Veel bewogen historie van de oude Jan Nieveen.

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |

 

De "Jan Nieveen"  Voor vragen over het schilderij;

 

 

 

 

 

Technische gegevens: Bouwjaar 1928. Bouwwerf: Prins te Arnhem. Ontwerp: Scheepsbouwkundig Bureau Cornelissen. Afmetingen: lengte 45.40 meter, breedte 6.40 meter, holte 2.75 meter. Hoewel de motor al met succes zijn intrede had gedaan, besloot de rederij tot het plaatsen van een stoommachine (van 17 atm.) in het schip. Vanaf 1710 (Albert Haunus te Lemmer) werd er een geregeld veerdienst onderhouden tussen Amsterdam en Lemmer. Tot 1828 geschiedde dat met uitsluitend zeilschepen (Lemster beurtmannen). In 1828 kwam het eerste stoomschip op dit traject: het S.S. IJssel. Niet alleen goederen, maar ook vee en personen werden over de Zuiderzee vervoerd. In 1870 werd door Reint (1824-1904), Jan (1826-1910) en Geert (1828-1905) Nieveen uit Groningen de Groningen-Lemmer Stoomboot Maatschappij opgericht. In 1874 lieten ze de Groningen III bouwen voor het vervoer tussen Lemmer en Amsterdam. Later volgde nog de Groningen IV, de Lemmer en de Amsterdam. In 1928 werd het vlaggenschip van de rederij gebouwd: de Jan Nieveen. Met veel succes onderhield het schip de lijn Lemmer Amsterdam. In 1951 werd de stoommachine vervangen door een viercilinder Bronsmotor van 250 pk.

 

 

In 1870 startte Reint samen met zijn broers Jan en Geert de scheepvaart lijn tussen Lemmer en Amsterdam, de NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij. Deze lijn werd al gauw de belangrijkste verbinding tussen het noorden en het westen van Nederland. Na 89 jaar (in 1959) werd deze lijn opgeheven.

Op deze foto poseren ze met hun moeder Roelfjen Jans Kamminga, geboren op 22 februari 1795 te Veendam, overleden op 22 december 1894 te Sneek. (hun vader vader Harm Reints Nieveen was ten tijde van deze opname al overleden, (geboren op 10 januari 1797 te Groningen, overleden op 8 mei 1844 te Groningen)).
En hun
zusters, Maria,  (1832 - 1921)  en Grietje (1834 - 1922), hun zuster Margien (1830 is jong overleden).

Verder zittend links: Jan Nieveen, geboren op 6 januari 1826 te Groningen, overleden op 19 oktober 1910 te Groningen, Jan was gehuwd op 25 mei 1854 te Lemmer met Grietje Fledderus (1835 - 1896).

Rechts: Reint Nieveen, geboren op 26 maart 1823 te Groningen, overleden op 5 november 1904 te Amsterdam. Reint was gehuwd op 12 april 1849 te Sneek met Aukje Gaastra.

Staande in het midden: Geert Nieveen, geboren op 6 juli 1828 te Groningen, overleden op 17 november 1905 te Sneek. Geert was gehuwd op 3 april 1851 te Sneek met Jantje de Ruiter.

 

De familie van Nieveen met personeel aan boord van hun beurtschip.

 

Stuurman Rein de Jong,  geboren op 18 juni 1883 te St Nicolaasga,  overleden in oktober 1967 te Lemmer op 84 jarige leeftijd.

 

Stuurman Schelte Rottiné, geboren op 20 augustus 1891 te Lemmer, overleden op 12 september 1954 te Lemmer.

 

Matroos Arie van der Meer geboren op 20 oktober 1890 in Nijemirdum, overleden op 82 jarige leeftijd op 31 maart 1973 in Lemmer.

 

Kapitein Johannes Grijpsma, geboren op 14 november 1874 te Hommerts, overleden op 89 jarige leeftijd in 1963 te Sneek.

 

Kapitein Johannes Grijpsma.

