Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

De Levensgeschiedenis van Jan Visser.

 

 

 
 
 
Onlangs heb ik het levensverhaal van wijlen mijn oom Jan Visser Hendrikzoon uitgetypt, dit verhaal is door hem zelf geschreven.

Fenny Poepjes - Makkum.

Den Oever: Jan Visser-1977

 

Geboren 8 februari in het jaar 1913, overleden 2 december in het jaar 1992.


Mijn vader en moeder woonden in Lemmer in een klein boven huis, op de Prinsessekade, voor 50 cent per week. Deze straat was dicht bij waar de Lemster nachtboten lagen, welke op Amsterdam voeren.

De ouders van mijn vader Hendrik waren: Vader: Jan Visser getrouwd met Jantje Poepjes. Grootvader Jan had 7 jongens en 3 meisjes, ook waren er 3 kinderen heel jong gestorven.
De namen van de kinderen waren: - Renze; Steven; Hendrik (mijn vader); Bouke; Johannes; Egbert; Jan; Hiltje; Fetje en Grietje.

Grootmoeder Jantje Poepjes kwam uit Delfstrahuizen, mijn grootouders kwamen beide uit een vissersgeslacht.

Mijn moeder haar ouders waren: Vader: Hans Vlig getrouwd met Cornelia Bijlsma.
Grootvader Hans had 5 jongens en 3 meisjes. De namen van de kinderen waren: - Marten; Hans; Jarig; Pieter; Klaas; Albertje; Aaltje en Akke (mijn moeder)
Grootvader Hans Vlig was vroeger loods; hij loodste de vrachtschepen naar Amsterdam en ook wel naar andere plaatsen.

Hendrik Visser & Akke Vlig.

 

 

Het gezin Visser.

 

 

 

Broers Hans en Jan in Franeker.

 

 

De zusters Corrie, Hillie en Alie met broer Jan

Nu ik dit schrijf zijn we in het jaar 1977. Van het geslacht van mijn grootvader Jan zijn er nog in leven, Grietje en Jan. Van mijn moeders kant is er niemand meer in leven. Albertje is als laatste gestorven in 1976 in de leeftijd van 94 jaar. Mijn moeder is 68 jaar geworden en mijn vader 83 jaar.

Nu ga ik verder met mijn levensverhaal.

Ik was 1 jaar en zat in de tafelstoel vastgebonden met touw, anders zou ik er uit vallen. Ze konden mij soms niet vinden, dan hing ik achter de tafelstoel.
Met de grote schoonmaak werd o.a. de kachel leeggehaald, gepoetst en in een hoekje gezet. Al gauw had ik het doosje met kachelpoets te pakken en mijn gezicht en armen ermee in gesmeerd tot het doosje leeg was. Dan hadden ze weer werk om mij schoon te maken.

Als oom Tiemen Zeldenthuis, ook een visserman, vroeger langs ons huisje liep en ik zag hem aankomen, dan riep ik “ome Tiemen”. Op een keer stond het raam open, ik pakte het servies met kopjes en gooide alles naar beneden.

Twee jaar was ik toen mijn zus Cornelia werd geboren. In 1916 was er een grote storm, door de vloedgolf lagen alle schepen in de haven door elkaar en half Lemmer stond onder water. Mijn vader zijn bottertje was gezonken en later weer leeggepompt.

Voor het eerst kreeg ik nieuwe klompjes toen ik 3 jaar was en liep er trots mee door de Lemmer, richting Oosterzee, zodat men een hele tijd om mij heeft gezocht. Ook keek ik wel eens bij de mannen die met tonnetjes aan het rollen waren, dan raakten mijn klompjes weleens onder zo’n tonnetje, gingen kapot en dan moest mijn moeder weer 15 cent betalen voor een paar nieuwe klompjes. Toen ik 3 ½ jaar was kwam mijn moeder onder de fiets van een mijnheer terecht, waarna mijn broertje dood ter wereld kwam.

Op mijn 4e jaar zijn we verhuisd naar de Nieuwe Dijk, ook weer een klein huis. Het huisje had wel een gangetje en op de bovenverdieping was een zolder met een onbeschoten dak (de dakpannen waren aan de zolderkant te zien).

We werden ouder en mijn zusje en ik gingen naar de bewaarschool. De naam van mijn juffrouw was Hendrikje Woudhuizen en mijn zusje zat bij juffrouw Vogelzang. Mijn zusje moest veel hoesten en is niet lang naar school gegaan.

Mijn zusje Jantje werd geboren en zusje Cornelia is toen overleden. Als herinnering had mijn moeder een plukje haar van Cornelia. Zij heeft dit heel lang bewaard in een zakje met tabak, daar bleef het haar goed in.

Dochter Jantje en Mem.

Juffrouw Hendrikje haalden wij ’s morgens en ’s middags van huis om naar school te gaan. Op een keer was ik met mijn kameraden Jurjen Bootsma en Andries van Ale Visser voor schooltijd, op de Lijnbaan aan het spelen. Op een gegeven moment moest ik mijn behoefte doen en ging in een diepe kuil zitten. Mijn kameraden vertelden dit aan de juffrouw. De juffrouw vroeg mij of ik last had van kramp. Ik beaamde dit en zei dat ik het “huisje” niet meer kon halen. Jij bent me er één zei juf.

Op de bewaarschool kwamen we ook wel eens op de foto. Ik zat in de bank met Jette Bootsma en Fokje de Rook. Als ik jarig was kreeg ik van mijn moeder een kjellepoat (koek), op de arm gebonden. Deze was gekocht bij Oldendorp, bakker Loen of Blessinga. Aan deze traditie kon men zien dat je jarig was.

Om bij ons huisje te komen moesten we door een steegje (smalle straat). Er stonden twee huisjes grenzend aan het land van boer Faber. Deze Faber was ook eigenaar van een café. In het andere huisje woonde Trijntje van Lammert Dijkstra. Lammert ging in het voorjaar en in de zomer mee op trawlervaart op de Noordzee. In de winter deed hij altijd mee aan schaatsen voor paren. Hij kon goed schaatsen. Later is hij gestorven aan suikerziekte. Zijn vrouw bleef achter met vijf meisjes en één jongen.

In het steegje hebben wij met z’n allen altijd veel plezier gehad. Broertje Hans werd geboren. Doordat hij teveel eten kreeg, raakte hij overvoed en is nog geen jaar geworden. Als er bij ons een kindje werd geboren dan werden wij ’s nachts naar Trijntje gebracht en bij Trijntje haar dochters in de bedstee gelegd. Thuis sliepen we ook allemaal in een bedstee. Toen mijn zusje Jantje nog klein was sliep ze in een kribbe aan het voeteneind van onze ouders. Nadat onze Cornelia was geboren kwam Jantje bij mij in de bedstee te slapen. Na Cornelia werd Aaltje geboren, daarna Hiltje. Cornelia en Aaltje kwamen ook bij ons in de bedstee en Hiltje lag in de kribbe. Zo ging dat nu eenmaal in die tijd, je moest je zien te redden met weinig middelen.


Bedstede met op het voeteneind de kribbe van de baby.

 

Dochter Alie, Mem en dochter Corrie.

Als het begon te onweren, donkere luchten kwamen dan uit zee, gingen we met z’n allen naar buurvrouw Trijntje, omdat zij bang was voor onweer. Mijn vader vertelde dan over vroegere jaren en het onweer werd vergeten. Ik lag ook wel eens op de grond te slapen. Als de bui over was gingen we weer naar ons eigen huisje.

Grootouders Jan en Jantje woonden aan de Nieuwe Dijk, dicht bij ons in de buurt. Mijn grootmoeder haar zuster, tante Coba, woonde in Rotterdam en kwam weleens te logeren. In onze ogen was deze tante schatrijk. Ze droeg een grote armband en een gouden ketting om haar hals. Als tante bij onze grootouders logeerde zei mijn vader ga maar gauw naar haar toe, misschien heeft ze wel wat voor jullie meegenomen. Inderdaad trakteerde ze ons dan op snoepjes of chocolade. Snoepgoed kregen wij nooit, er was veel armoede.

Op zesjarige leeftijd ging ik naar de “grote” school. Juffrouw Huisman heeft mij het “Aap; Noot; Mies” geleerd en schrijven met een griffel op een lei. De openbare lagere school stond op de Streek. Naast mij in de bank zat Hendrikus Hollander. Meester Radersma was het hoofd van de school. De andere leerkrachten waren Juffrouw Tol; meester De Boer; meester Van Loon; meester Oosten en meester De Vries.

1e rij boven: Jaap Wijnands, Anne Rippen, Hessel ?, Jelle Poepjes, Jenne de Vries, ? ?, Andries Visser.

2e rij: Marten Vleer, Joh de Jong, ? ?, Joh. van der Tuin, Pieter Zandstra, Willem de Jong, Teade Wouda, meester Oosten.

3e rij: Margje Rottinë, ? de Vries, Tine Visser, Hiltje de Jong, Cornelia Visser, ? ?, Margje ?, Lucia de Jong, ? ?, Rebecca Speijer, Cornelis Hollander.

4e rij: de eerste drie meisjes zijn onbekend, de vierde is ? Visser,

5e rij: Gerrit Visser, Jurjen Bootsma, Jeen Visser, Regnerus Hollander.

Meester Oosten die een strenge meester was, woonde in het begin van de 2e Parkstraat, evenals meester de Boer en Van der Loon
.

Op een keer had ik geen zin om naar school te gaan, mijn moeder liep de steeg uit en kwam terug met politie Kok. Ze vertelde aan de politie dat zoon Jan niet naar school wou. Politie Kok had wel een oplossing. Hij deed mij de handboeien om en zo liepen we naar school. Onderweg kregen we veel bekijks. Men zei tegen elkaar, de jongen van Hendrik en Akke wordt naar school gebracht met de handboeien om. Bij de school gekomen zat de deur op slot en konden we niet naar binnen. Kok zei ga maar gauw naar huis, als je weer spijbelt kom je in de gevangenis.

Toen ik in de vierde klas zat, zijn we verhuisd naar een nieuwe school. Er waren drie nieuwe scholen gebouwd; de christelijke; openbare en roomse school. Voor de opening van de school moesten we het volgende versje leren:

Hoera de nieuwe school is klaar wij vieren vrolijk feest.
Wij zijn nu met het zingen klaar, wij zingen al een goed halfjaar;
Wij schoolkornuiten met elkaar, wij schoolkornuiten met elkaar;
Zijn altijd naar school geweest, zijn altijd naar school geweest
.

Na de opening gingen we naar hotel Boersma, we werden getrakteerd op chocolademelk met koek. Een goochelaar vertoonde zijn kunsten. Om twee eierkoeken te voorschijn te toveren vroeg hij assistentie van twee jongens. Jan Schippers en ik werden gevraagd om op het podium te komen. Jan kreeg een blik met drie laatjes in zijn hand. In het bovenste laatje werd meel gedaan, in het middelste suiker, het onderste bleef dicht. De goochelaar gaf mij de toverstok en ik moest hem nazeggen: “hocus; pocus; pilatus pas” en toen lagen er twee lekkere eierkoeken onderin het laatje. We mochten de koeken wel op eten en dat was niet tegen dovemansoren gezegd.

De namen van mijn klasgenoten waren Gerrit Visser; Pieter Zandstra; Tide Wouda; Jaap Wijnstra; Jolt De Heij; Siemen Coehoorn; Siebe Kuipers; Aart Kammega; Anne Rippen; Jan De Bruin; Hiltje De Jong uit Eesterga, een boerendochter; Tine Visser, dochter van een aannemer/timmerman; Afke Krol van de Lemster postbode; Afke Visser (familie van mij)
Renske De Vries; Pietje Kuipers; Anne Bijlsma; Hiltje Schirm, Johanna De Vries dochter van de school schoonmaakster; Anne Blauw dochter van Gerrit Blauw, zij kon mooie gedichten opzeggen, o.a.

Meneer langoor zou op reis gaan, op reis gaan voor plezier.
Ging rechtdoor naar Parijs, wel twintig uur van hier.
Hij droeg een mooi blauw jasje en ook een bruine broek'en achter uit zijn broekje daar hing een staartje uit.
Daar hing een staartje uit
.

De naam van onze meester was meester Van Loon. Als het zomers erg warm was zei hij tegen ons: “kijk eens even op de barometer” en als deze 30 graden Celsius aanwees dan zei de meester: “ga maar naar huis, ik hou het niet meer uit”, meester kon slecht tegen de warmte. Dan ging er een gejuich op en de kinderen gingen rap naar buiten.

Achter de school waren tuintjes aangelegd. Als de meisjes aan het handwerken waren gingen de jongens naar buiten om in de tuin te werken. Voor een ieder was er een tuintje van 1 m2.  Mijn tuintje was naast de regenbak. Op een keer zei meester Van Loon, wie het mooiste tuintje heeft krijgt de 1e prijs. Dit vertelde ik tegen mijn moeder. Moeder zei ga het kippenvoer maar nazien, daar zitten wel zonnebloempitten tussen. Je neemt de pitten mee naar school en plant ze in je tuintje. Zonnebloemen kunnen heel hoog worden, dan win jij vast wel een prijs.

Bij de bloemenschuit, welke bij de oude muziektent lag, kocht ik voor drie centen leeuwenbekjes zaad.  De zonnebloem pitten en zaad van de leeuwenbekjes geplant. Gerrit Visser, Gerrit van Bouk en ik gingen naar de veepramen van de oude Lemster nachtboten, daar haalden we de mest voor de tuintjes vandaan. Zogenaamd hadden we hier de hele morgen werk mee. Meester dan maar weer mopperen omdat we zo laat in de klas terug waren. Na verloop van tijd stond alles in bloei. Drie meesters bekeken de tuintjes en ik won de eerste prijs, hiep, hiep, hoera.

Als we het te bont maakten op school kregen we straf. Meester sloeg ons met een stokje op de hand, dat waren we wel gewend. Al met al hadden we een fijne klas.
Met schoolreisje was het ook altijd gezellig. We gingen wel naar Appelscha of Olterterp. Op een keer hadden Gerrit Visser en Jan De Bruin zich verslapen. Gerrit kon nog net de tram halen. De kosten van een schoolreisje waren f. 2,60. Elke maandag nam je vijf of tien cent mee naar school, zo spaarden we voor het schoolreisje.

In de winter kwam het wel voor dat mijn moeder het wekelijkse bedrag niet kon betalen. ’s Zomers werd het ontbrekende bedrag dan bijbetaald. Omdat mijn moeder niet wist wat ze moest bijbetalen, vroeg ik dit aan de meester. Die zei schrijf maar op een briefje dat je moeder nog zestig cent schuldig is. Op het briefje schreef ik: “Jan moet nog zestig cent betalen en dan is Jan lijk”  Hollands spreken en schrijven was niet onze sterkste kant.

In onze buurt woonden ook nog Kleis Visser en Ele Jantje, de baakster (kraamverzorgster).
In de zesde klas zijn we nog met schoolreisje naar de speeltuin Westerbouwing in Arnhem geweest. Wij hadden vijftig cent zakgeld meegekregen. Voor een bochttocht naar de speeltuin moest er vijf en dertig cent worden betaald. Voordat we naar school gingen hadden mijn maten en ik al van ons zakgeld een kogelflesje en sigaretten gekocht. Voordat we vertrokken ging Meester De Vries met de hoed rond om het geld voor de boottocht te innen. Gerrit Zandstra en ik hadden dat geld niet meer. Meester kwam met de hoed bij ons langs en wij deden onze lege hand ook maar in de hoed, de meester had nergens erg in en er later ook niks over gezegd. Voor ons liep het weer goed af.

We zijn ook nog op de foto gekomen, ik zie ons nog staan voor een toestel met drie poten waar overheen een zwarte doek. De fotograaf had een kale kop en als hij dan weer onder de doek vandaan kwam moest de hele klas lachen. Toen de foto klaar was bleek dat wij allemaal grote hoofden hadden, daar werd ook weer om gelachen.

