Veel bewogen historie van de oude Jan Nieveen.

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |

 

 

 

De slag om de passagiers

De mannen van de tramboten zagen met leden ogen aan dat de NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij niet alleen veel succes had met de uitstapjes naar de Zuiderzeewerken, maar dat de boten ook 's zomers de meeste klandizie hadden van reizigers, die op de fiets naar Lemmer kwamen om zich daar in te schepen voor de oversteek naar Amsterdam. De maatschappij had wat dat betreft een streepje voor op de concurrent, want de fietsers kregen, komend van de straatweg Sneek-Lemmer, de Jan Nieveen het eerst in het oog. Dat schip maakte indruk. De beide sloepen op het achterdek gaven een gevoel van betrouwbaarheid. Op zich zelf klopte dat ook  wel, maar het leek meer dan het was,want als er onverhoopt iets mis mocht gaan, was er in de sloepen plaats voor hoogstens 70 mensen. Dat zou dus dringen worden.

Onder tussen ging de vlootuitbreiding door. In de vaart kwamen schepen als de Harm Nieveen en de Groningen V, VI, VII, en VIII. Zij konden 130 ton vracht meenemen. Overslaan in Lemmer werd overbodig want de schepen waren geschikt voor binnen en buiten water, zodat ze in één ruk van Groningen naar Amsterdam en omgekeerd voeren. Die vaart geschiede uiteraard volgens een vaste dienstregeling en een vaste route, door de Zuiderzee en later het IJsselmeer, werd door vissers de Lemster koers genoemd. Een en ander was voor de visserlui, die nog onder zeil en met primitieve navigatiemiddelen de zee bevoeren, van onschatbare betekenis. Jan Mol uit Volendam is zo'n visser, voor wie de Lemsterkoers van groot belang is geweest.

Elke dag en nacht om 12 uur vertrokken de boten uit Lemmer en Amsterdam. Als ze elkaar ten Zuiden van het Enkhuizerzand passeerden, was het precies half drie. Daar kon je de klok op gelijk zetten, zegt hij. Als we de Lemmer boten zagen, wisten we aan de hand van de tijd hoe ver we van Lemmer, Urk of de vuurtoren van Marken waren. We wisten dan ook precies waar we gevist hadden of waar we moesten vissen. Als in het voorjaar de haring de Zuiderzee introk, moesten we ruimschoots ten noorden van de Lemsterkoers de netten uitzetten, maar ging de haring kuit schieten, dan moesten we net aan de andere kant van de route zijn. Met ansjovis was het net eender.

De boten voeren soms rakelings langs ons heen.'s Nachts ook, maar als je zorgde dat je verlichting in orde was, had je niks te vrezen. De kapiteins verstonden hun vak. Ook overdag kwamen de boten soms dichtbij, vooral 's zomers, maar dat werd gedaan voor de passagiers meestal vakantiegangers om te laten zien hoe er gevist werd. De Lemmer boten zijn voor ons van onschatbare waarde geweest. Je wist altijd precies waar je was. Ook al zat het dicht van de mist, als je de stoomfluit hoorde, wist je dat je goed zat.

In de winter van 1931-1932 werd op de Zuiderzee veel last van drijfijs onder vonden. Toen het ging dooien hoopte het ijs zich als gevolg van de straffe Zuidwestenwind op voor de haven van Lemmer, die daardoor onbereikbaar werd. De boten die in Lemmer zaten opgesloten, weken via het Tjeukemeer uit naar Stavoren, waar haven en zee ijsvrij waren. het wal personeel werd over de schepen verdeeld. De baas nam zijn intrek in een  hotel. De vrouwen van Stavoren het personeel, dat dekens en kussens mee van huis had genomen, zocht een slaapplaats op de schepen.

Twee jaar later vroor het nog strenger. De vorst viel op 5 December. Nog geen twee weken later was er al een elfsteden tocht. De vaart over het IJsselmeer was volkomen gestremd, ook nadat op 2 Januari met veel regen en wind de dooi was ingevallen. De Lemmer boten weken uit naar Harlingen om te proberen buiten om in Amsterdam te komen. Het goederenvervoer was volkomen vast komen zitten. De pakhuizen, de kade ruimte en zelfs de dekschuiten puilden uit van de vracht. Er moesten hoe dan ook schepen komen. Toen die er waren, kwam de rijksloods, nodig voor de vaart over de waddenzee niet opdagen. Slikloods Piet Plooi bracht uitkomst. Twee schepen slaagden er in om Amsterdam te bereiken en een dag later vielen de Jan Nieveen en de Groninger IV Harlingen binnen, waar ze afmeerden achter de Noord-Nederland van de Firma Doeksen, die steiger ruimte had afgestaan. De schepen waren zo zwaar afgeladen, dat velen zich hoofdschuddend zich af vroegen waar die lui in hemelsnaam het lef vandaan haalden om zo zee te kiezen. Op de Jan Nieveen had de bemanning de lading tot in de gangboorden de lading opgetast, terwijl de kapitein van de Groninger IV zelfs de salons had laten vol stouwen.

Er werd onder hoogspanning gewerkt, maar de haven van Harlingen had een nadeel. Er was een politie verordening van kracht, waarin werd bepaald dat er op Zondag niet gewerkt mocht worden. Daar werd bovendien streng de hand aan gehouden. Dat was ook het geval in de winter van 1937, toen de schepen vanwege de ijsgang weer naar Harlingen waren uitgeweken. Weer had de lading zich op gehoopt. De telefoon stond roodgloeiend. De klanten wilden weten waar hun goederen bleven. Hun voorraden raakten uit geput.

