|
Hij die
nooit gevaren heeft
Het duurde
zeker tot midden 1946 eer de passagiers weer in
grote getallen kwamen opdagen. De vaart leefde
op. Het ladingaanbod nam toe. Voor de
wederopbouw van het land was veel nodig. Er werd
hard gewerkt, maar tussen de bedrijven door was
er ook tijd voor aangename dingen. De
Lemmerboten maakte weer plezierreisjes, er
kwamen weer vakantiegangers aan boord en er
werden net als voor de oorlog weer zeilboten en
kano's meegenomen. De Hollanders trokken naar de
Friese meren, de Friese watersporters gingen
zeilen op de Kagerplassen, soms moesten er
zoveel boten mee, dat het kleine spul, als BM
ers enzovoort, in het ruim werden geladen. De
grotere boten werden op bokken op het dek
geladen.
Getrouwd
werd er ook en het kersverse echtpaar Van
Mourik-Warnaar uit Sneek maakten hun
huwelijksreis met de nachtboot. We zijn op 24
april 1946 in Hazerswoude getrouwd, zegt mevrouw
K.van Mourik-Warnaar, die nu in Dokkum woont.
Daar woonden mijn ouders, maar wij woonden en
werkten in Sneek we moesten dus weer terug. Een
oom uit Amsterdam heeft ons 's avonds meegenomen
in zijn auto en ons naar de boot gebracht. Daar
hebben we toen onze huwelijksreis van gemaakt.
Voor de meest kersverse bruidsparen is zoiets
een onvergetelijke aangelegenheid, omgeven met
rozengeur en maneschijn. Dit keer ging het wat
anders. De boot zat stampvol. Je kon er de rook
snijden en overal zaten of lagen mensen te
slapen. De nieuwe bruidegom maakte er geen punt
van. Als oud militair was hij gewend onder alle
omstandig heden een uiltje te knappen. De bruid
deed echter geen oog dicht. Ze was dan ook blij
dat de boot de haven van Lemmer binnenliep en de
tram hen 's morgens zes uur naar Sneek kon
brengen, we waren tamelijk geradbraakt herinnert
mevrouw van Mourik-Warnaar zich. Samen met haar
man en vijf kinderen is ze later nog vaak met de
Lemmerboot naar de overkant gevaren, Prachtige
tochten, zegt ze.
Boekhandelaar Kees Buster uit Sneek is iets
minder enthousiast. Hij was vaste klant op de
Jan Nieveen. regelmatig reisde hij naar
Amsterdam om op het Waterlooplein zijn
handelsvoorraad boeken aan te vullen. Op zo'n
dag kocht hij een paar honderd boeken die 's
avonds mee naar Sneek moesten. Buster droeg
doorgaans een hoed, maar op zekere dag stapte
hij getooid met een heuse schipperspet aan
boord. Net echt, maar het waaide, een vliegende
storm en algauw hingen de eerste zeezieken groen
van ellende over de reling. Zo niet Buster.
Moedig hield hij stand op zijn vaste plek met de
rug tegen de schoorsteen. Maar ziek dat hij was.
Ook hij droeg die dag met volle overgave bij aan
een rijke maaltijd voor de vissen. In de oranje
sluizen was Buster overigens weer het heertje.
Kwiek stapte hij even later aan de Ruyterkade
van boord.
De NV
Groninger-Lemmer stoomboot Maatschappij werd in 1948
met de Rederij van Swieten en de
Groninger-Rotterdammer Stoombootmaatschappij
ondergebracht in een nieuwe maatschappij, genaamd de
Groninger Beurtvaart, die op 5 oktober 1953 werd
omgezet in een naamloos vennootschap, die twee jaar
later 18 schepen in de vaart had. In 1948 kwamen er
ook veranderingen in de bemanning van de Jan
Nieveen. Cor Rutten, een rasechte Amsterdammer met
veel ervaring, werd de nieuwe machinist. Hij volgde
Arnold Drenth op, die twee jaar eerder op zijn beurt
het commando over het zwarte koor had overgenomen
van Linze de Boer. Behalve Rutten deed ook Gerrit
van der Staal zijn intrede op het vlaggenschip. Van
der Staal was een zeeman in hart en nieren, had al
wat gezien van de wereld en kwam uit de Friese
Wouden. Een wâldpyk met zeebenen dus, een man
met wie kapitein Bouwman erg was ingenomen, want van
der Staal verstond zijn vak. Gerrit was dan wel 23
jaar jonger, maar had veel ervaring op gedaan in de
kustvaart, en met zo'n eerste stuur wilde Bouwman
best in zee.
