Veel bewogen
historie van de oude Jan Nieveen.
|
Het
einde en het begin
In de loop
van de jaren vijftig ging het snel bergafwaarts
met de bootdienst Lemmer-Amsterdam. De auto won
steeds meer terrein. Het vrachtvervoer nam
zienderogen af, terwijl de passagiers ook op de
Lemmerboot raakte uitgekeken. Zij reisden
voortaan met de trein of met de eigen auto. De
verbinding over land met de randstad was als
gevolg van de inpoldering van het IJsselmeer
veel korter geworden. De samenleving had geen
tijd meer. Alles moest snel. De oude tram werd
in de volksmond de slak genoemd, de Lemmerboot
werd spottend Jan Scheet genoemd. Het begin van
het einde tekende zich af toen de maatschappij
het besluit nam winterdiensten op te heffen.
Daar zat geen brood meer in. Passagiers waren er
nauwelijks, vracht evenmin. De boot zou voortaan
alleen nog 's zomers, van mei tot september
varen.
Het schip
werd zelf overigens ook minder. Dat werd
duidelijk toen men assistentie aan een hunzeboot,
die vermoedelijk een schroef had verloren. Om
dat te onderzoeken werd het achterschip met
behulp van de lier van de Jan Nieveen uit het
water gelicht. Daar bleek de dertig jaar oude
mast niet meer tegen bestand te zijn. In drie
stukken kwam het houtwerk naar beneden. Kapitein
Roelof Hoekstra werd door de brokstukken
getroffen, maar raakte niet noemenswaardig
gewond. Na een week kon hij weer aan de slag. In
Amsterdam werd een ijzeren mast geplaatst.
Het einde
naderde met rasse schreden. In 1959 deelde de
maatschappij dat zij geen kans meer zag om de Jan
Nieveen nog langer op een rendabele wijze te
exploiteren. Aan het eind van de zomer zou het schip
uit de vaat worden genomen, en verkocht worden.
De laatste
zomerdienst werd met dubbele bemanning gevaren. De
eerste ploeg bestond uit kapitein Koop de Boer, die
een paar jaar eerder kapitein Bouwman was opgevolgd,
stuurman Roel Hoekstra en matroos Auke Jongstra, de
tweede uit Gerrit van der Staal, stuurman Koert de
Vries en matroos Ferdinand Deinum. Het aanbod van
passagiers leefde in die zomermaanden nog wat op, en
ook zeilers lieten hun bootjes nog wel eens op de
Jan Nieveen hijsen om in Friesland te kunnen varen.
Zo ook twee jonge mannen van zestien en negentien
jaar oud. Van hun ouders mochten ze in Friesland
zeilen, mits ze de heen en terug reis met de Jan
Nieveen maakten. Vader had het kaartje voor de heen
reis gekocht en geld gegeven voor de terug reis.
Toen de
vakantie erop zat, hadden de jongens misschien geen
geld meer voor de boot. Hoe dan ook ze besloten het
IJsselmeer met hun eigen bootje over te steken. Het
werd een drama. Het bootje werd later omgeslagen
terug gevonden in de bocht van Hoorn. Enige tijd
later werd het stoffelijk overschot van één van de
zeilers geborgen door een motorboot van de
maatschappij. Het andere werd gevonden door een
Lemster visser.
Ondanks de
sombere vooruitzichten haalden de bemanning nog wel
eens een geintje uit. Hofmeester Verschoor
bijvoorbeeld mocht, als de boot in Amsterdam lag,
graag zijn hengeltje uitgooien in het IJ. Af en toe
ving hij een palinkje, waar hij verzot op was. Op
zekere dag had hij weer zijn vistuig uitgeworpen en
liep even naar zijn hut. Op dat moment werd net een
partij diepvries paling gelost. Gerrit van der Staal
zag zijn kans schoon. Hij nam drie van die stijf
bevroren palingen uit een kist, haalde de hengel van
Verschoor op, bond de vis aan de haak en liet de
zaak weer zakken. Kort daarna kwam hoffie en haalde
zijn vangst boven water. Hij was met stomheid
geslagen. Hoe bestaat het, mompelde hij, drie dode
palingen en nog wel in één keer. Hij begreep er
niets van, totdat hij de beesten aan een nadere
inspectie onderwierp en ontdekte dat ze koud waren
en zo stijf als een plank. Toen was de boot aan! De
kapitein lag dubbel van het lachen. Even later zat
hoffie prinsheerlijk aan de gebakken paling.
