Veel bewogen historie van de oude Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam.

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |

 

De "Jan Nieveen"  Voor vragen over het schilderij;

 

Deze foto is van Charlotte Sterk-Huiskes. De vraag is of iemand weet op welke boot deze foto genomen is. Het betreft de 'Veerboot Lemmer Amsterdam'. Reacties graag naar

 

Gezicht op de losplaats in de Lemster Binnenhaven. De Jan Nieveen, ligt voor het kantoor van de maatschappij.

 

 

 

 

 

 

Foto van Haye Bouwman (zoon van Haije B). Kapitein Haije Bouwman, samen met zijn oudste zoon Haye.

Lees ook het verhaal verteld door de kleinzoon, van Haije Bouwman Kapitein Haije.

 

Kapitein Haije Bouwman, volgde in de oorlog kapitein Grijpsma op. Onder moeilijke omstandigheden nam hij het roer van de Jan Nieveen, over nadat hij al jaren op verschillende boten van de maatschappij had gevaren. Hij was walkapitein in Lemmer, toen Grijpsma zijn vertrek aankondigde. Zwijgend deed Bouwman in de oorlog zijn werk. Vluchtelingen en onderduikers konden altijd op zijn hulp rekenen. In 1954 zette Bouwman er een punt achter. Hij heeft de terugkeer van de Jan Nieveen in 1977 nog meegemaakt. Bouwman overleed in 1982.

(Op de achtergrond het schilderij van de heer H. Bouwman..De Jan Nieveen.)

 

 

Met zeilschepen werden tal van beurtdiensten onderhouden, tussen het Noorden van het land en Amsterdam en Rotterdam. In 1840 werd het eerste stoomschip tussen Lemmer en Amsterdam in de vaart gebracht. Naast de zeilende beurtdienst werd in 1864 de stoombootdienst tussen Lemmer en Groningen over de binnenwateren geopend. Voor deze dienst was een concessie verleend aan J. Nieveen te Groningen en W & M. Geveke te Lemmer.

De dienst voldeed zo goed, dat de broers Jan, Geert en Reint Nieveen besloten met stoomschepen op Amsterdam te varen. Daartoe werd op 9 juli 1870 de Groningen-Lemmer Stoomboot Maatschappij opgericht, die een tweetal trajecten ging exploiteren: tussen Groningen en Lemmer, de zogenaamde binnendienst, en tussen Lemmer en Amsterdam, de zogenaamde buitendienst. Voor beide trajecten waren afzonderlijke schepen nodig. De uit 1865 daterende GRONINGEN I werd ingezet en in 1871 werden de nieuwgebouwde GRONINGEN II en III, in in de vaart gebracht. De dienst bleek zo lonend, dat in 1887 de GRONINGEN II werd verbouwd en ingericht voor het vervoer van passagiers over de Zuiderzee. Stoomschepen rond de Zuiderzee.

Anne Wielinga, vele jaren de 2e hofmeester van de Jan Nieveen, begreep dat de geschiedenis van de Lemmerboot niet verloren mocht gaan. Hij verrichte naspeuringen naar alles wat met deze roemruchte veerdienst te maken had.

 

 

De Jan Nieveen.

Moet die mee naar Lemmer?

Het was vrijdag voor Pasen in het jaar 1928 nog vroeg, toen zeven bemanningsleden van de NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij onder aanvoering van de kapitein Grijpsma, op reis gingen naar Arnhem om de nieuwe boot te halen. De tram bracht hen via Joure naar Heerenveen, waar ze op de trein stapten.

 

Kapitein Johannes Grijpsma, geboren op 14 november 1874 te Hommerts, overleden op 89 jarige leeftijd in 1963 te Sneek. Johannes Grijpsma, kwam in 1900 bij de maatschappij. Lange tijd voer hij op het stoomschip Lemmer, eerst als stuurman, later als kapitein. Grijpsma was ook de eerste kapitein van de Jan Nieveen. Op zee was hij in zijn element. Het kon hem zo mistig niet zijn of hij kwam altijd voor Lemmer uit. In 1942 droeg hij het commando over. Hij was toen 68 jaar.