Mijn moeder ging veel met haar grootmoeder naar de kerk. Ele Jantje en Kleis Visser waren kerks, die zeiden op een keer tegen mijn moeder dat ze haar kinderen moest laten dopen.
Toen ik zeven jaar was zijn onze Cornelia, Jantje en ik gedoopt. Ik weet nog dat dominee Zoete ons heeft gedoopt. Ik zie de preekstoel nog voor mij. Mijn vader ging met ons naar de kerk, mijn moeder bleef thuis. Zij had zeker weer pijn in haar hoofd, daar had ze veel last van. Vaak moest ik voor haar poeiers en pilletjes halen bij Boonstra op de Schulpen, de drogisterij. Als de pijn heel erg was vroeg ze mij om een natte handdoek op haar hoofd te leggen.


Ds. D. Zoete. Lemmer.

Mijn zus Hiltje is in 1928 geboren en ons Aaltje een paar jaar later. Mijn vader was niet thuis toen Aaltje werd geboren. Mijn grootvader, Jan van Fetje, vertelde hem dat er een dochter was geboren en wel eentje met veel zwart haar. Zus Hiltje was klein en tenger bij de geboorte, onze Jantje kon wel in een klomp liggen, zo klein was zij. Hoe ze die groot gekregen hebben is mij een raadsel.

Het wegen van de baby’s ging door middel van een hengsel. Liggend in een luier werd deze bevestigd aan een hengsel en dan maar goed kijken naar het gewicht. Soms zal men zich best een streepje verkeken hebben.

Zomers werd er gevist en dan was er wat te verdienen. Als je dan geld had om turf, vet en aardappelen te kopen dan kon je de winter zo’n beetje doorkomen. In de winter werd er ook wel met spiering netten onder het ijs gevist. Eerst werd er een bit gehakt met een grote bijl. Ik was nog maar klein toen ging ik al met mijn vader te vissen, mijn kleine slee ging mee en een haakje met een lange lijn. Hiermee duwde je de netten onder het ijs.

Het was soms zo koud dat mijn handjes bloedloos waren. Mijn vader zei dan dat ik mijn handen in het ijskoude water moest doen. O wat heb ik vaak koude handen gehad, soms moest ik huilen omdat mijn handen prikkelden en dat deed pijn.

 

Om mijn vader te helpen spijbelde ik van school. Meester De Boer vroeg de volgende dag, Jan waar ben je gisteren geweest? Met mijn vader op het ijs meester om te vissen antwoordde ik. Mijn vader heeft het ook vaak koud gehad in de winter, dan zat er ijs in zijn snor. Hij was altijd aan het werk voor zijn huishouding. Zodra het ijs betrouwbaar was ging hij het ijs op. Omdat ik lichter was dan mijn vader werd ik ook wel het ijs opgestuurd met een lijn om mijn middel en een bijl in mijn hand. Deze had ik nodig om een bit te hakken van 6 meter breed en 6 meter lang. Dan gingen we met een grote totebel in het bit om op spiering te vissen. De gevangen spiering werd naar de afslag gebracht. Voor een pond spiering werd 3 tot 6 cent betaald. Als er weinig aanvoer was, dan kreeg je soms wel 10 tot 15 cent voor een pond. Op zo’n manier probeerde je in de winter nog wat te verdienen. Als er veel sneeuw op het ijs lag kon er niet worden gevist.

Soms kon je terecht bij de gemeente om de “huis tonnetjes” om te wisselen. Je liep dan met 6 man voor een lange kar en twee man er achter. In die tijd waren er geen W.C. ‘s. Je deed je behoefte in een tonnetje, welke geplaatst was in een hokje, achter de woning. Het tonnetje werd dan door twee man uit het “hûske” gehaald en een lege ton kwam hiervoor in de plaats. De volle ton werd voorzien van een deksel en op de tonnetjeswagen getild en gebracht naar de beer (een afvalhoop) buiten Lemmer. Met dit werk verdiende men f. 2,50 per dag. Per twee gezinnen beschikte men over één “hûske”. Dit hield in dat er soms wel twaalf personen gebruikt maakten van één “hûske”, zodat de ton snel vol was. Twee keer per week werd de ton verwisseld.

Enkele vissers waren aan het baanvegen op de ijsbaan of op de sloten buiten Lemmer. Ze moesten het hebben van de fooien van de schaatsenrijders.  Met het vegen op de ijsbaan werd f. 2,= per dag verdiend, dit werd door de ijsclub betaald.

Mijn vader heeft mij weleens verteld dat een man op de toenmalige Zuiderzee aan het ijsvissen was. Het ijs brokkelde steeds verder af, zodat de man op een ijsschots stond met rondom water. De ijsschots dreef weg. Met vissersboten hebben ze naar deze man gezocht. Drie dagen later is hij bij Gaasterland aan wal gekomen. Hij heeft deze “ijskoude” tocht overleefd.

Het ijs in de Zuiderzee was altijd gevaarlijk. Vanwege eb en vloed begon het ijs te werken. Met harde wind begon het ijs te kruien, stapelde zich op tegen de Lemster dijk. De betonnen badhuisjes werden door het krachtige ijs op de dijk geschoven. Ook ging men ’s nachts wel op het ijs om te vissen. Met een grote slee en een lat van wel 7 meter liep men wel drie uur op het ijs.

Van mijn moeder mocht mijn vader ’s nachts het ijs niet op. Toch zijn mijn vader, oom Renze en oom Steven weleens op het ijs geweest om netten onder het ijs te zetten. Het ijs kwam in beweging en dreef van de wal. De slee en de netten achterlatende, lukte het hen toch om door het water naar de vaste wal te lopen. De broers waren nat tot aan hun hals. Oom Steven hebben ze naar huis moeten dragen omdat hij onderweg steeds in slaap viel en daardoor niet meer kon lopen. Thuisgekomen bleek hij last van zijn nieren te hebben, mijn vader zat de hele dag bij de warme kachel om weer op temperatuur te komen, oom Renze mankeerde niets.

Als de winter voorbij was gingen alle visserlui weer naar zee om op haring of bot te vissen.
In de zomer, bij erg warm weer en weinig regen, kwamen een aantal gezinnen zonder drink-water te zitten. De kerk beschikte over een grote regenwater put. Bij gebrek aan een eigen put kon men dan water bij de kerk halen voor één cent per emmer. Mijn vader had een ton van vierhonderd liter, bij de 'Wezen Visser', een drankwinkel, gekocht. Deze ton mocht bij de boerderij van Gradus Sterk, aan de Nieuwe Dijk staan. Het regenwater van het dak kwam via een buis in de regenton. Mijn moeder haalde haar water dan uit deze ton. Het is ook wel eens voorgekomen dat er water met de tram uit Scharsterbrug kwam. Vele bewoners van Lemmer stonden dan op het water te wachten met emmers en melkbussen.

Gebrek aan drinkwater! Door de buitengewoon geringe regenval, heerste te Lemmer gebrek aan drinkwater.

In 1923 was het stoomgemaal bij Tacozijl klaar. Tacozijl lag op loopafstand van een kwartier buiten Lemmer. Mijn vader was aan het spieringvissen dichtbij de grote kleppen van het stoomgemaal. De bedrijfsleider/hoofd machinist kwam toen een praatje met mijn vader maken. Hij bood hem een baantje aan als tremmer. Het werk van een tremmer was om de benodigde steenkool voor het vuur van de stoommachine naar de stookplaats te kruien.

Mijn vader moest er even over nadenken, maar heeft uiteindelijk dit werk wel aangenomen. Men werkte in ploegendienst. Per dienst werkten er drie stokers en twee tremmers. De verdiensten waren f. 30,= tot f. 35,= per week. Later is vader stoker geworden, dan kreeg je een jaarpremie van f. 100,= extra, een tremmer ontving f. 50,= premie. Meerdere visserlui zochten werk bij het stoomgemaal. Het werk was zwaar. Kolen scheppen en op het hete vuur gooien.

Als het binnenwater in Friesland te hoog was, werd het stoomgemaal ingezet om het boezem water naar de Zuiderzee te pompen. Het personeel werd opgetrommeld, de vissers haalden hun netten aan de kant en gingen als stoker of tremmer aan het werk. Als het binnenwater op peil was, begon het vissen weer. In de winter was er veel voordeel aan een baantje bij het stoomgemaal. In een “open” winter was het meestal regenachtig en bij een te hoog peil kon men aan het werk bij het stoomgemaal. Dit betekende brood op de plank.

Tijdens het werken in het stoomgemaal werd er ook veel plezier gemaakt. Als er genoeg stoom was, dan was er even geen werk. Gelf v.d. Gaast, ook een stoker, kon mooi vertellen, meestal over spoken. Oom Steven en Joost Kuipers mochten graag naar die verhalen luisteren. Deze twee tremmers gingen daarna weer naar het kolenhok om kolen te halen. Binnen de kortste tijd renden ze terug de fabriek in. Ze hadden een spook in het kolenhok gezien.

Een pop van stro in een overall, de zogenaamde spook, was even te voren door Gelf v.d. Gaast in het kolenhok gezet. Een andere grap van Gelf v.d. Gaast was, een elektriciteit draadje verbinden met een kruk van de deur. Hij vroeg dan aan Harmen Wouda (bijnaam “bekkenege”) doe de deur even dicht. Harmen pakte de deurkruk, meteen kreeg hij een stroomstoot door zijn vingers. Joost Kuipers werd verzocht een kop thee of koffie in één keer door te slikken en dat lukte ook nog.
Het nieuwe stoomgemaal trok na de opening veel bezoekers, waaronder veel boeren. Om bij het stoomgemaal te komen moest men twee hekken passeren. Mijn vader stuurde mij naar die hekken om deze voor de bezoekers te openen. Dan kreeg ik wel eens een fooi, soms kwam ik ’s avonds thuis met vier of zes gulden.

Als ik ’s middags bij het stoomgemaal was kon ik niet naar school, dan meldde ik mij ziek. Tussen de middag stonden de kinderen van Kok en Krekt bij de hekken, als die naar school gingen nam ik hun plaats in. Mijn vader heeft drie en twintig jaar bij het Stoomgemaal gewerkt.
De vissers, Bouke Kuipers; Klaas Jongsma; Steven Visser; Wietse Postma; Joost Kuipers; Tjalling Kuipers; Jan Van Veen; Harmen Wouda en Frans Visser, hebben eveneens bij het stoomgemaal gewerkt.

Stoomgemaal Lemmer (Tacozijl)

Toen ik in de zesde klas zat heeft mijn vader een nieuw schouwtje laten maken bij Nijdam in Sloten, de LE102 voor f. 500,=. Van Koenrad v.d. Wal leende mijn vader f. 500,=, zelf had hij geen cent. Met mijn vader mocht ik de boot ophalen en ik bleef vrij van school. Omdat ik spijbelde kreeg mijn vader een boete van 50 cent.

In augustus mocht ik van school, ik was toen twaalf jaar. Tegelijk met Gerrit Visser en Hiltje Schirm. Eerst was het wel mooi om niet meer naar school te gaan. Later heb ik wel eens gedacht, ik wou dat ik maar op school zat. Met mijn vader naar zee en soms ’s nachts naar het strand met de botnetten. Dat viel niet mee. In deze tijd visten we nog een verdronken schipper op, waarvoor we f. 50,= ontvingen.

In de winter aan het werk in de hang (haring rokerij). De verdienste was een dubbeltje per uur. Soms kon je nog wat bijverdienen met het haring snijden of rolmopsen maken. Bij een werkweek van zestig tot zeventig uur ontving je dan acht tot negen gulden.

Politie Deelstra kwam op een keer in de hang te controleren. Omdat ik geen arbeidskaart had (was te jong) werd ik weggestuurd. Daarna heb ik nog een poosje bij Sjerp De Blauw gewerkt om spiering te spitten. Voor tien volle spitten kreeg ik zes cent, er gingen twee en dertig spieringen op een spit. Per week verdiende ik dan zo’n tien tot twaalf gulden.

In het jaar 1926 ik was toen net 13 jaar, heb ik in de rokerij van De Rook gewerkt, in de Spaanse ansjovis. Als er dan politie controle kwam ging ik mij verschuilen op de zolder tussen de kisten en kratten. ’s Avonds ging ik ook wel naar de rokerij om haring op te spitten. Er werd ook wel haring per spoor aangevoerd, die kwamen uit Oostende-België. Daarna was het weer tijd voor de Zuiderzee haring.

Door Johannes van de Tuin (bijnaam Kluitjesman) werden we er ook weleens weggestuurd omdat we te jong waren. Hij bracht ons dan naar politie Deelstra, die woonde op de Streek. Daarna kwam politie Deelstra met Rooie Kok naar de hang toe voor controle. Gerrit Visser en Renske van Eelke de Vries werden eruit gestuurd, mij hadden ze niet in de gaten want ik stond op een kist. Omdat het donker was zagen ze niet dat ik het was. Toch ben ik in de val gelopen, waarschijnlijk heeft iemand geklikt en werd ik er ook uit gestuurd.

Heel jammer voor mijn ouders, want ik verdiende toen wel vijftien gulden per week. Maar de week daarop was ik al weer bij Scheffer in de hang (rokerij). Lietse Bonne; Jan Atsma en Dirk Coehoorn vroegen mij of ik enkele kistjes van de zolder kon halen, gooi ze maar door het luikje naar beneden dan vangen wij ze wel op.

De vrouw met de muts is Wed. W. Scheffer-Ras. Dan mevr. Aaltje Scheffer-de Vries. Mevr. Molenberg-Scheffer. De man met de pet op is Simon Scheffer. De volgende is Jan Duim. De man met de hoed en de snor is Johannes Coehoorn. Dan volgt Andries Scheffer. Naast Andries Scheffer zien wij Harm Duim. Als laatste staat op de foto Bonne Blinksma (Lietse Bonne)

Het eerste kistje gooide ik naar beneden, deze ging rakelings langs Lietse Bonne zijn hoofd. Daar schrok ik wel van. Het verdere gedeelte van de dag ben ik op zolder gebleven, want ik was best wel bang voor Lietse Bonne.

De volgende was alles weer vergeten. Mijn moeder bracht overdag koffie naar de hang, ze had veel humor. Wat ze vertelde zal ik maar niet opschrijven. Misschien komt mijn verhaal nog eens in de Lemster krant, we moeten wel fatsoenlijk blijven.

In de zomer van 1925 gingen Andries Bootsma en ik naar het meeuwenland bij Tacozijl om eieren te zoeken, dit was verboden terrein. We vonden wel 100 eieren en verkochten deze voor 35 cent per 10 stuks. Op een keer kwam Doede Kop, met zijn speurhond en wij verstopten snel de eieren. Toch kregen we een proces verbaal omdat wij nog één ei bij ons hadden. Wij zijn toen voor het gerecht geweest. Mijn moeder en de moeder van Andries moesten ook voor de kantonrechter verschijnen. Omdat wij nog geen 14 jaar waren kregen we een berisping. Tien andere jongens, welke ook gepakt waren, moesten ook voorkomen en kregen drie maanden voorwaardelijk.

Op vijftien jarige leeftijd ging ik in de winter werken in de rokerij van Poppe De Rook. Mijn loon was toen 27,5 cent per uur. Na verloop van tijd vroeg ik bijna elke week om opslag. Op een zaterdag kwam ik op kantoor en De Rook zei “vraag je weer meer loon?”. Dat kan wel maar dan moet je net zoveel werk doen als die en die en ook haring in flessen doen.