 

Foto van Haye Bouwman (zoon van Haije B). Kapitein Haije Bouwman, samen met zijn oudste zoon Haye. Onder moeilijke omstandigheden nam hij het roer van de Jan Nieveen over nadat hij al jaren op verschillende boten van de maatschappij had gevaren. Zwijgend deed Bouwman in de oorlog zijn werk. Vluchtelingen en onderduikers konden altijd op zijn hulp rekenen. In 1954 zette Bouwman er een punt achter. Hij heeft de terugkeer van de Jan Nieveen in 1977 nog meegemaakt. Bouwman overleed in 1982.

Lees ook het verhaal van de kleinzoon van Haije Bouwman Kapitein Haije.

 

Machinist Jan Bosma, geboren op 25 februari 1881 te Lemmer, overleden op 6 juli 1940 te Heerenveen.

 

Hans Seldenthuis kwam als jongen van 18 jaar in 1925 bij machinist Jan Bosma in de leer op het S.S te Lemmer.

 

Anne Wielinga, vele jaren de 2e hofmeester van de Jan Nieveen, begreep dat de geschiedenis van de Lemmerboot niet verloren mocht gaan. Hij verrichte naspeuringen naar alles wat met deze roemruchte veerdienst te maken had.

 

 

De Jan Nieveen

Moet die mee naar Lemmer?

Het was vrijdag voor Pasen in het jaar 1928 nog vroeg, toen zeven bemanningsleden van de NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij onder aanvoering van de kapitein Grijpsma op reis gingen naar Arnhem om de nieuwe boot te halen. De tram bracht hen via Joure naar Heerenveen, waar ze op de trein stapten.

Eigenlijk waren ze wat uit hun doen. Een reis met de trein was een zeldzaamheid voor de mannen die dagelijks de Zuiderzee bevoeren. Maar wat belangrijker was in Arnhem wachtte hen een nieuw schip. Hoe zou het er uit zien? Ze barsten van nieuwsgierigheid en prezen zich gelukkig dat juist zij waren uitverkoren om het vlaggenschip te bemannen.

Het was slecht weer. Bij aankomst in Arnhem kwam de regen bij bakken naar beneden, terwijl de harde wind naargeestig langs de wachtende en vertrekkende trein floot. De meeste reizigers zochten een goed heenkomen. Zo niet de bemanningsleden van de Jan Nieveen. regen en wind troserend gingen zij op zoek naar iemand die hen de weg kon wijzen. Een tramconducteur wist waar de werf was, maar het was nog al ver. De mannen konden beter de tram nemen. Onder weg brak de zon door en zag de wereld er een stuk vriendelijker uit.

Wat onwennig stapten de mannen de werf op. Ze keken om zich heen of ze het nieuwe schip zagen liggen, maar konden het tussen al die anderen schepen in het water en op de helling zo gauw niet vinden. Stuurman Rein de Jong keek nog eens goed rond en slaagde een triomfantelijke kreet: daar ligt-ie! Wat een schip....! Allen staarden vol bewondering naar de prachtige boot, die vergeleken met de Lemmer wel een zeekasteel leek. Moet die mee naar Lemmer? vroeg de tweede stuurman Schelte Rottiné ongelovig. Wis en waarachtig sprak kapitein Grijpstra trots, of wil je weer met de trein naar huis? Nou nee antwoorden Schelte, die zich nauwelijks kon voorstellen dat dit het schip was, waar mee hij voortaan naar zee zou gaan.

De werfbaas nam de mannen mee aan boord. Ze vielen van de ene verbazing in de andere. Machinist Bosma en stoker Seldenthuis doken de machinekamer in. Het leek wel of de zon scheen zo blonk het koper. Hofmeester Visser was ook al in zijn nopjes. Genietend liep hij door de salons, langs het buffet en door zijn hut. Hij wreef zich vergenoegd in de handen. Dit leek er op! Dat vond kapitein Grijpsma, die met de Jong en Rottinë en van der Meer de rest van het schip inspecteerde ook. De stuurhut, de verblijven van de bemanning, het ruim, het dek, de geweldige sloepen met hun koperen luchttanks ze konden er niet over uit.

