslagen niet mocht.

Historiciteit

Sommige historici beweren dat koning David en zijn koninkrijk nooit hebben bestaan, en dat de verhalen over zijn leven later door joodse nationalisten zijn opgetekend. Andere historici nemen wel aan dat koning David heeft bestaan, maar dat (net als bijvoorbeeld Koning Arthur) veel van de verhalen over zijn leven eerder tot de mythen dan als harde geschiedschrijving moeten worden gerekend. De enige aanwijzing voor het bestaan van koning David - buiten de Hebreeuwse Bijbel om - is een oude inscriptie die gevonden is in Tel Dan. Hierin staat verwijzing te lezen naar een koning uit het "Huis van David". Deze inscriptie bevestigt indirect dus het bestaan van de historische koning David.

David in het christendom

Voor christenen is David belangrijk, omdat hij een verre voorvader zou zijn van Jozef van Nazareth. Verschillende profetieën in het Oude Testament voorspelden dat de Messias zelf een afstammeling van koning David zou zijn. In het Evangelie naar Mattheüs wordt de stamboom van koning David naar Jozef uitgewerkt. Maar ook de moeder van Jezus, Maria, zou volgens het geslachtsregister een nakomeling van David zijn.

 

Jan Mostaert, De boom van Jesse, 1485, olieverf op paneel, 89 x 59 cm, Rijksmuseum Amsterdam

De afstamming is voorgesteld als een echte boom. Die boom ontspruit aan Isaï, ook wel Jesse genoemd, de vader van David. Op de takken zitten de twaalf koningen van Juda, allemaal gekleed in kleurrijke middeleeuwse kledij. Onderaan zit koning David. David speelde harp, zo vertelt de bijbel, vandaar dat hij altijd met een harp wordt afgebeeld.

Boven in de boom zit Maria met het kindje Jezus op haar schoot. De non links was de opdrachtgeefster en de mannen links en rechts zijn misschien de profeten Jesaja en Jeremia.


964 - 926 v Chr. Koningschap Salomo; bouw eerste tempel (1 Kon. 6, 2 Kron. 3). Door zijn onderdanen werd Salomo waarschijnlijk als een tiran ervaren.

Koning Salomo (Hebreeuws: שלמה) van Israël was een zoon en de troonopvolger van David en bouwde de eerste Joodse Tempel. Hij regeerde van ongeveer 970 v. Chr. tot 930 v. Chr..

Wijsheid

Salomo (of Salomon) staat bekend vanwege zijn wijsheid, onder meer blijkend uit zijn vermogen recht te spreken (bijvoorbeeld het beroemde salomonsoordeel). Verschillende Bijbelboeken Prediker en Spreuken - die tot de wijsheidliteratuur worden gerekend- worden traditioneel beschouwd als van de hand van Salomo, al wordt door velen tegenwoordig aangenomen dat de boeken een latere (2e - 3e eeuw v. Chr.) compilatie zijn van verschillende bundels die in omloop waren. Overigens kunnen onder deze bundels heel goed originele geschriften van Salomo zijn geweest maar werd zijn naam aan de hele compilatie gegeven. Ook bij de naburige beschavingen van Egypte en Mesopotamië deden dergelijke wijsheids geschriften de ronde. Een bekende Egyptische bundel wijze spreuken wordt toegeschreven aan farao Ramses I.

Regering

Salomo regeerde tijdens de Gouden Eeuw van het oude Israël. Het rijk strekte zich uit van Egypte tot de Eufraat en van de zee tot diep in het huidige Jordanië. Gedurende zijn regering was er geen oorlogsvoering nodig en konden de bewoners zich wijden aan de winstgevende tussenhandel via de vele handelswegen die door Israël en Jeruzalem liepen. Samen met zijn bondgenoot koning Hiram van Tyrus breidde Salomo ook de scheepvaart en handel op de Middellandse Zee en de Rode Zee uit. Volgens sommige legendarische verhalen gingen op deze reizen vele Israëlieten mee als scheepsbemanning en als kooplieden die zich vaak ook vestigden op verre handelsposten zoals in Tharsish, Libië, Etrurië en Ophir (wat misschien het huidige Jemen was). Zo begon er al een soort vrijwillige Diaspora 500 jaar voor de latere val van Jeruzalem door de Babyloniërs.

De keerzijde van de glorie die Salomo zijn land bracht waren de zware belastingen die hij hief om zijn vele bouwprojecten en zijn extravagante levensstijl te bekostigen. Zo was hij een groot liefhebber van vrouwen en hield er een uitgebreide harem op na. De bewering in de Bijbel dat hij 700 echtgenotes en 300 bijvrouwen had moet misschien met een korreltje zout worden genomen (hoewel bv. de latere Sultans van het Ottomaanse Rijk er wel degelijk zoveel vrouwen op na hielden). De 'verzamelwoede' voor vrouwen van Salomo werd overigens streng afgekeurd door de toenmalige profeten en ook de Tenach verbiedt de veelwijverij. Op het laatst van z'n leven kwam hij, door o.a. de invloed van zijn vele heidense vrouwen en buitenlandse bezoekers, tot afgoderij, of tenminste tot het gedogen daarvan, hetgeen in de ogen van steile joden bijna even erg was. Dat was de reden dat de profeten van God zijn nageslacht zware tijden voorspelden en de spoedige ondergang van de eenheidsstaat. Na zijn dood brak er bijna onmiddellijk een burgeroorlog uit die uitdraaide op de splitsing van het rijk in de koninkrijken Juda en Israël. En mede als gevolg daarvan begonnen ook weer de overvallen en invasies van de buurlanden, die al in de tijd van de Richteren gebruikelijk waren, totdat binnen 400 jaar Israël en Juda als zelfstandige naties verdwenen waren. Tot aan de stichting van de moderne staat Israël hadden de joden geen zelfstandig thuisland meer.

Latere invloed van Salomo's regering

In de Arabische literatuur zijn nog vele verhalen overgeleverd over de wijsheid, rijkdom en magische krachten die Salomo (Suleiman) bezeten zou hebben. In de archeologie van Israël zijn tot nu toe weinig sporen van Salomo's regering gevonden, wat waarschijnlijk te wijten is aan de vele verwoestingen en wederopbouwperiodes, waarbij oud bouwmateriaal hergebruikt werd, die bijna alle plaatsen en steden in Israël hebben ondergaan in de 3000 jaar sinds Salomo.

In het christendom wordt de regering van Salomo en de voorspoed die er toen was wel gezien als een voorafschaduwing van de regering van de Messias tijdens het 1000-jarige rijk.

 

De Dordtse schout Jan van Drenckwaert liet dit schilderij maken door de kunstschilder Jan van Cuyck, die hij gevangen had gezet wegens ketterij.

Op dit schilderij is de schout afgebeeld als Koning Salomo, die in de bijbel als een rechtvaardige koning wordt beschreven. Van Cuyck schilderde het in de gevangenis, kort voordat de schout hem in het openbaar liet verbranden.

Twee vrouwen hebben elk een kind gekregen. Eén van die kinderen ging 's nachts dood. Nu zeggen beiden dat het levende kind van haar is. Salomo zegt: "Hak het kind in tweeën en geef ze allebei de helft". Eén van de vrouwen protesteert hevig. Dan weet Salomo dat het kind van haar is en niet van de ander, die niets zei.

 


926 v Chr. Dood Salomo; scheuring van het rijk in Israël en Juda (ook wel: Judea). Het verval was al ingezet tijdens Salomo's bewind, doordat hij vreemde erediensten toeliet die de eenheid van het rijk verzwakten.

De scheuring van het rijk

Rechabeam ging naar Sichem, waar heel Israël was samengekomen om hem tot koning uit te roepen. Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde hiervan, maar hij bleef in Egypte, waarheen hij voor koning Salomo was gevlucht.  Daarom werden er boden gestuurd om hem te halen, en samen met de verzamelde Israëlieten wendde hij zich tot Rechabeam met het volgende verzoek: ‘Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd. Maakt u onze taak nu minder zwaar, verlicht het juk waarmee uw vader ons heeft belast, dan zullen wij u dienen.’ ‘Geef me drie dagen bedenktijd,’ antwoordde Rechabeam, ‘en kom dan bij me terug.’ Toen het volk was weggegaan, raadpleegde Rechabeam de oudsten die zijn vader Salomo ter zijde hadden gestaan toen die nog leefde: ‘Wat raadt u mij aan? Wat moet ik het volk antwoorden?’ ‘Als u zich nu een dienaar van het volk toont,’ zeiden ze, ‘en het van dienst bent met een welwillend antwoord, zal het u voor altijd dienen.’Maar hij legde de raad van de oudsten naast zich neer en raadpleegde de jongemannen die met hem waren opgegroeid en die hem nu ter zijde stonden:‘Wat raden jullie aan? Wat moeten wij het volk antwoorden op zijn verzoek om het juk te verlichten dat mijn vader het heeft opgelegd?’ De jongemannen zeiden tegen hem: ‘Het volk heeft je gevraagd om het te ontlasten van het zware juk dat je vader het heeft opgelegd. Welnu, zeg tegen hen: “Mijn pink is dikker dan het lid van mijn vader! Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen!”’Toen Jerobeam en de andere Israëlieten na drie dagen bij koning Rechabeam terugkwamen, zoals hun gezegd was, gaf de koning hun een hardvochtig antwoord. Hij legde de raad van de oudsten naast zich neer en antwoordde zoals de jongemannen hem hadden aangeraden: ‘Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen.’De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek van het volk. De HEER had dit zo beschikt om in vervulling te laten gaan wat hij bij monde van Achia uit Silo aan Jerobeam, de zoon van Nebat, had voorzegd.
Toen de Israëlieten merkten dat de koning aan hun verzoek geen gehoor gaf, zeiden ze tegen hem: ‘Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaï! We breken op, volk van Israël! Het koningshuis van David zorgt maar voor zichzelf!’ En de Israëlieten braken op. Rechabeam bleef alleen koning over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden. Hij stuurde Adoniram, de opzichter van de herendienst, nog naar de Israëlieten, maar die werd gestenigd. De koning zelf kon nog net op een wagen klimmen en naar Jeruzalem ontkomen. Zo brak Israël met het koningshuis van David, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag.
De Israëlieten, die hadden gehoord dat Jerobeam was teruggekeerd, lieten hem vragen om voor de volksvergadering te verschijnen. Daar werd hij uitgeroepen tot koning van heel Israël. Er was niemand meer die het koningshuis van David steunde, behalve de stam Juda.
Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de stammen Juda en Benjamin honderdtachtigduizend geoefende krijgslieden op om de strijd aan te binden met de Israëlieten en het koningschap voor hem, de zoon van Salomo, terug te winnen. Maar God richtte zich tot de godsman Semaja met de woorden:‘Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en koning van Juda, en tegen Juda en Benjamin en de rest van het volk: “Dit zegt de HEER: Trek niet ten strijde tegen de Israëlieten, jullie broeders, maar keer terug naar huis, want dit alles is van mij uitgegaan.”’ Ze gehoorzaamden en gingen terug naar huis, zoals de HEER had gezegd.

 

Het rijk van Jerobeam


 

Israël (noordelijke rijk; hoofdstad: Samaria) 926 - 722

Tiglat-Pileser I stichtte het Nieuw-Assyrische rijk  dat onder zijn opvolgers sterk werd uitgebreid. Tiglat-Pileser III (745-727 v Chr) was het die een einde maakte aan een Syrische coalitie waar ook het koninkrijk Israël toebehoorde en onder leiding stond van Damascus. De Israëlieten kregen toen een bijna niet te torsen belastingplicht opgelegd door de nieuwe heerser. Tijdens de regering van Hosea, Israëls laatste koning, weigerde men nog langer aan deze schatting te voldoen. De Assyrische koning Salmanasser V viel zijn koninkrijk binnen en sloeg rondom de hoofdstad Samaria een wurgend beleg. Na een langdurige strijd wist koning Sargon II  Samaria in het jaar 722 v Chr. in te nemen, waarbij de stad grondig verwoest werd.


871-852 v Chr. Koning Achab voert de Baälverering in. De profeet Elia.