In die zomer kon ik mijn moeder wekelijks f. 25,= geven, dat verdiende ik met het ansjovis rapen. De rokerij bood in die tijd aan veel mensen werk. De jongens van Friso (de acrobaten); Ule Kooistra; lange Herre v.d. Veen; Rooie Riek van Aant Rienksma en nog veel meer.
Tijdens het werk was oude Kaat aan het vertellen o.a. over de erfenis van tante Lup. Haar achternaam was Spiekholt een zuster van Geesje Spiekholt, Geesje was de vrouw van Jan Scheffer en de grootmoeder van Luppie (later mijn vrouw).

Soms kwam Jacob De Rook ook wel eens naar die verhalen luisteren. Tante Kaatje zei dan wel eens tegen Jacob “jimme heit wie in mooien ien, om oude mensen voor de gek te houden. De erfenis van tante Lup hield half Lemmer in de ban. Ouders beloofden hun kinderen een nieuwe fiets als de erfenis uitbetaald zou worden. Klaas De Rook, Jacob zijn vader, was de eerste Lemster die een fiets had.

Klaas de Rook, hier op oudere leeftijd.

Op een keer zei De Rook "Ik weet dat een advocaat bezig is met een onderzoek naar de erfenis van tante Lup, hij woont in de stad Groningen". Een aantal mensen, zo’n 20 man, gingen ’s morgens om 5 uur met de tram op naar Groningen. ’s Middags om 1 uur kwamen ze aan in Groningen, het openbaar vervoer was toen niet zoals nu. Je bent nu binnen 1 of 2 uur al in Groningen. Het adres van de advocaat werd uit de binnenzak gehaald. Ze zochten het adres op. Ze kwamen bij een huis met een voortuin en op het naamplaatje van het huis stond “comiek en complet zanger” in plaats van advocaat. Toen ze ’s avonds laat weer terug kwamen en naar Klaas De Rook gingen, durfde hij de deur niet te openen. Hij is toen 7 weken onder water geweest, durfde niet buiten te komen, want anders hadden ze hem in de haven gegooid.

Op een keer zijn ze ook nog naar Haarlem geweest met wel 50 man, grootvader ook mee. Daar hebben ze een advocaat gezien op het podium, maar waren zo weer weg. Die oude mensen zeiden: “hier staat nu dat grote gebouw van ons geld. Met grote letters stond op de gevel "Pieter Tyler van der Hulst" Ze zijn toen maar weer naar Lemmer gegaan.

Links vooraan staan de broers Pieter en Johannes Coehoorn, daarachter Tiesse de Rook. Daarnaast zien we Willem Platte en Pieter Feenstra. De beide vrouwen zijn Renske Spiekholt Rottiné en haar zuster Kaatje Spiekholt. De man met de hoed is de baas Poppe de Rook. Achter de kar staat Jan Rottiné met naast hem Jurjen de Rook, die zijn dochter Mientje op de arm heeft. Achter hem, bij het raam staat Klaas de Rook Lourens de Rook of Marten Feenstra. De linker man is Toon Woudhuizen.


Ja nog even over Kaatje Spiekholt. Ouwe Kaat was een vrolijk vrouwtje. Ze zong de hele dag. Eén versje zong ze vaak “tante Lup zal sterven en dan kan de hele familie erven. Ze krijgt een sniefabrik en dan wordt de hele Lemmer ryk”  Of moeder wanneer is het Paas, dan ga ik met vader varen”. Dansen met Jacob de Rook van “hup zoete grotte brei en ik zal dei wol kreie”. Prachtig was het toen, zoiets zie je nu niet meer.

Op een keer zei Jacob De Rook tegen Andries Panne (Visser): “herken jij het verschil tussen zout of suiker?”, Andries werd geblinddoekt daarna moest hij proeven. Andries stak zijn vinger in een kommetje, deed die in zijn mond en zei: ”dit is zout”, daarna hielden ze hem een ander kommetje voor en vroegen wat is dit dan? Andries zou zeggen suiker maar het was poep.

 

Foto van Cor Visser: Andries Panne (Visser)

Marten van Dirk Mop (Dirk Bijlsma), was met Pieter Feenstra aan het werk in de loods van De Rook, in de gemarineerde haring. Hij zei: “Pieter wat zijn dit voor lekkere dingen die jullie in de fles doen? Om te proeven at Pieter een stuk of tien van die rode peperkorrels op. Daarna werd men wel wat benauwd. Pieter kreeg zo’n kramp in zijn buik, ze hebben hem op de kar naar de dokter gebracht, hij had wel dood kunnen gaan.

Met een dochter van Fekke de omroeper; Afke van Jan van Afke Visser; Siebe Vleeshouwer en Pieter van Bootsma, (de Scheg); Andries Visser (Panne) gingen wij bij de schepen langs om mee te helpen de ansjovis zo snel mogelijk in de tonnetjes te doen, zo genaamd “het anker”. Voor één anker ontvingen we 25 cent en per dag verwerkten we per persoon in totaal 60 tot 70 ankers.

Tijdens het vissen op ansjovis, bij de jongens van Fimme Bootsma aan boord gekomen, als vierde man. Mijn verdienste was f. 8,= per week. Jelle van Panne kwam bij de gebr. Kingma aan boord. Heiko Bootsma, was mijn schipper. De botter, waarop wij voeren, was groot. Daar ben ik door de mosterd gehaald. ’s Morgens om 3 uur varen en ’s avonds om 9 uur, als we voor anker lagen, dan gingen we de kooi in. Soms waren er nog hoge golven in de Zuiderzee, er was nog eb en vloed. Omdat ik erg klein was en zelf niet in de vlet kon komen, nam iemand mij onder de arm, de vlet in.

Als het eens bladstil was en er aardig gevangen werd op Medemblik, dan bracht Duiker de botters met zijn sleepboot naar Medemblik. Dan versleepte hij wel 50 tot 60 botters en aken. Per schip koste het transport f. 5,=. Het was fijn in Medemblik te zijn. Voor een ijswafel betaalde ik 2,5 cent. Lekkere koekjes werden per bus van 20 stuks verkocht, voor 25 cent. Als de wind uit het oosten kwam, was de vangst meestal goed. We lagen dan aan lager wal en lager wal neemt alles aan, was toen het gezegde.

Bij goede vangsten bleven we meestal 14 dagen van huis. Van Medemblik voeren we naar Enkhuizen en daarna naar Stavoren. Toen werd ik een echte zeeman. In die tijd viste mijn vader als knecht bij Dove Klaas en Blauwe Jan, op een Harderwijker bottertje. Als het stoomgemaal moest draaien werd mijn vader opgeroepen en dan werd er een andere knecht voor hem in de plaats gezocht. Was er voldoende water uit het binnenland naar het buitenwater, dan kon mijn vader weer gaan vissen. Hij monsterde aan bij Poppe Bootsma, die viste op ansjovis.

Davidson, een jood, verkocht netten. Oude netten kocht hij dan weer terug voor 50 cent per stuk. Deze verkocht hij aan de tuinders in het Westland. Soms werden de goede stukken uit de netten gesneden, hiervan maakte men weer complete netten.

In een jaar was er veel ansjovis te vangen, ongeveer 3 weken voor het einde van de teelt, kregen Jelle Panne, en ik ontslag. De vangst werd minder en dan konden wij wel ophoepelen. Daarna ging ik weer met mijn vader te botvissen en ’s winters ging naar de rokerij van Scheffer voor 17,5 cent per uur. Daar ben ik gebleven tot mijn 14e jaar. “Een dag voordat ik 14 jaar werd kon ik nog mee doen met wedstrijd schaatsen voor jongens van de Kweekschool tot en met 13 Jaar. Homme Heida van Oosterzee won de 1e prijs; ik de 2e prijs, een paar nieuwe schaatsen, en Harm Krekt de 3e prijs. Eelke de Vries heeft de schaatsen met mij uitgezocht, hij kon ook goed schaatsen. Het waren echte Friese doorlopers.

Op mijn 14e verjaardag kwam ik weer bij de rokerij van de firma Poppe De Rook in dienst, nu met arbeidskaart omdat ik 14 jaar was. Op mijn vraag wat de verdiensten waren zei Laurens De Rook, 17,5 cent per uur. Daar ik van Siemen Scheffer, 20 cent aangeboden had gekregen zei ik dat het maar niet door moest gaan. Toen werd mij 22,5 cent per uur geboden, dat heb ik aangenomen. Jelle Panne, kreeg 25 cent, maar die was 1½ jaar ouder dan mij. Mijn eerste werkzaamheden waren siepels schiele (uien schillen), augurken in vieren snijden en hiermee de flessen gevuld. De flessen werden daarna in kratten met stro gedaan, ter voorkoming van het stuk gaan bij vervoer.

In de rokerij werkten toen Jan Rottiné; Eelke de Vries; Obbe Woudhuizen; Toon Woudhuizen; Jacob de Rook; Marten Feenstra; Pieter Feenstra; Pieter Coehoorn; Willem Platte, Oane Damstra; Geert Feenstra; Koert de Vries; Wiebe Feenstra; Jelle Visser. Als bijnaam kreeg ik “Jan ketje”. ’s Avonds mochten wij graag buiten spelen. We speelden dan met z’n allen “hoekje besjen; kotteploegje en zoek boartsje”.

Mijn tante Aal en oom Steven vierden hun verjaardag. Mijn ouders gingen daar naar toe. Ik bleef thuis totdat “de kudde” (mijn zusjes) in slaap waren gevallen. Daarna mocht ik ook op visite gaan. Tante Aal zei tegen haar dochter Cornelia, ga maar even met Jan een straatje om. Daar kwamen we Joost Scheffer tegen, Geeske Visser (mijn latere schoonzuster) was er ook bij. We spraken af om te rikketikken tegen de ramen van Regina Bruining. Haar bijnaam was “ketsje”, omdat ze zo klein was. Het rikketikken ging met een klosje waar omheen naaidraad zat. Het klosje lieten we afrollen tegen het glas en dat bracht veel lawaai met zich mee. Regina was net bezig een pond suiker af te wegen op de koperen weegschaal. Op haar hoofd droeg zij een gouden oorijzer. Doordat rikketikken was ze zo geschrokken zodat ze met haar hoofd in de bak met suiker terecht kwam. Wij weg natuurlijk. Joost Scheffer had ook wel eens de neiging om jiske fetten (emmers met afval) op straat om te gooien en dan snel wegwezen.

Schotsman had een grote winkel, daar kon je van alles kopen, zoals speelgoed, potten en pannen, borden, bestek etc. Bij de Blokje brug stonden meestal zo’n 20 jongeren, het was de bedoeling dat je hen één voor één moest aftikken. De laatste die overbleef moest dan door de roffel. Dan werd er door de anderen met handen en voeten op je lichaam geslagen, wat geen pretje was.

Ook werd er wel een hardloop wedstrijd op de Straatweg georganiseerd. Diegenen die meededen legden hun pet op straat. Deze voorwerpen werden door elkaar gehaald. Daarna ging iemand voorover staan, die kreeg een blinddoek voor. Twee petten werden gepakt en de eigenaren van deze petten moesten dan tegen elkaar hardlopen. Ook speelden we wel “lange rigele”. Met een groot aantal jongens werd een lange rij gevormd. Deze rij slingerde in het rond, diegene die aan de buitenkant liep, werd dan losgelaten en slingerde een eind weg. Het favoriete spel van de meisjes was hinkelen; touwtje springen of toppen.

De Streek bestond uit een Korte en Lange Streek. Geert Pen had een snoepwinkel aan de Korte Streek. Hij verkocht snoep; chocolade en nogablokken voor 5 cent. Soms kreeg ik een dubbeltje zakgeld, dan stond ik buiten de winkel net zolang te wachten totdat er een dikke nogablok bovenaan in de schaal lag. Daarna ging ik naar binnen om de noga te kopen. Pen had mij wel in de gaten, hij zei “heb je net zolang gewacht totdat het dikke blok bovenkwam?” Heb je het in de gaten zei ik en ging weg met een lekkere dikke nogablok.

Op de Lange Streek verkocht Peereboom hoeden en petten. Peereboom kon ook goed “voordragen” en stond ook wel op het toneel met Michiel Oldendorp. Peereboom hielden we ook wel eens voor de gek. We vroegen een paar hoeden mee op zicht voor mijn vader. Vier hoeden werden in een grote zak gedaan en wij de winkel uit. Een paar huizen verder deden mijn kameraden en ik een hoed op en liepen zo door de Lemmer. Als wij genoeg van dit spelletje hadden dan brachten we de hoeden terug. Ik moest dan het woord doen en deed net of de kleur mijn vader niet aanstond.

In de herfst van 1926 zijn we begonnen te vissen bij de Ewijksluis bij de Kleine Afsluitdijk ten westen van Wieringen. In die tijd kregen vier Lemster vissers een nieuwe motor in het schip. Dit waren de LE 61; LE 12; LE 88 en de LE 75.

Hieronder een opsomming van de Lemster schepen met de naam van de eigenaar:

LE 1

eigenaar Jacob Tysseling, bijnaam “de Bels”.

LE 2

eigenaar Teade Wouda (als de knechten alleen aan boord waren deed hij een mug in de suikerpot, als de mug er uit was dan vroeg hij: “wie van jullie is aan de suikerpot geweest?.

LE 3

eigenaar Lubbert Coehoorn, die zei altijd ik heb een Franse naam.

LE 4

eigenaar Marten Vlig "Jonge Hans".

LE 5

eigenaar Andries Visser, een neef van vader, bijnaam “Mosje;” – “Jonge Steven”

LE 6

eigenaar Auke Bakker, nu D. Schirm Lemmer 4.

LE 7

eigenaar Leeuwke Bootsma (bijnaam Oompje) – “Zuiderzee"

LE 8

eigenaar Andries, Jan Blauw, (bijnaam “de Doesen”) “Weltevreden”.

LE 9

eigenaar Jilling Kingma, is oud getrouwd. Was vroeger ook wel eens met mijn moeder op stap geweest. Hij was een kameraad van mijn oom Hans Vlig -  “Margaretha”.

LE 10

eigenaar Marten Raadsvelt, zijn moeder was een zuster van mijn grootmoeder Cornelia Bijlsma.

LE 11

eigenaar Jan Visser, bijnaam “Jan van Fetje”, mijn grootvader “Eersteling”.

LE 12

eigenaar Johannes Visser, bijnaam “Johannes van Hantsje”, ook een Visser maar niet van ons geslacht – “De Hoop”

LE 13

eigenaar Sake Visser; bijnaam “Sake de Rus”. Als je in het hondennest lag bij Tacozijl, kon je hem bij stil weer op de Markerhoek wel horen snurken.

LE 14

eigenaar Ynte Kingma, (bijnaam “Rooie Ynte), luste graag een borreltje maar was ook een beste visserman.

LE 15

eigenaar Andries de Blauw, “Albatros”.

LE 16

eigenaar was Robijn De Jong; “Twee Gebroeders”.

LE 17

eigenaar Jan Visser – “Jonge Jan”.

LE 18

eigenaar Renze Hoekstra – “Jonge Renze”, was eveneens de bijnaam.

LE 19

eigenaar Jan R. Visser – “Jonge Jan”.

LE 20

eigenaar Rienk Coehoorn – “Jonge Jan”.

LE 21

eigenaar Andries Fleer, deze was vroeger kameraad van mijn vader, zijn vrouw was een nicht van vader, haar naam was Hiltje Poepjes. Haar grootvader was een broer van mijn grootmoeder Jantje Poepjes, bijnaam Andries Fleer “Puttemesju”.

LE 22

eigenaar Minze v.d. Bijl “Anna”.

LE 23

eigenaar de gebr. Bootsma, Gouke Bootsma was de schipper. Soms moest ik wel eens overstappen op de LE 23; de naam van de knecht was ook Gouke Bootsma, bijnaam “Gouke de Scheg” met de grote neus. Het was in 1926 en ik was knecht bij Haiko  Bootsma. Gouke de Scheg had een borreltje te veel gedronken op de Enkhuizer kermis. Ze hebben hem maar in de kooi laten liggen. Onze netten stonden achter het juk op de hoek van de Ven bij Enkhuizen. Wij hadden de beug al binnen toen Gouke uit zijn kooi kwam. Kon zijn klompen niet vinden en vroeg aan mij of ik ze soms had verstopt en zeg niet tegen mijn vrouw dat ik dronken was.