_ De
zomer liep ten einde en op vrijdag 28
augustus was de dag daar dat de Jan Nieveen
de laatste reis naar Amsterdam zou maken.
Ruim 30 jaar had het schip zijn diensten
bewezen. Mist, ijs en storm trotserend had
hij eerst de Zuiderzee en later het
IJsselmeer bevaren. Dat alles was nu
voorbij. Het was het de bemanning zwaar te
moede, toen de scheepshoorn baste en daarmee
voor de laatste keer het vertrek
aankondigde. Nog even en de motor zou stil
staan, voorgoed naar het scheen. Afgedankt
lag het in een hoek van het Oosterdok in
Amsterdam, wachtend op de sloper.
Het was
oud Lemster W. Tieleman die het nog zo
trotse schip de smadelijke gang naar de
scheepsloper bespaarde. Rederij Tieleman uit
Rotterdam kocht de Jan Nieveen, toen het
schip al een jaar voor de wal had gelegen.
Het zou dienst gaan doen als rondvaart boot.
De verbouwing op de werf van Jonker en Stans
in Hendrik Ido Ambacht was drastisch en ging
tenkoste van veel scheepschoon. De grote
mast waaraan altijd de bekende blauwe wimpel
met de naam van het schip heeft gewapperd,
werd verwijderd, even als beide sloepen. Er
kwam een deksalon op en ook het ruim werd
ingericht als salon. Tafels, stoelen,
verlichting, een geluidsinstallatie en wat
dies meerzij maakte het schip geschikt voor
het beoogde doel. De vertrouwde kleuren
verdwenen. De boot werd helemaal wit
geschilderd en omgedoopt in IJsselhaven. Het
schip werd ingezet tijdens de Floriade en
vervoerde veel mensen, onder wie veel
Lemsters en oud bemanningsleden, die eens
wilde zien wat er van hun oude boot geworden
was.
Het was
de bedoeling van de rederij de IJsselhaven,
na afloop van de Floriade reizen te laten
maken naar de Deltawerken, maar daar is
niets van terecht gekomen. De motor bleek
voor die wateren niet sterk genoeg te zijn.
De tochten kregen derhalve Hellevoetsluis
als eindpunt, terwijl de boot in de
wintermaanden werd gebruikt voor het vervoer
van werkvolk in de havens.
Ziekte
was er de oorzaak van dat de rederij nog
geen twee jaar later verkocht moest worden.
Het ging Tieleman erg aan het hart dat hij
ook de boot, waaraan hij zo gehecht was,
kwijt moest. Het was nog altijd zijn Jan
Nieveen. Maar er was geen andere
mogelijkheid. Het schip werd in 1961
overgenomen door de NV Verenigde
Onafhankelijke Sleepdienst te Rotterdam, die
de voormalige Jan Nieveen tot 1974 in de
vaart had aan de rondvaarten kwam toen een
eind. Op nieuw wachtte het schip de
slopershamer.
Maar zie,
er verscheen een vriend van het schip ten
tonele. Ditmaal in de persoon van de Amsterdamse
buurthuiswerker Tabe Rienks. Hij had veel met
het schip op want in de oorlog had het hem
evenals zovele andere, uithanden van de
bezetters gehouden. Rienks was met de Jan
Nieveen naar Friesland gevlucht, "en daarom
sprak hij gaat dit schip niet naar de sloper".
Destijds heeft dit schip mijn leven gered, nu
zal ik haar redden. Rienks wilde de Jan Nieveen
inrichten als overnachtingschip. Het zou een
soort jeugdherberg moeten worden. Hij liet het
oog vallen op een ligplaats aan de overkant van
het IJ, Amsterdam Noord dus, en gaf de Jan
Nieveen een Friese naam Utfanhûzerboat.