Achab (אַחְאָב : broeder van vader) was de zoon van Omri en is een van de koningen van het toenmalige tienstammen koninkrijk Israël dat tegenover Juda stond. Hij huwde met Izebel, de dochter van koning Eth-baäl van Tyrus. De juiste periode waarin hij juist regeerde is onzeker, omstreeks 900 voor onze tijdrekening. William F. Albright plaatst zijn regeringsperiode van 869 - 850 , E. R. Thiele dateert het van 874 - 853 en volgens de Catholic Encyclopedoa CD-Rom is deze periode van 918 - 896. Hij heeft dus gedurende ongeveer 22 jaar geregeerd.

In het Oude Testament en de Tenach

De geschiedenis rond Achab wordt beschreven in de bijbel in de boeken 1 Koningen en 2 Koningen. Hij bevorderde de welvaart van zijn volk en men neemt aan dat tot Achabs bouwwerkzaamheden ook de voltooiing behoorde van de versterkingen van de stad Samaria. De tempel voor aanbidding van de God van Israël stond echter in Jeruzalem (Juda) en Achab deed alles wat mogelijk was om het godsdienstig volk in zijn tienstammen koninkrijk te houden. Zijn huwelijk met Izebel bewerkte dat hij de Baälsaanbidding (sterk afgodisch in de ogen van de God van Israël: Jahwe bevorderde. Achab liet zich er door zijn vrouw Izebel toe bewegen Baäl te aanbidden, een tempel voor Baäl te bouwen en een heilige paal ter ere van Astarte (Astoreth) op te richten. In Samaria werden bij archeologische opgravingen verschillende gedeelten blootgelegd die dit ondersteunen.
In de bijbelse geschiedenis komt de strijd tussen de aanbidding van de God van Israël (Jahwe) en Baäl in deze periode tot een hoogtepunt onder de profeet Elia, beide groepen aanbidders vragen hun God het klaargemaakte offer te aanvaarden en zodoende hun gelijk te ondersteunen. Hier is het de God van Israël die zich duidelijk boven Baäl manifesteerde door het offer van Elia te aanvaarden en bovendien de drie jaar durende droogte ophief. Ondersteuning voor deze droogte vinden we onder meer in het Nieuwe testament bij Lukas Hfdst 4:25.

Volgens het bijbelverslag in 2 Koningen is het Jehu die als koning van Israël een einde maakt aan het bewind van Achab.

Volgens de Joodse overlevering rekent men Achab onder de drie koningen die geen aandeel hebben in het eeuwig leven.

Zegelring met daaronder een vergroting van de inscriptie ('Achab, koning van Israel')

 


845 v Chr. Machtsgreep Jehu zie 1, moord op aanhangers Baäl; profeet Elisa zie 2

1) Jehu, koning van Israël


Ondertussen riep de profeet Elisa een van de leerlingen van de profetengemeenschap bij zich en droeg hem op: ‘Neem dit kruikje met olie en ga zo snel mogelijk naar Ramot in Gilead. Daar aangekomen moet je Jehu opzoeken, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar hem toe en neem hem apart. Ga met hem naar een afgezonderd vertreken giet het kruikje olie over zijn hoofd uit met de woorden: “Dit zegt de HEER: Hierbij zalf ik je tot koning van Israël.” Daarna moet je het vertrek verlaten en maken dat je wegkomt.’
De jonge profeet ging naar Ramot in Gilead.Toen hij daar aankwam, zaten de bevelhebbers van het leger bij elkaar. ‘Kan ik u spreken, overste?’ vroeg hij. ‘Wie van ons wilt u spreken?’ vroeg Jehu. ‘U, overste,’ antwoordde hij. Jehu stond op en ging met de jonge profeet mee naar binnen. Daar goot de profeet de olie over Jehu’s hoofd uit en zei: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Hierbij zalf ik je tot koning over Israël, het volk van de HEER. Ruim het koningshuis van Achab, waarbij je in dienst staat, uit de weg, want ik wil het bloed wreken van de profeten en van al mijn andere dienaren die door Izebel ter dood zijn gebracht. Heel het koningshuis van Achab zal ten onder gaan, alle mannelijke leden van zijn familie zal ik uitroeien, van hoog tot laag. Het zal het koningshuis van Achab vergaan als het koningshuis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en het koningshuis van Basa, de zoon van Achia. En Izebel zal op de akkers van Jizreël door de honden worden opgevreten, niemand zal haar begraven.’ Daarop verliet de profeet het vertrek en maakte dat hij wegkwam.
Toen Jehu terugkwam bij de dienaren van zijn heer vroegen ze hem: ‘Is alles in orde? Wat moest die gek van jou?’ ‘Ach, het gewone gezeur, jullie kennen dat wel,’ antwoordde Jehu. ‘Maak dat een ander wijs,’ zeiden ze. ‘Zeg op, wat had hij te vertellen?’ Toen zei Jehu: ‘Hij heeft me het volgende gezegd: “Dit zegt de HEER: Hierbij zalf ik jou tot koning van Israël.”’ Ogenblikkelijk deden ze allemaal hun mantels af en spreidden die voor hem als loper over de traptreden uit. Toen bliezen ze op de ramshoorn en riepen: ‘Jehu is koning!’

 

 

2) Elisa is een profeet waarover geschreven staat in de Hebreeuwse Bijbel. Hij is de opvolger van de profeet Elia. De levensloop van Elisa is met name terug te vinden aan het einde van het Bijbelboek 1 Koningen en voor de rest in het Bijbelboek 2 Koningen.

(אלישע "Mijn God is redding", Standaard Hebreeuws Elišaʿ, Tiberiaans? Hebreeuws ʾĔlîšaʿ) was de zoon van Shaphat uit Abel-meholah; hij werd de dienaar en volgeling van Elia (1 Koningen 19:16-19). Zijn naam komt het eerst voor in de opdracht aan Elia om hem tot opvolger te zalven. Op zijn weg van Sinaï naar Damascus treft de profeet Elia hem aan terwijl hij met de runderen het land ploegt. Hij roept Elisa door zijn mantel over diens schouders te gooien. Hij neemt hem aan als zoon en roept hem tot het profetenambt.

Gedurende twaalf jaar horen we weinig over Elisa, tot het overlijden van Elia. Hierna wordt gezegd dat hij 'een dubbel deel' van de geest van Elia heeft gekregen, en wel omdat hij de wonderbaarlijke hemelvaart van Elia heeft mogen aanschouwen. Hij heeft de leiding van de profetenschool in Jericho, redt Samaria en Dothan van een Syrische belegering, en geneest de Syrische generaal Naäman van melaatsheid. Hij zalft Hazaël tot koning over Syrië en Jehu tot koning over Israël. Jaren later, op zijn sterfbed, komt koning Joas, de kleinzoon van Jehu, om te rouwen over zijn naderende einde. Hij spreekt tot Elisa dezelfde woorden als Elisa bij Elia's dood: "Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël!" Volgens 2 Koningen 13:20-21 werd een jaar na zijn begrafenis het lichaam van een overleden man 'weer levend toen het diens beenderen aanraakte'.

 

Ikoon, "Heilige profeet Elisa".
Centraal-Rusland, midden 17e eeuw.
De profeet Elisa, afgebeeld in halformaat, toont met beide
handen een geopende tekstrol. De ikoon vormde een onderdeel
van een grote ikonostase in een orthodoxe kerk.


787-747 v Chr. Bloeiperiode onder Jerobeam II zie 1, wiens godsdienstbeleid veroordeeld wordt door de profeet Hosea. Geschriften van de profeet Amos zie 2.

1) Het paslood

De Here stond bij een muur, die destijds loodrecht gemaakt was, met een paslood in Zijn hand. Hij zou dit paslood ge­bruiken in het midden van Zijn volk Israël en dit volk voortaan niet meer voorbijgaan, voor oordeel niet meer sparen. De hoogten van Izaäk zouden verwoest, de heiligdommen van Israël vernield worden, en tegen het huis van Jerobeam zou met het zwaard worden opgetreden.

Het beeld van een paslood is eenvoudig: het wijst elke afwijking aan. Het bewijst of een muur uit het lood is gezakt. Zo ja, dan kan er maar één ding gedaan worden: afbreken en opnieuw bou­wen. Dit zou ten aanzien van Israël dan ook geschieden. In dit derde visioen is geen sprake van bemiddeling, er zou een definitief oordeel over Israël worden uitgeoefend, n.l. de wegvoering van de tien stammen door de Assyrische koning Salmanéser, 2 Kon. 17:1-6. Hoe veelzeggend zijn de woorden: ”Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan”. En dit was de tweede aankon­diging. Tevoren had de Here reeds gezegd, dat Hij Israël zou be­handelen, zoals Hij destijds Egypte had gedaan, 5:17. Nu werd deze uitspraak nog aangevuld met: ”Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Zoals aan Israël in Egypte was geschied, en zoals Israël ook nog gespaard was voor de oordelen van de twee vorige visioenen. Een lam waarvan het bloed Israël beveiligde, zou er nu niet zijn.

Aan het volksbestaan van Israël zou een einde worden gemaakt, de ”heiligdommen” van Israël zouden worden verwoest en het huis van Jehu, waarvan Jerobeam II de derde afstammeling was, door het zwaard getroffen. Dit is dan ook geschied. Zacharia, de zoon van Jerobeam werd, na een regering van zes maanden, doodgeslagen. Toen was de belofte aan Jehu, dat van zijn zonen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zouden zitten, vervuld geworden, 2 Kon. 15:8-12. Na Zacharia hebben nog vijf koningen korter of langer over Israël geregeerd, in totaal ruim 41 jaar. Onder Hoséa, de laatste van deze vijf, en ook de laatste van alle koningen van Israël, is het oordeel, dat een einde maakte aan het volksbestaan, gekomen. Samaria werd na een beleg van drie jaar verwoest en Israël, voor zover niet gesneu­veld, naar Assyrië weggevoerd. Dat gebeurde in het jaar 722 vóór Christus, 2 Kon. 17:6.

Er gaat een geweldige spraak uit van het paslood. Als de Heer dit gebruikt in onze dagen, in ons midden, in onze familie, in ons  gezin, wat zal het dan aanwijzen? De verzen 10-17 van dit hoofdstuk onderbreken de visioenen van de profeet Amos, en beschrijven het verzet tegen zijn profeteren in Israël.

Amos was naar Bethel gegaan om daar te profeteren. Amazia, de priester van Bethel (niet de priester des Heren), kwam tegen de profeet in verzet en zond aan Jerobeam II, koning van Israël, bericht dat Amos een samenzwering tegen hem sprak in het midden van het volk, woorden die door het land, het koninkrijk, niet konden worden verdragen. - Want hij had gezegd, dat de koning Jerobeam door het zwaard zou sterven, en dat Israël ge­vankelijk uit het land zou worden weggevoerd. Het eerste heeft de profeet zeker niet gezegd. De Here had hem immers niet me­degedeeld, dat  Jerobeam door het zwaard zou sterven, maar dat het huis van Jerobeam door het zwaard zou worden getroffen. Priesters, door mensen aangesteld, hebben zich altijd verzet tegen de dienaren des Heren, die door de Heilige Geest gedreven het Woord van God spraken. - Amazia gedoogde het optreden van Amos in het tienstam­menrijk niet, in welk rijk hij zichzelf geestelijke rechten aanmatigde. Amos kwam door zijn profeteren op Amazia’s terrein. Om zich van de profeet te ont­doen, wiens woorden hem toch verontrustten, schakelde hij de wereldlijke overheid in, opdat deze de profeet zou veroordelen. Vooruitlopende op een besluit van Jerobeam, zei hij tot Amos: ”Gij ziener, ga weg, vlucht in het land van Juda, en eet aldaar brood en profeteer aldaar. Maar te Bethel zult gij voortaan niet meer profeteren, want dit is een koninklijk heiligdom en een rijkstempel”. Zo wilde Amazia zich van Amos ontdoen. Maar hij vergat, dat God Zich geen beperkingen laat opleggen door mensen en dat alleen Zijn gezag wettig en beslissend is. Amos verkondigde in Israël de waarheid, maar het was voor de pries­ter Amazia van het hoogste belang, dat hieraan paal en perk werd gesteld. Want op die manier werd heel het godsdienstige systeem, door Jerobeam I uitgedacht, te gronde gericht, en daarmede ook de positie van de geestelijke leiders in Israël. Vandaar de valse aanklacht, en een inschakeling van de overheid om dwang uit te oefenen.