 

Als ik met Gouke in de zijkooi lag zei hij altijd: “jij neemt nog meer plaats in als mijn vrouw” en ik was maar klein. Gouke zijn vrouw was ook erg klein. Haar jongens hadden wel respect voor haar, ze kwam dan met de mattenklopper en veegde er op los. Twee jongens en een meisje had ze bij haar eerste man en met Gouke kreeg ze nog vijf jongens. De oudste, Pieter, was mijn kameraad daarom weet ik het zo goed. Gouke kon ook mooi zingen; over het haringvissen bij Enkhuizen; over de logger die toen vergaan is. Ik hoor hem nog psalm 130 zingen “O Here help mij uit de nood” er waren wel twaalf verzen.

LE 24

eigenaar Siebe Zandstra, “De Vrijheid” bijnaam “pake Siebe” /”Siebe Onnik”.

LE 25

eigenaar Egbert visser, broer van mijn vader. Zijn nieuwe schouw kwam uit Sloten. Ik was bij hem aan boord in de sluis. We zeilden de sluis uit en er kwam een sleepbootaan met een Rijnaak als sleep. Deze raakte de schouw midden in de zij, zodat de nieuwe schouw bijna zonk. Wij konden nog net aan wal komen.

 

Nadat de boot gedicht was en wij weer door de sluis gingen om naar de werf terug te gaan, zei de schipper tegen mij “geef dat splitijzer eens. Op de bank van het huisje, waar wij langs voeren stond altijd een bak met drinkwater. Op de bak zat een naambordje waarop stond “Altijd wat”. Met het splitijzer werd dit bordje van de bank gesloopt en vastgeschroefd op de nieuwe schouw. Bij hen heb ik ook nog op ansjovis gevist samen met Andries Bogaard Visser, die later in Den Oever is gaan wonen. Als het ’s morgens elf uur was en wij hadden heel veel ansjovissen in de netten, dan moesten wij “pluizers” er bij hebben. Pluizers zijn mannen die meehelpen om de vis uit de netten halen, ze kregen een gulden per uur. Dan moest ik om elf uur naar de Wezen Visser, de drankwinkel, om twee flessen Kummel te halen. Als het half twaalf was dan kon de één de ander niet meer zien.

 

Het schouwtje had soms 70 van die grote ansjovis netten aan boord, zodat de kont van het schouwtje bijna onder water ging. Wij hadden ook een aanhangmotor voorin staan met de as door de bun en de regulateur achterin. Alle nachten bij de netten liggen, storm of geen storm. Dat het allemaal nog goed gegaan is. Ik was nog jong en zag geen apen en beren. Ik verdiende goed bij hen. Was 17 of 18 jaar en mijn loon zat tussen de f. 70,= en f. 80,= in de week, soms wel f. 100,=. Mijn loon moest ik altijd halen op zaterdag avond bij Joeke Knol. Als ik mijn geld kreeg vroegen ze altijd: “geef je nu eentje weg?  Dan moest ik per man 2 borrels geven, de prijs van een borrel was 15 cent.

 

In die tijd was ik ook voetballer en zat in het derde elftal. Ik ben er toen maar mee opgehouden omdat ik ’s nachts zo droomde over het voetballen, ik had het zweet dik op mijn voorhoofd. Mijn moeder had dit wel gezien en ze heeft toen het hele zaakje, voetbalschoenen, scheenbeschermers, truitje en zwart broekje verkocht voor f. 7,50 aan Jenne van Eelke De Vries. De voetbalschoenen had ik gekocht van Herman Gebben voor een rijksdaalder en het andere zootje opgespaard met bonnen welke in de sigaretten pakjes zaten. Jeltje van Bram, die naast ons woonde, zei dan tegen mijn moeder, jullie Jan heeft gisteren maar weer drie goals gemaakt.

 

Dat vertelde haar zoon Ulke, die was scheidsrechter bij de Lemster voetbal club. Ze zei dan: “hij komt nog wel eens in het eerste elftal”. Moeder zei: “ik wil hem er niet meer bij hebben want hij gaat er nog eens aan dood”. ’s Morgens vroeg opstaan om te vissen en zondags ook nog voetballen.


In die tijd kende ik ook al een paar Makkumers. Doeke en Abe van het Armenhuis, waren in de pauze altijd op het voetbalterrein. We speelden o.a. tegen Meindert v.d. Weerdt en zijn broer Wieger. Een Duitser was de keeper. We verkleden ons bij hotel De Prins. Achter de remming lag Lubbert van de Laan met zijn aakje.

LE 26

eigenaar Bouke Kuipers en Klaas Jongsma, bijnaam “de Mekkers”. Later hadden ze de LE 51; LE 51 was een bottertje van Auke Bakker. Auke Bakker,  de “witte huizen dief” noemden ze hem.


Ik weet nog best dat mijn vader en Jan Scheffer bij hem in de Zijlroede voor het huis van Ate Knol zijn vader aan het ansjovis pluizen waren. Auke zijn vrouw Clara Visser, ook weer een nicht van vader, bracht koffie met een klein koekje.

 

Jan Scheffer vroeg aan mij, ik was ongeveer 9 jaar, ga even naar bakker Oldendorp om wat “koaste koeke” (koek met knapperige korsten). Vertel hun dat Auke Bakker het wel zal betalen, neem de korf maar even mee. Ik naar Oldendorp en kwam met een korf vol koeken terug bij het bottertje met in mijn mond een flink stuk koek. Auke Bakker zag de korf met koeken, het wit sloeg hem voor de ogen. Jan Scheffer vroeg mij of wel had gezegd dat Auke Bakker wel zal betalen. Ja zo ging dat in die tijd.

LE 27

eigenaar Harm Wouda, “Jonge Jan” -1913 Lyckele Poepjes, bijnaam “Zwarte ieckele”.

LE 28

eigenaar Willem v.d. Bijl; bijnaam Bleke Willem – “Eersteling”.

LE 29

eigenaar Tjebbe de Jager “Stella Maris”.

LE 30

eigenaar Lambertus Poepjes, mijn zwager Jelle zijn vader – “Jonge Lieckele”.

LE 31

eigenaar Roel van Slageren, “Jonge Trinus” – woonde altijd alleen in dat aakje.

LE 32

eigenaar Meinte Stienstra – “ ’t Is net oars”.

LE 33

eigenaar Meinte v.d. Bijl - “Ida”.

LE 34

eigenaar Wiebe Urk – “Jonge Steven”.

LE 35

eigenaar Jelle Kalsbeek.

LE 36

eigenaar Jan Visser - bijnaam: Jan van Bouke” – “Jonge Age”.

LE 37

eigenaar Jan Visser – 1913 Siebe Kooistra – “Jonge Huite”.

LE 38

eigenaar Gebr. Bootsma, bijnaam “Rubert” – “Drie Gebroeders”.

LE 39

eigenaar Pieter Poepjes – “Jonge Hans”.

LE 40

eigenaar Kleis Visser.

LE 41

eigenaar Jan Steven Visser, bijnaam “Jan van Afke”, van ons geslacht “Jonge Steven”.

LE 42

eigenaar Willem de Jong, bijnaam “Willem Pippie” – “Goede Verwachting”.

LE 43

eigenaar Jan Mulder, bijnaam “Staverse Jan” – “Jonge Phlippes”.

LE 44

eigenaar Eike en Andries Scheffer “Zuiderzee”.

LE 45

eigenaar Nicolaas Visser, bijnaam “dikke Niekie”; - “Jonge Jacob”.

LE 46

eigenaar Hendrik Tijsseling, broer van Jacob Tijsseling – “Jonge Rikes”.

LE 47

eigenaar Rauke Kuipers – “Poolster”.

LE 48

eigenaar Jacob Visser, Jappie van Kleis – “Vrouw Aaltje”.

LE 49

eigenaar Rinze Visser – bijnaam: “Rees van Bauk”.

LE 50

eigenaar Hidde Koornstra – “Hoop op Zegen”.

 

Juni 1954. Op de haven voor de afslag zijn deze mannen bezig met het inzouten van de vis. V.l.n.r.: Sake Koornstra, Joost Siemonsma, Dorus en Hidde Koornstra, Jan Visser, Wybren Rinia, Willem Visser en de jongen op de voorgrond is Arend Hzn. Poepjes.

 

 

Het lossen van haring in 1937, in de houten boot zien we Janus Koornstra, Jacob v/d Weerd en met muts is Rinze Koornstra (van Andries-Griet) en met de schipperspet en sigaar is Jan Visser (Jan mei de sinten). Akke, Jan zijn vrouw staat met het schort voor op de wal. De aak is de LE 64 van Coehoorn. Vader Janus staat er met zijn beide zonen Jan en Wiep. Daarachter ligt de WON 28 van de Koornstra's. Zij kochten dit schip in 1936.

 

LE 51

eigenaar Klaas Bijlsma “Zuiderzee”- later eigenaren Bouke Kuipers en Klaas Jongsma bijnaam: “De Mekken’.

LE 52

eigenaar Pier Schroor; eerder was deze van Lub Visser en Jou Spiering.

LE 53

eigenaar Jan Bijlsma – “Snelheid”.

LE 54

eigenaar Renze Hoekstra, bijnaam “Poedelsje” – “Jonge Renze”.

LE 55

eigenaar Aant Rieksma, bijnaam “Reade Aant” – “Kleine Rienk”.

LE 56

eigenaar Simon Seldenthuis (oom van mij, zwager van mijn vader, lustte graag een borreltje) – “Lytse Simen”.

LE 57

eigenaar Johannes Poepjes – “Jonge Hans”

LE 58

eigenaar Jelle Visser, bijnaam: “Bogaard”, “Jonge Andries”.

LE 59

eigenaar Douwe Poepjes – “Klaver Vier”.

LE 60

eigenaar Wietse v.d. Bijl – “Nooit Volmaakt”.

LE 61

eigenaar Fimme Bootsma, bijnaam “Fimme Betsje/Fimmieten”.

LE 62

eigenaar Willem Toering – “Jonge Aant”.

LE 63

eigenaar Wouter Hoekstra.

LE 64

eigenaar Renze Visser, bijnaam “Renze van Boukje”- “Jonge Andries”

LE 65

eigenaar Jan de Blauw Janz.

LE 66

eigenaar Gauke Bootsma, bijnaam “De Pekel” – “Jonge Poppe”.

LE 67

eigenaar Gerrit de Blauw – “Noordster”.

LE 68

eigenaar Lieckele Poepjes – “Schön Wieder Ein zal nooit de leste zijn.

LE 69

eigenaar Lieckele Poepjes”, bijnaam “de hardrijder”

LE 70

eigenaar Rottiné – 1913 Harm Wouda – “Zes Gebroeders”

LE 71

eigenaar Jan Visser, 1913 – Siebe Kooistra bijnaam “Siebe Wiets” – “De Jonge Huite”

LE 72

eigenaar Jelle Koornstra; bijnaam “Jelle Betsje – “Jonge Klaas”

LE 73

eigenaar Sake Zandstra (Sake van Ute) en Jan de Urker (Urker Aaltsje) – “Vrouw Aaltje”

LE 74

eigenaar Steven Visser, bijnaam “greate Steven”

LE 75

eigenaar A. Rottiné – “Jonge Schelte”; 1913 – Hermanus Wouda – “Zes Gebroeders”

LE 76

eigenaar Janus Coehoorn – “Jonge Jan”

LE 77

eigenaar Joh.Postma – “Anna Jacoba”, sleepboot.

LE 78

eigenaar Kl. Poepjes – 1946 eigenaar Andries Fleer (van LE 21)

LE 79

eigenaar Jacob Pilon – “Twee Gebroeders.

LE 80

eigenaar Gebr. Bijma.

LE 81

eigenaar Poppe Bootsma – “De Jonge Wietske”

LE 82

eigenaar onbekend.

LE 83

eigenaar Steven Visser, bijnaam “de Sliede”

LE 84

eigenaar Heiko Bootsma – “Vrouw Elizabeth”

LE 85

eigenaar Gouke Bootsma; bijnaam “Gouke de Scheg”

LE 86

eigenaar Jan en Bastiaan de Haan, bijnaam “de Haantjes”

LE 87

eigenaar Hendrik v.d. Zande.

LE 88

eigenaar Jilling Kingma – “Spessalutes”

LE 89

eigenaar Siebe Zandstra  - bijnaam “Siebe van Gepke” – “Nije tiid”

LE 90

eigenaar onbekend.

LE 91

eigenaar Jan Visser (voorheen LE 56), bijnaam “Sake de Rus”

LE 92

eigenaar onbekend.

LE 93

eigenaar onbekend.

LE 94

eigenaar Peke Wouda.

LE 95

eigenaar gebr. Ulke, Anne en Hennie Visser – “De bruorren”

LE 96

eigenaar onbekend.

LE 97

eigenaar Gouke Bootsma, Gouke van Ank.

LE 98

eigenaar onbekend.

LE 99

eigenaar Pieter J. Poepjes – “Feike”

LE 100

eigenaar Jan Poepjes – “Drie Gebroeders”

LE 101

eigenaar Hermanus Wouda – “Jonge Jan”- later LE 27.

LE 102

eigenaar Bouke Visser – “Nooit Gedacht”

LE 103

eigenaar Gauke Bootsma.

LE 104

eigenaar Arend Poepjes – “Morgenster”

LE 105

eigenaar Tjibbe Kuiper – later Kees Kok – “West Vries”.

LE 115

eigenaar Bouke Tijsseling – “Petrus”

LE 119

eigenaar Jan Poepjes, bijnaam “Reuze Jan of Jan met de pruim” – “Titanic”

LE 120

eigenaar Klaas Poepjes, bijnaam “tante Kaatje.

 

Zie ook Lemstervloot



LE 102


Nu heb ik het over het stemmen voor de Tweede Kamer in 1928. “Stemt van Vuren minder loon en lange uren” werd er dan op de Schulpen geschreven met een witte kwast.

 

Op de Schulpen was er markt. Tjeerd Knol was altijd veilingmeester. Voor mijn geboorte heeft vader wel eens verteld, werd er ook wel bot op de markt verkocht. Grootmoeder, Jantje Poepjes, had dan aan de muur veel netten met bot hangen. Ze deed dat alleen. Grootvader was op zee. Ze was oersterk, want dan trok ze die grote hoepnetten met bot bij de wal op, de bot werd verkocht voor 8 of 9 cent per pond.

 

Siebe Zandstra, pake Siebe met zijn broer Sake, had een winkeltje in de Schans. Jan de Urker, zijn moeder was een echte Urker, ze had twee jongens, Leeuwke en Jan en vier dochters. Jan kon zo mooi zingen. Met Andries Bootsma, zat hij dan op de trambrug bij de haven te zingen. Over het Kerstkindje. Als jongen luisterde ik er dan naar. Op een mondorgel spelen werd ook veel gedaan door Siebe Siebesma; Steven van grote Steven, oom Hendrik van Jan van Bouke en Sake van Manus Wouda. Later werd het verboden en je mocht ook niet roken beneden de zestien jaar.


