|
Kapitein Haije Bouwman.
Gevraagd naar verhalen van mijn pake,
Haije Bouwman, herinner ik me het volgende...

Haije Bouwman.
Regelmatig ging ik logeren bij
pake en bebbe (Engelina Halbertsma, uit Heeg).
Hij was toen gepensioneerd, maar de Jan Nieveen
voer nog. Want ik weet nog heel goed, ik ben van
’55, dat ik samen met pake naar de binnenhaven
ging en dat de Jan Nieveen daar lag en dat pake,
voor mijn gevoel, daar uren bleef staan praten
met de mannen die aan het werk waren.
Om mij dan ‘zoet’ te houden had
hij een papieren zakje met kleverige snoepjes
bij zich, trok er ééntje van los en daar was ik
dan een tijdje heel blij mee.
Maar die wandelingen duurden
altijd heel lang, want niet alleen bij de Jan
Nieveen bleef hij kletsen, maar ook bij al de
andere afgemeerde schepen en verder bij de
scheepswerven die toen nog actief waren.
Thuis aan de Langestreek, ik denk
tussen Kolksteeg en Molendray, hing in de
voorkamer, die alleen bij visite open ging, als
pronkstuk een, voor mij, indrukwekkend
schilderij van de Jan Nieveen op een woelige
zee.
Het was een heel sober huis en
achter in de tuin werden o.a. worteltjes
verbouwd in de grond waar heel veel witte
stukjes schelp doorheen zaten.
Als we via de voordeur naar
buiten gingen moest je van pake over de drempel
heen stappen, want anders sleet de verf er af.
Hij was heel zuinig, rechtlijnig, maar ook heel
aardig.
Ik herinner me van de wandelingen
met pake ook nog een echte ouderwetse smidse op
de Langestreek, met vuur en hamerende mannen.
Dat bestaat allemaal niet meer, maar ik blijf
pake dankbaar dat hij me meegenomen heeft naar
die laatste restjes van wat nu een een andere
wereld leven lijkt. (moet rond 1960 zijn
geweest)
Het enige verhaal over pake’s
avonturen met de Jan Nieveen dat ik me herinner
is over hoe in de oorlog de Duitsers paarden
vervoerden met de Jan Nieveen. De paarden werden
in een takel gehesen en in het ruim neergelaten.
Daar stond kapitein Bouwman dan om ze op te
vangen. Die beesten waren vaak heel onrustig en
het lijkt me heel gevaarlijk om daar tussen al
die paarden te staan. Soms had hij ze bij het
hoofdtuig vast terwijl ze steigerden en dan hing
hij in de lucht aan zo’n paard te slingeren. Wat
was mijn pake dapper.
Nooit is mij toen of daarna
verteld over het vreselijke ongeluk dat tijdens
de tweede wereldoorlog plaats vond. Dat
ontdekte ik pas uit toen ik me i.v.m. de
documentaire in ’88 verder in de Lemmerboot ging
verdiepen.
De scheepsverbinding was een
levenslijn voor Amsterdam, maar omdat de
Engelsen schoten op alles wat over het
IJsselmeer voer, omdat er door en voor de moffen
gevaren werd, zoals uit bovenstaand verhaal
blijkt. De schepen moesten dus geblindeerd,
helemaal zonder licht, varen. Om toch botsingen
met tegenliggende schepen te voorkomen moest er
constant iemand op de boeg de wacht houden.
In de bewuste nacht was mijn pake
als kapitein verantwoordelijk. Voor zover ik
onthouden heb wat ik gelezen heb, had hij
inderdaad iemand op de boeg gezet, maar die was
even naar het toilet gegaan, of was even een
borreltje gaan halen, wat ik me tijdens een
koude nacht heel goed kan voorstellen, hoewel
het niet goed te praten is.
Juist op dat moment vaart de Jan
Nieveen bovenop de tegenliggende, veel kleinere
Groningen (…), van dezelfde maatschappij, schuin
van voren, op éénderde van de boeg. Het schip
zonk en daarbij kwamen, dacht ik, zo’n twaalf
mensen om het leven. Pas na de oorlog is het
schip, in stukken, gelicht, waarbij de
stoffelijk overschotten zijn gevonden, vooral
mensen die in de boeg lagen te slapen.
