Veel bewogen
historie van de oude Jan Nieveen.
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
|
De slag
om de passagiers
De mannen
van de tramboten zagen met leden ogen aan dat de
NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij niet
alleen veel succes had met de uitstapjes naar de
Zuiderzeewerken, maar dat de boten ook 's zomers
de meeste klandizie hadden van reizigers, die op
de fiets naar Lemmer kwamen om zich daar in te
schepen voor de oversteek naar Amsterdam. De
maatschappij had wat dat betreft een streepje
voor op de concurrent, want de fietsers kregen,
komend van de straatweg Sneek-Lemmer, de Jan
Nieveen het eerst in het oog. Dat schip maakte
indruk. De beide sloepen op het achterdek gaven
een gevoel van betrouwbaarheid. Op zich zelf
klopte dat ook wel, maar het leek meer dan het
was,want als er onverhoopt iets mis mocht gaan,
was er in de sloepen plaats voor hoogstens 70
mensen. Dat zou dus dringen worden.
Onder
tussen ging de vlootuitbreiding door. In de
vaart kwamen schepen als de Harm Nieveen en de
Groningen V, VI, VII, en VIII. Zij konden 130
ton vracht meenemen. Overslaan in Lemmer werd
overbodig want de schepen waren geschikt voor
binnen en buiten water, zodat ze in één ruk van
Groningen naar Amsterdam en omgekeerd voeren.
Die vaart geschiede uiteraard volgens een vaste
dienstregeling en een vaste route, door de
Zuiderzee en later het IJsselmeer, werd door
vissers de Lemster koers genoemd. Een en ander
was voor de visserlui, die nog onder zeil en met
primitieve navigatiemiddelen de zee bevoeren,
van onschatbare betekenis. Jan Mol uit Volendam
is zo'n visser, voor wie de Lemsterkoers van
groot belang is geweest.
Elke dag en
nacht om 12 uur vertrokken de boten uit Lemmer en
Amsterdam. Als ze elkaar ten Zuiden van het
Enkhuizerzand passeerden, was het precies half drie.
Daar kon je de klok op gelijk zetten, zegt hij. Als
we de Lemmer boten zagen, wisten we aan de hand van
de tijd hoe ver we van Lemmer, Urk of de vuurtoren
van Marken waren. We wisten dan ook precies waar we
gevist hadden of waar we moesten vissen. Als in het
voorjaar de haring de Zuiderzee introk, moesten we
ruimschoots ten noorden van de Lemsterkoers de
netten uitzetten, maar ging de haring kuit schieten,
dan moesten we net aan de andere kant van de route
zijn. Met ansjovis was het net eender.
De boten voeren
soms rakelings langs ons heen.'s Nachts ook, maar
als je zorgde dat je verlichting in orde was, had je
niks te vrezen. De kapiteins verstonden hun vak. Ook
overdag kwamen de boten soms dichtbij, vooral 's
zomers, maar dat werd gedaan voor de passagiers
meestal vakantiegangers om te laten zien hoe er
gevist werd. De Lemmer boten zijn voor ons van
onschatbare waarde geweest. Je wist altijd precies
waar je was. Ook al zat het dicht van de mist, als
je de stoomfluit hoorde, wist je dat je goed zat.
In de winter
van 1931-1932 werd op de Zuiderzee veel last van
drijfijs onder vonden. Toen het ging dooien hoopte
het ijs zich als gevolg van de straffe
Zuidwestenwind op voor de haven van Lemmer, die
daardoor onbereikbaar werd. De boten die in Lemmer
zaten opgesloten, weken via het Tjeukemeer uit naar
Stavoren, waar haven en zee ijsvrij waren. het wal
personeel werd over de schepen verdeeld. De baas nam
zijn intrek in een hotel. De vrouwen van Stavoren
het personeel, dat dekens en kussens mee van huis
had genomen, zocht een slaapplaats op de schepen.
Twee jaar later
vroor het nog strenger. De vorst viel op 5 December.
Nog geen twee weken later was er al een elfsteden
tocht. De vaart over het IJsselmeer was volkomen
gestremd, ook nadat op 2 Januari met veel regen en
wind de dooi was ingevallen. De Lemmer boten weken
uit naar Harlingen om te proberen buiten om in
Amsterdam te komen. Het goederenvervoer was volkomen
vast komen zitten. De pakhuizen, de kade ruimte en
zelfs de dekschuiten puilden uit van de vracht. Er
moesten hoe dan ook schepen komen. Toen die er
waren, kwam de rijksloods, nodig voor de vaart over
de waddenzee niet opdagen. Slikloods Piet Plooi
bracht uitkomst. Twee schepen slaagden er in om
Amsterdam te bereiken en een dag later vielen de Jan
Nieveen en de Groninger IV Harlingen binnen, waar ze
afmeerden achter de Noord-Nederland van de Firma
Doeksen, die steiger ruimte had afgestaan. De
schepen waren zo zwaar afgeladen, dat velen zich
hoofdschuddend zich af vroegen waar die lui in
hemelsnaam het lef vandaan haalden om zo zee te
kiezen. Op de Jan Nieveen had de bemanning de lading
tot in de gangboorden de lading opgetast, terwijl de
kapitein van de Groninger IV zelfs de salons had
laten vol stouwen.
Er werd onder
hoogspanning gewerkt, maar de haven van Harlingen
had een nadeel. Er was een politie verordening van
kracht, waarin werd bepaald dat er op Zondag niet
gewerkt mocht worden. Daar werd bovendien streng de
hand aan gehouden. Dat was ook het geval in de
winter van 1937, toen de schepen vanwege de ijsgang
weer naar Harlingen waren uitgeweken. Weer had de
lading zich op gehoopt. De telefoon stond
roodgloeiend. De klanten wilden weten waar hun
goederen bleven. Hun voorraden raakten uit geput.