De plannen kwamen echter nooit tot uitvoering.
Voordat het zover was, werd de boot gekocht door
de Heer J.S. van Gurp uit de stad aan de
Haringvliet. De nieuwe eigenaar herdoopte het
schip in Wolga en voerde er twee zomers lang
rondvaarten mee uit in de omgeving van de
Biesbosch.
|
Kapitein Koop de Boer werd op 24 december 1903 in
Lemmer geboren. Al op de leeftijd van twaalf jaar
voer hij op de boot tussen Lemmer en Sneek. Hij
wilde machinist worden, maar kwam uiteindelijk op de
brug terecht. Vier jaar voerde hij het commando over
de Jan Nieveen. Toen werd het schip uit de vaart
genomen.
Kapitein de Boer
bracht de Jan Nieveen weg, maar haalde het bijna 20 jaar later
ook weer op.
Afgedankt lag de boot in
een hoek van het Oostdok. in Amsterdam, wachtend op de
slopershamer.
Schaftijd op
de Jan Nieveen. Kapitein de Boer schenkt koffie. Machinist
Cor Rutten (links met pet) houdt zijn kopje alvast bij.
Wouter
Sterk maakte in 1962 als tienjarige
jongen de tocht van Amsterdam naar Lemmer.
Hij ging daar op bezoek bij zijn opa
Gerardus Sterk in de Bantegastraat. Het
stormde verschrikkelijk en iedereen werd
zeeziek. Zo erg, dat bijna iedereen over de
reling hing. Ook de mensen op het bovenste
dek, en ook aan de kant waar de wind op
stond.
Daardoor
kwam alles op het onderste dek terecht, waar
de bootsman vloekend en tierend de boel liep
schoon te maken. Dat had weinig nut had,
want het werd steeds opnieuw vies, er werd
massaal gespuugd. Wouter was een van de
weinigen met zeebenen en een rustige maag.
|
De oud Lemster
W. Tieleman was de man die de Jan Nieveen van de ondergang
redde, Tieleman voer in zijn jonge jaren op het Bolswarder
en Sneker vrachtbootje en begon later in Rotterdam een eigen
bedrijf.
In 1975 kreeg de
voormalige Jan Nieveen een andere eigenaar, die het schip de
naam Wolga gaf.
|
's Winters
lag de voormalige Jan Nieveen in Middelharnis.
Daar werd hij ontdekt door een neef van de
Lemster Sjoerd van Brug. Het schip was zwaar
verwaarloosd en de eigenaar wilde het schip wel
kwijt. De Lemster bewaarde goede herinnerringen
aan de boot, en met hem meer mensen. Ze staken
de koppen bij elkaar en kwamen tot de conclusie
die boot moet feitelijk terug naar Lemmer. Daar
hoort zij thuis. Het idee liet hen niet los.
Vele uren praten zij er over. Zou het kunnen?
Een delegatie reisde naar Middelharnis. Er rezen
twijfels over de staat waarin het schip
verkeerde. Besloten werd met de eigenaar een
afspraak te maken dat het schip op kosten van
ongelijk gehellingd zou worden voor nader
onderzoek.
Dat
gebeurde bij Maaskant in Stellendam. Een
nauwgezet onderzoek door de scheepvaartinspectie
wees uit dat vlak en kimmen in goede staat
verkeerden. De koop ging door. De nieuwe
eigenaren werden C. Visser te Gorredijk, S, van
Brug en H.J. Portijk te Lemmer, de Vereniging
Voor Vreemdelingen Verkeer in Lemmer en later
ook de heer P.A. Burgers, even eens uit Lemmer.
Niet lang daarna melde de kranten Oude
Lemmerboot komt terug!