Na de herfst kregen we in 1928/1929 een strenge winter. De Daniël Goedkoop van Amsterdam voer met de Lemster nachtboten en tramboten net zo lang door totdat het niet meer kon.
Ik werkte nog bij De Rook in de hang en ik herinnerde mij dat mijn vader twee paar spiering-hengsels had gemaakt, met kleine stukjes aal er aan. Het is wel interessant dat ik dit vertel. Mijn vader haalde een paar aaltjes uit Oosterzee bij Poepjes vandaan voor een dubbeltje per stuk. Feike Cnossen zijn pleegvader had varkensborstels gehaald bij Wimpelwey de schoenmaker.  Vader maakte aan de twee borstels twee lusjes en daar kwam een stukje aal tussen met een lang snoer.
Achttien snoertjes zaten aan de hengel, daar werd een lapje omgedaan, zodat de stukjes aal niet konden bevriezen. Op die zaterdag, waarover ik aan het vertellen was, ’s morgens om 7 uur op de schaats weggegaan richting Schokland met een kleine slee achter ons aan. Oom Steven en ik zei de gek vonden een bijt, hij had wel een uur werk om de bijt groter te maken. Vader had wel twee uur nodig voordat hij kon vissen.


Oom Steven gooide het snoertje in het water en ving aardig wat spiering, wel 70 tot 80 pond, een grote teil vol. Toen mijn vader klaar was met het hakken en hij zijn snoertje in het water gooide was het met Oom Steven zijn vangst gedaan. Met het hakken had vader alle spiering naar hem toe gehaald. Het ijs was wel 40 centimeter dik. In totaal hadden wij 170 pond spiering en kregen 14 cent per pond, de totale verdienste was f. 23,80. Vergeten doe ik het nooit, wij waren weer een paar dagen uit de brand.


’s Middags kwamen wij thuis, mijn moeder stond onder het afwassen te huilen. Mijn zuster Hiltje lag met zware longontsteking in de bedstee. Mijn moeder zei tegen mij: “straks moet ik haar ook nog missen”. In de avond kwam mijn vader thuis en gaf Hiltje vier uitgeperste sinaasappels. Het was een wonder dat ze dit opdronk omdat ze van mijn moeder niets aannam. De volgende dag kwam dokter Eiseling op bezoek, onderzocht de zieke en gaf mijn moeder een hand en zei: “Mevr. Visser, uw dochter heeft het gered ze is de crisis te boven.


In die winter reden ze met vrachtwagens naar Urk en er zijn zes personen naar Amsterdam geschaatst. Eelke de Vries; Geert Feenstra; Laurens De Rook; zijn zuster Elisabeth, Wiebe van Lup; Teade Wouda en Rienk Rienksma. Ze zijn over het IJ gereden en bij Muiden aan wal gegaan. Op zondagavond, 3 maart, weer in Lemmer aangekomen. Ze gingen tot aan de knieën door het water omdat de dooi was ingevallen. Half april lagen er nog drie grote ijsbergen voor de Lemmer. Als de zon scheen kon je zien dat er stukken ijs afbrokkelden.

 


Auto's reden over het ijs van Lemmer naar Urk vice versa: Op vrijdag 1 en zaterdag 2 maart hadden de eerste auto's al de oversteek gewaagd en toen bleek dat het ijs dik genoeg was en dus betrouwbaar, wemelde het de daarop volgende zondag 3 maart van auto's en en andere voertuigen, waaronder arrensleden, die de tocht Lemmer Urk maakten.

 

1929: De eerste auto die de Zuiderzee overstak. Hier is de Lemsterhaven te zien. Nog dezelfde dag werd de terugweg naar Elburg ondernemen.


In de zomer van 1929 was mijn vader, oom Steven, Klaas van Sake, oom Egbert; Bouke Kuipers; Klaas Jongsma; Joost Kuipers en Tjalling Kuipers bij Albert Bosma aan het werk om met zolderschuiten zand te halen bij Spannenburg en naar Lemmer te brengen, in opdracht van de Gemeente. Ze hadden fietsen gehuurd bij Anton Beljon, daar achter woonde Jacke Lichthart met haar hond. Sietske Faber was haar helpster, haar scheldnaam was Sietske Flots, later was ze vriendin met mijn vrouw haar zuster Geesje. Vader had de fiets tussen de ramen gezet en ik wou ook wel even fietsen. Ging op de fiets zitten en viel door het raam. Vier ruiten kapot, dat was niet zo best.


Toen dat zandvaren was gebeurd hebben mijn vader en oom Egbert de vuurtoren ontroest en geverfd. Opzichter van Dijk was bij de gemeente en die ging over dat werk. De toren was voor de helft geverfd, de opzichter zei "Wat gebruiken jullie toch een verf Visser". Mijn vader zei "Zo dik strijken wij de verf er niet op". Steeds begon de opzichter weer over die verf. Mijn vader dacht bij zichzelf, onze Egbert zal toch geen verf stelen?.


’s Avonds ging hij naar de schouw van oom Egbert maar er was geen verf te zien. De grote bussen met verf werden in een schuur gezet, mijn vader had daar een sleutel van maar de lichtopsteker Roukema, had er ook één. Mijn vader dacht die man zie ik er niet voor aan, hij gaat naar de kerk. Maar toch de bussen eens merken en onder het deksel van de bussen werd een lucifer gelegd. Zodra iemand aan het deksel kwam zou de lucifer op de grond vallen.


Ja wel hoor, vader stond op de loer, zag Roukema er heen gaan en terug gaan. Daarna ging vader bij de bussen kijken en de lucifer van de grootste bus lag op de grond. De volgende dag alweer dat gezeur van de opzichter. Mijn vader had niets tegen oom Egbert gezegd. De opzichter zei: “ik zal de politie eens naar jullie schuiten sturen”. Vader werd zo kwaad, die zei ik ga nu naar de politie en wij zullen zien dat het recht zegeviert en wie de dader is. Vader heeft aangifte gedaan en er is proces verbaal opgemaakt tegen Roukema. Oom Egbert vroeg “Hoe weet jij, dat hij het gedaan heeft?”, dat komt straks wel aan het licht zei mijn vader. Mijn oom Egbert Visser werd opgeroepen om voor de kantonrechter in Leeuwarden te verschijnen.


Oom Egbert had niets te vertellen, daarna deed mijn vader zijn verhaal en Roukema viel door de mand. Mijn vader vertelde over de grote bus en de lucifer welke op de grond lag. De opzichter kon het niet geloven dat Roukema gestolen had. Roukema kreeg een boete van f. 350,= en zes maanden hechtenis.


Ja, in die tijd was het vissen en werken, je moest maar zien dat je te eten kreeg. We waren nog te arm om een slot in de kamerdeur te vervangen. Als er iemand aan de deur kwam moest je eerst het broodmes uit de broodtrommel halen om de deur los te maken.

 

Soms bij slecht weer konden de netten buiten niet gedroogd worden, die werden dan boven de kachel gehangen om te drogen. Het stonk verschrikkelijk, maar daar roken wij niks van.
Wij hadden ook wel ratten in de kelder en op zolder. Politie Verbeek woonde naast ons en had kippen. Elke dag kregen die kippenvoer en daar kwamen de ratten op af en zo kreeg je het ongedierte om en in het huis.


Voor politie Verbeek, woonde daar Eeckhoorn, de vrachtrijder. Ja nu schiet mij weer iets te binnen. Vrachtrijder Eeckhoorn; Vogelvanger van St. Nicolaasga; Dikken uit De Kuinre; Muurling, De Bruin; Kok en Ate Meisunne van Lemmer, stonden altijd bij het Nutsgebouw om te wachten op vracht. Wij waren met z’n zessen en  maakten een pakje klaar voor Stroband in de Parkstraat. Een stuk oud papier met poep erin en touw er omheen. De naam van Stroband erop en de afzender was iemand uit Sloten. De familie Stroband had veel familie in Sloten wonen, dus dat viel niet op. Wij het pakje overhandigen en vroegen om 30 cent vrachtkosten, zodat wij weer wat snoep konden kopen. Wij gingen onder de ramen zitten te luisteren. Stroband zei tegen Luppie zijn zoon, haal het mes even op. Het pakje werd opengemaakt en er bleek poep in te zitten. Ja dat was wat, mooie jongens waren wij.


Ook ben ik eens te logeren geweest in de Joure bij oom Franke De Boer en tante Fetje, een zuster van mijn vader. Ik was zo onwennig, dat ik brak daar in huis alles af en was binnen 24 uur weer thuis. Met de koffer die ik mee had, sloeg ik ’s nachts tegen de muur omdat de deur thuis op slot was. Buurvrouw Jantje, de baakster, vroeg mijn moeder wie er vannacht in de steeg was geweest. Er was zo veel lawaai, ik werd er wakker van. Mijn moeder antwoordde, dat is onze Jan geweest die was voor een week te logeren in Joure. Gisterenmorgen met de tram weggegaan en vannacht met de laatste tram weer teruggekomen. Ze konden hem daar niet houden want hij brak boven op zolder alles af, er bleef niks heel.


In de zomer van 1929 was er veel ansjovis te vangen. Met oom Egbert heeft mijn vader nog op ansjovis gevist. In die tijd is er een zoon van oom Egbert gestorven. Ik was weer in de rokerij van 'De Rook' aan het werk en ben daar tot en met de winter van 1930 blijven werken. In het voorjaar van 1931 zijn wij verhuisd naar de Nieuwe Dijk in het huis van Davidson, dichtbij Ynte Kingma, die was altijd dronken. Dan was hij weer met zijn schoonvader aan het vechten en mijn vader er maar weer tussenin om ze uit elkaar te halen.

 

Dat voorjaar heeft mijn vader van Jan de Wachter, van de Kuinre haringnetten gekocht en ben ik samen met hem aan het haringvissen gegaan. Eind februari was ons eerste schot 75 stuks. Onze netten stonden richting de dijk van de Lemster hoek. Het ijs lag dunnetjes onder de wal en wij moesten wachten totdat het ijs over de netten wegtrok, het had die nacht nog gevroren.
Daarna zijn we me de beug onder de Kuinderse wal gaan vissen, omdat Oom Bouke met het haringslepen een tal of zes per dag ving.


De wind was naar het oosten gegaan, het was mooi koud. De andere dag hebben wij de zon afgewacht en zijn naar de netten gegaan en hadden 15 tal haring gevangen voor f. 2,50 het tal. Er kwam weer wat geld in het laatje. Op Goede Vrijdag vingen wij twee last haring bij de Lemster hoek. Bij de Lemster hoek stond een kommetje. Of deze nu van mijn zwager Jelle zijn vader was of van oude Lyckele Poepjes, dat weet ik niet meer. Wij zijn met de twee last haring naar binnen gegaan, over Tacozijl naar Sloten en van Sloten naar Woudsend.


Ik weet nog dat de mensen uit Sloten met het kerkboek in hun hand naar huis gingen en kwamen met een schaal bij ons om haring te kopen, 100 stuks voor 50 cent. Daarna zijn we naar de Joure gegaan en hebben daar de laatste haring verkocht in de Krekelbuurt. We zijn nog bijna op de bon gekomen omdat wij geen licht op de kar hadden, het was al aardig donker. Toen heeft Lute Dijkstra, de veldprediker, nog een vleermuis lantaarn van zijn schuit gehaald en naar ons gebracht. ‘s Avonds zijn we naar Lemmer gevaren en waren die nacht pas om 2 uur thuis. We hadden f. 34,= overgehouden van de twee last haring. Wat een werk, wat een werk.


Met Pasen ging het wat beter en werd de vis weer gelost aan de visafslag. Als het warm was kreeg je van Libbelak (Libbe Bouma) 7 cent per tal. Paasmaandag, schrik niet, ben ik met mijn vrouw, ze was nog mijn vriendin, voor het eerst op de fiets naar Gaasterland geweest, ze was 14 jaar. Geesje en Jelle naar Oranjewoud.


Toen ik de volgende dag uit zee kwam en op bleef, vroeg mijn vader of ik het eten nu al op had. Nee zei ik, er is thuis onraad. Mijn vriendin haar moeder zat bij mijn moeder en vond dat haar dochter nog te jong was om verkering te hebben en wij hadden zo’n schik gehad in Gaasterland.
We lagen tegen een bosje en er kwam een man en vrouw aan, ze zagen ons niet liggen. De vrouw was moe van het drukken achter de kinderwagen door het rulle zand. Ze zei tegen haar man: “toe druk do ek efkes, wat der yn leit, is de helte fan dei. Een paar sparretjes mee naar Lemmer, genomen en mooi weer gehad.

 

Geesje en Jelle hadden erg slecht weer in Oranjewoud. Hun kleren hingen bij Gepke boven de kachel te drogen. Ja zwager Jelle mocht al thuiskomen bij Geesje, die hadden even meer voorrang omdat ze wat ouder waren. Ja, ik liep ook al tegen de 18 maar ik stond nog net onder de rode streep.


Bij ons op de Nieuwe Dijk mocht grootvader graag over vroeger vertellen.


* over spoken.
* Oom Klaas; oom Pieter door bed gezakt.
* Bertus Poepjes zoveel jaar getrouwd, vader erheen en oom Steven aan het spelen.
* Baars vissen bij Tacozijl.
* Vader achter de sjoelbak bij Beljon.
* Zeventien jaar naast Trijntje gewoond.
* Broedje kievitseieren gevonden, alle jongens in de sloot.
* Lopen op zondag van Lemmer naar St.Nicolaasga en terug.
* Bertus Koornstra van de Lemmer kon al auto rijden.
* Hardrijders in de winter gereden naar Stavoren en Vollenhove.


Na het haringvissen gingen mijn vader en ik bij Jelle Visser aan boord, een neef van vader, om op ansjovis te vissen. In de LE 58 zat al een nieuwe Ford motor. Voor het ansjovissen had je wijde netten nodig en wij hadden een nieuwe beug. Er was niet zoveel ansjovis, wel waren ze erg duur, 80 cent per pond omdat het allemaal grote ansjovissen waren, waardoor de verdiensten toch goed waren.


Mijn eerste nieuwe pak heb ik toen gekregen voor f. 45,= bij Eppinga uit Heerenveen vandaan.
Jelle Bogaard (Visser) was een beste kerel, we hadden goede kost aan boord. Zijn zoon Bernhard was ook aan boord, zodat we met z’n vieren waren. Ze hadden thuis zestien kippen en als de kippen goed hadden gelegd, dan nam hij veertien eieren mee aan boord. Hij zei mijn vrouw Betje (bijnaam Rooie Bet) heeft aan twee genoeg. Bogaard mocht ook graag roken, dagelijks had hij tien sigaren bij zich. Als de sigaren op waren zei hij tegen mij  “Jongen maak even een sigaar voor mij”, je vader heeft wel pruimtabak en er ligt nog wel een Hepkema krant in het vooronder, en dan maakte ik een sigaar voor hem.

 

Jelle Bogaard (Visser)


Op een morgen konden we met de kruk de motor niet starten, het lag aan de stroomverdeler. Als Bernhard, dan moe was van het draaien met de kruk, zei hij tegen mijn vader: “Hendrik hast to ek ferstân fan dy masine? Mijn vader ging de stroomverdeler even anders zetten, ’t was geluk hoor, en dan liep de motor weer. Wij hadden goed verdiend die zomer, Bogaard was een beste visser. Wij schoten de netten nooit tussen de andere netten, altijd aan de vrije kant. Hij wachtte totdat het bijna donker was voordat de netten werden uitgezet. De Fimmieten konden het niet hebben als wij meer vis hadden.


Schipper Jelle Bogaard mocht ook graag Kermis vieren. Wij waren wel vier weken van huis en visten aan het eind van de teelt in de binnenzee. In Enkhuizen was kermis, meestal gingen we  eerst even naar Rozendaal een kroegje en kochten een paar borreltjes. Daarna nog even de kermis op en dan mocht Bogaard graag blijven staan bij zo’n degenslikker. Die deed dan een sabel in zijn mond of liet een horloge in zijn mond zakken. ’s Avonds weer aan boord en nog een kopje koffie genomen, zei Bogaard tegen mijn vader: “ik hoorde het horloge in zijn buik tikken”. Volgens mijn vader was het allemaal zwendel.


Mijn vader zijn neef “Grote Steven” was een andere man. Hij was bang voor krabben. Grote Steven was vaak te vissen op het strand bij Tacozijl. Jelle Bogaard mocht ook wel eens vissen westelijk bij het zwarte dammetje onder Gaasterland. Als de wind uit het oosten kwam dan ving je daar meestal veel bot en krabben.