Die vrijdag
werd er in de salon van de Jan Nieveen krijgsraad
gehouden. Er moest een enorme partij vracht gelost
en geladen worden, een karwei dat met het oog op de
politieverordening de volgende avond om 12 uur
geklaard moest zijn. Baas Geert Nieveen zag er
nauwelijks kans toe, maar stelde het personeel een
warm onthaal toe "De volgende dag in hotel Zeezicht
in het vooruitzicht als het zou lukken". Besloten
werd de strijd met de klok aan te binden. Van een
paar Engelse schepen die toevallig in de haven lagen
werden een paar losse bootwerkers geronseld. Er werd
hard gezwoegd. Iedereen van hoog tot laag, sjouwde
zich uit de naad. In zwakke momenten bekroop sommige
een gevoel van twijfel. Dit lukt nooit, kom aan
maanden anderen en met hernieuwde ijver werd het
werk ter hand genomen.
In de loop van
de avond verschenen een paar dienders ten tonele.
Wat die gekke Lemsters wilden kon helemaal niet. Dit
zou uitdraaien op een regelrechte schending van de
bij wet geregelde Zondagrust als zij die vracht nog
wilden verstouwen. En dat laatste leek het geval te
zijn. De dienders hielden hun bonboekjes al klaar.
Maar zie, toen de klok 12 uur sloeg sjorde Thijs
Fleer het laatste touw vast. Een luid gejuich klonk
op in de donkere haven de mannen hadden het toch
maar geflikt. De dienders dropen teleurgesteld af.
|
Directeur Nico
Nieuwenhuis was liefst 56 jaar aan de maatschappij verbonden.
|
De vaart naar
Amsterdam was er in die jaren overigens niet
gemakkelijker op geworden. In mei 1932 was de
afsluitdijk gereed en de Zuiderzee heet nu het
IJsselmeer. Het water werd niet alleen zoeter maar
ook onrustiger. De golfslag werd anders, zwaarder en
korter, en onberekenbaarder, vooral bij
Noordwesterstorm.
Het was tijdens
zo'n herfststorm in de vroege morgen van maandag 30
September 1935 dat sluismeester Lykle Poepjes
gewapend met verrekijker de zee afzocht. De storm
huilde over de haven en zweepte het water hoog op.
Poepjes maakte zich ongerust. De boot was nog niet
binnen. Ze had de vorige dag al in Lemmer moeten
zijn. Het was aardedonker. De wind rukte aan zijn
kleren. Gespannen tuurde Poepjes over de ruwe zee.
Plotseling rechte hij zijn rug drukte zijn kijker
steviger tegen zijn ogen. Een lichtje 'ja' een
lichtje daar ten zuiden van de haven. Een toplicht?,
De sluismeester keek nog eens goed ja dat was een
toplicht zonder enige twijfel. Dat moest de
Groninger VI zijn. Alleen het licht bewoog niet. Het
verplaatste zich niet. Poepjes sloeg onmiddellijk
alarm. De reddingsbootcommissie werd gewaarschuwd en
even later voer de Hilda uit. Men vreesde het
ergste.
Op de Groninger
VI hadden de drie bemanningsleden het zwaar te
verduren. In het zicht van de haven was hun schip na
een zware reis in de storm ten onder gegaan. De
mannen waren in doodsangst in de mast geklommen en
klemden zich vast aan de gaffel en steunzeil. Daar
zouden ze nog een kans hebben. Gelukkig was hun
schip niet uitgerust met elektrische
boordverlichting. Die zou zeker zijn uitgevallen. De
mannen prezen zich gelukkig dat hun schip nog een
petroleumlamp in de mast had. Het was het lichtje
wat Poepjes ontdekte. Een zware last viel van hun
schouders toen ze in de vale ochtendschemer de
reddingboot zagen en zwaar buizend naderbij zagen
komen. Eindelijk was de redding nabij. Benauwde
ogenblikken werden nog door gemaakt toen de boot
over het gezonken schip heen moest varen om bij de
mast te kunnen komen. Maar alles liep goed af en
Fier keerde de Hilda terug naar de haven.
In de
zelfde stormachtige periode beleefde ook de
opvarenden van de Groningen IV angstige uren.
een storm van wind kracht 9 tot 10 kreeg het
schip in de val van Urk machineschade. Om niet
af te drijven werd het anker uit gezet. Het
spookte behoorlijk. Het IJsselmeer zag wit van
de schuim koppen. De boot zat meer onder water
dan er boven. De passagiers in het vooronder
tweede klasse kregen het benauwd sommige raakten
in paniek en wilden van boord springen. Stuurman
Jaap Stienstra kreeg een ingeving. Hij nam een
landvast, legde die om een bolder en liet het
eind in de kajuit zakken en riep trekken
jongens. De passagiers grepen het touw en
trokken of hun leven er vanaf hing. Het hielp
de rust keerde weer, de mensen waren afgeleid en
hadden het idee dat ze mee hielpen aan het
behoud van het schip. Na dat de machine
gerepareerd was, werd de reis voortgezet. De
passagiers praten nog lang na over hun aandeel
van de redding operatie.
Het was
in die jaren dat Hofmeester Bertus Verschoor
zijn intrede deed op de Jan Nieveen. Gerrit
Visser achtte de tijd gekomen zijn koffie kan aan
de wilgen te hangen. De maatschappij dacht dat
Louw Bosma hem wellicht zou kunnen op volgen.