Die winter lag
er een brede strook ijs vanaf de Rotterdamse Hoek
tot de Friese kust. Een doorgang was er niet. Niet
ver van de Hoek zat er een tanker vast. een
sleepboot wilde het schip er wel vandaan halen, maar
dan moest de Jan Nieveen eerst het ijs breken. De
boot had dat wel vaker gedaan. Vol goede moed begon
de bemanning aan het karwei, maar het liep op een
fiasco uit. De Jan Nieveen liep geregeld in het ijs
vast. Het ijs was te dik. Onverricht terzake moest
het schip naar de haven terug keren. De onderneming
leverde niets op. Het had alleen een hoop kolen
gekost.
Meer succes had
men later met een tweetal schepen, die in de buurt
van Marken in het ijs waren vast gelopen. De Jan
Nieveen kwam van Amsterdam. Er waren maar weinig
passagiers aan boord. Simon van der Wal uit Lemmer
was er één van. Hij ging vaak mee naar de overkant
en was aan boord kind aan huis. Als er wat te doen
viel, stak hij ook de handen uit de mouwen. Zo ook
die maandagavond. De Jan Nieveen was om elf uur uit
Amsterdam vertrokken. Er stond een straffe
noordooster en bij de Hoek van het IJ was het ijs op
een hoop gedreven. In de buurt van Marken was er
haast geen doorkomen aan. Maar wacht eens, daar
verderop, waren dat geen schepen? Jazeker, daar
zaten twee schepen vast, dat kon niet missen.
Duidelijk was dat ze van Lemmer waren gekomen. Er
moest dus ergens een doorgang in het ijs zijn.
Moeizaam kwam de Jan Nieveen naderbij. Krakend brak
het ijs onder het gewicht van het machtige
voorschip. Het vergde heel wat stuurmanskunst om in
de buurt van de vast gekluisterde schepen te komen,
maar het lukte. De hele bemanning was in touw,
hofmeester Verschoor incluis. In zijn salon had hij
toch niet veel te doen, want er waren deze reis maar
vijf passagiers aan boord en die lagen ook nog te
slapen. Daar had je dus geen omkijken naar.
De
bevrijding van de schepen nam heel wat uren in
beslag. Simon van der Wal kreeg op een gegeven
moment honger. Hij had hard meegewerkt. Van der
Wal maakte Hoffie deelgenoot van zijn opspelende
maag. In het buffet staat een stopfles met
gekookte eieren, er is koffie en bier. Ga je
gang maar, kreeg hij te horen dat liet hij zich
geen tweemaal zeggen. Terwijl hij zich te goed
deed bekeek Simon de passagiers eens wat beter.
Vier sliepen als ossen. De vijfde opende net
zijn ogen en informeerde slaapdronken of ze al
haast in Lemmer waren. Nog een klein rukje
antwoordde Simon met een uitgestreken gezicht,
terwijl het schip nog niet verder dan Marken was
gevorderd. De man was tevreden en dutte weer in.
Boven zijn hoofd hing een bordje "hij die nog
nooit gevaren heeft". De boot kwam 's morgens
met veel vertraging, tussen 10 en elf uur in
Lemmer aan. Simon haastte zich naar zijn werk op
de bank. Wat krijgen we nu kreeg hij van zijn
collega's te horen, Heb je je verslapen? Simon
had er toen al een dagtaak op zitten.
Tot de
vaste passagiers behoorde ook loods Bosma, een
voormalig sleepboot kapitein. Hij sliep meestal
in een hut van een van de bemanningsleden.