Of het schip de heren beviel, vroeg de baas. Wat een vraag. De Jan Nieveen was een geweldig schip geworden. Dat zag je toch zo? Nee niets dan lof. Wel, dan was het klaar zo en de heren konden vertrekken, zo zij dat wensten. En of zij dat wensten! Zij wilden niets liever dan het ruime sop kiezen. Na een snelle hap werden de stroppen losgegooid. Een bemanning van het werfpersoneel voer het schip, waarmee zij tijdens de proefvaart al aardig vertrouwd waren geraakt. De nieuwe bemanningsleden keken nauwlettend toe. straks zullen zij het overnemen.

Na een voorspoedige reis arriveerde de boot bij steiger 4 aan de Ruiterkade in Amsterdam. De machtige stoomfluit loeide over het IJ. Op de steiger juichte de directie genodigden en walpersoneel . Het schip lag nog maar nauwelijks goed en wel voor de wal of het werd overspoeld met belangstellenden. Glimmend van trots gaf de bemanning tekst en uitleg.

De volgende dag, de Zaterdag voor Pasen dus, werd de eerste reis naar Lemmer gemaakt. De Jan Nieveen zou het zilte nat proeven! Behalve veel passagiers ging er ook veel vracht mee, voornamelijk grote rollen tabak voor D.E. in Joure. Toen de bemanning de kleden over de deklast wilde trekken, schoot het lijntje waar Arie van der Meer aan sjorde los. De matroos viel achterover, slaakte een kreet en sloeg met een plons, die het water hoog deed opspatten, in het IJ. Van der Meer was zacht gezegd een uit de kluiten gewassen kerel, die je niet een twee drie aan boord had. Goede raad was duur totdat machinist Bosma de oplossing aandroeg, de stoomlier. Net hadden de balen tabak er nog in gehangen, nu was het de buurt aan Arie. Hem werd een touw toe geworpen dat hij om de borst knoopte, de lier kwam tot leven en even later hing Arie boven het dek.

De eerste reis naar Lemmer verliep voorspoedig. Toen het schip in de vroege ochtend voor de haven de fluit liet loeien, waren veel mensen uit gelopen om de binnenkomst te aanschouwen. In de sluis sprongen ze aan boord om het laatste eindje mee te varen naar de ligplaats in de binnenhaven. Op Paasmaandag liep half Lemmer uit om tijdens de kijkdag het schip van onder tot boven te bewonderen. Honderden mensen verdrongen zich in de salons, de gangborden en het dek en lieten zich door de trotse bemanning alles uit leggen. Kapitein Grijpstra keek hangend uit het raampje tevreden toe.

De volgende dag maakte de Jan Nieveen een feestreis naar Amsterdam. Vracht was er niet , passagiers wel. Het ruim was ingericht als feestzaal, waar tal van genodigden zich te goed konden doen aan hapjes en drankjes. De vracht was aan boord van de oude s.s. Lemmer gehesen, dat verkocht was aan een Rotterdamse rederij, en deze zou voor het laatst de Zuiderzee oversteken. Gezamenlijk stoomde de schepen over de spiegelgladde zee. Plotseling liep echter de vaart uit de Lemmer. Er werd een noodsein gehesen. Toen de Jan Nieveen langszij kwam, bleek de oude boot haar schroef te hebben verloren. Een tros werd uitgebracht en met de Lemmer op sleeptouw zette het vlaggenschip koers naar Amsterdam. Het oude schip had zijn laatste reis niet op eigen kracht kunnen volbrengen, maar had terug moeten vallen op de hulp van de nieuwe boot, waar voor hij het veld had moeten ruimen.