Siegel des Sema: eines Ministers des Königs Jerobeam II (787-747 v. Chr.)

 

2) Amos profeteerde onder de regering van Uzzia (ook wel ge­noemd Azaria), koning van Juda, die tweëenvijftig jaar te Jeru­zalem regeerde (2 Kron. 26:3) en onder het bewind van Jerobeam II, koning van Israël, die eenenveertig jaar te Samaria regeerde. Er is slechts één koning geweest die nog langer dan de eerstge­noemde op de troon heeft gezeten, nl. Manasse, koning van Ju­da, die vijfenvijftig jaar heeft geregeerd.

Een langdurige regering betekende echter nog niet een goed­keuring van dat bewind door God. Want die van Manasse was een aaneenschakeling van zonde en ongerechtigheid. Uzzia, de koning van Juda, deed wat recht is in de ogen des Heren (2 Kon. 15:3). Zijn regering was zeer voorspoedig, het rijk werd zeer versterkt. Tot op de dag, waarop deze koning, door hoogmoed gedreven, tevens priesterlijke dienst in de tempel wilde verrichten. Als straf hierover werd hij melaats tot zijn dood toe. De na hem komende koningen Jotham, Hizkia en Josia wandel­den in de wegen des Heren. Door de trouw van deze ware nako­melingen van David werd het oordeel, dat Juda bedreigde, o.a. door de godde­loze koningen van Juda: Achaz, Manasse en Amon, nog uitgesteld.

Met Jerobeam II was het geheel anders gesteld. Hij deed wel grote daden in de ogen van mensen, maar hij wordt gekenmerkt door ”hij deed wat kwaad was in de ogen des Heren.”. Toch heeft God hem nog willen gebruiken om Israël te verlossen. De Here had toen nog niet gezegd, dat Hij de naam van het tien­stammenrijk Israël van onder de hemel zou uitwissen (2 Kon. 14:23-29). Na de dood van Jerobeam II en de regering van nog zes hem opvolgende koningen, die gezamenlijk 41 jaar en 7 maanden geregeerd hebben is dit tienstammenrijk geheel ten onder gegaan, door de wegvoering van de bevolking naar Assy­rië. De regering van Uzzia, koning van Juda, en die van Jerobeam II, koning van Israël, vielen samen gedurende een periode van veertien jaar. Maar het is niet zo dat Amos gedurende deze veertien jaar heeft geprofeteerd. Het eerste vers van hoofdstuk 1 zegt, dat hij profeteerde twee jaar vóór de aardbeving.

Amos
 


722 v Chr. Verovering door de Assyriërs o.l.v. Salmaneser V

Als een volk voor de derde keer zou rebelleren was het officiële Assyrische antwoord kort en krachtig: dat volk zou ophouden te bestaan. Het Assyrische leger zou nagenoeg de hele bevolking met geweld in ballingschap drijven. De Assyriërs verspreidden de ballingen door hun hele rijk en herbevolkten de leeggekomen gebieden met mensen uit andere verre gebieden. Eenmaal uit hun eigen land verwijderd en hun land door anderen bevolkt zouden de verspreide ballingen weinig middelen of motivatie meer hebben om nog eens tegen de Assyrische heerschappij in opstand te komen.

Een pro-Assyrische, maar onbetrouwbare Israëlitische vazal, koning Hosea (ca. 731-722 v. Chr.) bracht de gebeurtenissen op gang die de ontbinding van het noordelijke koninkrijk veroorzaakten. In de hoop op belangrijke steun van Egypte in het zuiden verraadde Hosea omstreeks 724 v. Chr. het Assyrische vertrouwen
(2 Kon. 18:9-10).

reageerde met een beleg (ca. 724-722 v. Chr.) dat ten slotte de val van Israël’s hoofdstad Samaria tot gevolg had. Op dat punt hield het noordelijke koninkrijk op te bestaan als politieke entiteit.

De geschiedenis bevat een naschrift op de val van Samaria in 722 v. Chr. Na met succes Israël’s Beloofde Land te zijn binnengevallen door de overwinning op het noordelijke koninkrijk, keerden de Assyriërs spoedig terug om het zuidelijke koninkrijk Juda aan te vallen. Binnen tien jaar kwam het Assyrische leger terug en veroverde bijna alle versterkte steden van Juda (2 Kon. 18:9, 13-14). Jeruzalem echter viel in deze invasie niet en het koninkrijk herstelde voldoende om nog 135 jaar te blijven  587 v. Chr. de Babylonische legers Jeruzalem veroverden en verwoestten.

 

The Assyrian Empire under Sargon II

Salmaneser V besieged Samaria but the final conquest of the city was achieved by Sargon II,
that deported about 30,000 Israelites of the Tribes of Efrayim and Menasheh
to the cities of Media, besides the previous resettlement areas:
"In the ninth year of Hoshea the king of Ashur took Shomron,
and carried Israel away to Ashur, and placed them in Chalach, and on the Chavor, the river of Gozan,
and in the cities of the Madai" (2Kings 17:6).


Juda (zuidelijke rijk; hoofdstad: Jeruzalem) 926 - 586

Vooral in het Israël van David en Salomo werd heel veel geschreven, maar het Joodse volk bezat op dat moment eigenlijk nog geen algemeen erkend heilig boek. De schrijfkunst had er min of meer dezelfde functie als in elke andere ontwikkelde samenleving.

Op een gegeven moment besloot David om in zijn gloednieuw koninkrijk een volkstelling te organiseren en dit met het oog op de belastingen en de militaire dienst. Alles moest dus opgeschreven worden. David had daarvoor zijn toevlucht genomen tot geoefende ambtenaren uit het buitenland, voornamelijk uit Egypte. De nieuwe hoofdstad Jeruzalem telde zodoende heel snel heel wat ontwikkelde mensen, waaronder beroepsschrijvers. Een van die schrijvers heeft wellicht de mooie ‘novelle’ van Jozef in Egypte geschreven. Zo is het met heel wat zaken gegaan die neergeschreven werden en die gewoon als literatuur werden beschouwd. Sommige van die zaken werden voor ons bewaard omdat ze uiteindelijk in de bijbel terechtkwamen.

In vele heiligdommen van Israël werden voorts geschriften van religieuze aard bewaard en gebruikt (verhalen, beschrijvingen van riten, gezangen), maar zij functioneerden niet in die zin als heilige boeken, dat zij het leven van de hele gemeenschap bepaalden.

Dit bleef allemaal zo maar verder lopen toen het rijk in twee delen uiteenviel. Vooral de profeten ELia en Elisa waren bekend met overleveringen uit Israëls verleden, waarvan mogelijkerwijs sommige ook schriftelijk waren vastgelegd. Daaronder bevonden zich zowel verhalen over oude stamvaders en over de uittocht uit Egypte als collecties van rechtsregels en voorschriften. In 721 voor Christus werd het Noordelijke rijk Israël door Assyrië onder de voeten gelopen.

De leden der leidende klassen werden verspreid over het immense Assyrische rijk en werden vervangen door kolonisten uit het stamland Assyrië. Daardoor werden vreemde goden, priesters en riten ingevoerd in Israël. Een aantal trouwe vereerders van Jahweh zochten hun toevlucht in het Zuidelijke rijk Juda en namen daarbij mee wat hun was overgeleverd, ook in schriftelijke vorm.

 

Kingdom of Juda


871-849 v Chr. Koning Josafat

Josafat (Hebreeuws יְהוֹשָׁפָט, zijn naam betekent "De Heer is rechter") was koning van Juda. Hij was de opvolger van zijn vader Asa. Over zijn leven is in de Bijbel te lezen in 1 Koningen 22 en in 2 Kronieken 17-20. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd op 873 v. Chr. tot 849 v. Chr. of van 870 v. Chr. tot 849 v. Chr..

In het begin van zijn regeerperiode versterkte Josafat zijn koninkrijk tegen de Israëlieten. Daarnaast vernietigde hij afgodsbeelden van Baäl die in Juda te vinden waren. In het derde jaar van zijn regering stuurde hij priesters en Levieten het land in om zijn onderdanen te onderrichten in de wetten van de Thora. Middels een huwelijk kreeg Josafat een familieband met koning Achab van Israël. Samen trokken zij enkele jaren later ten oorlog tegen koning Ramot van Aram in Gilead. Achab kwam bij de stijd om het leven, maar Josafat wist ongeschonden van het slagveld terug te keren. Terug in zijn eigen rijk werd Josafat terechtgewezen door de profeet Jehu vanwege zijn alliantie met Achab.

Desondanks sloot Josafat later een overeenkomst met koning Achazja van Israël om samen een vloot te bouwen om handel te kunnen drijven met Tarsis. Maar de schepen gingen op de eerste tocht verloren. Samen met koning Joram voerde Josafat oorlog tegen de Moabieten. Aan het eind van Josafats regeerperiode vielen de Moabieten hem opnieuw aan, samen met de Ammonieten. Josafat won de oorlog. Korte tijd later overleed Josafat op zestigjarige leeftijd na 25 jaar geregeerd te hebben. Hij werd begraven in de Davidsburcht in Jeruzalem. Hij werd opgevolgd door zijn Joram.

 

Josafat


787-736 v Chr. Koning Azaria (Uzzia) zie1: voorspoedige ontwikkeling, o.a. verovering Negev zie 2.

1) Uzzia (in de bijbel wordt ook de naam Azarja gebruikt) was koning van Juda. Hij werd door het volk van Juda als opvolger van zijn vader Amasja benoemd. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd van 783 v. Chr. tot 742 v. Chr. of van 767 v. Chr. tot 740 v. Chr..

Over zijn leven valt in de Bijbel te lezen in 2 Koningen 14 en 2 Kronieken 26. Hij zou 52 jaar hebben geregeerd, één van de langste regeerperiodes in de geschiedenis van Juda. Uzzia, die de troon besteeg op 16-jarige leeftijd, stond bekend als een doortastende en goede vorst. Hij zorgde voor een groot en sterk leger en bouwde verschillende verdedigingswerken, zoals verschillende wachttorens in de stadsmuur van Jeruzalem. Hij voerde oorlogen tegen de Filistijnen, de Arabieren en de Meünieten. Daarnaast kreeg hij schatting (een afkoopsom voor oorlog) van de Ammonieten. Op het hoogtepunt van zijn macht, reikte zijn rijk tot aan de grens met Egypte. Aan het eind van zijn regeerperiode werd hij echter getroffen door huidvraat, nadat hij -tegen de regels in- zelf wierook had geofferd in de tempel van Jeruzalem. De laatste jaren van zijn leven moest Uzzia daarom in afzondering leven (mensen met huidvraat waren onrein en mochten niet in contact komen met anderen): zijn zoon Jotam was in deze periode regent van Juda.

Na zijn dood werd hij begraven in een apart graf in het veld waar ook zijn voorouders waren begraven. Hij werd als koning opgevolgd door Jotam.

Uzzia steen

In 1931 werd door professor E.I. Sukenik van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem een steen ontdekt, die tegenwoordig bekend staat onder de naam "Uzzia steen". Op de steen staat in het oud-Hebreeuws te lezen De beenderen van Uzzia, koning van Juda, rusten hier. Niet openen.... De stijl van de tekst is Aramees en de tekst wordt daarom gedateerd op 700 jaar na Uzzia. Niet achterhaald kan worden of de plaats waar de steen gevonden werd daadwerkelijk het graf van Uzzia was.

 

Koning Uzzia met melaatsheid

olieverf op paneel (103 × 79 cm) — 1639
Duke of Devonshire, Chatsworth House, Derbyshire

Uzzia, koning van Juda tussen 787 en 736 v.C., werd volgens de Kronieken gestraft met melaatsheid voor een overtreding begaan in de tempel van Jeruzalem. Hij had er wierook gebrand, een handeling voorbehouden aan priesters.