DIENSTTIJD 1933


Op 16 februari 1933 vertrokken naar Gorkum om in dienst te gaan bij de Pontonniers en Torpetisten, onderdeel van de Marine, voor bruggendienst en om grondmijnen te leggen. Het hoofdkantoor was in Dordrecht. Gedurende 5 ½ maand was ik dienstplichtig schipper.
Naast onze boot lagen mosselvissers uit Bruinisse, Keyzer en Jumelets en een aantal binnenschippers, allemaal mensen van het water. De dienst was afgelopen om 17.00 uur, we verkleden we ons en gingen dan naar het Militair Tehuis.

 

Je kon daar sjoelen en andere spelletjes doen. Een “vader en moeder” (afkomstig uit Friesland) beheerden dat tehuis. Mijnheer Mulder kwam uit Gaasterland, hij heeft mooie boeken geschreven o.a. “De Deining; Mooi Gaasterland en Tjalling wil wat anders. In dat tehuis heb ik mijn geloof gevonden, daar heeft God het “Evangelie van de Heer” aan mij gegeven.

 

In de kantine van de Willems Kazerne was er op zondag kerkdienst. Het eerste versje dat ik leerde was Ps. 68 – “Gelooft zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijne gunstbewijzen”.


Op 30 juli 1933 kwam ik uit dienst en bij mijn vader aan boord gegaan. We hebben met onze kleine schuit gevist op bot bij Enkhuizen en Breezand bij de Afsluitdijk . De vangst was wel goed. De prijs van bot was 20 cent per pond. Er waren meer Lemster vissers bezig, Op zaterdag gingen we terug naar Lemmer met de bus van Koehoorn.

 

In de winter ging ik naar de rokerij om ansjovis te fileren voor Duitsland.  In het voorjaar van 1934 hebben we een andere schuit gekregen, een Wieringer aakje uit Makkum, waarbij ons schouwtje werd ingeleverd en wij moesten nog f. 300,= toegeven. Een nieuwe beug, zeil en zwaarden werden aangeschaft. ’s Nachts konden we slapen in een ruime kooi. In de zomer werd het vissen weer minder en ben ik terug gegaan naar de rokerij en is oom Steven bij mijn vader aan boord gekomen.


In 1934 zijn Geesje en Jelle getrouwd en in Makkum gaan wonen. In het voorjaar van 1935 weer bij mijn vader aan boord en in juni ben ik naar mijn oom Jan in Makkum gegaan om op bot en met fuiken te vissen. Het vissen was in Makkum ook niet zo best. In de winter stuurde oom Jan mij weer naar huis. Maar ja, deze jongen wou graag wat verdienen, ik had een vriendin die later mijn vrouw is geworden.


Er kwam een schrijven, waarmee men mij vroeg om te helpen bij het komvissen, standplaats Makkum. Met de schippers J. en L. P. Poepjes, twee broers, ben ik in januari 1936 de Lemmer uit gevaren, overal lag nog drijfijs. ’s Middags om 5 uur kwamen we aan in Kornwerderzand, die nacht had het erg gevroren zodat we ’s morgens om de botter konden lopen. Daarna hebben we nog drie weken gewerkt in het nettenpakhuis, touw gesplitst, komnetten gemaakt enz.


Op 20 februari, de geul was toen vrij van ijs, hebben we de botter uit Kornwerderzand gehaald en naar Makkum gebracht. De dag daarop palen gezet voor de haring vangst en we vingen berst wat haring, een keer 10 tal haring (is 2000 stuks) en een volgende keer 25 tal (is 2500) stuks. De prijs was f. 2,50 – f. 3,00 per tal, zodat we een mooie teelt hadden en zo kon ik goed sparen.


Na de haringvangst gingen wij het IJsselmeer op om fuiken te zetten langs de Afsluitdijk. De vangst was aardig, de prijs van de paling was 18 – 20 cent per pond. Zodra het palingseizoen afgelopen was gingen we terug naar Lemmer. Het jaar daarop weer naar Makkum om op haring te vissen. In februari 1937 hadden we de kommen staan en op 3 maart was de vangst twee grote zalmen van 26 en 28 pond, hiervoor kregen we uitbetaald f. 65,= per stuk.


De haringteelt en ansjovis vangsten waren ook goed. In maart van dat jaar zijn Hendrik en Maaike getrouwd, Maaike was de oudste zuster van mijn vrouw. In september werd ik opgeroepen voor herhaling militaire dienst van 17 dagen. Omdat de palingteelt toen in volle gang was heb ik uitstel gekregen en ben in december op herhaling geweest, dat kwam beter uit. Het was niet zo leuk tijdens de herhaling. In totaal waren er 17 militairen aanwezig, ook van andere lichtingen. Na de keuring bleven er nog 7 militairen over, de rest was al in juli geweest.


In 1938 weer ten haringvangst gegaan, er was volop haring. Omdat Duitsland geen haring kocht werd de haring in de puf (afvalbak) gedaan. Op een keer vingen we nog 17 last haring, een last was 50 tal en een tal 200 stuks. Door het gewicht zou de botter achter onder water lopen, omdat te voorkomen schopte ik met mijn voet het deurtje van het vooronder los. De haring liep het vooronder in, zodat het achtereind van de botter weer omhoog kwam. Dat was maar goed ook want wij moesten langs de spuisluizen varen. Er stond een sterke stroom en een dikke zee. Na het lossen van de vangst ontvingen we f. 700,= een mooi schot. Na het haringvissen nog op ansjovis gevist. Op tijd opgehouden om het want en fuiken weer heel te maken voor de fuikenvisserij.
 

Op 23 juni 1938 zijn we getrouwd en gaan wonen in Makkum aan de Grote Zijlroede, in een nieuw huis, dichtbij de oude werf van Amels.

 

Trouwfoto Jan en Luppie – getrouwd 23 juni 1938.

 

 

Jan en Luppie

 

 

 

Woning van Jan en Luppie in Makkum.

 

 

Jan en Luppie, achter hun huis op het Platte dak – Slotmakersstraat 3 Makkum.


Daarna hebben we palen gezet in het IJsselmeer langs de Afsluitdijk, er was helemaal geen paling te vangen. In september kwam er een storm opzetten van windkracht tien tot windkracht twaalf (september storm). We hadden 37 fuiken in zee en er stonden nog maar 2 fuiken op hun plaats. In die 2 fuiken zat 800 pond paling, dat was de hele vangst. Palen met fuiken van alle vissers dreven door de storm naar Hindeloopen, alles lag door elkaar en kapot. Dat was wel een tegenvaller. Door de storm zaten er in de Afsluitdijk grote gaten, daar konden wel 2 autobussen in.
 

Nog even terug. Voor mijn trouwen was ik bij mijn schipper in de kost, ’s nachts sliep ik in de botter. Het was 31 januari 1938 ’s morgens vertrok ik van Lemmer, het was op een maandag. Bij mijn schipper thuisgekomen werd er verteld dat prinses Beatrix was geboren. De schipper, zijn vrouw en haar oude vader, zijn naam was Kok en hij was 80 jaar, zaten in huis. De vrouw vroeg mij direct een grote ringstok halen, want daar moest een vlag aan. Zo gezegd, zo gedaan en ik ging naar de schuur om een ringstok te halen. Bij het huis teruggekomen zat oude Kok al op de zolder om de stok aan te pakken.


Kok was van de kerk, gereformeerd en erg koningsgezind. Hij was erg trillerig toen hij de vlag aan de stok bond en de vlag uit het raam ging hangen. Buiten gekomen en omhoog gekeken riep hij, moet je eens zien, de vlag hangt niet goed. De blauwe strook zat boven en de rode strook onderaan. Ik moest zo lachen en dat vond Kok niet mooi. Hij zei vlug de vlag andersom vastmaken want straks beginnen de kanonnen te schieten. De jongens van smid Lutgendorff, hadden de kanonnen al op het plein neergezet. Kok zou de vlag opnieuw uit het raam hangen, jammer genoeg niet onder het raam, hij stak de stok met vlag dwars door het raam. Het glas viel met veel lawaai naar beneden. Zo kun je wat meemaken. Later hebben we hierover nog vaak gesproken bij de schipper thuis, zoiets vergeet je niet.


Na het mislukte fuikvissen zijn we nog te botvissen geweest, ook weinig gevangen. Mijn zwager Jelle en ik zijn nog aan het “jouwvissen” geweest, vissen met een “totebel”, dat bracht ook niet veel op. Ik heb toen ook nog wat kou gevat maar was snel weer beter. (Een totebel, is een vierkant net die men in het water gooide dan kwam het aas op de totebel en na ongeveer 2 minuten had men ± 40 vissen)


In het voorjaar van 1939 zijn we in de Waddenzee palen gaan zetten en haringfuiken aange-bracht. De fuiken hadden drie weken gestaan, we vingen maar elf haringen. Het was gedaan met de haringvisserij. Ik heb nog om financiële steun gevraagd bij de Sociale Dienst omdat ik niets verdiende. Elke morgen moest ik een stempel halen, ik kreeg echter geen steun omdat ik niet lang genoeg in de gemeente woonde.


Op een zaterdag ben ik met mijn vrouw op een tandem naar Lemmer gefietst, gehuurd bij smid Lutgendorff voor 50 cent per weekend. Er stond een dikke wind uit het Noordwesten, we hadden voor de wind en waren binnen 2 uur in Lemmer. De familie stond verbaasd omdat wij er al waren bij moeder Gepke aan de Weverswal. ’s Avonds zijn wij nog bij ds. Wessels op bezoek geweest (mijn vrouw had daar gewerkt), die vonden het ook mooi dat ze ons zagen. Wij waren een poosje bij ds. thuis, iemand belde aan. Voor de deur stond een mijnheer en die vroeg of er de volgende morgen in de kerk  “avond-maal” werd gevierd. Dominee zei kom maar even binnen, wij hebben nog meer bezoek. Die mijnheer ging naast mij zitten en vertelde dat hij ingenieur was bij de dienst Zuiderzeewerken.

 

Jan en Luppie. Op de achtergrond de Nieuwburen te Lemmer

 

Wij raakten wat aan de praat en ook over het vissen. Hij zei dat de vissers het nog niet zo slecht hadden. Ik zei men kan ook nog wel een dijk leggen van Ameland naar de Friese kust, dan hebben we buiten de Afsluitdijk de put er ook uit. We kregen hierover meningsverschil. De mijnheer zei tegen mij dat ik wel bij hem aan het werk kon komen, als waker op een baggermolen bij de Dienst Zuiderzeewerken. Daar schrok ik wel even van, altijd visserman geweest en dan zo maar waker.

 

Maandag kon ik wel met de sleepboot mee naar de bagger-molen. Je neemt beddengoed mee en een scheerapparaat. Mijnheer, zo snel kan ik niet beslissen. Hierover moet ik eerst nog nadenken en wat zal mijn vader en de vader van mijn vrouw er wel van zeggen? Nu mijnheer, ik kan niet eerder een besluit nemen dan maandag. Goed zij hij, maar maandag om 7 uur moet ik het weten. Mevr. Wessels vroeg nog of er nog wat aan verbonden was.


Ja, Visser kon dan later solliciteren bij de nieuwe sluizen in de Noordoostpolder, bij Lemmer, Urk en Marknesse, als die klaar waren. Mijn vrouw was blij, ze zei wij nemen het graag aan. We namen afscheid van dominee en zijn vrouw en gingen naar onze ouders om het te vertellen. Ze zeiden, aannemen, het vissen wordt is niks meer nu de haringvisserij op de Waddenzee ophoudt, zodat wij op maandagmorgen naar het kantoor van Ing. v.d. Bout (Schreef diverse artikelen in De Zuiderzeewerken; Zuidelijk Flevoland (1965). Ref.: AB, ED, LW 1967 n5 p239, WID5-6. (vdt069)gingen om te zeggen dat ik het werk aannam.

 

Op woensdag morgen kon ik om 7 uur vertrekken, samen met Ing. v.d. Bout op de sleepboot om naar de baggermolen te gaan. Eerst moest ik nog bij mijn school-kameraad S. Kuipers op de molen zijn want die kon mij inlichten hoe alles in zijn werk ging, hij was 14 dagen eerder als waker begonnen, dat was in maart 1939.


Blij gingen we op de tandem terug naar Makkum, ook wel een beetje zorgen omdat je het vissen vaarwel ging zeggen. We woonden nog maar 10 maanden in een mooi nieuw huis en we waren al aardig ingeburgerd in dat kleine Makkum. In Makkum aangekomen hebben we meteen de schipper op de hoogte gebracht van mijn vertrek. De schipper vroeg mij of ik voor hem ook een baantje kon regelen, want met de visserij zag hij het ook niet meer zitten. Hij vond het mooi dat ik werk gekregen had en zei dat ze het wel een poosje met z’n drieën konden redden.


Wij aan de slag om de huisboel in verhuiskisten te doen. De inboedel kon wel bij ds. Wessels in de pastorie op zolder. Dinsdagavond gingen we al naar de Lemmer omdat ik woensdagmorgen om 7 uur bij de sleepboot moest zijn om naar de baggermolen te varen.

 

Ds. L. W. Wessels.

 

We gingen aan het werk om het hoofdkanaal aan te leggen van Lemmer naar dorp A, dat later de naam Emmeloord kreeg. ’s Nachts op de baggermolen blijven. Als het werk ’s avonds om 6 uur klaar was dan uitrekenen hoeveel zand we hadden gebaggerd en hoeveel meter de baggermolen vooruit was gegaan.

 

Overdag was er ook wel eens vertraging omdat de ankers verzet werden en dan lag de baggermolen ongeveer 15 minuten stil. Bij dit werk kwam aardig wat kopwerk bij, het bijhouden en opschrijven van het verbruik van gas- en smeerolie; steenkolen; poetskatoen enz.
Eveneens werd bijgehouden, hoeveel uur er gebaggerd was. Met mist kon er niet gebaggerd worden, omdat we de bakens niet konden zien. De verwerkte bakken met grond werden ook opgeschreven. Elke bak had een nummer, per bak werd de inhoud opgenomen en op een staat geschreven. Soms waren er wel 30 bakken in bedrijf, per dag werden die wel 6 keer opgemeten met behulp van een peilstok.

 

De lagere school had ik wel gehad maar dit rekenwerk viel de eerste week niet mee. Je brein werkte wel maar alle begin is moeilijk. Later had je er geen werk meer van. Mijn verdiensten waren f. 21,80 in de week, dit verdiende beter dan met vissen. Er was veel toezicht. Elke dag leerde je weer meer. Als er een week om was moest je op woensdagavond het werkboekje, waar alle gegevens instonden, overgeven aan opzichter Verkerk. Op zijn kantoor zag hij alles na of het wel in orde was.


Lekke bakken kwamen ook voor, die moest je er dan uitgooien en nazien. De kleppen zaten meestal niet goed tegen elkaar. De waker en de schipper waren de hoofdpersonen, zij moesten zien of de mannen van de baggerbak de grond wel naar de stortplaats brachten van dorp A. Er op toezien of de bakens van het hoofdkanaal nog wel goed stonden. Was dit niet goed dan werd de peilploeg gewaarschuwd.

 

De peilploeg bestond uit 6 man met een vletschipper, deze plaatsten dan de bakens weer op de goede plek. De sparren met vlaggetjes eraan. We moesten een breedte van 60 meter baggeren op een diepte van 7 tot  8 meter. Om de 8 tot 10 kilometer lag weer een andere baggermolen. Er lagen zo’n 15 tot 20 baggermolens en zuigers voor het maken van de straten. Later toen de molens klaar waren met het werk en de polder droog was, lagen de straten er al en konden de stratenmakers direct aan het werk. Later ben ik nog naar Schokland geweest, Zuiderbuurt. Het oude Schokkerhaven heb ik nog gekend.