Maar Bosma had zijn hele leven op de Groninger
IV gevaren en was er zo gezegd mee getrouwd. Op
een goede dag melde zich evenwel bij agent
Nieveen een jong kwiek ventje. de pet wat scheef
op een oor stelde hij zich voor ik ben
Verschoor, zei hij terwijl hij zijn zijn beste
glimlach schonk, en ik wil graag hofmeester
worden op het vlaggenschip van de rederij, de
Jan Nieveen.
Ik heb
ervaring op gedaan op een van de tramboten en ik
geloof dat ik het wel in de zak heb. Wat bedoel
je vroeg, Nieveen het werk of de baan, beide
sprak de jonge Verschoor zelfverzekerd. Tegen
zoveel optimisme viel niks in te brengen en na
overleg met de directie werd Bertus Verschoor de
nieuwe hofmeester. Er was echter een maar aan,
Verschoor wenste een uniform. Dan zou hij voor
de passagiers beter herkenbaar zijn. De
maatschappij vond het prima, want Visser was
nooit voor het dragen van een uniform te bewegen
geweest. Zijn opvolger kreeg een keurig pak
aangemeten met zilveren strepen op de mouwen en
pet. De benoeming van van Schoor was een gouden
greep.
Al
spoedig ontpopte hij zich als de juiste man op
de goede plaats onder het motto. Hoor, zie en
spreek geen kwaad. Verschoor kon met iedereen
overweg. Ook met de passagiers, die hij als
zijn persoonlijke gasten beschouwde en die ook
zo behandelde. Hij was een gastheer aan boord,
waar gezelligheid hoogtij vierde.
|
|
Zoute haring met cognac
In
het begin van de jaren dertig breide de
maatschappij haar activiteiten uit. Het
vervoer over de weg begon te
concurreren, waarop de rederij zelf een
vrachtautodienst opende tussen Groningen
en Lemmer, waar de lading in de schepen
werd overgeslagen voor vervoer over zee.
Het was de bedoeling dat de vrachtwagens
aansloten op de nachtboten, maar in de
praktijk kwam daar niet zo veel van
terecht. Vooral als er een groot aanbod
van lading was, zag de maatschappij geen
kans om volgens het rooster te rijden.
Volgens het rooster moest de nachtboot
om elf uur 's avonds uit Lemmer
vertrekken, maar het was vaak na
middernacht eer de trossen konden worden
losgegooid. Het is zelfs voor gekomen
dat de nachtboot uit Amsterdam al voor
de wal lag voor dat de boot uit Lemmer
vertrok. dat koste de maatschappij
passagiers, want die stapte van boord of
liepen over naar de tramboten, die wel
op tijd om elf uur 's avonds vertrokken.
Meerdere malen werd er bij de directie
van de maatschappij op aangedrongen
spoedeisende vracht rechtstreeks per
vrachtauto van Groningen naar Amsterdam
te brengen, maar daar wilde de rederij
niet aan.
De
Jan Nieveen werd niet alleen ingezet op
de lijndienst tussen Amsterdam en
Lemmer, het schip maakte ook steeds
vaker plezierreisjes. Dan werd de boot
van onder tot boven opgepoetst. Dat
gebeurde ook in de zomer van 1937 toen
op het IJsselmeer de Piet Hein werd
overgedragen aan het prinselijk paar. De
Jan Nieveen was er, afgeladen met
passagiers bij. Hofmeester Verschoor en
zijn staf kwamen handen tekort om ieder
zijn natje en zijn droogje te voorzien.
Sterke drank was doorgaans taboe, maar
een oranjefeest zonder Oranjebitter was
niet voor te stellen en daarom werd voor
deze ene keer de voorschriften
overtreden. Verschoor werd daar over
aangesproken door een controleur, die
belangstellend informeerde waar het U
wel bekende blauwe bordje vergunning
hangt? De Hofmeester, die wel humor
bezat maar geen vergunning, antwoordde
dat ligt op de Piet Hein. De zaak liep
met een sisser af.
Verschoor dacht werkelijk overal aan.
Ook die keer dat een honderdtal
zogenaamde Chief Scouts van Kampen naar
Lemmer moest worden overgevaren. Op elk
tafeltje moest een boeketje bloemen
staan, had de Hofmeester bedacht. Zijn
vrouw had geen vazen genoeg en ging de
buurt langs om ze te lenen. Het was een
fleurig gezicht, die ruikertjes op de
feestelijk gedekte koffietafel.
Tot
dat de Jan Nieveen de steven in het
woelige water stak. De boot begon te
slingeren, de bloemvazen vielen in de
korstekeren om en dropen de keurig
gedekte tafels en de aanzittende Shief
Scouts onder het water. De chaos was
compleet. De vissen hadden een goede
dag, want de doorweekte kadetjes werden
over boord gezet.
In
de wintermaanden stelde het
passagiersvervoer niet veel voor maar 's
zomers zaten de boten doorgaans vol.
Vaak waren er niet voldoende
zitplaatsen, terwijl er voor een tukje
helemaal geen ruimte was. De Lemster
handelaar Markus Davidson had daar wat
op gevonden. Tijd is geld ,en zaken zijn
zaken, was het devies van de koopman,
die dan ook altijd op het laatste
nippertje aan boord kwam. Zijn
afgebroken nachtrust placht hij aan
boord voort te zetten. 's Winters was
dat geen probleem daar het dan niet zo
druk was, maar 's zomers werd het
moeilijker. Het moest raar lopen wilde
Davidson niet slapend de overkant halen.
Hij deed dat door overmatig te krabben,
en te mompelen dat het vlooien waren. De
mensen vertrokken daarna gauw, zodat hij
ruimte had om te kunnen slapen.