Na de oorlog is, voor
zover ik me herinner, hierover nog wel
iets justitieels geweest, maar ik weet
niet meer of, en welke oordelen hierover
door de rechter zijn uitgesproken, in
ieder geval geen veroordelingen.
Toch moet dit voor mijn
pake een enorm vreselijke gebeurtenis
zijn geweest, juist omdat hij als
kapitein verantwoordelijk was. Natuurlijk blijf je dan jarenlang denken
van; had ik maar dit gedaan, of had maar
dat gedaan, had ik die onbetrouwbare …
daar maar niet op de boeg gezet, of was
ik er zelf maar gaan zitten, etc.
Kortom, een heel traumatische ervaring,
die je jaren blijft achtervolgen.
Vreselijk om daar de rest van je leven
met je goeie gereformeerde gedrag mee te
moeten leven.
Verder; over een
hofmeester van de Jan Nieveen werd
beweerd dat hij ‘fout’ was tijdens de
oorlog. Maar ik hoorde pas van een
bevriende scheepshistoricus dat
dit verdachtmakingen waren van mensen
die ruzie met hem hadden, of hem niet
mochten en die na de oorlog wraak op hem
wilden nemen.
Het was dus niet alleen
maar leuk rond de Jan Nieveen en aan het
nageslacht moet wel zoveel mogelijk de
realiteit en de waarheid doorgegeven
worden.
Hopelijk kan de Jan
Nieveen ooit eens terug gehaald worden
naar Nederland, want het schip kan toch
net zo goed in Lemmer of in Amsterdam
als restaurant gebruikt worden.
Want hier hoort het schip thuis!
Haije Bouwman.
Op de Jan Nieveen had stoker
Hans Seldenthuis, er genoeg van gekregen. De schepen
werden zo nu en dan beschoten en dat werd hem te
gevaarlijk. Seldenthuis zocht na rijp beraad een baan op
de wal. Zijn opvolger was Roelof de Jong, een zoon van
de toenmalige stuurman Rien de Jong, de latere kapitein
van de Groningen IV. deze werd op de Jan Nieveen
opgevolgd door wal kapitein Haije Bouwman, de bedoeling
was dat hij met het schip vertrouwd zou raken, want
kapitein Johannes Grijpsma was inmiddels 68 jaar
geworden en achten zo zachtjes aan de tijd gekomen om de
boot vaarwel te zeggen. Niet lang daar na vond de
commandowisseling plaats.
De oude vertrouwde naam van
kapitein Johannes Grijpsma werd van de boeg verwijderd,
om plaats te maken voor de naam van de nieuwe
gezagvoerder, Kapitein Haije Bouwman een energieke
vijftiger, die met zijn voorganger gemeen had dat beiden
in Hommerts waren geboren.
Kapitein Bouwman nam het roer
van de Jan Nieveen, over in een moeilijke tijd. Joden en
onderduikers moesten naar veiliger oorden gebracht
worden gebracht. Nooit werd tevergeefs een beroep op de
Lemmer boot gedaan. e van huis en haard verdreven
vluchtelingen, die zo'n ongewisse toekomst in de vreemde
tegemoet gingen, vormde voor de geharde bemanning altijd
weer een trieste aanblik. Het was een brok ellende. Veel
vluchtelingen kwamen uit Amsterdam. Geen wonder daar
woonde duizenden Joden. Eén hunner, een klein mannetje,
leeft nog steeds in de herinnering door.
Elke morgen en avond stond hij
bij het vertrek van de boten op de Ruyterkade, met oude
tijdschriften te venten. Prins, Piccolo, Panorama, De
Lach, Nieuwe Denksport, was zijn dagelijkse roep. De
bladen oud en vergeeld verkocht hij voor een kwartje.