Aan boord waren ook mensen uit Sliedrecht en Hardinxveld, deze lui hadden ook al in het buitenland gewerkt. Ze hadden veel last van astma (borstziekte). Vreselijk was dat, ze lagen ’s avonds met de mond boven een schaaltje met poeier, daardoor kwam er veel slijm los. Met zonnig weer hadden ze minder last, maar met mist was het astma heel erg.


Toen wij uit Makkum gingen omdat ik waker werd, zijn mijn vrouw en ik een poosje bij de ouders van mijn vrouw, op de Weverswal, gaan wonen. Later zijn wij in het Waaigat gaan wonen, een leuk huisje. Teun de Klepperman was onze buurman, fijne mensen. Hij was vrachtrijder bij Ykema, onze buurman van vroeger op de Nieuwe Dijk.

 

Foto links: Luppie bij het water. Foto rechts: Luppie zittende op een stoel en twee buurmeisjes op een regenwater bak. Op het Waaigat te Lemmer.

 

 

Het Waaigat 1937

 


Na een poosje als waker gewerkt te hebben, kreeg ik bericht dat ik onder de voormobilisatie viel en moest eind april opkomen, omdat ik dienstplichtig schipper was. Dit ging echter niet door, dus dat trof ik nog. In juli voor herhaling 17 dagen in dienst geweest, we waren toen weer met de oude lichting.


Net 4 weken uit dienst, brak op 25 augustus de algemene mobilisatie uit. ’s Nachts op de molen, midden in de Noordoostpolder, kwam de opzichter Verkerk naar de molen om mij op te halen omdat ik onder de wapens moest. Dat was wat. Heel Nederland in rep en roer. Ik was erg beroerd, ik had de zenuwen op mijn maag. Mijn vrouw was niet naar bed, die wist al dat ik thuis zou komen. Verder die nacht niet geslapen. ’s Morgens de dienstkleren opgezocht en om 9 uur met de tram vertrokken. Half Lemmer stond bij de tram om ons uit te zwaaien. Wij dachten dat we nooit terug zouden komen, het was een toestand. Duitsland maakte zich klaar om oorlog te voeren, vandaar alle Nederlandse soldaten zich dienden te melden.

 

Jan Visser in militaire kleding.


Dus daar ging Jan, met de tram naar Heerenveen, per spoor via Zwolle, Utrecht, Geldermalsen, Leerdam naar Gorkum. Wij werden ondergebracht in een groot schoollokaal, waar we op stro sliepen. De volgende dag met een Rijnaak naar het haventje van Dalen een halfuur buiten Gorkum. Daar kregen we allemaal een geweer, want daar gaat het om, om een ander dood te schieten, die je nog nooit hebt gezien.

 

Wij hebben daar heel wat beleefd. Acht weken hebben we als beesten in het stro, op de vloer van de rijnaak geslapen, waarmee kort tevoren nog steenkool was vervoerd. ’s Morgens zagen we er uit als negers, vanwege al het gruis van de steenkolen. Daarna kregen we een zogenaamde krib met een strozak er in. Wij waren er al een tijdje geweest toen we 2 dagen verlof kregen en naar huis konden gaan. Dat verlof was ook zo maar om. Mijn vrouw kreeg maar f.11,= kostwinnersvergoeding. Later, toen minister de Geer aan het roer kwam kreeg mijn vrouw f.18,= dat was even beter.

 

De dag van Sinterklaas brak aan, wij waren al geruime tijd onder dienst.  ’s Zondags moesten we met ons tenue aan, naar de vluchthaven van Gorkum, daar zou de Sint aankomen vanaf Sleeuwijk, dicht bij Werkendam. Daarna  feest in de kazerne, want daar zou Sint ook komen. Er stond een muziekkorps op de kade en er liep een mooi paard van de huzaren, hierop moest de Sint zitten. De boot met Sint en zwarte pieten kwam er aan. Veel burgers van Gorkum stonden op de dijk bij de haven te wachten. De boot meerde af aan de kade, de loopplank werd uitgezet. Matrozen van de Marine presenteerden hun geweer en bajonet toen de Sint over de loopplank liep naar de vaste wal. Het paard stond klaar en Sint werd er op geholpen. De rode mantel van de Sint, fladderde voor de ogen van het paard, daardoor deed het paard een kontstoot en de Sint vloog als een heks de lucht in en kwam terecht op de kant van de kade. Gevolg hiervan, de Sint naar het ziekenhuis, waar bleek dat hij 6 kapotte ribben had, zijn staf lag in 12 stukken.
Alle burgers stonden op de kade te lachen, want dit was nog nooit gebeurd. Snel werd een andere Sint klaar gestoomd en ging de optocht naar de kazerne. ’s Middags kwamen wij weer aan boord met een pakje. We hadden een fijne dag gehad en veel plezier.


In het jaar 1940 kwam mijn vrouw naar Gorkum, zij kon een voorkamer in een huisje huren van vrienden van mevr. Wessels. ’s Avonds ging ik naar haar toe, maar er ’s nachts blijven mocht niet. Tezamen hebben wij heel wat kennissen van de familie Wessels opgedaan. We liepen vaak langs de Merwede, daar was het erg druk met de scheepvaart. Maar aan alle goeie dingen komen een einde. Ik kreeg weer eens verlof en mijn vrouw vond dat wij toch maar weer eens in Lemmer moesten kijken. Na een paar dagen ging ik terug en mijn vrouw bleef in Lemmer, vanwege dat Duitsland, Nederland binnenliep en aan Nederland de oorlog verklaarde. Al mijn spullen had ik al naar Spijk gebracht en was wel blij dat mijn vrouw bij haar ouders was.

 

’s Avonds kwam ik aan boord, we moesten direct weg om mijnen te leggen in de rivier. Tijdens dit werk vlogen de Duitse vliegtuigen over ons heen, maar ik zeg maar zo, ze hebben ons nog gespaard. De volgende dag was het oorlog. Allemaal soldaten die zich terug trokken in de vesting Holland en mensen die vluchten uit hun huizen. Ze hadden een karretje of een kruiwagen bij zich met wat huisraad er op, ook veel vrachtwagens met mensen uit Nijmegen, maar wij bleven bij de mijnen. Kwam er een vijandelijke voertuig langs dan lieten wij de mijnen springen. In elke mijn zat 150 kilo trotyl. Met deze mijnen hadden wij voor de oorlog nog ijsdammen laten springen, daarvoor kregen we 50 cent extra loon. De winter van 1939/1940 was zo hevig, de mensen liepen zelfs over de rivier.


Nederland gaf zich over op 10 mei en 15 mei was het gebeurd. Nadat de Duitsers half Nederland hadden leeg gestolen, gingen ze verder naar België. Op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand en bij de stelling Wons, hebben de militairen nog geruime tijd stand gehouden. Op de kop van de Afsluitdijk zijn veel Duitse soldaten gesneuveld.


Maar afijn, de oorlog was voor ons afgelopen, wij konden wel weer naar huis, maar wanneer? Ik ben nog een maand krijgsgevangene geweest en op 30 mei ben ik thuisgekomen. Gereisd via Stavoren, daar een fiets gehuurd en gefietst naar Lemmer zonder de grond aan te raken, zo snel gefietst.


Wij hadden ons huisje in het Waaigat aangehouden. Een week ben ik thuis gebleven en daarna weer naar de Noordoostpolder gegaan, waar ik zo weer aan het werk kon. Eind 1941 waren de kanalen in de polder gebaggerd en de baggermolens waren niet meer nodig.


Ook heb ik nog een tijdje gewerkt in de Noordoostpolder, op de dijk met Stienstra en Komen, bij opzichter Verwijs, er mocht niemand over de dijk lopen. Daarna kreeg ik ontslag.  Er bleven nog 3 wakers over, Siebe Kuipers, T. Prins en nog een Urker. Toen ik nog waker was vielen er drie kettingbommen op de schutsluis bij de polder, even daarvoor waren wij er nog langs gelopen. Door die kettingbommen waren er 7 mensen gedood, waarvan 4 personeelsleden van het Waterleidingbedrijf, die daar aan het werk waren. Het was wel wat. Later ben ik nog bij mijn vader wezen vissen met snoekbaars- en met sleepnetten, Wiebren Visser was ook knecht bij mijn vader.
 

Op een gegeven moment kwam een bericht uit Makkum of ik knecht wou worden bij Jelle Poepjes (mijn zwager), Gradus Mulder en Abe v.d. Bijl, dat heb ik toen aangenomen, het vissen werd al wat beter. Op 13 maart waren we weer terug in Makkum gekomen. Ons huisboel kwam te staan bij bakker De Hoop, op zolder. Wij kwamen te wonen bij mijn vrouw haar zuster Geesje, totdat we een huisje konden huren.

 

Palingvisser Poepjes, Makkum.


Het was erg gezellig bij Geesje, Jelle en de kinderen, bij het schoolplein van de Openbare Lagere School. We hebben ook veel plezier gehad en ook nog geslapen op de garage zolder van notaris Faber. Dat kwam omdat ik mij moest melden in Amersfoort vanwege mijn soldaat zijn. Hitler wou ons allemaal hebben. Velen hebben zich gemeld in Amersfoort, ik ben gewoon blijven vissen. Als er onraad was hield ik mij gedekt. In Makkum waren er nog al wat mensen die ook in Amersfoort waren geweest, daar moest ik wel voor oppassen, ze konden mij eens verraden.


Wij hadden een kennis, boer Abma, en die had wel een schuilplaats voor mij. Abma was voor ons een goeie boer. Alle dagen konden we melk bij hem halen en ook nog wel eens wat vlees als hij een kalf of een varken had geslacht. Van ons kreeg hij dan wel paling. Van Jelle en Geesje kreeg ik veel vis, meestal gerookte paling.


In de winter hadden Jelle en ik een kaar met paling, zodat we een mooi voorraadje achter de hand hadden en daarmee konden ruilen. Er is door ons wat afgerookt op het schoolplein. Dikke blei gekookt en we kochten voor 10 cent per stuk meerkoeten van jager Kooi. Wij hadden ’s avonds onze buik vol. Zo langzamerhand was er minder eten te koop en alles was op de bon. De Duitsers vraten alles van de Nederlanders op. Anderhalf jaar hebben wij bij hen ingewoond, toen zij wij in de Slotmakersstraat gaan wonen, daar kwam een huis leeg. De erfgenamen vroegen f. 4,= huur, dat vonden wij nog al wat. Gemeenteopzichter v.d. Meer vroeg ons wat voor huur wij betaalden, f. 4,= vond hij ook te veel. Hij nam contact op met het makelaarskantoor uit Sneek en heeft voor ons geregeld dat de huur f. 2,50 werd, dat was aardig goedkoper.


In de Slotmakersstraat woonde het ook mooi. De kinderen van de Christelijke school hadden wij ’s morgens voor de deur, ons huis stond tegenover de school. Daardoor was er veel leven in de brouwerij.

 

Bron foto: www.hwwunseradiel.nl

 

Onze buren waren, buurman Schelte en buurvrouw Jantje, buurman v.d. Veen, die was schoolschoonmaker, buurvrouw Krooienga, buurvrouw Magdalena en buurvrouw Fennema. Zij was onderwijzeres aan de Christelijke school. Meester Pruiksma was het hoofd van de school.
De omstandigheden werden al slechter in Makkum. De radio moest worden ingeleverd, zodat we niet konden horen wat er zoal in Engeland gebeurde. Een ondergrondse werd in Nederland opgericht. Engelse vliegtuigen kwamen ’s nachts aanvliegen en die dropten dan wapens in de Friese weilanden, ja door heel Nederland. Ook hoorde je ’s nachts de bommenwerpers overvliegen van Engeland naar Duitsland. Dan was er weer een vliegtuigen gevecht in de lucht. Gewone burgers werden door Duitsers neergeschoten.


Joden uit Amsterdam en uit geheel Nederland werden naar Duitsland gebracht en naar Warschau. In Nederland waren er ook strafkampen. Met het vissen werd het ook gevaarlijker, ’s avonds om 9 uur mocht je niet meer buiten zijn. Onderduikers werden opgepakt. De bezetter begon er aardig aan te trekken.


N.S.B.’s, dat waren de minste van de minste mensen. Zij gingen naar burgers toe waar Joden zich verborgen hielden. In Makkum werden 9 mensen doodgeschoten omdat ze bij de ondergrondse waren, ook weer verraad in het spel. Er was bijna geen eten meer te krijgen, wij hadden gelukkig vis om voor eten te ruilen.


Alles werd duurder en er werd “zwart” verkocht. Sigaretten waren niet te betalen, vet en suiker was er bijna niet meer. Overal moest je zuinig mee omgaan. Gelukkig dat wij boer Abma hadden, we konden melk krijgen, rogge en weet om brood te bakken. Het brood lieten we dan bakken bij bakker Dijkstra. Veel blei werd er gekookt en gegeten bij Jelle en Geesje, zodat wij wel te eten hadden. In Holland kwamen veel mensen om van de honger. Sommigen kwamen lopend uit Amsterdam of op een oude fiets bij de boeren langs voor aardappelen en vlees. Veel geld moesten ze daarvoor betalen.


Ook werd er wel tulpen bollen gegeten in Holland en witte en rode koolsoep. Steenkool en ander brandstof was er ook niet meer. In de bossen werden er heel veel bomen omgezaagd voor brandhout. Wij gingen naar de zeedijk om oude zeepalen om te zagen, zodat wij hout hadden om de kachel brandende te houden. Zwager Jelle, zwager Hans en ik zei de gek gingen bij boer Abma turf van het land halen. Wij kregen een paard en wagen van Abma mee en zo hadden wij turf om te stoken. De turf lag bij ons op de keukenzolder. In de turf zaten veel vlooien, zodat wij veel vlooien in huis hadden.


Wij kregen ook nog een onderduiker, de broer van mijn vrouw. Eerst was Jan bij ons, daarna bij Hans en Alie en tenslotte nog bij ds. Julius in de Ned. Hervormde pastorie. Er kwamen ook nog twee passagiers uit Lemmer, mijn schoonouders Age en Gepke. Zij waren het hele eind van Lemmer naar Makkum gelopen om te zien hoe het met hun zoon Jan ging die ergens was ondergedoken.


Op een keer kwamen dokter Bogtstra en ds. Julius bij zwager Jelle en zijn mede compagnons Gradus Mulder en Abe v.d. Bijl om te vragen of we een kotter met aardappelen naar Bunschoten konden brengen, daar was helemaal geen eten. Douwe Amels is er eerst naar toe geweest en wij met ons kottertje hebben er nog 3 vrachten naar toe gebracht. De laatste reis vergeet ik nooit weer. We kwamen ’s morgens in Huizen aan. Vliegtuigen van de tommies vlogen boven Huizen en onze kotter om bommen te werpen op een hotel vol met hoge Duitse gasten. Tommies waren Engelse vliegtuigen en de Duitsers hadden net het hotel verlaten.


Die laatste reis waren er nog 2 mensen van de N.B.S. (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) aan boord. Die moesten, zodra ze in Huizen aan wal waren, 50 speurhonden van de Duitsers dood maken. Die honden zochten op onderduikers in de bossen rondom Huizen. Zoals Joden; jongens uit het verzet enz. Wij waren blij dat wij ’s morgens om 7 uur aan wal konden, want het was het nachtje wel. Allemaal Duitsers met boten onderweg van Lemmer naar Amsterdam, die trokken zich terug omdat de Canadezen en Engelsen al in Zutphen en Kampen waren. Wij hoopten dat ze maar niet op ons schoten, wij voeren zonder licht. In de Lemstervaart boven Enkhuizen voeren grote transport konvooien, we zijn door het oog van de naald gegaan. Dokter Bogtstra en ds. Julius waren ook bij ons aan boord en gingen mee terug naar Makkum.