Die vrijdag werd er in de salon van de Jan Nieveen krijgsraad gehouden. Er moest een enorme partij vracht gelost en geladen worden, een karwei dat met het oog op de politieverordening de volgende avond om 12 uur geklaard moest zijn. Baas Geert Nieveen zag er nauwelijks kans toe, maar stelde het personeel een warm onthaal toe "De volgende dag in hotel Zeezicht in het vooruitzicht als het zou lukken". Besloten werd de strijd met de klok aan te binden. Van een paar Engelse schepen die toevallig in de haven lagen werden een paar losse bootwerkers geronseld. Er werd hard gezwoegd. Iedereen van hoog tot laag, sjouwde zich uit de naad. In zwakke momenten bekroop sommige een gevoel van twijfel. Dit lukt nooit, kom aan maanden anderen en met hernieuwde ijver werd het werk ter hand genomen.

In de loop van de avond verschenen een paar dienders ten tonele. Wat die gekke Lemsters wilden kon helemaal niet. Dit zou uitdraaien op een regelrechte schending van de bij wet geregelde Zondagrust als zij die vracht nog wilden verstouwen. En dat laatste leek het geval te zijn. De dienders hielden hun bonboekjes al klaar. Maar zie, toen de klok 12 uur sloeg sjorde Thijs Fleer het laatste touw vast. Een luid gejuich klonk op in de donkere haven de mannen hadden het toch maar geflikt. De dienders dropen teleurgesteld af.

 

 

 

 

Directeur Nico Nieuwenhuis was liefst 56 jaar aan de maatschappij verbonden.

 

 

De vaart naar Amsterdam was er in die jaren overigens niet gemakkelijker op geworden. In mei 1932 was de afsluitdijk gereed en de Zuiderzee heet nu het IJsselmeer. Het water werd niet alleen zoeter maar ook onrustiger. De golfslag werd anders, zwaarder en korter, en onberekenbaarder, vooral bij Noordwesterstorm.

Het was tijdens zo'n herfststorm in de vroege morgen van maandag 30 September 1935 dat sluismeester Lykle Poepjes gewapend met verrekijker de zee afzocht. De storm huilde over de haven en zweepte het water hoog op. Poepjes maakte zich ongerust. De boot was nog niet binnen. Ze had de vorige dag al in Lemmer moeten zijn. Het was aardedonker. De wind rukte aan zijn kleren. Gespannen tuurde Poepjes over de ruwe zee. Plotseling rechte hij zijn rug drukte zijn kijker steviger tegen zijn ogen. Een lichtje  'ja'  een lichtje daar ten zuiden van de haven. Een toplicht?, De sluismeester keek nog eens goed ja dat was een toplicht zonder enige twijfel. Dat moest de Groninger VI zijn. Alleen het licht bewoog niet. Het verplaatste zich niet. Poepjes sloeg onmiddellijk alarm. De reddingsbootcommissie werd gewaarschuwd en even later voer de Hilda uit. Men vreesde het ergste.

Op de Groninger VI hadden de drie bemanningsleden het zwaar te verduren. In het zicht van de haven was hun schip na een zware reis in de storm ten onder gegaan. De mannen waren in doodsangst in de mast geklommen en klemden zich vast aan de gaffel en steunzeil. Daar zouden ze nog een kans hebben. Gelukkig was hun schip niet uitgerust met elektrische boordverlichting. Die zou zeker zijn uitgevallen. De mannen prezen zich gelukkig dat hun schip nog een petroleumlamp in de mast had. Het was het lichtje wat Poepjes ontdekte. Een zware last viel van hun schouders toen ze in de vale ochtendschemer de reddingboot  zagen en zwaar buizend naderbij zagen komen. Eindelijk was de redding nabij. Benauwde ogenblikken werden nog door gemaakt toen de boot over het gezonken schip heen moest varen om bij de mast te kunnen komen. Maar alles liep goed af en Fier keerde de Hilda terug naar de haven.

In de zelfde stormachtige periode beleefde ook de opvarenden van de Groningen IV angstige uren. een storm van wind kracht 9 tot 10 kreeg het schip in de val van Urk machineschade. Om niet af te drijven werd het anker uit gezet. Het spookte behoorlijk. Het IJsselmeer zag wit van de schuim koppen. De boot zat meer onder water dan er boven. De passagiers in het vooronder tweede klasse kregen het benauwd sommige raakten in paniek en wilden van boord springen. Stuurman Jaap Stienstra kreeg een ingeving. Hij nam een landvast, legde die om een bolder en liet het eind in de kajuit zakken en riep trekken jongens. De passagiers grepen het touw en trokken of hun leven er vanaf hing. Het hielp de rust keerde weer, de mensen waren afgeleid en hadden het idee dat ze mee hielpen aan het behoud van het schip. Na dat de machine gerepareerd was, werd de reis voortgezet. De passagiers praten nog lang na over hun aandeel van de redding operatie.