 

Eigenlijk waren ze wat uit hun doen. Een reis met de trein was een zeldzaamheid voor de mannen die dagelijks de Zuiderzee bevoeren. Maar wat belangrijker was in Arnhem wachtte hen een nieuw schip. Hoe zou het er uit zien? Ze barsten van nieuwsgierigheid en prezen zich gelukkig dat juist zij waren uitverkoren om het vlaggenschip te bemannen.

Het was slecht weer. Bij aankomst in Arnhem kwam de regen bij bakken naar beneden, terwijl de harde wind naargeestig langs de wachtende en vertrekkende trein floot. De meeste reizigers zochten een goed heenkomen. Zo niet de bemanningsleden van de Jan Nieveen. regen en wind troserend gingen zij op zoek naar iemand die hen de weg kon wijzen. Een tramconducteur wist waar de werf was, maar het was nog al ver. De mannen konden beter de tram nemen. Onder weg brak de zon door en zag de wereld er een stuk vriendelijker uit.

Wat onwennig stapten de mannen de werf op. Ze keken om zich heen of ze het nieuwe schip zagen liggen, maar konden het tussen al die anderen schepen in het water en op de helling zo gauw niet vinden. Stuurman Rein de Jong, keek nog eens goed rond en slaagde een triomfantelijke kreet: daar ligt-ie! Wat een schip....! Allen staarden vol bewondering naar de prachtige boot, die vergeleken met de Lemmer wel een zeekasteel leek. Moet die mee naar Lemmer? vroeg de tweede stuurman Schelte Rottiné ongelovig. Wis en waarachtig sprak kapitein Grijpstra trots, of wil je weer met de trein naar huis? Nou nee antwoorden Schelte, die zich nauwelijks kon voorstellen dat dit het schip was, waar mee hij voortaan naar zee zou gaan.

 

Stuurman Rein de Jong,  geboren op 18 juni 1883 te St. Nicolaasga,  overleden (84 jr) in oktober 1967 te Lemmer.

 

De werfbaas nam de mannen mee aan boord. Ze vielen van de ene verbazing in de andere. Machinist Bosma en stoker Seldenthuis doken de machinekamer in. Het leek wel of de zon scheen zo blonk het koper. Hofmeester Visser was ook al in zijn nopjes. Genietend liep hij door de salons, langs het buffet en door zijn hut. Hij wreef zich vergenoegd in de handen. Dit leek er op! Dat vond kapitein Grijpsma, die met de Jong en Rottinë en van der Meer de rest van het schip inspecteerde ook. De stuurhut, de verblijven van de bemanning, het ruim, het dek, de geweldige sloepen met hun koperen luchttanks ze konden er niet over uit.

 

Machinist Jan Bosma, geboren op 25 februari 1881 te Lemmer, overleden (59 jr) op 6 juli 1940 te Heerenveen. Jan Bosma, begon zijn loopbaan als stoker op de kleine boten van de maatschappij tussen Sneek en Lemmer. Later werd hij machinist op het stoomschip Lemmer, dat uit de vaart werd genomen met de komst van de Jan Nieveen, waarvan Bosma de eerste machinist werd.

 

Hans Seldenthuis, kwam als jongen van 18 jaar in 1925 bij machinist Jan Bosma in de leer op het S.S Lemmer. Drie jaar later werd ook hij uitverkoren: de 'Jan Nieveen' werd zijn nieuwe schip. De rasechte Lemster was wát trots. In 1942 werd het hem echter wat te gortig. Het voortdurende gevaar van de luchtaanvallen zat hem niet lekker en Seldenthuis zocht een baan aan de wal. Eerst werd hij stoker op de gasfabriek, later brugwachter en tenslotte sluismeester. 

 

Stuurman Schelte Rottiné, geboren op 20 augustus 1891 te Lemmer, overleden op 12 september 1954 te Lemmer. Hij heeft zijn hele leven de zee bevaren. Eerst als visser, later als matroosroerganger bij kapitein Grijpsma op het stoomschip Lemmer. Hij ging mee over naar de Jan Nieveen, die hij tot in de oorlog trouw bleef. Toen werd hij stuurman op de Groningen IV onder kapitein Rein de Jong. Een zeezieke passagiere redde hij het leven, door haar bij de benen te grijpen toen ze in wanhoop overboord wilde springen.