Voor de bemanning van de Jan Nieveen braken drukke tijden aan. Niet alleen onderhield het schip de dienst Lemmer Amsterdam, maar in de zomer maanden werden ook dagtochten gemaakt naar Urk en Schokland. Tijdens die reizen werd steeds duidelijker dat er iets aan de machine haperde. Het ongerief nam toe, en besloten werd de boot naar Arnhem te brengen voor reparatie. Begin Januari1929 werd de reis ondernomen, een tocht die de bemanning nog lang zou heugen.

Toen de Jan Nieveen uit voer zat het potdicht van de mist. Bovendien vroor het 10 tot 15 graden. Op de Waal bij Nijmegen moest een loods aan boord komen, maar de man bedankte feestelijk voor de eer. Hij durfde het met dit weer niet aan.

Kapitein Grijpstra nam contact op met het kantoor en kreeg te horen dat de reis hoe dan ook door moest gaan. Op de werf zat men op de Jan Nieveen te wachten. Nog maar een keer met de loods gepraat, en zie de aanhouder wint de Lemsters wisten de man uiteindelijk zover te krijgen dat hij aan bood stapte.

De aanhoudende streng vorst en de ijsgang maakte de reis naar Arnhem een tocht vol verschrikkingen. Toen het schip eindelijk voor de werf lag, bleek het de volgende ochtend vast gevroren te zijn. Een deel van de bemanning ging een paar dagen later naar huis. Wachten had geen zin, het weer zou voorlopig toch niet veranderen. Arie van der Meer en Hans Seldenthuis bleven achter om de wacht te houden. De vuren onder de ketel waren gedoofd. Een kacheltje moest de ergste kou verdrijven. De helft van het werfpersoneel lag met griep in bed, gewerkt werd er nauwelijks. De mannen op de Jan Nieveen liepen kleumend rond. Ze verveelden zich kapot en kropen 's avonds vroeg onder de wol want dat verdreef de kou tenminste een beetje. De nachten waren ontzettend lang.

Naast de Jan Nieveen lag een sleepboot ingevroren. De schipper en zijn vrouw waren uit het goede hout gesneden. Al gauw raakten zij aan de praat met de wacht lieden van de Lemmerboot op de Lemmerboot. Er ontstond een hechte band en de Lemsters prikten tijdens de warme hap een vorkje mee. De mannen werden echter na enige tijd ook geveld door de griep. Rillend van de koorts lagen zij in de kooi.

De sleepboot kapitein belde met de rederij, die aflossers stuurde. De zieken konden naar huis. Niet met een taxi maar gewoon met het openbaar vervoer als daar waren tram en trein.

De winter duurde onverminderd voort. Twintig graden vorst was geen uitzondering. Het scheepvaart verkeer was volledig lam gelegd. Sommige mensen staken de Zuiderzee over per auto. Het had zo hard gevroren, dat begin Juli nog ijs lag in de zogenaamde dode hoek bij Lemmer, zo willen de verhalen. Het duurde meer dan drie maanden eerde gerepareerde Jan Nieveen naar de thuis haven kon terug keren.

 

 

Het Scheepsbouwkundig bureau Cornelissen moest heel wat tekeningen maken eer de maatschappij tevreden was over het ontwerp van wat het vlaggenschip van de rederij zou moeten worden. het schip zou een lengte over alles krijgen van 45.40 meter, een breedte van 6.40 meter en een holte in de zijde van 2.75 meter.

 

De Jan Nieveen kort na de tewaterlating bij de Arnhemsche Scheepsbouw Maatschappij in 1928. Het schip moet nog afgebouwd worden, een klein jaar eerder was de kiel gelegd van bouwnummer 219.

 

Steiger 4 aan de Ruyterkade in Amsterdam was de plaats waar de Lemmerboten afmeerden, 'Oudste en snelste scheepvaartdiensten naar Friesland en Groningen' stond op het bord dat de Nieveens op de steiger hadden geplaatst. Op de achtergrond één van de boten van de concurrerende 'Holland - Friesland - Groningen - Lijn.

