|
De Jan Nieveen
Moet die mee naar Lemmer?
Het was
vrijdag voor Pasen in het jaar 1928 nog
vroeg, toen zeven bemanningsleden van de NV
Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij
onder aanvoering van de kapitein Grijpsma op
reis gingen naar Arnhem om de nieuwe boot te
halen. De tram bracht hen via Joure naar
Heerenveen, waar ze op de trein stapten.
Eigenlijk waren ze wat uit hun doen. Een
reis met de trein was een zeldzaamheid voor
de mannen die dagelijks de Zuiderzee
bevoeren. Maar wat belangrijker was in
Arnhem wachtte hen een nieuw schip. Hoe zou
het er uit zien? Ze barsten van
nieuwsgierigheid en prezen zich gelukkig dat
juist zij waren uitverkoren om het
vlaggenschip te bemannen.
Het was
slecht weer. Bij aankomst in Arnhem kwam de
regen bij bakken naar beneden, terwijl de
harde wind naargeestig langs de wachtende en
vertrekkende trein floot. De meeste
reizigers zochten een goed heenkomen. Zo
niet de bemanningsleden van de Jan Nieveen.
regen en wind troserend gingen zij op zoek
naar iemand die hen de weg kon wijzen. Een
tramconducteur wist waar de werf was, maar
het was nog al ver. De mannen konden beter
de tram nemen. Onder weg brak de zon door en
zag de wereld er een stuk vriendelijker uit.
Wat
onwennig stapten de mannen de werf op. Ze
keken om zich heen of ze het nieuwe schip
zagen liggen, maar konden het tussen al die
anderen schepen in het water en op de
helling zo gauw niet vinden. Stuurman Rein
de Jong keek nog eens goed rond en slaagde
een triomfantelijke kreet: daar ligt-ie! Wat
een schip....! Allen staarden vol
bewondering naar de prachtige boot, die
vergeleken met de Lemmer wel een zeekasteel
leek. Moet die mee naar Lemmer? vroeg de
tweede stuurman Schelte Rottiné ongelovig.
Wis en waarachtig sprak kapitein Grijpstra
trots, of wil je weer met de trein naar
huis? Nou nee antwoorden Schelte, die zich
nauwelijks kon voorstellen dat dit het schip
was, waar mee hij voortaan naar zee zou
gaan.
De
werfbaas nam de mannen mee aan boord. Ze
vielen van de ene verbazing in de andere.
Machinist Bosma en stoker Seldenthuis doken
de machinekamer in. Het leek wel of de zon
scheen zo blonk het koper. Hofmeester Visser
was ook al in zijn nopjes. Genietend liep
hij door de salons, langs het buffet en door
zijn hut. Hij wreef zich vergenoegd in de
handen. Dit leek er op! Dat vond kapitein
Grijpsma, die met de Jong en Rottinë en van
der Meer de rest van het schip inspecteerde
ook. De stuurhut, de verblijven van de
bemanning, het ruim, het dek, de geweldige
sloepen met hun koperen luchttanks ze konden
er niet over uit.
Of het
schip de heren beviel, vroeg de baas. Wat
een vraag. De Jan Nieveen was een geweldig
schip geworden. Dat zag je toch zo? Nee
niets dan lof. Wel, dan was het klaar zo en
de heren konden vertrekken, zo zij dat
wensten. En of zij dat wensten! Zij wilden
niets liever dan het ruime sop kiezen. Na
een snelle hap werden de stroppen
losgegooid. Een bemanning van het
werfpersoneel voer het schip, waarmee zij
tijdens de proefvaart al aardig vertrouwd
waren geraakt. De nieuwe bemanningsleden
keken nauwlettend toe. straks zullen zij het
overnemen.
Na een
voorspoedige reis arriveerde de boot bij
steiger 4 aan de Ruiterkade in Amsterdam. De
machtige stoomfluit loeide over het IJ. Op
de steiger juichte de directie genodigden en
walpersoneel . Het schip lag nog maar
nauwelijks goed en wel voor de wal of het
werd overspoeld met belangstellenden.
Glimmend van trots gaf de bemanning tekst en
uitleg.
De
volgende dag, de Zaterdag voor Pasen dus,
werd de eerste reis naar Lemmer gemaakt. De
Jan Nieveen zou het zilte nat proeven!
Behalve veel passagiers ging er ook veel
vracht mee, voornamelijk grote rollen tabak
voor D.E. in Joure. Toen de bemanning de
kleden over de deklast wilde trekken, schoot
het lijntje waar Arie van der Meer aan
sjorde los. De matroos viel achterover,
slaakte een kreet en sloeg met een plons,
die het water hoog deed opspatten, in het
IJ. Van der Meer was zacht gezegd een uit de
kluiten gewassen kerel, die je niet een twee
drie aan boord had. Goede raad was duur
totdat machinist Bosma de oplossing
aandroeg, de stoomlier. Net hadden de balen
tabak er nog in gehangen, nu was het de
buurt aan Arie. Hem werd een touw toe
geworpen dat hij om de borst knoopte, de
lier kwam tot leven en even later hing Arie
boven het dek.