 

2) Voor meer dan duizend jaar was de Negev het het territorium van de Nabateanen, woestijnnomaden met een eigen, sterk ontwikkelde cultuur. Meer informatie over de Nabateanen vind je onder het kopje 'Bedouïnen'
Toen het Christendom de nationale godsdienst werd in de derde eeuw van deze jaartelling, groeide de betekenis van de Negev als Christelijk centrum. Asceten zochten spiritualiteit in de afzondering van verlaten grotten, er vomde zich kloosters en de routes door de woestijn vulden zich met pelgrims.
Na de Arabische verovering van de Negev in de zevende eeuw, raakten de wegen naar het Westen en het Byzantijnse rijk geblokkeerd. Wijn, eens een bron van inkomen voor de bewoners van de woestijn, werd niet langer verkocht. Langzamerhand raakte de Negev verlaten. Maar de steden, forten en nederzettingen werden niet verwoest en zorgen ook vandaag de dag voor afwisseling in het uitgestrekte woestijnlandschap
Maar ook heden wordt er gewerkt aan een nieuwe bijdrage aan de eeuwenoude cultuur van de woestijn. In de omgeving van de wouden worden beeldenparken aangelegd, met kunstwerken gemaakt van materialen uit de directe omgeving, zodat een andere, eigen verbinding onstaat tussen de oude en hedendaagse werkelijkheid.

 

 


740-700 v Chr. Profeten Jesaja en Micha; beide veroordelen de heersende afgoderij

Jesaja in het christelijk geloof

In het christendom wordt veel waarde aan het Bijbelboek Jesaja toegekend vanwege de als zodanig opgevatte verwijzingen naar de komst van Jezus als de Messias, met name de hoofdstukken 9, 11, 42, 49, 50, 52 en 53 zijn in dat kader van belang. In het Nieuwe Testament wordt dan ook veelvuldig naar Jesaja verwezen, onder andere door Jezus zelf.
Een selectie van Nieuwtestamentische passages die naar Jesaja verwijzen: Mattheüs 3:3, Lukas 3:4-6 en 4:16-41, Johannes 12:38, Handelingen 8:28 en Romeinen 10:16-21.

 

De profeet Jesaja

 

Het boek Micha (spr.u. als Miga) is een van de boeken in de Hebreeuwse Bijbel. Zowel in het Oude Testament als de Tenach valt hij onder de twaalf kleine profeten. De naam Micha betekent "Wie is gelijk aan God?".

Plaats in de bijbel

Micha is de zesde van de twaalf kleine profeten. De aanhef van het boek geeft aan dat hij optrad tijdens de regeringsperioden van de koningen Jotham, Ahaz en Hizkia. Wanneer we vanaf het begin van Jotham's regering rekenen (759-698 v. Chr.), dan heeft hij 59 jaar gediend, maar wanneer we van het eind van Jothams regering tot de troonsbestijging van Hizkia rekenen dan duurde zijn bediening slechts 16 jaar. Het is als opvallend beschouwd dat dit boek begint met de laatste woorden van een andere profeet met dezelfde naam namelijk Micha ben Jimla, (1 Koningen 22:28): "Hoort, gij volken, al te zamen!" Tijdgenoten van Micha waren Amos, Hosea en Jesaja. Micha was afkomstig uit het zuidwesten van Juda.

 

De profeet Micha


735 v Chr. Assyrië verslaat de vijanden van Juda, maar keert zich daarna tegen Juda

Assur (Assyrië)

In noordelijk Mesopotamië bevond zich het machtige land Assyrië, genoemd naar de oudste hoofdplaats Assur. De koningen van dit volk hebben het tienstammenrijk in ballingschap weggevoerd uit Samaria. Dat was in het jaar 722 voor  Christus. Die plaats was de residentie van de koningen van Israël, het rijk van de tien stammen.

Een bekende koning van het tienstammenrijk was koning Achab. Na de val van Samaria in 722 voor Christus wordt het tienstammenrijk in ballingschap weggevoerd naar Assyrië. Er is geen spoor meer ge vonden  van de tien stammen.  Assyrië is meer dan een eeuw een constante bedreiging geweest voor Juda.

En met  de definitieve val van Jeruzalem in 586 voor Christus  gaat óók het tweestammenrijk in ballingschap.De stammen Juda en Bejamin zijn de twee stammen van dit rijk. De Joden stammen af van Juda, zoals de naam al zegt.  Onder koning Cyrus van Perzië  komen de Joden terug naar Jeruzalem. 

Waar zijn de tien stammen gebleven ?

Eigenlijk bestaat het volk Israël niet meer. Hoe komt dit toch ?  Dat is het gevolg van een geraffineerde opzet van de koningen  van Assyrië. Koning Tiglatpilezer heeft een systeem bedacht om opstanden van overwonnen volken zo goed als onmogelijk te maken.  In de ontvolkte steden en dorpen vestigde hij  weer gevangenen uit andere streken. .  Dat was een heel andere tactiek dan die van Nebukadnezar, die de Joden  niet uit elkaar dreef. Nadat het tienstammenrijk naar Assyrië was weggevoerd, bleef Assyrië een voortdurende bedreiging voor Juda en Jeruzalem

Een dieptepunt in het beleid van Achaz (de koning van Juda) was, dat hij al het goud en zilver dat in de tempel van Jeruzalem aanwezig was, verzamelde en als een geschenk naar de koning van Assur zond in Damascus.  Hij werd ook gedwongen om Assyrische goden offers te brengen. Hij stuurde zelfs een boodschap naar Jeruzalem met de opdracht dat dáár - in de tempel - een nauwkeurige kopie van het Assyrische altaar geplaatst moest worden.

Eens toen de Assyrische koning al een heel gedeelte van Juda veroverd had, belegerde hij Jeruzalem. Koning Hizkia zat als het ware in een kooi.  Hij kon geen kant meer uit. En toen zond de Assyrische koning een boodschap naar Hizkia door bemiddeling van Rabsaké: Dacht je nu werkelijk, Hizkia,dat jouw god, de god van Israël Jeruzalem uit mijn macht zou kunnen redden? Laat me niet lachen. De boodschap was  vervat in  een vreselijke dreigbrief: Je weet wat er met Hamat en Arpad gebeurd is, Hizkia.  Zij zijn niet gered door hun goden. Ze zijn door de legers van mijn koning verwoest. En zou de god van Israël dan Jeruzalem sparen? Kom nou! Toen koning Hizkia de dreigbrief had gelezen, ging hij naar de tempel en spreidde de brief openlijk voor het aangezicht van de Here God uit en bad "Luister, Here en hoor met welke woorden Sanherib  U, de levende God hoont (2 Kon.  19:16)!

Op deze afbeelding zie je hoe de koning van Israël, Jehu zich diep in het stof voorover buigt voor Salmanassar de koning van Assyrië als teken van zijn onderwerping. Het is een heel bijzónder beeld, omdat het het enige portret is dat we kennen van een Joodse vorst.  Achter hem zien we  een hoveling met een deel van de enorme schatting aan goud en zilver die Jehu moest betalen aan de koning van Assur.   Het beeld komt voor op de Zwarte Obelisk van Salmanassar. Juda werd zodoende  schatplichtig aan Assyrië!


725-697 v Chr. Koning Hizkia, bestrijdt de Filistijnen, geprezen om zijn vroomheid

Hizkia (ook wel Jechizkia, overleden in 687 v. Chr.) was een bijbels-historisch figuur. Hizkia was van (vermoedelijk) 715 v. Chr. tot zijn dood koning van Juda. Hij was de opvolger van zijn vader Achaz.

Leven

Ten tijde van Hizkia's leven was Israël opgedeeld in een noordrijk (onder de naam Israël) en een zuidrijk (Juda). In 722 v. Chr. veroverden de Assyriërs het noordrijk. Zijn vader was toen koning van het zuidelijke Juda, dat een vazalstaat van de Assyriërs was. Desondanks liep ook Juda het gevaar veroverd te worden. Hizkia toonde zich naar buiten toe loyaal ten opzichte van de Assyriërs, maar bereidde tegelijkertijd de hoofdstad van Juda Jeruzalem voor op een beleg. Hij versterkte de stadsmuren en liet een 533 meter lang ondergronds kanaal (de Hizkia-tunnel) aanleggen van het bij de stad gelegen Gihonbron naar binnen de stad. De bouw van dit kanaal was voor die tijd een technisch meesterwerk.

Toen in 704 v. Chr. de Babyloniërs tegen de Assyriërs ten strijde trokken, steunde Hizkia met andere Syrische vorsten en in de hoop op steun van Egypte de opstand tegen de Assyriërs. De Assyrische koning Sanherib ondernam hierop een veldtocht tegen de Syriërs en veroverde het zuiden van Palestina (701 v. Chr.) voordat Egyptische hulp kon arriveren. Ondanks dat Hizkia 30 talenten goud en 300 talenten zilver betaalde aan Sanherib, begon Sanherib een belegering van Jeruzalem. Om onbekende redenen werd deze belegering echter afgebroken. Volgens Herodotus werd het leger van de Assyriërs getroffen door een muizenplaag, in de Bijbel wordt gesproken van de totale vernietiging van het leger van Sanherib) en een andere theorie is dat Sanherib het beleg staakte nadat Hizkia hem goud en zilver had betaald.

Tijdens zijn bewind stelde Hizkia religieuze veranderingen in. Hij schafte de verering van de Assyrische goden af en concentreerde zich op de verering van JHWH. Hizkia overleed uiteindelijk in 687 v. Chr. Zijn opvolger was zijn twaalfjarige zoon Manasse.

 

Hizkia


701v Chr. belegering van Jeruzalem door de Assyriërs o.l.v. Sanherib

Sanherib (ca. 705-681 v. Chr.) (ook bekend als Sennacherib) was een koning van Assyrië.

Hij is de zoon van Sargon II, was getrouwd met Naqi'a en was vader van Esarhaddon en grootvader van Assurbanipal.

Hij had bij zijn troonbestijging weinig last van lokale opstanden, want Assurs overmacht was zo groot geworden door de militaire ondernemingen van zijn voorganger Sargon II. Daardoor hoefde Sanherib zich niet meer bezig te houden met de jaarlijkse veldtocht. Intussen voerden de met de Meden verbonden Kimmeriërs een vriendschappelijke politiek ten overstaan van Urartu, niet om het Assyrische maar wel om het Frygische Rijk ten val te brengen. Sanherib slaagde er door toedoen van Egypte niet in de problemen in Juda volledig op te lossen.

Op het moment dat de Chaldese vorst van Babylon een verbond sloot met Elam, rukte Sanherib tegen hem op met het landleger en een door Westerlingen bemande en door Frygiërs gebouwde vloot. Op dat moment viel Elam Assyrisch grondgebied binnen. Sanherib overwon zowel Babylon als Elam en op onnavolgbare wijze liet hij Babylon verwoesten (hij liet het water van de Eufraat over de stad vloeien), wat in de latere Messopotamische literatuur werd gezien als een belediging van Babylons goden. Sanheribs nieuwe residentiestad Ninive werd door kanaten van water voorzien.


Oil painting entitled
‘King Sanherib’s defeat at the gates of Jerusalem’

 


638-608 v Chr. Koning Josia, vergroot de zelfstandigheid van Juda, annexeert de noordelijke provincies Galilea, Gilead en Samaria; hij verwijdert afgodsbeelden uit de tempel en voert hervormingen door, mede gerechtvaardigd door de vondst van een oud wetboek in de tempel .

Religie – aangepast aan de markt

Israël had zich in de tijd totaal aangepast aan de religie en de goden van de buurlanden. En van Jahwe, van de God van Israël zelf, was nauwelijks nog sprake. Hij werd op een zijspoor gezet. Men vond hem minder boeiend, minder prikkelend. Van Hem kon je je geen voorstelling maken, niemand had Hem nog ooit gezien. De afgodsbeelden van de buurlanden spraken veel meer tot de verbeelding. En als je die ging aanbidden, kreeg je er ook best veel voor terug. De god Jahwe was anders dan de andere goden, en omdat je Hem niet kon zien, was in Hem geloven moeilijker: je kon je geen voorstelling van Hem maken. En als je in Hem ging geloven, bracht je ook een scheiding aan in je relatie met de omliggende landen en culturen. En daar was het koning Salomo en zijn opvolgers vooral ook altijd om te doen geweest: om een goede relatie met je buren, de buurlanden.

