|
De Jan Nieveen.
Moet die mee naar
Lemmer?
Het was vrijdag voor
Pasen in het jaar
1928 nog vroeg, toen
zeven
bemanningsleden van
de NV
Groninger-Lemmer
Stoomboot
Maatschappij onder
aanvoering van de
kapitein Grijpsma,
op reis gingen naar
Arnhem om de nieuwe
boot te halen. De
tram bracht hen via
Joure naar
Heerenveen, waar ze
op de trein stapten.

|
Kapitein Johannes Grijpsma, geboren op 14 november 1874 te Hommerts, overleden op 89 jarige leeftijd in 1963 te Sneek. Johannes Grijpsma, kwam in 1900 bij de maatschappij. Lange tijd voer hij op het stoomschip Lemmer, eerst als stuurman, later als kapitein. Grijpsma was ook de eerste kapitein van de Jan Nieveen. Op zee was hij in zijn element. Het kon hem zo mistig niet zijn of hij kwam altijd voor Lemmer uit. In 1942 droeg hij het commando over. Hij was toen 68 jaar. |
|
|
|
|
|
|
|
|
Eigenlijk waren ze
wat uit hun doen.
Een reis met de
trein was een
zeldzaamheid voor de
mannen die dagelijks
de Zuiderzee
bevoeren. Maar wat
belangrijker was in
Arnhem wachtte hen
een nieuw schip. Hoe
zou het er uit zien?
Ze barsten van
nieuwsgierigheid en
prezen zich gelukkig
dat juist zij waren
uitverkoren om het
vlaggenschip te
bemannen.
Het was slecht weer.
Bij aankomst in
Arnhem kwam de regen
bij bakken naar
beneden, terwijl de
harde wind
naargeestig langs de
wachtende en
vertrekkende trein
floot. De meeste
reizigers zochten
een goed heenkomen.
Zo niet de
bemanningsleden van
de Jan Nieveen.
regen en wind
troserend gingen zij
op zoek naar iemand
die hen de weg kon
wijzen. Een
tramconducteur wist
waar de werf was,
maar het was nog al
ver. De mannen
konden beter de tram
nemen. Onder weg
brak de zon door en
zag de wereld er een
stuk vriendelijker
uit.
Wat onwennig stapten
de mannen de werf
op. Ze keken om zich
heen of ze het
nieuwe schip zagen
liggen, maar konden
het tussen al die
anderen schepen in
het water en op de
helling zo gauw niet
vinden. Stuurman
Rein de Jong, keek
nog eens goed rond
en slaagde een
triomfantelijke
kreet: daar ligt-ie!
Wat een schip....!
Allen staarden vol
bewondering naar de
prachtige boot, die
vergeleken met de
Lemmer wel een
zeekasteel leek.
Moet die mee naar
Lemmer? vroeg de
tweede stuurman
Schelte Rottiné
ongelovig. Wis en
waarachtig sprak
kapitein Grijpstra
trots, of wil je
weer met de trein
naar huis? Nou nee
antwoorden Schelte,
die zich nauwelijks
kon voorstellen dat
dit het schip was,
waar mee hij
voortaan naar zee
zou gaan.

| Stuurman Rein de Jong, geboren op 18 juni 1883 te St. Nicolaasga, overleden (84 jr) in oktober 1967 te Lemmer. |
|
|
De werfbaas nam de
mannen mee aan
boord. Ze vielen van
de ene verbazing in
de andere. Machinist
Bosma en stoker
Seldenthuis doken de
machinekamer in. Het
leek wel of de zon
scheen zo blonk het
koper. Hofmeester
Visser was ook al in
zijn nopjes.
Genietend liep hij
door de salons,
langs het buffet en
door zijn hut. Hij
wreef zich
vergenoegd in de
handen. Dit leek er
op! Dat vond
kapitein Grijpsma,
die met de Jong en
Rottinë en van der
Meer de rest van het
schip inspecteerde
ook. De stuurhut, de
verblijven van de
bemanning, het ruim,
het dek, de
geweldige sloepen
met hun koperen
luchttanks ze konden
er niet over uit.