Gratis was ook de drank, die de
bemanning van de Jan Nieveen in de zomer
van 1938 uit het ruim dacht te slurpen.
Het schip lag in Lemmer te lossen. Het
ruim was leeg op een vat met 600 liter
jenever na. De stoomlier zweefde boven
het ruim, het vat werd aangeslagen en
hijsen maar. Dit gaat mis mompelde baas
Nieveen, die voor het raam van zijn
kantoor stond te kijken. Het vat
slingerde nogal, kwam onder de den
terecht waardoor een haak los schoot.
Het vat viel in het ruim terug waar het
aan diggelen sloeg. Een buitenkansje,
meenden de omstanders, en haasten zich
met potten en pannen naar het ruim om de
kostelijke jenever op te vangen.
Donder om dat vat riep de baas zodat er
niets van over blijft, riep de
toegesnelde baas echter.
Hij
wist dat het een hoop gedonder zou geven
met de verzekering en de accijnzen
waneer er ook maar een staartje zou over
blijven, potten en pannen moesten worden
omgekeerd. Machinist Bosma was nog aan
boord en kreeg opdracht als de bliksem
de lenspomp aan te zetten en de jenever
overboord te pompen, een verzoek waar de
meester met erg veel plezier gehoor aan
gaf, hij was geheelonthouder.
Op
de Lemmerboot viel altijd wel wat te
beleven. Vaak begon dat al in de tram,
die Lemmer met het achterland verbond.
De machinist had nooit haast, alles
kon. Zoals die keer, toen bij de Knipe
een grote boerderij in brand stond en de
tram werd stil gezet om te kunnen
kijken. Toen echter op het enkelspoor de
tram van de andere kant naderde, had je
de poppen aan het dansen, Beide
machinisten wilden niet achteruit. Dat
gaf een hoop heisa, maar de kwestie werd
uiteindelijk in de minne geschikt.
Tijdschema's waren in die tijd minder
belangrijk. Toen de conducteur een keer
het verkeerde geldkistje had meegenomen
werd de tram gestopt, waarna de
kaartjesknipper naar het station terug
liep om het goede kistje te halen. En
als het 's zomers erg warm was, was de
machinist ook niet te beroerd langs de
spoorbaan een ijscoman halt te houden en
niet eerder te vertrekken nadat alle
passagiers die dat wensten een ijsje had
gekocht.
Het
was niet altijd rozengeur en maneschijn.
Het kon op zee, vooral in het val van
Urk flink spoken en lang niet iedere
passagier kon daar tegen. Talrijk zijn
de verhalen over die gruwelijke
zeeziekte, die van robuuste
persoonlijkheden willoze vaatdoeken
maakte die groen en geel over de reling
hingen en vol overgave de vissen
voerden.
Zo
ook de jonge jufrouw Wiersma uit
Drachten en later te Amsterdam. Altijd
werd ze zeeziek. Eenmaal had ze het
weten vol te houden tot in de haven van
Lemmer. Toch ging het mis. Het schip lag
al voor de kade, toen de jufrouw zich
alsnog naar de reling haastte. "Nou, sal
sij nog even beginne" , mopperde een
vrouw die toevallig langs kwam.
Opa
Verschoor, de vader van Hofmeester
Verschoor en de laatste vuurtorenwachter
van Schokland, voer geregeld mee. Hij
kon niet alleen de passagiers prachtige
verhalen vertellen, hij was ook immer
begaan met het lot van de zeezieken.
Vaak stond hij hen tentijde van hoge
nood terzijde in de gangboorden. Hij
placht dan te zeggen ik weet wel iets
van zeeziekte af. Neem een droge boterham
en een flesje spuitwater en je bent
gegarandeerd beter. Een probaat middel.
De
hofmeester en zijn helpers maakten het
tijdens een reisje met Kamper zakenlui
en hun echtgenotes nog bonter. Na een
geslaagde trip naar Marken waar de Jan
Nieveen op een ondiepte omhoog liep, en
de passagiers met bootjes naar de wal
werden gebracht. En toen gezellig
passagieren gingen in Volendam, en
daarna op huis aan. De zee werd een
beetje onrustig. En het duurde niet lang
of de eerste passagiers hingen over de
reling. Het gevolg was dat de omzet van
het buffet terug liep.
Totdat hofmeester Verschoor een
ingeving kreeg, wat verkoopt in tijden
van nood beter dan een middel tegen
zeeziekte? Met uitgestreken gezicht
beval het buffetpersoneel vervolgens een
doeltreffend geneesmiddel aan, zouten
haring met cognac. De twijfelaars gingen
door de knieën, omdat de bemanning van
het schip natuurlijk wel wist waar zij
het over had, als zij een dergelijk
geneesmiddel aanbeval. Dan zou het wel
goed zijn .... velen tuinden er dus in.
Het slingeren duurde niet lang. Spoedig
kwam het schip weer in rustig water en
de stemming was weer terug. En de
geneesmiddelen waren uit verkocht.
|
Hofmeester Bertus Verschoor.
|
|
|
Voorste rij
kelner Henk Dijkstra, Jenny van der Werve.
Achterste rij Mevrouw Verschoor,
Kapitein Grijpsma en Hofmeester
Verschoor.
Opa Verschoor, hier op een foto toen hij zijn
honderdste verjaardag vierde.