Het was in die jaren dat Hofmeester Bertus Verschoor zijn intrede deed op de Jan Nieveen. Gerrit Visser achtte de tijd gekomen zijn koffie kan aan de wilgen te hangen. De maatschappij dacht dat Louw Bosma hem wellicht zou kunnen op volgen. Maar Bosma had zijn hele leven op de Groninger IV gevaren en was er zo gezegd mee getrouwd. Op een goede dag melde zich evenwel bij agent Nieveen een jong kwiek ventje. de pet wat scheef op een oor stelde hij zich voor ik ben Verschoor, zei hij terwijl hij zijn zijn beste glimlach schonk, en ik wil graag hofmeester worden op het vlaggenschip van de rederij, de Jan Nieveen.

Ik heb ervaring op gedaan op een van de tramboten en ik geloof dat ik het wel in de zak heb. Wat bedoel je vroeg, Nieveen het werk of de baan, beide sprak de jonge Verschoor zelfverzekerd. Tegen zoveel optimisme viel niks in te brengen en na overleg met de directie werd Bertus Verschoor de nieuwe hofmeester. Er was echter een maar aan, Verschoor wenste een uniform. Dan zou hij voor de passagiers beter herkenbaar zijn. De maatschappij vond het prima, want Visser was nooit voor het dragen van een uniform te bewegen geweest. Zijn opvolger kreeg een keurig pak aangemeten met zilveren strepen op de mouwen en pet. De benoeming van van Schoor was een gouden greep.

Al spoedig ontpopte hij zich als de juiste man op de goede plaats onder het motto. Hoor, zie en spreek geen kwaad. Verschoor kon met iedereen overweg. Ook met de passagiers, die hij als zijn persoonlijke gasten beschouwde en die ook zo behandelde. Hij was een gastheer aan boord, waar gezelligheid hoogtij vierde.

 

 

 

 

 

 

Zoute haring met cognac

In het begin van de jaren dertig breide de maatschappij haar activiteiten uit. Het vervoer over de weg begon te concurreren, waarop de rederij zelf een vrachtautodienst opende tussen Groningen en Lemmer, waar de lading in de schepen werd overgeslagen voor vervoer over zee. Het was de bedoeling dat de vrachtwagens aansloten op de nachtboten, maar in de praktijk kwam daar niet zo veel van terecht. Vooral als er een groot aanbod van lading was, zag de maatschappij geen kans om volgens het rooster te rijden.

Volgens het rooster moest de nachtboot om elf uur 's avonds uit Lemmer vertrekken, maar het was vaak na middernacht eer de trossen konden worden losgegooid. Het is zelfs voor gekomen dat de nachtboot uit Amsterdam al voor de wal lag voor dat de boot uit Lemmer vertrok. dat koste de maatschappij passagiers, want die stapte van boord of liepen over naar de tramboten, die wel op tijd om elf uur 's avonds vertrokken. Meerdere malen werd er bij de directie van de maatschappij op aangedrongen spoedeisende vracht rechtstreeks per vrachtauto van Groningen naar Amsterdam te brengen, maar daar wilde de rederij niet aan.

De Jan Nieveen werd niet alleen ingezet op de lijndienst tussen Amsterdam en Lemmer, het schip maakte ook steeds vaker plezierreisjes. Dan werd de boot van onder tot boven opgepoetst. Dat  gebeurde ook in de zomer van 1937 toen op het IJsselmeer de Piet Hein werd overgedragen aan het prinselijk paar. De Jan Nieveen was er, afgeladen met passagiers bij. Hofmeester Verschoor en zijn staf kwamen handen tekort om ieder zijn natje en zijn droogje te voorzien.

Sterke drank was doorgaans taboe, maar een oranjefeest zonder Oranjebitter was niet voor te stellen en daarom werd voor deze ene keer de voorschriften overtreden. Verschoor werd daar over aangesproken door een controleur, die belangstellend informeerde waar het U wel bekende blauwe bordje vergunning hangt? De Hofmeester, die wel humor bezat maar geen vergunning, antwoordde dat ligt op de Piet Hein. De zaak liep met een sisser af.

Verschoor dacht werkelijk overal aan. Ook die keer dat een honderdtal zogenaamde Chief Scouts van Kampen naar Lemmer moest worden overgevaren. Op elk tafeltje moest een boeketje bloemen staan, had de Hofmeester bedacht. Zijn  vrouw had geen vazen genoeg en ging de buurt langs om ze te lenen. Het was een fleurig gezicht, die ruikertjes op de feestelijk gedekte koffietafel.

Tot dat de Jan Nieveen de steven in het woelige water stak. De boot begon te slingeren, de bloemvazen vielen in de korstekeren om en dropen de keurig gedekte tafels en de aanzittende Shief  Scouts onder het water. De chaos was compleet. De vissen hadden een goede dag, want de doorweekte kadetjes werden over boord gezet.

In de wintermaanden stelde het passagiersvervoer niet veel voor maar 's zomers zaten de boten doorgaans vol. Vaak waren er niet voldoende zitplaatsen, terwijl er voor een tukje helemaal geen ruimte was. De Lemster handelaar Markus Davidson had daar wat op gevonden. Tijd is geld ,en zaken zijn zaken, was het devies van de koopman, die dan ook altijd op het laatste nippertje aan boord kwam. Zijn afgebroken nachtrust placht hij aan boord voort te zetten. 's Winters was dat geen probleem daar het dan niet zo druk was, maar 's zomers werd het moeilijker. Het moest raar lopen wilde Davidson niet slapend de overkant halen. Hij deed dat door overmatig te krabben, en te mompelen dat het vlooien waren. De mensen vertrokken daarna gauw, zodat hij ruimte had om te kunnen slapen.