Aan boord werden ze doorgebladerd en vervolgens aan de
kant gelegd. In Lemmer zocht de bemanning ze weer bij
elkaar. Als de boot de volgende dag weer in Amsterdam
nog maar nauwelijks aan de steiger lag, was het Joodse
mannetje er weer om ze weer in ontvangst te nemen. God
zegenen dit schip en zijn bemanning, Placht hij daar bij
te zeggen.
Als de boot vertrok stond dat
zelfde mannetje de tijdschriften weer te verkopen. Zijn
naam is onbekend, maar altijd stond het mannetje daar in
zijn oude zwarte jas, met op de borst die gehate ster.
Altijd, tot op zekere morgen de Jan Nieveen, uitvoer en
niemand het Joodse mannetje had gezien. Iedereen miste
het mannetje. Misschien was hij ziek, dachten sommigen.
Maar dagen, weken, maanden verstreken en het mannetje
kwam niet terug. Nooit meer!
Tot 1943 had de 31 jarige Kees
de Wit uit Amsterdam nog nooit van de Jan Nieveen
gehoord. Hij wist zelfs niet van het bestaan van de
Lemmerboot. Kees de Wit zat in het verzet. Hij kon als
zo vele niet blijven toe kijken terwijl het Joodse volk
gemarteld werd. Kees de Wit - zijn schuilnaam uit de
oorlog sloot zich aan bij een groep, die zich tot taak
had gesteld Joodse kinderen uit de klauwen van de
bezetters te houden. Lijder van de groep was Joop
Woordman, schuilnaam Theo de Bruin. Tot 1943 werden de
Joodse kinderen van wegen hun wat donkerde huidskleur
onder gebracht in Limburg, later begon men ook naar
anderen mogelijkheden uit te kijken.
Kees de Wit: Het zal in
januari 1943 de eerste keer zijn geweest dat ik een joods
meisje met de Jan Nieveen naar Lemmer bracht. Maar
voordat het zover was, wilde ik eerst kennis maken met
kapitein Bouwman. Het gesprek liep nogal stroef, want ik
wilde niet zeggen wat mijn doel van mijn overtocht was,
terwijl de kapitein deed of hij mij niet begreep.
Bouwman, een echte zeebonk, was in die tijd een man van
weinig woorden, maar ik moest wel weten uit welk hout
hij gesneden was. Heulde hij met de moffen, of was hij
een goed vaderlander? Na een moeizaam gesprek kreeg ik
het idee, ook niet meer dan dat, dat Bouwman goed was en
dat hij niet afwijzend tegenover onze plannen stond. Om
kort te gaan het eerste transport, in januari 1943 dus,
verliep goed. Sindsdien heb ik altijd, alle stille
medewerking van Bouwman gehad. Kijk ik heb er nooit met
hem over gepraat. Hij ook niet met mij, maar telkens als
er onraad dreigde, liet Bouwman dat in bedekte termen
weten.
Het meisje werd in Lemmer door
een onbekende, maar van een herkenningsteken voorziene
man opgevangen en naar een pleeggezin ergens in
Friesland gebracht. Kees de wit stapte op zijn fiets en
reed Lemmer uit. Ik moest de tijd doden tot ik weer
terug kon. Een ding stond voor mij vast, ik moest niet
in lemmer blijven. Ze moesten mijn gezicht daar niet te
vaak zien. De Wit kwam in Woudsend terecht. Al vroeg in
de morgen zat hij in een café achter een kop echte
koffie met belegde broodjes. De Wit was enige klant.
Tegen over het café was een kruideniers winkel
gevestigd. In de ene etalage ware boterkartonnen
opgestapeld, in de andere hingen naar ik dacht, namaak
worsten. Ik werd kwaad dat is toch een misselijke grap,
zei ik bij me zelf.
Boterkartonnen en namaak worsten
etaleren, terwijl niemand meer boter en of worst kon
krijgen ook al had je nog zovee distributiebonnen die
daar recht opgaven. Ik heb het die man ook gezegd, maar
hij keek mij vreemd aan en vroeg waar komt U vandaan?