De losplaats in de Lemster Binnenhaven, de Jan
Nieveen ligt voor het kantoor van de maatschappij.
|
De levenslijn
De
donkere wolken van de Tweede
Wereldoorlog wierpen tegen het eind van
de jaren dertig hun dreigende schaduwen
ver voor uit. In Nederland werd de
mobilisatie afgekondigd. Vele mannen
werden onder de wapenen geroepen. De
symptomen van het naderend onheil werden
steeds duidelijker. Toen in 1940 de
oorlog vier maanden oud was maar zich
nog niet tot Nederland had uitgestrekt,
liet de regering weten dat het wellicht
niet zo vaart zou lopen, de
strijdkrachten waren paraat en in
1914-1918 was ons land immers ook
buitenschot gebleven. De mensen konden
rustig gaan slapen.
Met
de inval van de Duitsers op 10 mei 1940
moest Nederland toch naar de wapens
grijpen en brak een rampzalige periode
aan van kommer en kwel, van honger en
ellende, van diep menselijk leed. Een
periode dat de Jan Nieveen geschiedenis
schreef. Het schip werd voor velen de
reddende levenslijn tussen Holland en
Friesland. Onderduikers en Joden
vluchten met de boot naar het Noorden.
Baby's en kinderen werden naar Friesland
overgevaren. Voor talrijke uitgehongerde
etenhalers uit Holland was de Jan
Nieveen in de hoger winter de laatste
strohalm waar aan ze zich vast konden
grijpen. De boot kon hen naar het
Noorden brengen, Waar in vergelijking
tot wat nu de randstad is, eten in
overvloed was en waar niet of nauwelijks
naar bonnen werd gevraagd. Veel mensen
hebben aan dit schip hun leven te
danken.
Toen in augustus1939 de mobilisatie werd
afgekondigd brak voor de Jan Nieveen
drukke tijden aan. Vele mannen werden
voor de dienstplicht opgeroepen. En
velen maakte van de nachtboten gebruik
om hun onderdelen te bereiken. Paarden
werden gevorderd om ingelijfd te worden
bij de cavalerie. De meeste boeren
raakte in landsbelang wel een of twee
paarden kwijt, uiteraard tegen betaling.
De meeste paarden moesten naar Holland,
de Jan Nieveen zorgde voor het vervoer.
Op
een avond werden 85 van die
dienstplichtige viervoeters ingeladen.
Dat was geen eenvoudige klus. De paarden
kregen een broek aan gemeten, waar de
haak van de laadboom kon worden
ingepikt. Aldus werden de spartelende
paarden aan boord gehesen en in het ruim
neergelaten. De paarden keken angstig om
zich heen en werden onrustig. Ze bleven
niet stil staan en er kwam zoveel
beweging in het schip, dat het leek of
ze in een storm op zee zaten, terwijl
het in de rustige binnenhaven voor de
wal lag. Het schip werd flink afgeladen.
De paarden stonden zelfs in de
gangboorden.
Om
elf uur was de lading aan boord,
rinkelde de telegraaf en ging de machine
langzaam vooruit. Traag voer het schip
naar de sluis. Op de wal liepen vele
nieuwsgierigen mee. Een hevig
slingerende boot in stil water was iets
ongewoons. Het schip bleek boven dien
moeilijk te besturen. Allen ogen waren
dan ook gericht op kapitein Grijpsma,
die het onwillige schip door de sluis
moest loodsen. Publiek en havenmeester
Koole keken gespannen toe. Als dit maar
goed ging. Met vaste hand stuurde
Grijpsma de balsturige boot de sluis
binnen. Zonder een schrammetje! De
soldaten die de paarden begeleiden waren
ervan overtuigd dat de dieren op volle
zee door de trillingen van de draaiende
schroef rustig zouden worden. Ze kregen
gelijk de paarden waren al aardig
gekalmeerd, toen het schip nog maar net
buiten de haven was.
Maar toen de boot na vijf uur varen en
het passeren van de Oranjesluizen de
steiger aan de De Ruyterkade naderde,
werden ze weer onrustig. Hevig
slingerend voer de Jan Nieveen over het
IJ, maar hij bereikte zonder ongelukken
de steiger. Waar het lossen kon
beginnen. Eén voor één werden de paarden
met de stoomlier uit het diepe ruim
gehesen. Zodra ze vaste grond onder de
hoeven hadden, kregen ze de neiging om
aan de haal te gaan. Zo ook de zwarte
knol van boer Engwerda uit de omgeving
van Lemmer. Het dier stribbelde
ontzettend tegen hij probeerde er
onmiddellijk tussenuit te knijpen, maar
had buiten de sterken kabel van de lier
gerekend. De zwarte gaf niet gauw krimp,
maar uiteindelijk moest ook deze
dienstweigeraar zich aan de cavalerie
overgeven.
Tijdens de mobilisatie maakte de
verlofgangers druk gebruik van de boot.
Vooral in de weekeinde waren er veel
militairen aan boord. Ze keerden in de
regel 's zondagsavonds met de nachtboot,
die om elf uur uit Lemmer vertrok, naar
hun onderdeel terug. 's Zondagsavonds
was het dan ook een drukte van belang.
In Lemmer waren de cafés gesloten en
daarom werd in de salon van hoffie
Verschoor een pint gepakt. Veel
militairen werden uitgeleide gedaan door
familieleden, vrienden of vriendinnen,
die vanzelfsprekend zo lang mogelijk aan
boord bleven.
Vaak voeren ze mee tot in de sluis. als
de sluisdeuren aan de zeekant open
gingen, gaf kapitein Grijpsma een stoot
op de stoomfluit, waarna de uitwuivers
de wal op sprongen en het schip zee
koos.
Toen op 10 mei 1940 de Duitsers ons land
binnen vielen, veranderde veel. De boten
bleven de eerste dagen aan de wal, varen
was te gevaarlijk geworden. Lang duurde
die situatie overigens niet. Al spoedig
na de capitulatie werd de dienst hervat.