|
Machinist Jan Bosma, geboren op 25 februari 1881 te Lemmer, overleden (59 jr) op 6 juli 1940 te Heerenveen. Jan Bosma, begon zijn loopbaan als stoker op de kleine boten van de maatschappij tussen Sneek en Lemmer. Later werd hij machinist op het stoomschip Lemmer, dat uit de vaart werd genomen met de komst van de Jan Nieveen, waarvan Bosma de eerste machinist werd. |
|
|

|
Hans Seldenthuis, kwam als jongen van 18 jaar in 1925 bij machinist Jan Bosma in de leer op het S.S Lemmer. Drie jaar later werd ook hij uitverkoren: de 'Jan Nieveen' werd zijn nieuwe schip. De rasechte Lemster was wát trots. In 1942 werd het hem echter wat te gortig. Het voortdurende gevaar van de luchtaanvallen zat hem niet lekker en Seldenthuis zocht een baan aan de wal. Eerst werd hij stoker op de gasfabriek, later brugwachter en tenslotte sluismeester. |
|
|

|
Stuurman Schelte Rottiné, geboren op 20 augustus 1891 te Lemmer, overleden op 12 september 1954 te Lemmer. Hij heeft zijn hele leven de zee bevaren. Eerst als visser, later als matroosroerganger bij kapitein Grijpsma op het stoomschip Lemmer. Hij ging mee over naar de Jan Nieveen, die hij tot in de oorlog trouw bleef. Toen werd hij stuurman op de Groningen IV onder kapitein Rein de Jong. Een zeezieke passagiere redde hij het leven, door haar bij de benen te grijpen toen ze in wanhoop overboord wilde springen. |
|
|
|
|

|
Matroos Arie van der Meer, geboren op 20 oktober 1890 te Nijemirdum, overleden op 82 jarige leeftijd op 31 maart 1973 te Lemmer. Arie van der Meer, was ook zo'n man die alle rangen doorliep. Hij kwam als matroos, voer op vele boten van de maatschappij en zwaaide tenslotte af. Van der Meer kwam in 1928 op de Jan Nieveen, waarmee ook hij dus tot de eerste bemanningsleden behoorde. |
|
|
|
|
|
|
Of het schip de
heren beviel, vroeg
de baas. Wat een
vraag. De Jan
Nieveen was een
geweldig schip
geworden. Dat zag je
toch zo? Nee niets
dan lof. Wel, dan
was het klaar zo en
de heren konden
vertrekken, zo zij
dat wensten. En of
zij dat wensten! Zij
wilden niets liever
dan het ruime sop
kiezen. Na een
snelle hap werden de
stroppen losgegooid.
Een bemanning van
het werfpersoneel
voer het schip,
waarmee zij tijdens
de proefvaart al
aardig vertrouwd
waren geraakt. De
nieuwe
bemanningsleden
keken nauwlettend
toe. straks zullen
zij het overnemen.
Na een voorspoedige
reis arriveerde de
boot bij steiger 4
aan de Ruiterkade in
Amsterdam. De
machtige stoomfluit
loeide over het IJ.
Op de steiger
juichte de directie
genodigden en
walpersoneel. Het
schip lag nog maar
nauwelijks goed en
wel voor de wal of
het werd overspoeld
met
belangstellenden.
Glimmend van trots
gaf de bemanning
tekst en uitleg.