Israël was in die tijd vooral een transitland, een doorvoerland van allerlei goederen naar de andere landen. Als de goederen vanuit het noorden naar het zuiden werden gebracht, van waar vandaag Turkije ligt, naar Egypte; of vanuit het westen naar het oosten, van Griekenland naar waar vandaag Irak ligt, kwamen ze door de gebieden van de stammen van Israël heen. Iemand vergeleek het land Israël van toen eens met het België van nu, waar ook maar weinige reizigers blijven hangen, maar de meesten doorheen rijden. Zo was Israël toen ook vooral een land waar de karavanen doorheen trokken; een land waar niemand echt langer bleef vertoeven. Tenzij, tenzij, dacht toen menige koning van Israël, wij een oponthoud voor hen zo aangenaam mogelijk maken, ze zich bij ons thuis gaan voelen, doordat ze onder andere hun eigen goden bij ons kunnen aanbidden. Dan blijven ze misschien wel wat langer en geven ze hun geld ook in onze gebieden uit. Zo was het langzamerhand tot het beleid van de koningen van Israël geworden, zich zeer aan de buurlanden, aan hun cultuur en religie aan te passen. Dit was de situatie tot het moment dat Josia als koning aan de macht kwam.

Josia’s heimwee naar iets anders

Josia gaat dan opeens weer een heel ander beleid voeren, een beleid tegen al deze aanpassingen en religies in? Hoe zou dat zo gekomen zijn? Ergens in de bijbel lezen we dat hij al op zijn achtste levenjaar koning wordt. En als hij dan net koning is, staat er in 2 Kronieken 34: 3, gaat hij op zoek naar zijn eigen wortels, naar de god van zijn vader David. Als hij dan vervolgens twaalf jaar aan de macht is, durft hij al de eerste keer toe te slaan in de tempel van Jeruzalem, en daar de heidense goden te verwijderen. Maar helemaal ánders wordt het in het 18e jaar van zijn regering, hij is dan zo’n 26 jaar. Dan vindt zijn priester Chilkia bij een opknapbeurt in de tempel een oude boekrol, waarschijnlijk het boek Deuteronomium, of heel de Joodse Thora, dat weet men helaas niet. En als koning Josia daar in begint te lezen, krijgt Josia de schrik van zijn leven: in dat boek wordt met heel veel woorden gewaarschuwd tegen het aanbidden van al de afgoden. In het boek Deuteronomium worden wij opgeroepen om alleen God te dienen, Hem alleen, met heel ons hart, onze ziel en ons verstand, en met Hem een relatie aan te gaan, een verbond te sluiten, met Hem alleen.

Josia ziet dat wel zitten. Hij wil terug naar het eigen geloof. Hij wil terug naar de God van de bijbel. En de internationale relaties? Het onderhouden van die relaties? Die spelen bij hem niet meer zo’n grote rol. Blijkbaar staat Josia er economisch op dat moment zo sterk voor, dat hij denkt het bewandelen van een eigen weg economisch wel weer aan te kunnen, ook al kapt hij daarmee dan wel met de internationale godenverering en daarmee: met een groot deel van de vele buitenlandse contacten die er in Israël onderhouden worden. Josia wil terug naar het eigen geloof, dat door de tijd heen helemaal is ondergesneeuwd. En zo begint hij aan zijn zuiveringsactie, die hij met harde hand uitvoert.

Met dit alles, met de bezinning op het eigene, met de bezinning alleen nog maar op Gód, is Josia dan later tot een voorbeeld of naamgenoot van Jezus geworden. Ook Jezus voltrok later weer eens een reiniging van de tempel. En ook Hij riep heel het volk Israël weer terug naar de kern, naar zijn eigen oorsprong. Daarin is Josia Hem voorgegaan. - Maar de vraag, de hamvraag is dan natuurlijk, hoe wij mensen van vandaag onze tekst van vanmorgen kunnen toepassen in ons leven. Dat zuiveren, dat uitzuiveren van ons eigen geloof, of misschien wel: het zuiveren van het geloof van heel onze samenleving…, hoe kunnen wij dat dan doen in onze dagen. Kunnen we de manier van doen van Josia zomaar klakkeloos overnemen? Zouden ook wij dan weer eens met een wat hardere hand moeten doen? En tot hoe ver gaat dat dan? Mag dat dan gaan?

Koning Josia van Juda heeft later de offerhoogten van Betel weer gereinigd (2 Kon. 23: 15-18) Hierboven is een echt altaar waarop geofferd werd


627 v Chr. Jeremia krijgt een visioen en treedt op als profeet (tot ca. 586)

"Het volk en het koninkrijk nu, dat hem, Nebukadnessar, de koning van Babel, niet zal willen dienstbaar zijn en zijn hals niet zal willen voegen onder het juk van de koning van Babel, over dat volk zal Ik bezoeking doen met het zwaard, de honger en de pest, luidt het woord des Heren, tot Ik hen volkomen in zijn macht zal hebben gebracht".                                                                                         
 
"Toen ik mijn ogen opsloeg, zag ik, en zie, een ram stond voor de stroom; hij had twee horens, en die horens waren hoog, de ene echter was hoger dan de andere, en de hoogste rees het laatste op. Ik zag de ram stoten naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden, en geen enkel dier kon tegen hem standhouden"
       
"Gij, o koning, koning der koningen, wie de God des hemels het
koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft, ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die Hij tot heerser over die alle heeft gemaakt- gij zijt dat gouden hoofd".
 
De Babyloniërs behoorden tot de belangrijkste bewerkers van Assurs ondergang. Nadat Ninevé verwoest en Farao Necho bij Karkamis aan de Eufraat verslagen was, veroverde Nebukadnessar II Syrië. Ook dwong hij Jeruzalem tot het betalen van zware belastingplicht. Het waren de profeten Jeremia(25:5) en Habakuk (1) die Juda en zijn koning vele malen hadden gewaarschuwd zich te bekeren van de heilloze weg die zij bewandelden. Helaas vonden zij geen gehoor. De vruchten der goddeloosheid zouden de koning en het volk dan ook spoedig plukken. Koning Jojakim en diens zoon Jojakin werden beiden naar Babylonië afgevoerd en in hun plaats werd er een vazalkoning op de troon geplaatst. Ondanks de woorden Gods, zich geheel naar de wil van Nebukadnessar te schikken, rebelleerde ook deze koning tegen de opgelegde belastingplicht.
"Zo zegt de Here, de God van Israël: Ga heen en spreek tot Sedekia, de koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de Here: zie, Ik geef deze stad in de macht van de koning van Babel, die haar met vuur zal verbranden; gij zult niet ontkomen aan zijn macht, maar voorzeker gegrepen en in zijn macht gegeven worden; van aangezicht tot aangezicht zult gij de koning van Babel zien, van mond tot mond zal hij met u spreken en gij zult in Babel komen".
 
In 586 v Chr. ging deze profetie in vervulling. Nebukadnessar viel Juda binnen, verwoestte Jeruzalem en haar tempel en liet de Joodse bevolking naar Babel afvoeren. Alle zonen van koning Sedekia werden voor diens ogen gedood terwijl hij zelf verblind naar Babel werd overgebracht. In Jeremia 25:11-12 verkondigt de profeet, dat zijn volk zeventig jaar in ballingschap zal blijven.
Dan zal de Here Zijn volk verlossen en de ongerechtigheid  van Babel bezoeken en het Koninkrijk verwoesten.

 

De profeet Jeremia


612 v Chr. Verovering Ninive door de Meden, beschreven door de profeet Nahum; feitelijk einde Assyrische invloed.

Het boek Nahum is een van de boeken in het Oude Testament en de Tenach. De naam Nahum (in het Hebreeuws: Nachoem, in de Septuaginta en in het Nieuwe Testament: Naoum) betekent Trooster.

Ontstaan en datering

Nahum profeteerde volgens sommigen tijdens het begin van de regering van Ahazia (743 v. Chr.). Anderen geven de voorkeur aan een datering tijdens de tweede helft van de regering van Hizkia, rond 709 v. Chr. Waarschijnlijk is het boek geschreven in Jeruzalem spoedig na 709 v. Chr. waar hij getuige was van de inval van Sanherib en de vernietiging van diens leger (2 Koningen 19:35).Wanneer de ondergang van Nineve in 607 v. Chr. geplaatst wordt, en omdat de ondergang van Nineve als toekomstige gebeurtenis in het boek wordt afgeschilderd, kan men aannemen dat het boek voor dit jaar geschreven is. In hoofdstuk 3:8 wordt de ondergang van de Egyptische stad No of No-amon als gebeurtenis in het verleden genoemd, een gebeurtenis die rond 663 v. Chr. geplaatst kan worden.

Het boek vermeld in 1:1 dat het geschreven is door Nahum, de 'Elkosiet', dwz afkomstig uit Elko, een plaats waarvan de ligging niet bekend is.

Onderwerp en inhoud

Het onderwerp van de profetiën wordt gevormd door de komende ondergang van Nineve, de hoofdstad van het grote en toen florerende Assyrische rijk. De assyrische vorst Assur-bani-pal stond op het hoogtepunt van zijn macht. Nineve was een uitgebreide stad, en een centrum van de toenmalige beschaafde wereld en van de internationale handel. Het beschikte over een sterke verdediging aan alle zijden. God keek echter anders tegen Nineve aan. Hij zag het als een 'bloedstad, die geheel vol leugen en verscheuring' is. Jona had reeds zijn waarschuwingsboodschap gebracht. Nahum werd gevolgd door Zefanja, die ook de ondergang van de stad voorspelde (hoofdstuk 2:4-15). Voorspellingen, die opmerkelijk nauwkeurig vervuld werden in 607 v. Chr, toen Nineve door vuur verwoest werd, en het Assyrische rijk ten einde kwam.

De profeet Nahum


608 v Chr. Egyptische opmars, slag bij Megiddo (bij de berg Karmel): dood Josia, volgens Jeremia de laatste grote Judese koning

Josia is een persoon uit de hebreeuwse bijbel. Hij was koning van Juda, en volgde daarin zijn vader Amon op. Over het leven van Josia valt in de Bijbel te lezen in onder meer 2 Koningen 22-23 en in 2 Kronieken 34-35. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd op 640 v. Chr. tot 609 v. Chr. of van 641 v. Chr. tot 609 v. Chr.

Tijdens het bewind van Josia kon Juda aanvankelijk profiteren van de tijdelijke zwakheid van enkele buurlanden. Het rijk van Assyrië raakte langzaam in verval en het Babylonische Rijk was nog niet sterk genoeg om de rol van Assyrië over te nemen. Ook Egypte beleefde een minder sterke periode. Juda was hierdoor in staat aan macht te winnen. Josia veroverde gebied dat tot de verovering van Israël door Assyrië bij Israël had gehoord. Met Egypte sloot Josia een bondgenootschap tegen Assyrië en in 612 v. Chr. werd de hoofdstad van Assyrië Nineve veroverd.

Onder Josia begon Juda met het verzamelen en redigeren van de Bijbelse geschriften. Dit gebeurde nadat bij restauratiewerkzaamheden van de Tempel van Jeruzalem een boekrol met daarin een oude wettekst gevonden was (tegenwoordig denken veel wetenschappers dat het om het Bijbelboek Deuteronomium gaat of om een oude wettekst die later het Bijbelboek Deuteronomium werd). Vooral de profeet Jeremia maakte zich hier sterk voor. Hierdoor werd het geloof in JHWH gecentraliseerd en verdwenen veel lokale religies. Het verzamelen en redigeren werd pas voltooid ten tijde van de Babylonische ballingschap.