Gratis was ook de drank, die de bemanning van de Jan Nieveen in de zomer van 1938 uit het ruim dacht te slurpen. Het schip lag in Lemmer te lossen. Het ruim was leeg op een vat met 600 liter jenever na. De stoomlier zweefde boven het ruim, het vat werd aangeslagen en hijsen maar. Dit gaat mis mompelde  baas Nieveen, die voor het raam van zijn kantoor stond te kijken. Het vat slingerde nogal, kwam onder de den terecht waardoor een haak los schoot. Het vat viel in het ruim terug waar het aan diggelen sloeg. Een buitenkansje, meenden de omstanders, en haasten zich met potten en pannen naar het ruim om de kostelijke jenever op te vangen. Donder om dat vat riep de baas zodat er niets van over blijft, riep de toegesnelde baas echter.

Hij wist dat het een hoop gedonder zou geven met de verzekering en de accijnzen waneer er ook maar een staartje zou over blijven, potten en pannen moesten worden omgekeerd. Machinist Bosma was nog aan boord en kreeg opdracht als de bliksem de lenspomp aan te zetten en de jenever overboord te pompen, een verzoek waar de meester met erg veel plezier gehoor aan gaf, hij was geheelonthouder.

Op de Lemmerboot viel altijd wel wat te beleven. Vaak begon dat al in de tram, die Lemmer met het achterland verbond. De machinist had nooit haast,  alles kon. Zoals die keer, toen  bij de Knipe een grote boerderij in brand stond en de tram werd stil gezet om te kunnen kijken. Toen echter op het enkelspoor de tram van de andere kant naderde, had je de poppen aan het dansen, Beide machinisten wilden niet achteruit. Dat gaf een hoop heisa, maar de kwestie werd uiteindelijk in de minne geschikt.

Tijdschema's waren in die tijd minder belangrijk. Toen de conducteur een keer het verkeerde geldkistje had meegenomen werd de tram gestopt, waarna de kaartjesknipper naar het station terug liep om het goede kistje te halen. En als het 's zomers erg warm was, was de machinist ook niet te beroerd  langs de spoorbaan een ijscoman halt te houden en niet eerder te vertrekken nadat alle passagiers die dat wensten een ijsje had gekocht.

Het was niet altijd rozengeur en maneschijn. Het kon op zee, vooral in het val van Urk  flink spoken en lang niet iedere passagier kon daar tegen. Talrijk zijn de verhalen over die gruwelijke zeeziekte, die van robuuste persoonlijkheden willoze vaatdoeken maakte die groen en geel over de reling hingen en vol overgave de vissen voerden.

Zo ook de jonge jufrouw Wiersma uit Drachten en later te Amsterdam. Altijd werd ze zeeziek. Eenmaal had ze het weten vol te houden tot in de haven van Lemmer. Toch ging het mis. Het schip lag al voor de kade, toen de jufrouw zich alsnog naar de reling haastte. "Nou, sal sij nog even beginne" , mopperde een vrouw die toevallig langs kwam.

Opa Verschoor, de vader van Hofmeester Verschoor en de laatste vuurtorenwachter van Schokland, voer geregeld mee. Hij kon niet alleen de passagiers prachtige verhalen vertellen, hij was ook immer begaan met het lot van de zeezieken. Vaak stond hij hen tentijde van hoge nood terzijde in de gangboorden. Hij placht dan te zeggen ik weet wel iets van zeeziekte af. Neem een droge boterham en een flesje spuitwater en je bent gegarandeerd beter. Een probaat middel.

De hofmeester en zijn helpers maakten het tijdens een reisje met Kamper zakenlui en hun echtgenotes nog bonter. Na een geslaagde trip naar Marken waar de Jan Nieveen op een ondiepte omhoog liep, en de passagiers met bootjes naar de wal werden gebracht. En toen gezellig passagieren gingen in Volendam, en daarna op huis aan. De zee werd een beetje onrustig. En het duurde niet lang of de eerste passagiers hingen over de reling. Het gevolg was dat de omzet van het buffet terug liep.

Totdat  hofmeester Verschoor een ingeving kreeg, wat verkoopt in tijden van nood beter dan een middel tegen zeeziekte? Met uitgestreken gezicht beval het buffetpersoneel vervolgens een doeltreffend geneesmiddel aan, zouten haring met cognac. De twijfelaars gingen door de knieën, omdat de bemanning van het schip natuurlijk wel wist waar zij het over had, als zij een dergelijk geneesmiddel aanbeval. Dan zou het wel goed zijn .... velen tuinden er dus in. Het slingeren duurde niet lang. Spoedig kwam het schip weer in rustig water en de stemming was weer terug. En de geneesmiddelen waren uit verkocht.

 

 

Hofmeester Bertus Verschoor.

Machinist Linze de Boer.

 

Hofmeester Gerrit Visser

 

 

Voorste rij kelner Henk Dijkstra, Jenny van der Werve. Achterste rij Mevrouw Verschoor, Kapitein Grijpsma en Hofmeester Verschoor.

 

Opa Verschoor, hier op een foto toen hij zijn honderdste verjaardag vierde.

 

De losplaats in de Lemster Binnenhaven, de Jan Nieveen ligt voor het kantoor van de maatschappij.