Steiger
4 aan de Ruiterkade
te Amsterdam.

|
Steiger
4 aan de
Ruyterkade
te
Amsterdam,
was de
plaats
waar de
Lemmerboten
afmeerden,
'Oudste
en
snelste
scheepvaartdiensten
naar
Friesland
en
Groningen'
stond op
het bord
dat de
Nieveens,
op de
steiger
hadden
geplaatst.
Op de
achtergrond
één van
de boten
van de
concurrerende
'Holland
-
Friesland
-
Groningen
- Lijn. |
De volgende dag, de
Zaterdag voor Pasen
dus, werd de eerste
reis naar Lemmer
gemaakt. De Jan
Nieveen zou het
zilte nat proeven!
Behalve veel
passagiers ging er
ook veel vracht mee,
voornamelijk grote
rollen tabak voor
D.E. in Joure. Toen
de bemanning de
kleden over de
deklast wilde
trekken, schoot het
lijntje waar Arie
van der Meer aan
sjorde los. De
matroos viel
achterover, slaakte
een kreet en sloeg
met een plons, die
het water hoog deed
opspatten, in het
IJ. Van der Meer was
zacht gezegd een uit
de kluiten gewassen
kerel, die je niet
een twee drie aan
boord had. Goede
raad was duur totdat
machinist Bosma de
oplossing aandroeg,
de stoomlier. Net
hadden de balen
tabak er nog in
gehangen, nu was het
de buurt aan Arie.
Hem werd een touw
toe geworpen dat hij
om de borst knoopte,
de lier kwam tot
leven en even later
hing Arie boven het
dek.

De Jan Nieveen,
kort na de
tewaterlating bij de
Arnhemse Scheepsbouw
Maatschappij in
1928. Het schip moet
nog afgebouwd
worden. Een klein
jaar eerder was de
kiel gelegd van
Bouwnummer-219.
'Bouwnummer 219'
werd uitgerust met
een quadruple
expansie
stoommachine, die
250 pk leverde. De
keteldruk bedroeg 17
atmosfeer.
De eerste reis naar
Lemmer verliep
voorspoedig. Toen
het schip in de
vroege ochtend voor
de haven de fluit
liet loeien, waren
veel mensen uit
gelopen om de
binnenkomst te
aanschouwen. In de
sluis sprongen ze
aan boord om het
laatste eindje mee
te varen naar de
ligplaats in de
binnenhaven. Op
Paasmaandag liep
half Lemmer uit om
tijdens de kijkdag
het schip van onder
tot boven te
bewonderen.
Honderden mensen
verdrongen zich in
de salons, de
gangborden en het
dek en lieten zich
door de trotse
bemanning alles uit
leggen. Kapitein
Grijpstra keek
hangend uit het
raampje tevreden
toe.

Kapitein Johannes Grijpsma.
|
|
De volgende dag
maakte de Jan
Nieveen een
feestreis naar
Amsterdam. Vracht
was er niet,
passagiers wel. Het
ruim was ingericht
als feestzaal, waar
tal van genodigden
zich te goed konden
doen aan hapjes en
drankjes. De vracht
was aan boord van de
oude s.s. Lemmer
gehesen, dat
verkocht was aan een
Rotterdamse rederij,
en deze zou voor het
laatst de Zuiderzee
oversteken.
Gezamenlijk stoomde
de schepen over de
spiegelgladde zee.
Plotseling liep
echter de vaart uit
de Lemmer. Er werd
een noodsein
gehesen. Toen de Jan
Nieveen langszij
kwam, bleek de oude
boot haar schroef te
hebben verloren. Een
tros werd
uitgebracht en met
de Lemmer op
sleeptouw zette het
vlaggenschip koers
naar Amsterdam. Het
oude schip had zijn
laatste reis niet op
eigen kracht kunnen
volbrengen, maar had
terug moeten vallen
op de hulp van de
nieuwe boot, waar
voor hij het veld
had moeten ruimen.


Interieur van de Jan
Nieveen.