Uit Amsterdam zei ik, Wel meneer zij hij, als U bonnen
heeft kunt U alles kopen wat U hier in de winkel ziet.
En het is allemaal echt. Ik wist niet wat of ik hoorde
bonnen had ik genoeg, want mijn vrouw was in verwachting
en aanstaande moeders hadden recht op extra rantsoenen,
dat wil zeggen ze kregen extra bonnen. Maar daar kon je
niet zoveel mee, want in Amsterdam was niets meer te
krijgen.
Ik legde dus een aantal verlopen
bonnen en nog geldige bonnen op de toonbank. De
winkelier gooide ze in een la en verkocht mij vervolgens
tegen normale prijs , let wel, normale prijs, twaalf
pakjes roomboter. Zonder bon kon ik ook nog vlees en vet
kopen, ook weer tegen de gewonen prijs. Niet te geloven!
Als een rijk man verliet ik Luilekkerland. De reis terug
naar Amsterdam verliep zonder problemen.
Problemen waren er wel, toen de
Wit een tijd later twee Joodse jongens naar de overkant
bracht. Het leek aanvankelijk allemaal goed te gaan. We
waren aan boord gekomen en dat was al heel wat met al
die controle. Was je een maal zover dat de trossen los
gegooid werden was je betrekkelijk veilig zo voelde dat.
Het ging best tot dat kapitein Bouwman op een
ongebruikelijke manier naar het achterdek kwam. Het was
in de buurt van Urk, in het voorbijgaan mompelde hij
zoiets als, bevinden zich nog onderduikers aan boord?
Van de Jan Nieveen, en liep door. Een man die aan de
reling een sigaret stand te roken, draaide zich om en
riep, Er is vast onraad. Kijk eens daar komen twee boten
aan. En ze waren er snel!
De boten kwamen langszij en vier
Duitse soldaten stapte aan boord van de Jan Nieveen. De
Wit werd bang. Als ze de onderduikers vinden zou het er
niet best uit zien. Twee Duitsers begonnen het achter
dek te inspecteren. Ik had het niet meer van de angst.
Ik weet dat het laf was, maar ik vluchten naar het ruim.
Schieten en vooral in het donker zou niets uit halen. Ik
zou er gloeiend bij zijn. In het ruim zat het stik vol
met mensen, vooral vrouwen en kinderen. Het stonk er ook
Belgische shag en papierensigaretten van eigen teelt. Ik
ging onder in de massa, terwijl er in een hoek twee
jongens werden verstopt achter, vliegensvlug tot aan het
plafond, op gestapelde koffers en tassen. Ze waren er
nog maar net mee klaar of een paar man van de
Fieldgendarmerie kwamen naar beneden en begonnen onder
doodse stilte het ruim te doorzoeken. Iedereen hield de
adem in. Sommige moesten hun papieren laten zien. Ze
vonden niks. Maar op het moment dat ze het ruim weer
zouden verlaten, kwam er één terug. Hij schopte tegen de
stapel koffers, en vroeg of er nog mensen achter zaten.
De passagiers braken in een bulderende lach uit, hoe
komen jullie daar nou bij. de Duitser stommelde de trap
op en verdween weer aan dek. Even later hoorde we de
snelboten weer vertrekken. Twee mannen zijn meegenomen,
werd er verteld.
De Wit voelde het dek bij wijze
van spreken onder zijn voeten weg zinken. De Joodse
jongens, schoot het door hem heen. Met lood in zijn
schoenen stapte hij het achter dek op om uit te vinden
wat er van de jongens geworden was. Zij lieten zeker mij
tien seconde, die wel uren leken, in het donker staan.
Toen hoorde ik een stem die zei hier zijn we! Ik draaide
me om en wat zag ik? De knapen waren door de andere
passagiers bewerkt met lippenstift en hadden een
sjaaltje om het hoofd zodat het donkeren haar niet te
zien was. Het leken net twee aardige grietjes. Kees de
Wit haalde opgelucht adem.

Kopie van
het origineel, van zijn dochter Engelien Bouwman.
Home
|