 

 

De levenslijn

De donkere wolken van de Tweede Wereldoorlog wierpen tegen het eind van de jaren dertig hun dreigende schaduwen ver voor uit. In Nederland werd de  mobilisatie afgekondigd. Vele mannen werden onder de wapenen geroepen. De symptomen van het naderend onheil werden steeds duidelijker. Toen in 1940 de oorlog vier maanden oud was maar zich nog niet tot  Nederland had uitgestrekt, liet de regering weten dat het wellicht niet zo vaart zou lopen, de strijdkrachten waren paraat en in 1914-1918 was ons land immers ook buitenschot gebleven. De mensen konden rustig gaan slapen.

Met de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 moest Nederland toch naar de wapens grijpen en brak een rampzalige periode aan van kommer en kwel, van honger en ellende, van diep menselijk leed. Een periode dat de Jan Nieveen geschiedenis schreef. Het schip werd voor velen de reddende levenslijn tussen Holland en Friesland. Onderduikers en Joden vluchten met de boot naar het Noorden. Baby's en kinderen werden naar Friesland overgevaren. Voor talrijke uitgehongerde etenhalers uit Holland was de Jan Nieveen in de hoger winter de laatste strohalm waar aan ze zich vast konden grijpen. De boot kon hen naar het Noorden brengen, Waar in vergelijking tot wat nu de randstad is, eten in overvloed was en waar niet of nauwelijks naar bonnen werd gevraagd. Veel mensen hebben aan dit schip hun leven te danken.

Toen in augustus1939 de mobilisatie werd afgekondigd brak voor de Jan Nieveen drukke tijden aan. Vele mannen werden voor de dienstplicht opgeroepen. En velen maakte van de nachtboten gebruik om hun onderdelen te bereiken. Paarden werden gevorderd om ingelijfd te worden bij de cavalerie. De meeste boeren raakte in landsbelang wel een of twee paarden kwijt, uiteraard tegen betaling. De meeste paarden moesten naar Holland, de Jan Nieveen zorgde voor het vervoer.

Op een avond werden 85 van die dienstplichtige viervoeters ingeladen. Dat was geen eenvoudige klus. De paarden kregen een broek aan gemeten, waar de haak van de laadboom kon worden ingepikt. Aldus werden de spartelende paarden aan boord gehesen en in het ruim neergelaten. De paarden keken angstig om zich heen en werden onrustig. Ze bleven niet stil staan en er kwam zoveel beweging in het schip, dat het leek of ze in een storm op zee zaten, terwijl het in de rustige binnenhaven voor de wal lag. Het schip werd flink afgeladen. De paarden stonden zelfs in de gangboorden.

Om elf uur was de lading aan boord, rinkelde de telegraaf en ging de machine langzaam  vooruit. Traag voer het schip naar de sluis. Op de wal liepen vele nieuwsgierigen mee. Een hevig slingerende boot in stil water was iets ongewoons. Het schip bleek boven dien moeilijk te besturen. Allen ogen waren dan ook gericht op kapitein Grijpsma, die het onwillige schip door de sluis moest loodsen. Publiek en havenmeester Koole keken gespannen toe. Als dit maar goed ging. Met vaste hand stuurde Grijpsma de balsturige boot de sluis binnen. Zonder een schrammetje! De soldaten die de paarden begeleiden waren ervan overtuigd dat de dieren op volle zee door de trillingen van de draaiende schroef rustig zouden worden. Ze kregen gelijk de paarden waren al aardig gekalmeerd, toen het schip nog maar net buiten de haven was.

Maar toen de boot na vijf uur varen en het passeren van de Oranjesluizen de steiger aan de De Ruyterkade naderde, werden ze weer onrustig. Hevig slingerend voer de Jan Nieveen over het IJ, maar hij bereikte zonder ongelukken de steiger. Waar het lossen kon beginnen. Eén voor één werden de paarden met de stoomlier uit het diepe ruim gehesen. Zodra ze vaste grond onder de hoeven hadden, kregen ze de neiging om aan de haal te gaan. Zo ook de zwarte knol van boer Engwerda uit de omgeving van Lemmer. Het dier stribbelde ontzettend tegen hij probeerde er onmiddellijk tussenuit te knijpen, maar had buiten de sterken kabel van de lier gerekend. De zwarte gaf niet gauw krimp, maar uiteindelijk moest ook deze dienstweigeraar zich aan de cavalerie overgeven.

Tijdens de mobilisatie maakte de verlofgangers druk gebruik van de boot. Vooral in de weekeinde waren er veel militairen aan boord. Ze keerden in de regel 's zondagsavonds met de nachtboot, die om elf uur uit Lemmer vertrok, naar hun onderdeel terug. 's Zondagsavonds was het dan ook een drukte van belang. In Lemmer waren de cafés gesloten en daarom werd in de salon van hoffie Verschoor een pint gepakt. Veel militairen werden uitgeleide gedaan door familieleden, vrienden of vriendinnen, die vanzelfsprekend zo lang mogelijk aan boord bleven.

Vaak voeren ze mee tot in de sluis. als de sluisdeuren aan de zeekant open gingen, gaf kapitein Grijpsma een stoot op de stoomfluit, waarna de uitwuivers de wal op sprongen en het schip zee koos.