Gelijk een hotelgast werd hij op de juiste tijd
gewekt. Vaak stapte de loods al in de
Oranjesluizen van boord om daar het schip op te
pikken dat hij naar Lemmer terug moest brengen.
Op een nacht sliep hij in de hut van stuurman
van der Staal. Roep je me bij de hoek van het
IJ? vroeg de loods. Akkoord, zei Gerrit. Nadat
de stuurman op de brug werd afgelost, liep hij
nog een rondje over het dek en stapte vervolgens
zijn hut binnen. Het schoot hem te binnen dat
zijn vrouw hem een paar appels had mee gegeven.
Voorzichtig maakte de stuur zijn kast open, de
loods sliep nog als een os. Gerrit pakte een
appel, deed de deur weer op slot, en zag dat het
tijd was om Bosma te wekken. Het is tijd riep
van der Staal, die terug keerde naar de
stuurhut. Even later hoorde hij zijn naam noemen
vanaf het voordek, vriendelijk klonk het niet.
De stuur keek naar beneden en kon zich slechts
met moeite goed houden. Want wie beende daar in
zijn lange witte onderbroek tot grootvermaak van
de passagiers woedend over het dek heen en weer?
Juist, de loods. Zijn broek zat vast tussen de
kast deur. Hij had er flink aan staan trekken
maar de broek, die beknelt was geraakt toen Gerrit de appel uit zijn kast had gehaald, had
geen krimp gegeven. Er zat voor de loods niets
anders op dan in zijn onderbroek aan dek te
gaan. Vol berouw kwam de stuur even later naar
beneden om de kast deur open te maken. De loods
was woest.
Het was
in mei of juni 1950 dat de 17 jarige Liekele
Kingma, zoon van een Lemster visserman, na
een reis van zes maanden op één van de
zeeschepen van Shell Tankers in Amsterdam
aankwam. Hij kreeg verlof en de Jan Nieveen
zou hem naar huis brengen. De jonge matroos
wilde dolgraag even in het stuurhuis van de
Lemmerboot rond kijken, maar had het lef
niet aan te kloppen en te vragen of hij even
binnen mocht komen. Wel bleef hij in de
buurt, want je wist maar nooit. Toen de Jan
Nieveen het IJ achter zich had, stak
kapitein Bouwman even zijn neus buiten de
deur. Liekele rook zijn kans 't was nu of
nooit. Of hij even mocht rondkijken? Hij
voer zelf ook, ziet U kapitein. Kapitein
Bouwman had geen bezwaar. Gerrit van der
Staal had op dat moment het roer. Hij kende
Liekele wel, hij was de zoon van een visser
en dat schept een band.
Het
duurde niet lang of de jonge matroos stond
aan het roer. Hij vertelde van zijn reis op
de grote vaart en dat hij in september naar
de zeevaart school op Terschelling zou gaan
om te studeren voor het diploma van derde
stuurman. Wat of hij in die tussen liggende
tijd ging doen, wilde kapitein Bouwman
weten. Nu ik wist het niet, waarop hij mij
vroeg of ik er iets voor voelde om in de
zomer maanden op de Jan Nieveen te varen
vanwege de dubbelen diensten. Daar had ik
natuurlijk direct oren naar. De kapitein zou
het op kantoor bespreken, en ik moest mij
daar in de loop van de dag maar vervoegen,
verteld Kingma. Wel toen ik op kantoor kwam
was de zaak al geregeld. Ik was aangenomen
voor de zomer dienst. Zo'n prachtige zomer
heb ik nog nooit gehad. Een mooiere vakantie
was niet mogelijk geweest. Liekele Kingma
die inmiddels in Harlingen woont, vaart nu
als kapitein bij de NV
Stoomvaart-Maatschappij Oostzee in
Amsterdam. Hij stond op de brug van vele
schepen, maar de Jan Nieveen is het schip,
is toch het schip waar ik de mooiste
herinneringen aan heb overgehouden.
|