Onder
commando van de laatste Lemster kapitein Koop de
Boer werd de Jan Nieveen in Middelharnis
opgehaald. De bemanning bestond uit meer oud
gedienden, Cor Rutten, Arnold Drent, en Cor
Visser. In twee dagen werd het schip overgevaren
naar scheepswerf Peters in Kampen. Een drukke
tijd brak aan. Het schip moest uiterlijk althans
weer zoveel mogelijk in de oude staat worden
gebracht. Men moest kunnen zien dat het de Jan
Nieveen was. Veel Lemsters reisden in hun vrije
tijd naar Kampen om een handje te helpen. Het
vlak werd in de teer gezet, het schip werd in de
oorspronkelijke kleuren geschilderd, en de naam
Wolga werd uiteraard veranderd in Jan Nieveen.
De letters werden gemaakt op de Christelijke
Technische school te Lemmer. Was Groningen de
thuis haven geweest toen het schip nog onder de
vlag van de maatschappij voer, nu kwam er Lemmer
op de achtersteven te staan.
Op vrijdag 15
april 1977 werd de Jan Nieveen te water gelaten, hij
vertrok de volgende dag naar Urk om van daaruit naar
huis te varen. Oud bemanningsleden werden
uitgenodigd die tocht mee te maken. Het was welhaast
onmogelijk, na zoveel jaar weer op de Jan Nieveen te
zijn. Een beetje onwennig stapten zij in Urk aan
boord van het schip, dat voor de meesten toch zoveel
had betekend. Wat was er veel veranderd. Waar was de
klok gebleven en de barometer, waar de bordjes met
de spreuken zoals, "hij die nooit gevaren heeft",
weet niet hoe een zeeman leeft en met kussens te
huur 20 cent en niet met schoenen op de banken? Ze
waren allemaal weg. Verdwenen waren ook de
scheepsklok, de koperen bel en de telegraaf. Het
ruim bestond niet meer. Dat was nu een salon. Het
voordek werd in beslag genomen door een deksalon.
Maar wat maakte het eigenlijk allemaal uit? De Jan
Nieveen kwam terug. Daar ging het om. De boot zou
weer thuis varen. Dat was veel belangrijker. Toen was het
ogenblik daar, de trossen werden los gesmeten. Op de
brug stond de nieuwe kapitein Jan Visser, een
rasechte Lemster en voormalig Noordzeevisser. Hij
kende het schip nog uit zijn jonge jaren. Nu keerde
hij er als gezagvoerder mee terug. Na een voor
spoedige overtocht lag het schip voor de Lemster
haven. De ontvangst was onvoorstelbaar. Tientallen
jachten en bootjes waren uit gevaren om de Jan
Nieveen een groots welkom te heten. Onder luid
gejuich gleed de Jan Nieveen de sluis binnen. Overal
wapperden de vlaggen. Muziek korpsen speelden.
Na vele
omzwervingen was de Jan Nieveen weer terug.
Twintig jaar was hij weggeweest. Het was
niet de bedoeling dat het schip voor de wal
bleef liggen. De nieuwe eigenaren wilden er
dagtochten mee maken naar ondermeer Urk en
Enkhuizen. Verder werd het schip verhuurd
voor reisjes met gezelschappen. Net als
vroeger dus. Dat was ook die speciale reis
naar Amsterdam. Ook daar werd de Jan Nieveen
juichend binnengehaald. Het in de vaart
houden van het schip koste nogal wat tijd en
werk. dat kwam voor een flink deel neer op
één man, Piet Burgers een oud Lemster, die
wat graag aan het project had willen mee
doen. Burgers: in de Zuid Friesland las ik
in 1977 van het plan de Jan Nieveen weer
naar Lemmer te halen. Ik woonde toen nog in
Kribi (cameroun) waar ik technisch was van
Bois Hydrlique, Ik had herinneringen aan dit
schip. Het was in 1944 toen een aantal
broertjes van mij met de Jan Nieveen naar
Lemmer gevaren werden en in Friesland en
Drente werden ondergebracht.
Wij
waren thuis met een gezin van 16 kinderen.