Later bond Josia de strijd aan met Egypte, nadat de farao Necho II met Assyrië oorlog ging voeren tegen Mesopotamië en Juda had gevraagd om vrije doorgang. Josia viel het leger van Necho echter aan en werd bij Megiddo verslagen. Josia kwam hierbij om het leven. In het Bijbelboek 2 Koningen staat geschreven dat Josia op het slagveld omkwam, in het Bijbelboek 2 Kronieken dat Josia zwaargewond raakte en later in Jeruzalem stierf. Tot opvolger van Josia werd zijn zoon Joachaz benoemd, die echter korte tijd later door de Egyptenaren in ballingschap werd gezet.

 

Jeruzalem, ten tijde van Josia  Reconstructie


Babyloniërs o.l.v. Neboekadnezar II voeren koning Jojakim en de profeet Ezechiël weg in ballingschap.

Jesaja, Jeremia en Ezechiël staan bekend als de belangrijkste profeten en schreven de boeken die hun naam dragen (samen met de steun van persoonlijke secretarissen). Maar dat is niet het enige waar het om gaat. Iedere persoon leverde zijn eigen fascinerende bijdrage aan de Bijbel. Uiteindelijk is het Jezus Christus Zelf die de twee delen van de Bijbel, het Oude en het Nieuwe Testament, samenvoegt. Hij smeedt de Hebreeuwse profeten aan het Nieuwe Testament. Dus moeten we ons voornamelijk tot Christus richten voor hulp bij het bestuderen van de latere of belangrijkste profeten.

“... Terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd...”

“Hij [Johannes de Doper] toch is het, van wie door de profeet Jesaja gesproken werd...

Het is duidelijk dat de profeet Jesaja deze woorden sprak. Net als Paulus in het samenstellen van zijn brieven in het Nieuwe Testament, heeft hij delen van zijn boek waarschijnlijk gedicteerd aan een assistent. Bedenk dat het officiële systeem van schriftgeleerden en secretarissen (ingesteld door koning David) nog steeds in werking was in Juda gedurende Jesaja’s leven. Zijn profetische dienaarschap duurde voort tijdens de regeringen van diverse koningen van Juda

“... Nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken.

“Het woord des HEREN nu kwam tot mij: Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld”

Deze uitdrukking “het woord des HEREN kwam tot mij” (met kleine verschillen) wordt vaak herhaald in het boek van Jeremia. De boodschap van de profeet komt rechtstreeks van God; Jeremia fungeert slechts als Zijn menselijke instrument.

“Jeremia dan schreef al het onheil dat over Babel komen zou, in een boek, al deze woorden die over Babel geschreven zijn

“... Kwam dit woord van de HERE tot Jeremia: Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over Israël, Juda en alle volken gesproken heb, sedert de dag dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden”

“Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jeremia’s mond al de woorden die de HERE tot hem gesproken had, op een boekrol”

Jeremia had zijn eigen secretaris, die kennelijk ook een gevorderd lezer was Baruch las de woorden van Jeremia in “het huis van de Heer,” de tempel in Jeruzalem.

“Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in het bekken was”

In de geschiedenis zijn er vele pogingen gedaan om Gods Woord in zijn geheel of ten dele te vernietigen. Dit specifieke voorval staat in de Bijbel zelf beschreven. Soms zijn bijbelse schrijvers of vertalers gevangengenomen of gedood. Mensen hebben letterlijk hun leven gegeven om u dit boek te brengen. In dit voorbeeld in de Schriften werd er een poging gedaan om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen; maar “de Here hield hen verborgen”

“Toen kwam het woord des HEREN tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden die Baruch had opgetekend uit de mond van Jeremia, verbrand had, aldus: Neem weer een andere rol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de eerste rol stonden, welke Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft”

“Jeremia nam een andere rol en gaf die aan de schrijver Baruch ... en deze schreef daarop uit de mond van Jeremia al de woorden uit het boek dat Jojakim, de koning van Juda, in het vuur verbrand had; en nog vele dergelijke woorden werden daaraan toegevoegd”

Zelfs koningen hebben niet het recht of de toestemming om Gods woord te veranderen of te vernietigen. Hij heeft de Bijbel door de eeuwen heen bewaard in weerwil van vastberaden pogingen om alle sporen ervan uit te wissen. Trouwe mannen en vrouwen hebben hun leven geriskeerd om de Geschriften te behouden, te verspreiden en te publiceren.

“...Kwam het woord des HEREN tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem” (Ezechiël

Ezechiël wordt slechts tweemaal vermeld in de Bijbel – beide keren in het boek dat zijn naam draagt. Naast verwijzingen naar de tempelhoofdstukken van Ezechiël ) in Openbaring 21, wordt het boek zelf diverse malen in het Nieuwe Testament geciteerd. Jezus beeld van Zichzelf als de Goede Herder is een duidelijke verwijzing naar passages uit Ezechiël God duidt Ezechiël 90 keer aan als “de Zoon des mensen,” en Jezus Christus refereert zo’n 80 keer in de evangeliën naar Zichzelf als de “Zoon des Mensen”.

 

Jojachim werpt de wet in het vuur. Hoe velen volgen hem daarin niet met het verachten van de Wet?

 

Ezechiël


586 v Chr. Babyloniërs verwoesten nu Jeruzalem en de tempel (onder het oog van de profeet Jeremia); begin Babylonische ballingschap.

De lijst van naties en volken die om Jeruzalem hebben gestreden is bijna eindeloos. Tussen 587 voor Christus en heden werd de stad meer dan twintig keer veroverd en vele malen totaal verwoest, om daarna weer uit haar as te herrijzen. Jeruzalem werd veroverd door de legers van alle grote naties uit het verleden en dat gebeurde meestal wanneer het volk van Israël hun geloof in God hadden verzaakt. De stad werd onder Joodse heerschappij voor het eerst volledig verwoest door Nebukadnezar. De Bijbel vertelt dat in het negende regeringsjaar van Sedekia, de koning van Juda, Nebukadnezar de koning van Babel met zijn gehele leger tegen Jeruzalem oprukte. Hij belegerde de stad en bouwde er een belegeringswal omheen. Jeruzalem werd achttien maanden lang, tot de zomer van 587, belegerd. De omstandigheden werden door het langdurige beleg zo nijpend dat sommige bewoners door de honger gedreven hun toevlucht namen tot kannibalisme. Toen de Babyloniërs de stad in handen kregen, probeerde koning Sedekia naar het gebied aan de overkant van de Jordaan te vluchten, maar hij werd bij Jericho gevangen genomen en naar Ribla gebracht.

Omdat hij zijn verdrag met Babylon had geschonden werd hij voor Nebukadnezar geleid. Hij moest toezien hoe zijn zoons werden geëxecuteerd, waarna hemzelf de ogen werden uitgestoken en hij in ketenen werd weggevoerd naar Babylonië waar hij stierf. Gedurende de maand daarop legden de Babyloniërs Jeruzalem en de Tempel volledig in de as. De stadsmuren werden geslecht en de bevolking gedeporteerd. Slechts enige families mochten achterblijven als wijngaardeniers en als landbouwers. Door deze deportatie en verwoesting werd het land een oord van puinhopen en woestenij en hield het koninkrijk Juda op te bestaan. Voor talrijke Joden was de ballingschap al tien jaar eerder begonnen toen koning Jojakin na Nebukadnezars eerste aanval op Jeruzalem had gecapituleerd. Die keer had de capitulatie nog tot gevolg dat Juda een totale verwoesting bespaard bleef, ook al werd er, zoals zowel de Bijbelse als de Babylonische kronieken getuigen, een enorme oorlogsbuit geroofd. Hoewel er over de aantallen gedeporteerden onduidelijkheid bestaat, staat vrijwel vast dat reeds bij de eerste deportatie het grootste deel van de heersende klasse naar Babylon verdween.

Als de Perzische koning Cyrus de opperheerschappij in Babel krijgt, mogen de ballingen terug. In 520 voor Christus wordt een nieuwe Tempel gebouwd en begint Ezra en later Nehemia aan de mentale opbouw van het Joodse volk. Met kracht wijzen zij op het feit dat het volk drager is van de belofte voor land en volk. In de jaren die volgden werd de stad in al zijn glorie hersteld. Jeruzalem werd nu het middelpunt van een kleine Joodse staat, die bestuurd werd door een hogepriester. Maar het werd allesbehalve rustig, want in 200 voor Christus verovert de Seleucide Antiochus 3 Jeruzalem. Diens opvolger, de beruchte Antiochus 4 Epiphanus trachtte de Joden de Hellenistische cultuur op te dringen. De Tempel in Jeruzalem werd aan Zeus gewijd en alle religieuze voorschriften vooral inzake de viering van de hoogtijdagen, sabbat en besnijdenis werden op straffe des doods verboden.

 


538 v Chr. Eerste terugkeer, o.l.v. Zerubbabel, kleinzoon van Jojakim.

Zerubbabel (zaad van Babylonië) is een Assyrische naam. Betekent letterlijk "Spruit van babel". In het Perzisch heet hij ook wel Sheshbazzar en was de kleinzoon van Jeconia, de tweede tot de laatste koning van het Koninkrijk van Juda. Zerubbabel was ook een van de eerste die de fundatie legde voor de Tweede tempel in Jeruzalem het jaar daarna. Zurubbabel was een tijdlang stadhouder in Jeruzalem. In de geschiedenis is later niets van hem vernomen.

 

Zerubbabel


516 v Chr. Herbouw van de tempel, met Perzisch geld en aanbevolen door de profeten Haggai en Zacharia

Het boek Haggai behoort tot de minst begrepen en dus minst gelezen bijbelboeken. Sommigen menen zelfs dat dit boek wel historische waarde heeft, maar dat het voor het christelijk geloof nauwelijks iets betekent. Toch komt Gods heil ook door deze profeet naar ons toe. Haggai's oproep aan het volk om de tempel te herbouwen, betekent dat de Here God bij Zijn volk wil wonen! Dat is voluit evangelie, ook in deze tijd. Juist in onze tijd denken mensen dat ze God wel kunnen dienen zonder dat ze daarvoor de kerk nodig hebben. Haggai laat met grote klem zien, dat we dat huis van God nodig hebben, als plaats waar Hij Zijn profetisch Woord laat horen; in dat huis laat de Hogepriester door Zijn Heilige Geest de bediening van de verzoening plaatsvinden.
Zacharia, de iets latere tijdgenoot van Haggai, is ook een profeet die in de schaduw van de 'grote' profeten staat. Zijn nachtgezichten en de apocalyptische hoofdstukken lijken ontoegankelijk. Toch loont het de moeite naar Zacharia te luisteren, want hij mag deze boodschap doorgeven: heb moed voor Gods volk, want het komt goed met Gods volk. Veel in die boodschap verwijst naar de komende Christus. Daarbij mogen we ook Zacharia een profeet van het huis des Heren noemen. In het hele boek is er sprake van dat huis van God. Zacharia eindigt er zelfs mee. De stad zal tempel zijn. De priester Zacharia, die zijn optreden als profeet begint op een tempelplein dat uitzicht geeft op een niet herbouwde tempel, mag eindigen met het machtige uitzicht op het volmaakte huis met een volmaakte dienst.

 

De profeet Haggai  en Zacharia


450 v Chr. Nehemia herbouwt stadsmuren Jeruzalem; Ezra rondt herbouw tempel af.

Nehemia was een persoon uit de Hebreeuwse Bijbel. Hij werd rond 445 voor Christus aangesteld als landvoogd over Juda. Onder zijn leiding werd de stadsmuur rond Jeruzalem herbouwd. Het Bijbelboek Nehemia is naar hem genoemd.

Persoon

Nehemia is de zoon van Chachalja en de broer van Chanani. Hij was wijnproever en schenker aan het hof van koning Artaxerxes I. Het bekleden van deze functie houdt in dat hij een vertrouweling van de koning is geweest. Nehemia woonde in Susa, een van de hoofdsteden van het Perzische Rijk. Nehemia is de laatste Perzische landvoogd geweest. Over zijn levenseinde is niets bekend.