 

Matroos Arie van der Meer, geboren op 20 oktober 1890 te Nijemirdum, overleden op 82 jarige leeftijd op 31 maart 1973 te Lemmer. Arie van der Meer, was ook zo'n man die alle rangen doorliep. Hij kwam als matroos, voer op vele boten van de maatschappij en zwaaide tenslotte af. Van der Meer kwam in 1928 op de Jan Nieveen, waarmee ook hij dus tot de eerste bemanningsleden behoorde.

 

Of het schip de heren beviel, vroeg de baas. Wat een vraag. De Jan Nieveen was een geweldig schip geworden. Dat zag je toch zo? Nee niets dan lof. Wel, dan was het klaar zo en de heren konden vertrekken, zo zij dat wensten. En of zij dat wensten! Zij wilden niets liever dan het ruime sop kiezen. Na een snelle hap werden de stroppen losgegooid. Een bemanning van het werfpersoneel voer het schip, waarmee zij tijdens de proefvaart al aardig vertrouwd waren geraakt. De nieuwe bemanningsleden keken nauwlettend toe. straks zullen zij het overnemen.

Na een voorspoedige reis arriveerde de boot bij steiger 4 aan de Ruiterkade in Amsterdam. De machtige stoomfluit loeide over het IJ. Op de steiger juichte de directie genodigden en walpersoneel. Het schip lag nog maar nauwelijks goed en wel voor de wal of het werd overspoeld met belangstellenden. Glimmend van trots gaf de bemanning tekst en uitleg.

 

Steiger 4 aan de Ruiterkade te Amsterdam.

 

Steiger 4 aan de Ruyterkade te Amsterdam, was de plaats waar de Lemmerboten afmeerden, 'Oudste en snelste scheepvaartdiensten naar Friesland en Groningen' stond op het bord dat de Nieveens, op de steiger hadden geplaatst. Op de achtergrond één van de boten van de concurrerende 'Holland - Friesland - Groningen - Lijn.

 

De volgende dag, de Zaterdag voor Pasen dus, werd de eerste reis naar Lemmer gemaakt. De Jan Nieveen zou het zilte nat proeven! Behalve veel passagiers ging er ook veel vracht mee, voornamelijk grote rollen tabak voor D.E. in Joure. Toen de bemanning de kleden over de deklast wilde trekken, schoot het lijntje waar Arie van der Meer aan sjorde los. De matroos viel achterover, slaakte een kreet en sloeg met een plons, die het water hoog deed opspatten, in het IJ. Van der Meer was zacht gezegd een uit de kluiten gewassen kerel, die je niet een twee drie aan boord had. Goede raad was duur totdat machinist Bosma de oplossing aandroeg, de stoomlier. Net hadden de balen tabak er nog in gehangen, nu was het de buurt aan Arie. Hem werd een touw toe geworpen dat hij om de borst knoopte, de lier kwam tot leven en even later hing Arie boven het dek.

 

De Jan Nieveen, kort na de tewaterlating bij de Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij in 1928. Het schip moet nog afgebouwd worden. Een klein jaar eerder was de kiel gelegd van Bouwnummer-219. 'Bouwnummer 219' werd uitgerust met een quadruple expansie stoommachine, die 250 pk leverde. De keteldruk bedroeg 17 atmosfeer.

 

De eerste reis naar Lemmer verliep voorspoedig. Toen het schip in de vroege ochtend voor de haven de fluit liet loeien, waren veel mensen uit gelopen om de binnenkomst te aanschouwen. In de sluis sprongen ze aan boord om het laatste eindje mee te varen naar de ligplaats in de binnenhaven. Op Paasmaandag liep half Lemmer uit om tijdens de kijkdag het schip van onder tot boven te bewonderen. Honderden mensen verdrongen zich in de salons, de gangborden en het dek en lieten zich door de trotse bemanning alles uit leggen. Kapitein Grijpstra keek hangend uit het raampje tevreden toe.

 

Kapitein Johannes Grijpsma.

De volgende dag maakte de Jan Nieveen een feestreis naar Amsterdam. Vracht was er niet, passagiers wel. Het ruim was ingericht als feestzaal, waar tal van genodigden zich te goed konden doen aan hapjes en drankjes. De vracht was aan boord van de oude s.s. Lemmer gehesen, dat verkocht was aan een Rotterdamse rederij, en deze zou voor het laatst de Zuiderzee oversteken. Gezamenlijk stoomde de schepen over de spiegelgladde zee. Plotseling liep echter de vaart uit de Lemmer. Er werd een noodsein gehesen. Toen de Jan Nieveen langszij kwam, bleek de oude boot haar schroef te hebben verloren. Een tros werd uitgebracht en met de Lemmer op sleeptouw zette het vlaggenschip koers naar Amsterdam. Het oude schip had zijn laatste reis niet op eigen kracht kunnen volbrengen, maar had terug moeten vallen op de hulp van de nieuwe boot, waar voor hij het veld had moeten ruimen.