Toen op 10 mei 1940 de Duitsers ons land binnen vielen, veranderde veel. De boten bleven de eerste dagen aan de wal, varen was te gevaarlijk geworden. Lang duurde die situatie overigens niet. Al spoedig na de capitulatie werd de dienst hervat. De passagiers kwamen weer opdagen en alles leek bij het oude te blijven. Duitse soldaten toonde veel belangstelling voor de Hollandse meisjes, zoals op Volendam, Toen de Jan Nieveen daar binnen viel tijdens een uitstapje met Kamper zakenlui. Een Duitser wilde een gesprekje aanknopen met één van de meisjes, dat daar duidelijk niet van gediend was. Was...., wilde de soldaat beleefd vragen, maar verder kwam hij niet. Was? sprak het meisje vinnig, dat moet je op je kont smeren, dan kun je naar Engeland glijden want varend kom je er nooit. De omstanders braken in een bulderend gelach uit, de Duitser droop af.

Later konden dergelijke opmerkingen niet meer gemaakt worden. De bezetter begon de regels te verscherpen, geboden en verboden werden uitgevaardigd, de Joden vervolging begon en onder de bevolking groeide een geest van innerlijke haat en ondergronds verzet. In de tweede wereldoorlog namen de plezierreizen snel af. Men durfde niet meer met de boot, het was te riskant geworden. Wel werden de geregelde diensten onderhouden. Alleen in uitzonderlijke gevallen werd er nog eens een extra reisje gemaakt. Het werd gevaarlijk op zee. Engelse jagers voerden regelmatig luchtaanvallen uit om te trachten zoveel mogelijk Duitse tonnage tot zinken te brengen.

Onder die omstandigheden verliet op de morgen van de 21e oktober 1942 de Groningen IV de haven van Lemmer voor haar dagelijkse reis naar Amsterdam. Het schip was nog niet lang onderweg toen aan de horizon de Tommy's verschenen. Even later was de lucht vol vliegtuig geronk. Met donderend lawaai doken de jagers neer op de Groningen IV en het passagierschip de Friesland. De brug alarmeerde hofmeester Louw Bosma. Een luchtaanval waarschuwde hij de  passagiers. Bosma aarzelde geen moment. Hij sprong van boven af in de salon. Plat schreeuwde hij, ga plat liggen. Een moeder met haar drie kinderen werden onder de bank geduwd. Een panische angst maakte zich van de passagiers meester. Velen baden om behoud. De kogels sloegen in, ook op de plaats waar de moeder lag met haar kinderen lag. Wonder boven wonder werden zij niet geraakt.

De brug van het schip werd verscheidene malen getroffen. Stuurman Jaap Stienstra werd zwaar gewond. Het schieten hield op toen de stoomleiding werd getroffen. De aanvallers vertrokken. Kapitein Rien de Jong en stuurman Schelte Rottiné waren eerst danig over hun toeren, maar vermaanden zich snel. Het hoofd moest er bij, er moest hulp komen en wel zo snel mogelijk. De noodvlag werd gehesen . Traag ging de tijd voorbij. Minuten leken uren. Eindelijk dook aan de horizon de Groningen III en de Jan Nieveen op. De schepen kwamen uit Amsterdam en waren op weg naar Lemmer.

Ze waren de Groningen IV niet op het vaste tijd of plaats gepasseerd zodat men begreep dat er iets aan de hand moest zijn. Groot was de ontzetting toen men het zwaar getroffen schip hulpeloos zag ronddrijven met de noodvlag in top. De Jan Nieveen bracht een tros uit en nam de boot op sleeptouw. Op volle kracht werd koers gezet naar Lemmer. Daar had men al een dokter gewaarschuwd. Omdat men de aanval en de noodvlag had gezien. De arts stond de schepen op de sluis al op te wachten. Zijn hulp kwam helaas te laat. Jaap Stienstra stierf in de Lemster sluis. Een vreselijk drama had zich voltrokken. De bemanning was diep verslagen, het gezin troosteloos. 's Avonds melde Radio Oranje van uit Londen "Schepen aangevallen op het IJsselmeer één brandend achter gelaten".

 

 

Veel Noordelingen maakten de reis met de Jan Nieveen, zoals dit drietal op het achterdek.

 

De Grongingen IV vaart uit. Het schip zou de oorlog niet overleven.

 

Stuurman Jaap Stienstra. Hij kwam om het leven toen de Groningen IV in 1942 een paar mijl buiten de haven van Lemmer door Engelse vliegtuigen werd beschoten. Jaap werd zwaar gewond. Hij overleed in de sluis.

 

 

Gevorderd en weer vrij

Op een morgen het was in 1944, werd reserve kapitein Jouke van der Bijl op de steiger in Amsterdam aangesproken door een paar officieren van de Duitse Wehrmacht. Wat al lange tijd gevreesd werd, werd werkelijkheid. Men wilde de Jan Nieveen vorderen. Van der Bijl haalde hofmeester Verschoor erbij omdat hij wist dat hij beter instaat was met de heren om te gaan dan hij. Maar ze konden praten wat ze wilden, de Duitsers waren niet te vermurwen. De boot werd gevorderd. De Wehermacht had het schip nodig voor de huisvesting van het bewakingspersoneel van de sluis. Het was droevig. Daar lag de Jan Nieveen, het vlaggenschip van de maatschappij, waar men zo verknocht aan was, met die gehate Duitse hakenkruisvlag in top als een armzalig logementschip voor de wal. De veel kleinere Groningen III nam de dienst regeling van de Jan Nieveen over.