De
eerste reis naar Lemmer verliep voorspoedig.
Toen het schip in de vroege ochtend voor de
haven de fluit liet loeien, waren veel
mensen uit gelopen om de binnenkomst te
aanschouwen. In de sluis sprongen ze aan
boord om het laatste eindje mee te varen
naar de ligplaats in de binnenhaven. Op
Paasmaandag liep half Lemmer uit om tijdens
de kijkdag het schip van onder tot boven te
bewonderen. Honderden mensen verdrongen zich
in de salons, de gangborden en het dek en
lieten zich door de trotse bemanning alles
uit leggen. Kapitein Grijpstra keek hangend
uit het raampje tevreden toe.
De
volgende dag maakte de Jan Nieveen een
feestreis naar Amsterdam. Vracht was er niet
, passagiers wel. Het ruim was ingericht als
feestzaal, waar tal van genodigden zich te
goed konden doen aan hapjes en drankjes. De
vracht was aan boord van de oude s.s. Lemmer
gehesen, dat verkocht was aan een
Rotterdamse rederij, en deze zou voor het
laatst de Zuiderzee oversteken. Gezamenlijk
stoomde de schepen over de spiegelgladde
zee. Plotseling liep echter de vaart uit de
Lemmer. Er werd een noodsein gehesen. Toen
de Jan Nieveen langszij kwam, bleek de oude
boot haar schroef te hebben verloren. Een
tros werd uitgebracht en met de Lemmer op
sleeptouw zette het vlaggenschip koers naar
Amsterdam. Het oude schip had zijn laatste
reis niet op eigen kracht kunnen volbrengen,
maar had terug moeten vallen op de hulp van
de nieuwe boot, waar voor hij het veld had
moeten ruimen.
Voor de
bemanning van de Jan Nieveen braken drukke
tijden aan. Niet alleen onderhield het schip
de dienst Lemmer Amsterdam, maar in de zomer
maanden werden ook dagtochten gemaakt naar
Urk en Schokland. Tijdens die reizen werd
steeds duidelijker dat er iets aan de
machine haperde. Het ongerief nam toe, en
besloten werd de boot naar Arnhem te brengen
voor reparatie. Begin Januari1929 werd de
reis ondernomen, een tocht die de bemanning
nog lang zou heugen.
Toen de
Jan Nieveen uit voer zat het potdicht van de
mist. Bovendien vroor het 10 tot 15 graden.
Op de Waal bij Nijmegen moest een loods aan
boord komen, maar de man bedankte feestelijk
voor de eer. Hij durfde het met dit weer
niet aan.
Kapitein Grijpstra nam contact op met het
kantoor en kreeg te horen dat de reis hoe
dan ook door moest gaan. Op de werf zat men
op de Jan Nieveen te wachten. Nog maar een
keer met de loods gepraat, en zie de
aanhouder wint de Lemsters wisten de man
uiteindelijk zover te krijgen dat hij aan
bood stapte.
De
aanhoudende streng vorst en de ijsgang
maakte de reis naar Arnhem een tocht vol
verschrikkingen. Toen het schip eindelijk
voor de werf lag, bleek het de volgende
ochtend vast gevroren te zijn. Een deel van
de bemanning ging een paar dagen later naar
huis. Wachten had geen zin, het weer zou
voorlopig toch niet veranderen. Arie van der
Meer en Hans Seldenthuis bleven achter om de
wacht te houden. De vuren onder de ketel
waren gedoofd. Een kacheltje moest de ergste
kou verdrijven. De helft van het
werfpersoneel lag met griep in bed, gewerkt
werd er nauwelijks. De mannen op de Jan
Nieveen liepen kleumend rond. Ze verveelden
zich kapot en kropen 's avonds vroeg onder
de wol want dat verdreef de kou tenminste
een beetje. De nachten waren ontzettend
lang.
Naast
de Jan Nieveen lag een sleepboot ingevroren.
De schipper en zijn vrouw waren uit het
goede hout gesneden. Al gauw raakten zij aan
de praat met de wacht lieden van de
Lemmerboot op de Lemmerboot. Er ontstond een
hechte band en de Lemsters prikten tijdens
de warme hap een vorkje mee. De mannen
werden echter na enige tijd ook geveld door
de griep. Rillend van de koorts lagen zij in
de kooi.
De
sleepboot kapitein belde met de rederij, die
aflossers stuurde. De zieken konden naar
huis. Niet met een taxi maar gewoon met het
openbaar vervoer als daar waren tram en
trein.
De
winter duurde onverminderd voort. Twintig
graden vorst was geen uitzondering. Het
scheepvaart verkeer was volledig lam gelegd.
Sommige mensen staken de Zuiderzee over per
auto. Het had zo hard gevroren, dat begin
Juli nog ijs lag in de zogenaamde dode hoek
bij Lemmer, zo willen de verhalen. Het
duurde meer dan drie maanden eerde
gerepareerde Jan Nieveen naar de thuis haven
kon terug keren.
|