De passagiers kwamen weer opdagen en
alles leek bij het oude te blijven.
Duitse soldaten toonde veel
belangstelling voor de Hollandse
meisjes, zoals op Volendam, Toen de Jan
Nieveen daar binnen viel tijdens een
uitstapje met Kamper zakenlui. Een
Duitser wilde een gesprekje aanknopen
met één van de meisjes, dat daar
duidelijk niet van gediend was. Was....,
wilde de soldaat beleefd vragen, maar
verder kwam hij niet. Was? sprak het
meisje vinnig, dat moet je op je kont
smeren, dan kun je naar Engeland glijden
want varend kom je er nooit. De
omstanders braken in een bulderend
gelach uit, de Duitser droop af.
Later konden dergelijke opmerkingen niet
meer gemaakt worden. De bezetter begon
de regels te verscherpen, geboden en
verboden werden uitgevaardigd, de Joden
vervolging begon en onder de bevolking
groeide een geest van innerlijke haat en
ondergronds verzet. In de tweede
wereldoorlog namen de plezierreizen snel
af. Men durfde niet meer met de boot,
het was te riskant geworden. Wel werden
de geregelde diensten onderhouden.
Alleen in uitzonderlijke gevallen werd
er nog eens een extra reisje gemaakt.
Het werd gevaarlijk op zee. Engelse
jagers voerden regelmatig luchtaanvallen
uit om te trachten zoveel mogelijk
Duitse tonnage tot zinken te brengen.
Onder die omstandigheden verliet op de
morgen van de 21e oktober 1942 de
Groningen IV de haven van Lemmer voor
haar dagelijkse reis naar Amsterdam. Het
schip was nog niet lang onderweg toen
aan de horizon de Tommy's verschenen.
Even later was de lucht vol vliegtuig
geronk. Met donderend lawaai doken de
jagers neer op de Groningen IV en het
passagierschip de Friesland. De brug
alarmeerde hofmeester Louw Bosma. Een
luchtaanval waarschuwde hij de
passagiers. Bosma aarzelde geen moment.
Hij sprong van boven af in de salon.
Plat schreeuwde hij, ga plat liggen. Een
moeder met haar drie kinderen werden
onder de bank geduwd. Een panische angst
maakte zich van de passagiers meester.
Velen baden om behoud. De kogels sloegen
in, ook op de plaats waar de moeder lag
met haar kinderen lag. Wonder boven
wonder werden zij niet geraakt.
De
brug van het schip werd verscheidene
malen getroffen. Stuurman Jaap Stienstra
werd zwaar gewond. Het schieten hield op
toen de stoomleiding werd getroffen. De
aanvallers vertrokken. Kapitein Rien de
Jong en stuurman Schelte Rottiné waren
eerst danig over hun toeren, maar
vermaanden zich snel. Het hoofd moest er
bij, er moest hulp komen en wel zo snel
mogelijk. De noodvlag werd gehesen .
Traag ging de tijd voorbij. Minuten
leken uren. Eindelijk dook aan de
horizon de Groningen III en de Jan
Nieveen op. De schepen kwamen uit
Amsterdam en waren op weg naar Lemmer.
Ze
waren de Groningen IV niet op het vaste tijd
of plaats gepasseerd zodat men begreep dat
er iets aan de hand moest zijn. Groot was de
ontzetting toen men het zwaar getroffen
schip hulpeloos zag ronddrijven met de
noodvlag in top. De Jan Nieveen bracht een
tros uit en nam de boot op sleeptouw. Op
volle kracht werd koers gezet naar Lemmer.
Daar had men al een dokter gewaarschuwd.
Omdat men de aanval en de noodvlag had
gezien. De arts stond de schepen op de sluis
al op te wachten. Zijn hulp kwam helaas te
laat. Jaap Stienstra stierf in de Lemster
sluis. Een vreselijk drama had zich
voltrokken. De bemanning was diep verslagen,
het gezin troosteloos. 's Avonds melde Radio
Oranje van uit Londen "Schepen aangevallen
op het IJsselmeer één brandend achter
gelaten".
|
Veel Noordelingen maakten de reis met de Jan
Nieveen, zoals dit drietal op het achterdek.
De Grongingen IV vaart uit. Het schip zou de oorlog
niet overleven.
Stuurman Jaap
Stienstra. Hij kwam om het leven toen de Groningen
IV in 1942 een paar mijl buiten de haven van Lemmer
door Engelse vliegtuigen werd beschoten. Jaap werd
zwaar gewond. Hij overleed in de sluis.
|
Gevorderd en weer vrij
Op
een morgen het was in 1944, werd reserve
kapitein Jouke van der Bijl op de
steiger in Amsterdam aangesproken door
een paar officieren van de Duitse
Wehrmacht. Wat al lange tijd gevreesd
werd, werd werkelijkheid. Men wilde de
Jan Nieveen vorderen. Van der Bijl
haalde hofmeester Verschoor erbij omdat
hij wist dat hij beter instaat was met
de heren om te gaan dan hij. Maar ze
konden praten wat ze wilden, de Duitsers
waren niet te vermurwen. De boot werd
gevorderd. De Wehermacht had het schip
nodig voor de huisvesting van het
bewakingspersoneel van de sluis. Het was
droevig. Daar lag de Jan Nieveen, het
vlaggenschip van de maatschappij, waar
men zo verknocht aan was, met die gehate
Duitse hakenkruisvlag in top als een
armzalig logementschip voor de wal. De
veel kleinere Groningen III nam de
dienst regeling van de Jan Nieveen over.