De bemanning sprak er schande van en kon moeilijk verkroppen dat de boot in handen van de bezetter was gevallen. Vooral hofmeester Verschoor had er de groots mogelijke moeite mee. Hij was bitter gestemd. Maar iedereen die hem kende, wist dat hij niet voor een kleintje vervaard was. Stroomde er geen marine bloed door zijn aderen? Op zekere morgen stapte de hofmeester resoluut het kantoor van directeur Nieuwehuis binnen. Zijn besluit stond vast. Die boot moet terug sprak hij verbeten. Mag ik het proberen? Nieuwehuis keek hem met grote ogen aan. Hoe kwam Verschoor er bij! "hoe wil je dat dan doen", vroeg hij verbaast maar ook met respect. Ik heb een dekschuit nodig die mij bij de oranjesluizen brengt, antwoordde Verschoor. Daar ligt de boot en geef mij Klaas mee. Klaas behoorde tot het steiger personeel in Amsterdam. Hij voelde wel voor de onderneming.

Het plan werd uitgevoerd. Toen de dekschuit de Jan Nieveen naderde, kwamen de Duitsers al naar de reling. Ze zagen Verschoor, gekleed in zijn mooiste uniform , aan voor een zeeofficier. Zo'n man die overdag op een dekschuit over het IJ voer, moest wel iets bijzonders zijn. Laten wij hem maar gauw aan boord halen spraken de Duitsers, waar hun spoedig duidelijk werd dat de zeeofficier wel heel bijzondere bedoelingen had. Maar nee daar kwam niets van in. De Jan Nieveen was en bleef gevorderd.

Verschoor gaf de moed niet op. Hij hield aan en wist ze zo ver te krijgen dat ze de Duitse commandant van Schellingwoude belden en vroegen naar de Jan Nieveen te komen. De hofmeester en zijn maten zaten net aan de koffie, toen de commandant kwam. In een vurig en hecht betimmerd betoog zette Verschoor uit een welk belangrijke dienst de Jan Nieveen tot nu toe had verricht. Hij verhaalde van de voedseltransporten van het noorden naar Holland en van de Duitse post, die geregeld mee ging. Hij verzweeg natuurlijk over de onderduikers en Joodse vluchtelingen. Zeker erkende Verschoor, de Groningen III, die de plaats van de Jan Nieveen had ingenomen, was een uitstekend schip. Geen kwaad woord van te zeggen, maar voor het belangrijke werk toch eigenlijk veel te klein . "Vond Herr commandante dat ook niet"? De overredings kracht was zo groot , dat de Duitser mee ging naar de steiger om de Groningen III te bekijken De commandant zwichte voor de argumenten van de hofmeester. sterker nog, eigenlijk was de Groningen III veel beter dan de Jan Nieveen geschikt voor zijn doel: de huisvesting van een paar sluisbewakers. De Jan Nieveen werd weer vrijgegeven en in de vaart gebracht. Hofmeester Verschoor gloeide van trots toen de Jan Nieveen weer voor het eerst de haven van Lemmer binnen liep. Op de wal klonk gejuich uit vele kelen, wie had dat gedacht dat hij zou terug keren! Hoffie had het hem toch maar gelapt.

De Duitsers hadden steeds meer jongenmannen nodig voor de Arbeitseinsatz. De razzia's namen toe. Veel mannen vluchten naar het noorden of doken onder. Zo ook de jongenman uit Amsterdam, die op de hielen gezeten werd door de gezagsdragers, en in de Jan Nieveen zijn laatste redding zag. "Hofmeester help mij" vroeg hij onderwijl angstig om zich heen kijkend. Zeker klonk het antwoord, 'maar hoe' was vraag twee. Wacht even...In de boven salon, in de hoek, zat een nogal corpulente pastoor, uiteraard gekleed in de bekende, ruimvallende rokken. De eerwaarde bracht uitkomst. Meneer pastoor spreidde de benen, tilde de rokken op en bood de onderduiker onderdak. De rok weer naar beneden en niemand had iets in de gaten. Tot voorbij de oranjesluizen, heeft de onderduiker in zijn opmerkelijke schuilplaats gebivakkeerd. Toen kon hij weer tevoorschijn komen. Het schip was in volle zee, de kust was veilig, een benauwd avontuur was ten einde.

Benauwde ogenblikken beleefde ook de heer van Dobbenburgh uit Bentveld bij Haarlem. In Juni 1943 was hij in Oudehaske ondergedoken om aan de gedwongen tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Via Amsterdam was hij met de Lemmerboot naar Friesland gevlucht. Dolle Dinsdag in september 1944 bracht van Dobbenburgh in de ban van de naderende bevrijding en deed hem besluiten naar het westen terug te keren.

Hij nam afscheid van zijn verloofde, Trijnie Smilde, die als verpleegster in het Diaconessenhuis in Leeuwarden werkte, en ging via de afsluitdijk op huis aan. Ik had mij lelijk verkeken, zegt van Dobbenburgh de Duitsers hielden stand en in het westen van het land werd het een rampgebied, waarbij Friesland een land van melk en honig leek. Deze berichten bereikte natuurlijk ook mijn verloofde in het diaconessenhuis, maar ik zag geen kans meer Friesland binnen te komen. Zonder grote kans te lopen door de Duitsers opgepakt te worden.