Activiteiten

In 446 voor Christus hoort Nehemia dat het slecht gaat met de Joden die in Juda wonen. Als reactie hierop rouwt en vast Nehemia dagenlang. De koning merkt dat Nehemia somber is, en Nehemia vraagt aan de koning om naar Juda te gaan om de stad Jeruzalem weer op te bouwen. De koning geeft toestemming en biedt Nehemia een vrijgeleide aan. Nadat Nehemia de toestand van Jeruzalem geïnspecteerd heeft, stelt hij een plan op voor de herbouw, en voltooit hij dit in 6 maanden, ondanks veel tegenstand.

Daarna blijft Nehemia 13 jaar in Jeruzalem als landvoogd en voert een rechtvaardig bewind. Na een afwezigheid van 2 jaar merkt hij het morele verval op. Vervolgens leest Ezra het boek van de wet voor, waarna het verbond vernieuwd wordt. Ook laat Nehemia de herbouwde stadmuur inwijden. Aan het eind van het boek is te lezen dat hij hard optreed tegen het feit dat Judeese mannen trouwen met buitenlandse vrouwen.


300 v Chr. Ptolemaeus I, veldheer van Alexander de Grote, verovert vanuit Alexandrië Palestina

Ptolemaeus I was een veldheer onder Alexander de Grote en na diens dood koning van Egypte. Hij was de stichter van de Egyptische dynastie, de Ptolemaeën.

Afkomst

Ptolemaeus I Soter werd geboren rond 367-366 v. Chr.. Over zijn exacte afkomst bestond reeds in de Oudheid veel onduidelijkheid. Officieel was hij de zoon van een zekere Lagos, een verder onbekend Macedonisch edelman, maar er waren ook geruchten dat zijn natuurlijke vader Philippus II was, de vader van Alexander III "de Grote" (356-323 v. Chr.) en koning van Macedonië. Over zijn jeugd is weinig bekend. Hij was waarschijnlijk bevriend met Alexander en zou met hem verbannen geweest zijn door Philippus II, maar keerde in 336 v. Chr. bij de dood van Philippus naar Macedonië terug.

In dienst van Alexander

Ptolemaeus zou deelgenomen hebben aan Alexanders veldtocht in het noorden tegen onder meer de Triballiërs en zou ook aanwezig geweest zijn bij de verwoesting van Thebe. Ook aan Alexanders grote veldtocht tegen Perzië nam hij deel. Aanvankelijk was hij hier een achtergrondfiguur, maar hij kreeg steeds belangrijkere commando's toegewezen, zoals de arrestatie van de Pers Bessos, die de Perzische koning Darius III vermoord had.

Diadochos

In 323 v. Chr. overleed Alexander III "de Grote" in Babylon. Te Alexandrië zorgde Ptolmaeus I voor een grootse begrafenis. Hij nam, zoals afgesproken, het bestuursapparaat in Egypte over, maar stoorde zich niet aan de misstappen van Perdiccas in Babylon. Perdiccas en zijn trawanten beschouwden hem als ongevaarlijk, dat ze hem met Alexanders' lijk naar Alexandrië stuurden. 64 muilezels trokken de gouden sarcofaag door de woestijn van Egypte. Al snel ontstond er een opvolgingsconflict, waarbij besloten werd dat Alexanders pasgeboren zoon (Alexander IV) en zijn zwakzinnige halfbroer Philippus Arrhidaeus hem zouden opvolgen. Ze werden gesteund door een soort driemanschap (met de Macedonische generaals Antipater, Perdiccas en Craterus), dat de centrale macht zou beheren. In werkelijkheid hadden ze echter weinig macht, omdat de provincies toegewezen werden aan andere generaals. Ptolemaeus pikte Egypte in (de daar door Alexander aangestelde gouverneur Cleomenes van Naukratis werd kort daarop in onduidelijke omstandigheden vermoord door Ptolemaeus) en richtte het in als zijn basis. Hij veroverde Cyprus en Cyrene (ten westen van Egypte) en liet daardoor blijken dat hij weinig gaf om het centrale gezag. Daarop ondernam Perdiccas een veldtocht naar Egypte (321 v. Chr.), maar deze had geen succes en Perdiccas werd vermoord; Egypte bleef van Ptolemaeus.

Koning

In de jaren daarna hield Ptolemaeus zich rustig in Egypte. Door diplomatie probeerde hij zijn gebied te behouden, zonder zich te fel in de voorraden verspillende oorlogen van de andere generaals te mengen. Bijzondere aandacht had hij voor Syrië, dat de enige toegangspoort tot Egypte vormde en dat hij als een soort van buffer trachtte te veroveren, ook al liep dat niet van een leien dakje. Nog éénmaal werd zijn heerschappij serieus bedreigd, namelijk in 306 v. Chr.. Toen werd hij namelijk verslagen in de slag bij Salamis bij Cyprus, dat door Antigonos veroverd werd. Deze waagde een aanval op Egypte zelf, maar Ptolemaeus wist deze te weerstaan. Kort daarop liet hij zich tot koning kronen en nam ook de officiële titel van Farao aan om de autochtone aristocratie en priesters gunstig te stemmen. Ook nam hij de naam Soter (d.w.z. redder) aan. Ptolemaeus Soter begon met de bouw van de vuurtoren van Faros en had ook plannen voor de bouw van een grote bibliotheek. Beiden werden voltooid door zijn zoon en opvolger Ptolemaeus II Philadelphus.

Ptolemaeus stierf in 285 v. Chr. op circa 82-jarige leeftijd, na ruim 30 jaar over Egypte geheerst te hebben. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus II Philadelphus.

Ptolemaios I. Soter


200 v Chr. De Romeinen hebben de macht van de Ptolemeërs in de regio gebroken, waarop de Seleuciden vanuit Syrië Palestina veroveren. Onder koning Antiochos IV ontwijden zij de tempel.

Onder de Egyptische Ptolemeërs, de opvolgers van Alexander the Grote, kende Kos een florerende cultuur dat de Hellenistische periode wordt genoemd. Ptolemy II Philadelphos werd op het eiland geboren in 309. Cleopatra wordt toegeschreven dat zij het eiland gebruikte om daar enkele van haar schatten op te slaan. Cleopatra zou zelf Kos hebben bezocht om met haar financiers te overleggen.

Seleuciden (ook Seleukiden genoemd) is de naam van een hellenistische dynastie in een koninkrijk in het huidige Syrië ("Koninkrijk der Seleuciden") van 311 tot 63 v. Chr..

Het koninkrijk werd gesticht door Seleucus I Nicator (Nicator, "de Overwinnaar") (rond 358-281 v. Chr.). Hij was een van de generaals van Alexander de Grote, die na diens dood in 323 v. Chr., zichzelf in Mesopotamië en de hoogvlakte van Iran vestigde, en een gebied beheerste dat tot aan de rivier de Indus reikte. Hij stichtte Seleucia aan de Tigris (rond 305) als zijn nieuwe hoofdstad. Later werd de hoofdstad van zijn dynastie echter verplaatst naar Antiochië waardoor het machtscentrum zich verplaatste van Mesopotamië naar Syrië.

Na een korte expansie onder Antiochus de Grote raakte het rijk van de Seleuciden snel in verval tijdens de 2e eeuw v. Chr. De Parthen slaagden erin een groot deel van het oosten over te nemen. Eindeloze conflicten tussen twee linies van het vorstenhuis bepaalden de laatste decennia en leidden tot de definitieve ondergang in 64 v. Chr., wanneer de Romeinen hier door het optreden van Pompeius hun gezag vestigden.

Antiochos IV


160 v Chr. O.l.v. Judas Makkabeüs verslaan de joden de Seleuciden.

Judas Makkabeüs of de Makkabeeër was een belangrijk leider in de Makkabeese opstand tegen de Seleucidische overheersing. Hij maakte deel uit van de familie van de Hasmoneeën. De Makkabeese opstand was in 167 v. Chr. geïnitieerd door zijn vader Mattatias. Nadat Mattatias in 165 v. Chr. overleed, nam Judas het leiderschap van de opstand over. Onder Judas' leiderschap groeide de opstand uit tot een ware guerrillastrijd. Judas' belangrijkste wapenfeiten was de verovering en reiniging van de tempel in 164 v. Chr., een gebeurtenis die nog jaarlijks in het Chanoeka-feest wordt herdacht. Bovendien breidde door zijn toedoen het gebied van het Joodse land zich steeds verder uit. Uiteindelijk heeft Judas het einde van de Makkabeese opstand niet meer meegemaakt. In 160 v. Chr. sneuvelde hij in een veldslag tegen de Seleucidische troepen.

Na Judas' dood werd de leiding van de opstand overgenomen door zijn broer Jonathan Makkabeüs.

 

Makkabeüs.


63 v Chr. De Romeinen o.l.v. Pompejus nemen Jeruzalem in

In 63 v. Chr. vangt de Romeinse tijd aan door de verovering van de stad door Pompejus. Judea werd hierdoor een vazalstaat van Rome waar de Hasmoneese macht geleidelijk overging in die van de Herodianen. Het was onder koning Herodes I van Judea dat Jezus van Nazareth werd geboren.

In het jaar 66 begon de desastreuze Joodse Opstand. Deze werd onderdrukt door Vespasianus en Titus in het jaar 70. Hierbij verwoestten de Romeinen de stad en de (tweede) tempel werd in brand gestoken. Het enige overblijfsel van de tempel is een deel van de Westelijke muur, die nu bekend staat als de Klaagmuur. Op de ruïnes van de stad werd een Romeins legerkamp opgericht.

Keizer Hadrianus bezocht in het jaar 130 de stad en besloot er een Romeinse kolonie te vestigen. In het jaar 135 werd, onder leiding van Bar Kochba, Jeruzalem door de Joden veroverd en ze maakten Jeruzalem opnieuw tot hun hoofdstad en richtte er een voorlopige tempel op. De reactie van Hadrianus bleef niet uit en hij heroverde de stad en gaf haar een andere naam (Aelia Capitolina). Op de tempelberg werd een Romeinse tempel gebouwd (ter verering van Jupiter). De Joden werd de toegang tot de stad ontzegd. Pas in het jaar 438 werd dit toegangsverbod opgeheven. In 326 bezoekt Helena, moeder van keizer Constantijn de Grote de stad en krijgt deze opnieuw de naam Jeruzalem. In 335 beval Constantijn de bouw van de Heilige Grafkerk.

Op het Concilie van Chalcedon (451) werd het patriarchaat Jeruzalem opgericht. De patriarch, de bisschop van Jeruzalem, kreeg jurisdictie over de 3 toenmalige provincies van Palestina.

 

De val van Jeruzalem op de binnenzijde van de Boog van Titus te Rome

 


37  v Chr. Herodes de Grote, koning der joden, viervorst namens Rome, voert een wreed beleid, o.a. kindermoord te Bethlehem

Herodes de Grote laat de tempel in Jeruzalem drastisch restaureren en gedeeltelijk vernieuwen. Om die reden is hij ook nu nog bij de meeste joden ongekend populair.Volgens geschiedschrijvers is hij extreem wreed: zo laat hij enkele van zijn vrouwen en zonen gewelddadig om het leven brengen.Hij zou volgens het evangelie van Mattheüs opdracht gegeven hebben voor een van de meest afschuwelijke wreedheden van de oudheid, de Kindermoord te Bethlehem. De aanleiding is zijn vrees dat de nieuw geboren ‘Koning der Joden’ (Jezus) zijn positie in gevaar zal brengen.Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Herodes Antipas.

 

Herodes de Grote

 

Herodes, die rond het begin van onze jaartelling het onder de Romeinse bezetting staande Israël bestuurde, stond bekend om zijnwreedheden. Volgens de Bijbel is onder zijn leiding een kindermoord georganiseerd die wel de wreedste aller wreedheden wordt genoemd.

Omdat hij bang was dat de nieuwe aangekondigde koning der Joden zou worden geboren, liet Herodes. alle kinderen jonger dan 2 jaar in de omgeving (‘landpalen’) van Bethlehem vermoorden. De geschiedenis is verbonden met die van de drie wijzen uit het Oosten, die wordt herdacht op de (r.-k.) feestdag Driekoningen.Voor het zeer aangrijpende verhaal is uit andere historische bronnen (Flavius Josephus) geen bevestiging te vinden. Sommige bijbelgeleerden komen zelfs tot de conclusie dat evangelieschrijver Mattheüs het verzonnen moet hebben.