 

 

 

Het vrachtvervoer speelde in de jaren twintig en dertig een belangrijke rol, een binnenvloot zorgde voor de aanvoer naar Lemmer, zoals de Lemmerboot IV van kapitein A. van Es. In Lemmer werd de lading in de zeeboten overgeslagen voor de reis naar de overkant.

De stoomschepen rechts: Groningen III gebouwd in 1874 en Groningen IV gebouwd in 1877 voor de wal aan de Ruyterkade in Amsterdam.

 

 

 

In die jaren speelde niet alleen het passagiersvervoer een grote rol, ook vracht was van belang. De op en overslag van stuk goederen bracht erg veel werk met zich mee. De maatschappij moest het vaste wal personeel dan ook regelmatig aanvullen met reserve-krachten om de velen schepen en scheepjes die op de Lemmer voeren te lossen en te laden.

Een bekende verschijning was in de Lemmer onder meer het stoombootje de Sneek 6 (de Kleine-Suup), dat een dienst tussen Sneek en Lemmer onderhield. Het scheepje kon niet al teveel vracht meenemen en sleepte daarom regelmatig een dekschuit mee.

Verder was daar ook de boot naar Groningen, die via Sloten Woudsend en IJlst naar Sneek voer. Na daar gelost en geladen te zijn werd koers gezet naar het Kruiswater bij het Snekermeer om van de sleepboot Veehandel VII van kapitein H. Bieze de van Lemmer afkomstige geladen veepraam over te nemen en naar Groningen te slepen. Op de terugreis werd de praam op de zelfde plaats weer aan de sleepboot overgegeven.

Zowel van het varend als van het wal personeel werd veel gevraagd. De werk dagen waren lang. Vaak waren de mannen 12 tot 13 uur per dag of nacht in touw. In de weekenden werd door gewerkt, op zon en feestdagen ook. De boten moesten immers varen! In weer en wind deden zij hun werk, waarvoor het wal personeel het schone bedrag van gemiddeld 26 gulden per week in het loonzakje vond.

Ondanks de zware omstandigheden waar onder het werk gedaan moest worden, was er weinig ziekteverzuim, tijd om ziek te zijn was er gewoon niet. Men kon zich dat niet permitteren. Ook niet als veelal aan het begin van de vorstperiode bij een noordooster storm het water weg vloeide en de nachtboten de haven niet konden bereiken. De schepen kwamen dan een paar kilometer buiten de haven voor anker, waarna de stoombootknecht Pieter van der Bijl en zijn mannen met de lichters uit voerden om op zee een deel van de vracht over te nemen. Meermaals moest de bijl er aan te pas komen om dikke lagen ijs van de deklast te kappen. Het overkomende buiswater zorgde soms voor een laag ijs van wel 10 centimeter dik. Het koste vaak uren van zwoegen en afzien voor dat de schepen zo ver gelicht waren dat ze de haven konden bereiken.

De concurrentie begon zich flink te roeren. De strijd om de gunst van de klant werd heviger. De prijzen zakte. De Nieveens gingen zelfs zover dat de rederij zelf de goederen bij de klanten ophaalde en tot in de pakhuizen afleverden. De zakken meel voor de centrale bakkerij in Lemmer werden door de walbaas besteller Pieter van der Bijl en zijn mannen op handkarren door Lemmer gezeuld en stuk voor stuk naar de meel zolder gesleept. En dat voor de vrachtprijs van 20 cent per baal van 50 kilo van af Amsterdam franco thuis op zolder.

Met het vistransport was het van het zelfde laken en pak. De Lemster visverwerkingsbedrijven als Joh.de Jager de firma's Joh. Sterk, Klaas Sterk en P. de Rook waren aardige klanten. Joh Sterk werkte samen met zijn broer Wiero. De naam werd in 1947 veranderd in Gebr. Sterk, thans een van de grootste visverwekende bedrijven in ons land. In 1982 kon men het eeuw feest vieren. Veel van de waar van deze Lemster bedrijven moest naar Amsterdam. Handel voor de veerdiensten dus. De rederijen gingen ver in hun klanten binding. Voor een anker ansjovis werd een vrachtprijs van 25 cent betaald, maar dan moest de vis wel uit het pakhuis in Lemmer worden gehaald, en in Amsterdam per dekschuit bij het visveem worden afgeleverd. De tramboten doken 5 cent onder de prijs. Nieveen volgde. Op nieuw ging er een stuiver af en weer kon Nieveen niet achter blijven.