De
bemanning sprak er schande van en kon
moeilijk verkroppen dat de boot in handen
van de bezetter was gevallen. Vooral
hofmeester Verschoor had er de groots
mogelijke moeite mee. Hij was bitter
gestemd. Maar iedereen die hem kende, wist
dat hij niet voor een kleintje vervaard was.
Stroomde er geen marine bloed door zijn
aderen? Op zekere morgen stapte de
hofmeester resoluut het kantoor van
directeur Nieuwehuis binnen. Zijn besluit
stond vast. Die boot moet terug sprak hij
verbeten. Mag ik het proberen? Nieuwehuis
keek hem met grote ogen aan. Hoe kwam
Verschoor er bij! "hoe wil je dat dan doen",
vroeg hij verbaast maar ook met respect. Ik
heb een dekschuit nodig die mij bij de
oranjesluizen brengt, antwoordde Verschoor.
Daar ligt de boot en geef mij Klaas mee.
Klaas behoorde tot het steiger personeel in
Amsterdam. Hij voelde wel voor de
onderneming.
Het
plan werd uitgevoerd. Toen de dekschuit de
Jan Nieveen naderde, kwamen de Duitsers al
naar de reling. Ze zagen Verschoor, gekleed
in zijn mooiste uniform , aan voor een
zeeofficier. Zo'n man die overdag op een
dekschuit over het IJ voer, moest wel iets
bijzonders zijn. Laten wij hem maar gauw aan
boord halen spraken de Duitsers, waar hun
spoedig duidelijk werd dat de zeeofficier
wel heel bijzondere bedoelingen had. Maar
nee daar kwam niets van in. De Jan Nieveen
was en bleef gevorderd.
Verschoor gaf de moed niet op. Hij hield aan
en wist ze zo ver te krijgen dat ze de
Duitse commandant van Schellingwoude belden
en vroegen naar de Jan Nieveen te komen. De
hofmeester en zijn maten zaten net aan de
koffie, toen de commandant kwam. In een
vurig en hecht betimmerd betoog zette
Verschoor uit een welk belangrijke dienst de
Jan Nieveen tot nu toe had verricht. Hij
verhaalde van de voedseltransporten van het
noorden naar Holland en van de Duitse post,
die geregeld mee ging. Hij verzweeg
natuurlijk over de onderduikers en Joodse
vluchtelingen. Zeker erkende Verschoor, de
Groningen III, die de plaats van de Jan
Nieveen had ingenomen, was een uitstekend
schip. Geen kwaad woord van te zeggen, maar
voor het belangrijke werk toch eigenlijk
veel te klein . "Vond Herr commandante dat
ook niet"? De overredings kracht was zo
groot , dat de Duitser mee ging naar de
steiger om de Groningen III te bekijken De
commandant zwichte voor de argumenten van de
hofmeester. sterker nog, eigenlijk was de
Groningen III veel beter dan de Jan Nieveen
geschikt voor zijn doel: de huisvesting van
een paar sluisbewakers. De Jan Nieveen werd
weer vrijgegeven en in de vaart gebracht.
Hofmeester Verschoor gloeide van trots toen
de Jan Nieveen weer voor het eerst de haven
van Lemmer binnen liep. Op de wal klonk
gejuich uit vele kelen, wie had dat gedacht
dat hij zou terug keren! Hoffie had het hem
toch maar gelapt.
De
Duitsers hadden steeds meer jongenmannen
nodig voor de Arbeitseinsatz. De razzia's
namen toe. Veel mannen vluchten naar het
noorden of doken onder. Zo ook de jongenman
uit Amsterdam, die op de hielen gezeten werd
door de gezagsdragers, en in de Jan Nieveen
zijn laatste redding zag. "Hofmeester help
mij" vroeg hij onderwijl angstig om zich
heen kijkend. Zeker klonk het antwoord,
'maar hoe' was vraag twee. Wacht even...In
de boven salon, in de hoek, zat een nogal
corpulente pastoor, uiteraard gekleed in de
bekende, ruimvallende rokken. De eerwaarde
bracht uitkomst. Meneer pastoor spreidde de
benen, tilde de rokken op en bood de
onderduiker onderdak. De rok weer naar
beneden en niemand had iets in de gaten. Tot
voorbij de oranjesluizen, heeft de
onderduiker in zijn opmerkelijke
schuilplaats gebivakkeerd. Toen kon hij weer
tevoorschijn komen. Het schip was in volle
zee, de kust was veilig, een benauwd
avontuur was ten einde.
Benauwde ogenblikken beleefde ook de heer
van Dobbenburgh uit Bentveld bij Haarlem. In
Juni 1943 was hij in Oudehaske ondergedoken
om aan de gedwongen tewerkstelling in
Duitsland te ontkomen. Via Amsterdam was hij
met de Lemmerboot naar Friesland gevlucht.
Dolle Dinsdag in september 1944 bracht van
Dobbenburgh in de ban van de naderende
bevrijding en deed hem besluiten naar het
westen terug te keren.
Hij nam
afscheid van zijn verloofde, Trijnie Smilde,
die als verpleegster in het Diaconessenhuis
in Leeuwarden werkte, en ging via de
afsluitdijk op huis aan. Ik had mij lelijk
verkeken, zegt van Dobbenburgh de Duitsers
hielden stand en in het westen van het land
werd het een rampgebied, waarbij Friesland
een land van melk en honig leek. Deze
berichten bereikte natuurlijk ook mijn
verloofde in het diaconessenhuis, maar ik
zag geen kans meer Friesland binnen te
komen. Zonder grote kans te lopen door de
Duitsers opgepakt te worden.