     

     

De kindermoord te Bethlehem. Doek (245 x 358 cm) van Cornelis van Haarlem. Rijksmuseum, Amsterdam.


          7 of 6 v.C geboorte van Jezus

Geboorte van Jezus volgens Lukas 2

Het kerstfeest is een herinnering aan de geboorte van Jezus. Deze geboorte wordt beschreven in de Bijbel. Het belangrijkste hoofdstuk voor de geboorte van Jezus is Lukas 2 vers 1-20. Dit lemma somt enkele belangrijke gegevens over de geboorte van Jezus volgens Lukas 2 op. De kern van het kerstgebeuren is Het kind in de kribbe. Lukas wil zijn lezers daarop attent maken.

Structuur van het bijbelgedeelte

De structuur van dit bijbelgedeelte is opmerkelijk. Lukas schrijft in vers 1, 6 en 15 En het geschiedde. Deze enigszins plechtige formulering geeft structuur aan dit bijbelgedeelte en het roept associaties op met het taaleigen van het Oude Testament, het Hebreeuws.

Het is van belang dat Lukas zijn evangelie heeft geschreven ongeveer 60 jaar na de geboorte van Christus. Ook gaat men er over het algemeen van uit dat Lukas zijn evangelie heeft geschreven vóór de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus door de Romeinen. Tevens moet er op worden gewezen dat Lukas een zeer nauwe medewerker en leerling is geweest van de apostel Paulus, die in de jaren 40-60 het evangelie in de Romeinse wereld heeft verkondigd. Met andere woorden: in de beschrijving van Lukas zullen elementen van de visie van Paulus terug komen. Lukas schreef geen geboorteverhaal an sich maar een verhaal ten dienste van de verkondiging van het evangelie. De beschrijving van Lukas is dus tendenzliteratuur. Lukas plaats de feiten in het kader van een boodschap, de boodschap die Paulus heeft gebracht in de Romeinse wereld. In de belichting van de feiten klinkt het element van verkondiging (prediking) derhalve voortdurend door. Lukas laat zich typeren als his masters voice. Tegen de achtergrond van de reeds bestaande prediking en brieven van Paulus moet het verhaal van Lukas worden beoordeeld. Dit element van afhankelijkheid wordt vaak over het hoofd gezien in allerlei beschouwingen over dit bijbelgedeelte.

Inleiding op het kerstgebeuren - vers 1-5

De geboortegeschiedenis van Jezus begint, in Lukas 2 vers 1, met een verwijzing naar de dagen van Herodes de Grote, die regeerde als vazalkoning over Judea van 40 voor Christus tot 4 na Christus, en met een verwijzing naar de keizer van het Romeinse rijk. Lukas attendeert de lezer op de keizer Augustus, die regeerde van 27 voor Christus tot 14 na Christus. Lukas plaatst de geboorte van Jezus hiermee in mondiaal perspectief.

Lukas wijst er ook op dat de aanwezigheid van Jozef en Maria in Bethlehem samenhangt met een gebod (Grieks: dogma) van keizer Augustus waarbij alle mensen van het rijk zich moesten laten registreren in verband met de belastingpolitiek van de Romeinen. In de regel riepen dit soort beschrijvingen, die vrij algemeen voorkwamen in het gehele Romeinse rijk, veel weerstand op bij de lokale bevolking.

In vers 2 wijst Lukas op Quirinius, de stadhouder over Syrië. De vermelding in vers 2 heeft vragen opgeroepen. Quirinius immers was stadhouder over Syrië van 6 tot 9 na Christus. De vraag is hoe Jezus dan kan geboren zijn onder zijn stadhouderschap over Syrië. Het is waarschijnlijk dat Lukas bedoelt aan te geven dat deze eerste telling geschiedde voordat Quirinius stadhouder was over Syrië. Er zijn dus rond het begin van de jaartelling twee tellingen geweest. De eerste was ongeveer 5 jaar voor de dood van Herodes. De tweede, die met veel geweld en bloedvergieten gepaard ging en die Lukas vermeldt in Handelingen 5 vers 37, vond plaats tijdens het stadhouderschap van Quirinius. Jezus is geboren in de tijd van de eerste volkstelling, waarschijnlijk circa 5 jaar voor het begin van de christelijke jaartelling.

In Lukas 2 vers 3 wordt het opgaan van de joden naar de plaats van hun voorgeslacht beschreven. Weliswaar was dit niet altijd gebruikelijk bij Romeinse volkstellingen, maar er zijn uit Epypte vergelijkbare volkstellingen bekend. Daar moesten de inwoners ook worden ingeschreven in de streek van herkomst. Dit gedeelte beschrijft de volksbewegingen die met dergelijke tellingen gepaard gingen.

In de verzen 4 en 5 valt het accent op Jozef en Maria. Het valt op dat Jozef ook opgaat. Nazareth in Galilea, de woonplaats van Jozef en Maria, lag geografisch lager dan Judea. Men ging dus daadwerkelijk op vanuit Galilea naar Judea. Lukas meldt dat Jozef, afkomstig uit het huis van David, opgaat naar Bethlehem. De davidische afkomst herinnert aan de belofte in het Oude Testament dat de Messias zou voortkomen uit het huis en geslacht van David. Ook Bethlehem is een stad die voluit staat in het messiaanse perspectief. De profeet Micha (Micha 5 vers 1) had reeds gewezen op Bethlehem als belangrijke plaats in dit opzicht. Kennelijk wil Lukas de lijn vanuit het Oude Testament en de verwachting van de joden tegenover zijn niet-joodse lezers benadrukken.

Het eigenlijke kerstgebeuren - vers 6-14

De geboorte van Jezus staat in Lukas 2 vers 6-7. In de statenvertaling luidt deze tekst:

En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

In deze tekst vallen een aantal zaken op:

Lukas schrijft dat de dagen vervuld werden . Vervuld worden is een opmerkelijk en meer voorkomend woord in de beschijvingen van Lukas. Ook het Pinksterfeest was vervulling (Handelingen 2:1-4). In het woord vervullen ligt de gedachte dat de Oud-Testamentische profetieën in vervulling gaan. Lukas behandelt de geboorte van Jezus vanuit het perspectief van Gods handelen en spreken in het Oude Testament. Dat handelen is in het Oude Testament voorzegd. Het komt in het Nieuwe Testament tot vervulling en uitvoering.

Lukas schrijft over de eerstgeboren Zoon . Uit zijn verdere beschrijvingen blijkt Maria na de geboorte van Jezus nog andere kinderen heeft gehad. Jezus is de eerste zoon. De joodse wetten schrijven voor de eerstgeborenen speciale rituele handelingen voor. De eerstgeborene bijvoorbeeld moest gelost worden, dat betekent dat er in de tempel aan bepaalde verplichtingen moest worden voldaan. Uit vers 22-24 blijkt dat Jozef en Maria hieraan hebben voldaan.

Lukas spreekt over winden in doeken. In de oudheid had men de gewoonte om rond geboorteverhalen van goden allerlei buitengewone zaken te melden. Het valt op dat de geboorte van Jezus zo gewoon mogelijk beschreven wordt. Lukas wil kennelijk benadrukken dat Jezus mens was. Jezus werd geboren als alle andere kinderen. Ook valt op dat hij Zoon wordt genoemd. Jezus was dus een man. De wijze waarop Jezus verwekt is beschrijft Lukas in hoofdstuk 1 vers 35. Lukas meldt dat Jezus is geboren zonder bevruchting door een man (1) .

De evangelist schrijft over een kribbe, voederbak (grieks: phatnei). Het Griekse woord heeft een enigszins ruige betekenis. Lukas ontneemt het kerstgebeuren alle romantiek. Jezus wordt geboren in diepe armoede. Een voertrog voor het vee is zijn wieg! Lukas meldt niet de locatie waarop Jezus geboren is. Sommigen denken aan een grot, anderen aan een huis en weer anderen aan een stal. Het is niet onwaarschijnlijk om aan een stal te denken, gelet op de aanwezigheid van een voertrog voor dieren.

Tenslotte wijst Lukas op geen plaats in de herberg . In het overvolle Bethlehem was waarschijnlijk weinig ruimte om te bevallen. In de herberg was daarvoor kennelijk geen plaats. Deze uitdrukking kan er ook op duiden dat voor deze nazaten van David niet veel respect was in Bethlehem. De geboorte van Jezus voltrok zich voor menselijke begrippen in armoedige en geringe omstandigheden. De aardse glorie van het huis van David was vergaan. Ook hier speelt weer een profetisch motief een rol. Jesaja had gewezen op de Messias als een rijsje uit een afgehouwen boomtronk (Jesaja 11 vers 1). Kennelijk wil Lukas dit profetisch gegeven onderstrepen.

Het globale beeld is dat Lukas elke romantiek wil vermijden. Jezus werd geboren en is mens onder de mensen. In armoede en nederigheid is Jezus gekomen. Slechts vanuit de hemel is er een eerste en grootse reactie. Op de aarde blijft het stil. Het joodse volk is kennelijk niet in blijde verwachting van de Messias. In Jezus ziet men van meet af aan kennelijk niet de beloofde Messias. Dit voorteken geeft de beschrijving van de geboorte ook iets beklemmends.

De armoede van Jezus is een bekend motief in de prediking van Paulus. In de beschrijving van de geboorte toont Lukas afhankelijkheid van zijn leermeester Paulus. Paulus schrijft in de herfst van 57 aan de Korintiërs het volgende:Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. (2 Kor. 8:9; statenvertaling). Het armoedemotief wordt door Lukas verwerkt.

In de verzen 8-14 geeft Lukas de aankondiging van de geboorte van Jezus. Opvallend is dat engelen de eerste boodschappers zijn van de geboorte van Jezus. Engelen brengen aan herders de boodschap van zijn geboorte. In het Oude Testament komen engelen regelmatig naar voren als boden en dienstknechten van God. Ook hierin zien we weer een teruggrijpen van Lukas op de Oud Testamentische gegevens. Zijn leermeester Paulus spreekt ook regelmatig over ontmoetingen met engelen. Deze twee lijnen zien we terugkeren in de vertelling door Lukas.

De engelen brengen de boodschap 's nachts aan herders. Dit is opmerkelijk omdat herders in de joodse maatschappelijke verhoudingen van die dagen niet behoren tot de voornaamste in synagoge en samenleving. Een herder mocht bijvoorbeeld niet als getuige optreden in een rechtsgeding. Kennelijk is de geboorte van Jezus een boodschap voor verachte mensen. Een motief dat ook weer bij Paulus breed wordt terug gevonden. Tevens roepen herders gedachten op aan het Oude Testament. David was aanvankelijk herder in de velden van Efratha. Keer op keer vinden we in het Oude Testament het motief terug van de herder die zorgt voor zijn schapen. God zorgt voor zijn volk als een herder voor zijn schapen. Het herdersmotief is dus ook een herinnering aan het Oude Testament. Tenslotte brengen de engelen de boodschap van de geboorte 's nachts. De herders houden de wacht over de kudde. Zij zijn ook de enigen die beschikbaar zijn om de boodschap aan te horen. De engel typeert de geboorte van Jezus als een blijde boodschap. Jezus is Christus (Messias) en Zaligmaker (Redder, grieks: soter). Ook hier knoopt Lukas weer aan bij een belangrijk motief in de prediking van Paulus. Jezus is de beloofde wereldredder. Jezus redt van de zonde, de dood en de duivel.

De aankondiging wordt vervolgd door een groots eerbetoon vanuit de hemel. Lukas meldt een grote menigte engelen die zingen ter ere van Jezus. In Jezus is Gods reddend handelen in deze wereld zichtbaar en tastbaar geworden. De engelen zingen tot eer van God. Hun lofzang luidt:

Ere zij God in de hoogste hemelen,

en vrede op aarde,

in de mensen een welbehagen. (Luk. 2:14, statenvertaling)