Veel te eten was er niet. Ik zal nooit
vergeten wat de Jan Nieveen in die jaren
heeft betekend en toen las ik dat ze de boot
weer wilden terug halen zei ik tegen mijn
vrouw, Jammer dat wij nog niet in Lemmer
zijn, want dan had ik meegedaan. Die kans
kreeg hij echter nog, want toen de familie
uit Afrika terug keerde en in Lemmer gingen
wonen, werd hij gevraagd of hij mee wilde
doen. Wat graag! Veel van het werk kwam op
zijn schouders neer. Op 10 oktober 1978
werden alle aandelen van de Maatschappij tot
exploitatie van het motorschip Jan Nieveen
door de Heer Burgers overgenomen. Hij was nu
enige eigenaar van het schip, dat hij stapje
voor stapje weer in de oude staat terug
wilde brengen.
De oude
schoorsteen is inmiddels alweer geplaatst, het
interieur is onder handen genomen en de oude mast
met wimpel moet eigenlijk ook weer terug, vind
Burgers. Kapitein is nu oud sleepbootschipper Leen
Nouwen, die de in 1981 overleden Jan Visser
opvolgde. De Jan Nieveen vaart in de zomer tussen
Lemmer en Enkhuizen. Voor dagtochten naar het
Zuiderzee en het Buitenmuseum en maakt daarna reizen
naar ondermeer Urk en Hoorn. Het aantal passagiers
dat jaarlijks wordt vervoerd bevind zich in
stijgende lijn. Dat moet ook wel, want de
exploitatie van het schip kost erg veel geld. De
restauratie trouwens ook. Van de overheid is daarbij
geen steun te verwachten, omdat de Jan Nieveen
eigendon van een particuliere besloten vennootschap
is. Het onderbrengen in een stichting zou meer
mogelijkheden hebben geboden. We vertrouwen er
echter op dat de Jan Nieveen nog lang in de vaart
zal blijven.
|
Machinist Arnold
Drenth was één van de oud bemanningsleden, die de Jan Nieveen op
de thuisreis bemande.
Het zag zwart
van de mensen op de Lemster sluis toen de Jan Nieveen
geschilderd in de oorspronkelijke kleuren, op 16 april 1977
na een afwezigheid van bijna 20 jaar thuisvoer.
|
Harm
Duim, uit Lemmer had een speciaal welkomstlied
geschreven. Spontaan werd het schip toegezongen.
Ik
las het in de lemsterkrant
Dat jij weer terug zou komen.
Na
twintig jaar afwezigheid
Naar Lemmer op zou stomen.
En
met een beetje sentiment
Zie ik weer in gedachten
De
plek waar jij lag afgemeerd
Op
passagiers te wachten.
Refrein:
Welkom Jan Nieveen
Dit had ik nooit durven hopen
Dat jij je zo vertrouwde haven
Weer zou binnen lopen.
Jij bent nu weer thuis
En
na die twintig jaren
Hoop ik dat jij nu bij ons
Nog lang zult blijven varen.
Refrein
Met vracht en passagiers voer jij
Naar Amsterdam heel wat jaren.
Met voetbalclub Excelsior
Ging jij vaak zondags varen.
En
tussen de bedrijven door
Vervulde jij meerdere wensen.
Jij voer naar Urk en Volendam
Met honderden dagjesmensen.
Refrein
Jij was redder in de nood
Want zelfs in de oorlogsjaren
Bleef jij voor ons dag en nacht
Het IJsselmeer bevaren.
Bracht voedsel naar de overkant
Voor mensen die hoger leden.
Ondanks het dreigende gevaar
Voor jou en bemanningsleden.
Refrein.
|
Piet Burgers,
de huidige en trotse eigenaar van het voormalige
vlaggenschip van de NV Groninger Lemmer Stoomboot
Maatschappij.
In 1981
werd oud sleepbootschipper Leen Nouwen uit Lemmer
benoemd tot kapitein van het motorschip Jan Nieveen. Hij
maakte er sindsdien ettelijke reizen mee.
Jan Visser werd in
1977 de nieuwe kapitein van de Jan Nieveen, Een paar jaar later
overleed hij onverwacht.
De huidige
eigenaar wil de Jan Nieveen stapje voor stapje weer zoveel
mogelijk in de oude staat terugbrengen. Daarom kwam er ook
weer een schoorsteen op
Bron:De
Lemmerboot, Anne Wielinga en Johan Salverda.
|