 

 

Interieur van de Jan Nieveen.

 

Dagtocht naar Urk en Schokland.

 

Voor de bemanning van de Jan Nieveen braken drukke tijden aan. Niet alleen onderhield het schip de dienst Lemmer Amsterdam, maar in de zomer maanden werden ook dagtochten gemaakt naar Urk en Schokland. Tijdens die reizen werd steeds duidelijker dat er iets aan de machine haperde. Het ongerief nam toe, en besloten werd de boot naar Arnhem te brengen voor reparatie. Begin Januari 1929 werd de reis ondernomen, een tocht die de bemanning nog lang zou heugen.

Toen de Jan Nieveen uitvoer zat het potdicht van de mist. Bovendien vroor het 10 tot 15 graden. Op de Waal bij Nijmegen moest een loods aan boord komen, maar de man bedankte feestelijk voor de eer. Hij durfde het met dit weer niet aan.

Kapitein Grijpstra nam contact op met het kantoor en kreeg te horen dat de reis hoe dan ook door moest gaan. Op de werf zat men op de Jan Nieveen te wachten. Nog maar een keer met de loods gepraat, en zie de aanhouder wint de Lemsters wisten de man uiteindelijk zover te krijgen dat hij aan bood stapte.

De aanhoudende streng vorst en de ijsgang maakte de reis naar Arnhem een tocht vol verschrikkingen. Toen het schip eindelijk voor de werf lag, bleek het de volgende ochtend vast gevroren te zijn. Een deel van de bemanning ging een paar dagen later naar huis. Wachten had geen zin, het weer zou voorlopig toch niet veranderen. Arie van der Meer en Hans Seldenthuis bleven achter om de wacht te houden. De vuren onder de ketel waren gedoofd. Een kacheltje moest de ergste kou verdrijven. De helft van het werfpersoneel lag met griep in bed, gewerkt werd er nauwelijks. De mannen op de Jan Nieveen liepen kleumend rond. Ze verveelden zich kapot en kropen 's avonds vroeg onder de wol want dat verdreef de kou tenminste een beetje. De nachten waren ontzettend lang.

Naast de Jan Nieveen lag een sleepboot ingevroren. De schipper en zijn vrouw waren uit het goede hout gesneden. Al gauw raakten zij aan de praat met de wachtlieden van de Lemmerboot. Er ontstond een hechte band en de Lemsters prikten tijdens de warme hap een vorkje mee. De mannen werden echter na enige tijd ook geveld door de griep. Rillend van de koorts lagen zij in de kooi.

De sleepboot kapitein belde met de rederij, die aflossers stuurde. De zieken konden naar huis. Niet met een taxi maar gewoon met het openbaar vervoer als daar waren tram en trein.

De winter duurde onverminderd voort. Twintig graden vorst was geen uitzondering. Het scheepvaart verkeer was volledig lam gelegd. Sommige mensen staken de Zuiderzee over per auto. Het had zo hard gevroren, dat begin Juli nog ijs lag in de zogenaamde dode hoek bij Lemmer, zo willen de verhalen. Het duurde meer dan drie maanden eer de gerepareerde Jan Nieveen naar de thuishaven kon terug keren.

In die jaren speelde niet alleen het passagiersvervoer een grote rol, ook vracht was van belang. De op en overslag van stukgoederen bracht erg veel werk met zich mee. De maatschappij moest het vaste wal personeel dan ook regelmatig aanvullen met reservekrachten om de velen schepen en scheepjes die op de Lemmer voeren te lossen en te laden.

Een bekende verschijning was in de Lemmer onder meer het stoombootje de Sneek 6 (de Kleine-Suup), dat een dienst tussen Sneek en Lemmer onderhield. Het scheepje kon niet al teveel vracht meenemen en sleepte daarom regelmatig een dekschuit mee. De Suup om.

 

 

| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |

Home

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.