In de geul (kanaal van Makkum) kwam een man met een kleine boot ons tegemoet varen. Hij vertelde dat de Duitsers mijn huis in beslag hadden genomen. Daarna overlegde ik met dokter Bogtstra wat ik zou doen. Voordat we bij de wal kwamen kroop ik naast de zijbun van het schip. Mijn vrouw stond al te wachten op de haven en zei dat er veel Duitse soldaten werden ingekwartierd in de Christelijke school. Vijf officieren moesten in een huis in de buurt van de school wonen om de soldaten in de gaten te houden, vandaar dat ze ons huis hadden gevorderd.
Die soldaten waren allemaal uit Leeuwarden gekomen. De inboedel werd door omwonenden uit huis gehaald en kreeg een plaatsje op zolder bij buurtgenoten. Alleen de kachel en een kastje stonden nog in ons huis.

 

De Duitsers zijn zo’n drie á vier dagen in ons huis geweest en toen heb ik ze er weer uitgekregen met een valse ausweis. Op de ausweis stond vermeld dat er geen militaire maatregelen met mij mocht gebeuren omdat ik werkte voor de voedselvoorziening. Met dat papiertje ben ik naar het hoofdkwartier van de Duitsers in de Rooms katholieke kerk gegaan. Daar zaten hoge Duitse officieren, ik sprak met de commandant en die vroeg waar ik deze ausweis vandaan had. Ik zei van de Orz commandant uit Leeuwarden. Jullie eten onze paling maar op en ook nog een arme vissersjongen zijn huis in beslag nemen, dat kan niet.

 

Ausweis.


De Orz commandant ging naar de sergeant officier en sommeerde dat de officieren voor twaalf uur uit mijn “hause” (huis) weg moesten zijn. Inderdaad waren ze vóór twaalf uur vertrokken. Daarna zou er een Duitse dokter in mijn huis gaan, ik zei: “vooruit er uit, niks te maggen, foetsie. Daarna konden we weer in ons huis. Ik had nog een geluk dat ze mijn dienstfoto’s niet hadden gevonden. Die had ik verstopt achter de waterput in de grond bedekt met as uit de kachel, zodat het niet opviel.


Toen kregen we 2 meisjes bij ons in huis. Het ene meisje was met een botter uit Bunschoten gekomen en het andere meisje uit Oosterbeek. De Canadezen en Engelsen waren vanuit vliegtuigen gedropt tussen Arnhem en Oosterbeek. De soldaten moesten onderdak hebben en er werden huizen gevorderd van de inwoners van Arnhem en Oosterbeek. De familie De Roode en nog meer bewoners uit die plaatsen zijn naar Bunschoten gegaan en met schepen o.a. naar Makkum gebracht. Het andere meisje kwam met de bus uit Hilversum met nog 30 andere meisjes, deze kinderen waren ondervoed. Ds. Julius bracht deze 2 meisjes, Rietje de Roode en Tinie Kool bij ons.
Rietje was 10 jaar en erg knap. Rietje haar ouders waren ook in Makkum en haar broertje Jan was bij bakker de Hoop ondergebracht. Tinie Kool haar vader was postbode. Zij kreeg ook niet wat haar toekwam, in Holland was te weinig voedsel. Tinie had erge heimwee, ze wou weer naar huis. Mijn vrouw heeft haar even aangepakt en de volgende dag was de heimwee over.


Beide gingen ze naar de Christelijke school en ze lusten graag gerookte paling. Ik zie ze zaterdags allebei nog zitten op het aanrecht met hun lange haar, om gewassen te worden. Rietje had niet veel kleertjes bij zich, Tinie had wel wat kleertjes van huis meegekregen. Om voor Rietje kleren te halen ben ik naar Workum gefietst om kleertjes te ruilen voor gerookte paling, dat was snel voor elkaar.


In die tijd zijn we nog aan het botvissen geweest. De oorlog liep al naar het einde. De Duitsers verloren overal. Tot het laatst van de bezetting stonden er Duitsers in groepsverband op het schoolplein bij het huis van Jelle en Geesje, twee aan twee moesten ze wachthouden. De Canadezen waren al bij Makkum en begonnen op Makkum te schieten. Wij hebben wel spannende dagen gehad. Met onze 2 logeetjes zijn we over het dak van ons huis gegaan naar de kelder van slager van der Meer. In die kelder zaten we op een morgen toen er weer flink geschoten werd.

 

Overal was het zwart van de puin en rook. Daarna was het heel stil en ben ik even uit de kelder weggeslopen. Ik zag dat drie Canadezen de katholieke kerk ingingen en uit die kerk kwamen wel 100 Duitsers met de handen omhoog. Zeventien april in het jaar 1945 waren wij bevrijd van 5 jaar onderdrukking. Er viel een stuk spanning weg maar bij anderen was er droefenis.
Makkum had 8 á 9 gesneuvelden te betreuren, allemaal bekenden. Een meisje uit Hilversum, die tegelijk met Tinie Kool in Makkum was gekomen, logeerde bij postbode Doede Zijlstra. Het huis van de familie Zijlstra werd getroffen door een granaat en Doede Zijlstra en het evacueetje verloren hierbij hun leven. De scherven zaten bij ons in het ledikant op de slaapkamer. We hadden maar op bed moeten liggen.


Maar de Heer heeft ons in leven gehouden. Overal waren er slachtoffers. Op de Afsluitdijk zijn veel Duitse soldaten gesneuveld, zij waren onderweg naar Noord Holland. Er werd verteld dat er nog Duitse soldaten in Kornwerderzand waren en van daaruit konden ze Makkum nog gaan beschieten. Een groot kanon werd in Makkum bij de leugenbank geplaatst, hij zakte bijna door de grond. De loop werd gericht op Kornwerderzand, zodat ze eventueel Kornwerderzand konden beschieten. Veel Makkumers vertrokken naar Workum, ze werden ondergebracht in de grote kerk of bij de Workummers thuis. Wij zijn met de viskotter naar Allingawier gevaren. Officieel was Nederland op vijf mei bevrijd en werd er feest gevierd.

 

De 'leugenbank' te Makkum.


Na de bevrijding zijn we weer aan het vissen gegaan. Met netwant en palen aan boord zijn we binnendoor via Bolsward, Wommels en Franeker naar Harlingen gevaren omdat de haven van Kornwerderzand gestremd was vanwege een gezonken rijnaak in de mond van de haven.

 

We waren al wat laat voor het vissen op ansjovis, de Harlingers hadden al aardig wat ansjovis gevangen. ’s Avonds gingen we met de boot in de buitenhaven van Kornwerderzand liggen en zagen dat heel veel Duitse soldaten uit Holland kwamen om weer terug te gaan naar hun heimat. Duizenden met auto’s en karretjes er achter met gestolen goederen moet je maar den-ken. De Duitsers hebben heel wat meegenomen van de Joden uit Amsterdam.


Die arme mensen uit Amsterdam, Lemmer en andere Nederlandse plaatsen zijn naar Duitsland gedeporteerd en de meesten hebben de dood gevonden in de gaskamers. De joden uit Lemmer hebben we goed gekend, Davidson, Jacobs, Blok en Heiermans.


In 1945 ging het al wat beter met de visvangst. Op 23 september werd onze dochter in de Slotmakersstraat geboren, haar naam was Gepke, Clara, mijn vrouw had het erg zwaar tijdens de bevalling want Gepke, Clara wou niet bij haar moeder vandaan. Maar toch kwam ze ter wereld en begon al snel te huilen. Vader Jan had het er maar druk mee om alles te beredderen. Geboorte aangifte gedaan in Witmarsum.

 

Links: Geppie met doopjurk waar zij gedoopt is in de Hervormde Kerk te Makkum & Jan en Luppie met dochter Geppie (Gepke Clara)

 

 

Geppie in de kinderwagen.


In die tijd moesten we ons laatste beetje geld nog naar de bank brengen en de bankrekening werd geblokkeerd. Daardoor konden we niets kopen. Maar als de nood aan de man is, is redding nabij. Die week vingen wij aardig wat paling en kregen toen handgeld van de Directeur van de visafslag om de baakster te betalen. Zij was al lang blij dat ze centen kreeg. Haar naam was Neel Drendt, ze kwam uit Oudega-W.


Het jaar 1946 was een goed jaar voor de visserij. In 1947 was er veel paling te vangen, die zomer was het erg warm. De verdiensten waren goed. In de jaren 1948 en 1949 werd de vangst minder. De prijs van de paling werd in 1950 hoger. In 1951 was er weer een weekgeld te verdienen, ansjovis werd er ook nog gevangen. In dat jaar hebben wij op 18 mei in één dag 3000 kg. gevangen in de Boontjes bij Kornwerderzand, die dag werd er ’s morgens en ’s avonds gevist. Doordat er zoveel ansjovis werd aangevoerd was er geen vraag meer naar, de vis gelost en in de pufbak gedaan. Ook hebben we ansjovis zelf nog schoongemaakt, ingezouten en in tonnen gedaan, met de bedoeling ze later te verkopen. Daar hebben we niets mee verdiend. In 1952 was er weinig vis te vangen en in 1953 was er helemaal geen vis.


In 1954 en 1955 zijn we nog aan het werk geweest op de Makkumer waard, om sleuven te graven voor de afwatering, dit in opdracht van de gemeente. De vissersknechten kregen wat financiële ondersteuning van de gemeente omdat ze te weinig verdienden. De schippers adviseerden de gemeente om werk voor deze mensen te zoeken, zodat ze wat meer konden verdienen en niet zo snel om een andere baan gingen zoeken. Een enkeling had al werk gevonden bij de Rijkspont in Amsterdam.


Nadien ben ik eerst bij Ooms aan het werk geweest met het aanleggen van de riolering in Sneek en definitief het vissen vaarwel gezegd. In 1956 in Oostelijk Flevoland dijken aangelegd. In het jaar 1957 nog opperman geweest bij mijn zwager Hans Poepjes, bij de bouw van zijn nieuwe woning aan de ds.Touwenlaan. In mei 1957 ben ik naar Kornwerderzand gegaan als werkman bij het onderhoud van de spuisluizen, dit werk heb ik anderhalf jaar gedaan. Daarna 1 jaar gewerkt als sluisknecht.


Ook zijn we nog aan het krukkelen geweest (alikruiken zoeken) om wat bij te verdienen omdat het uurloon niet zo hoog was. Het uurloon was 57,50 cent per uur. Door overuren te maken en krukkels te zoeken kwam ik toch op een weekloon van f. 70,=, dat ging nog wel. Moeder Lupkje was ook niet lui, met dochter Gepke hielpen zij ook bij het krukkels zoeken. De krukkels lagen aan de Waddenzeekant, onderaan de dijk. Met laag water (eb) werden de krukkels tussen de basalt stenen één voor één weggehaald en in een bakje gedaan. Dat was toen een heel gesjouw. We brachten de zak met krukkels achter op de fiets naar de Gebr.v.d. Berg, vishandel en palingrokerij in Makkum. Voor een kilo werd 20 cent betaald, soms verdiende je daarmee f. 5,=, daar moest je drie uren voor zoeken en nog fietsen naar de Afsluitdijk en weer terug naar Makkum. De macht van het kleine.


Op een gegeven moment kwam er een vacature voor sluisknecht op Den Oever, waarop ik solliciteerde. Ik had een goeie kruiwagen in Den Oever. De sluismeester zijn naam was 'De Visser', was vroeger ook visserman geweest. Mijn werk als waker bij de Dienst Zuiderzeewerken van 1939 tot 1942 telde eveneens mee voor mijn benoeming. Deze jongen was al een beetje bekend in Den Haag. Op 1 november 1960 werd ik aangesteld als Sluisknecht B.


Na nog een aantal maanden op de sluizen van Kornwerderzand gewerkt te hebben zijn wij op 13 januari 1961 verhuisd naar Den Oever. We lieten wel wat achter in Makkum. Ik was lid van de mannenvereniging, bestuurslid van de ijsvereniging, penningmeester van Plaatselijk Belang  en samen met mijn vrouw gaven wij leiding aan de Zondagsschool vanaf 1946 tot en met 1960. In Makkum hadden wij ook veel vrienden en kennissen. In Den Oever kwamen wij te wonen in één van de huizen bij de Afsluitdijk, tegenover het standbeeld van Lely, de ontwerper van de Afsluitdijk. We hebben de vlag vaak halfstok gehad, maar nu ging deze weer hoog in top.

 

 

 


 

Wie kreeg er nu zomaar een baan bij het Rijk. We woonden nog maar een week in Den Oever en werd ik al gevraagd voor diaken/ouderling van de Evangelisatie Gemeente te Den Oever. Van 1961 tot 1978 hebben mijn vrouw en ik nog leiding gegeven aan de Zondagsschool.


Het werk bij de sluis heb ik altijd met plezier gedaan. In 1978 ging ik met pensioen. Tijdens mijn dienstjaren heb ik op vrije dagen nog wel eens gevist met dobbers of een spieringnetje in de haven tussen de brug en sluis. Want al ben je Rijksambtenaar, het vissen gaat er niet uit, daar ben je mee geboren.


De A.I.D. (Algemene Inspectiedienst) heeft mij tweemaal een bekeuring gegeven. Ik moest tweemaal f. 50,= boete betalen omdat ik geen visvergunning had. Ze meenden zeker dat ik er een vermogen mee verdiende, maar het was mijn hobby. Het eerste proces was omdat ik met een fuik viste, die hebben ze meegenomen naar Den Helder. Toch kreeg ik de fuik weer terug omdat ik een brief gestuurd had naar de Inspecteur in Alkmaar, maar moest wel de boete betalen. Maar, alla zei mijn grootvader Jan van Fetje altijd, ik had toch mijn fuikje terug.


Omdat ik viste met een spieringnetje werd ik voor de tweede keer bekeurd. Toen kreeg ik de schrik wel te pakken en ben met het vissen opgehouden, ook omdat ik een beetje last had van mijn rikketik en te hoge bloeddruk. In dat jaar heb ik in het ziekenhuis gelegen en het jaar daarop weer. Maar nu gaat het goed met mij en doe als hobby netjes, kubben en fuikjes maken, maar het vissen is gebeurd.


’s Nachts droom ik nog wel eens over het vissen en ga terug naar wat ik allemaal heb beleefd. Bij nacht en ontij met mijn vader zijn schouwtje op het water en ’s nachts slapen in een klein vooronder. We gingen te vissen bij Broekerhaven; Breezanddijk bij de Afsluitdijk; op het strand bij Tacozijl of bij Laaksum in Gaasterland. Overal waar wat te verdienen was waren wij.

 

Bij mijn vader Hendrik (Dennebos was zijn bijnaam) aan boord ben ik door de mosterd gehaald. Om spiering te vangen met een totebel stond ik ’s winters op het ijs met een lijn om mijn lichaam, omdat ik lichter was dan mijn vader. Met een bijl op het ijs te hakken om een bijt te maken, meestal in de buurt van het stoomgemaal van Tacozijl. Dat heb je dan allemaal nog in je hoofd zitten, daarom schrijf ik het ook op omdat mijn koppie nu nog goed is. Want je weet niet hoelang je nog leeft.


Nu ik dit schrijf ben ik 71 jaar. Mijn vertrouwen heb ik in de Lieve Heer dat hij mij nog een gezegende ouwe dag mag geven, samen met mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, LUPKJE; HENDRIK;  GEPKE;  LIANDA;  ANDRIAAN; JAN.

 

Jan en zijn vrouw Luppie

 

 

Het gezin van Geppie Visser en Henk Boer. Genomen t.g.v. hun 25 huwelijksjubileum. Links naar rechts – Jan Hendrik – genoemd naar opa Visser; Adriaan; Geppie en Henk, Lianda (Lia Jolanda)

 

 

Fenny Poepjes, oomzegger en de inzendster van dit levensverhaal.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.