Van
Dobbenburgh had vrijwel alle hoop op gegeven
het noorden weer te kunnen bereiken. Totdat
op een goede dag in december 1944 in de
vroege ochtend plotseling zijn verloofde
voor de deur stond. In uniform, met een
voedselpakket en damesfiets. Ze was van
Leeuwarden naar Lemmer gefietst, had daar de
boot genomen en was vervolgens van Amsterdam
naar Bentveld gereden. Geen kleinigheid in
die barre winter. Grote vreugde in huize van
Dobbenburgh dus, ook al door het
meegebrachte voedselpakket. Ik had mijn
besluit genomen, ik moest en zou terug naar
Friesland. De vraag was alleen hoe? Voor
mijn verloofde bleken er nauwelijks
problemen te zijn, maar hoe kwam ik aan de
overkant?
De
jongenman werd als vrouw verkleed. Een vorm
van travestie, die meer weg had van een
poging tot zelfmoord dan voor
zelfbescherming, verteld van Dobbenburgh.
Mijn voorkomen leende zich hier helemaal
niet voor. De oplossing lag bij de
Ortskommandantur, gevestigd in een voormalig
hotel in de Haarlemerhout in Haarlem. Ik
ging er met mijn verloofde heen. Een
onderofficier deelde ik mee, dat ik
Hauptmann Grabinger wenste te spreken. De
vraag waarom het ging, werd met een smoes
dat het een 'geheime aangelegenheid betrof',
Dat werkte en we verschenen bij Grabinger,
van wie ik wist dat hij geen nazi-man was.
Mijn verloofde stelde ik voor als mijn
nicht, die een patiënt van Leeuwarden naar
Haarlem had moeten brengen en nu terug moest
met de Lemmerboot, ze vreesde dat haar fiets
onderweg in beslag zou worden genomen.
Inbeslagname achte ik evenwel geen nut voor
de Duitse Wermacht. Grabinger beaamde dat en
willigde mijn verzoek in, om ons een
schriftelijk verbod van inbeslagname te
geven. De volgende dag konden wij de
Bescheinigung op halen. Hij wenste mijn
nicht een goede reis.
De
volgende dag vertrokken wij per fiets naar
Amsterdam. We voelden ons met de
Bescheinigung op zak vrij veilig en we
hadden afgesproken dat ik bij aanhouding
door de Duitsers voor een patiënt zou
doorgaan, die naar Leeuwarden gebracht moest
worden. Eventueel zou ik alleen wat
onverstaanbare kreten uiten. Achter het
centraalstation lag de Jan Nieveen. Op de
steiger stonden drommen mensen te wachten.
Ze wilden naar Friesland om eten te halen of
om er te blijven. Ons probleem was om
gezamenlijk met de fietsen aan boord te
komen, terwijl de Duitsers streng
controleerden. Ik zei tegen mijn verloofde
dat zij de Bescheinigung aan de kassa moest
laten zien en alleen maar moest zeggen
Wehrmacht, zwei Mahl, het werkte. onder
dodelijke blikken van de omstanders kreeg
zij twee plaatsbewijzen.
Echt
gemakkelijk is het niet geworden. Om
ongewenste vragen te voorkomen was het beter
dat van Dobbenburgh zou verdwijnen. Hij
kroop daarom onder een van de banken aan
dek, zijn verloofde ging op de bank zitten
en plooide de de plaid zo over haar schoot
dat hij onzichtbaar werd. Bij controle van
de Duitsers hield zij zich slapende, terwijl
haar verloofde letterlijk oog in oog stond
met de neuzen van de Duitse laarzen.
Ik heb
minstens zes uur onder die bank gelegen,
want we waren erg vroeg aan boord gekomen.
Zeker twee uur voor de vertrektijd, de
afvaart was daarom ook een verlossing. We
wisten dat de oranjesluizen nog
moeilijkheden konden opleveren omdat daar de
Duitsers nog wel eens aan boord kwamen. Maar
dat liep gelukkig goed af.
Een
nieuw probleem diende zich naar mate aan hoe
dichter de Friese kust in zicht kwam. Van
Dobbenburgh zat nu wel op de Jan Nieveen,
maar hoe kwam hij er ongezien weer van
af?Afgesproken werd dat zij de beide fietsen
van boord zou meenemen, terwijl hij zich
ergens verdekt zou op stellen om een gunstig
ogenblik af te wachten om van boord te gaan.
Toen de boot werd afgemeerd, nam mijn
verloofde poolshoogte, Ja zeker er was wel
controle, op de kade stonden de Duitsers al
klaar. Het zou een toer worden om ongezien
aan wal te komen. Tot overmaat van ramp
liepen een stuk of vijf jongemannen die het
zelfde van plan waren als ik, in de val en
werden gearresteerd. Een ongeval van een van
de Duitsers bracht de oplossing. Het vroor
flink hard en op sommige plaatsen was het
flink glad. Dat werd de soldaat fataal hij
gleed uit en viel te water.
Zijn
collega's schoten hem te hulp, alle aandacht
richten zich op de reddingspoging en dat gaf
van Dobbenburgh de kans om van boord te
komen. Ik sprong van het achterdek op de
kade en rende in het donker naar een
portiek, waar ik mij schuil hield. Even
later dook mijn verloofde met de twee
fietsen op, en na een bare tocht bereikten
we uiteindelijk Oudehaske. Ik was weer
thuis, de Jan Nieveen was voor ons
onvergetelijk geworden.
|
Reserve kapitein Jouke van der Bijl.
Hofmeester Verschoor.

De 'Bescheiniging' die mejuffrouw Smilde kreeg om te
voorkomen dat haar fiets in beslag zou worden
genomen.
Directeur Nieuwenhuis was in 1941 veertig jaar aan
de Maatschappij verbonden.
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
|