Van Dobbenburgh had vrijwel alle hoop op gegeven het noorden weer te kunnen bereiken. Totdat op een goede dag in december 1944 in de vroege ochtend plotseling zijn verloofde voor de deur stond. In uniform, met een voedselpakket en damesfiets. Ze was van Leeuwarden naar Lemmer gefietst, had daar de boot genomen en was vervolgens van Amsterdam naar Bentveld gereden. Geen kleinigheid in die barre winter. Grote vreugde in huize van Dobbenburgh dus, ook al door het meegebrachte voedselpakket. Ik had mijn besluit genomen, ik moest en zou terug naar Friesland. De vraag was alleen hoe? Voor mijn verloofde bleken er nauwelijks problemen te zijn, maar hoe kwam ik aan de overkant?

De jongenman werd als vrouw verkleed. Een vorm van travestie, die meer weg had van een poging tot zelfmoord dan voor zelfbescherming, verteld van Dobbenburgh. Mijn voorkomen leende zich hier helemaal niet voor. De oplossing lag bij de Ortskommandantur, gevestigd in een voormalig hotel in de Haarlemerhout in Haarlem. Ik ging er met mijn verloofde heen. Een onderofficier deelde ik mee, dat ik Hauptmann Grabinger wenste te spreken. De vraag waarom het ging, werd met een smoes dat het een 'geheime aangelegenheid betrof', Dat werkte en we verschenen bij Grabinger, van wie ik wist dat hij geen nazi-man was. Mijn verloofde stelde ik voor als mijn nicht, die een patiënt van Leeuwarden naar Haarlem had moeten brengen en nu terug moest met de Lemmerboot, ze vreesde dat haar fiets onderweg in beslag zou worden genomen. Inbeslagname achte ik evenwel geen nut voor de Duitse Wermacht. Grabinger beaamde dat en willigde mijn verzoek in, om ons een schriftelijk verbod van inbeslagname te geven. De volgende dag konden wij de Bescheinigung op halen. Hij wenste mijn nicht een goede reis.

De volgende dag vertrokken wij per fiets naar Amsterdam. We voelden ons met de Bescheinigung op zak vrij veilig en we hadden afgesproken dat ik bij aanhouding door de Duitsers voor een patiënt zou doorgaan, die naar Leeuwarden gebracht moest worden. Eventueel zou ik alleen wat onverstaanbare kreten uiten. Achter het centraalstation lag de Jan Nieveen. Op de steiger stonden drommen mensen te wachten. Ze wilden naar Friesland om eten te halen of om er te blijven. Ons probleem was om gezamenlijk met de fietsen aan boord te komen, terwijl de Duitsers streng controleerden. Ik zei tegen mijn verloofde dat zij de Bescheinigung aan de kassa moest laten zien en alleen maar moest zeggen Wehrmacht, zwei Mahl, het werkte. onder dodelijke blikken van de omstanders kreeg zij twee plaatsbewijzen.

Echt gemakkelijk is het niet geworden. Om ongewenste vragen te voorkomen was het beter dat van Dobbenburgh zou verdwijnen. Hij kroop daarom onder een van de banken aan dek, zijn verloofde ging op de bank zitten en plooide de de plaid zo over haar schoot dat hij onzichtbaar werd. Bij controle van de Duitsers hield zij zich slapende, terwijl haar verloofde letterlijk oog in oog stond met de neuzen van de Duitse laarzen.

Ik heb minstens zes uur onder die bank gelegen, want we waren erg vroeg aan boord gekomen. Zeker twee uur voor de vertrektijd, de afvaart was daarom ook een verlossing. We wisten dat de oranjesluizen nog moeilijkheden konden opleveren omdat daar de Duitsers nog wel eens aan boord kwamen. Maar dat liep gelukkig goed af.

Een nieuw probleem diende zich naar mate aan hoe dichter de Friese kust in zicht kwam. Van Dobbenburgh zat nu wel op de Jan Nieveen, maar hoe kwam hij er ongezien weer van af?Afgesproken werd dat zij de beide fietsen van boord zou meenemen, terwijl hij zich ergens verdekt zou op stellen om een gunstig ogenblik af te wachten om van boord te gaan. Toen de boot werd afgemeerd, nam mijn verloofde poolshoogte, Ja zeker er was wel controle, op de kade stonden de Duitsers al klaar. Het zou een toer worden om ongezien aan wal te komen. Tot overmaat van ramp liepen een stuk of vijf jongemannen die het zelfde van plan waren als ik, in de val en werden gearresteerd. Een ongeval van een van de Duitsers bracht de oplossing. Het vroor flink hard en op sommige plaatsen was het flink glad. Dat werd de soldaat fataal hij gleed uit en viel te water.

Zijn collega's schoten hem te hulp, alle aandacht richten zich op de reddingspoging en dat gaf van Dobbenburgh de kans om van boord te komen. Ik sprong van het achterdek op de kade en rende in het donker naar een portiek, waar ik mij schuil hield. Even later dook mijn verloofde met de twee fietsen op, en na een bare tocht bereikten  we uiteindelijk Oudehaske. Ik was weer thuis, de Jan Nieveen was voor ons onvergetelijk geworden.

 

 

Reserve kapitein Jouke van der Bijl.

 

Hofmeester Verschoor.

 

De 'Bescheiniging' die mejuffrouw Smilde kreeg om te voorkomen dat haar fiets in beslag zou worden genomen.

 

Directeur Nieuwenhuis  was in 1941 veertig jaar aan de Maatschappij verbonden.

 

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.