De vishandelaren gnuifden, want zij waren de enigen die voordeel hadden bij de prijzenslag tussen de rederijen. Agent Geert Nieveen begon dat ook in te zien. Dit word te gek besloot hij. Vijftien cent voor een anker ansjovis, daar blijft niets van over. Op een goededag trok hij de stoute schoenen aan en stapte bij de concurrentie binnen. Het eind van het liedje was dat de maatschappijen het eens werden en de ansjovis weer 25 cent opbracht.

Maar daarmee was het feest nog niet afgelopen. In de zomer van 1930 begon de NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij met plezierreizen naar de Zuiderzee werken. Met autobusondernemingen als de Zuid West Hoek van Bangma uit Gaastermeer en Slof uit Joure werden afspraken gemaakt over de aanvoer van passagiers naar Lemmer en Stavoren, want van daaruit zouden de boten vertrekken. Agent Nieveen timmerde flink aan de weg. In de kranten verschenen advertenties en Lemmer en omgeving werd volgeplakt met aanplakbiljetten, waarop aankondiging werd gedaan van de mogelijkheid tot bezichtiging van de Zuiderzee werken met de s.s. Jan Nieveen. Het succes kon niet uitblijven.  De belangstelling was zo groot, dat zelfs de Groninger IV af en toe moest worden ingeschakeld om alle passagiers mee te kunnen nemen. Voor de muzikale omlijsting van het geheel zorgde het scheepsorkest. Een ietwat weidse bemanning voor het bandje onder leiding van fietsenmaker aanspreker muzikant Anton Beljon uit Lemmer.

Het bandje placht te zitten op het midden dek voor de brug van de Jan Nieveen, waar de opvarenden uitstekend wist te verpozen en dat is nog zwak uit gedrukt. Beljon was een man van wisselende stemmingen. Zijn functies brachten dat met zich mee. Zo kon het gebeuren dat de muzikant bij terugkeer in de haven te horen kreeg dat er een sterf geval had plaats gevonden en of hij de mare maar wilde rond zeggen. Als hij daarmee klaar was stonden er nog een paar fietsen die gemaakt moesten worden.

Hoe het ook zij, de uitstapjes naar de Zuiderzeewerken, maar ook naar Urk, Schokland waren een doorslaand succes. Na aftrek van alle kosten bleef er dat eerste jaar een netto winst van f 3000,- over en daar was de rederij best blij mee want dat was voor die tijd een heel bedrag.

 

 

Pieter van der Bijl, geboren te Lemmer op 20 maart 1872, stoombootknecht van de Jan van Nieveen. Overleden te Lemmer op 19 november 1941.

 

Uit concurrentie overwegingen werd de vracht franco thuis bij de klanten afgeleverd. het walpersoneel bracht het stukgoed in Lemmer voor een deel met handkarren weg, op deze foto zien we Pieter van der Bijl.

 

De Jan Nieveen en daarachter de Harm Nieveen aan de steiger in Amsterdam.

 

 

Agent Geert Nieveen, kwam in 1926 in dienst van de maatschappij. Hij begon op het kantoor in Amsterdam en werd drie jaar later agent in Lemmer. Daar werd hij op kantoor geassisteerd door P. Faber, terwijl de walploeg bestond uit Pieter van der Bijl, Thijs Vleer, Jouke van der Bijl, Folkert Verbeek, Sibbele de Boer, Bote Nijdam en Andries Visser. Nieveen bezocht de klanten in die eerste jaren per motorfiets.

 

Even een pauze in het midden machinist Jan Bosma.

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.