Dagtocht
naar Urk en
Schokland.
Voor de bemanning
van de Jan Nieveen
braken drukke tijden
aan. Niet alleen
onderhield het schip
de dienst Lemmer
Amsterdam, maar in
de zomer maanden
werden ook
dagtochten gemaakt
naar Urk en
Schokland. Tijdens
die reizen werd
steeds duidelijker
dat er iets aan de
machine haperde. Het
ongerief nam toe, en
besloten werd de
boot naar Arnhem te
brengen voor
reparatie. Begin
Januari 1929 werd de
reis ondernomen, een
tocht die de
bemanning nog lang
zou heugen.
Toen de Jan Nieveen
uitvoer zat het
potdicht van de
mist. Bovendien
vroor het 10 tot 15
graden. Op de Waal
bij Nijmegen moest
een loods aan boord
komen, maar de man
bedankte feestelijk
voor de eer. Hij
durfde het met dit
weer niet aan.
Kapitein Grijpstra
nam contact op met
het kantoor en kreeg
te horen dat de reis
hoe dan ook door
moest gaan. Op de
werf zat men op de
Jan Nieveen te
wachten. Nog maar
een keer met de
loods gepraat, en
zie de aanhouder
wint de Lemsters
wisten de man
uiteindelijk zover
te krijgen dat hij
aan bood stapte.
De aanhoudende
streng vorst en de
ijsgang maakte de
reis naar Arnhem een
tocht vol
verschrikkingen.
Toen het schip
eindelijk voor de
werf lag, bleek het
de volgende ochtend
vast gevroren te
zijn. Een deel van
de bemanning ging
een paar dagen later
naar huis. Wachten
had geen zin, het
weer zou voorlopig
toch niet
veranderen. Arie van
der Meer en Hans
Seldenthuis bleven
achter om de wacht
te houden. De vuren
onder de ketel waren
gedoofd. Een
kacheltje moest de
ergste kou
verdrijven. De helft
van het
werfpersoneel lag
met griep in bed,
gewerkt werd er
nauwelijks. De
mannen op de Jan
Nieveen liepen
kleumend rond. Ze
verveelden zich
kapot en kropen 's
avonds vroeg onder
de wol want dat
verdreef de kou
tenminste een
beetje. De nachten
waren ontzettend
lang.
Naast de Jan Nieveen
lag een sleepboot
ingevroren. De
schipper en zijn
vrouw waren uit het
goede hout gesneden.
Al gauw raakten zij
aan de praat met de
wachtlieden van de
Lemmerboot. Er
ontstond een hechte
band en de Lemsters
prikten tijdens de
warme hap een vorkje
mee. De mannen
werden echter na
enige tijd ook
geveld door de
griep. Rillend van
de koorts lagen zij
in de kooi.
De sleepboot
kapitein belde met
de rederij, die
aflossers stuurde.
De zieken konden
naar huis. Niet met
een taxi maar gewoon
met het openbaar
vervoer als daar
waren tram en trein.
De winter duurde
onverminderd voort.
Twintig graden vorst
was geen
uitzondering. Het
scheepvaart verkeer
was volledig lam
gelegd. Sommige
mensen staken de
Zuiderzee over per
auto. Het had zo
hard gevroren, dat
begin Juli nog ijs
lag in de zogenaamde
dode hoek bij
Lemmer, zo willen de
verhalen. Het duurde
meer dan drie
maanden eer de
gerepareerde Jan
Nieveen naar de
thuishaven kon terug
keren.
In die jaren speelde
niet alleen het
passagiersvervoer
een grote rol, ook
vracht was van
belang. De op en
overslag van
stukgoederen bracht
erg veel werk met
zich mee. De
maatschappij moest
het vaste wal
personeel dan ook
regelmatig aanvullen
met reservekrachten
om de velen schepen
en scheepjes die op
de Lemmer voeren te
lossen en te laden.
Een bekende
verschijning was in
de Lemmer onder meer
het stoombootje de
Sneek 6 (de
Kleine-Suup), dat
een dienst tussen
Sneek en Lemmer
onderhield. Het
scheepje kon niet al
teveel vracht
meenemen en sleepte
daarom regelmatig
een dekschuit mee.
De Suup om.
|